BENARES.

Meer dan Rome is voor de Katholieken, meer dan Amritsar is voor

de Sikhs, meer dan Jeruzalem is voor de Christenen, zelfs meer dan

Mekka is voor de Mohammedanen, is Benares voor de Hindoe's. Benares

is een van de oudste steden in de wereld; lang voor Rome bekend was,

had Benares reeds den roep van heiligheid. In deze stad te sterven

beteekent zaligheid, ja, zelfs hij of zij, die sterft op een afstand

van 50 mijlen rondom deze stad, is zeker in Siwa's hemel opgenomen

te worden. Men behoeft daarvoor geen Hindoe te zijn, Siwa verleent

daarboven in zijne woning ook gastvrijheid aan Joden, Christenen,

Mohammedanen en Boeddhisten, indien zij op de heilige plek, binnen

Benares, het tijdelijke met het eeuwige verwisselen. Hoe deze opvatting

te rijmen is met het re-incarnatiebegrip der Hindoe's is mij niet

recht duidelijk.

Benares bezit ruim 1500 tempels en meer afgodsbeelden dan inwoners,

ofschoon deze laatsten meer dan 200.000 bedragen, Iedere geloovige

Hindoe gaat op zijn minst eens in zijn leven naar Benares om er te

bidden in alle tempels en te baden in de heilige rivier. Welgestelde

Hindoe's bezoeken deze stad meermalen in hun leven en de zeer rijken

hebben hier allen een eigen woning of paleis, waarin zij elk jaar

eenigen tijd vertoeven om hunne ziel te zuiveren van alle begane

zonden en als de tijd daar is, te sterven binnen de muren van de

heilige stad. Elke Hindoe-Maharatja heeft hier zijn eigen paleis. Het

aantal bedevaartgangers, dat jaarlijks van alle oorden van Indië

komt, om aan alle goden offeranden te brengen en te bidden in de

1500 tempels, wordt ver over een millioen geschat. Het kost elken

pelgrim 6 dagen hard werken om de ronde in de 1500 tempels te doen;

hij heeft daarmede alleen een afstand van 45 mijlen af te leggen. Die

dagen worden dan geheel aan bidden gewijd, voor slapen en eten blijft

weinig tijd beschikbaar.

Niettegenstaande Benares met hare tot het uiterste gedreven nauwe,

overbevolkte straten en bazaars, met haar druk-bewerkte tempels

en godenhuisjes, en haar verscheidenheid van kleuren, grooter dan

ergens elders, een schilderachtig geheel levert, en, om een van de

schrijvers over Indië te citeeren: "geen andere stad in Indië, die

zulk een atmosfeer van onsterflijke oudheid verraadt", toch verwekt

deze stad een indruk van diepen weemoed en gedruktheid.

De grootste aantrekking voor de pelgrims zijn niet hoofdzakelijk de

vele tempels en goden, die Benares bezit, niet de zekere heiligheid,

die deze stad omgeeft, omdat Siwa en Vishnu en Brahma hier geleefd en

gewoond hebben, maar in hoofdzaak omdat de heilige rivier, de Ganges,

hier een bijzonder heilige kracht bezit. Het water van deze rivier

bezit een alles-zuiverende macht. Niet alleen neemt elke onderdompeling

in dit water de zonden weg, die bedreven zijn, maar ook alle ziekten

worden daardoor genezen. Er is een plek aan den oever van de rivier,

het pokken-bad genaamd, waar poklijders gebracht worden om er dagelijks

te baden, en dan allen genezen. Inderdaad is er iets van waar, dat dit

water een tot nog toe onverklaarbare kracht bezit om ziektekiemen te

dooden. Het Britsche gouvernement heeft herhaaldelijk proeven genomen

en steeds bleek, dat cholera- en andere baccillen in dit water na

eenige uren alle dood waren, terwijl baccillen, van dezelfde bron

genomen, in volkomen zuiver water welig tierden. Ware dat ook niet

het geval, dan zou het onverklaarbaar zijn, dat van deze stad uit

pest en pokken en cholera en meer zulke plagen, niet jaarlijks over

heel Indië verspreid werden.

