PENANG EN MEDAN.

Het is loonend eenige dagen in Penang door te brengen. De stad

met de geheele omgeving heeft zeer veel overeenkomst met Kandy in

Ceylon. Er is ongeveer dezelfde plantengroei, dezelfde soort bergen

en dezelfde soort villa's voor de Europeesche bevolking. Maar de

inlanders verschillen hemelsbreed van die op Ceylon. Naast enkele

Indiërs, vindt men in Penang een overgroote meerderheid Chineezen,

Maleiers en een mengsel van deze beide laatsten. Chineesch en Maleisch

is de volkstaal, ook de kleederdracht dezer beide volken ziet men het

meest aan den weg. Elke vreemdeling moet onmiddellijk getroffen worden

door de groote zindelijkheid in de straten, zoowel in die, waar de

Oosterlingen, als in die waar de Europeanen wonen. Alles ziet er keurig

netjes en afgewerkt uit. De straten waarin in hoofdzaak Chineezen

wonen, kenmerken zich duidelijk aan de gekleurde lampions, die aan

elke woning hangen en aan de rood en blauw geschilderde plankjes met

zwart of goud gemerkte namen in Chineesche letterteekens. Geheele

buurten zijn door hen bevolkt en overal vindt men de kleine, nette

gebouwtjes, meestal in een mooien tuin staande, waarin deze menschen

's avonds bijeen komen en hun clubgebouw hebben. Opmerkelijk is het,

dat zoovele Chineezen hier, blijkbaar pas kortelings, hunne staarten

hebben afgesneden en er nu, zoolang hun haar nog niet rondom is

bijgegroeid, bespottelijk uitzien. De meening van de Europeanen

in Penang is, dat de republiek in China voor goed is gevestigd,

en dat geen volk ter wereld zoo rijp is voor een republiek als de

Chineezen. Men vertelde ons, dat alle Chineezen, waar zij zich ook ter

wereld bevinden, georganiseerd zijn. Elk hunner behoort tot zijn eigen

geheim genootschap, waarvan zij hulp en steun ontvangen in tijd van

nood en die hen van de noodige voorlichting dient. De positie van een

Chinees kan niet zoo nederig en slecht betalend zijn, dat hij zijne

contributie voor zijn genootschap niet vóór alles betaalt, en aan

de voorschriften getrouw blijft. Dat maakt het volk thans sterk. Zij

zijn over de geheele wereld overal doodgemakkelijk te bereiken en daar

al die genootschappen gefedereerd en republikeinsch zijn, kunnen de

instructies gemakkelijk uitgedeeld en gehandhaafd worden.

Wij bezochten in Penang een Chineeschen Boeddhistischen tempel, die

eene bijzondere vermaardheid bezit. Zoowel de omgeving als de tempel

zelf is zeer schilderachtig. De tempel is in een rots uitgehouwen,

van den top van den berg kan men het geheel overzien. Het Chineesche

Boeddhisme in Penang draagt meer het karakter van dat in Ceylon dan

van dat in Rangoon. Hier weder geen offers van bloemen aan Boeddha,

doch offers in geld en goed. Hier geen voedsel bedelende monniken,

maar priesters die een zekere welvaart bezitten. Wij zagen een

groep van acht priesters of monniken hun middagmaal nuttigen. Zij

zaten allen op een stoel aan tafel, de hoofdschotel was rijst, doch

daarnaast een dozijn andere gerechten, die bij de rijst genuttigd

werden, en alles werd met dunne stokjes zeer netjes en sierlijk naar

den mond gebracht. Is dat een trap van vooruitgang in beschaving,

vroegen wij ons af. Deze menschen zitten niet meer op den grond,

zij eten hun rijst niet met de handen en zij bedelen hun voedsel

niet. Het mag zijn, doch de tempel in Penang, hoe schilderachtig

die er ook uitziet, verwekt niet half die sympathie als de Pagodes

in Rangoon. In dezen tempel zagen wij ook weder de afbeelding van

zoovele duivels en draken en andere dingen om bang van te worden,

die gereed staan om de menschen na hun dood te straffen, wanneer

zij in hun leven iets boosaardigs gedaan hebben. Hier was weder een

Boeddhisme, zooals wij ook in Ceylon aantroffen. Dan is het niet meer

mooi; zoo kan Boeddha het nooit bedoeld hebben.

