Lang vóór ik er nog aan dacht, deze groote reis te maken, las ik eens
in een geïllustreerd tijdschrift een artikel over Calcutta. In dat
artikel werd deze stad zoo mooi beschreven en de illustraties waren
zoo aantrekkelijk, dat ik den indruk kreeg hier een stad met een
groote aantrekkelijkheid te zullen vinden. Toen ik dan ook 's morgens
vroeg in Calcutta arriveerde en naar het hotel reed, dacht ik, dat de
koetsier ons door eenige vuile buitenwijken voerde en dat ook het hotel
niet in een van de mooie straten van de stad gelegen was. Doch nadat
ik de stad in alle richtingen doorkruist heb, zoowat alle straten
met de voornaamste gebouwen zag, vraag ik mij af: hoe kan iemand
zoo'n moderne, Europeesche, onooglijke, oninteressante stad zoo mooi
voorstellen? Waar heeft de schrijver al dat moois gezien, anders dan
in zijne verbeelding? Er is in de heele stad niets de moeite van een
bezoek waard. Het is waar: er is een interessant museum, en er is in
den botanischen tuin, ver buiten de stad gelegen, een waringin-boom,
die de grootste van de geheele wereld genoemd wordt, wat ik graag
wil aannemen, want die eene boom lijkt wel een geheel bosch. Maar de
stad, de stad met haar even oninteressant native gedeelte, met haar
vuile haven en groote gebouwen, die alle den indruk geven alsof zij
er slechts provisoir zijn neergezet, die stad is leelijk en biedt
den bezoeker weinig aantrekkelijks.
Het is mogelijk, dat toeristen, die hun toer door Indië van hieruit
beginnen, een anderen indruk krijgen, omdat voor hen het leven der
inlanders dan nog vreemd is en zij hetgeen zij daarvan in Calcutta
zien, met meer belangstelling in zich opnemen; doch voor ons, die in
Calcutta onzen toer door Indië afsluiten, die het leven der inlanders
in alle opzichten op verschillende plaatsen origineeler, interessanter,
kleuriger en naïever zagen, biedt dit hier geen aantrekkelijkheid meer.
Indien wij hier lang genoeg zouden blijven, dan konden wij ons
verblijf hier echter interessant genoeg maken, want nergens in Indië
wordt een zoo intensief sociaal leven geleefd als in deze stad. De
nationale beweging, waarover ik van uit Bombay reeds schreef, heeft
hier haar wortels, wordt van hieruit gevoed en van hieruit worden
hare vruchten over het gansche land verspreid. Ik schreef vroeger
reeds, dat de nationale beweging tot leus heeft: Indië voor Indiërs,
en dat zij beoogt van Engeland's heerschappij verlost te worden. Die
beweging is echter nooit sterk geweest en zal ook nooit zoo sterk
worden, dat Engeland er iets van heeft te vreezen. Dat moet elkeen
gevoelen, die met zijn oogen open eenige weken in dit land heeft
gereisd. De bevolking bestaat te veel uit heterogene bestanddeelen. De
Mohammedanen, die een vierde van de bevolking uitmaken, haten
en wantrouwen de Hindoe's, zooals deze wederkeerig hen doen. De
Mohammedanen zouden niets meer vreezen, dan dat de heerschappij van
het land in handen van de Hindoe's zou komen. De Hindoe's zelf zijn
in vier groote kasten verdeeld, die ieder op zich zelf staan en die
nooit op een voet van gelijkheid met elkander kunnen samenwerken. De
Brahmaan, de hoogste kaste, de kaste der priesters, mag nooit de hand
of ander lichaamsdeel aanraken van eene lagere kaste; als hij dit
doet door toeval of anderszins, dan moet hij eerst eene zuivering
ondergaan, alvorens hij weder met zijne kaste-genooten in aanraking
kan komen. Een hoogere kaste mag niets eten, dat door iemand uit een
lagere kaste is aangeraakt, en dit alles gaat zóó ver, dat wanneer ik
het zou mededeelen, geen mijner lezers mij zou gelooven, die daarover
niet vroeger het een en ander gelezen had. Dit staaltje b.v.: Een
fabrikant vertelde ons, dat hij naast zijn fabriek een rij huisjes
had laten bouwen voor zijn Hindoe-werklieden. Elk gezin bewoonde een
éénkamer-woning gratis. Op zekeren dag komt 'n werkman tot hem en
vertelde hem, dat hij die woning niet langer gebruiken kon; het kwam
hem te duur uit. De eigenaar vroeg: "Hoe is dat mogelijk? Gij betaalt
mij toch niets voor de woning."--"Ja," zeide de werkman, "dat is goed
en wel, maar de man naast mij is van een lagere kaste en elken keer
als de wind west is en de rook uit zijne woning zich vermengt met de
rook uit mijne woning, dan is mijn eten onzuiver en mag het niet meer
genuttigd worden. Heb ik, zonder het te weten, het toch genuttigd,
dan moet ik eerst gezuiverd worden, en dat kost veel geld."
