Nuwara Eliya is een plaats, die met St. Moritz in de Engadine in
zomertijd kan vergeleken worden. Men leeft er in de zuiverste en
prikkelendste atmosfeer, die men zich wenschen kan en de temperatuur
komt zoowat met de zomertemperatuur in ons land overeen. Het is nog
een paar honderd meter hooger gelegen dan St. Moritz. Met elk jaar
neemt de toevloed van Engelsche bezoekers, die hier de wintermaanden
doorbrengen, toe. Er zijn tal van goede, groote hotels, pensions en
gemeubelde villa's. Het onderscheidt zich echter van St. Moritz door
de weelderiger plantengroei.
Wij waren er heen gegaan, omdat de reis er heen zoo mooi is en omdat
wij daardoor een goed beeld kregen van de uitgestrektheid van de
theeplantages in Ceylon en toch ook even een kijkje wilden nemen
in de plaats, die weldra in Europa de meest bekende van dit eiland
zal zijn. Er zijn van daar vele mooie bergtoeren en rijtoeren te
maken. De meest gerenommeerde, die leidt naar den voet van den berg
Hakgalla en naar den Koninkl. Botanischen tuin--want ook hier is een
gouvernementstuin--maakten wij. In dezen tuin worden de boomen en
planten gekweekt, die een koeler klimaat behoeven, waaronder vele
Europeesche planten. Maar al zag ik er varens zooals ook bij ons
voorkomen, diezelfde varens waren hier tienmaal grooter en ik zag
er zelfs een, die als boom fungeert. Ook de rhododendron, die hier
in zeer groote hoeveelheid in het wild groeit, is een boom, en zelfs
zag ik de margharites groeien aan een boom.
Van verschillende punten hadden wij een mooi gezicht op hooge
bergtoppen en ook op mooie valleien. Betrekkelijk dichtbij is de plek,
waar het kamp was, waarin de Engelschen de Afrikaansche Boeren gevangen
hielden. Eén van deze Boeren leeft nog hier; 't is degene, die niet
dien eed van trouw aan Engeland heeft willen zweren. Hij schijnt nu
in Kandy een hofstede te hebben en daar te wonen. Als ik tijd heb,
zal ik trachten hem een bezoek te brengen.
Den volgenden dag gingen wij naar Kandy terug. Daar trachtten wij uit
te vinden, wat er voor het onderwijs der jeugd wordt gedaan. Het was
echter Zaterdag, vele scholen waren gesloten of gaven geen geregeld
onderwijs. Onze inlichtingen waren dus zeer onvolledig. Het meeste
onderricht wordt hier overal op Ceylon nog op zendelingsscholen
gegeven, die door de regeering gesubsidieerd worden, maar alle tot
hoofddoel hebben van de Boeddhistische en Hindoesche kindertjes
Katholieke of Protestantsche Sinhaleezen of Tamils te maken.
"Dat is ons hoofddoel", zeide mij een juffrouw, aan het hoofd van
een meisjesschool staande; "daarvoor zijn wij hier, maar dat neemt
niet weg, dat toch het gouvernement toezicht op het onderwijs houdt,
zoodat 't ook goed is".
Tot voor betrekkelijk korten tijd werd het onderricht der meisjes
hier nog geheel verwaarloosd. Er waren in 1901 nog slechts 6% der
meisjes, die lezen en schrijven konden. Door de zendelingsscholen is
hierin groote verbetering gebracht. De dochters van alle hoofden op
Ceylon ontvangen nu onderwijs; wij waren in de school, waar zij allen
vereenigd zijn en reeds van haar 4e jaar af worden opgenomen. Ongeveer
60 van die meisjes waren er intern. Een paar ouderen onder haar waren
met drie Engelsche juffrouwen als onderwijzeressen aangesteld.
De leeftijd, waarop de meisjes over geheel Ceylon trouwen, is een veel
hoogere dan die in Syrië en Egypte. Vóór haar 16e jaar trouwt er bijna
geen enkele en in de laatste jaren is die leeftijd nog stijgende. Dat
komt door de hoogere ontwikkeling. De beter onderwezen jonge mannen,
waarvan er vele naar Engeland gaan om hunne opvoeding te voltooien,
willen goed ontwikkelde vrouwen tot hunne echtgenoote en van deze is
de opvoeding dikwijls niet vóór het 18e of 20e jaar voltooid.