Wij hadden in de twee dagen die wij in Penang doorbrachten, juist

tijd om een algemeenen indruk te krijgen en niets meer, en deze is

een zeer gunstige. Het is er echter het geheele jaar door zeer heet

en dat maakt er het verblijf voor de Europeanen zeer afmattend.

Wij verlieten Penang Dinsdagmiddag aan boord van de "Calypso",

een Engelsche boot, en kwamen Woensdagmorgen in Deli aan. De

Nederl. Paketvaart-Mpij. laat Dinsdags slechts een vrachtboot

varen; wij zouden tot Vrijdag hebben moeten wachten, wilde ik aan

mijn nationaliteitsgevoel voldoen om overal eigen ondernemingen te

begunstigen, waar die te vinden zijn. Penang heeft een zeer pittoresque

haven, maar om daar bij een beetje stormachtig weder aan boord te

gaan of te landen, gun ik alleen mijne vijanden. Mrs. Catt noch

ik dachten levend aan boord van de "Calypso" te komen, zoo ging de

sampan, het bootje waarin de neger ons naar het schip roeide, op en

neer en links en rechts. Dan eens zaten wij op de top van een golf,

dan weder zakten wij zóó laag, alsof wij regelrecht naar den grond

gingen. Op al onze zeereizen zijn wij beiden niet zoo nabij zeeziekte

geweest als in dat kleine, nare ding. Tot overmaat van ramp bleek

het dat de man niet wist welke van al die schepen de "Calypso" was,

zoodat hij ons herhaaldelijk naar een verkeerde boot bracht. "Goddank",

ontviel mij, toen wij eindelijk het schip in de gaten kregen en wij

naderbij kwamen. Er waren slechts drie andere passagiers aan boord,

zoodat wij een hut voor het kiezen hadden.

Om half acht kwamen wij Woensdagmorgen in Belawan-Deli aan, en werden

op dat vroege morgenuur aldaar reeds verwelkomd door mevr. Lievegoed,

mevr. van Hengel en mej. Baanders, die ons beiden een heerlijke

bouquet orchideeën aanboden. Ik gevoelde mij zoo dadelijk thuis in

Sumatra, alles klonk zoo familiair en sympathiek in mijne ooren. Toen

het treintje ons een uur later in Medan afleverde, vond ik daar

op het perron zoo waarlijk de lieve, goede, oude vriendin en warme

voorstandster van vrouwenkiesrecht, mevr. Kunst en hare schoondochter,

benevens eenige heeren. In het hotel De Boer waren een paar rustige,

frissche kamers voor ons in gereedheid gebracht en per automobiel en

rijtuigen brachten allen ons gezamenlijk naar het hotel.

