IV.

O, wat vliegen ze voorbij, de dagen in Caïro, ik zou ze zoo graag

willen vasthouden of althans hun vlucht temperen. Als ik er aan denk,

dat ik overmorgen Caïro moet verlaten, om de boot te halen, die mij

naar een ander land brengt, dan stemt mij dat weemoedig. Ik had dat

niet gedacht, toen ik in den aanvang hier kwam; alles maakte toen

zoo'n nuchteren indruk op mij, maar met den dag heb ik de stad en

hare omgeving meer leeren liefhebben, heb ik er al het mooie meer

van leeren waardeeren. Met de geheele stad gaat het als met de

woestijn. Als men die voor het eerst ziet, dan ziet men niets dan

een onmetelijke witte zandvlakte, waarvan het witte glinsterende zand

de oogen pijnlijk aandoet en dan lijkt zij niets als een eenvormige,

levenlooze, eindelooze vlakte te zijn. Maar langzamerhand begint men

de woestijn mooi te vinden, keert men er telkens naar terug en zou

men er dagen in kunnen zitten mijmeren, voelt men zich onwillekeurig

verplaatst en wekt het historische feiten in ons op, uit Egyptische

dagen van voorheen.

Mijn langer verblijf dan ik gewoon ben, in dezelfde stad, heeft mij

ook in aanraking gebracht met meer personen, van wier leven en werken

ik zoo graag meer zou leeren kennen en waarvan enkelen vrienden zijn

geworden, die ik o zoo ongaarne reeds zoo spoedig weder verlaat. Van

die allen en dat alles zou ik zeker tal van brieven kunnen vullen,

maar daarvoor ontbreekt mij de tijd. Toch wil ik van enkele zaken

en over enkele personen hier nog wat zeggen, alvorens ik Caïro voor

goed den rug toekeer. Maar waar te beginnen? Laat mij aanvangen

met te vertellen, hoe hier, even buiten de stad, op ongeveer een

half uur afstand met een automobiel, midden in de woestijn een

nieuwe stad begint te verrijzen, een stad van louter paleizen,

Europeesche paleizen, eenige honderden staan er reeds, met een heel

groot Europeesch hotel in het midden en dat die stad Heliopolis heet

en uit Belgische beurzen wordt bekostigd. Zij ligt in de nabijheid

van de ruïnen van het eens zoo bekende oude Heliopolis, de oudste stad

van Egypte, waar de koningen gekroond werden en waar de geestelijkheid

eene bijzondere vermaardheid bezat.

Maar de nieuwe stad Heliopolis heeft niets met de oude stad gemeen,

die zal niet door oude priesters bewoond en er zullen geen koningen

gekroond worden, alhoewel de Khedive er vlak bij zijn winterpaleis

heeft, maar zij zal door Amerikaansche en Europeesche kapitalisten

bevolkt moeten worden, door menschen met volle beurzen en ziekelijke

lichamen, die hier gedurende de wintermaanden zich willen koesteren

in de felle zon en door de groote droogte van de atmosfeer hopen

verlost te worden van rheumatische aandoeningen. Of er bij de vele en

verschillende gelegenheden in Egypte waarheen de menschen om dezelfde

reden en met hetzelfde succes kunnen vertoeven aan een zoo groote

stad van paleizen behoefte is, of dat het weldra zal blijken, dat

de Belgische maatschappij, die hier met Belgisch geld werkt, groote

financieele verliezen zal lijden, zal de toekomst leeren; dit jaar

wordt door allen, die daarvan moeten leven, ontzaglijk geklaagd, omdat

de vreemdelingen, uit vrees voor den oorlog, dit jaar op zich laten

wachten. De groote hotels in Caïro zijn nog niet ten halve gevuld.

