II.

Vanmiddag gingen wij eerst den voornaamsten rijtoer van hier maken,

die vooral om zijn mooie vergezichten, die hij op verschillende

punten aanbiedt, een zekere vermaardheid heeft verkregen en daarna

lieten wij ons brengen naar de "groote zandrivier", om een kijkje te

nemen naar het voor ons oog nog nieuwe schouwspel "het baden van de

olifanten". Elken middag van drie tot half zes kan men op zekere plek

in de rivier twintig heilige olifanten zien spelen en zich amuseeren in

het ondiepe water. Heeft men in Egypte heilige kameelen, die slechts

eens per jaar een heiligen plicht vervullen en daarvoor het geheele

jaar door goed gevoed en verzorgd worden, op Ceylon heeft men heilige

olifanten, die maar één dag in het jaar een heiligen plicht vervullen

en daarvoor een staf van bedienden hebben, die hen met de grootste

zorg en liefde alle andere dagen van het jaar verzorgen en dienen. Een

eind verder in de rivier baden ongeveer ter zelfder tijd vele andere

olifanten, die echter een verfrisschend bad verdienen, omdat zij een

langen en zwaren arbeidsdag achter den rug hebben. Want ook voor het

zware werk, waarvoor men zich in Arabië en Egypte bedient van kameelen,

gebruikt men hier olifanten. Zelfs als paard doen zij dienst.

Toen wij ons lang genoeg in den aanblik van die badende en spelende

olifanten verlustigd hadden, die zich blijkbaar in het water

amuseerden, legden wij een bezoek af aan den Tempel van Buddha, den

tempel van den Heiligen Tand. Die heilige tand wordt verondersteld

een tand van Buddha te zijn. De geschiedenis ervan is, dat toen

Buddha 2500 jaar geleden, gecremeerd werd, eene vrouw in zijn asch

vier gave tanden vond, die niet mede verbrand waren. Zij verborg die

tanden in haar haarwrong en verkocht ze later voor zeer hooge sommen

aan Buddhistische vorsten. Een er van kwam in het bezit van den

regeerenden monarch van Kandy, die er een tempel voor liet bouwen,

den tempel van den Heiligen Tand. Het bezit van dien tand werd den

goeden burgers van Kandy echter herhaaldelijk betwist en omdat de

Buddhisten geen oorlog mogen voeren, niemand en niets mogen dooden,

en ook omdat de latere en verstandiger koning meende dat Buddha,

die zich na zijn dood wilde laten verbranden, toch recht had geheel

verbrand te worden, dus ook zijne tanden, werd op zijn bevel de tand

van Buddha tot poeder gestampt, deze poeder daarna verbrand en de asch

aan de vier windstreken prijsgegeven. Met groote praal en plechtigheid

werd dat bevel ten uitvoer gebracht. Kort na den dood van dien vorst

echter stond er een man op die beweerde de asch van dien tand weder

verzameld te hebben en dat die asch opnieuw tot tand was geworden. Door

de goê-gemeente werd dit geloofd en deze tand opgekocht en als tand

van Buddha weder groote eer bewezen. In den loop der eeuwen is die

tand herhaaldelijk door wijze regeerders verpulveriseerd, doch steeds

kwam er na langeren of korteren tijd iemand, die de gepulveriseerde

tand weder in zijn geheel ten verkoop aanbood. Sedert eenige honderden

jaren nu is die tand niet meer verbrand. Hij ligt nu aan een gouden

ketting in een zilveren kastje. Dat kastje staat in een ander zilveren

kastje en dit gaat zoo negen maal door, totdat de laatste kast een vrij

grooten omvang heeft verkregen. Deze laatste kast is geheel ingelegd en

ook rondom behangen met de prachtigste robijnen, smaragden, saphieren

en wat er meer voor kostbare edelsteenen mogen zijn. Elke opvolgende

koning offerde er bij zijn leven of na zijn dood een of meer van

zijne kostbaarheden aan. Rondom deze kast staan Buddhabeelden om de

heilige schat, die meer op een tijgerklauw dan op een tand gelijkt,

te bewaken, en er vóór staat een massief zilveren, fraai bewerkte

tafel, die als offertafel dienst doet. Niemand komt in de nabijheid

zonder verplicht te zijn te offeren. Is men met bloemenoffers, vooral

lotusbloemen, tevreden als het leden van eigen gemeente betreft, van

vreemdelingen verwacht men offers in klinkende munt en dat weet men

hen duidelijk aan het verstand te brengen. In Kandy zijn 600 in gele

doeken rondwandelende Buddhistische priesters en een soort klooster,

waar nieuwe collega's gekweekt worden. De Buddhisten op Ceylon zijn

geen zuivere Buddhisten meer. Door allerlei invloeden is hun godsdienst

verbasterd. Ze gaan drie keer daags naar den tempel, de Mohammedanen

vijf keer, en evenals dezen buigen zij zich herhaaldelijk geheel neder

op den grond en zwaaien met hun lichaam als zij hunne gebeden prevelen.