Toen ik 's middags in het hotel informeerde of in Kandy een
Zuid-Afrikaansche boer woonde, wist mij elkeen direct te zeggen, dat
de prison-boer, zoo wordt hij hier genoemd, even buiten Kandy een
farm heeft, dat hij getrouwd is en een dochtertje bezit. Zijn farm
schijnt echter niet genoeg op te leveren, daarom werkt hij in Colombo,
doch komt dikwijls in Kandy om naar zijn farm om te zien. Het was
Zaterdagmiddag en waarschijnlijk zou ik hem wel tehuis vinden. Ik nam
een rickshaw en liet mij er brengen. Het was langs een zeer mooien
landweg, die naar de woning van James Gibson leidde en zijne kleine
hoeve was ook zeer schilderachtig gelegen. De prison-boer was echter
niet daar, een vriendelijke oude man met een dochter namen de taak van
huisbewaarders waar. Toen deze oude man vernam, dat ik een Hollandsche
was, vertelde hij, dat ook hij een "burgher" was. Zijn vader was in
het begin der vorige eeuw hier gekomen. Hij heette echter Cooley, maar
zijn naam was verbasterd, zijn vader's naam was Kohle geweest. Het
kwam mij voor, dat de vader eerder een Duitscher dan een Hollander
kon geweest zijn, maar ik hield die gedachte voor mij, omdat de man
er blijkbaar op gesteld was een "burgher" te zijn. Ik moest een kopje
thee blijven drinken en met een mooie bouquet rozen uit den tuin keerde
ik huiswaarts. Op mijn terugweg passeerde ik een huisje, waar twee
oudjes knusjes in de veranda zaten te keuvelen. Met groote letters
stond op de deur van het hek "Pieter de Vos", "Weltevreden". Dat
moeten een paar Hollanders zijn, dacht ik, liet mijn rickshaw halt
houden en ik stapte het hek binnen. De oude heer kwam mij tegemoet,
doch toen ik hem in 't Hollandsch begon aan te spreken, bleek het, dat
de goede man mij niet verstond. Ik begon dus in het Engelsch te vragen
of ik hier niet een Hollandsche familie ontmoette en direct kreeg
ik een bevestigend antwoord, maar zij waren "burghers" en hadden het
Hollandsch verleerd. Ik moest echter mede naar zijne vrouw en vernam
weldra, dat ik hier met een oud-Hollandsche familie te doen had, die er
een stamboek op nahielden en trots op hun afkomst waren. In 1642 waren
de gebroeders Pieter en Olivier de Vos uit Brugge op Ceylon gekomen,
en hadden er zich metterwoon gevestigd. Zij hadden hunne vrouwen ook
uit Brugge laten overkomen en deze twee families hebben in den loop
der jaren een groote nakomelingschap gekweekt. De jongeren uit die
families spreken allen Hollandsch en zijn mede-oprichters van den
bond van burghers, die niet lang geleden op Ceylon gevormd is. Het
was jammer, dat de zoon en dochters van dit echtpaar niet thuis waren
en ik geen tijd had op hun thuiskomst te wachten; ik had gaarne van
hen wat meer over de burghers van Ceylon vernomen, dan hetgeen de
oudjes mij er van vertellen konden. Volgens hen verkeeren de burghers
over het algemeen niet in financieel schitterende omstandigheden,
hoogstens behooren zij tot de min of meer gegoede middenklasse.
