IN BURMA.

De Arankola, het mooie, kleine, zindelijke bootje van de British

India Steam Navigation Co., bracht ons in twee en een halven dag

van Calcutta naar Rangoon. Dat waren twee heerlijke, rustige dagen,

die mij lang zullen heugen. Wij waren de twee eenige damespassagiers

eerste klasse en ook het sterke geslacht was slechts door vijf jonge

mannen vertegenwoordigd. Het nette geriefelijke damessalonnetje was

voor ons alleen, en elk onzer had een groote comfortabele hut. Wij

hadden een gevoel alsof wij een private stoomboot hadden afgehuurd,

waarvan het geheele personeel te onzer beschikking stond. De

jonge mannen, vriendelijk en voorkomend en zich bij alles te onzer

beschikking stellend, droegen er niet weinig toe bij om dat gevoel te

versterken. Gedurende de drie groote maaltijden van den dag, waaraan

ook de kapitein, eerste machinist en eerste officier deelnamen,

zat het kleine groepje aan één tafel samen en werden wij door een

talrijke zwarte bedienden-troep bediend. Dan was er een algemeen

levendig gesprek, over Burma en de Burmeezen, over Britsch-Indië en het

Engelsch beheer, dan werd het Engelsche gouvernement tot in de wolken

verheven en dan voelden de Engelschen zich trotsch boven elke natie

staande. Het is voor 'n vreemdeling onuitstaanbaar den blufferigen

toon aan te hooren, waarop overal en altijd de Engelschman over zijn

land en volk spreekt, maar aan den anderen kant ligt daarin toch ook

veel te apprecieeren. Dat warme nationaliteitsgevoel heeft toch ook

zijn goede zijde, al schijnt het vrijwel een gevoel van bekrompenheid.

Om half acht verlieten wij Dinsdagmorgen de haven van Calcutta en eerst

om vier uur 's middags bereikten wij den mond van de Gangesrivier. Al

dien tijd brachten wij op deze rivier door en stoomden de hier en daar

mooi met hooge palmen en groote in bloei staande boomen begroeide

oevers voorbij. De overgang van de rivier in de baai van Bengalen

was bijna onmerkbaar, omdat ook daar de zee kalm was, als op een

meer. Het was een heerlijke rustige tijd, om lezende en droomende,

starende in de helderblauwe wolkenlooze lucht, door te brengen. Het

bracht ons weder in evenwicht en in staat van Burma en de Burmeezen

in korten tijd zooveel mogelijk in ons op te nemen. Tegen ongeveer

elf uur kwamen wij Donderdagmorgen in de Rangoon-rivier en kregen

toen reeds heel spoedig den gouden top van de groote, wereldbekende

pagode van Rangoon in het gezicht. Toch werd het nog bijna twee uur,

alvorens wij in Rangoon aankwamen, alle formaliteiten waren afgeloopen

en wij aan wal konden gaan.

Nu waren wij in Burma en alsof wij een blad hadden omgeslagen van een

plaatwerk, zoo was op eens het beeld veranderd van hetgeen zich thans

aan ons oog vertoonde. Vlak bij de landingsplaats stonden de rijtuigen

met hunne bruine, naakte koetsiers en deze laatsten bestormden ons om

ons naar het hotel te brengen. Van het bijna leege schip was niet veel

te halen, de meesten moesten zonder vrachtje huiswaarts keeren. Wij

moesten echter eerst zien of er niet een beter vervoermiddel te

verkrijgen was, voordat wij ons in deze vierkante vogelkooi op groote

bandlooze wielen, met een paard als een rat, nedervlijden. Al spoedig

vernamen wij, dat deze "gharries" de Burmeesche rijtuigen waren en

wij ons daarvan te bedienen hadden. Gelukkig zijn onze ingewanden

reeds gewend om door elkaar geschud te worden, zulke tochtjes doen ons

heelemaal geen kwaad meer, hebben zelfs dikwijls eene zeer heilzame

uitwerking.