Eens per jaar, in Augustus, gaat de zilverkast met heiligen inhoud

een ronde door de stad doen. De heiligste van de heilige olifanten

mag de kast dragen, terwijl de negentien andere olifanten ieder met

een minder heilige kast belast worden. Zoo is er o.a. een gouden kast

in den vorm van een graftombe, waarin een stukje hout bewaard wordt

van den brandstapel waarop Buddha verbrand is. Dat is na den tand

het heiligste stuk.

Rondom den tempel is een vijver, daarin zwemmen groote, vette

schildpadden rond, die ook al "heilig" verklaard zijn. Deze beesten

worden ook met groote liefde gevoed en verzorgd. En dan is er een

boom, de bo-boom, waarvan verhaald wordt, dat het een tak was van den

boom, waaronder Buddha in Burma zeven dagen zonder voedsel in gebeden

doorbracht, en die bevolkt is met heilige apen. Takken van dien boom

zijn overal heengezonden. In den grond gestoken, schieten zij wortel

en blijven eeuwig leven. Het was onweersprekelijk een zeer oude boom,

waaronder thans een Buddhabeeld zit om zooveel mogelijk de beteekenis

van den boom aanschouwelijk voor te stellen en het was een nieuwe

gelegenheid om den bezoeker geld af te zetten, want dit beeld nam

offeranden in klinkende munt in ontvangst, ter instandhouding van

het Buddhisme.

Eén zaak moet ik nog even releveeren, alvorens ik van de Buddhisten

voorloopig afstap, omdat het ons een beeld geeft van hetgeen deze

eenvoudige zielen onder de zeven hoofdzonden rekenen. Zij hadden

ze buiten op de tempelmuren in beeld gebracht en aanschouwelijk

voorgesteld, hoe de zondaren daarvoor na hun dood gestraft worden. De

voornaamste zonde is het dooden. Die zich daaraan schuldig hebben

gemaakt gedurende hun leven, worden na hun dood door duivels, die

op de schilderij een heel fantastisch en wreedaardig voorkomen

hebben met een lans of ander wapen door het hart gestoken en

zoo moeten zij eeuwig blijven bloeden. De volgende zonde was, de

burgers te veel belasting te laten opbrengen. Zoo iemand werd met

een geldstuk in stukken gesneden. Het was een erg pijnlijk beeld,

dat daarvan een afschildering gaf. De derde zonde was het liegen. De

vierde, zijn ouders niet gehoorzamen. De vijfde, zich toe-eigenen

wat hem niet toebehoort. De zesde, de kerk bestelen en de zevende,

kwaadspreken van een kaste, die boven hem staat. Al die zonden worden

hiernamaals gestraft met straffen, waarvan het middendoorzagen een

van de zachtste is en waarbij duivels in verschillende vormen van

wreedheid voorgesteld, de uitvoerders zijn.

Behalve de Sinhaleezen komen hier natuurlijk verschillende

andere volksstammen voor, waarvan de laagste kaste mijne grootste

belangstelling wekt. Hoewel men hier over het algemeen mooie menschen

vindt, vallen toch deze menschen en vooral de vrouwen onder hen, door

hare mooie geregelde gelaatstrekken, mooien lichaamsbouw en prachtige

oogen op. Zij leven in hoofdzaak op een dagreizen's afstand van hier,

maar verspreide groepen vindt men overal. Het zijn de Rhodiya's.

