Het avondduister was reeds lang ingetreden, toen wij de kustlichten
van Colombo in het gezicht kregen en eer het schip voor anker lag, de
visiteerende dokter aan boord was gekomen en zijn plicht vervuld had,
en eer wij met onze bagage goed en wel geland waren, was het reeds
bijna tien uur. Het was jammer, dat wij het mooie binnenkomen in de
haven van Colombo gemist hebben en ons hebben moeten tevreden stellen
met de verhalen over dat mooie gezicht van uit zee op Colombo, van
onze medepassagiers, die deze reis reeds meermalen gemaakt en Colombo
vroeger hebben gezien. Tot op het laatste oogenblik vonden wij het op
de Prinses Juliana aangenaam; ik hoop later nog wel eens van deze boot
te kunnen gebruik maken, vooral wanneer zij dan nog onder denzelfden
goeden gezagvoerder met zijne plichtgetrouwe en beschaafde bemanning
vaart. En van de passagiers wil ik alleen dit zeggen, dat gisteravond,
toen wij in het hotel en op onze kamer aangeland waren, mrs. Catt tot
mij zeide: "Als men mag aannemen, dat men op een groote boot van zekere
natie een goed overzicht krijgt over zijn volk, dan gaat Nederland
met de eer strijken van het meest beschaafde en ontwikkeldste volk
te zijn onder al degenen die wij op onze reizen ontmoet hebben".
In Colombo aangekomen, wachtte ons de eerste teleurstelling; ik wil
hopen dat er geen tweede op volgt. Het Galle Face Hotel, het meest
gerenommeerde, was overvol; de eetkamer was zelfs tijdelijk voor
slaapkamer ingericht; het daarop volgend Grand Oriental Hotel was in
dezelfde conditie, zoodat wij ons ten slotte moesten tevreden stellen
met een kamer voor twee personen in het Bristol Hotel. Gelukkig is er
alles zindelijk en valt het bij nadere kennismaking zeer mede. Met
eenige van onze medepassagiers van de boot hebben wij 's avonds nog
een tijd lang in de veranda van het hotel zitten praten, totdat zij
weder aan boord en wij naar bed moesten.
Onze kamer, waarvan de deur van boven uit open traliewerk bestaat,
had wel twee groote open vensternissen, doch geen vensters; de lucht
kon van buiten vrij naar binnen treden. Door een grooten electrischen
waaier, veel gelijkenis vertoonende met een paar molenwieken, werd de
lucht in beweging gehouden en eenige koelte in de kamer gebracht. Het
was er aangenaam heet en het eenige laken, dat ons tot dekking in het
vrij goede bed diende, was voor dat doel ruimschoots voldoende. Wij
moesten ons even voor den geest roepen, dat wij hier in Ceylon in den
wintertijd zijn en het in Europa op 't oogenblik overal buitengewoon
koud is. Het is nu het seizoen voor Colombo; hoe moet de temperatuur
hier wel zijn als 't hier zomer is.
Ik zou zeker dien eersten nacht in Colombo een heerlijken slaap hebben
genoten, ware het niet, dat de boomen vóór het hotel rijk bevolkt waren
met kraaien en eksters, die den geheelen nacht hun krijschende stemmen
hebben doen hooren. Onophoudelijk schijnen die beesten onderlinge
twistgesprekken te voeren gehad te hebben, waarbij honderden individuen
het hunne hadden in te brengen. In een ander land zou men aan zoo'n
overbevolking van zulke lieve beestjes een einde maken, maar hier,
met zoovele Hindoe's en Boeddhisten onder de bevolking, zal men dat
wel uit zijn hart laten. De Boeddhist mag geen levend wezen dooden,
allen moeten den natuurlijken dood sterven.
