Als men als gewoon toerist maandenlang in Europa reist, dan kan
het gebeuren, dat men in al dien tijd niets verneemt wat in direct
verband staat met godsdienst; dat men met de menschen, waarmee men
in aanraking komt, nooit over godsdienstkwesties spreekt, dat men
dikwijls niet weet--en dat het ons ook niet interesseert--tot welken
godsdienst die menschen behooren. Het is in den regel voor den gewonen
toerist van heel weinig belang, of de bewoners van een of ander land
in Europa in hoofdzaak Protestant, Jood of Katholiek zijn. Slechts
bij toeval zal zulk een onderwerp den reiziger bezighouden.
Geheel anders is dit in de orientalische landen; daar dringt de
godsdienst zoo op den voorgrond, dat elke reiziger er nota van moet
nemen, dat hij onwillekeurig een van de hoofdonderwerpen wordt,
waarover men denkt en spreekt, dat hij met al het bezienswaardige
zoo is samengeweven, dat men niets kan gaan zien, over niets kan
lezen of hooren spreken, zonder dat de godsdienst der bewoners van
het land er ten nauwste in betrokken is, er het hoofdbestanddeel of
het uitgangspunt van vormt.
Reeds merkte ik dat op in Zuid-Afrika, vooral daar, waar wij in
aanraking kwamen met de inboorlingen en ook zelfs bij de Afrikaners,
maar het trad steeds meer naar den voorgrond in de verschillende
plaatsen aan de Oostkust van Afrika, die wij aandeden, doch toen wij
in Arabië kwamen was daar natuurlijk alles geheel en al met godsdienst
doortrokken. Daar was letterlijk niets anders te zien, daar werd over
niets anders gesproken en van elkeen, die wij op onzen weg ontmoetten,
kon men aan kleeding en uiterlijk onmiddellijk vaststellen, tot welken
godsdienst hij behoorde.
In Egypte is dat bijna even sterk het geval. Niet alleen verhalen alle
pyramiden, sphinxen, moskeeën van den godsdienst der Egyptenaren,
maar ook alles wat wij in de musea vinden, getuigt op een of andere
wijze daarvan. Van één instelling, die eenig op de wereld is, wil
ik hier het een en ander vertellen. Het is de moskee El-Azar, die
als moskee niets bijzonder merkwaardigs heeft, maar die dient tot
theologische universiteit van Egypte, een universiteit zooals nergens
meer gevonden wordt. Deze universiteit dateert uit de tweede helft
van de tiende eeuw en is door al die eeuwen heen zoo goed als niets
van karakter veranderd. Ongeveer 10.000 studenten bezoeken jaarlijks
deze theologische school en in de paar laatste jaren is dat getal
tot over de 12.000 gestegen. Ruim 350 leeraren geven er onderwijs.
Deze studenten komen niet alleen van heel Egypte, Opper-, Lager-
en Oost-Egypte, doch zij komen van heel Azië, van Constantinopel,
Damascus, Mekka, Alexandrië, Britsch Indië en van Java en Sumatra. Waar
Mohammedanen zijn, van daar komen ook jonge mannen om hier tot priester
te worden opgeleid. De studenten betalen niets voor hunne opleiding
en als zij arm zijn--en zoo zijn er velen--worden zij ook nog van
brood en een zeker soort soep dagelijks voorzien en dan slapen zij
in de moskee. Men weet, dat de Mohammedaan eenvoudig zijn mat spreidt
en zich dan daarop, onverschillig waar, te slapen legt.
Het maakt een verrassenden indruk, als men deze moskee bezoekt, dat men
daar op den grond, met de beenen kruislings onder zich, die duizenden
mannen vindt, van af jongens van ongeveer 12 jaar tot oude grijsaards,
allen in groepen verdeeld en allen bezig een of ander onderdeel van
hun godsdienst te leeren, of datgene wat zij beschouwen in verband
te staan met hun godsdienst. De jonge jongens en ook de ouderen,
die uit andere landen komen, hebben eerst het Arabisch in de fijnste
bijzonderheden te leeren, alvorens zij tot de hoogere studie kunnen
worden toegelaten, doch ook voor degenen, die direct aan de eigenlijke
theologische lessen kunnen deelnemen, duurt de opleiding van vier
tot zes jaar. Velen komen in al dien tijd de moskee niet uit. Er zijn
zelfs mannen, die hun geheele leven aan deze studie blijven wijden,
die blijven doorstudeeren of blijven als leeraar. Zoo'n leeraar wordt
sheik genoemd. Er waren er velen met zeer eerbiedwaardige gezichten,
gezichten, waarvan men gaarne een foto zou willen nemen, of die voor
een schilder 'n mooi model zouden zijn. De sheiks worden ook alleen
door piëteit tot hun taak gedreven, hunne belooning is niet veel meer
dan waarvoor zij amper hun levensonderhoud kunnen bekostigen en eer
of aanzien is aan hun ambt niet verbonden.