Wil men de beteekenis van de Ganges voor den Hindoe zien, dan moet

men 's morgens vroeg opstaan en nog vóór de zon aan de Oosterkim is

verschenen reeds in een bootje gezeten zijn, zich langzaam laten op

en neer roeien en het leven aan de oever der rivier gadeslaan. Wij

lieten ons op een morgen zeer vroeg naar de rivier brengen. Het

was een rit van bijna een half uur. De stad begon te ontwaken. De

langs den weg liggende slapers rolden hunne doeken, waarin zij

zich neergelegd hadden, rond hunne lendenen en begaven zich op weg

naar de badgelegenheid. Hier en daar was een arme vrouw bezig den

weg schoon te vegen en de smeden begonnen den brand te steken in

hunne houtvuren. Hoe dichter wij de rivier naderden, des te grooter

werden de troepen menschen, die zich in dezelfde richting voorwaarts

spoedden, om, zuiver uit godsdienstige overwegingen, een bad in de

Ganges te nemen en hunne gebeden op te zenden ter verheerlijking

van een hunner goden of van de rivier, of van de zon. Maar ook hoe

meer wij de rivier naderden, hoe grooter werd het aantal mannen, dat

in zelfkastijding of in heilige overpeinzing, de eeuwige zaligheid

hoopte te verwerven. Mannen, liggende op een bed van spijkers, gezeten

tusschen brandende vuren; mannen, staande op één been, of met één arm

in de lucht; mannen, overladen met zware ijzeren kettingen; mannen,

dagen achtereen vastende, geen water of voedsel tot zich nemende,

in heilig stilzwijgen, allen met asch overladen en haren, die door

tusschenvlechting van de eene of andere wollen stof verlengd zijn, soms

tot 8 à 10 meter, en die dan in een torenhooge kroon rondom hun slapen

zijn gelegd, of netjes een kring rondom hen vormen. Eén heilig man had

zich van koemest en pauwenveeren een toren geplakt en die op zijn hoofd

gezet. Al die heiligen hadden een kring van discipelen rondom zich,

die naar hunne woorden luisterden, of die ook in heilig stilzwijgen

zaten te staren naar de richting, waarin de meester staarde.

Van 47 ghats--plaatsen, van waar men de rivier kan bereiken, hier

meestal breede, hooge, steenen trappen--komen de tallooze mannen

en vrouwen om hunne vereering te uiten. Als zij de rivier bereiken,

sprenkelen zij eerst water over hunne oogen en het hoofd en prevelen

het eerste gebed. Dit luidt vertaald: "O, Ganges, ik groet uwe twee

voeten, uwe twee voeten die zoo schoon zijn en welke door goede en

slechte goden verheerlijkt worden. O, Ganges, gij geeft geluk en ten

slotte verlichting aan allen". Dan spoelen zij den mond met het heilige

water. Daarna beginnen zij weder te bidden, eerst op het eene, dan op

het andere been staande, en ten slotte laten zij zich neerploffen in

het water. Daarna gaan zij weder staan met de beide handen vol water

en dit laten zij langzaam wegvloeien, zich wendende tot de zon, een

offer van Ganges-water aan de zon, en daarbij prevelen zij een van

de oudste gebeden in de wereld: "Laat ons ootmoedig neerknielen voor

de glorie van het Heilige Leven-gevende Licht; moge het ook onzen

geest verlichten". Dan gaan zij voort onder allerlei handengewring,

onderdompeling en beenenbuiging hunne verdere gebeden te uiten. Als zij

gereed zijn met baden wasschen zij hun doek, hun lendengordel en turban

(zoo zij die dragen want vele pelgrims gaan blootshoofds), houden

die dan uitgespreid in de hand tot zij door de zon gedroogd zijn,

brengen dan met rood of geel of wit een merkteeken op hun voorhoofd,

en daarmede is hun morgendienst afgeloopen. Vrouwen en mannen baden

naast en door elkaar, alleen voor de weduwen is een afzonderlijke

plaats aangewezen.