Als men zich hier op een mooien, zonnigen dag een uurtje in den

namiddag op het terras voor het hotel nederzet, en zooals de term

luidt, "Caïro aan zich laat voorbijtrekken", dan ziet men inderdaad

zooveel merkwaardigs, dat men gerust nu en dan thuis kan blijven,

buiten kan gaan zitten, en dan toch een groote hoeveelheid indrukken

te verwerken krijgt. Ik zag deze week op een middag, de gewone

voorbijgangers,--Egyptenaren in hunne lange, mooi-kleurige kleeding,

ezeltjes met hunne menschenvracht, kameelen met suikerriet, graanzakken

of iets anders beladen, kooplieden met Egyptische shawls, Perzische

tapijten, borduurwerk, prentbriefkaarten, gekleurde koralen en vooral

de scarabeeën niet te vergeten, en nog zoovele andere zaken, te veel

om op te noemen, niet medegerekend,--eerst een begrafenis voorbij

trekken met de gebeden-zingende mannen voorop en het lijk gevolgd door

gesluierde vrouwen. Het lijk, in het midden, wordt gedragen door eenige

mannen, die behangen zijn met de attributen of eenige kostbaarheden van

den doode. Zoo'n lijkstoet ziet men hier elk oogenblik van den dag,

vooral van kinderlijkjes. De kindersterfte is hier ontzaglijk groot;

een kinderarts vertelde mij, dat in Egypte de kindersterfte grooter is

dan ergens elders op de wereld. Daar wordt van regeeringswege nog zeer

weinig tegen gedaan, doch van particuliere zijde is men in de laatste

jaren bezig om te trachten hierin verbetering te brengen. Men heeft op

verschillende punten van de stad, in de armenwijken, kinderklinieken

opgericht, waar de moeders met de zieke kindertjes komen; aan één

er van is zelfs een klein hospitaal verbonden, waar de heel ernstige

patiëntjes kunnen worden opgenomen. Een Egyptische moeder is er echter

zeer moeilijk toe te brengen, haar kind in een ziekenhuis achter te

laten; daardoor is dan ook dat hospitaaltje slechts zeer dun bevolkt en

bevat bijna alleen kindertjes, waarvan de moeder dood is, of verlaten

door haar man en familie. Ik zag eenige van deze inrichtingen, die

alle door giften in stand moeten worden gehouden en die, als alle

zuiver philantropische instellingen, tal van gebreken hebben.

Verder zag ik een bruiloftstoet voorbij trekken. Eerst een troep

bont gekleede muzikanten, waarvan de trommelslager het hardst werkte

en het verantwoordelijkste deel voor zijne rekening had. Daarachter

liepen twee mooi versierde kameelen, elk bevracht met minstens een half

dozijn bont toegetakelde kinderen. Dan weder twee even mooie kameelen,

die een sedan-chair, een soort draagstoel, tusschen zich hadden,

waarin het jonge in rose zijde gekleede bruidje met twee familieleden,

waarschijnlijk de beide moeders gezeten waren en daarachter eenige

open rijtuigen, ook bont gesmukt, met familieleden of gasten.

Er was dien middag meer te zien. Plotseling verschenen twee, in wit

satijn, rijk met goud geborduurd, gekleede mannen; uit hun gekleurde

hoofddoek hing achter op den rug een lange staart, ofschoon het geen

Chineezen waren. Zij vlogen voor een rijtuig aan en schreeuwden iets in

't Arabisch, wat beteekent "maak ruimte" of "ga uit den weg".

In het open rijtuig, dat hen op die hielen volgde, zaten twee in

gekleede jas en hoogen hoed gekleede heeren; naast den koetsier op

den bok zat een palfrenier in een steenrood, rijk met goud geborduurd

kostuum. Het rijtuig hield vlak voor het hotel stil, de heeren stapten

uit en brachten een kort bezoek aan een voornaam Engelschman in ons

hotel. Een der heeren, die op die wijze door Caïro's straten reed, was

lord Kitchener. Wel een hemelsbreed verschil bij de eenvoudige wijze,

waarop de Khedive voorbij gaat. Als ik er niet door den portier van 't

hotel opmerkzaam op was gemaakt, dan zou ik in den eenvoudig voorbij

rijdenden man nooit een der grooten op aarde gezocht hebben. Ook

de vrouwen van den Khedive, hij heeft er twee, en de verschillende

prinsessen maken niet zoo'n drukte als zij uitrijden. Ik zag twee

prinsessen in een mooie automobiel. Zij droegen Europeesche kleeding,

een ronde, vilten hoed, waaromheen losjes een witte sluier lag, die

even lichtelijk ook de mond bedekte; dat was de wijze, waarop deze

dames het gesluierd gaan opvatten.