Wat een heerlijke, verkwikkende, opvroolijkende indruk gaat van

Rangoon uit. Niettegenstaande het misschien een van de warmste

plekjes op aarde is en men verwachten kan, dat elkeen hier gebukt

gaat onder den deprimeerenden invloed van die nat-warme hitte, ziet

men hier een levendigheid en een vertier, en wat het meest aantrekt,

een lach op elks gelaat en een vriendelijke expressie in ieders oog,

die onwillekeurig eene stimuleerende werking op ieder mensch moet

uitoefenen. Nadat wij in het hotel onze kamers in bezit genomen

hadden, begaven wij ons onmiddellijk de straat op, hoewel de zon nog

wreed-brandend hare stralen op ons neder zond. Hier konden wij ons dus

weder vergasten aan het gezicht van vrouwen in de straten, vrouwen,

die niet alleen, zooals in Britsch-Indië, het zwaarste en vuilste

werk verrichten, maar vrouwen uit alle rangen van de maatschappij,

die zich op straat bevinden voor de verschillende dergelijke redenen

als waarom zich ook bij ons vrouwen op straat bevinden. De Burmeesche

vrouwen zijn zeer opvallend. Zij gelijken zeer veel op de Japansche

en Chineesche vrouwen, zij behooren trouwens ook tot het Mongoolsche

ras. In hare gele, rose, blauwe, mauve of anderskleurige zijden nauw

om de beenen sluitende sarong, hare wit geborduurde kabaja, hare

lange, dikke, zwart-glimmende haarwrong als een diadeem op de kruin

van haar hoofd, waarin altijd eenige versche bloemen steken, en een

nooit ontbrekenden vriendelijken lach in hare oogen, wandelt zij met

hare gebloemde Chineesche pajong boven haar hoofd in de eene, en eene

brandende sigaar in de andere hand, even vrij door Rangoons straten

als de vrouwen van elke beschaafde Europeesche natie in eigen land.

Rangoon heeft eene bevolking van ongeveer 300.000 zielen en daarvan

zijn slechts 80.000 Burmeezen.

De anderen zijn menschen uit verschillende Oostersche landen. Velen

komen uit Britsch-Indië. Alle koelies bijv. zijn Hindoes uit de laagste

kaste, want nooit zal een Burmees zich verlagen om koelie-werk te

doen. Dan zijn er velen uit Thibet en China, uit Ceylon en Afrika

en ook onze Maleiers ontbreken niet. Europeanen vormen slechts een

klein deel en dat zijn bijna allen personen, die hier slechts een

tijdelijke functie waarnemen. Doch zoodra men Rangoon verlaat en

dieper het land intrekt, dan ontmoet men Burmeezen en niets als dezen.