Zulke staaltjes heb ik bij dozijnen vernomen. De afscheiding
tusschen de kasten is zoo groot, dat in de eerstvolgende geslachten
van overbrugging geen sprake kan zijn. Nu preeken de nationalisten
wel, dat men voor een groot doel mag samenwerken, één algemeenen
vijand gezamenlijk mag verslaan, maar de lagere kasten zijn onder
de Britsche overheersching veel beter af, dan onder de regeering van
hunne hoogere geloofsgenooten, zij zullen zich nooit laten gebruiken
om tegen Engeland op te treden. Een troep heethoofden kan misschien
hier of daar eens weer een muiterij op touw zetten, doch groote,
ernstige gevolgen, kan die niet hebben. De leiders dezer beweging
bestaan voor een groot deel uit jonge mannen, die juist door den
invloed der Britten in staat zijn geweest gratis eene goede school te
doorloopen waarvoor nu geene gepaste werkkring te vinden is. Dat de
zoon van een waterdrager, een bullewagendrijver, een fabriekswerker,
die heeft leeren lezen en schrijven in zijn moedertaal, Engelsch en
Sanskriet grondig kent, die rekenen, geschiedenis en aardrijkskunde
heeft geleerd, geen lust heeft zijn vader in zijn vak op te volgen,
is duidelijk. Deze jonge mannen hebben hoogere aspiraties, waaraan,
voorloopig althans, niet kan voldaan worden. Enkelen hunner studeeren
verder en worden onderwijzers voor hun eigen kastegenooten, een heel
enkele wordt gids voor vreemdelingen, nog zeldzamer, vinden zij een
plaats als klerk op een of ander bureau; doch het meerendeel vindt
geen geschikte bezigheid en vormt een klasse van ontevredenen, die
in de nationale beweging het hoogste woord voeren. Door het in het
leven roepen van goede industriescholen, waaraan in zeer vele plaatsen
reeds is voldaan, hoopt men aan dit euvel tegemoet te komen.
Ook de vrouwenbeweging, die over heel Indië slechts eene sporadische
is, en die op het oogenblik nog niet veel meer op haar program heeft
dan tegengaan van de kinderhuwelijken, verbetering van het lot der
weduwen, opheffing van het purdah-systeem, en scholen voor meisjes,
vindt in Calcutta de krachtigste verdedigsters.
Doch om al deze bewegingen te bestudeeren, er meer dan een
oppervlakkigen indruk van te verkrijgen, zouden wij hier langen tijd
moeten vertoeven. Wij bespraken onze passage op de boot, die ons van
Calcutta naar Rangoon zal brengen voor den 12en Maart, en de week
die ons nog rest, willen wij liever in een van de hooge bergstreken
hier doorbrengen, om ten minste één van de punten te zien, waarheen
de rust- en koeler klimaat-behoevende Engelschman zich begeeft als
verlof, tijd en geld hem dit veroorloven.
