III.

Nuwara Eliya is een plaats, die met St. Moritz in de Engadine in

zomertijd kan vergeleken worden. Men leeft er in de zuiverste en

prikkelendste atmosfeer, die men zich wenschen kan en de temperatuur

komt zoowat met de zomertemperatuur in ons land overeen. Het is nog

een paar honderd meter hooger gelegen dan St. Moritz. Met elk jaar

neemt de toevloed van Engelsche bezoekers, die hier de wintermaanden

doorbrengen, toe. Er zijn tal van goede, groote hotels, pensions en

gemeubelde villa's. Het onderscheidt zich echter van St. Moritz door

de weelderiger plantengroei.

Wij waren er heen gegaan, omdat de reis er heen zoo mooi is en omdat

wij daardoor een goed beeld kregen van de uitgestrektheid van de

theeplantages in Ceylon en toch ook even een kijkje wilden nemen

in de plaats, die weldra in Europa de meest bekende van dit eiland

zal zijn. Er zijn van daar vele mooie bergtoeren en rijtoeren te

maken. De meest gerenommeerde, die leidt naar den voet van den berg

Hakgalla en naar den Koninkl. Botanischen tuin--want ook hier is een

gouvernementstuin--maakten wij. In dezen tuin worden de boomen en

planten gekweekt, die een koeler klimaat behoeven, waaronder vele

Europeesche planten. Maar al zag ik er varens zooals ook bij ons

voorkomen, diezelfde varens waren hier tienmaal grooter en ik zag

er zelfs een, die als boom fungeert. Ook de rhododendron, die hier

in zeer groote hoeveelheid in het wild groeit, is een boom, en zelfs

zag ik de margharites groeien aan een boom.

Van verschillende punten hadden wij een mooi gezicht op hooge

bergtoppen en ook op mooie valleien. Betrekkelijk dichtbij is de plek,

waar het kamp was, waarin de Engelschen de Afrikaansche Boeren gevangen

hielden. Eén van deze Boeren leeft nog hier; 't is degene, die niet

dien eed van trouw aan Engeland heeft willen zweren. Hij schijnt nu

in Kandy een hofstede te hebben en daar te wonen. Als ik tijd heb,

zal ik trachten hem een bezoek te brengen.

Den volgenden dag gingen wij naar Kandy terug. Daar trachtten wij uit

te vinden, wat er voor het onderwijs der jeugd wordt gedaan. Het was

echter Zaterdag, vele scholen waren gesloten of gaven geen geregeld

onderwijs. Onze inlichtingen waren dus zeer onvolledig. Het meeste

onderricht wordt hier overal op Ceylon nog op zendelingsscholen

gegeven, die door de regeering gesubsidieerd worden, maar alle tot

hoofddoel hebben van de Boeddhistische en Hindoesche kindertjes

Katholieke of Protestantsche Sinhaleezen of Tamils te maken.

"Dat is ons hoofddoel", zeide mij een juffrouw, aan het hoofd van

een meisjesschool staande; "daarvoor zijn wij hier, maar dat neemt

niet weg, dat toch het gouvernement toezicht op het onderwijs houdt,

zoodat 't ook goed is".

Tot voor betrekkelijk korten tijd werd het onderricht der meisjes

hier nog geheel verwaarloosd. Er waren in 1901 nog slechts 6% der

meisjes, die lezen en schrijven konden. Door de zendelingsscholen is

hierin groote verbetering gebracht. De dochters van alle hoofden op

Ceylon ontvangen nu onderwijs; wij waren in de school, waar zij allen

vereenigd zijn en reeds van haar 4e jaar af worden opgenomen. Ongeveer

60 van die meisjes waren er intern. Een paar ouderen onder haar waren

met drie Engelsche juffrouwen als onderwijzeressen aangesteld.

De leeftijd, waarop de meisjes over geheel Ceylon trouwen, is een veel

hoogere dan die in Syrië en Egypte. Vóór haar 16e jaar trouwt er bijna

geen enkele en in de laatste jaren is die leeftijd nog stijgende. Dat

komt door de hoogere ontwikkeling. De beter onderwezen jonge mannen,

waarvan er vele naar Engeland gaan om hunne opvoeding te voltooien,

willen goed ontwikkelde vrouwen tot hunne echtgenoote en van deze is

de opvoeding dikwijls niet vóór het 18e of 20e jaar voltooid.

