O, wat vliegen ze voorbij, de dagen in Caïro, ik zou ze zoo graag
willen vasthouden of althans hun vlucht temperen. Als ik er aan denk,
dat ik overmorgen Caïro moet verlaten, om de boot te halen, die mij
naar een ander land brengt, dan stemt mij dat weemoedig. Ik had dat
niet gedacht, toen ik in den aanvang hier kwam; alles maakte toen
zoo'n nuchteren indruk op mij, maar met den dag heb ik de stad en
hare omgeving meer leeren liefhebben, heb ik er al het mooie meer
van leeren waardeeren. Met de geheele stad gaat het als met de
woestijn. Als men die voor het eerst ziet, dan ziet men niets dan
een onmetelijke witte zandvlakte, waarvan het witte glinsterende zand
de oogen pijnlijk aandoet en dan lijkt zij niets als een eenvormige,
levenlooze, eindelooze vlakte te zijn. Maar langzamerhand begint men
de woestijn mooi te vinden, keert men er telkens naar terug en zou
men er dagen in kunnen zitten mijmeren, voelt men zich onwillekeurig
verplaatst en wekt het historische feiten in ons op, uit Egyptische
dagen van voorheen.
Mijn langer verblijf dan ik gewoon ben, in dezelfde stad, heeft mij
ook in aanraking gebracht met meer personen, van wier leven en werken
ik zoo graag meer zou leeren kennen en waarvan enkelen vrienden zijn
geworden, die ik o zoo ongaarne reeds zoo spoedig weder verlaat. Van
die allen en dat alles zou ik zeker tal van brieven kunnen vullen,
maar daarvoor ontbreekt mij de tijd. Toch wil ik van enkele zaken
en over enkele personen hier nog wat zeggen, alvorens ik Caïro voor
goed den rug toekeer. Maar waar te beginnen? Laat mij aanvangen
met te vertellen, hoe hier, even buiten de stad, op ongeveer een
half uur afstand met een automobiel, midden in de woestijn een
nieuwe stad begint te verrijzen, een stad van louter paleizen,
Europeesche paleizen, eenige honderden staan er reeds, met een heel
groot Europeesch hotel in het midden en dat die stad Heliopolis heet
en uit Belgische beurzen wordt bekostigd. Zij ligt in de nabijheid
van de ruïnen van het eens zoo bekende oude Heliopolis, de oudste stad
van Egypte, waar de koningen gekroond werden en waar de geestelijkheid
eene bijzondere vermaardheid bezat.
Maar de nieuwe stad Heliopolis heeft niets met de oude stad gemeen,
die zal niet door oude priesters bewoond en er zullen geen koningen
gekroond worden, alhoewel de Khedive er vlak bij zijn winterpaleis
heeft, maar zij zal door Amerikaansche en Europeesche kapitalisten
bevolkt moeten worden, door menschen met volle beurzen en ziekelijke
lichamen, die hier gedurende de wintermaanden zich willen koesteren
in de felle zon en door de groote droogte van de atmosfeer hopen
verlost te worden van rheumatische aandoeningen. Of er bij de vele en
verschillende gelegenheden in Egypte waarheen de menschen om dezelfde
reden en met hetzelfde succes kunnen vertoeven aan een zoo groote
stad van paleizen behoefte is, of dat het weldra zal blijken, dat
de Belgische maatschappij, die hier met Belgisch geld werkt, groote
financieele verliezen zal lijden, zal de toekomst leeren; dit jaar
wordt door allen, die daarvan moeten leven, ontzaglijk geklaagd, omdat
de vreemdelingen, uit vrees voor den oorlog, dit jaar op zich laten
wachten. De groote hotels in Caïro zijn nog niet ten halve gevuld.