Naast de Burmeesche vrouwen vallen in de straten van Rangoon de

Boeddhistische monniken 't sterkst op. Ik beschreef ze reeds in Ceylon,

deze kaalgeschoren, bijna naakte mannen in hunne oranjekleurige doeken

gewikkeld, die hun geheele leven nietsdoende doorbrengen. Kerken

hebben de Boeddhisten niet, dus kerkdienst hebben zij niet te

vervullen en zelfs bij een sterfgeval, huwelijk, geboorte of zulk

soort omstandigheden in eene familie doen zij geen dienst. Als de

hedendaagsche Boeddhist in zulke gevallen een priester verlangt,

dan gebruikt hij daarvoor een Brahmaan. Vroeger heette het, dat de

Boeddhist-monniken de opvoeding en het onderricht van de jongens tot

taak hadden en toen was er in Burma geen man, die niet een of meer

van zijne jongensjaren in een monnikenklooster had doorgebracht,

daar had leeren lezen in eigen taal en de Boeddhistische wijsheid

had opgezogen. Sedert er echter gouvernementsscholen zijn, zenden de

meeste ouders hunne jongens naar deze scholen en wordt het zedelijk

verplicht verblijf in een monnikenklooster voor elken jongen beperkt

tot eenige dagen in zijn geheele leven. Als opvoeders der jeugd

kunnen de priesters dus ook al niet meer beschouwd worden en hoewel

de boeken van Fielding Hall, die met zooveel sympathie schrijft over

het Boeddhisme, mij het mooie, poëtische in dezen godsdienst wel

hebben doen gevoelen, is hij er toch niet in geslaagd mij eenige

sympathie voor dit priesterdom in te blazen. Hun leven is zeer

simpel, zij eten slechts eens per dag en gebruiken alleen voedsel,

dat door de jonge priesters 's morgens is opgebedeld. Zoo luidt

tenminste hun voorschrift, doch of daaraan strikt de hand wordt

gehouden, betwijfel ik, na hetgeen ik daarvan in Ceylon zag en uit

den mond van een priester vernam. Het is een vreemd gezicht als men

's morgens vóór twaalf in een der drukke straten van de Bazaar loopt

en men ziet dan een lange rij Boeddhistische priesters één voor één

achter elkaar loopend met een groote steenen bak op hun hoofd of om

hun hals, gebeden prevelend, voorbij trekken; geen moedertje blijft

dan achter haar toonbank daadloos, allen komen uit om in den steenen

bak wat gekookte rijst, wat toebereide groenten, wat brood of iets

dergelijks te werpen. Sommige van die kleine vrouwtjes staan reeds met

hun zorgvuldig bereide gift op den rand van het trottoir te wachten,

tot de monniken komen aanloopen.

Dit is niet de eenige wijze waarop een Boeddhist zijne zaligheid

koopt. Als hij een rijk mensch is, dan laat hij een mooi Boeddhabeeld

maken en bouwt daar een mooie pagode omheen, dat is de zekerste

weg tot eeuwige gelukzaligheid. Men kan die ook verwerven door het

bouwen van een klooster en als daartoe de middelen ontbreken door

het plaatsen bij een boom of aan den voet van een berg van een kruik

koel drinkwater voor de passeerende menschheid, of door rustplaatsen

in te richten voor den vermoeiden voetganger. Er ligt een bijzondere

soort vriendelijkheid in den godsdienstvorm van deze menschen. Zij

aanbidden geen God; Boeddha was van meening dat er geen God was,

die aanbidding verlangt, doch zij gaan naar hun pagoden om Boeddha

te verheerlijken. Geen man, noch vrouw, noch kind komt daar zonder

bloemen, zelfs de zuigeling op moeders arm wordt een roos in het

handje gestopt, om aan Boeddha's voeten neer te leggen. Al de

pagode's zijn elken dag vol veelkleurige bloemen, die des avonds

worden verwijderd, om plaats te maken voor de frissche bloemen van

den volgenden dag. Man, vrouw en kinderen komen gezamenlijk hunne

offeranden--altijd bloemen en niets dan bloemen--brengen, knielen

dan voor een der vele Boeddhabeelden in deemoedige houding neder en

prevelen een soort gebed. Volgens Fielding Hall bidden zij echter niet,

doch komt hetgeen zij zeggen daarop neder, dat het leven ellendig is,

alleen verdriet en moeilijkheden baart en dat na den dood eerst het

hooge geluk kan aanbreken en dat zij Boeddha danken, omdat hij hen

dat geleerd heeft.

De Boeddhisten bidden echter ook wel, doch niet tot God of Boeddha

zenden ze hunne gebeden op, maar tot de goede en booze geesten. Volgens

hen is er leven in alles. Boomen en planten, bergen en rivieren,

rotsen en steenen, alles leeft, in alles huist een geest. Deze geesten,

die goede en booze geesten kunnen zijn, aanbidden zij. Zulk een geest

kan een ziek kind gezond maken, een oogst doen mislukken, een vrouw de

liefde van haar man terugbrengen, of een jongeling's hart doen gloeien

voor een of ander meisje. Die geesten beschikken over leven en dood,

over welvaart en ellende. Hen tot goed vriend te houden, met hen op

goeden voet te verkeeren, is politieke wijsheid en daarom doet een

Boeddhist alles waarmede hij zoo'n geest meent te kunnen dienen.

