CAÏRO.

Het is waarschijnlijk wel te begrijpen, dat wij, nadat wij 't

quarantaine-station verlaten hadden, niet veel lust gevoelden ons lang

in Alexandrië op te houden. Onze meeste lotgenooten verlieten die

toch overigens wel mooie stad met de eerstvolgende gelegenheid. Zoo

wilden wij evenwel niet vertrekken, in elk geval wilden wij toch

een bezoek brengen aan de Catacomben, om de belangrijke Egyptische

begraafplaats, dateerende uit de 2e eeuw onzer jaartelling, te

zien. Deze begraafplaats werd aldaar een dozijn-aantal jaren geleden

ontdekt. Men gaat met een flinke breede wenteltrap, die gedeeltelijk

nieuw is, tot diep onder den grond en komt dan in 'n grooten tempel

met verschillende vertrekken, alwaar 150 lijken in afzonderlijke

gemetselde en gebeeldhouwde nissen gevonden werden. Het beeldhouwwerk

van vele dier nissen is zeer goed bewaard gebleven en zelfs een geheele

tempel, die hoogstwaarschijnlijk het lijk van een hooggeplaatst persoon

bevat, is bijna in ongeschonden staat aanwezig. Deze begraafplaats

is ongetwijfeld voor archaeologen en liefhebbers van oudheden een

afzonderlijk bezoek aan Alexandrië meer dan waard.

Nadat wij dit belangrijk stuk uit oud-Egyptische grootheid hadden

gezien, lieten wij ons door de voornaamste buurten van de stad rijden,

stapten even in het mooie, weelderig ingerichte Savoy-hotel af om een

goede afternoon tea te gebruiken en vertrokken met den trein van zes

uur naar Caïro. Wij waren weliswaar dien middag uit de quarantaine

ontslagen, maar geheel vrij waren wij toch nog niet. Wij hadden een

man, een begeleider, op den bok van 't rijtuig medegekregen, die

een lijstje met onze namen bij zich had, die ons tot in het station

bracht en zorgde, dat onze spoorkaartjes met een rood kruis geteekend

werden. Daardoor wist de conducteur direct met welk soort volk hij te

doen had en in Caïro werden wij des avonds om half tien opgehouden

en moesten weder eene medische inspectie doormaken en ons adres in

Caïro achterlaten. Ongelukkig was geen onzer in het bezit van een

Baedeker van Egypte, die hadden wij noch in Zuid-Afrika, noch in een

der plaatsen aan de oostkust, noch in Arabië kunnen machtig worden

en wij konden derhalve niet anders doen dan een hoteladres opgeven,

dat ons door--geen onzer wist meer wie--was aanbevolen. Naar dat

hotel begaven wij ons, doch onmiddellijk bij aankomst zagen wij,

dat wij verkeerd waren. Het was in zijn soort een heel goed hotel,

bij wat wij in Arabië ondervonden hadden zelfs zindelijk te noemen,

maar het was een hotel van den zooveelsten rang, in Baedeker, die

wij den volgenden morgen reeds om acht uur kochten, aangeduid onder

de rubriek: "en dan nog verscheiden hotels van minder gehalte". Wij

passeerden er een zeer onrustigen nacht, waren den volgenden morgen

reeds om zes uur kant en klaar om bij het eerste morgengloren er

op uit te trekken een Baedeker te koopen en een beter hotel op

te sporen. Dat alles gelukte vrij spoedig, zoodat wij om tien uur

's morgens reeds met pak en zak in het mooi gelegen en comfortabel

ingerichte Continental-hotel overgebracht waren.

Wat een gelukkig vrij gevoel bekroop mij, toen ik in dat goede

hotel een frisch bad kon nemen, van kleederen kon wisselen en mij

's avonds in een goed bed, met een kamer voor mij alleen, te slapen

kon leggen, en dat niemand meer over mij te bestellen had. Door ons

spoedig vertrek uit het eerste hotel schijnt de gezondheidscommissie

ons spoor bijster geworden te zijn, wij althans hebben van geen dokter

meer iets vernomen, terwijl andere lotgenooten nog de geheele week

des morgens een doktersvisite ontvingen.