Van een merkwaardig bezoek wil ik nog iets mededeelen. Ik maakte er

verscheidene, maar 't is onmogelijk om van die alle te gewagen. Dit

eene bezoek zal ik echter nooit vergeten. Een Engelsche dame, die in

Britsch-Indië is groot gebracht, zich daar zeer voor den godsdienst der

Hindoe's interesseerde, later naar Perzië trok om een meisjesschool

te stichten, met geen ander doel, dan de Perzische vrouwen te helpen

zich te emancipeeren, later naar Caïro kwam, toen zij haar school

in Perzië in goede handen kon achterlaten, en daar nu een soort

kinderschool heeft, eene vrouw met groote zeggingskracht en vol van

mooie hervormingsideeën, had Mrs. Catt en mij uitgenoodigd een middag

bij haar te komen om eenige heeren, hervormers op theologisch gebied,

te ontmoeten. Wij begrepen niet, waarom wij deze uitnoodiging kregen,

maar deze vrouw hadden wij leeren kennen als iemand, die een hernieuwd

bezoek ten volle waard was en wij begrepen ook, dat wij bij haar

bepaald belangrijke personen zouden ontmoeten.

Toen wij er kwamen, zagen wij er, als de meest opvallende, een klein,

fijn, zwart mannetje, met gitzwarte, zijdeachtige, lange haren, die

hem over de schouders hingen; oogjes, die in schittering concurreerden

met de diamantjes in z'n ooren; gekleed in 'n lang, laat mij zeggen,

kemelsharen kleed en met bloote voeten in sandalen. Hij werd ons

voorgesteld als Shree Shyama Swarma Balyogi, zooals ik later op zijn

naamkaartje zag, als een Hindoe-filosoof. Op zijn naamkaartje stond

zeer bescheiden: "Great Student of Vedant Philosophy". Hij kwam van

Vaso, in de nabijheid van Bombay, Britsch-Indië. Laat mij er direct

aan toevoegen, dat hij op weg is naar Parijs en Londen, alwaar hij

eenige filosophen op theologisch gebied gaat bezoeken. Daarna gaat

hij naar Amerika, om Edison te interesseeren voor een electrisch

apparaat, waarvoor hij de gegevens heeft geput uit de Veda. Als dat

toestel tot stand komt dan zal de geheele medische diagnostiek en

therapie onderst boven worden gekeerd. Wat ik er evenwel dien middag

van vernam maakte op mij meer den indruk een hocus pocus te zijn

dan een ernstige hervorming van hetgeen het beoogt. Dit was echter

slechts een bijzaak. Daarvoor waren die mannen niet bijeengekomen;

zij hadden andere zaken te bespreken.

De tweede en mijns inziens de belangrijkste van de bezoekers was een

Sheik, een trouw Mohammedaan. Hij is echter een hervormer van zijn

godsdienst. Hij wil aan het vele bidden der Mohammedanen, vijf maal

daags en nog al lang, een einde maken en tevens het afzonderen der

vrouwen trachten tegen te gaan. Hij is een man, die in den smaak valt

van den tegenwoordigen Khedive, die zeer liberaal en hervormingsgezind

is, die hem dan ook heeft aangesteld als Universeel prediker en

die hem uit eigen fondsen salarieert. Aly El-Girbi, zooals zijn

naam is en in 't Arabisch op zijn visitekaartje prijkt, heeft geen

vaste moskee waarin hij predikt, hij reist door het geheele land,

predikt in alle moskeeën en trekt overal tal van hoorders. Hij richt

zich vooral tot de vrouwen, vraagt hen vooral onder zijn gehoor te

komen en--naar men mij mededeelde--boeit hij zijne hoorders soms

vijf uur lang achtereen. Hij is bijzonder welbespraakt en poëtisch

en zijne weinige doch veelzeggende handgebaren geven zijne woorden

een bijzondere kracht. Hij zeide tot ons, dat de lage stand van

ontwikkeling der tegenwoordige Egyptenaren verklaard moest worden

uit de slaafsche positie waarin de Egyptische vrouwen verkeeren. Uit

zulke moeders konden geen groote mannen geboren worden. Alsof hij

Perkins Gilman of Olive Schreiner gelezen had!