Van dezen volksstam wordt verhaald, dat hij zijn oorsprong dankt

aan slechte voorvaders. Eeuwen en eeuwen geleden, lang vóór de

Christ. jaartelling, leefde er op Ceylon een vorst, die veel van

lekker eten hield, maar overigens een braaf man was. Zijne koks waren

wel eens teneinde raad, wat zij hem toch alle middagen voor lekkernij

zouden voorzetten. Op een middag hadden zij wat nieuws gevonden en

de vorst vond dat zoo heerlijk, dat hij herhaaldelijk opnieuw zoo'n

schotel bestelde. Maar op zekeren dag kwam het uit, dat wat de koning

zoo lekker vond, versch geslachte kindertjes waren en daarover was hij

zoo in heilige verontwaardiging geraakt, dat hij de schuldige koks en

allen, die er aan hadden medegewerkt, bij zich liet komen en voor hen

de grootste straf bedacht, die hij maar bedenken kon. Hij veroordeelde

hen, dat zij als paria's in de maatschappij moesten voortleven, en

dat al hun nazaten die straf deelachtig zouden worden. Zij moesten

leven in de bosschen en mannen en vrouwen mochten nooit hun bovenlijf

bedekken. Zij mochten niets leeren en nooit met andere menschen

in aanraking komen. Als zij ooit iemand op hun weg ontmoetten, dan

moesten zij minstens dertig meter boschwaarts gaan. Om die mannen nu

in de gelegenheid te stellen zich voort te planten en zoo de straf

eeuwigdurend te doen zijn, kregen zij successievelijk tot vrouw alle

prinsesjes, die wat te warmbloedig waren en eens een vurigen blik

geworpen hadden,--misschien ook wel wat verder waren gegaan--op den

een of anderen man van lager afkomst. Zulke prinsesjes werden de

ondeugende koks in de armen geworpen, en zoodra die er in geslaagd

waren haar den gekauwden siri-pruim--een vieze aardigheid--tusschen

de lippen te duwen, waren zij voor goed met haar getrouwd; dat

beteekende dus zooveel als bij ons het burgemeestersbriefje. Eerst

met de Britsche overheersching is aan die straf een einde gemaakt,

maar bij de Ceylonsche bevolking doet het verhaaltje nog dienst, en

staan die menschen nog op den laagsten sport van den maatschappelijken

ladder. Uit de mooie Rhodiya'sche meisjes worden thans in de steden

de dansmeisjes en nog erger en ergerlijker soort gemaakt, terwijl

de Rhodiya'sche mannen in de steden meest als slangenbezweerders en

goochelaars of toovenaars optreden. Maar ook nu nog durven de mooie

Rhodiya'sche vrouwen zich 't bovenlijf niet bedekken, omdat dit hier

tot beteekenis heeft van een hooger stand te zijn.

