III.

Een geheelen dag bracht ik door in de Egyptische medische school,

in de universiteit, waar de Egyptische jonge mannen tot medecinae

doctores worden opgeleid. Zij is verbonden aan een zeer groot

gouvernementshospitaal, wordt geheel door Egyptisch geld onderhouden,

maar staat overigens geheel onder leiding van Engelsche krachten. De

directeur van het hospitaal, die tegelijkertijd aan het hoofd der

universiteit staat, is een Brit. Al de hoofdverpleegsters uit het

hospitaal zijn zusters uit Groot-Brittannië en vele professoren en

leeraren komen ook van daar. Er zijn een paar Duitsche professoren,

een Fransche, een Deen en een uit Turkije. Alle lessen worden in het

Engelsch gegeven en zoo sterk regeert Engeland hier, dat de directeur,

dr. Keatinge, mij zeide, dat lord Kitchener reeds de 300.000 pond

had toegestaan, die noodig zijn om een nieuw hospitaal te bouwen. Op

mijn vraag of dit geld dan uit Engeland moest komen voor deze zuiver

Egyptische instelling, ontving ik ten antwoord: "O, neen, het Turksche

gouvernement heeft het te geven, maar lord Kitchener kan het verzoeken

dat te doen." Een nieuw gebouw is zeer zeker geen weelde, het hospitaal

is nu geplaatst in een oud kasteel, dat later voor kazerne dienst deed,

door Napoleon voor hospitaal werd ingericht en sedert als zoodanig

dienst doet. Het voldoet in geen enkel opzicht meer aan de eischen,

die men thans aan een hospitaal mag stellen. Toch hebben de Engelsche

doktoren en verpleegsters er van gemaakt wat er van te maken is,

zoodat de patiënten tenminste overal genoeg frissche lucht, licht

en zindelijkheid vinden, maar voor comfort van de arme zieken, voor

comfort van doktoren en verpleegsters is niets aanwezig en ook aan

onze tegenwoordige begrippen van hygiëne beantwoordt het gebouw in

't geheel niet.

Niet alleen worden hier de studenten tot medische doktoren

opgeleid, maar aan deze instelling is ook verbonden, de opleiding

van verpleegsters en vroedvrouwen. Een allerdwaaste combinatie, die

tot heel veel misstanden en immoreele verhoudingen aanleiding geeft

en die door alle aan deze instelling verbonden leeraren, doktoren

en verpleegsters om het zeerst wordt afgekeurd. De meisjes die hier

worden opgeleid tot toekomstige verpleegsters en vroedvrouwen, moeten

in het land voorzien in de behoefte der Mohammedaansche vrouwen aan

medische hulp, vooral bij verlossingen. Een Mohammedaansche vrouw

laat geen mannelijke dokter aan haar kraambed komen, zelfs niet in de

allerzwaarste gevallen. Zij worden dan door oude vrouwen bijgestaan

en maar al te dikwijls is een zeer pijnlijke dood het einde van een

kraambed. Door de opleiding van deze vroedvrouwen hoopt de regeering

de vrouwen uit het volk in dezen ter hulp te komen. Dat zou wel goed

zijn, als die meisjes een zekere ontwikkeling bezaten, een bepaalden

leeftijd moesten bezitten, vóór zij tot deze studie konden worden

toegelaten en indien zij gekozen konden worden uit een moreel hoog

staande klasse. Dat alles is hier niet het geval. Meisjes van 12,

13 en 14 jaar, ouderen zijn uitzondering, die niet lezen en schrijven

kunnen, die niet uit toewijding, maar omdat zij geen tehuis hebben,

zich voor dit doel in het hospitaal laten opnemen, komen hier, om in

drie of vier jaar tijd als verpleegster en vroedvrouw het hospitaal te

verlaten en hebben dan het recht, niet alleen in de gewone gevallen

haar assistentie te verleenen, maar zelfs de forceps te gebruiken en

keeringen te verrichten. Bovendien is de soort waaruit deze vrouwen

gerecruteerd worden van dien aard, dat zij maar al te dikwijls

prostitutie als bijvak uitoefenen, of de gezinnen waarin zij hulp

verleenen, zeer immoreel beïnvloeden.