Verder was er een man uit Perzië, die in Teheran een soort filosofische

school schijnt te hebben, een Turk, die zich met de filosofie

der godsdiensten bemoeit, en twee heeren uit Caïro, die Béhaïsten

zijn. Het geheele onderhoud van deze heeren kwam daarop neer, dat

zij de verschillende godsdienstvormen in overeenstemming trachten te

brengen met de eischen van den tijdgeest; het kwam mij voor, dat zij

het er allen gloeiend over eens waren, dat de opheffing der volkeren

alleen kan tot stand komen door de vrouwen een grooter aandeel te

geven in 't maatschappelijk en later ook staatkundig leven. Van den

Sheik ontvingen Mrs. Catt en ik een bijzonder hartelijken handdruk en

den dank voor 't geen wij trachten te doen voor de vrouwen. Het was

een allermerkwaardigste middag die wij in dat gezelschap doorbrachten.

Hedenochtend was ik getuige van eene ceremonie, zooals hier elk jaar

ongeveer om dezen tijd plaats vindt, 't Was de ceremonie van "het

heilige tapijt". Elk jaar zendt de Egyptische regeering een nieuw

prachtig met goud en zilver geborduurd tapijt naar Mekka; het oude,

dat daar een jaar gebruikt is, wordt dan weder teruggenomen en is dan

door het gebruik in Mekka, heilig geworden. Door 200 à 300 soldaten,

meestal vrijwilligers, wordt het nieuwe kleed gebracht en het oude mede

terug genomen. Het kleed, dat zeer zwaar is, wordt door één kameel

gedragen; het ligt onder een baldakijn, in den vorm van eene moskee,

van rood fluweel met zilver en goud geborduurd. De kameel, die dit

heilig stuk draagt, wordt ook met bijzondere vereering beschouwd en

behandeld. Het beest bezit een koninklijke stal, wordt op bijzondere

wijze gevoed en doet het heele jaar geen werk. Zijn eenig levensdoel is

jaarlijks de kostbare last naar Mekka te dragen en de nog kostbaarder

mede terug te nemen.

Om acht uur vanochtend stonden wij reeds in ons rijtuig, dat een goede

plaats vooraan in de file had gekregen, om alle toebereidselen te zien

voor de ontvangst van het heilige tapijt, dat om tien uur verwacht

werd. Wij stonden vlak vóór het gebouw waar het in ontvangst zou worden

genomen. Evenals in een opera defileerde in goede volgorde telkens

iets anders ons voorbij. Nauwelijks waren wij aangekomen, toen een

regiment artillerie met kleine kanonnen op muilezels geladen, alle

militairen in groot uniform, met hun muziekcorps voorbij trok en op

eenigen afstand zich opstelde. Kort daarna infanteristen, marcheerende

op de marsch uit de opera Carmen, dan cavalleristen, groepen van hen

op prachtige witte schimmels, een andere groep op goudvossen, weer

een andere op kastanjebruine paarden, allen van het echte Syrische

ras. Lange rijen infanteristen achter groene vaandels volgden: dat

waren de militairen die dit jaar of vroegere jaren in Mekka waren

geweest. Al die militairen werden opgesteld op eene groote vlakte,

tegenover het officiëele gebouw, waar het heilige tapijt gebracht

zou worden.