Alle Engelsche schrijvers over Ceylon wijden een deel van hun boek aan

de theeplantages en aan de onovertreffelijke theefabricatie. Steeds

las ik, dat dit hier op zooveel beter wijze geschiedde dan in

China of op Java, waar het geheele proces voor degenen, die er in

werkzaam zijn, zoo wreed is. Dat prikkelde mij dus, om hier een groote

theeplantage te bezoeken en het theemaken van het begin tot het eind

na te gaan. Wij waren daarvoor hedenmorgen reeds weder zeer vroeg

uit de veeren en reden met zonsopgang naar Gampola, een oud stadje,

door inboorlingen bewoond, met vele historische herinneringen. Van

hieruit waren gemakkelijk verschillende theeplantages te bereiken. Het

theeplukken was in vollen gang toen wij aankwamen, want de vrouwen

en kinderen--deze laatsten allen boven tien jaar oud--beginnen

den dagtaak direct bij het aanbreken van den morgenstond. Mannen

waren bezig met 't snoeien der boompjes en het schoonhouden der

velden. Het leek mij een gezond en gemakkelijk werk wat die vrouwen

en kinderen verrichten. Tegen tien uur hebben zij allen ongeveer

de mand, die op hun rug gebonden is, volgeplukt en gaan dan naar de

fabriek. Daar wordt de inhoud nog eens nagelezen, de groote bladeren

eruit verwijderd en een te groot steeltje afgeplukt. Dit doen ook

de vrouwen. De bladeren worden dan door mannen op de droogzolders

gebracht en uitgespreid om gedroogd te worden en ondergaan dan

verder een geheel machinale behandeling. Het krullen der blaadjes,

het zuiveren en sorteeren der verschillende soorten, het verpakken,

enz. geschiedt alles machinaal en de fabriek, die wij zagen, was

in elke afdeeling zoo ruim, zoo zindelijk en zoo goed geventileerd,

dat er van wreedheid of van ongezondheid geen sprake kon zijn, als,

hetgeen wij natuurlijk niet konden constateeren, de behandeling der

zwarte werkers en werksters ook een goede is. Want mij werd verteld

door een gast in dit hotel, dat de opzichters soms zeer onmenschelijk

met de ondergeschikten omspringen, door hen het volle loon te onthouden

als zij niet genoeg geplukt hebben of soms voor een klein misdrijf in

't geheel geen dagloon uitbetalen en door nu en dan gebruik te maken

van de zweep. Het loon wat de theeplukkers als regel ontvangen is 25

cents per dag, d.w.z. 25 Ceylonsche centen, die ongeveer 20 Hollandsche

centen vertegenwoordigen. Daarvoor werken ze van 's morgens 6 tot 11

en 's middags van 1 tot 5 uur. Dat lijkt een heel kleine belooning,

maar in aanmerking genomen de weinige behoeften dezer menschen, is

zij niet zoo klein. Tenminste alle vrouwen en meisjes, die wij aan het

werk zagen, hadden armen en beenen en vingers rijk bedekt met ringen,

de oorlellen van onder tot boven vol versierselen, het middenschot

van de neus en beide neusvleugels prachtig geornamenteerd, en vier,

vijf of meer verschillende kettingen om de hals. Een groot deel

van hetgeen zij verdienen, wordt blijkbaar in lichaamsversierselen

omgezet. Ik zal nu later kunnen nagaan hoe de Javaansche theeplanters

hun zaken hebben ingericht, of daar inderdaad van wreedheid bij de

theefabricage sprake kan zijn.

Wij wilden Gampola niet verlaten zonder eerst een kijkje in het stadje

genomen te hebben. Het loonde de moeite. Niet alleen zagen wij er zeer

oud en zeer origineel steenhouwwerk, overblijfselen van oude tempels,

maar wij zagen er een koperen plaat, waarop eene heele geschiedenis

gegraveerd was. In 't kort is het verhaal zoo, dat in 1804 koning

Wickrama Daja Sinha den tempel van Gampola een groot geschenk in

grond en goud aanbood en het eindigt aldus: "Zijne Majesteit heeft het

genoegen, dit aan te bieden, zooals bij den mond van de godin Saraswati

is geuit, en hij geeft deze gift in een gelukkigen tijd, zittende op

een gouden troon, in den vorm van Sakkraya in de stad van Senkanda

Sailabidhana Siriwardhanapura, welke overvloeit van rijkdommen; en

deze gift is gegeven op Maandag, den tweeden dag van de opkomende

maan in de maand Medindina, in het jaar 1726, genaamd Raktaksa. Hij,

die plukt, breekt, of snijdt, een blaadje of grasspriet of eenig hout

of vrucht, of iets wat thans aan Buddha behoort, zal herboren worden

als een pretaya (een vertaling van dat woord ken ik niet, maar 't zal

wel wat verschrikkelijks zijn), doch iedereen, die eenige offeranden

brengt, zal voorspoed genieten en in Nirvana treden. Hij, die met

geweld iets neemt van hetgeen Buddha toebehoort, met de bedoeling het

zich toe te eigenen of het aan anderen te geven, zal in een worm op

een mesthoop veranderen voor een tijdsduur van zestigduizend jaren".

Niettegenstaande deze verschrikkelijke bedreiging is nu 5 jaren

geleden het gouden beeld van Buddha gestolen, dat aan goud ongeveer

25.000 gulden waarde bezit. De dief is nooit gevonden; de goe-gemeente

is vast overtuigd, dat die ook nooit gevonden zal worden, omdat de

politie onder de menschen zoekt en de dief natuurlijk reeds lang in

een worm op een mesthoop is veranderd.

Nadat wij na de lunch eerst een paar uren gerust hebben, begaven

wij ons op weg naar het museum, wat nog niet veel te beteekenen

heeft. In één opzicht vond ik het toch interessant, omdat ik er veel

terugvond wat afkomstig moet zijn van onze Hollandsche voorvaders

en omdat de oude Kandysche industrie, die in dit museum nog wordt

uitgeoefend, in veel opzichten door de onze moet zijn beïnvloed. Er

waren o.a. oud-Hollandsche bedplanken, stoven, schoengespen, lepel-

en vorkrekken, pannen en potten, etc. Ik kocht er eenige zaken, die

ik nu nog zag maken, alle met de oude, primitieve instrumentjes van

voorheen en die elkeen voor oud-Hollandsch werk zal aanzien.