Toen ik 's middags in het hotel informeerde of in Kandy een

Zuid-Afrikaansche boer woonde, wist mij elkeen direct te zeggen, dat

de prison-boer, zoo wordt hij hier genoemd, even buiten Kandy een

farm heeft, dat hij getrouwd is en een dochtertje bezit. Zijn farm

schijnt echter niet genoeg op te leveren, daarom werkt hij in Colombo,

doch komt dikwijls in Kandy om naar zijn farm om te zien. Het was

Zaterdagmiddag en waarschijnlijk zou ik hem wel tehuis vinden. Ik nam

een rickshaw en liet mij er brengen. Het was langs een zeer mooien

landweg, die naar de woning van James Gibson leidde en zijne kleine

hoeve was ook zeer schilderachtig gelegen. De prison-boer was echter

niet daar, een vriendelijke oude man met een dochter namen de taak van

huisbewaarders waar. Toen deze oude man vernam, dat ik een Hollandsche

was, vertelde hij, dat ook hij een "burgher" was. Zijn vader was in

het begin der vorige eeuw hier gekomen. Hij heette echter Cooley, maar

zijn naam was verbasterd, zijn vader's naam was Kohle geweest. Het

kwam mij voor, dat de vader eerder een Duitscher dan een Hollander

kon geweest zijn, maar ik hield die gedachte voor mij, omdat de man

er blijkbaar op gesteld was een "burgher" te zijn. Ik moest een kopje

thee blijven drinken en met een mooie bouquet rozen uit den tuin keerde

ik huiswaarts. Op mijn terugweg passeerde ik een huisje, waar twee

oudjes knusjes in de veranda zaten te keuvelen. Met groote letters

stond op de deur van het hek "Pieter de Vos", "Weltevreden". Dat

moeten een paar Hollanders zijn, dacht ik, liet mijn rickshaw halt

houden en ik stapte het hek binnen. De oude heer kwam mij tegemoet,

doch toen ik hem in 't Hollandsch begon aan te spreken, bleek het, dat

de goede man mij niet verstond. Ik begon dus in het Engelsch te vragen

of ik hier niet een Hollandsche familie ontmoette en direct kreeg

ik een bevestigend antwoord, maar zij waren "burghers" en hadden het

Hollandsch verleerd. Ik moest echter mede naar zijne vrouw en vernam

weldra, dat ik hier met een oud-Hollandsche familie te doen had, die er

een stamboek op nahielden en trots op hun afkomst waren. In 1642 waren

de gebroeders Pieter en Olivier de Vos uit Brugge op Ceylon gekomen,

en hadden er zich metterwoon gevestigd. Zij hadden hunne vrouwen ook

uit Brugge laten overkomen en deze twee families hebben in den loop

der jaren een groote nakomelingschap gekweekt. De jongeren uit die

families spreken allen Hollandsch en zijn mede-oprichters van den

bond van burghers, die niet lang geleden op Ceylon gevormd is. Het

was jammer, dat de zoon en dochters van dit echtpaar niet thuis waren

en ik geen tijd had op hun thuiskomst te wachten; ik had gaarne van

hen wat meer over de burghers van Ceylon vernomen, dan hetgeen de

oudjes mij er van vertellen konden. Volgens hen verkeeren de burghers

over het algemeen niet in financieel schitterende omstandigheden,

hoogstens behooren zij tot de min of meer gegoede middenklasse.