Dit gedwongen langer verblijf in Arabië en daarna de 5 dagen oponthoud

in het quarantaine-station hebben de plannen, die wij voor ons verblijf

in Egypte gemaakt hebben, geheel in de war gestuurd. Mrs. Catt en

ik hadden reeds vóór wij naar het Heilige Land afgereisd waren een

hut besproken op de "Prinses Juliana" van de Mij. Nederland, die 9

Januari 1912 van Port-Said vertrekt. Wij hadden daardoor ongeveer

zes weken tijd om Caïro en het voornaamste gedeelte van den Nijl te

zien, maar nu onze tijd zoo is bekort geworden en wij bovendien eenige

dagen noodig hadden om ons te restaureeren, alvorens in staat te zijn

nieuwe indrukken te verwerken, nu zal van de Nijlreis waarschijnlijk

niet veel komen. Caïro levert alleen genoeg belangrijks op om een

week of vier met overvloed van afwisseling hier door te brengen. Wel

heeft Caïro voor personen, die in de laatste maanden zooveel oriëntaal

leven zagen, niet die groote aantrekkelijkheid, niet dat verbijsterend

nieuwe, als degenen ondervinden, die kersversch uit Europa naar hier

verplaatst worden. Veel van hetgeen wij hier zien, zagen wij reeds in

Damascus en in Jeruzalem en omstreken. Ook is Caïro, of liever dat

gedeelte van de stad, waarin de goede hotels gelegen zijn, zoodanig

gemoderniseerd, dat het, afgezien van de straattooneeltjes, daar op een

of ander Europeesche stad is gaan gelijken. De groote geheel Europeesch

ingerichte hotels, die, om toch een klein beetje het oriëntaal karakter

te behouden, bedienden voor een deel uit inboorlingen, gekleed in

roode of anders gekleurde Turksche broek en kort jakje, dat rijk

met goudborduursel is gegarneerd, recruteeren; de groote Fransche,

Engelsche en Amerikaansche winkels, met hunne Europeesche koopwaren;

de kantoren van de groote stoomvaartlijnen, de bankinstellingen,

de Parijsche café's, 't Fransche en Italiaansche operagebouw en nog

zoovele andere gebouwen ontnemen aan het centrum der stad 't geheel

Egyptisch karakter. Wel zijn al deze gebouwen gegroepeerd om een

grooten, smaakvol aangelegden tuin, den Ezbekujeh-tuin, met eenige

zeer buitengewone, zeldzaam mooie boomen, die, door de vele vrij dikke

luchtwortels, die van boven uit de takken naar beneden hangen, doch

zoodra zij den grond bereiken in den grond zich vastmetselen, den stam

van den boom een allerzonderlingsten vorm geven; maar deze tuin kan

alleen den indruk niet wekken dat men in een Egyptische stad vertoeft.

Dien indruk krijgt men pas goed, als men buiten de stad gaat en een

bezoek brengt aan de wereldbekende pyramiden en de Sphinx. Reeds de

rijtoer daarheen, passeerende de Nijlbrug en door het dorp Gizeh,

brengt reeds die zekere Egyptische stemming. Rondom ziet men dan

veraf overal de woestijn, met het droge, glinsterende, witte zand,

waardoor de zon zoo krachtig en heet teruggekaatst wordt, en waarin

veraf overal de donkere pyramiden den kop in de lucht steken. De meest

indrukwekkende van al deze pyramiden is de groote pyramide van Gizeh,

welke bij den ingang van de Libyan-woestijn, in de onmiddellijke

nabijheid van de Sphinx staat. Deze kolossus, die verondersteld wordt

meer dan 6000 jaren oud te zijn, brengt elkeen alleen in verbazing

over de enorme afmetingen en ook over den jarenlangen arbeid, dien 't

gekost moet hebben om hem tot stand te brengen. Uit een architectonisch

of aesthetisch oogpunt vind ik er niets aan te bewonderen, maar wel

dringt, hoe langer men er naar kijkt, steeds meer het besef door met

welke reuzenafmetingen men hier te doen heeft. Volgens de opgaven

zouden er, loopende over twintig jaar, elk jaar gedurende drie maanden

100.000 man aan gewerkt hebben om de eenige millioenen granietblokken,

elk van 40 kubiek voet grootte uit te houwen, te fatsoeneeren en op

te stapelen. En dat ding was gebouwd om als graftombe te dienen van

koning Cheops en zijne familieleden. Al die pyramiden zijn graftomben

van een of ander vorstelijke familie. Zeer zeker een zeer eigenaardige

manier om zijn lijk te laten bewaren.