Onderwijl kwamen in automobielen, in open rijtuigen of gesloten

rijtuigen, met of zonder voorrenners, alle officiëele personen uit

Caïro in groot tenue aanrijden en stapten in het bedoelde gebouw

af. Het is de Khedive, die in hoogst eigen persoon dit tapijt in

ontvangst dient te nemen; hij had evenwel dit jaar dezen post aan

zijn jongeren broeder afgestaan. Al die officiëele personen, eenige

honderden in getal, waren in het gebouw, maar ook buiten verzamelde

zich intusschen een onafzienbare massa, die uit nieuwsgierigheid of uit

toewijding naar dit schouwspel gedreven werd. De nieuwsgierigen waren

de duizenden vreemdelingen, die op het oogenblik in Caïro vertoeven;

de Mohammedanen kwamen uit zuivere devotie. Er waren drie groote

afgesloten ruimten, waar de auto's en rijtuigen met hunne inzittenden

een plaats kregen en die allen een even goed en vrij gezicht op het

schouwspel hadden. De eerste was afgezonderd voor de familieleden van

den Khedive, die in groot aantal aanwezig waren. De tweede was voor

de familieleden der officiëele personen, de verschillende consuls en

hooge militairen. De derde ruimte was voor de vreemdelingen.

Klokslag tien uur arriveerde de karavaan. Zoodra zij in het gezicht

kwam werd het heilige kleed met 21 kanonschoten begroet en waar

het voorbij de militairen trok, presenteerden dezen het geweer of

maakten hun militair saluut. De kameel, die de heilige last droeg,

was geheel met goudwerk en roode franjes behangen; het verhief zijn

kop nog hooger dan die beesten gewoon zijn te doen, alsof het zich

van zijne waardigheid bewust was. Het werd gevolgd door zeven andere

met rood fluweel behangen kameelen en op elk zat een eerbiedwaardige

pelgrim, die zachte tonen uit een fluit te voorschijn bracht, om het

heilige beest te amuseeren.

Zeven keer wandelde deze stoet in de ruimte rond, telkens door de

militairen en nu ook door de Sheiks, de Pasja's, de koninklijke

familie en alle officiëele personen, allen nu naar buiten gekomen,

eerbiedig gegroet. Daarna overhandigde de broeder van den Khedive

den eersten begeleider een sleutel en alles verdween in het gebouw,

waar het tapijt voorloopig ondergebracht werd. Weder 21 kanonschoten

om het uitgeleide te doen.

Dit tapijt blijft nu twee maanden aldaar en wordt in dien tijd door

alle geestelijken en fanatieken aangebeden; daarna wordt 't in vele

stukken gesneden, die verschillende moskeeën ten deel vallen om op de

daarin aanwezige heilige graftomben gelegd te worden. Men verteld, dat

dit grapje het land elk jaar twaalf millioen gulden zou kosten! Vóór

ik alles had gezien kon ik dat niet gelooven; nu ben ik er zeker van,

dat die som niet overdreven is. Wat zou dat geld hier in het land

nuttiger besteed kunnen worden, indien het b.v. voor oprichting en

in-stand-houding van goede scholen werd gebruikt.

Het was vandaag prachtig weder, de zon scheen reeds vroeg; toen ik dit

in het rijtuig staande opmerkte, zeide onmiddellijk een Mohammedaansche

koetsier: "Maar natuurlijk, mevrouw; dat is altijd zoo; wanneer het

heilige tapijt in Caïro komt, laat God de zon schijnen!" Ik dacht

aan onze Oranjezon, die zich echter wel eens een enkele keer achter

een wolk verschuilt.

Nu alles is afgeloopen, weet ik niet, wat diepere impressie op mij

maakte, het gezicht van die mooie, vroolijke, veelkleurige vertooning,

of de groote orde die er onder die tienduizenden heerschte en het kalme

en vriendelijke optreden van de politie. Behalve de kanonschoten en

de militaire muziek, werd geen enkele luide toon gehoord; de bevelen

van de politie gingen meer door een vriendelijk handgebaar dan door

verheffing van stem. Na afloop vertrok geen rijtuig van zijn plaats

vóórdat de politie het sein gegeven had en allen bleven achter

elkaar rijden.

P.S. Van bevriende zijde worden mij twee uitknipsels uit "De Telegraaf"

toegezonden, op welks inhoud ik hier even wil terugkomen.