Zondagmorgen was het weder vroeg opstaan, want wij wilden Ceylon
niet verlaten, zonder ten minste één van de "begraven steden" te
hebben gezien. Wij gingen naar Anuradhapura. Het was wel zeven uur
sporen noordwaarts van het eiland, maar wij hadden het er voor over
en het bracht ons ook door een geheel ander deel van het land. Deze
tocht heeft ons niet berouwd. Om twee uur kwamen wij ter bestemder
plaatse. Hoe geheel anders was het hier dan wij op Ceylon tot dusverre
gezien hadden. De plek waar nu weder Anuradhapura is herrezen,
was 30 jaar geleden nog een dicht woud, waarin de wilde olifanten,
tijgers, luipaarden, apen etc. de lakens uitdeelden en waar geen
mensch woonde. Het was een dicht woud, waaronder de oude stad begraven
lag. Er zijn nu vele boomen omgehakt, rijstvelden aangelegd, huizen
gebouwd en er ligt een garnizoen militairen. Het hotel, een zeer
primitief houten gebouw, bestaat nog maar twee jaar. Het kan een
beperkt aantal gasten herbergen. Het staat midden in een woud van
mooie, hooge boomen, waarin tal van aapjes zich amuseeren, die nu en
dan in groote getale naar beneden komen en na een rondedans of ander
spelletje gespeeld te hebben, gauw weder naar boven klimmen. Maar dat
is natuurlijk niet het eenige aantrekkelijke geweest om deze reis te
ondernemen, het zijn de opgravingen, of liever uitgravingen, die hier
door het Engelsche gouvernement ondernomen worden en de resultaten,
die zij opleveren. Hier zijn Boeddhistische tempels ontdekt, die
de oudste en grootste van de wereld zijn en die nog duidelijk de
inscripties vertoonen, waaruit men hun oorsprong en bestemming kan
nagaan. Enkelen er van vertoonen nog zulk mooi steenhouwwerk, alsof
't pas kort geleden gemaakt was. De oudste van de thans gevonden
tempels is door Koning Tissa gewijd aan den eersten apostel van het
Boeddhisme op Ceylon, aan den Indischen koningszoon Mahinda en dateert
van 311 vóór Christus. De grootste van de opgegraven tempels heeft
zoo'n enormen omvang, dat uitgerekend is, dat uit de bouwsteenen
een stad van 20.000 zielen kan worden opgebouwd. Hij is veel hooger
en grooter dan de St. Paulskerk in Londen. De mooiste heeft mooi
beeldhouwwerk, rust op honderden groote olifanten, die allen ivoren
tanden moeten gehad hebben, waarvan echter bijna geen een gevonden
is. Er zijn aan al deze gebouwen, want het zijn niet alleen tempels,
zoovele en interessante legenden verbonden, dat het een genot is ze
te zien onder den indruk der pas gelezen verhaaltjes.
Tal van tanks, watertanks, zijn ook ontdekt, die van nog ouder datum
zijn dan de tempels, waarin de krokodillen nu lustig rondzwemmen en
zich aan den vroeg opstaanden in vollen omvang vertoonen.
Zulke vroege opstaanders waren wij, want wij wilden vóór de zon te
heet zou branden in Mihintale aankomen en de 1840 treden opgeklommen
zijn. De weg naar Mihintale is anderhalf uur rijden en voert over een
zeer goeden weg dwars door een dicht bosch, waarin ratelslangen in
ontelbare menigte voorkomen, waar beeren, tijgers en wilde olifanten
vrij rondloopen en waar wij nog meer van zulk soort beestjes hadden
kunnen ontmoeten. Elke inlander, die wij op onzen weg ontmoetten,
was met een geweer gewapend om zich te verdedigen tegen mogelijke
overvallen. Zelfs de vredelievende en niet doodende Boeddhist en
de Hindoe gaan toch niet ongewapend door het bosch. Wij ontmoetten
echter niets van dat alles, wij hadden zoo graag een avontuurtje gehad,
alleen zagen wij prachtig mooie wilde hanen en hennen--het deed mijn
hart goed te zien, dat ieder mooi haantje wandelde met één hennetje
en toonde in natuurstaat monogaam te zijn,--wij zagen een soort groote
bunsings, of hoe die beesten in het Hollandsch mogen heeten en midden
op den weg stond een mooi gestreepte jakhals, die toen de koetsier
't rijtuig liet stilstaan, kalm bleef staan om ons op te nemen. Vogels
zagen wij er in menigte, kleine, waarvan het lichaampje niet grooter
dan de top van een pink is, mooie bonte en ook zeer groote.
