Om zeven uur stonden vanochtend de twee rijtuigen, elk met drie
paarden bespannen, weder gereed om ons van uit ons veilig oord in
Jeruzalem weg te voeren. Zoo zonder omwegen ging dat echter niet. Wij
werden gewaarschuwd, dat wij een bewijs moesten medenemen, dat wij
sedert de cholera niet in Jaffa waren geweest en dat wij allen gezond
waren. Onze dragoman had daarvoor spoedig een medicus gevonden, die op
zijn medisch geweten nam voor tien gulden te verklaren, dat wij niet
in Jaffa waren geweest en dat wij gezond waren, zonder dat de man een
van ons allen gezien had. Met dit gewichtig document gewapend begaven
wij ons op weg. Het landschap verschilde niet veel van dat, wat wij
ook de vorige dagen genoten hadden en de menschen en dieren, die wij
ontmoetten, waren ook vrijwel gelijk aan die wij reeds kenden. Alleen
toen wij Jeruzalem wat verder achter den rug hadden, begon vooral de
hoofdtooi der vrouwen zich te wijzigen. Groote karavanen kameelen en
muilezels, alle zwaarbeladen, passeerden ons. In één karavaan telden
wij 34 kameelen en ontzaglijk veel ezels.
Het weder was als tot dusver steeds buitengewoon mooi, wij konden
het ons niet beter wenschen. Om half een hielden wij halt. Het was in
het dal van Ephraim, aan den voet van een berg en vlak bij een bron,
waaruit de dochteren van Lubban in geitehuiden water kwamen halen en
met de gevulde huid op het hoofd (de gevulde huid zag er nu uit als
een dood geitje) bergopwaarts togen om het water te brengen naar het
dorpje, dat op den top van den berg gelegen is.
Wij hadden een lunch, en een heel goede, van de Amerikaansch-Zweedsche
kolonie mede gekregen en nu vlijden wij ons neder in de schaduw van
een grooten vijgeboom en lieten ons de boterhammen, de vruchten en
de zoetigheden goed smaken.
Natuurlijk passeerden wij op den weg weder allerlei historische
bijzonderheden; elke bron, elk oud vergaan huis, elke graftombe, elk
dorp bijna heeft bijbelsche vermaardheid, doch één plekje had voor ons
eene bijzondere beteekenis. Dicht bij Nabulus was de bron van Jacob,
waar Jezus de vrouw van Samaria ontmoette, waarover Reverend Anna Shaw
op den Zondag, voorafgaande aan het congres voor vrouwenkiesrecht in
Stockholm, in de Staatskerk aldaar, zoo mooi sprak.
Om vier uur waren wij in Nabulus, alwaar wij logeeren in een hotel,
dat door de directie van de Hamburg-Amerikalijn daar geplaatst is en
geëxploiteerd wordt. Wij gingen onmiddellijk op weg om nog iets van
het stadje bij daglicht te zien. Door tal van nauwe, vuile straatjes,
veel overeenkomst hebbende met die in Jeruzalem, bracht onze gids ons
in een poort, waarachter een complex van woningen, alle bewoond door
eenzelfde soort menschen. Het zijn de Samaritanen. Er bestaan nog 180
leden van deze gemeenschap. Het is een vreemd soort menschen. Hoewel
hunne feestdagen, godsdienstoefening enz. heel veel overeenkomst
hebben met die der Joden en zij er zeer semitisch uitzien, haten en
verachten zij toch de Joden, evenals de Christenen. Zij voelen zich
boven allen verheven. Zij hebben hun eigen kerkje en vormen zelfs
hun eigen gemeente. Het hoogepriesterschap is erfelijk en gaat van
vader op oudsten zoon over. De hoogepriester is tegelijkertijd ook het
burgerlijk hoofd en beslist over alle moeilijkheden, die er tusschen
de Samaritanen onderling mogen voorkomen. Het merkwaardigste van dit
handjevol menschen, die langzaam uitsterven, is dat zij werkelijk
in het bezit zijn van de oudste uitgave van het Oude Testament. Het
exemplaar, dat zij bezitten, is 3636 jaar oud. Een copie, een namaak
er van, wordt den vreemdelingen vertoond, want het echte exemplaar
wordt alleen bij groote uitzonderingen voor den dag gebracht.
Het stadje vertoont overigens dezelfde eigenaardigheden, die wij ook
in Jaffa en Jeruzalem zagen; tijd om er veel van te zien hadden wij
niet, omdat de straten te vuil en te glibberig zijn om zich er in
het donker in te wagen.
