AAN BOORD VAN DE "PRINSES JULIANA".

Wij waren reeds vroeg op, den dag waarop wij Caïro verlieten, om ons

naar Port-Said en aan boord van het schip te begeven, het schip,

dat ons zou wegvoeren uit Egypte en in een ander werelddeel weder

aan land zetten. Om zeven uur 's morgens zou de trein vertrekken,

doch om zes uur stonden wij reeds gereed, waren de koffers gepakt en

wachtten wij op de mannen, die de vele stukken bagage naar beneden

zouden brengen en die den dag tevoren waren aangewezen, om voor onze

koffers te zorgen en ons veilig in den trein te brengen. Waren wij

blijven wachten, dan stonden wij er misschien heden nog, want toen wij

beneden in het hotel kwamen, lag er alles nog in diepe rust. Zelfs de

mannen, aan wie de nachtwacht was toevertrouwd, lagen in de corridors

op de dikke Smyrna-tapijten te snurken; de eenige wezens, die teekenen

van leven gaven, waren een paar groote, dikke ratten, die door onze

komst gestoord werden in een of andere belangrijke onderneming en

toen ijlings de vlucht namen. Nadat wij genoeg menschen wakker en

naar beneden getrommeld hadden, er een rijtuig voor ons gehaald was

en wij aan het station waren uitgeladen, was er amper tijd voor onze

reisbiljetten te zorgen, de bagage te laten inschrijven en plaats te

nemen, voor de trein afreed.

Wij zouden nu nog in de 4 1/2 uur, die wij noodig hadden, om naar

Port Saïd te komen, gelegenheid krijgen, om in Egypte eene van die

natuurverschijnselen te zien, waarvan wij wel veel gelezen hadden,

doch dat wij nog niet hadden bijgewoond. Spoedig, nadat wij Caïro

achter den rug hadden, begon de een of andere wind op te steken

en langzamerhand zagen wij het woestijnzand steeds hooger stuiven,

zagen wij de op den weg zich bevindende kameelen zich nederleggen en

de opzittende of begeleidende mannen zich achter hen verschuilen,

nam de lucht een grijsgrauwe tint aan, waar doorheen wij slechts

op korten afstand konden zien en kwam het fijne stuifzand zelfs

door onze goed afgesloten vensterraampjes onze oogen, neus en keel

binnen dringen. Het was "a new experience", zooals mijne reisgezellin

goedmoedig opmerkte, maar geene aangename.

In Port Saïd bijna een uur te laat aangekomen, had deze zandstorm

voor een fijnen, doordringenden regenstorm plaats gemaakt, die het

aan boord gaan niet veraangenaamde. Doch--en nu heb ik in mij-zelf

een eigenschap ontdekt, die ik mij niet bewust was te bezitten--ik

gevoelde mij aangenaam aangedaan, toen ik daar, al was het dan ook in

een hoekje van Afrika, mijn voet op Nederlandschen bodem zette; toen

ik in eigen taal door tal van landgenooten begroet werd en toen ik in

mijne hut gekomen vele pakjes van Hollandsche vrienden vond, alle de

een of andere nationale bijzonderheid bevattende. Het waren Dordtsche

speculaasjes, Haagsche beschuitjes, chocolade van Korff, Delftsche

parfumerie, Haagsche hopjes, Deventer koek en Groninger molleboonen,

die mij door goede feeën waren toegezonden en die mij nog lang zullen

blijven vertellen, dat er ook in eigen land veel goeds is te vinden. Ik

dacht een cosmopoliet te zijn, doch het nationaliteitsgevoel is sterker

dan ik vermoedde. Dit gevoelde ik ook heel sterk, toen wij in onze hut

kwamen en mijne Amerikaansche reisgenoote, die vele bootreizen in haar

leven maakte en verschillende stoomvaartlijnen bij ondervinding kent,

uitriep: "Ik heb nog nooit zoo'n gerieflijke en ruime hut op een boot

gehad als deze." 't Is waar, in de hutten op de "Prinses Juliana"

gevoelt men zich even comfortable als in een kamer in 'n hotel en de

van alle kanten gemakkelijk te bereiken bad- en toiletkamers, waar

een echte Hollandsche zindelijkheid heerscht, zijn niet alleen ruim

en comfortable, maar zijn zelfs luxueus ingericht. De comfort op de

"Prinses Juliana" laat in geen enkel opzicht te wenschen over.