Het leerprogram komt hoofdzakelijk hier op neer: Zij, die niet
genoegzaam Arabisch kennen, moeten eerst grondig die taal leeren. Dan
worden hun de gronden van het Mohammedanisme, van God en zijn profeet
Mohammed, onderwezen en daarna leeren zij eerst jurisprudentie,
wetgeving. De Mohammedanen gelooven, dat een priester de wetten
moet kennen, omdat de wetten moeten bevatten de voorschriften van
God, in betrekking tot de handelingen der menschen;--dat God heeft
voorgeschreven en in den Koran heeft vastgelegd de plichten, die
de mensch heeft te vervullen, de handelingen, die hij bij voorkeur
moet doen en andere die hij beslist moet nalaten. Uit gegevens uit
den Koran wordt den studenten geleerd, welke wetten in de wetgeving
van het land moeten worden opgenomen. Bovendien leeren de studenten
hoe zij den Koran moeten zingen; verder logica, rhetorica en poëzie,
terwijl eerst onlangs ook wat aardrijkskunde aan het leerplan is
toegevoegd. Heel hoog en heel ver gaat de ontwikkeling dus niet.
De gezichten van de studenten, uit zoovele verschillende deelen van de
wereld komende, zijn voor den bezoeker 't bestudeeren waard. Niemand
van al die leerlingen toonde eenige belangstelling voor al de bezoekers
van de Moskee, ongestoord gingen de lessen door en men kon zien,
dat de aandacht der studenten ononderbroken was. Toch deed het
mij onaangenaam aan, dat zoovele toeristen, door niets anders dan
nieuwsgierigheid geleid en klaarblijkelijk dikwijls niets begrijpend
van de heilige geestdrift, die deze jonge mannen bezielt, daar in
dat voor hen heilige der heiligen binnenkwamen, deze jonge mannen
fixeerden en somtijds achter hun zakdoek een lach onderdrukten, of
hun spottend gelaat verborgen. De Mohammedanen moeten wel goedmoedige
en vredelievende menschen zijn, om al de profanatie te verdragen,
die de vreemdelingen jaarlijks in hun land en over hunne heilige
instellingen brengen.
Al de kosten aan het onderhoud van deze universiteit verbonden worden
betaald uit de fondsen van de Moskee. In den loop der eeuwen zijn
zoovele en zoo groote giften en erfenissen aan deze instelling ten
deel gevallen en nog jaarlijks komen er zooveel nieuwe groote giften
in, dat het bestaan er van financieel verzekerd is.
Ofschoon niet bepaald met Egypte in verband staande, maar wel passende
in het kader van dezen brief, wil ik hier het een en ander mededeelen
van een nieuwen godsdienst, waarvan, voor zoover mij bekend, in
Holland nog weinig of niets gehoord wordt en die in de toekomst toch
zeker een rol in de wereldgeschiedenis zal spelen. In hoeverre deze
godsdienst zich zal weten te handhaven en uit te breiden, waag ik niet
te profeteeren, maar de volgelingen verwachten ervan, dat hij binnen
niet al te langen tijd eenheid zal brengen onder de menschen en dat
hij in staat zal blijken Jood en Christen, Katholiek, Mohammedaan,
Boeddhist, Hindoe en alle andere godsdienstsekten te voldoen.