Medan gaf mij op het eerste gezicht den indruk, alsof ik in Baarn

rondreed, alles ziet er niet enkel Europeesch, maar zelfs Hollandsch

uit. De geheele ontvangst, onze kamers, het geheele hotel, alles was

voor ons eene verrassing. In onze groote, ruime, luchtige kamer staat

't bed in een groote vliegenkast; dit is nieuw voor ons, maar het

lijkt mij wel zoo luchtig als de dichte gazen muskietnetten rondom

de bedden in Britsch-Indië. Ook de rijsttafel om twaalf uur was "a

new experience". Wij hadden door Britsch-Indië ook wel tot vervelens

toe twee keer daags rijst met kerry gehad, maar het was niet dat. Wij

kregen een soepbord voor de rijst en daarnaast een ander bord, waarop

de tallooze bijspijzen gestapeld werden, die door drie verschillende

jongens achtereenvolgens werden aangevoerd. Wij namen van alles een

beetje "just to try", maar toen het oogenblik was aangebroken om

er van te eten, wisten wij niet hoe er mede om te springen. "You

ought to know", klonk de stem van mijne reisgezellin verwijtend,

en ik zette een gezicht als iemand, die "wist" en vertelde haar,

maar naar mij te zien en mij na te volgen. De "jongens" wisselden

echter heel rare blikken onderling, die mij duidelijk toonden, dat

wij niet op het rechte pad waren, zoodat ik, alvorens ons voor de

tweede maal op deze wijze in de oogen der Javanen te compromitteeren,

eerst bij onze goede vrienden zal informeeren hoe wij in het vervolg

met al die lekkere kostjes moeten omspringen. Want lekker was het,

daarover waren mrs. Catt en ik het eens; zij, die anders niet van

rijst houdt, kwam nu tot de ontdekking, dat zij in Indië rijst en

niets dan rijst wil nuttigen.

Ook over de badkamers wil ik een woordje zeggen, want over een paar

dagen zijn wij er aan gewend en dan maken zij geen indruk meer. "En

hier zijn de badkamers", zeide de hotelier tot ons, toen wij in de

geheimen van het hotel werden ingewijd. Een viertal groote vertrekken

met steenen vloeren, een waterkraan, aan de zoldering een douche en

aan den muur een spiegel, maar het allereerste dat men in een badkamer

verwacht,--een badkuip--ontbreekt. Men kan zich in deze vertrekken

ongegeneerd begieten met koud water, wat ik vanmiddag, toen ik het van

de warmte niet goed meer kon uithouden, deed, met het gevolg, dat ik

kort daarna begon te transpireeren, zooals ik nog nooit in mijn leven

heb gedaan, maar een bad nemen kan men niet. Ook over het gebruik van

deze soort badkamers zal ik eerst nog de noodige inlichtingen moeten

inwinnen, want het komt mij voor, dat zij zoo alle doel missen.

Kort nadat wij in het hotel aangeland waren, ontvingen wij een telegram

uit Batavia, een welkomstgroet in Nederl.-Indië, van de ledengroep

van de Ver. voor Vrouwenkiesrecht in Indië.

Onze goede vrienden in Medan lieten ons gedurende de heete uren van

den dag tot rust komen, maar kwamen ons tegen vijf uur afhalen om

een rijtoer in en rondom de stad te maken, zoodat wij ons konden

oriënteeren en zij ons op de bijzondere plekjes opmerkzaam konden

maken. Bij deze en latere tochten werd mijn eerste indruk nog

versterkt, dat Medan en omstreken een bijzonder Hollandsch karakter

draagt en alles er zoo netjes en welvarend uitziet.

Den tweeden dag van ons verblijf bezochten wij de tabaksonderneming

van de Amst. Deli-Compagnie. De hoofdadministrateur, de heer

v. d. Capelle, was zoo vriendelijk ons de auto te zenden om ons

af te halen en hij zelf en zijne zuster vergezelden ons over de

uitgestrekte bezittingen en legden ons de geheele tabakscultuur

uit. Ongelukkig waren de droogschuren geheel leeg, doordat de tabak

pas naar Holland was verzonden, doch wij zagen den nieuwen aanplant

in verschillende stadia van ontwikkeling, en de heer v. d. Capelle

gaf ons van het proces, dat de versch geplukte bladeren hebben door

te maken, alvorens zij als dekbladen voor de fijne sigaren naar de

markt gestuurd kunnen worden, zoo'n duidelijke verklaring, dat wij

ons daarvan eene goede voorstelling konden vormen. Vooral troffen

ons op deze onderneming de goede zorgen, die er voor de werklieden,

de koelies, genomen worden. Aan hunne geestelijke ontwikkeling, hunne

ontspanning, hunne gezondheid en hunne economische belangen wordt de

grootste zorg besteed. Deze onderneming, die met zoo grooten voorspoed

werkt, schijnt de nijvere mieren, die dien voorspoed helpen aanbrengen,

bij de verdeeling der winsten niet te vergeten.