Tusschen al deze zwemmende en badende menschen in zijn breede steenen

trappen ingericht voor de lijkverbranding. Onophoudelijk wonden

de lijken, alleen in een doek gerold, door de lijkdragers--twee

mannen--aangebracht. Zoodra het lijk aangekomen is, gaan een paar

mannen, dikwijls familieleden, het hout in de nabijheid aankoopen en

wordt dit opgestapeld, het lijk daarop gelegd en het vuur ontstoken. Is

het lijk zoowat half verteerd, dan klooft het naaste mannelijke

familielid met een bijl den schedel. Deze liefdedienst--want nu kan

de geest gemakkelijker ontwijken en wordt niet door het vuur mede

verteerd--wordt gewoonlijk door den zoon voor vader of moeder, door den

vader voor zijne vrouw en kinderen verricht. Zijn er geen mannelijke

familieleden, dan komen de vrouwen aan de beurt. De vrouwenlijken

zijn in roode, de mannenlijken in witte doeken gehuld. Wij zagen in

het oogenblik, dat onze boot voorbij roeide, drie lijken verbranden,

en een geheele rij lag te wachten tot hunne beurt was aangebroken. De

asch van de lijken wordt in de Ganges geworpen, doch de armen, die

niet veel hout kunnen betalen, zijn dikwijls slechts half verteerd. De

dienstdoende mannen breken dan de halfverkoolde beenderen in stukken

en gooien ook die in de rivier. Soms zelfs--wij zagen het niet--worden

heele stukken van een lijk onverteerd door den stroom meegevoerd.

Toen wij onze oogen afwendden van dit weinig verkwikkelijk schouwspel

en ze een oogenblik richtten naar den anderen oever van de rivier,

zagen wij een troep gieren zich te goed doen aan iets groots en diks,

dat in het midden van 't water dreef. "Dat is het lijk van een heilige

koe", zeide onze Hindoe-gids ernstig. "Heilige koeien worden zoo

in de Ganges geworpen na haar dood." En onmiddellijk voegde hij er

aan toe: "Ook de heilige mannen worden niet verbrand, hunne lijken

worden ook zoo in de Ganges geworpen; zij behoeven de zuivering van

het vuur niet meer te ondergaan; zij hebben zich in hun leven reeds

gepurifieerd." Zulke mannen krijgen echter aan elk been een steen

gebonden, zoodat zij zinken en niet door roofvogels worden opgegeten.

Als men bedenkt, dat hier menschen met de meest besmettelijke en

afzichtelijke ziekten dagelijks tusschen de anderen komen baden; dat

allen na het bad dit water drinken en er kannen vol van meeslepen, dan

moet men aannemen, dat er iets in dit water is, waardoor ziektekiemen

gedood worden, anders zouden de gevolgen onoverzienbaar zijn. Maar

ook als de ziektekiemen geheel verwoest worden, dan nog verwekt het

een indruk, die onze maag rechtsomkeert doet werken, als men lupus-,

kanker- en syphilis-menschen zich in het water ziet onderdompelen en

terzelfder tijd een geloovigen Hindoe met gretigheid daarnaast het

water ziet verzwelgen.

Na dezen tocht in het vroege morgenuur moesten wij eerst eenige uren

bekomen, alvorens wij ons in staat achtten de andere wonderen van

Benares in ons op te nemen. Het was niet ons plan, om, evenals de

bedevaartgangers, allen 1500 tempels achtereen onze opwachting te

gaan maken; wij zochten er eenige uit, die bij de beschrijving onze

nieuwsgierigheid hadden gaande gemaakt.

Toen wij wat later op den dag onzen tocht naar die tempels begonnen,

zagen wij onophoudelijk de tallooze bedevaartgangers van alle zijden

de stad binnenstroomen. Heele rijen achter elkaar loopende mannen,

in saffraankleurige doeken gehuld, blootshoofds, doch met een langen

stok met een bijl aan den top in de eene en een koperen drinknap of

bedelnap in de andere hand, noemde de gids "bedelmonniken". Mannen

en vrouwen in roode, gele, groene, witte, paarse en andere kleederen

wist de gids allen aan de kleur hunner kleederen te localiseeren van

waar zij kwamen. Er waren er bij, die weken achtereen geloopen hadden

om deze heilige plek ten slotte te bereiken. Het was een bijzonder

heilige dag, daarom kwamen er meer pelgrims dan andere dagen.