Darjeeling, in het Himalaya-gebergte, dat 7100 voet hoog is, is 't
meest aantrekkelijke van deze plaatsen. De reis erheen is echter niet
zoo eenvoudig als wij ons die hadden voorgesteld. Als men Calcutta
om half vijf 's avonds verlaat, dan spoort men tot half negen naar
Damookdeah, daar gaat men op een stoomboot over en vaart gedurende
twee uren op de rivier de Ganges. De rivier is daar niet zeer breed
en beide oevers zijn bebouwd, een volle maan bescheen het water en gaf
aan alles aan den wal wat wij passeerden, een phantastischen vorm. Zoo
in gedachten verzonken, verbeeldde ik mij in een wereld te verkeeren
van een halve eeuw geleden en een tocht te maken van Groningen naar
Sappemeer in een trekschuit of barge. Door mijne reisgenoote werd
ik uit mijn mijmering gewekt met de nuchtere vraag, of wij niet wat
zouden gaan eten, waartoe op de boot tamelijk goede gelegenheid was.
Om elf uur zaten wij aan den overkant van de Ganges weder in een trein,
doch moesten die om vijf uur 's morgens weder verwisselen met het
bergtreintje, dan ons om één uur in Darjeeling afleverde. Dat was, met
het herhaaldelijk verwisselen van reisgelegenheid, een zeer vermoeiende
tocht, waarop geen van ons beiden was voorbereid. Doch de tocht van
Silliguri tot Darjeeling, den tijd dien wij in het bergtreintje
doorbrachten, biedt zooveel schoons, dat wij onze moeheid geheel
vergaten en geen berouw meer gevoelden over dit laatste uitstapje
in Britsch-Indië.
Hoewel het Himalaya-gebergte veel grooter en daardoor grootscher is,
vertoont toch de weg naar Darjeeling veel overeenkomst met den weg
van Chur naar St. Moritz in Zwitserland. Van Darjeeling uit hebben
wij bij helder weer 't gezicht op den berg Everest, den hoogsten berg
in de geheele wereld.
De bevolking in Darjeeling is een geheel andere dan die wij tot
dusverre in Indië zagen. Hier predomineert het Mongoolsche type,
dat eensdeels groote gelijkenis vertoont met het Chineesche type,
anderdeels ons doet denken aan Eskimo's en Laplanders. Wat vooral bij
deze menschen opvallend is, is de gelukkiger, levendiger, vroolijker
trek, die de vrouwen, op hunne gezichten vertoonen. Deze menschen
komen allen van Thibet en Nepaule en zijn van geloof Boeddhisten. Zij
werken hier in de theeplantages, die hier in menigte zijn, of verdienen
de kost met het bij de straat curio's van Thibet te verkoopen. Zij
dragen geheel andere kleederen, zijn geheel anders opgesierd, mannen
en vrouwen dragen hun haar als de Chineezen in een lange staart,
maar hebben het andere hoofdhaar niet afgeschoren, en zij zijn over
het algemeen zeer warm gekleed. Het is hier ook zeer koud, wij hebben
alles, wat wij voor warme kleeding bezitten mede naar boven genomen,
en toch moesten wij 's morgens en 's avonds dicht bij het vuur kruipen,
om warm te blijven.
Natuurlijk dient men hier uitstapjes in de bergen te maken, maar wij
willen den korten tijd dien wij boven zijn liever kalm doorbrengen om
wat tot rust te komen en om, alvorens wij naar nog heeter streken gaan,
eerst een paar dagen in een kouder klimaat te vertoeven. Wij bepalen
ons dus tot wandelingen in de naaste omgeving om telkens weder terug
te keeren naar de bazaar, de plaats waar alle volkstypen, die hier
zijn, samenhokken en een interessant geheel vormen. Want de menschen
uit Thibet en Nepaule zijn niet de eenige rassen die hier wonen, de
Bhoteas zijn even talrijk en dan zijn er nog Lepcha, Aka, Dhimal-,
Mechi-, Murmi- en Urava-rassen. Met de photographieën die wij van
die rassen gekocht hebben in onze hand trachten wij de menschen,
die wij in de bazaar zien, te identificeeren.