Wij begaven ons den eersten keer in schemerdonker naar de Shwe Dagón

Pagode, dat is de meest beroemde van alle pagode's; dan krijgt men

het best een algemeenen indruk en ziet niet de détails. Het miste

zijne uitwerking op ons niet. Wij stonden letterlijk verbaasd. Het

was zoo geheel iets anders dan alles wat wij tot dusver gezien hadden

en de talrijke Boeddhisten, die met ons de hooge stoep opklommen

om daar boven hunne hulde te brengen aan den grooten profeet en

hunne bloemen aan zijne voeten te leggen, werkten er toe mede om

den diepen indruk, dien dat alles verwekte, te verhoogen. Het was

een schoon Oostersch beeld, dat ons met sympathie vervulde voor de

Boeddhisten en hun grooten voorganger. Den volgenden dag gingen wij

er bij helder daglicht heen en toen nam al dat klatergoud, al dat

gekleurde glas, dat bij avond als diamanten en robijnen schittert,

en al die honderden Boeddhabeelden, elk in een afzonderlijken pagode

rondom de eenige groote tombe, die het een of ander stuk van Boeddha's

lichaam in haar binnenste herbergt, veel van het verheven gevoel weg,

dat ons des avonds had bezield.

Rangoon is een mooie stad, veel mooier, veel Oosterscher en veel

interessanter dan Calcutta. Er zijn zeer mooie rijtoeren in en om

de stad te maken, die rondom de lakes is het schilderachtigst. Doet

men dien tocht 's avonds tusschen vijf en zeven, dan heeft men

nog het voordeel om heel de élite van Rangoon aan zich voorbij te

zien trekken, vooral op een avond als er in het midden van een der

groote grasvelden, waarvan alleen de Engelschen het geheim schijnen

te bezitten om ze fluweel groen te maken, een muziekkorps van een of

ander Engelsch regiment een concert geeft. Dan hoopt zich daar heel

de groote wereld van dit cosmopolitische stadje in een betrekkelijk

kleinen cirkel bijeen, dan vindt men daar specimina van bijna alle

orientalische volkeren. Wij lieten ons rijtuig op kleinen afstand

halt houden om die bonte menigte beter te kunnen overzien. Op dat

in-groene grasveld, onder hooge palmen van allerlei soort, werd

het militaire muziekkorps omringd door Europeanen in hunne witte

kleeding; Burmeesche vrouwen en mannen in hunne veelkleurige sarongs

en witte kabaja's, de vrouwen nog veel meer dan in de straten hunne

haren met levende bloemen versierd; door geheele families Chineezen,

hare staarten met gekleurde linten doorvlochten en mannen en vrouwen

zóó gekleed in zijden broeken en jassen, dat wij ze niet van elkander

konden onderscheiden; door Japanners in hunne eigen en eigenaardige

kleederdracht; door vele Hindoes en Parsees en door de rijk met

gekleurde koralen en gouden sieraden behangen Thibet-vrouwen. Hier

kwamen al de rijke lui van Rangoon bijeen, menschen, die althans

rijk genoeg om zijn eigen rijtuig, automobiel of rijpaard er op na

te houden. Hier werd een stuk society-life afgespeeld, waarvan wij

niet de volle beteekenis konden begrijpen, omdat wij bijna geen dier

menschen kenden. Alleen van enkelen werd ons hunne beteekenis in de

geld- en handelswereld medegedeeld.