Precies half negen stonden wij aan den voet van den berg, waaraan voor
de Boeddhisten zoovele historische herinneringen verbonden zijn. Op
dezen berg ontmoette koning Tissa voor het eerst Mahinda, de Indische
koningszoon en Boeddhistischen priester, die hem tot het Boeddhisme
bekeerde. De legende luidt, dat koning Tissa met groot gevolg op de
jacht was en een elk ontmoette van buitengewone schoonheid, die hij
niet onder schot kon krijgen. Hij volgde het beest op zijn vlucht,
gebood zijne volgelingen achter te blijven, omdat hij alleen dit
beest wilde overwinnen, dat op zeer geheimzinnige wijze telkens aan
zijn schot ontkwam. Hij volgde het van rots tot rots, tot hij ten
slotte op den top van den berg gekomen was, waar het beest op eens
onzichtbaar werd, doch waar hij Mahinda in kluizenaarskleeding en
in diep gepeins vond zitten. De elk was een priester, die in deze
gedaante koning Tissa verschalkte en hem naar boven lokte om Mahinda
te ontmoeten en toen plotseling weder in een priester veranderde.
Mahinda vertelde Tissa wie hij was en sprak tot hem over het
Boeddhisme. Dit wekte de belangstelling van den koning, die weldra
zijn geweer van zich wierp en zich aan de voeten van Mahinda
nedervleide. Toen hij wat lang wegbleef, kwamen zijne volgelingen
hem zoeken en waren niet weinig verbaasd hun jachtlievenden vorst op
die wijze aan de voeten van een kluizenaar te vinden. Zij luisterden
nu ook naar hetgeen Mahinda te vertellen had en velen van hen lieten
zich daar met hunnen vorst tot het Boeddhisme bekeeren.
Dat deze berg nu tal van historische herinneringen bevat en voor hen,
die een indruk van het Boeddhisme willen krijgen, de moeite waard is om
te bestijgen, spreekt van zelf. Men moet bedenken, dat het Boeddhisme
in Britsch-Indië aan het uitsterven is en nergens nog zoo welig tiert
als op Ceylon. De weg naar boven is een gemakkelijke; de 1840 treden
zijn voor een deel in de rotsen uitgehouwen, voor een ander deel door
groote granietblokken gevormd. Bovendien is er op den weg naar boven
telkens zooveel belangrijks te zien, dat dwingt om stil te staan,
dat men boven is aangekomen eer men er aan denkt.
Den geheelen weg naar boven voert weder door een dicht woud, dat in
den loop der eeuwen op deze steenrots gegroeid is. Hier zagen wij
op onzen weg apen, die in rechtopstaande houding met het grootste
gemak op mij neerzien en die niet de minste vrees toonden voor hunne
menschelijke nazaten. En de boomen zaten vol van de soort, die wij
in Artis en in de meeste dierentuinen aantreffen. Het was aardig,
die beesten nu eens in hun natuurstaat te bespieden, wanneer wij ons
een oogenblik op een rotsblok nederzetten om wat te rusten.