Als men zich hier op een mooien, zonnigen dag een uurtje in den
namiddag op het terras voor het hotel nederzet, en zooals de term
luidt, "Caïro aan zich laat voorbijtrekken", dan ziet men inderdaad
zooveel merkwaardigs, dat men gerust nu en dan thuis kan blijven,
buiten kan gaan zitten, en dan toch een groote hoeveelheid indrukken
te verwerken krijgt. Ik zag deze week op een middag, de gewone
voorbijgangers,--Egyptenaren in hunne lange, mooi-kleurige kleeding,
ezeltjes met hunne menschenvracht, kameelen met suikerriet, graanzakken
of iets anders beladen, kooplieden met Egyptische shawls, Perzische
tapijten, borduurwerk, prentbriefkaarten, gekleurde koralen en vooral
de scarabeeën niet te vergeten, en nog zoovele andere zaken, te veel
om op te noemen, niet medegerekend,--eerst een begrafenis voorbij
trekken met de gebeden-zingende mannen voorop en het lijk gevolgd door
gesluierde vrouwen. Het lijk, in het midden, wordt gedragen door eenige
mannen, die behangen zijn met de attributen of eenige kostbaarheden van
den doode. Zoo'n lijkstoet ziet men hier elk oogenblik van den dag,
vooral van kinderlijkjes. De kindersterfte is hier ontzaglijk groot;
een kinderarts vertelde mij, dat in Egypte de kindersterfte grooter is
dan ergens elders op de wereld. Daar wordt van regeeringswege nog zeer
weinig tegen gedaan, doch van particuliere zijde is men in de laatste
jaren bezig om te trachten hierin verbetering te brengen. Men heeft op
verschillende punten van de stad, in de armenwijken, kinderklinieken
opgericht, waar de moeders met de zieke kindertjes komen; aan één
er van is zelfs een klein hospitaal verbonden, waar de heel ernstige
patiëntjes kunnen worden opgenomen. Een Egyptische moeder is er echter
zeer moeilijk toe te brengen, haar kind in een ziekenhuis achter te
laten; daardoor is dan ook dat hospitaaltje slechts zeer dun bevolkt en
bevat bijna alleen kindertjes, waarvan de moeder dood is, of verlaten
door haar man en familie. Ik zag eenige van deze inrichtingen, die
alle door giften in stand moeten worden gehouden en die, als alle
zuiver philantropische instellingen, tal van gebreken hebben.
Verder zag ik een bruiloftstoet voorbij trekken. Eerst een troep
bont gekleede muzikanten, waarvan de trommelslager het hardst werkte
en het verantwoordelijkste deel voor zijne rekening had. Daarachter
liepen twee mooi versierde kameelen, elk bevracht met minstens een half
dozijn bont toegetakelde kinderen. Dan weder twee even mooie kameelen,
die een sedan-chair, een soort draagstoel, tusschen zich hadden,
waarin het jonge in rose zijde gekleede bruidje met twee familieleden,
waarschijnlijk de beide moeders gezeten waren en daarachter eenige
open rijtuigen, ook bont gesmukt, met familieleden of gasten.
Er was dien middag meer te zien. Plotseling verschenen twee, in wit
satijn, rijk met goud geborduurd, gekleede mannen; uit hun gekleurde
hoofddoek hing achter op den rug een lange staart, ofschoon het geen
Chineezen waren. Zij vlogen voor een rijtuig aan en schreeuwden iets in
't Arabisch, wat beteekent "maak ruimte" of "ga uit den weg".
In het open rijtuig, dat hen op die hielen volgde, zaten twee in
gekleede jas en hoogen hoed gekleede heeren; naast den koetsier op
den bok zat een palfrenier in een steenrood, rijk met goud geborduurd
kostuum. Het rijtuig hield vlak voor het hotel stil, de heeren stapten
uit en brachten een kort bezoek aan een voornaam Engelschman in ons
hotel. Een der heeren, die op die wijze door Caïro's straten reed, was
lord Kitchener. Wel een hemelsbreed verschil bij de eenvoudige wijze,
waarop de Khedive voorbij gaat. Als ik er niet door den portier van 't
hotel opmerkzaam op was gemaakt, dan zou ik in den eenvoudig voorbij
rijdenden man nooit een der grooten op aarde gezocht hebben. Ook
de vrouwen van den Khedive, hij heeft er twee, en de verschillende
prinsessen maken niet zoo'n drukte als zij uitrijden. Ik zag twee
prinsessen in een mooie automobiel. Zij droegen Europeesche kleeding,
een ronde, vilten hoed, waaromheen losjes een witte sluier lag, die
even lichtelijk ook de mond bedekte; dat was de wijze, waarop deze
dames het gesluierd gaan opvatten.