Ware het niet Zondag geweest, dan waren wij vanmorgen met de eerste
gelegenheid naar Kandy, dat veel hooger gelegen en koeler is,
vertrokken; wij moesten nu eerst wachten tot morgenochtend de banken
open zijn om geld te halen en eenige andere zaken af te doen. Deze
Zondag is echter geen verloren dag voor ons geweest. Integendeel,
het was een alleraangenaamste, vol van nieuwe indrukken. Om eerst even
naar het kantoor van Cook te gaan en naar het telegraafbureau, hadden
wij ieder een rickshaw genomen, die hier veel beter zijn dan die wij
in Zuid-Afrika zagen en waarvan de mannen niet zoo bont toegetakeld
zijn als daar. Deze hier zijn ook heel licht en altijd alleen voor één
persoon bestemd. Het lijkt voor vele Europeanen misschien onbarmhartig,
dat men zich in een wagentje nederzet en zich door een medemensch
laat voortbewegen, maar dit gevoel gaat hier weg, als men ziet,
op welk een gemakkelijke wijze deze mannen zich--oogenschijnlijk
althans--van die taak kwijten en hoe gelukkig zij met een vrachtje
zijn. Toen wij hen aan het telegraafkantoor wilden betalen en wij
een rijtuig aanriepen, om een tocht door de stad te maken, smeekten
zij ons zóó hen met die taak te belasten, dat wij daartoe ten slotte
maar besloten. Zij zouden ons nu eerst langs de zee en dan langs
mooie punten, die wij hen hadden opgegeven, naar Mount Lavinia Hotel
brengen, waar wij wilden lunchen en eenige uren vertoeven. Zij moesten
ons daar blijven wachten en later langs een anderen weg terugvoeren.
Niettegenstaande de groote hitte draafden die twee naakte bruine
broeders als paarden, en op onze herhaald tot hen gerichte opmerking,
dat zij zich niet zoo behoefden te haasten, of, of zij misschien
niet eens wilden rusten, gaven zij ons met een lachend ontkennend
hoofdschudden antwoord. Draven doen hier echter niet alleen menschen
en paarden, maar ook ossen. Herhaaldelijk passeerden wij op onzen weg
een soort tentwagentjes, waarin de een of andere Sinhalees met vrouw
en kinderen gezeten was, waarschijnlijk een Zondagstoertje makende,
en die getrokken werden door een klein, vinnig osje, dat met een paard
in het hardloopen kan wedijveren. Zij zijn van het soort, deze ossen
bedoel ik, dat ik ook in Oost-Afrika gezien heb, met een min of meer
groot uitwas in den nek, die men daar buffeltjes noemde. Een zeer
gedistingeerd vervoermiddel schijnt zoo'n ossewagentje niet te zijn,
ik zag er althans alleen Sinhaleezen gebruik van maken.
Over deze menschen heb ik al eens geschreven, toen ik ze voor het
eerst in Zanzibar zag; hier zien wij ze in grooten getale, zoodat hun
verschijning reeds geen bijzonderen indruk meer maakt. En toch moeten
ze voor een Europeaan opmerkenswaardig zijn. Die mannen met hunne
zachte, melancholieke, vrouwelijke gelaatsuitdrukking, hun lange,
zwarte, bijna blauw-zwarte haren, die in golvingen of krullen, over
hun schouders hangen, of in een wrong op het achterhoofd bevestigd en
met een groote schildpad-kam afgewerkt zijn, en die gekleed zijn in
sarong en kabaai, de sarong soms voor een gewonen nauwen damesrok
plaats makende, zijn toch een bijzonder soort menschen. Op hun
gezicht afgaande, stel ik hen veel hooger dan b.v. den Arabier. De
Sinhaleezen hebben over het algemeen verstandige, denkende gezichten
en zij missen geheel dat sensueele in hunne gelaatsuitdrukking,
dat vooral den Arabier zoozeer vertoont.
Was het omdat het Zondag was en er nu door velen niet zooveel
als anders gewerkt werd, dat wij daarom in de volksbuurten zooveel
langharige mannen in gebukte houding voor hunne woningen zagen zitten
en achter hen hurkende vrouwen--wij zullen ten minste veronderstellen,
dat dit hier eene echtelijken liefdedienst gold--die, evenals de
apen, die lange haren trachtten te zuiveren van het wild, dat er
waarschijnlijk in rondhuppelde? Het is ook mogelijk, dat de Zondag
er niets mede te maken heeft.
Maar dit was niet het eenige merkwaardige, dat wij op onzen weg
zagen. Wij zijn hier in den winter, maar aan boom, blad, bloem
en vrucht is dat niet te bespeuren. Alles ziet er uit als in den
hoog-zomer, en wel een, die een bijzonderen rijkdom aan bloemen
en vruchten levert. De kokosnootpalmen, die hier veel mooier en
frisscher lijken dan in Oost-Afrika, de bananen, de broodboomen en de
boomen met jakvruchten (ik weet nog niet wat dat voor vruchten zijn),
vormen hier heele wouden en vooral de Banyanboom--ik geloof, dat die
op Java Waringin heet--, waarvan één exemplaar den geheelen tuin kan
overschaduwen, maakte den weg, waarlangs wij gingen, schaduwrijk en
koel. Een van de Banyanboomen, waarvan de luchtwortels weder stammen
waren geworden van eenige meters in omvang, had zoodoende een omvang
verkregen van meer dan vijf-en-twintig meter.