Zondagmorgen was het weder vroeg opstaan, want wij wilden Ceylon

niet verlaten, zonder ten minste één van de "begraven steden" te

hebben gezien. Wij gingen naar Anuradhapura. Het was wel zeven uur

sporen noordwaarts van het eiland, maar wij hadden het er voor over

en het bracht ons ook door een geheel ander deel van het land. Deze

tocht heeft ons niet berouwd. Om twee uur kwamen wij ter bestemder

plaatse. Hoe geheel anders was het hier dan wij op Ceylon tot dusverre

gezien hadden. De plek waar nu weder Anuradhapura is herrezen,

was 30 jaar geleden nog een dicht woud, waarin de wilde olifanten,

tijgers, luipaarden, apen etc. de lakens uitdeelden en waar geen

mensch woonde. Het was een dicht woud, waaronder de oude stad begraven

lag. Er zijn nu vele boomen omgehakt, rijstvelden aangelegd, huizen

gebouwd en er ligt een garnizoen militairen. Het hotel, een zeer

primitief houten gebouw, bestaat nog maar twee jaar. Het kan een

beperkt aantal gasten herbergen. Het staat midden in een woud van

mooie, hooge boomen, waarin tal van aapjes zich amuseeren, die nu en

dan in groote getale naar beneden komen en na een rondedans of ander

spelletje gespeeld te hebben, gauw weder naar boven klimmen. Maar dat

is natuurlijk niet het eenige aantrekkelijke geweest om deze reis te

ondernemen, het zijn de opgravingen, of liever uitgravingen, die hier

door het Engelsche gouvernement ondernomen worden en de resultaten,

die zij opleveren. Hier zijn Boeddhistische tempels ontdekt, die

de oudste en grootste van de wereld zijn en die nog duidelijk de

inscripties vertoonen, waaruit men hun oorsprong en bestemming kan

nagaan. Enkelen er van vertoonen nog zulk mooi steenhouwwerk, alsof

't pas kort geleden gemaakt was. De oudste van de thans gevonden

tempels is door Koning Tissa gewijd aan den eersten apostel van het

Boeddhisme op Ceylon, aan den Indischen koningszoon Mahinda en dateert

van 311 vóór Christus. De grootste van de opgegraven tempels heeft

zoo'n enormen omvang, dat uitgerekend is, dat uit de bouwsteenen

een stad van 20.000 zielen kan worden opgebouwd. Hij is veel hooger

en grooter dan de St. Paulskerk in Londen. De mooiste heeft mooi

beeldhouwwerk, rust op honderden groote olifanten, die allen ivoren

tanden moeten gehad hebben, waarvan echter bijna geen een gevonden

is. Er zijn aan al deze gebouwen, want het zijn niet alleen tempels,

zoovele en interessante legenden verbonden, dat het een genot is ze

te zien onder den indruk der pas gelezen verhaaltjes.

Tal van tanks, watertanks, zijn ook ontdekt, die van nog ouder datum

zijn dan de tempels, waarin de krokodillen nu lustig rondzwemmen en

zich aan den vroeg opstaanden in vollen omvang vertoonen.

Zulke vroege opstaanders waren wij, want wij wilden vóór de zon te

heet zou branden in Mihintale aankomen en de 1840 treden opgeklommen

zijn. De weg naar Mihintale is anderhalf uur rijden en voert over een

zeer goeden weg dwars door een dicht bosch, waarin ratelslangen in

ontelbare menigte voorkomen, waar beeren, tijgers en wilde olifanten

vrij rondloopen en waar wij nog meer van zulk soort beestjes hadden

kunnen ontmoeten. Elke inlander, die wij op onzen weg ontmoetten,

was met een geweer gewapend om zich te verdedigen tegen mogelijke

overvallen. Zelfs de vredelievende en niet doodende Boeddhist en

de Hindoe gaan toch niet ongewapend door het bosch. Wij ontmoetten

echter niets van dat alles, wij hadden zoo graag een avontuurtje gehad,

alleen zagen wij prachtig mooie wilde hanen en hennen--het deed mijn

hart goed te zien, dat ieder mooi haantje wandelde met één hennetje

en toonde in natuurstaat monogaam te zijn,--wij zagen een soort groote

bunsings, of hoe die beesten in het Hollandsch mogen heeten en midden

op den weg stond een mooi gestreepte jakhals, die toen de koetsier

't rijtuig liet stilstaan, kalm bleef staan om ons op te nemen. Vogels

zagen wij er in menigte, kleine, waarvan het lichaampje niet grooter

dan de top van een pink is, mooie bonte en ook zeer groote.