Van een merkwaardig bezoek wil ik nog iets mededeelen. Ik maakte er
verscheidene, maar 't is onmogelijk om van die alle te gewagen. Dit
eene bezoek zal ik echter nooit vergeten. Een Engelsche dame, die in
Britsch-Indië is groot gebracht, zich daar zeer voor den godsdienst der
Hindoe's interesseerde, later naar Perzië trok om een meisjesschool
te stichten, met geen ander doel, dan de Perzische vrouwen te helpen
zich te emancipeeren, later naar Caïro kwam, toen zij haar school
in Perzië in goede handen kon achterlaten, en daar nu een soort
kinderschool heeft, eene vrouw met groote zeggingskracht en vol van
mooie hervormingsideeën, had Mrs. Catt en mij uitgenoodigd een middag
bij haar te komen om eenige heeren, hervormers op theologisch gebied,
te ontmoeten. Wij begrepen niet, waarom wij deze uitnoodiging kregen,
maar deze vrouw hadden wij leeren kennen als iemand, die een hernieuwd
bezoek ten volle waard was en wij begrepen ook, dat wij bij haar
bepaald belangrijke personen zouden ontmoeten.
Toen wij er kwamen, zagen wij er, als de meest opvallende, een klein,
fijn, zwart mannetje, met gitzwarte, zijdeachtige, lange haren, die
hem over de schouders hingen; oogjes, die in schittering concurreerden
met de diamantjes in z'n ooren; gekleed in 'n lang, laat mij zeggen,
kemelsharen kleed en met bloote voeten in sandalen. Hij werd ons
voorgesteld als Shree Shyama Swarma Balyogi, zooals ik later op zijn
naamkaartje zag, als een Hindoe-filosoof. Op zijn naamkaartje stond
zeer bescheiden: "Great Student of Vedant Philosophy". Hij kwam van
Vaso, in de nabijheid van Bombay, Britsch-Indië. Laat mij er direct
aan toevoegen, dat hij op weg is naar Parijs en Londen, alwaar hij
eenige filosophen op theologisch gebied gaat bezoeken. Daarna gaat
hij naar Amerika, om Edison te interesseeren voor een electrisch
apparaat, waarvoor hij de gegevens heeft geput uit de Veda. Als dat
toestel tot stand komt dan zal de geheele medische diagnostiek en
therapie onderst boven worden gekeerd. Wat ik er evenwel dien middag
van vernam maakte op mij meer den indruk een hocus pocus te zijn
dan een ernstige hervorming van hetgeen het beoogt. Dit was echter
slechts een bijzaak. Daarvoor waren die mannen niet bijeengekomen;
zij hadden andere zaken te bespreken.
De tweede en mijns inziens de belangrijkste van de bezoekers was een
Sheik, een trouw Mohammedaan. Hij is echter een hervormer van zijn
godsdienst. Hij wil aan het vele bidden der Mohammedanen, vijf maal
daags en nog al lang, een einde maken en tevens het afzonderen der
vrouwen trachten tegen te gaan. Hij is een man, die in den smaak valt
van den tegenwoordigen Khedive, die zeer liberaal en hervormingsgezind
is, die hem dan ook heeft aangesteld als Universeel prediker en
die hem uit eigen fondsen salarieert. Aly El-Girbi, zooals zijn
naam is en in 't Arabisch op zijn visitekaartje prijkt, heeft geen
vaste moskee waarin hij predikt, hij reist door het geheele land,
predikt in alle moskeeën en trekt overal tal van hoorders. Hij richt
zich vooral tot de vrouwen, vraagt hen vooral onder zijn gehoor te
komen en--naar men mij mededeelde--boeit hij zijne hoorders soms
vijf uur lang achtereen. Hij is bijzonder welbespraakt en poëtisch
en zijne weinige doch veelzeggende handgebaren geven zijne woorden
een bijzondere kracht. Hij zeide tot ons, dat de lage stand van
ontwikkeling der tegenwoordige Egyptenaren verklaard moest worden
uit de slaafsche positie waarin de Egyptische vrouwen verkeeren. Uit
zulke moeders konden geen groote mannen geboren worden. Alsof hij
Perkins Gilman of Olive Schreiner gelezen had!