Verder zagen wij de kaneeltuinen, mijlen ver uitgestrekte velden met
laag boom- en struikgewas, doch elk struikje was een kaneelboompje,
waarvan niet alleen het blad, doch vooral de stam en stengel
sterk naar kaneel ruikt en nog meer smaakt. Wij zagen sagoboomen,
notemuscaatboomen en kruidnagelboomen, alle voor een deel in bloei,
voor een ander deel in vrucht staande. Maar meer nog dan dit alles
verlustigden wij ons in het gezicht van die vele mooie, groote,
bonte vlinders, die zich hier in dit bloemenrijk zoo geheel tehuis
gevoelen. En even gaarne verwijlden onze oogen op de vele naakte
kindertjes, die aan den weg speelden in het gewaad, dat zij bij de
geboorte hadden medegekregen. Velen zijn reeds door de toeristen
bedorven, zij steken bedelend hunne handjes op en prevelen eenige
onverstaanbare woorden. Maar er waren onder hen, die op zoo'n nieuwe
wijze hun bedelend stemmetje deden hooren, die al naast den wagen
voortrennende, 'n aardig kinderliedje zongen en dan plotseling hunne
schalksche oogjes tot mij opheffende, zeiden: "you are my Mamma,
my dear Mamma, give me a cent for a new dress", dat zij er mij
toe brachten mijn principe te verloochenen, om in dat opgeheven,
bruine handje een penningske te stoppen. Het was ook zoo warm en het
was midden op den dag, mijne hersens waren een beetje in gesmolten
boter-toestand, anders had ik zeker de in mijn oog groote fout niet
begaan, om een kind, door het geven van een giftje, tot bedelen aan
te moedigen. Maar die naakte kleine meisjes, met hare mooie snuitjes,
die een nieuwe japon noodig hadden en die mij Mamma noemden, hadden
mijn hart verteederd en..... in zoo'n hitte kan men er toch ook
eigenlijk geen principes op nahouden.
Het was ongeveer één uur, toen wij in het Lavinia-Hotel aankwamen. Onze
bruine mannen hadden de 7 mijlen afstand zonder rusten in geregelden
draf afgedaan en zij waren van oordeel, dat nu de Ladies 'n tiffin
namen, wij hen ook daartoe in de gelegenheid moesten stellen. Zij
voegden er schalks aan toe, dat de lunch in het hotel drie rupees
(een rup. = 80 cts.) kost, maar dat zij wel ergens konden gaan,
waar zij maar 3 sh. (1 sh. = 60 cts.) hadden te betalen. Toen ik hun
vroeg of zij niet een billijker restaurant voor zich konden vinden
en ik ze één rupee gaf voor dat doel, sprongen ze in de lucht van de
pret en toen wij hen om half drie weer lieten voorkomen om ons terug
te voeren, wreven zij over hunne buikjes om ons duidelijk te maken,
dat het zoo lekker had gesmaakt. Zij hadden in dien tijd ook even in
de zee een bad genomen en mijn paardje had zijn lange haren nu koket
in een rol rondom zijn hoofd gelegd, zooals tegenwoordig bij ons zoo
vele jonge meisjes haar kapsel dragen. Vlak van achter had hij er
een blauwe lap tusschen gevoegd, zoodat het precies een meisjeskop was.
Het Lavinia-Hotel is aan de uiterste punt van een rots in zee
gebouwd en daardoor aan drie zijden door de zee omgeven. Vooral om
zijne vischlunchen is het hotel beroemd. Een dozijn verschillende
vischschotels werden ons achter elkaar voorgediend, allen even fijn
en de meeste zelden-voorkomend.
Langs een geheel anderen weg keerden wij huiswaarts en waren tegen
vijf uur in het Bristolhotel terug.
Nadat wij Maandagochtend al onze boodschappen verricht en ons
reisvaardig gemaakt hadden, vertrokken wij naar Kandy. Al spoedig
waren wij twee het roerend eens, dat Ceylon 't hof van Eden moet
geweest zijn. Toen wij de stad uit en meer landwaarts gekomen waren,
zagen wij niet alleen de natuur, zooals die ons in 't Paradijs wordt
geschilderd, maar zagen wij ook de mannen en vrouwen in Adam's en
Eva's costuums van uit den tijd, na het eten van de verboden vrucht. De
groote bladen die hier in menigte te vinden zijn, zijn er als 't ware
voor aangewezen. Sedert wij Rhodesia verlaten hebben, hebben wij
onder de Afrikaansche bevolking niet zoo'n volkomen naaktheid meer
gezien. Wij waren er reeds een beetje aan ontwend, daarom trof het
ons hier op Ceylon te meer. Het is echter in dit klimaat het meest
praktische costuum.