Een geheel anderen indruk verwekt de Sphinx, waarvan zoovele

bewonderaars van Egypte zoovele romantische verhalen, weten te

doen. Als men Pierre Loti's boeken en herhaalde beschrijvingen over dit

bewonderingswaardige monument leest, en als men in aanmerking neemt,

dat tal van personen in de onmiddellijke nabijheid er van, midden

in de woestijn, in den letterlijken zin van het woord, hunne tenten

opslaan om in de gelegenheid te zijn, dit wonder uit de oudheid onder

alle soort belichting en bij zonsopgang en zonsondergang te zien en te

bestudeeren, dan begrijpt men zeker, dat ik mij aan eene beschrijving

er van niet waag. Ik zag het op een mooien zonnigen namiddag; ik

vleide mij in het warme mulle zand aan den voet van het monster neder

en observeerde wat deze mannenkop op leeuwenlichaam mij te vertellen

zou hebben. En het vertelde mij zulke geheel andere zaken als die ik

er van gelezen had, dat ik ze niet waag neer te schrijven. De nuchtere

impressie, die ik het allereerst kreeg, was, dat het zeer te betreuren

is, dat deze reuzenkop zijn neus verloren heeft, dat er een hak uit de

lippen is en dat de nek de helft van zijne afmetingen heeft verloren,

maar na eenigen tijd maken deze mankementen niet meer den hoofdindruk

en beginnen de mysterieuse oogen te spreken. Maar, zooals ik reeds

opmerkte, wat die mij te vertellen hadden, behoud ik voor mij zelf.

Moskeeën zijn in Caïro over de vijfhonderd, daaronder zijn er heel

mooie en heel oude, maar wij zijn er hier maar enkele binnen gegaan,

omdat wij in de laatste weken zooveel van die dingen zagen, dat wij

er nu voorloopig genoeg van hebben.