Precies half negen stonden wij aan den voet van den berg, waaraan voor

de Boeddhisten zoovele historische herinneringen verbonden zijn. Op

dezen berg ontmoette koning Tissa voor het eerst Mahinda, de Indische

koningszoon en Boeddhistischen priester, die hem tot het Boeddhisme

bekeerde. De legende luidt, dat koning Tissa met groot gevolg op de

jacht was en een elk ontmoette van buitengewone schoonheid, die hij

niet onder schot kon krijgen. Hij volgde het beest op zijn vlucht,

gebood zijne volgelingen achter te blijven, omdat hij alleen dit

beest wilde overwinnen, dat op zeer geheimzinnige wijze telkens aan

zijn schot ontkwam. Hij volgde het van rots tot rots, tot hij ten

slotte op den top van den berg gekomen was, waar het beest op eens

onzichtbaar werd, doch waar hij Mahinda in kluizenaarskleeding en

in diep gepeins vond zitten. De elk was een priester, die in deze

gedaante koning Tissa verschalkte en hem naar boven lokte om Mahinda

te ontmoeten en toen plotseling weder in een priester veranderde.

Mahinda vertelde Tissa wie hij was en sprak tot hem over het

Boeddhisme. Dit wekte de belangstelling van den koning, die weldra

zijn geweer van zich wierp en zich aan de voeten van Mahinda

nedervleide. Toen hij wat lang wegbleef, kwamen zijne volgelingen

hem zoeken en waren niet weinig verbaasd hun jachtlievenden vorst op

die wijze aan de voeten van een kluizenaar te vinden. Zij luisterden

nu ook naar hetgeen Mahinda te vertellen had en velen van hen lieten

zich daar met hunnen vorst tot het Boeddhisme bekeeren.

Dat deze berg nu tal van historische herinneringen bevat en voor hen,

die een indruk van het Boeddhisme willen krijgen, de moeite waard is om

te bestijgen, spreekt van zelf. Men moet bedenken, dat het Boeddhisme

in Britsch-Indië aan het uitsterven is en nergens nog zoo welig tiert

als op Ceylon. De weg naar boven is een gemakkelijke; de 1840 treden

zijn voor een deel in de rotsen uitgehouwen, voor een ander deel door

groote granietblokken gevormd. Bovendien is er op den weg naar boven

telkens zooveel belangrijks te zien, dat dwingt om stil te staan,

dat men boven is aangekomen eer men er aan denkt.

Den geheelen weg naar boven voert weder door een dicht woud, dat in

den loop der eeuwen op deze steenrots gegroeid is. Hier zagen wij

op onzen weg apen, die in rechtopstaande houding met het grootste

gemak op mij neerzien en die niet de minste vrees toonden voor hunne

menschelijke nazaten. En de boomen zaten vol van de soort, die wij

in Artis en in de meeste dierentuinen aantreffen. Het was aardig,

die beesten nu eens in hun natuurstaat te bespieden, wanneer wij ons

een oogenblik op een rotsblok nederzetten om wat te rusten.