Wij begonnen met den Durga-tempel, bijgenaamd de apentempel. Deze

bijnaam vindt zijn oorsprong in het feit, dat meer dan 200 apen,

bruine met korten staart en erg menschelijke gezichten, in en om dezen

tempel leven en wanneer door trommelslag een dienst in den tempel

wordt aangekondigd, allen komen aanloopen en aandachtig zitten te

luisteren. Het waren erg menschelijke apen, die de koekjes en andere

zoetigheden beleefd uit onze handen namen, zonder zenuwachtigheid te

verraden. De jonggeborenen, die het aardigst waren en natuurlijk de

meeste versnaperingen kregen, werden heel wijs door de moedertjes

in den arm genomen en naar een afgelegen plaats gebracht, als mama

dacht, dat zij genoeg gehad hadden. Eén aap zat onophoudelijk met een

zakspiegeltje uit een of ander dames-étui in zijn voorpoot zich zelf

te bewonderen. Een koekje kon slechts een oogenblik zijne attentie

gaande maken; dan at hij het koekje op, doch zat, al etende, zich

in eigen aanblik te verlustigen. Deze ijdele aap, lieve lezers,

was een mannetjes-aap.

De Durga-tempel is gewijd aan Durga, de vrouw van Siwa. Zij wordt als

zeer verwoestend en bloeddorstig voorgesteld. Zij bezit 18 armen en

handen, in elke hand een zwaard of ander moordtuig houdende, waarmede

zij de koppen van mannen en leeuwen afslaat. Aan haar gordel bengelen

doodshoofden van mannen. Vroeger werd ter eere van Durga elken

dag een mensch geslacht, om haar bloeddorst tevreden te stellen;

sedert het menschenslachten verboden is, offert men haar elke week

een geit. Geiten zijn hier duurder dan menschen. Elken dag een geit

te offeren, zou te veel geld kosten; daarom moet Durga zich eens in

de week met een geitje tevreden stellen. Het toeval wilde, dat wij in

den tempel twee Hindoe jongemannen uit Calcutta aantroffen, die ook

ter bedevaart waren opgekomen naar Benares. Zij bleken beiden zeer

ontwikkelde, goed Engelsch sprekende jongelui te zijn. Zij begonnen

een gesprek met ons, waarop wij hun vroegen, hoe ontwikkelde menschen

een godin der verwoesting konden aanbidden. Glimlachend antwoordden

zij: "Gij moet u dat anders voorstellen. Wij, Hindoes, verdeelen den

tijd in verschillende perioden. Wij leven thans in de periode der

verwoesting. Oorlog, doodslag en verwoesting van landen en steden is

over de geheele wereld aan de orde van den dag. Durga regeert thans

overal. Met aan haar offeranden te brengen, hoopt men haar moordlust

te koelen, m.a.w. hoopt men de groote periode der verwoesting snel

te passeeren. Het is slechts eene zinnebeeldige voorstelling". [2]

Zoo weet de ontwikkelde Hindoe aan alle godenvereering eene hooge,

poëtische verklaring te geven, maar de onontwikkelde, zooals onze

gids, vat alles in zijne platte beteekenis op. Die vertelde ons,

dat het geitje, dat elken Dinsdag geslacht wordt, met zijn kop aan

een houten paal, die vlak voor Durga staat, vastgebonden wordt, dan

door een man met één slag op de kop, de kop wordt afgehakt, "zooals

Durga het 't liefste ziet". Den gewonen Hindoe is niets bekend van

de philosophie van de Veda en de beteekenis zijner goden. Voor hem

personifieert elk afgodsbeeld een werkelijken god.

Na den apentempel bezochten wij den koetempel. Deze tempel is eigenlijk

niets bijzonders, alleen dat daarin eenige bullen in plaats van goden

vereerd worden. Werkelijk levende bullen, die met bloemen en heilig

gras gevoed worden, worden daar dagelijks door duizenden aangebeden

en vereerd.