Het werd bijna vier uur, toen wij Port Saïd uit en het kanaal van Suez

binnenstoomden, zoodat wij het kanaal, dat ik nog gaarne eens weder

had gezien, bij avond en nacht passeerden. Toen wij den volgenden

morgen ontwaakten lag Suez reeds achter ons en waren wij in de Roode

Zee. Nog één tamelijk koele dag en toen kwamen de passagiers reeds

in hun witte pakken voor den dag, hadden de zwarte bedienden zich

reeds van voor hun voeten niet bestemde schoenen ontdaan en hoorde men

reeds enkele medepassagiers--en vooral de spelende kinderen--klagen,

dat zij "puften van de warmte". Zoo erg was het echter niet, maar de

temperatuur was toch slechts enkele graden lager dan toen ik hier twee

maanden geleden van de andere zijde doorvoer. Het schip is echter goed

toegerust, om aan wat warmte te kunnen weerstand bieden. Niet alleen,

dat overal in de salons en eetkamers en in alle hutten electrische

waaiers koelte aanbrengen, maar bovendien zijn aan alle patrijspoorten

windvangers aangebracht, die het beetje wind, dat wij genieten,

opvangen en in de hut uitstorten. Het is dus best uit te houden.

In een ander opzicht onderscheidt deze boot zich nog van de meeste

andere, waarop ik groote reizen maakte, een onderscheid, dat ik ten

hoogste waardeer. Ze heeft n.l. geen muziekkorps aan boord, zoodat de

passagiers niet 's morgens en 's middags en soms ook nog des avonds de

hartverscheurende valsche tonen van een scheepsmuziekkorps te genieten

krijgen. Hier is slechts een pianola-piano aan boord, die alleen nu

en dan ons trommelvlies tracht te verscheuren en waarop op de meest

ongelegen oogenblikken een zich muzikaal aangelegd voelend jongmensch

zit te trommelen en volstrekt niet voelt, dat hij meerendeels mistast.

Elk patriotisch Nederlander kan op deze boot niet alleen trotsch

zijn over de wijze, waarop onze stoomvaartmaatschappijen haar

passagiers vervoeren, maar ook op de geaardheid en het gedrag

zijner medepassagiers. Men gevoelt zich hier in deftig, Hollandsch

gezelschap. Alles gaat even kalm en netjes zijn gang, geen luidruchtig

geluid wordt gehoord, geen luidruchtige spelen gespeeld. Elkeen wandelt

kalm over het dek of ligt op zijn rieten stoel een sigaartje te rooken

en kringetjes te blazen, of leest 'n van huis medegebracht of uit de

scheepsbibliotheek geleend boek. Enkelen zitten samen te keuvelen,

even bedaard en even netjes, alsof wij bij ons in Holland op 'n

buurtbezoek zijn. Een enkel clubje--en daartoe behoor ik--speelt

's avonds een partijtje bridge, anderen zitten schaak of domino

te spelen, maar van luidruchtige spelen als op de Engelsche booten

gespeeld worden, waaraan alle passagiers meedoen, daarvan is hier

geen sprake. Op deze boot zijn de Hollanders Hollanders: netjes,

bedaard, verstandig, kalm. Ik verheug mij daarover en ben hartelijk

blij op deze boot gelegenheid te hebben met mijne landgenooten eens

weder een verstandig gesprek te kunnen voeren en successievelijk

met al mijne medereizigers kennis te kunnen maken en hen van hun

goede, oud-Hollandsche zijde te leeren kennen. "I like your people,

especially as travel-companions", zeide na eenige dagen dan ook mijn

reisgezellin en dat streelde mijn ooren niet weinig.

Ik heb echter nog een voornaam punt vergeten te noemen, toen ik opsomde

wat wij hier op deze boot dagelijks uitvoerden. Dat is vreemd, want

het is iets, wat het grootste deel van onzen tijd in beslag neemt. Ik

bedoel het eten en drinken, het deelnemen aan de maaltijden. Het

lijkt wel, dat de Stoomvaart-Maatschappij "Nederland" zich verbeeldt

tot taak te hebben, haar gasten een mestkuur te laten doormaken,

om ze bestand te doen zijn tegen de nieuwe leefwijze, die hen aan

het eind der reis wacht. De maaltijden zijn niet alleen overvloedig

en goed, maar de verscheidenheid der gerechten is ook zoo goed en

juist gekozen, dat men alleen met een ernstigen en vasten wil kan

zorgdragen niet overvoed te worden. Als men niet onmiddellijk uit de

overvolle menu's een paar gerechten kiest, waarvan men zal gebruiken,

en de anderen, zonder er naar te zien, laat passeeren, dan heeft men

al heel spoedig den dokter noodig, die met wat bicarbonas sodae de

maag te hulp moet komen.