Morgen gaan wij naar Calcutta terug en nadat wij daar nog een dag
blijven om onze zaken te regelen, gaan wij ons inschepen naar
Burma. Daarmede is dan onze reis door Britsch-Indië afgeloopen
en op Amerikaansche wijze kunnen wij dan zeggen: We have done
British-India. In den waren zin des woords hebben wij Britsch-Indië
"gedaan" hetgeen mij spijt, want het is een land, dat langer
oponthoud, dieper studie, nauwer kennismaking met zijn sociale en
andere instellingen verdient. Maar voor alsnog is het niet goed
mogelijk voor toeristen langer dan wij deden in Indië te reizen,
daarvoor is het reizen er te vermoeiend, het klimaat te afmattend en
zijn de hotels, in het algemeen gesproken te uncomfortable. Ook zijn de
hygiënische omstandigheden nog niet van dien aard, dat men ergens het
water durft gebruiken, melk durft drinken en ongekookte groenten of
vruchten, visch of vleesch durft eten. Men moet den geheelen tijd op
zijn qui-vive zijn, om niet door een van de vele vreeselijke ziekten,
die hier inheemsch zijn, overvallen te worden.
Niettemin waren wij lang genoeg in Indië, om niet enkele zaken
opgemerkt, en een algemeenen indruk verworven te hebben, en om niet
over enkele onderwerpen althans een oordeel te durven vellen. Ik
heb daarbij ook nog dit groote voordeel, dat ik reis in gezelschap
van een zeer intelligente vrouw, een vrouw, met zoo'n breeden blik,
helder verstand en algemeene ontwikkeling, als zelden geëvenaard
wordt. Alles wat wij opmerkten, wat wij hoorden vertellen, werd altijd
onmiddellijk gezamenlijk besproken en ons beider meening, indien die
soms mocht afwijken, gewikt en gewogen. Om onze lectuur vruchtbaarder
te maken, lazen wij nooit dezelfde boeken, doch verdeelden de lectuur
en bespraken dan onderling het gelezene. Door deze wijze van handelen,
zagen en vernamen wij twee in zes weken meer dan anderen doen, die
veel langer hun verblijf rekken. Herhaaldelijk viel het ons beiden op,
dat andere toeristen, die wij in verschillende plaatsen ontmoetten,
en met wie wij over het geziene van gedachten wisselden, niet de
helft hadden gezien of opgemerkt van hetgeen wij hadden gedaan en
dat zij dikwijls niets anders dan een algemeenen indruk hadden,
"that India is a dirty place."