Toen naar den tempel van Ganesha. Ganesha is de zoon van Siwa en

Durga en wordt voorgesteld als een kind met een olifantskop. Toen

Ganesha geboren werd, had het wurm geen kop. Durga was daarover erg

ongelukkig en toen kwam Siwa en zeide: "Ga naar buiten; het eerste

levend wezen, dat gij ziet zal zijn kop verliezen en deze zal op

den romp van Ganesha komen". Durga deed alzoo en het eerste levend

wezen dat zij zag was een olifant. Haar lieftallig kind hield in zijn

jeugd, als vele kinderen, erg van zoetigheden; daarom worden hem nog

heden tal van versnaperingen geofferd. Hij reed in zijn jeugd bij

voorkeur op een rat, daarom zijn nu nog de ratten heilige dieren. De

Britsche regeering heeft zeer veel moeite hier in Benares, waar altijd

pestgevallen zijn en nu zelfs zeer vele, de ratten uit te roeien. Een

Hindoe sterft liever aan pest, dan dat hij een rat zou willen zien

dooden. Achter Ganesha was een bron, de Bron der Kennis. Drinkt men

uit die bron--dat water is zeer duur--dan wordt men helderziend,

alwetend. Ik wilde liever dom blijven, dan mij te wagen aan het

drinken van dit sop. Dit water wordt nog aantrekkelijker gemaakt,

als men hoort vertellen, dat het is het zweet van Vishnu, uitgezweet

in een al te dolzinnig doorgebrachten nacht.

Wij bezochten nog eenige van zulke vermaarde tempels en hadden er toen

genoeg van. Wij besteedden liever den ons nog restenden tijd aan het

bezoeken van de Hindoe-school, door Annie Besant hier gesticht, en hare

theosophische vereeniging. Hoe Annie Besant er toe kwam hier in deze

fanatieke omgeving haar school te vestigen, zal, naar ik hoop, haar en

hare volgelingen duidelijker en verklaarbaarder zijn dan mij. Het is

waar, dat ook Buddha hier langen tijd vertoefde en zijne leer voor het

eerst in Britsch-Indië verkondigde. Dat ook Paulus hier schijnt geweest

te zijn en dat hier thans acht verschillende zendelingsinstellingen

de leer van Christus trachten ingang te doen vinden. Waarom zou zij

dan niet haar leer hier verkondigen, de universeele broederschap van

hieruit over de wereld zich laten verspreiden?

De Hindoe-school en college van Annie Besant, die door vrijwillige

gaven, bijna uitsluitend door Hindoesche beurzen, wordt in

stand gehouden en waar de leerlingen in den zuiver Hindoeschen

godsdienst worden onderwezen, bevat reeds meer dan 1000 mannelijke

Hindoe-leerlingen en ongeveer 200 vrouwelijke. Zij staan beide--de

jongens- en meisjesschool zijn streng gescheiden--onder oppertoezicht

van een Engelschen directeur en directrice, doch de leerkrachten zijn

voor verreweg het meerendeel Hindoe's. In de zaal, waar de gebeden

worden gezongen, hangt een levensgroot portret van Annie Besant.

Wij bleven in Benares een dag langer dan de meeste toeristen

gewoon zijn te doen, niet zoo zeer om het vele belangrijke, dat

hier te zien is, dan wel om den geest van de stad beter in ons op te

nemen. Herhaaldelijk bezochten wij de stad op verschillende tijden van

den dag, maar steeds weder overviel ons datzelfde gevoel van weemoed,

dat wij ook gevoelden, toen wij in Jeruzalem die vele huilende en

lamenteerende Joden voor een stuk oud en vervallen muur zagen staan,

dien muur kusten en met hunne tranen bevochtigden; of toen wij daar

in verschillende kerken der christenen soldaten vonden om den vrede

te bewaren tusschen katholieken en protestanten voor een elkander

betwist venster of een stuk balk.

Onwillekeurig vraagt men zich hier af, zijn dat menschen uit

denzelfden tijd waarin ook wij leven, zijn het misschien eenvoudig

bekrompenen van geest, of zijn het ongelukkigen, wier geest beneveld

is? Benares met zijne afgoden en tempels, met zijne heilige rivier,

zijne heilige apen, heilige koeien, heilige ratten en vooral met

zijne bevolking en pelgrims, verwekte bij mij den indruk van een

groot krankzinnigengesticht.

Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen · 第 78 / 133 题