Het eerste is onderteekend door twee artsen uit Transvaal en

heeft de strekking te doen uitkomen, dat mijne opvatting over de

behandeling der inboorlingen in Zuid-Afrika niet de juiste is. De

inhoud van dat ingezonden artikel verwondert mij niet; ik zal in vele

Zuid-Afrikaansche bladen over mijne geuite meening in dezen wel meer

en sterker gecritiseerd worden. Uit gesprekken, die ik daarover in

Zuid-Afrika met vele Afrikaners en Britten hield, is het mij heel

goed bekend, dat de groote meerderheid der bevolking mijne gevoelens

in dezen niet deelt. Hoe kan het ook anders. Sympathiseerde de

meerderheid der bevolking in dezen met mij, dan zou de behandeling

der kleurlingen eene andere zijn en dan had ik daarover anders

geschreven. Betreffende dit eene punt, minachting voor den kleurling,

hem te beschouwen louter als goedkoope arbeidskracht, harmonieeren

Britten en Afrikaners meesterlijk. Dat niet de heele bevolking van

Zuid-Afrika zoo verkeerd denkt over den Kaffer en deze kleurlingen

warme vrienden bezitten in enkele toonaangevende kringen, daarvan ben

ik ook zeker. Vooral in de Kaapkolonie vond ik voor mijne meening

vele gelijkdenkenden en toen ik Olive Schreiner een bezoek bracht,

ontdekte ik, dat ook zij in dezen mijne geestverwante is.

De oplossing van het kleurlingen-vraagstuk zal in Zuid-Afrika eene zeer

moeilijke zijn, maar wil men eene rechtvaardige en wijze oplossing

verkrijgen, dan moet men beginnen deze menschen met andere oogen

te beschouwen, hun karakters te bestudeeren in de kraals, ik meen:

zoolang zij nog onbesmet zijn door de aanraking met de Europeeërs, en

hen in deze eigen omgeving eerst tot eene hoogere ontwikkeling brengen,

zoodat zij beter bestand zijn tegen de gevolgen van verleiding,

verkeerde behandeling en verkeerde voorbeelden der blanken.

Het tweede stuk is onderteekend door Zionist; deze maakt mij er een

verwijt van, dat ik van het Zionisme in Palestina niet beter op de

hoogte ben. Ik heb dat evenwel in een van mijne brieven erkend, eerst

in Palestina trof mij den omvang van deze beweging. Mijn Baedeker,

de laatste uitgave, zegt zoo goed als niets er van en onze dragoman,

een Protestant, stelde er zeer weinig belang in en wist er niets van

mede te deelen. Dat er geen Hirsch-vereeniging bestaat, maar dat uit

de nalatenschap van Hirsch eene andere vereeniging geformeerd werd,

was mij onbekend. Had ik met beslistheid geschreven, dat die kolonie

boven Tiberias door de I. C. A. tot stand was gebracht, het verwijt

van Zionist zou mij kunnen treffen; ik deed echter die vraag tusschen

haakjes, omdat men mij in Jeruzalem had medegedeeld, dat de Zionisten

nooit financieele voorschotten geven, doch dat, waar het noodig is,

de Hirschvereeniging in dit opzicht helpt. Waren we niet zoo door

Syrië gevlogen, had ik tijd gehad mij overal wat langer op te houden

en nauwkeuriger informatiën te nemen, dan had ik met meer beslistheid

ook over de bedoelde kolonie kunnen schrijven.

Dat de Zionisten een supplement op de Baedeker uitgeven, waarin over

deze zaken uitvoerige inlichtingen worden verstrekt, is zeer goed

gezien; laat mij hen echter in overweging geven, dit boekje in het

Engelsch, in plaats van in het Duitsch te laten drukken, want tot

nu toe bestaan de bezoekers van Palestina voor een overwegend groot

deel uit Amerikanen en Engelschen. Duitsch sprekende toeristen zijn

nog groote uitzonderingen.

Laten mijne lezers niet vergeten, dat ik mij in de verschillende landen

niet lang genoeg ophoud om mij steeds van alle vraagstukken goed op

de hoogte te stellen, dat ik ook van alles alleen mijne indrukken

weergeef, en dat ik niet verwacht, ook niet verwachten kan en wil,

dat elkeen het met mijne opvatting eens is.

Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen · 第 64 / 133 题