Dit laatste nu is, algemeen gesproken, volstrekt niet het geval. Men
moet, evenals wij deden, slechts even te voren het Heilige Land en
Syrië doorreisd hebben om te weten wat een "vuil land" is. Als men
vandaar komt geeft Indië den indruk van een zindelijk land te zijn,
waar, de omstandigheden in aanmerking genomen, van overheidswege
alle voorzorgen genomen zijn om het land zoo bewoonbaar mogelijk te
maken. Zelfs in de geheel Indische steden waar alleen de inboorlingen
wonen in overbevolkte nauwe straatjes, waar men alleen achter
elkander kan doorgaan, vonden wij nog altijd een zekere soort
zindelijkheid, die gunstig afstak bij wat wij van dien aard in
Syrië en Egypte zagen. Herhaaldelijk maakten wij elkander daarop
opmerkzaam. Hoogstwaarschijnlijk moet dit toegeschreven worden aan de
hygiënische voorschriften in den Hindoeschen godsdienst. De Hindoe is
verplicht zich dagelijks te baden en zijn lendendoek te wasschen. Het
kopervaatwerk moet elken dag geschuurd worden, andere is het voedsel,
dat het bevat onrein en mag niet genuttigd worden. Elk jaar is er
'n dag waarop verondersteld wordt, dat de lente haar intrede doet,
den dag, waarop de geheele natuur zich verjongt, op welken dag elke
Hindoe, man en vrouw, nieuwe kleederen moet aantrekken en de oude,
afgelegde kleederen moet verbranden. Die dag valt in het begin van
Maart en is over het geheele land een algemeene feestdag. De jeugd
vermaakt zich den dag tevoren om elkaar met verfkladden te besmeren,
en er als de bontste harlekijns uit te zien. Groote vuren worden
's avonds overal ontstoken en de "oude plunje" daarop verbrand. Deze
enkele voorschriften, doch er zijn er meer, doen de Hindoe gunstig
afsteken bij zijn Mohammedaanschen broeder in Arabië. Deze laatste
draagt dikwijls zijn kleederen tot er geen stuk meer van heel is,
en zij hem letterlijk van het lijf vallen, en van wasschen zijner
kleederen schijnt hij geen begrip te hebben. In Indië passeert men
nooit een vijver, meer of rivier, of men ziet er tallooze mannen,
vrouwen en kinderen baden en zwemmen en hunne kleederen wasschen,
die dan door de heete zon in een ommezien weder gedroogd worden.
Over het algemeen komt het mij voor, dat Engeland, in den korten
tijd, dat het Indië in zijn beheer heeft, van het land gemaakt
heeft wat het kon. Ik laat de financieele kwestie geheel ter zijde,
ik weet volstrekt niet of Engeland te groote financieele offers van
Indië gevraagd heeft, of op andere wijze aderlating op Indië heeft
toegepast; om dat te beoordeelen zou ik over geheel andere gegevens
moeten kunnen beschikken, dan mij ten dienst staan. Ik zag alleen
de groote oppervlakten grond, die wij per spoor doorreisden, die nu
door goede irrigatie in vruchtbaren bouwgrond zijn herschapen. Het is
waar, er zijn nog duizenden en duizenden hectaren dorre, onvruchtbare
woestijnen, die op een stroomend, frisch water wachten, maar alles
kan niet op eens geschieden en ongetwijfeld zullen te zijner tijd
ook deze streken onder handen genomen worden.
Door Engeland wordt bijna over het geheele land voor behoorlijk
onderwijs zorg gedragen. Wel zijn er nog een 80% analphabeten in het
land, maar het is niet zoo gemakkelijk om den Hindoe, en nog minder
den Mohammedaan het nut van goed onderwijs te doen begrijpen. In
enkele vorstenlanden heeft de vorst, de Maharatja, in zijn gebied
het elementair onderwijs nu verplichtend gesteld en langzamerhand zal
verplicht onderwijs over het geheele land wel wet worden. Er bestaan
in Indië nu 5 universiteiten in verschillende steden, in Bombay,
Madras, Calcutta, Allahabad en in Lahore, waar de vier verschillende
faculteiten onderwezen en doctorsgraden verkregen kunnen worden. Er
zijn tallooze middelbare scholen, kunst- en nijverheidsscholen, en in
al deze inrichtingen van onderwijs zijn voor de meisjes-leerlingen
dezelfde voorwaarden gesteld, als voor de jongens. Het schoolgeld
is miniem, en die niet kan betalen wordt zelfs van die minieme
som vrijgesteld, De meeste van die inrichtingen van onderwijs
worden echter nog niet door meisjes bezocht, omdat de Hindoe-vrouw,
evenals hare Mohammedaansche zuster zich nog aan de oogen der mannen
onttrekt. Alleen daar waar de Parsees wonen, zagen wij de scholen
ook door meisjes bezocht. Deze vrouwen zijn ook aan de verschillende
universiteiten te vinden, waar zij vooral in de medicijnen studeeren
en dan als doktoren voor de Hindoe- en Mohammedaansche vrouwen van
onschatbare waarde zijn, omdat het die vrouwen verboden is, in tijd
van ziekte een man te consulteeren. Een der Engelsche dames-doctoren
vertelde mij, dat er onder die Parsee-vrouwen zeer bekwame doktoren
gevonden worden, die soms ook uitstekende chirurgen blijken te zijn.