Boven gekomen hadden wij een prachtig uitzicht over een uitgestrekt

landschap, dat één groot bosch geleek. Maar ook vonden wij daarboven

nog een geheel gave dagaba (d.i. een heilig huisje in den vorm

van een immens groote bel, hetwelk een of andere heilige reliquie

bevat), waarin de asch van Mahinda bewaard wordt. Er is ook een

groote tempel, die gebouwd is over een haar van de wenkbrauwen

van Boeddha, later in zijn asch gevonden, en tal van andere zulke

belangwekkende oudheden. Alles dateert van eenige eeuwen vóór

Christus en alles van hier is ouder dan de Boeddhistische oudheden,

in Britsch-Indië ontdekt. Tal van priesters- of kluizenaarswoningen

zijn nog in de rotsen te vinden, en wat meer zegt: doen nog als

zoodanig dienst. Eenigen van die priesters wonen daar boven in de

grootste ontbering. Ik was in een paar hunner zoogenaamde woningen,

die niets anders zijn dan een groot hol in de rots, en waarin mij op

dien heeten morgen een koude rilling overviel, toen ik er een oogenblik

vertoefde. Zij slapen daarin op een gevlochten rieten rustbank en

voeden zich met de vruchten uit de bosschen. Hun eenige kleeding is

de groote, geel-katoenen doek, waarin zij gewikkeld zijn. Het water

drinken zij uit een van de vele vijvers, waarin het stilstaande water

in de droge moesson opdroogt en in de natte moesson weder door den

regen wordt aangevuld. Tal van beesten zwemmen er in rond. Die vijvers

zijn daar in den Boeddhistischen tijd aangelegd, om de wilde beesten

van water te voorzien. Die beestjes hebben evenals menschen behoefte

aan water; zij zelf zijn niet in staat vijvers te bouwen en daarom

hielpen de menschen hen in dit werk.

Een van de priesters vond ik met een brandenden koorts op zijn rieten

rustbank in de natkoude spelonk liggen. Ik vertelde hem door middel

van onzen gids--anders verstond hij ons niet--dat hij zich door zijne

broeders naar buiten moest laten brengen, of nog beter zich in het

hospitaal te Anuradhapura laten opnemen, maar glimlachend schudde

hij het hoofd, en zeide tot den gids, dat, wanneer hij sterven moest,

"dan wilde hij sterven in de nabijheid van de geesten van Boeddha en

Mahinda." Dat zal dan wel gebeuren; zijn groote wensch zal wel vervuld

worden. De hooge temperatuur, de lugubere omgeving en de ontbering

zullen hem zeker nog wel eerst eenige revelaties geven en dan zal

hij misschien in Nirvana sterven. Hoe ver moet het verstand van

menschen beneveld zijn, die meenen in zoo'n volslagen nutteloosheid

een godgevallig werk te doen? Deze menschen zijn niemand tot nut;

zij offeren hun leven voor een waan. Het waren bijna allen nog

betrekkelijk jonge mannen, die wij er zagen.

Van hun zachte, niemand en niets kwaad doende natuur getuigt zeker

wel, dat ons daar boven een paar vrij in 't rond vliegende vogeltjes

overal op onzen weg volgden, en dan eens op de punt van onzen voet

zich neerzetten of tegen onze rokken opliepen en met hunne opgeheven

kopjes duidelijk "mother, mother" zeiden en iets, dat wij niet konden

verstaan, doch dat de gids verklaarde sanskriet te zijn en beteekende,

dat wij ze eenig voedsel moesten geven. Het waren vogeltjes, door de

priesters in natuurstaat opgevoed, wien zij allerlei dingen leerden

zeggen. Zij noemden ze Myna-birds.

Het is gemakkelijk te begrijpen, dat jaarlijks groote bedevaartgangen

naar deze plek gehouden worden. Elk jaar, met opkomende maan, in Juni

en Juli, komen er duizenden pelgrims uit Britsch-Indië, Burma en over

geheel Ceylon, om hier hun opwachting te maken aan al dat heiligs, dat

er te zien is. Zij slapen dan in de open lucht en leven van hetgeen

de natuur hun aanbiedt of van hetgeen zij meebrengen. Cocosnooten

en bananen zijn er in overvloed en daar kunnen zij best eenige dagen

op teren.