De geheele weg van Colombo naar Kandy is uiterst loonend. Wij
zagen dan eens uitgestrekte rijstvelden met de rijsthalmen in de
verschillende graden van ontwikkeling, dan weder groote bosschen
kokosnootpalmen, bananenpalmen, vijgeboomen en nog zooveel meer. Er
zijn op dien weg alleen twintig verschillende palmboomen te zien. De
kokosnootboom lijkt mij het nuttigst van al deze boomen voor de
inlandsche bevolking. Niet alleen wordt de vrucht op allerlei wijze
gebruikt, maar ook de bladeren doen dienst voor allerlei zaken. Hier
is nog onze ouderwetsche huifkar heel veel in gebruik, de groote,
naar voren en achteren overhangende huif is geheel gemaakt van
de gevlochten bladeren van den kokosnootpalm. Men vlecht er ook
manden van en zij worden op allerlei wijze dienstbaar gemaakt tot
het aanbrengen van schaduw. Wij zagen er geheele tenten van gemaakt,
het tehuis van vele inlanders. En nog op allerlei andere wijzen zagen
wij deze groote bladeren gebruiken. En van de noot wordt de bast,
het vleesch en de melk op honderderlei wijze aangewend. Van kokosnoot
en bananen alleen leven hier vele menschen. En daar deze ook voor
huisvesting en toiletartikelen niet veel hebben uit te geven, heeft
armoede natuurlijk hier al hare verschrikkingen verloren.
Een kort eindje ging de trein langs een oranjeboomhoeve, waarvan
de boomen alle in bloei en in vrucht stonden, die de heerlijke
geur door de open wagonvensters zonden. Toen wij hooger kwamen,
passeerden wij telkens schilderachtige dorpen van inlanders, die
hun heele huishouding buitenshuis voerden. Wij zagen nu ook meer
dan in Colombo de in oranje-geel gekleede en geheel kaal geschoren
Boeddhistische priesters. Hun kleeding bestaat alleen in een grooten
gelen doek, die rondom de lenden gaat en daar in een sierlijken zwaai
over den rechterschouder geslagen is. Verder loopen zij allen met
een bijzonder grooten waaier, die, wanneer hij is opengeslagen, een
zeer groote schelp gelijkt, waarachter de mannen zich geheel kunnen
verschuilen en zich voor de inwerking van de heete zonnestralen kunnen
behoeden. Het Boeddhisme, dat in Engelsch-Indië aan het uitsterven
is, vindt hier nog vele aanhangers, alhoewel de vorm in den loop der
eeuwen reeds veel gewijzigd is. De Boeddhistische priesters mogen
ook hier op Ceylon niet huwen, maar zij behoeven niet in armoede
en gebrek te leven, zooals in Burma. Daar mogen zij 's morgens vóór
twaalf uur niets eten of drinken en moeten zij elken morgen eerst hun
voedsel langs den weg bedelen; hier bezitten de priesters echter veel
grond en gebouwen en behooren zij tot de kapitalisten. Zij bedelen hun
voedsel niet, de offeranden worden in de tempels gebracht, maar of de
priesters dat in plaats van hun eigen goed toebereid eten gebruiken,
wist men ons niet te vertellen.
Van uit den tijd dat Ceylon tot onze koloniale bezittingen behoorde,
is niet heel veel overgebleven. Men heeft hier alleen een zeker soort
menschen, die 'n Hollandschen voorvader hebben gehad en zich daarom
"burghers" noemen en die zich hooger voelen, misschien ook zijn, dan
de inboorlingen. Ook het Ceylonsch geld vertoont eene opmerkelijke
overeenkomst met het onze, als men een rupee, die maar 80 cents
waarde heeft, met onzen gulden vergelijkt. Een halve rupee is precies
gelijk aan ons 50 centsstuk, een kwart rupee met ons kwartje en de
tien-cents,--zij spreken ook van centen en verdeelen hun rupee in
honderd centen,--met ons dubbeltje. Ook de koperen cent is aan de
onze gelijk, alleen 't nikkelen stuiverstukje is hier vierkant met
afgeronde hoeken.
Om half zes kwamen wij heden in Kandy aan, waar de temperatuur veel
frisscher en deze avond, terwijl wij in den tuin onder een ouden
Banyanboom zitten te schrijven, overheerlijk is. Hier in Kandy zijn
verscheidene goede groote hotels, de menschen komen hier om eenige
maanden te blijven.