Als overal in deze soort steden gevoel ik mij hier het meest

aangetrokken tot het volksleven, geen dag gaat er voorbij, waarop

ik niet een korten tijd hier in den bazaar doorbreng. Bazaar

heeft in deze oriëntale steden eene andere beteekenis dan wij er

gewoon zijn aan te hechten. De bazaar is dat gedeelte van de stad,

waar alle handwerkslieden hun bedrijf uitoefenen en hunne winkels

hebben. Het is een complex van zeer nauwe straatjes, die als in een

doolhof in elkaar loopen en waar in elk straatje een afzonderlijk

beroep wordt uitgeoefend. Er is een straatje voor de schoenmakers,

een voor de goudsmeden, de koperwerkers, de kappers, de kleermakers,

enz. enz. Het beroep wordt altijd in de kleine open ruimte uitgeoefend,

die tegelijkertijd ook het winkeltje is. De straatjes zijn zoo nauw,

dat men elkaar er nauwelijks in passeeren kan. In die nauwe, bont

gekleurde straatjes in Caïro vindt men het echte Egyptische leven. Het

lijkt op dat van alle oostersche steden, maar het heeft toch hier

zijn bijzonder karakter en zijne eigen bekoorlijkheid. Behalve dat de

eigenaars van de winkeltjes elken voorbijganger nopen tot staanblijven

om zijne waren te bezien, "kijken kost niets" hoort men in alle talen

en in alle toonaarden telkens opnieuw zich toeroepen, maar ook de vele

wandelende winkeliers, mannen, behangen met een heelen winkelinhoud,

sporen je telkens aan hetgeen zij te koop aanbieden te bezien en

iets van hen te koopen. Tusschen het geschreeuw van dezen hoort

men onophoudelijk het rinkelen van glazen en kopjes van kooplieden,

die behangen zijn met het een of ander vaatje, gevuld met smakelijk

vocht uit een café, die de menschen willen aansporen een glas of een

kop leeg te drinken van het door hen aangeboden lekkere vocht, dat

dikwijls niets anders is als water met een of ander geurtje. Komt men

één oogenblik in een beetje breeder straatje, dan kan men onophoudelijk

plaats maken voor de ezeltjes, die aan weerszijden behangen zijn met

vruchten, groenten of ook wel allerlei andere koopwaren, die door

den drijver van het beest op luiden toon en met veelzijdige gebaren

te koop worden aangeboden. Dat alles en onnoemelijk veel meer geeft

een levendigheid, geroezemoes en kleurigheid aan dit interessante

stadsdeel, dat beter geschilderd dan beschreven kan worden.

Hoewel ook dit Oostersch volk een eigen opvatting van zindelijkheid

heeft, is het hier toch oneindig veel zindelijker en hygiënischer

dan in Jeruzalem en Syrië. Ook is het volk hier beter gekleed. De

Arabier schijnt er een eer in te stellen zijne kleederen zoolang

te dragen, tot zij hem van het lijf vallen en blijkbaar worden zij

in al dien tijd dan ook nooit gereinigd; de Egyptenaar, voor zoover

die zich ten minste in de straten vertoont, schijnt juist zeer veel

aan goede en mooie kleeding te hechten. Vooreerst is het opvallend,

zoo goed en smaakvol hier iedere man en vrouw geschoeid gaan, bij

het volk zijn vooral roode en gele schoenen zeer in den smaak, en

dan zijn de lange kleederen en de hoofdbedeksels van de Egyptenaren

steeds van zulke mooie harmonieerende kleuren en van zulk een goede

kwaliteit, dat men onwillekeurig de verkeerde conclusie gaat trekken,

dat de kleedingstoffen en het maken er van hier weinig geld kosten.

Doordat de Mohammedanen, en die vormen hier natuurlijk de groote

meerderheid van de bevolking, hun Zondag of wekelijkschen rustdag

op Vrijdag vieren, de Joden op Zaterdag en de Christenen op Zondag,

daardoor is hier nooit een dag in de week, dat alle werk stilstaat

en alle winkels gesloten zijn, of dat zoo'n dag een bepaald karakter

heeft. Alleen de musea en andere openbare instellingen zijn des

Vrijdags gesloten, de Mohammedanen houden echter hunne winkeltjes

tusschen de godsdienstoefeningen open. Donderdag is vooral een

levendige dag in de volksbuurten van Caïro, het is de dag vóór hun

Zondag en evenals de Jodenbuurt in Amsterdam op Vrijdag een bijzonder

cachet heeft, zoo is dat hier het geval op Donderdag.

Als men in die straatjes ronddwaalt, gebeurt het soms, dat men

plotseling komt op een plekje, waar een oude man met acht of tien

jongens op een mat luid zitten te zingen. Dat is dan een zekere soort

school, waar de jongens niets anders leeren als den Koran lezen. Ik

kreeg echter niet den indruk, dat de jongens den Koran leeren lezen,

veel meer, dat zij die van buiten leeren en in den goeden toon leeren

zingen. Het onderwijs is ook hier nog zeer slecht, maar daarover

schrijf ik later, als ik eerst wat scholen gezien heb; verplicht

onderwijs bestaat er niet en tal van analphabeten komen hier voor.

Er zijn hier natuurlijk nog tal van bezienswaardigheden, die ik

hier dan ook successievelijk als een goed toerist ben gaan zien,

doch die daarvan meer wil weten moet maar eens een Baedeker koopen en

die nalezen. De musea, hoewel zeer interessant en een herhaald bezoek

overwaard, hebben toch naar mijne meening geen grooter en uitgebreider

collectie Egyptische bijzonderheden, dan er in het Britsch Museum te

Londen te vinden is.