Verder was er een man uit Perzië, die in Teheran een soort filosofische
school schijnt te hebben, een Turk, die zich met de filosofie
der godsdiensten bemoeit, en twee heeren uit Caïro, die Béhaïsten
zijn. Het geheele onderhoud van deze heeren kwam daarop neer, dat
zij de verschillende godsdienstvormen in overeenstemming trachten te
brengen met de eischen van den tijdgeest; het kwam mij voor, dat zij
het er allen gloeiend over eens waren, dat de opheffing der volkeren
alleen kan tot stand komen door de vrouwen een grooter aandeel te
geven in 't maatschappelijk en later ook staatkundig leven. Van den
Sheik ontvingen Mrs. Catt en ik een bijzonder hartelijken handdruk en
den dank voor 't geen wij trachten te doen voor de vrouwen. Het was
een allermerkwaardigste middag die wij in dat gezelschap doorbrachten.
Hedenochtend was ik getuige van eene ceremonie, zooals hier elk jaar
ongeveer om dezen tijd plaats vindt, 't Was de ceremonie van "het
heilige tapijt". Elk jaar zendt de Egyptische regeering een nieuw
prachtig met goud en zilver geborduurd tapijt naar Mekka; het oude,
dat daar een jaar gebruikt is, wordt dan weder teruggenomen en is dan
door het gebruik in Mekka, heilig geworden. Door 200 à 300 soldaten,
meestal vrijwilligers, wordt het nieuwe kleed gebracht en het oude mede
terug genomen. Het kleed, dat zeer zwaar is, wordt door één kameel
gedragen; het ligt onder een baldakijn, in den vorm van eene moskee,
van rood fluweel met zilver en goud geborduurd. De kameel, die dit
heilig stuk draagt, wordt ook met bijzondere vereering beschouwd en
behandeld. Het beest bezit een koninklijke stal, wordt op bijzondere
wijze gevoed en doet het heele jaar geen werk. Zijn eenig levensdoel is
jaarlijks de kostbare last naar Mekka te dragen en de nog kostbaarder
mede terug te nemen.
Om acht uur vanochtend stonden wij reeds in ons rijtuig, dat een goede
plaats vooraan in de file had gekregen, om alle toebereidselen te zien
voor de ontvangst van het heilige tapijt, dat om tien uur verwacht
werd. Wij stonden vlak vóór het gebouw waar het in ontvangst zou worden
genomen. Evenals in een opera defileerde in goede volgorde telkens
iets anders ons voorbij. Nauwelijks waren wij aangekomen, toen een
regiment artillerie met kleine kanonnen op muilezels geladen, alle
militairen in groot uniform, met hun muziekcorps voorbij trok en op
eenigen afstand zich opstelde. Kort daarna infanteristen, marcheerende
op de marsch uit de opera Carmen, dan cavalleristen, groepen van hen
op prachtige witte schimmels, een andere groep op goudvossen, weer
een andere op kastanjebruine paarden, allen van het echte Syrische
ras. Lange rijen infanteristen achter groene vaandels volgden: dat
waren de militairen die dit jaar of vroegere jaren in Mekka waren
geweest. Al die militairen werden opgesteld op eene groote vlakte,
tegenover het officiëele gebouw, waar het heilige tapijt gebracht
zou worden.