Deze menschen zijn in den regel kinderen, die reeds vroeg door hun

vader aan een of ander man tot echtgenoot zijn gegeven of verkocht

en die, na eenige weken huwelijksleven door den echtgenoot weer naar

huis worden gezonden, alleen en dikwijls om geen andere reden, dan dat

hij er genoeg van heeft. Neemt de vader haar niet weder in huis op,

dan blijft er voor haar niets anders over, dan op straat een minder

eerbaar leven te leiden of naar het hospitaal te gaan. Ook als een

vrouw door haar man gedivorceerd wordt, dan behoudt hij de jongens,

doch de meisjes worden met de moeder weggestuurd en daarvoor behoeft

hij haar voor onderhoud niets te betalen. Zoodra zulke meisjes

den 12-jarigen leeftijd bereikt hebben, stuurt de moeder haar

dochter naar het hospitaal, om haar ten minste eten en onderdak te

bezorgen. Nu worden wel alle mogelijke voorzorgen door doktoren en

hoofdverpleegsters genomen, om deze meisjes, dertig in getal (meer

kunnen er terzelfder tijd niet worden aangenomen) van de driehonderd

studenten te scheiden, maar het menschelijk vernuft is scherp, vooral

in zulke omstandigheden, en men weet maar al te goed, dat deze meisjes,

zoo pas uit de afzondering van de harems in vrijheid gekomen, deze

vrijheid niet beter weten te gebruiken, dan op de een of andere wijze

één of meer van de jonge studeerende mannen aan zich te binden. Moeten

zij bevallen en hebben zij het geluk een jongen het leven te geven,

dan is de vader van het knaapje, eo ipso, met de moeder gehuwd, heeft

voor haar en het kind te zorgen en het kind draagt zijn naam. Hij kan

haar dan wel na een week weder wegsturen, maar het kind blijft het

zijne. Tot de jongen zeven jaar oud is, moet hij de moeder wekelijks

een som geven, tot onderhoud van het kind en zoodra het zeven jaar is,

kan hij het tot zich nemen of voortgaan de moeder voor het onderhoud

te betalen. Bevalt zij echter van een meisje, dan bestaat er tusschen

haar en den verwekker van het kind geen verband en behoeft hij zich

van het geheele geval niets aan te trekken.

Dat ook de omstandigheid, om zulke jonge meisjes op de ziekenzalen

reeds allerlei soort werk te laten verrichten en haar bij verlossingen

te laten assisteeren, haar te laten onderrichten door mannelijke

doktoren in alles wat met het sexueele leven in verband staat, op

velen geen goeden invloed uitoefent, is te begrijpen. Men moet deze

meisjes niet met de onze vergelijken; zij zijn van te voren in groote

afzondering van de mannenwereld grootgebracht; 't sexueele leven,

zoo 't kan in 't huwelijk, is haar voorgesteld, als de eenige bron,

waaruit en waardoor alles moet komen, wat zij voor levensonderhoud

en misschien een beetje levensgeluk, noodig hebben. Daarop zijn al

haar gedachten, al haar handelingen geconcentreerd en dit heeft bij

haar natuurlijk een soort broeikast-ontwikkeling in deze sfeer ten

gevolge gehad. Een der doktoren zeide mij dan ook, "men veronderstelt,

dat wij jaarlijks een dertigtal vroedvrouwen afleveren, maar eerlijk

gezegd, leveren wij voor twee-derde van dit aantal prostituees af!"

De studenten, die later doktoren hopen te worden, hebben een

vierjaarlijksche opleiding. Het eerste jaar in hoofdzaak anatomie

en physiologie en de twee laatste jaren aan het ziekbed. Dan kunnen

zij hun eindexamen afleggen en zijn gerechtigd de geheele medische

praktijk uit te oefenen. Een groot aantal echter gaat tot completeering

van hun studie alsdan naar Parijs, Londen, Weenen, Berlijn of Amerika

en vestigt zich later als specialiteit in een of ander onderdeel der

medische wetenschap.

De studie is hier zeer goedkoop. Boeken, microscopen en alle andere

studiebenoodigdheden worden door de universiteit verstrekt; die niets

betalen kan, betaalt ook geen studiegeld en voor de anderen is het 15

pond jaarlijks. Verder kunnen de studenten hier zeer goedkoop leven,

zoodat slechts weinigen om financieele redenen van de studie in de

medicijnen zijn uitgesloten. Toch bestaat het meerendeel der medische

studenten uit jonge mannen uit de gegoede kringen.

Het pathologisch anatomisch laboratorium van deze universiteit

verschilt van vele andere, omdat het zoovele exemplaren bevat uit

den voor-historischen tijd. Ik zag er schedels en beenderen, zelfs

intacte inwendige organen, die toebehoord hebben aan menschen van

drie- en vierduizend jaren vóór de Christelijke jaartelling. Hoewel

de mummies alle ontdaan zijn van hunne inwendige organen, is toch

bij vele een deel van de genitaalorganen mede gemummificeerd en in

de sarcophaag nedergelegd. Hiervan waren eenige zeer goed gebleven

exemplaren in het laboratorium aanwezig.

Ook zag ik er de mummie van een man, die ongetwijfeld aan tuberculose

gestorven moet zijn en bij wien de opgedroogde tubercelbacillen

onweerspreekbaar gevonden zijn. Deze man was 3600 jaren vóór onze

jaartelling gestorven. Ook is het duidelijk, dat kanker in dien

tijd reeds voorkwam, ook daarvan waren enkele gevallen aanwezig. De

syphilisbaccil, waarnaar zoo geregeld gezocht wordt, werd tot dusverre

nog niet gevonden. Hieruit kan men natuurlijk nog niet vaststellen,

dat deze ziekte bij de oude Egyptenaren niet voorkwam. Ik durf niet

door gaan met het opsommen van alles wat ik hier voor merkwaardigs

zag, dit deel van mijn brief zou dan voor vele lezers ongenietbaar

worden. Zelden was ik in een inrichting van onderwijs, waar professoren

en leeraren zich zooveel moeite geven om den leergierigen bezoeker

zoo ten volle op de hoogte te stellen en zij deden dit op zulk een

aangename, gentleman-like wijze, dat zij nog den indruk verwekten,

alsof het voor hen een aangename taak was.

Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen · 第 63 / 133 题