En nu zit ik reeds op de "Van Noort", de boot van de

Kon. Paketvaartmaatschappij, die ons van Deli naar Batavia zal

voeren. Wij waren de week, die wij in Medan doorbrachten, zoo bezet,

dat er voor het vervolgen van dezen brief geen tijd overbleef. Ik zal

dus nu aan boord mijne aanteekeningen over dat verblijf uitwerken en

aan hen, die er belang in stellen, mededeelen.

De dames in Medan hebben de geheele week voor de noodige afwisseling

gezorgd, en ons verblijf aldaar tot eene van de aangenaamste

gemaakt die wij in de laatste maanden doormaakten. Een van de

eerste dagen bracht men ons in aanraking met de vrouw en dochter van

den Chinees-majoor, die ons allervriendelijkst op een morgenbezoek

ontving. Wij vonden vooral in de moeder eene vooruitstrevende vrouw,

die goed Hollandsch spreekt en die zich voor verschillende zaken

interesseert. Doch zij is toch te veel nog vrouw van haar land dan dat

er van haar eenig initiatief kan uitgaan om den strijd op te nemen

tegen verouderde zeden en gewoonten. Haar 16-jarig mooi dochtertje

is verloofd met een jong man, dien zij nog nooit gezien heeft en dien

zij, nadat het huwelijk voltrokken en zij voor goed aan hem verbonden

is, voor het eerst zal ontmoeten. De moeder vertelde dat zij een

dergelijk huwelijk indertijd geweigerd heeft, dat zij het doorgezet

heeft haar man eerst te zien en hem toen de belofte heeft afgedwongen,

dat hij nooit eene tweede, wettige vrouw naast haar zou nemen. Haar

dochtertje ging echter op de oude wijze het huwelijk en daarmede

voor haar het leven in. Ook de weduwe, of liever een der weduwen,

van den overleden Chinees-majoor had den wensch te kennen gegeven

ons te ontvangen en ook daar brachten wij een kort bezoek. Deze dame

sprak echter slechts enkele Hollandsche woorden, zoodat een gesprek

met haar niet goed wilde vlotten. Daar interesseerde ons meer de

typisch Chineesche woning, met den eigen familietempel, waar nog

eenige keeren daags offeranden geplengd worden aan de nagedachtenis

van den eerst eenige maanden geleden gestorven heer des huizes.

Zondagavond, 30 Maart, hadden wij de eerste openbare vergadering,

waar Mrs. Catt en ik over vrouwenkiesrecht zouden spreken. Het was een

snikheete dag en 't was alsof de avond nog zwoeler was dan de dag. Dat

zal wel aan ons gelegen hebben, want wij hadden er tegen op gezien om

in een temperatuur van zoo om en bij 90 graden Fahrenheit een lans

voor de invoering van dat van zelf sprekend recht te breken. Wij

waren bevreesd, dat niemand de moed zou hebben om bij die hitte

in een zaal naar een voordracht over een, uit den aard der zaak,

droog onderwerp te komen luisteren. Wat dit laatste betreft viel het

echter bijzonder mede. Toen wij om kwart over negen, het uur waarop de

vergadering zou beginnen, op het podium plaats namen, zagen wij voor

ons een zaal vol dames en heeren, wier belangstelling in de publieke

zaak groot genoeg was om de hitte in de zaal te trotseeren. Tot over

twaalf uur bleef het geheele gehoor aandachtig luisteren, eerst naar

onze voordrachten en toen naar de beantwoording van de ons gestelde

vragen, en toen bij het sluiten der vergadering mevrouw Lievegoed,

die deze bijeenkomst meesterlijk leidde, de aanwezigen attent maakte,

dat allen, die wenschten het streven der leden van de Vereeniging voor

Vrouwenkiesrecht in Nederland te steunen, dit konden doen door als lid

der vereeniging toe te treden, toen werden de daarvoor gereed gelegde

lijsten zoo druk geteekend, dat de wenschelijkheid onmiddellijk bleek

en ook werd uitgesproken, dat er een ledengroep in Deli en omstreken

gevormd zal worden.