Onderwijl kwamen in automobielen, in open rijtuigen of gesloten
rijtuigen, met of zonder voorrenners, alle officiëele personen uit
Caïro in groot tenue aanrijden en stapten in het bedoelde gebouw
af. Het is de Khedive, die in hoogst eigen persoon dit tapijt in
ontvangst dient te nemen; hij had evenwel dit jaar dezen post aan
zijn jongeren broeder afgestaan. Al die officiëele personen, eenige
honderden in getal, waren in het gebouw, maar ook buiten verzamelde
zich intusschen een onafzienbare massa, die uit nieuwsgierigheid of uit
toewijding naar dit schouwspel gedreven werd. De nieuwsgierigen waren
de duizenden vreemdelingen, die op het oogenblik in Caïro vertoeven;
de Mohammedanen kwamen uit zuivere devotie. Er waren drie groote
afgesloten ruimten, waar de auto's en rijtuigen met hunne inzittenden
een plaats kregen en die allen een even goed en vrij gezicht op het
schouwspel hadden. De eerste was afgezonderd voor de familieleden van
den Khedive, die in groot aantal aanwezig waren. De tweede was voor
de familieleden der officiëele personen, de verschillende consuls en
hooge militairen. De derde ruimte was voor de vreemdelingen.
Klokslag tien uur arriveerde de karavaan. Zoodra zij in het gezicht
kwam werd het heilige kleed met 21 kanonschoten begroet en waar
het voorbij de militairen trok, presenteerden dezen het geweer of
maakten hun militair saluut. De kameel, die de heilige last droeg,
was geheel met goudwerk en roode franjes behangen; het verhief zijn
kop nog hooger dan die beesten gewoon zijn te doen, alsof het zich
van zijne waardigheid bewust was. Het werd gevolgd door zeven andere
met rood fluweel behangen kameelen en op elk zat een eerbiedwaardige
pelgrim, die zachte tonen uit een fluit te voorschijn bracht, om het
heilige beest te amuseeren.
Zeven keer wandelde deze stoet in de ruimte rond, telkens door de
militairen en nu ook door de Sheiks, de Pasja's, de koninklijke
familie en alle officiëele personen, allen nu naar buiten gekomen,
eerbiedig gegroet. Daarna overhandigde de broeder van den Khedive
den eersten begeleider een sleutel en alles verdween in het gebouw,
waar het tapijt voorloopig ondergebracht werd. Weder 21 kanonschoten
om het uitgeleide te doen.
Dit tapijt blijft nu twee maanden aldaar en wordt in dien tijd door
alle geestelijken en fanatieken aangebeden; daarna wordt 't in vele
stukken gesneden, die verschillende moskeeën ten deel vallen om op de
daarin aanwezige heilige graftomben gelegd te worden. Men verteld, dat
dit grapje het land elk jaar twaalf millioen gulden zou kosten! Vóór
ik alles had gezien kon ik dat niet gelooven; nu ben ik er zeker van,
dat die som niet overdreven is. Wat zou dat geld hier in het land
nuttiger besteed kunnen worden, indien het b.v. voor oprichting en
in-stand-houding van goede scholen werd gebruikt.
Het was vandaag prachtig weder, de zon scheen reeds vroeg; toen ik dit
in het rijtuig staande opmerkte, zeide onmiddellijk een Mohammedaansche
koetsier: "Maar natuurlijk, mevrouw; dat is altijd zoo; wanneer het
heilige tapijt in Caïro komt, laat God de zon schijnen!" Ik dacht
aan onze Oranjezon, die zich echter wel eens een enkele keer achter
een wolk verschuilt.
Nu alles is afgeloopen, weet ik niet, wat diepere impressie op mij
maakte, het gezicht van die mooie, vroolijke, veelkleurige vertooning,
of de groote orde die er onder die tienduizenden heerschte en het kalme
en vriendelijke optreden van de politie. Behalve de kanonschoten en
de militaire muziek, werd geen enkele luide toon gehoord; de bevelen
van de politie gingen meer door een vriendelijk handgebaar dan door
verheffing van stem. Na afloop vertrok geen rijtuig van zijn plaats
vóórdat de politie het sein gegeven had en allen bleven achter
elkaar rijden.
P.S. Van bevriende zijde worden mij twee uitknipsels uit "De Telegraaf"
toegezonden, op welks inhoud ik hier even wil terugkomen.