De groote aantrekkelijkheid, die Caïro voor vreemdelingen bezit, moet

gezocht worden in het overheerlijk klimaat. Dat klimaat lokt elken

winter tal van vreemdelingen en doet hen hier de drie of vier natte,

koude wintermaanden in eigen land ontvluchten. Nu in het einde van

December genieten wij hier elken dag van een heerlijken zonneschijn,

met een temperatuur van 60 à 70 graden Fahrenheit en daarbij een

door en door droge lucht. De avonden zijn koud, maar van een droge,

windstille koude, die niet onaangenaam aandoet. Toch werkt dit klimaat,

als men hier pas komt, dikwijls zeer noodlottig. Door het frissche,

opwekkende weder, meent men hier in staat te zijn veel te kunnen doen

en vooral den geheelen dag in de lucht te kunnen vertoeven. Men gaat

's morgens uit en men gaat weder direct na de lunch uit en blijft

buiten tot de hotelgong roept om zich voor het diner te kleeden en

men verwondert zich dan, dat men na een paar dagen geheel op is en

niet in staat nog eenige indrukken in zich op te nemen. Als men

dan niet door de hier veel voorkomende ziekte, "zonlichtkoorts",

wordt aangetast, mag men van geluk spreken. Dit is een koorts, die

de patiënten vrij onverwacht overvalt, met een temperatuursstijging

tot 40 graden toe, en die met hoofdpijn, roodgezwollen gezicht en een

onaangenaam ziektegevoel gepaard gaat. Eenige dagen bed-rust brengt

dan wel weder evenwicht in het gestel, maar de patiënt betaalt toch op

een leelijke manier tol voor zijne onvoorzichtigheid, die dikwijls het

gevolg is van te veel op een dag te willen doen. Denk niet, dat ik

zelf de dupe was van deze ziekte, maar ik had gelegenheid een geval

van nabij gade te slaan.

Is men hier echter voorzichtig, door alleen 's morgens of alleen

's middags uit te gaan, dan kan men hier in den tijd, dat 't in ons

kikkerland, donker, nat en koud is, een heerlijken tijd doorbrengen en

veel van het mooie weder genieten. Op den duur schijnt het klimaat

toch ook hier afmattend te zijn; een Engelsche militaire dokter

vertelde mij, dat een verblijf van vier of vijf jaar de energie van

de meeste jonge menschen hier geheel doodt en men ze dan eerst weder

voor geruimen tijd naar Europa moet sturen om nieuwe krachten en moed

te verzamelen. Dit komt mij een beetje overdreven voor, maar ik ben

hier in den winter, of wat hier winter genoemd wordt en kan dus over

de zomermaanden niet oordeelen.

Voor wat het toeristendeel van Egypte betreft, kan men gerust zeggen,

dat het voor 3/4 deel aan het toeristenbureau van de firma Cook

toebehoort. Booten, hotels en andere dergelijke gelegenheden, die

men op reis moet benutten, zijn bijna zonder uitzondering in handen

van Cook's firma en hoe men zich hier wendt of keert, men komt bijna

altijd weder bij Cook terecht. Daardoor is alles hier bovenmatig

duur en wordt er bovendien door die firma een overdreven reclame

voor Egypte gemaakt, die zeer zeker bedriegelijk is. Afgezien van

het gunstige klimaat in den winter, waardoor zwakken en zieken hier

'n goede verblijfplaats vinden, is Egypte hoofdzakelijk van bijzondere

interesse voor archaeologen, historici en architecten, doch de gewone

toerist kan zich voor minder geld in verschillende andere oorden

van de wereld evengoed amuseeren. Wil men de wereld zien, dan moet

men natuurlijk ook Egypte zien, maar men late zich niet verlokken

naar Egypte te komen alleen op de reclameplaten en advertenties,

uitgaande van de firma Cook & Co.

Ik heb thans wat Engelsche, hier wonende, heeren en dames en eenige

Egyptische doctoren leeren kennen; wat die mij in de volgende dagen

van Egypte zullen laten zien, daarover hoop ik in een volgenden brief

te schrijven.

Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen · 第 61 / 133 题