Ik bedoel het Béhaïsme. Reeds in Zuid-Afrika hoorden wij er nu en dan
van, doch meestal onder zeer bedekte termen, zoodat wij niet recht
begrepen wat de beteekenis er van was en eerst langzamerhand tot
ons doordrong, dat het een godsdienstvorm moest zijn. Zoodra toch
degeen, die 't genoemd had, bemerkte, dat wij er niets van wisten,
werd het gesprek er over dadelijk afgebroken en op een ander onderwerp
overgebracht. In Arabië noemde onze dragoman het even, toen wij den
berg Karmel in het gezicht kregen, als de plaats waar de Behaïs het
stoffelijk overschot van hunnen Meester hebben begraven en waar zij
zijn graftombe bouwden. Onze dragoman wist of vertelde er echter niets
meer van. Dikwijls hebben mrs. Catt en ik elkander afgevraagd, wat
toch die Behaïs mogen zijn, en nu hier in Egypte, geheel onverwacht,
geheel ongezocht,--wij wij dachten niet meer aan hen--hier kwamen wij
precies terecht in een groote groep volgelingen en meenden deze in ons
geschikte objecten te vinden, om ons tot hunne geloofsovertuiging over
te halen. Evenals in alle groote bewegingen, stellen wij ook in deze
beweging, die vele zeer ontwikkelde volgelingen bezit, groot belang;
woonden wij een der wekelijksche bijeenkomsten bij en lieten wij ons
door de hoofdpersonen in alle onderdeelen voorlichten.
In het kort komt hetgeen ik vernam hierop neer: In 1844, het jaar,
dat in verschillende heilige geschriften is aangeduid, als het jaar,
waarin een nieuwe profeet zou verschijnen, verklaarde een jonge
man van 25 jaar, Mirza Ali Mohammed, in de stad Shiraz, in Perzië,
dat hij de menschheid een boodschap van God had te brengen, dat hij
daarvoor door God was geroepen. Men gaf hem toen den naam "Bab", die
poort beteekent en geloofde, dat God deze poort gebruikte, om tot de
menschheid door te dringen. Hij werd de voorlooper en de stichter van
deze groote godsdienstige beweging. Hij bracht zijn boodschap en maakte
in korten tijd vele volgelingen. De snelle verspreiding van zijne
leerstellingen verontrustte de Perzische regeering, die hem gevangen
nam en in Juli 1850 te Tabriz fusilleerde. Ook de volgelingen van Bab,
voor zoover zij bekend waren, werden gevangen genomen en gedood.
De leer van Bab was heel eenvoudig. God is eenig; hij zendt van
tijd tot tijd een profeet op de wereld, die juist zooveel van de
Waarheid brengt aan de menschheid, als de menschheid in staat is
op dat oogenblik te verdragen, te begrijpen is misschien een beter
woord. Zoo kwamen Boeddha, Mozes, Jezus en nu Bab. Boeddha en Mozes
vonden de menschheid in de zuigelingsperiode, Jezus kwam, toen de
menschheid in de kinderjaren was en Bab vond de menschheid in volwassen
leeftijd. Vandaar, dat zijne leerstellingen verder kunnen gaan dan
die van Jezus, de menschheid kan nu beter begrijpen, grooter daden
verrichten. Bab wees 18 volgelingen als discipelen aan, waaronder
eene vrouw, Kurru-t'ul-Ayn, die een beroemde Perzische dichteres en
zeer schoon was. Deze vrouw, bij het Perzische volk zeer geliefd
om haar groote goedheid en groote zeggingskracht in hare werken,
werd na den dood van Bab letterlijk ter dood gemarteld. Met deze 18
discipelen tot hulp werden de leerstellingen van Bab geboekstaafd.
Onder de volgelingen van Bab was een jong Perzisch edelman,
die in Teheran woonde en daar als gevolg zijner weldaden den
"Vader der Armen" werd genoemd. Zijn naam was Béha-ullah en hij
werd beschouwd als de Meester, waarvan Bab in zijne geschriften
gewaagde, die komen zou om zijne leerstellingen te verbreiden. Het
zou mij te ver voeren, als ik al de vervolgingen waaraan Béha-ullah
van de zijde der regeering blootstond, en al de vernederingen, die
men hem aandeed, hier zou mededeelen; zij doen heel veel denken aan
alles, wat de eerste volgelingen van een nieuw geloof steeds hebben
ondervonden. Niettegenstaande dit alles bleef hij tot 28 Mei 1892 in
leven, toen hij als gevangene op 75-jarigen leeftijd stierf te Akka,
een plaatsje in de nabijheid van den berg Karmel, den berg van zoo
groote Bijbelsche beteekenis. Vóór zijn dood schreef hij, dat zijne
volgelingen, die in Turkije tot tienduizenden zijn aangegroeid, zijn
oudsten zoon, Abdul Béha, moesten volgen, dat hij "de Grootste Tak"
was, die het werk op aarde zou vervolgen en tot grooter ontwikkeling
brengen.