De prijzen in de hotels, in aanmerking genomen wat men er voor geeft,
zijn hier bespottelijk laag, zij zullen zeker later, als de trek naar
Ceylon voor menschen, die er eenigen tijd blijven, grooter is geworden,
aanmerkelijk stijgen.
Kandy, dat eens de hoofdstad van Ceylon was en ruim 1600 voet hoog
ligt, heeft niet alleen geschiedkundige bekendheid, maar wordt
het schilderachtigste plekje van het geheele Britsche keizerrijk
genoemd. Om dit echter te genieten moet men 's morgens vroeg opstaan,
want in het midden van den dag is het te heet, alleen 's morgens en
in den laten namiddag maakt men hier uitstapjes, en daarom moet ik
voor hedenavond eindigen, anders kan ik morgen vroeg onmogelijk bij
tijds gereed zijn.
Wij zaten hedenochtend reeds om zeven uur in de Victoria, die ons
naar Paradenya, zeven mijlen afstands van Kandy, zou voeren, om daar
de Koninklijke Botanische tuinen in oogenschouw te nemen. Wij waren
de eerste bezoekers; er was nog slechts één jonge man, die tot de
staf van employé's behoort, die zich direct aanbood, om ons tot gids
te dienen. Hij was een Burgher, zijn naam klonk echter niet in het
minst Hollandsch. Met dit ontwikkeld jongmensch als geleider, leerden
wij spoedig vele van de interessante palmen en boomen en heesters
kennen, die wij in de laatste dagen op onzen weg gezien hadden. Wij
hadden o.a. een tot hoog in de lucht zich verheffenden palm gezien,
die van boven een groote pluim van bloesems vertoonde; het bleek nu,
dat dit de Taliputpalm is, die slechts eens in de 100 jaren bloeit
en dan daarna meestal sterft. Zelfs hier in de botanische tuinen,
waar een geheele avenue van deze prachtige palmen bestaat, komt het
hoogst zelden voor, dat er een van gaat bloeien. De roode katoenboom
stond er overal in vollen bloei, de cacaoboom stond voor een deel in
bloei, voor een ander deel vertoonde hij ons zijn roodbruine rijpe
vruchten. Wij zagen er de verschillende soort rubberboomen, waarvan
er zijn, die door hunne op een slang gelijkende, boven den grond zich
vormende wortels, een zeer fantastisch gezicht opleverden. Een bosch
van zich hoog verheffende bamboestammen vertoonde een eigenaardig
beeld, doordat zich van boven aan hunne toppen trossen vertoonden,
die als vruchten geleken. Toen onze geleider echter met een zware
stok tegen de bamboestammen sloeg, vlogen op eens al deze vruchten
hoog in de lucht en bleken het honderden groote vleermuizen te zijn,
die daar aan hunne pooten met de koppen naar beneden hingen, dikwijls
vijf of meer zich aan elkander vastklemmende. Hier worden die beesten
vliegende vossen genoemd; zij zijn veel grooter dan onze vleermuizen.
De papaws, die hier veel fijner en geuriger zijn dan in Zuid-Afrika
en die, geloof ik, in Java papaya's genoemd worden, zagen wij in de
botanische tuinen in elk stadium van ontwikkeling. Men noemt papaw
hier "de arme lui's vrucht", maar ik beschouw hem op 't oogenblik
nog als mijn lievelingsvrucht.
De jakvrucht, die wij in Colombo zoo in grooten getale hadden gezien,
zagen wij ook hier in verschillende ontwikkelingsstadia; men vertelde
ons, dat zij als groente dienst doet bij de rijsttafel.
Maar genoeg over deze prachtige tuinen, die na de Kew-Gardens in
Londen, de prachtigste van de geheele wereld genoemd worden. Ik hoop
later in Batavia gelegenheid te hebben, onze Koninklijke Botanische
tuinen te zien en te kunnen uitmaken of die voor deze in Kandy
moeten onderdoen, of dat wij hier met een beetje Engelsche bluf te
doen hebben.
De rijtoer, die wij in den namiddag deden, werd door de kennis,
die wij in den morgen omtrent de inheemsche boomen, en plantengroei
hadden opgedaan, voor ons een veel interessanter en dikwijls moesten
wij het rijtuig even laten stilstaan en uitstappen, om een in 't wild
groeiende plant, waarvan wij des morgens de bijzonderheden hadden
leeren kennen, nog eens nauwkeurig in oogenschouw te nemen.
Doch wat wij in den namiddag deden en zagen in een volgenden brief.