Niet alleen in de Roode Zee was het warm; toen wij Aden achter den rug

hadden en Kaap Gardefui voorbij gestoomd waren, bleek er wel wat meer

wind te komen, doch was de temperatuur niet lager. Het was dan ook op

heel bescheiden toon tot mij gericht, het verzoek, om "als de warmte

het mij niet onmogelijk maakte", een voordracht over vrouwenkiesrecht

te houden. Aan dit verzoek, door 36 passagiers onderteekend, kon ik

natuurlijk geen weerstand bieden. Als goede propagandiste voor de

groote zaak, moest ik natuurlijk verheugd zijn--en dat was ik dan

ook--, dat mij op zoo'n ongezochte wijze gelegenheid gegeven werd,

dit onderwerp, zelfs op den Indischen Oceaan, te bespreken en met

toestemming van den kapitein werd de 2e klasse eetsalon ingericht

om als vergaderzaal te dienen. Ik dacht niet, dat de belangstelling

in vrouwenkiesrecht onder mijn medepassagiers zóó groot was; op één

enkele uitzondering na waren alle 1e en 2e klasse passagiers aanwezig,

toen ik dien middag, om half vijf, het woord nam. Zóó groot was zelfs

de belangstelling, dat wij om zes uur nog midden in het debat waren,

toen de zaal ontruimd moest worden om weder voor eetsalon te worden

ingericht. Om elf uur den volgenden morgen werd het debat voortgezet,

en toen ik op het middaguur eindigde, werd door vele Engelsch sprekende

medepassagiers onmiddellijk het verzoek gericht, om ook mevrouw Catt

te vragen, een voordracht voor hen te houden.

Vrouwenkiesrecht was daarna langen tijd 't onderwerp van de

gesprekken op de boot; sommigen waren overtuigde voorstanders

geworden, anderen vonden het toch ook een vanzelf sprekend gevolg

van den ontwikkelingsgang der maatschappij, anderen waren verstokte

tegenstanders, onder dezen voornamelijk die heeren, die van oordeel

waren, dat huwelijksgeluk alleen bestaanbaar is, zoolang de vrouw tot

den man opziet, en door de vrouwen nu ook politieke rechten te geven,

ontnam men den man alle superioriteit over zijne vrouw. Die heeren

kennen niet de "Amalasuntha's"-zusteren van de Amalasuntha uit Dickens'

onovertreffelijke verhalen, die aan nekverstijving te gronde gaan,

door het onophoudelijk opzien tot hun zoo hoog boven hen staanden

echtgenoot. Ik heb hen geraden, Dickens voor dat doel eens na te slaan.

Mrs. Catt was natuurlijk ook dadelijk bereid om aan het verzoek, dat

inhield wat te vertellen over de toestanden in Amerika met betrekking

tot het vrouwen-vraagstuk, te voldoen, en twee dagen, nadat ik

gesproken had, vulde zij mijne voordracht aan met het bovengenoemd

onderwerp. Ik had niet gedacht dat ook dien derden dag nog zooveel

belangstelling zou bestaan, om een paar uur in de warme salon stil

te zitten luisteren naar hetgeen mrs. Catt op haar eigenaardige,

boeiende wijze te vertellen had, en het verhoogde het effect van

haar voordracht niet weinig, toen aan het slot een heer in ons midden

opstond, die een Australiër bleek te zijn en in Queensland woont en

die op zeer welsprekende wijze de resultaten van het vrouwenkiesrecht

in Australië besprak. De vrees voor "ongenoegen in het gezin" als

gevolg van kiesrecht, ook voor de gehuwde vrouw, het bezwaar, dat in

de laatste dagen nogal eens gehoond werd, wist hij zoo schitterend te

weerleggen, dat twijfel omtrent dat punt nu onder de passagiers van de

"Juliana" wel niet meer zal bestaan. Zijn vrouw, die ook aanwezig was,

wist nog even mede te deelen, dat zij en haar man wel dikwijls omtrent

de keuze van den candidaat tot overeenstemming kwamen, maar in de

gevallen, waar beiden aan eigen candidaat de voorkeur bleven geven,

brachten zij natuurlijk ook hun stemmen uit op hun eigen candidaat. 't

Klonk zoo eenvoudig en alleen 'n door-alles-heen-gelijk-willen-hebbend

echtgenoot kon zich nog beangst maken voor "ongenoegen".

Zoo werd dus gedurende eenige dagen het vrouwen-vraagstuk de "topic

of the day"; menigeen, die vroeger nooit ernstig hierover heeft

nagedacht, begint thans te begrijpen, dat de vrouwenbeweging, hij

moge er mede instemmen of niet, eene groote, machtige beweging is,

die zich thans in alle landen openbaart en die niet eerder tot een

einde zal komen, alvorens er volkomen wettelijke--hieronder ook de

politieke te verstaan--en maatschappelijke gelijkstelling tusschen

mannen en vrouwen zal zijn verkregen.

En zoo gaan de dagen op de boot langzaam voorbij, maar toch nog

veel te snel voor mrs. Catt en mij, die deze zeereis gaarne nog

wat verlengd zouden hebben. Wij gevoelen ons hier thuis, rustig,

aangenaam. De warmte is wel groot, maar niet te groot, en wanneer

wij des avonds de wonderschoone zonsondergangen, die tusschen Aden

en Colombo onbeschrijflijk mooi zijn, genoten hebben, volgt daarop

spoedig een lange, aangename koele zomeravond.

Morgenochtend moet de boot in Colombo aankomen, maar wij hebben de 8

uren, die wij te laat van Port Saïd vertrokken zijn, niet ingehaald en

daardoor zal het wel avond worden, eer wij in Colombo aan wal stappen.

Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen · 第 65 / 133 题