Verder geeft Engeland zich alle moeite, om de kunstschatten, waaraan
Indië zoo rijk is, voor de toekomst ongeschonden te bewaren en ze ter
leering en bewondering voor elken bezoeker open te stellen. Niet alleen
dat daarvoor nergens een entrée geheven wordt, maar zelfs is overal met
groote letters duidelijk gemaakt, dat de daarin aangestelde ambtenaren
goed bezoldigd worden en het hun verboden is giften aan te nemen.
Naast deze en nog zoovele goede dingen, die hier onder en door het
beheer van Engeland tot stand kwamen, wil ik ook nog met een enkel
woord wijzen op 't vele goede, dat hier door particulier initiatief
geschiedt, zoowel door mannen als door vrouwen. Uit den aard der
zaak kwamen wij tweeën niet zooveel in aanraking met de sociale
instellingen, door mannen-initiatief ontstaan, doch op een paar door
vrouwen tot stand gebracht en van overgroote beteekenis voor een land
als dit, wil ik wijzen.
Als men thans door Indië reist, dan vindt men bijna overal, zelfs
in het kleinste stadje, een Lady Dufferin's hospitaal, waar alleen
zieke vrouwen en kinderen worden opgenomen, die dan door vrouwelijke
doktoren en goede verpleegsters worden behandeld. In de groote steden
zijn deze inrichtingen door het gouvernement overgenomen, doch nu
kan ten minste elke vrouw in Indië, wier godsdienst het verbiedt
zich onder mannelijke geneeskundige behandeling te begeven, in tijd
van ziekte door eene vrouw behandeld worden. In den regel staan deze
hospitalen nog onder het oppertoezicht van eene Engelsche vrouwelijke
dokter, met een paar Parsee vrouwen-doktoren tot hare assistenten,
maar in sommige gevallen zijn toch reeds deze Parsee-doktoren met
het geheele beheer belast.
Ook de ziekenverpleging staat overal zeer hoog, waar Engelsche
verpleegsters overkwamen om hier haar liefdewerk te verrichten en
de inlandsche vrouwen in deze taak te onderrichten. Overal is nog
maar de groote tegenstand te overwinnen, dien de Hindoe toont om
zich in een ziekenhuis te laten opnemen, of om zich in eigen huis
te laten behandelen en verplegen en zoodoende een out-cast, iemand,
die niet tot zijn kaste behoort, over den drempel zijner woning te
laten komen en zijn lichaam te laten beroeren.
Een ander zeer groot werk wordt bijna uitsluitend door vrouwen
uitgevoerd, hoewel zij daarbij financieel zeer krachtig door vele
mannen gesteund worden. Dit is de verbetering van den toestand van
de weduwen. Zooals men weet, werden vroeger de weduwen bij den dood
van den echtgenoot levend met zijn lijk verbrand; sedert dit door de
Britsche regeering verboden is, laten de familie en nabestaanden
haar een langzamen dood sterven. Zij worden als verachtelijke
wezens beschouwd, die ongeluk aanbrengen, overal waar zij zich
vertoonen. Deze weduwen zijn dikwijls niet ouder dan vier of vijf jaar,
in vele gevallen zijn zij weduwen alvorens zij ooit vrouw werden. Zij
worden zeer jong, in enkele gevallen reeds vóór de geboorte, door de
ouders uitgehuwelijkt en na intrede der puberteitsjaren aan den man
afgeleverd, Sterft de man, ook zelfs nog vóór zij waren afgeleverd,
dan zijn zij voor 't geheele leven weduwen, want een ander huwelijk
mag niet door haar gesloten worden. Aan allerlei gruwelen zijn zij
blootgesteld en er is inderdaad in Indië niets zoo beklagenswaardig
als het lot van deze kind-weduwen. Sedert een kwart-eeuw ongeveer heeft