Het eerste is onderteekend door twee artsen uit Transvaal en
heeft de strekking te doen uitkomen, dat mijne opvatting over de
behandeling der inboorlingen in Zuid-Afrika niet de juiste is. De
inhoud van dat ingezonden artikel verwondert mij niet; ik zal in vele
Zuid-Afrikaansche bladen over mijne geuite meening in dezen wel meer
en sterker gecritiseerd worden. Uit gesprekken, die ik daarover in
Zuid-Afrika met vele Afrikaners en Britten hield, is het mij heel
goed bekend, dat de groote meerderheid der bevolking mijne gevoelens
in dezen niet deelt. Hoe kan het ook anders. Sympathiseerde de
meerderheid der bevolking in dezen met mij, dan zou de behandeling
der kleurlingen eene andere zijn en dan had ik daarover anders
geschreven. Betreffende dit eene punt, minachting voor den kleurling,
hem te beschouwen louter als goedkoope arbeidskracht, harmonieeren
Britten en Afrikaners meesterlijk. Dat niet de heele bevolking van
Zuid-Afrika zoo verkeerd denkt over den Kaffer en deze kleurlingen
warme vrienden bezitten in enkele toonaangevende kringen, daarvan ben
ik ook zeker. Vooral in de Kaapkolonie vond ik voor mijne meening
vele gelijkdenkenden en toen ik Olive Schreiner een bezoek bracht,
ontdekte ik, dat ook zij in dezen mijne geestverwante is.
De oplossing van het kleurlingen-vraagstuk zal in Zuid-Afrika eene zeer
moeilijke zijn, maar wil men eene rechtvaardige en wijze oplossing
verkrijgen, dan moet men beginnen deze menschen met andere oogen
te beschouwen, hun karakters te bestudeeren in de kraals, ik meen:
zoolang zij nog onbesmet zijn door de aanraking met de Europeeërs, en
hen in deze eigen omgeving eerst tot eene hoogere ontwikkeling brengen,
zoodat zij beter bestand zijn tegen de gevolgen van verleiding,
verkeerde behandeling en verkeerde voorbeelden der blanken.
Het tweede stuk is onderteekend door Zionist; deze maakt mij er een
verwijt van, dat ik van het Zionisme in Palestina niet beter op de
hoogte ben. Ik heb dat evenwel in een van mijne brieven erkend, eerst
in Palestina trof mij den omvang van deze beweging. Mijn Baedeker,
de laatste uitgave, zegt zoo goed als niets er van en onze dragoman,
een Protestant, stelde er zeer weinig belang in en wist er niets van
mede te deelen. Dat er geen Hirsch-vereeniging bestaat, maar dat uit
de nalatenschap van Hirsch eene andere vereeniging geformeerd werd,
was mij onbekend. Had ik met beslistheid geschreven, dat die kolonie
boven Tiberias door de I. C. A. tot stand was gebracht, het verwijt
van Zionist zou mij kunnen treffen; ik deed echter die vraag tusschen
haakjes, omdat men mij in Jeruzalem had medegedeeld, dat de Zionisten
nooit financieele voorschotten geven, doch dat, waar het noodig is,
de Hirschvereeniging in dit opzicht helpt. Waren we niet zoo door
Syrië gevlogen, had ik tijd gehad mij overal wat langer op te houden
en nauwkeuriger informatiën te nemen, dan had ik met meer beslistheid
ook over de bedoelde kolonie kunnen schrijven.
Dat de Zionisten een supplement op de Baedeker uitgeven, waarin over
deze zaken uitvoerige inlichtingen worden verstrekt, is zeer goed
gezien; laat mij hen echter in overweging geven, dit boekje in het
Engelsch, in plaats van in het Duitsch te laten drukken, want tot
nu toe bestaan de bezoekers van Palestina voor een overwegend groot
deel uit Amerikanen en Engelschen. Duitsch sprekende toeristen zijn
nog groote uitzonderingen.
Laten mijne lezers niet vergeten, dat ik mij in de verschillende landen
niet lang genoeg ophoud om mij steeds van alle vraagstukken goed op
de hoogte te stellen, dat ik ook van alles alleen mijne indrukken
weergeef, en dat ik niet verwacht, ook niet verwachten kan en wil,
dat elkeen het met mijne opvatting eens is.