Een van de bijzonderheden van Burma is wel het groote gebruik, dat nog

gemaakt wordt van olifanten als arbeidskrachten in de houtwerken. Wil

men dat echter goed zien, dan moet men dieper het land intrekken

en de oerwouden bezoeken. Men had ons gezegd en ook de gidsboeken

vermelden het, dat een paar mijlen van Rangoon verwijderd eenige

houtzaagmolens zich van olifanten als arbeidskrachten bedienen

en wij namen de moeite om een ochtend om zes uur op te staan en

om half zeven te rijden naar een dier gelegenheden. Het was echter

alleen ondergeschikt werk, dat daar door drie olifanten gedaan werd,

het andere geschiedt alles machinaal. Dat hadden wij in Ceylon reeds

veel beter gezien, zoodat wij dezen tocht vrijwel als een mislukten

beschouwden. Bij de groote pagode is een zoogenaamde witte, heilige

olifant. Het dier is echter heelemaal niet wit, alleen wat lichter

grijs van tint dan zijne broeders. Men beweert echter, dat het beest

bij de geboorte bijna wit was en bij de toeneming der jaren donkerder

van tint is geworden. Het dier heet echter nog de witte olifant.

Behalve een overgroot aantal monnikenkloosters, bezit Burma ook

nonnenkloosters. Die zijn echter slechts weinig in aantal. De nonnen

gaan allen gekleed in een gele sarong met witte kabaja en daarover

losjes een rose getinte, zeer dunne shawl. Zij vallen in de straten

onmiddellijk op, omdat hare hoofden, evenals van de monniken, kaal

geschoren zijn. Als men ze 's morgens vóór twaalf uur in de straten

ziet, hebben zij meestal ook een bedelpan op het hoofd en verzamelen

daarin de goede gaven der eenvoudige burgers. Deze nonnen leven, als

't kan, een nog doelloozer leven dan de monniken. Zij doen letterlijk

niets, zelfs besteden zij den tijd niet aan het lezen der boeken van

Boeddha. Zij meenen hemelsche zaligheid te verwerven door zich van

alle wereldsche genoegens te spenen. Wat een hemelsbreed verschil

met de Roomsch-Katholieke nonnen, waarvan wij juist hier in de

lepragestichten de meest sympathieke staaltjes van zelfopoffering

zagen. Lepralijders schijnen hier in grooten getale voor te komen,

overal zijn hier tehuizen voor hen ingericht. Wij zagen zulk eene

inrichting voor mannen en een voor vrouwen, waarin 350 lijders op de

meest liefderijke wijze door Franciscaner nonnen verpleegd worden.

Moge het Boeddhisme ook veel aantrekkelijkheid bezitten en zeker de

meest poëtische godsdienst zijn, mij bekend, de Boeddhist-monniken en

-nonnen kunnen geen sympathie wekken. Terecht of ten onrechte schrijf

ik den lagen stand van ontwikkeling van de Burmeezen aan hun invloed

of althans aan hun voorbeeld toe. Niets-doen, in de volle beteekenis

van het woord, geeft recht op vereering in dit leven en op eeuwige

zaligheid hier namaals; dit is te gemakkelijk te verwerven dan dat

in dit heete land, waar men zoo vanzelf energieloos wordt, niet tal

van jonge mannen zich aangetrokken gevoelen om hunne lange haren

te laten afscheren en in een gelen doek gewikkeld verder het leven

te slijten. Tot daden, die eenige inspanning van geest of lichaam

vereischen, komen deze menschen nooit; ook gelooven zij, dat elkeen bij

de geboorte reeds is voorbestemd voor wat hem verder in het leven zal

wedervaren en dat het doelloos is zich daaraan te willen onttrekken of

dat te willen wijzigen. Van zulk een volk kan natuurlijk geen kracht

uitgaan, zulke menschen brengen de wereld niet vooruit.

Ik bewonder mijzelf, dat ik hier nog de energie heb kunnen verzamelen

dezen brief te schrijven, die, in letterlijken zin, in het zweet

mijns aanschijns is ten einde gebracht. Over 't geen wij hier meer

zagen en ondervonden, hoop ik op de boot naar Penang gelegenheid te

vinden het een en ander mede te deelen, want 't is hier eigenlijk

veel te heet om een vin te verroeren. Als ik hier lang bleef ben ik

er niet zoo zeker van ook niet een Boeddhist-non te worden en het

verdere van mijn leven in een zalig niets-doen door te brengen.

Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen · 第 80 / 133 题