een Hindoe-vrouw, Panditha Ramabai, zelf eene weduwe van goede familie,
zich het lot dier kinderen aangetrokken. Door eerst in Indië, daarna in
Engeland en Amerika, voordrachten gehouden te hebben, waarin zij het
lot van die kinderen beschreef, verkreeg zij geld en hulpkrachten, om
verzachting aan te brengen. Men heeft nu in verschillende plaatsen in
Indië zoogenaamde "homes" voor kind-weduwen, waar zij goed onderricht
ontvangen en waar zij leeren, om, onafhankelijk van nabestaanden, op
menschwaardige wijze in eigen onderhoud te voorzien. Door de publieke
opinie onophoudelijk wakker te schudden en de menschen te wijzen op
het onhoudbare van dezen toestand, hoopt men verbetering tot stand
te brengen. Er is nu reeds een beweging over geheel Indië, om door
de Engelsche regeering een wettelijken minimum-leeftijd vastgesteld
te krijgen, waarop huwelijken mogen gesloten worden, en daardoor in
de eerste plaats aan de vroege huwelijken paal en perk te stellen.
Men heeft mij vóór ik naar Indië ging en ook later per brief
zoo dikwijls gezegd en geschreven, dat het goed was, dat ik eerst
Britsch-Indië bezocht en daarna naar Java ging, omdat ik dan kon zien
hoeveel beter Java door Nederland behandeld wordt dan Britsch-Indië
door Engeland. Ik ben zeer nieuwsgierig of ik dat oordeel zal
deelen. Het komt mij voor, dat Britsch-Indië, door de verdeeldheid
zijner bevolking, voor zelf-regeering niet rijp is en nog lang de
voogdijschap van een andere regeering zal noodig hebben. Dat de over
hem gestelde macht wel eens fouten zal maken door het uitzenden van
vertegenwoordigers, die niet voor hunne taak berekend zijn, of door
het treffen van maatregelen, die te veel een Europeesch karakter
dragen en met de Indische toestanden niet genoegzaam rekening houden,
is licht te begrijpen. Daarvoor behoeft echter de Britsche regeering
niet hard gevallen te worden.
Iets anders is echter de persoonlijke verhouding der Engelschen
tegenover de inlanders. Enkele gunstige uitzonderingen daargelaten,
zijn de Engelschen zeer te laken over dit hun gedrag. Iedere inboorling
van Indië is voor hen een "native" en wordt door hen met de grootste
minachting behandeld. Al heeft de man ook eene opvoeding in Engeland
genoten, getoond een van de intelligentste menschen te zijn en hier
eene hooge positie te bekleeden, dan nog wordt hij geboycott van
hunne clubs, kan nooit verwachten bij een Engelschman geïnviteerd te
zullen worden, en kan zelfs geen lid worden van eene leesinrichting,
wanneer de Engelschen die voor hunne ontwikkeling noodig hebben. Toen
wij tweeën eens voor 'n kleinen afstand onze plaats in den trein niet
gereserveerd hadden en wij in de eerste klasse zochten waar nog een
plaats open was, vonden wij een waggon, waarin slechts één heer zat. De
stationschef, een Engelschman, zag ons instappen en kwam onmiddellijk
mededeelen, dat wij daar toch niet konden gaan zitten: wij hadden
dan te reizen met een native. Wij zeiden geen bezwaar te hebben en
bleven waar wij waren. Het was echter als een loopend vuurtje op het
perron bekend geworden, dat twee Europeesche dames waren gaan zitten
in een waggon met een native, en elkeen kwam voor het venster om ons
te bekijken en uit te maken welk soort menschen wij waren. Wij hebben
over ons gezelschap niet te klagen gehad en met hem een interessanter
gesprek gevoerd, dan met menig Engelschman mogelijk is.