Boven gekomen hadden wij een prachtig uitzicht over een uitgestrekt
landschap, dat één groot bosch geleek. Maar ook vonden wij daarboven
nog een geheel gave dagaba (d.i. een heilig huisje in den vorm
van een immens groote bel, hetwelk een of andere heilige reliquie
bevat), waarin de asch van Mahinda bewaard wordt. Er is ook een
groote tempel, die gebouwd is over een haar van de wenkbrauwen
van Boeddha, later in zijn asch gevonden, en tal van andere zulke
belangwekkende oudheden. Alles dateert van eenige eeuwen vóór
Christus en alles van hier is ouder dan de Boeddhistische oudheden,
in Britsch-Indië ontdekt. Tal van priesters- of kluizenaarswoningen
zijn nog in de rotsen te vinden, en wat meer zegt: doen nog als
zoodanig dienst. Eenigen van die priesters wonen daar boven in de
grootste ontbering. Ik was in een paar hunner zoogenaamde woningen,
die niets anders zijn dan een groot hol in de rots, en waarin mij op
dien heeten morgen een koude rilling overviel, toen ik er een oogenblik
vertoefde. Zij slapen daarin op een gevlochten rieten rustbank en
voeden zich met de vruchten uit de bosschen. Hun eenige kleeding is
de groote, geel-katoenen doek, waarin zij gewikkeld zijn. Het water
drinken zij uit een van de vele vijvers, waarin het stilstaande water
in de droge moesson opdroogt en in de natte moesson weder door den
regen wordt aangevuld. Tal van beesten zwemmen er in rond. Die vijvers
zijn daar in den Boeddhistischen tijd aangelegd, om de wilde beesten
van water te voorzien. Die beestjes hebben evenals menschen behoefte
aan water; zij zelf zijn niet in staat vijvers te bouwen en daarom
hielpen de menschen hen in dit werk.
Een van de priesters vond ik met een brandenden koorts op zijn rieten
rustbank in de natkoude spelonk liggen. Ik vertelde hem door middel
van onzen gids--anders verstond hij ons niet--dat hij zich door zijne
broeders naar buiten moest laten brengen, of nog beter zich in het
hospitaal te Anuradhapura laten opnemen, maar glimlachend schudde
hij het hoofd, en zeide tot den gids, dat, wanneer hij sterven moest,
"dan wilde hij sterven in de nabijheid van de geesten van Boeddha en
Mahinda." Dat zal dan wel gebeuren; zijn groote wensch zal wel vervuld
worden. De hooge temperatuur, de lugubere omgeving en de ontbering
zullen hem zeker nog wel eerst eenige revelaties geven en dan zal
hij misschien in Nirvana sterven. Hoe ver moet het verstand van
menschen beneveld zijn, die meenen in zoo'n volslagen nutteloosheid
een godgevallig werk te doen? Deze menschen zijn niemand tot nut;
zij offeren hun leven voor een waan. Het waren bijna allen nog
betrekkelijk jonge mannen, die wij er zagen.
Van hun zachte, niemand en niets kwaad doende natuur getuigt zeker
wel, dat ons daar boven een paar vrij in 't rond vliegende vogeltjes
overal op onzen weg volgden, en dan eens op de punt van onzen voet
zich neerzetten of tegen onze rokken opliepen en met hunne opgeheven
kopjes duidelijk "mother, mother" zeiden en iets, dat wij niet konden
verstaan, doch dat de gids verklaarde sanskriet te zijn en beteekende,
dat wij ze eenig voedsel moesten geven. Het waren vogeltjes, door de
priesters in natuurstaat opgevoed, wien zij allerlei dingen leerden
zeggen. Zij noemden ze Myna-birds.
Het is gemakkelijk te begrijpen, dat jaarlijks groote bedevaartgangen
naar deze plek gehouden worden. Elk jaar, met opkomende maan, in Juni
en Juli, komen er duizenden pelgrims uit Britsch-Indië, Burma en over
geheel Ceylon, om hier hun opwachting te maken aan al dat heiligs, dat
er te zien is. Zij slapen dan in de open lucht en leven van hetgeen
de natuur hun aanbiedt of van hetgeen zij meebrengen. Cocosnooten
en bananen zijn er in overvloed en daar kunnen zij best eenige dagen
op teren.