De Boeddhisten maken het de Engelsche regeering niet gemakkelijk

haar archaeologische onderzoekingen voort te zetten. Zij bespieden de

uitgravingen met argusoogen en laten niet toe, dat er ook maar iets aan

de heiligdommen beschadigd wordt. Zelfs hebben zij het vorige jaar een

verzoekschrift door 5000 Boeddhisten onderteekend, naar de regeering

in Engeland gezonden, om te voorkomen, dat er nog meer bosschen worden

omgehakt en in vruchtbare rijstvelden herschapen. Zij beweren, dat

al die grond, met alles wat er op groeit, door opeenvolgende vorsten

aan Boeddha vermaakt is en dat geen menschelijk wezen recht heeft,

zich daarvan iets toe te eigenen. Ook hebben zij tot dusver nog

verhinderd de een of andere dagaba te openen om te zien wat er zich

binnen, in bevindt. Dat is in hun oog groote heiligschennis. Uit de

oude archieven, die over geheel Ceylon reeds vele eeuwen vóór Christus

met groote duidelijkheid geschreven en bewaard zijn gebleven, moet men

de identiteit van de meeste der oudheden vaststellen. De opgravingen

zijn eigenlijk nog slechts pas begonnen; wie weet wat zij nog aan den

dag zullen brengen, vooral als de regeering op de een of andere wijze

de Boeddhisten tevreden kan stellen, hunne gevoelens niet kwetst en

toch met krachtige hand de onderzoekingen voortzet.

Voor mijne lezeressen wil ik hieraan nog toevoegen, dat Mahinda eene

zuster had, die ook Boeddhiste was, en dat hij die zuster, toen zijn

proselietenmakerij zoo succesvol was, liet overkomen om de vrouw van

koning Tissa en hare hofdames te bekeeren. Zij kwam en bracht een

tak van den bo-boom mede, waaronder Boeddha zeven dagen in heilig

afwachten gezeten had; zij plantte dien tak hier, deze schoot weldra

wortel en is nu de heilige bo-boom van Anuradhapura. Mahinda's zuster

was even succesvol als haar broeder; de koningin en alle dames uit

haar gevolg lieten zich bekeeren en uit deze vormde zij een soort

nonnen, die wel op andere wijze dan de priesters of monniken, maar

toch ook haar geheele leven aan den dienst van het Boeddhisme wijden,

zonder iets anders te doen. De Boeddhistische zusterschap vormt geen

nonnen, die, evenals de Katholieke nonnen, zich op de een of andere

wijze nuttig trachten te maken voor de menschheid; zij zijn totaal

nuttelooze wezens, die haar leven wijden aan den dienst van Boeddha.

Toen wij tegen één uur weder in het hotel aangeland waren, hadden wij

nog juist tijd om haastig wat te eten, ons boeltje weder te pakken,

om nog met den trein van twee uur weder naar Colombo te vertrekken.

Wij vonden dezen keer opname in het Galle Face Hotel, wat weldra

bleek een "betrekkelijk" voorrecht te zijn. Vooreerst is dit hotel

tamelijk ver buiten de stad gelegen, zoodat wij minstens een kwartier

noodig hebben alvorens wij de stad bereiken en dan is het hoog

fashionable. Bijna den geheelen dag is er muziek en niet alleen de

gasten van het hotel genieten er van, maar ook de heeren en dames van

Colombo's high life komen hier tea'en, dineeren, dansen en hunne mooie

toiletten ten toon spreiden. Achterna bezien was het eenvoudig hotel

Bristol, dat toch in zijn soort heel goed was, voor ons veel beter

gelegen en doelmatiger geweest. Toen wij 's avonds in het Galle Face

Hotel aankwamen, was een van de vele bals, die hier gegeven worden, in

vollen gang. Ik verkeerde door de hitte zoo ongeveer in smeltvorm, maar

dat nam niet weg, dat tal van jonge paren--en ook eenige oude--het niet

te warm vonden, om in walspas rond te draaien en aan elkanders warmen

boezem te rusten. Het was geen frisch schouwspel, dat bal aan te zien.

Ik zou over Ceylon nog wel eenige brieven kunnen vullen, als ik

maar tijd had ze neer te pennen. Het land is rijk aan natuurschoon,

belangrijk voor den ethnoloog door de verschillende volksstammen,

waarvan vele vrijwel nog in natuurstaat verkeeren, en voor

den archaeoloog om van te watertanden. De uitgravingen zijn op

verschillende plaatsen op Ceylon in vollen gang en leveren overal

prachtige resultaten. Voor allen, die naar Indië gaan of van daar

huiswaarts keeren, is het zeer loonend een tweeweeksch oponthoud in

Colombo te maken en dan die dagen in Kandy door te brengen.

Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen · 第 69 / 133 题