Deze zoon, die reeds met zijn vader verbanning, vervolging en
gevangenschap had verduurd, werd nu weer het mikpunt der regeering,
totdat, nu bijna vier jaren geleden, de nieuwe Turksche regeering,
in 1908, hem in vrijheid stelde. Sedert heeft de thans 67-jarige mooie
grijsaard herhaaldelijk Amerika en in den laatsten tijd ook Engeland en
Frankrijk bezocht. In Amerika maakte hij duizenden volgelingen, vooral
in Chicago, den grond, waarop blijkbaar alle nieuwe godsdienstige
uitingen zoo welig vrucht leveren. Maar ook in Engeland en in Frankrijk
heeft hij, vooral onder de intelligente (of die daarvoor in den regel
doorgaan) menschen reeds vele aanhangers gevonden.
Wat bevatten de leerstellingen van Béha, wat beoogt deze
godsdienst? vroeg ik. Uit de antwoorden, die ik kreeg, en uit hetgeen
men er mij over te lezen gaf, zou ik concludeeren, dat de kern
er van een soort geestelijk socialisme is, een streng doorgevoerd
humanisme. Rondom die kern zit voor mij nog te veel mysticisme en
wordt er nog te veel waarde gehecht aan het bidden. Overigens kent
het Béhaïsme geen priesterdom, de wekelijksche bijeenkomsten worden
geleid door een of ander uit de aanwezigen, soms daarvoor de week te
voren reeds aangewezen. Zelfontwikkeling en daarmede ontwikkeling
van anderen en philantropie in den goeden vorm, maken de hoofdzaak
uit van de handelingen der Béhaïs, die ik hier ontmoette. Op mijn
vraag, of men in Holland reeds volgelingen had, werd mij gezegd,
dat er misschien eenigen in Leiden voorkomen, maar dat in Holland
nog nooit een poging gedaan is om openlijk volgelingen te kweeken.
De Béhaïs durven nog niet openlijk voor hun geloof uitkomen, ten minste
niet in Turkije, waar zij aan zoovele vervolgingen hebben blootgestaan
en waar zij zich volstrekt nog niet veilig gevoelen. Zij zeggen nog
een woord, waaraan zij elkander kunnen kennen, of zij dragen een
herkenningsteeken in den vorm van een ring, een zeker soort doek- of
dasspeld, of een of andere kleinigheid aan horlogeketting. In Amerika
en in de Europeesche landen zijn zij minder bang voor vervolging,
maar meenen zij ook daar eerst meer volgelingen te moeten kweeken,
alvorens zij openlijk getuigen. Dit laatste valt heelemaal niet in
mijn geest, maar ik durf hen niet veroordeelen, nadat ik vernam,
hoeveel zij te lijden hebben gehad en dat niet alle volgelingen
sterke naturen zijn, en maatschappelijk onafhankelijk genoeg, om de
verdrukking te kunnen doorstaan.
Dat het Béhaïsme zoovele aanhangers vindt onder de Mohammedaansche
vrouwen, is te begrijpen. In de voorschriften toch is ook opgenomen:
volkomen gelijkstelling der seksen en wordt er aan het onderricht
der meisjes, de toekomstige vrouwen en moeders, groote waarde
gehecht. De Mohammedaansche vrouwen hopen door dezen godsdienst
groote verbeteringen in haar lot te verkrijgen, van den door haar zoo
gehaten sluier verlost te worden en hare harems te mogen verlaten. Een
harem beteekent hier niet datgene, wat wij gewoon zijn er onder te
verstaan. Een man, die streng monogaam leeft, heeft in zijn woning
toch een harem. Harem beteekent niets anders hier dan dat gedeelte
van het huis, waarin alleen de vrouwen van het gezin vertoeven en
waarin een vreemde man, een, die niet tot het gezin behoort, nooit
zijn voet zet. De vrouwen van het gezin in een monogaam huwelijk
zijn de moeder van den man, zijne echtgenoote, dochters, indien die
er zijn, en vrouwelijke bedienden. Binnen de grenzen van den harem
gaan de vrouwen ongesluierd en dragen Europeesche kleederen.