De Boeddhisten maken het de Engelsche regeering niet gemakkelijk
haar archaeologische onderzoekingen voort te zetten. Zij bespieden de
uitgravingen met argusoogen en laten niet toe, dat er ook maar iets aan
de heiligdommen beschadigd wordt. Zelfs hebben zij het vorige jaar een
verzoekschrift door 5000 Boeddhisten onderteekend, naar de regeering
in Engeland gezonden, om te voorkomen, dat er nog meer bosschen worden
omgehakt en in vruchtbare rijstvelden herschapen. Zij beweren, dat
al die grond, met alles wat er op groeit, door opeenvolgende vorsten
aan Boeddha vermaakt is en dat geen menschelijk wezen recht heeft,
zich daarvan iets toe te eigenen. Ook hebben zij tot dusver nog
verhinderd de een of andere dagaba te openen om te zien wat er zich
binnen, in bevindt. Dat is in hun oog groote heiligschennis. Uit de
oude archieven, die over geheel Ceylon reeds vele eeuwen vóór Christus
met groote duidelijkheid geschreven en bewaard zijn gebleven, moet men
de identiteit van de meeste der oudheden vaststellen. De opgravingen
zijn eigenlijk nog slechts pas begonnen; wie weet wat zij nog aan den
dag zullen brengen, vooral als de regeering op de een of andere wijze
de Boeddhisten tevreden kan stellen, hunne gevoelens niet kwetst en
toch met krachtige hand de onderzoekingen voortzet.
Voor mijne lezeressen wil ik hieraan nog toevoegen, dat Mahinda eene
zuster had, die ook Boeddhiste was, en dat hij die zuster, toen zijn
proselietenmakerij zoo succesvol was, liet overkomen om de vrouw van
koning Tissa en hare hofdames te bekeeren. Zij kwam en bracht een
tak van den bo-boom mede, waaronder Boeddha zeven dagen in heilig
afwachten gezeten had; zij plantte dien tak hier, deze schoot weldra
wortel en is nu de heilige bo-boom van Anuradhapura. Mahinda's zuster
was even succesvol als haar broeder; de koningin en alle dames uit
haar gevolg lieten zich bekeeren en uit deze vormde zij een soort
nonnen, die wel op andere wijze dan de priesters of monniken, maar
toch ook haar geheele leven aan den dienst van het Boeddhisme wijden,
zonder iets anders te doen. De Boeddhistische zusterschap vormt geen
nonnen, die, evenals de Katholieke nonnen, zich op de een of andere
wijze nuttig trachten te maken voor de menschheid; zij zijn totaal
nuttelooze wezens, die haar leven wijden aan den dienst van Boeddha.
Toen wij tegen één uur weder in het hotel aangeland waren, hadden wij
nog juist tijd om haastig wat te eten, ons boeltje weder te pakken,
om nog met den trein van twee uur weder naar Colombo te vertrekken.
Wij vonden dezen keer opname in het Galle Face Hotel, wat weldra
bleek een "betrekkelijk" voorrecht te zijn. Vooreerst is dit hotel
tamelijk ver buiten de stad gelegen, zoodat wij minstens een kwartier
noodig hebben alvorens wij de stad bereiken en dan is het hoog
fashionable. Bijna den geheelen dag is er muziek en niet alleen de
gasten van het hotel genieten er van, maar ook de heeren en dames van
Colombo's high life komen hier tea'en, dineeren, dansen en hunne mooie
toiletten ten toon spreiden. Achterna bezien was het eenvoudig hotel
Bristol, dat toch in zijn soort heel goed was, voor ons veel beter
gelegen en doelmatiger geweest. Toen wij 's avonds in het Galle Face
Hotel aankwamen, was een van de vele bals, die hier gegeven worden, in
vollen gang. Ik verkeerde door de hitte zoo ongeveer in smeltvorm, maar
dat nam niet weg, dat tal van jonge paren--en ook eenige oude--het niet
te warm vonden, om in walspas rond te draaien en aan elkanders warmen
boezem te rusten. Het was geen frisch schouwspel, dat bal aan te zien.
Ik zou over Ceylon nog wel eenige brieven kunnen vullen, als ik
maar tijd had ze neer te pennen. Het land is rijk aan natuurschoon,
belangrijk voor den ethnoloog door de verschillende volksstammen,
waarvan vele vrijwel nog in natuurstaat verkeeren, en voor
den archaeoloog om van te watertanden. De uitgravingen zijn op
verschillende plaatsen op Ceylon in vollen gang en leveren overal
prachtige resultaten. Voor allen, die naar Indië gaan of van daar
huiswaarts keeren, is het zeer loonend een tweeweeksch oponthoud in
Colombo te maken en dan die dagen in Kandy door te brengen.