Wij hadden nog juist tijd om vóór zonsondergang de winkels van Kandy

te bezoeken, waar de echte Ceylonsche edelsteenen verkocht worden en

waar men niet, zooals in Colombo, met kooplieden te doen heeft, die

zes- of zevenmaal den prijs vragen van dien, waarvoor zij geleverd

kunnen worden. Er waren prachtige saphiren, smaragden, robijnen,

amethyst, paarlen, enz., en, in aanmerking genomen de prijzen, die

men daarvoor in Europa vraagt, bespottelijk goedkoop.

Den derden dag vertrokken wij met den ochtendtrein naar Nuwara Eliya

(spreek uit Nurelia), op eene hoogte van 6200 voet gelegen, waar

het heerlijk koel en gezond is. Den geheelen weg over, de treinreis

duurde vijf uren, gingen wij door theeplantages, waar overal het

werkvolk druk aan den arbeid was. Het was een prachtige tocht, met

grootsche berggezichten. Ongeveer op het midden van de reis passeert

men een plaatsje, dat Hatton heet en dat bekendheid bezit, omdat men

van daaruit den berg, genaamd Adam's berg, bestijgt. Jaarlijks gaan

duizenden pelgrims dien berg op, maar ook vele toeristen komen hier

om op den top van den berg, van waar men een onbeschrijfelijk mooi

uitzicht moet hebben, te beklimmen. Waarom die berg zoo belangwekkend

is? Dat is natuurlijk niet alleen een gevolg van het mooi vergezicht,

dat men op den top kan genieten, maar omdat die berg een heilig

karakter draagt, in de geschiedenis van vele oude godsdiensten een

groote rol speelt en het onderwerp is geweest van veel onderzoek en

nog grooter godsdiensttwisten. Op den top van den berg is namelijk

duidelijk het afdruksel te zien van een voetstap, maar van een voet die

een reuzenmensch moet hebben toebehoord. Nu zeggen de Mohammedanen,

dat dit de voetstap van Adam is, de Buddhisten beweren, dat Buddha

daar gewandeld heeft en de voetstap van hem afkomstig is en de Hindu's

beweren, dat Siwa, een hunner drie godheden, die voetstap toebehoort.

Volgens de Mohammedanen is Adam, toen hij uit den hemel gevallen

of geworpen is, op den top van dien berg terecht gekomen en heeft

hij daar 200 jaren op Eva gewacht. De voetstap moet dus van Adam

afkomstig zijn. De Buddhisten weten echter beslist, dat Buddha op

zijne zwerftochten ook Ceylon heeft bezocht en daar hij veel van de

eenzaamheid hield, heeft hij gewis dien berg beklommen en daar vele

van zijne overpeinzingen gehouden.

Doch de Hindu's weten met even groote zekerheid, dat Siwa, in een

zijner menschelijke gedaanten, daar geweest moet zijn; zij hebben de

maten van dien voetstap genomen van alle kanten en die alle vormen

een volkomen overeenkomst niet de afdruksels van de voeten van Siwa.

Hoe het zij, de Hindu's, Buddhisten en Mohammedanen maken er nu geen

herrie meer over, zooals de Christenen in Palestina, maar elk hunner

vereert dien berg en nog meer dien voetstap op zijne wijze, en zij

trekken broederlijk gezamenlijk opwaarts.

De weg om er te komen is 24 mijlen lang waarvan de helft per rijtuig

of te paard kan worden afgedaan. De andere helft moet te voet worden

afgelegd en de drie laatste mijlen zijn zeer steil en gaan over

een bijna onbegaanbaren weg. Voor twee oudjes als mijne metgezellin

en ik is de top dus onbereikbaar, want wij gaan er niet uit heilige

devotie heen, zooals zoovele oude mannen en vrouwen doen, die het voor

de hoogste zaligheid houden in het aangezicht van dien voetstap te

sterven. Men vertelde mij, dat elk jaar vele oude pelgrims op den weg

er heen sterven en dan door de andere pelgrims mede naar boven worden

gedragen. Sommige zonen gaan er met hun ouden vader of moeder op den

rug heen, keeren echter maar al te dikwijls alleen terug. Daar wij

eerst Britsch-Indië, Burma, Java en Sumatra nog moeten zien alvorens

wij tot dood gaan bereid zijn, moeten wij ons dus het genot om naar

boven te klimmen ontzeggen.

Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen · 第 68 / 133 题