Toen wij den 1en April in den vooravond ook in Pangkalan Brandan,

de groote petroleumonderneming, met de daar aanwezige Europeanen,

dit voor ons zoo belangrijk onderwerp bespraken, bleek ook daar de

belangstelling en de sympathie groot en werden ook daar vele leden

gewonnen. Het was jammer, dat wij aan de uitnoodiging van de twee

andere ondernemingen, om ook daar te komen spreken, niet meer hebben

kunnen voldoen, anders was zeker de ledenoogst nog grooter geworden. De

ledengroep in Deli begint nu met 86 leden te werken en zal onder de

flinke leiding van mevrouw Lievegoed en enkele andere dames daar wel

spoedig nog sterk in aantal winnen. Opmerkelijk is zeker, dat zoovele

mannen zoo bereid gevonden werden ons pogen te steunen. Zij, die in

Indië zelve invloed op onze wetgeving missen, voelen krachtiger dan

de mannen in Nederland, hoe gemakkelijk in de regeeringslichamen de

belangen verwaarloosd worden van hen, die niet vertegenwoordigd zijn.

De heer en mevrouw Du Pont, hoofdadministrateur van de onderneming

"Pangkalan Brandan", hadden daar alles prachtig voor ons geregeld

en ons op de meest voorkomende wijze gastvrij ontvangen. Mevrouw

Lievegoed vergezelde ons ook daarheen en leidde op even eenvoudige

en goede wijze als zij dat in Medan had gedaan, ook deze vergadering.

Het was een verrukkelijke tocht van Medan naar Pangkalan Brandan,

waarvoor de heer Van de Capelle ons een van de mooiste auto's had

afgestaan, zoodat wij nu eenige uren achtereen door de uitgestrekte

tabaksvelden, rubberaanplantingen, pisang- en kokosnootbosschen

vlogen, in plaats van drie uren in een primitieven trein door te

brengen. Vooral des avonds, toen wij omstreeks middernacht langs

de eenzame wegen huiswaarts keerden en de volle maan ons pad met

een zilvergloed overgoot, toen schudden die wuivende pisangbladen

en de mooi verlichte reusachtige kokosnootpalmen bij ons alle drie

de fantasie wakker, zoodat wij zwijgend naast elkander zaten en

alleen bij het voleindigen van den tocht den uitroep slaakten: "Hoe

verrukkelijk!" Voor het eerst, na vele weken, ging ik dien nacht,

heel laat, met een kouden neus naar bed.

Zou ik nog meer over Medan schrijven en over allen, die ons daar zoo

voorkomend hebben ontvangen; over het allerliefste gezin van dr. Van

Hengel; over de tallooze voorkomendheden van de goede mevrouw Kunst;

over.... neen, ik noem niemand meer, want ik ben overtuigd, dat ik

er altijd eenigen zou vergeten en onze waardeering voor al hetgeen

men voor ons deed, kan ik toch nooit geheel in woorden uitdrukken.

Alleen met dezen totaalindruk wil ik eindigen: Medan is zoo'n aardig

Hollandsch stadje, er heerscht zoo'n opgewekte geest, de temperatuur

is er over het algemeen niet te heet (wij troffen het bijzonder heet

en droog), de avonden en nachten zijn zoo aangenaam frisch, dat de

Nederlanders, die aan de Oostkust van Sumatra familieleden hebben,

niet bezorgd behoeven te zijn, dat hunne zonen of dochters, broeders of

zusters, daar niet een gezond en genoegelijk leven leiden, en verzekerd

kunnen zijn, dat de omgeving in het geheel op lichaam en geest eerder

eene heilzamen, dan een deprimeerenden invloed uitoefent. In Medan

en omgeving behoeft niemand te "verindischen", zooals wij dat gewoon

zijn te noemen: er bestaat alle gelegenheid om geest en lichaam jong

en frisch te houden en, als de tijd van repatrieeren is aangebroken,

als verbeterde uitgaven van het Hollandsche ras in het vaderland

terug te keeren.

Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen · 第 82 / 133 题