Om zes uur vanochtend zaten wij reeds weder in de rijtuigen, omdat
ons vandaag een zware dag wachtte. Het was echter, niettegenstaande
de dragoman ons er alles van verteld had, nog erger dan wij ons hadden
kunnen voorstellen. De weg is geen rijweg, nauwelijks zelfs goed genoeg
om er per paard over te komen. De meeste passagiers maken dien tocht op
ezels en doen er dan twee dagen over. Maar dat was voor ons onmogelijk,
omdat wij op tijd in Beirut moesten aankomen en omdat een ander hotel
van de Hamburg-Amerikalijn, dat ongeveer op de helft van den weg ligt,
nu gesloten is, en om in tenten buiten te kampeeren, zooals zomers ook
veel toeristen doen, zijn de nachten nu te koud. Wij hadden dus geen
keuze en moesten door dezen zwaren dag heen. Den geheelen dag ging het
berg op en berg af en dan weer door een vallei en steeds over gaten,
boomstammen, steenen en langs afgronden. Herhaaldelijk moesten wij
uitstappen om te loopen, en ware de afstand niet veel te groot geweest,
dan hadden wij dat zeer zeker verkozen boven zoo'n rijtoer. Nu en dan
gingen wij dwars over een weiland, of over de versch geploegde voren,
van een bouwveld.
Om half twaalf hielden wij een rustpoos, om de paarden rust te geven,
en in dien tusschentijd vlijden wij ons allen op onze uitgespreide
reisdekens neder en werden door den dragoman bediend van een koude
lunch, zoo goed alsof wij in een groot hotel waren. Om zes uur kwamen
wij in Nazareth in het hotel aan, waar telegrafisch reeds kamers
voor ons besteld waren. Evenals gisteravond in Nabulus moesten wij
ook hier direct laten constateeren, dat wij niet van Jaffa kwamen en
geen cholerabacillen medevoerden.
Het landschap vertoont steeds hetzelfde eigenaardig aanzien, wat
wij door heel Palestina opmerkten. Hooge kale bergen, dorpjes altijd
gebouwd op den top der bergen, en vruchtbare en onvruchtbare dalen. Wij
passeerden nu wat meer boomen, soms zelfs kleine bosschen, doch alle
boomen zijn olijf- of vijgeboomen en een zeker soort cactus. Deze
laatste kan natuurlijk niet onder de boomen gerangschikt worden,
maar zij groeien hier in groote hoeveelheid, zijn soms zoo hoog en
breed als boomen en geven een smakelijke vrucht, een zeker soort peer.
Dicht bij Nazareth passeerden wij een zeer vruchtbare vallei, waarin
een Joodsche kolonie zich kort geleden gevestigd heeft. Al de bouwgrond
rondom is door de vereeniging of maatschappij, die hen ondersteunt,
opgekocht, zoodat zij zich hier goed kunnen ontwikkelen. Het zag er
alles flink en hoopvol uit.
Wij behoefden vandaag eerst na de lunch uit Nazareth te vertrekken
en hadden daardoor vanochtend alle gelegenheid het stadje te
doorkruisen. De plaats waar Jezus zijn kinderjaren doorbracht en
gewerkt heeft, bezit natuurlijk tal van historische herinneringen
en men kan gerust zeggen, dat op elk plekje, waar men maar gelooft,
dat Jezus Zijn voet heeft gezet, nu een kerk of een klooster staat,
aan een of andere godsdienstige sekte toebehoorende. Al die Fransche
monniken en nonnen, de Grieksche priesters, de Russische Katholieken en
andere vreemde vrome mannen en vrouwen, die hier sedert jaren wonen,
hebben echter van de bevolking nog geen twintigste-eeuwsche menschen
gemaakt. De ontwikkeling en beschaving is hier minstens vijf eeuwen
ten achter, terwijl zeden en gewoonten nog dateeren van het begin
der jaartelling. In het midden van het stadje is een zeer oude bron,
waar den geheelen dag de vrouwen en meisjes uit de bevolking komen
om water te halen, dat zij in eigenaardige aarden kannen op het hoofd
dragen en huiswaarts voeren. Hier hadden wij gelegenheid op te merken,
hoe mooi bijna alle vrouwen van Nazareth zijn. Mooi van bouw en van
eene bijzondere Oostersche schoonheid.
Om twaalf uur reden wij hedenmorgen weg, nadat de dragoman eerst
het bewijs, dat wij gezond waren en niet uit Jaffa komen, door een
officieel persoon in Nazareth had laten verifieeren. Dit was nu
eens een zeer mooien tocht. Het landschap was geheel veranderd, de
hooge bergen zagen er niet zoo wild en onherbergzaam uit, de groote,
breede vlakten waren groen of omgeploegd om tegen het voorjaar groen
te worden, de karavanen op den weg veel menigvuldiger en telkens
passeerden wij dorpjes, waarvan de schilderachtigheid vooral van
uit de verte gezien, alle beschrijving te boven gaat. Het was mij,
alsof ik in een sprookjeswereld verkeerde.
Zoo'n dorp heeft veel van een dorp der roodhuiden in Amerika, met
dit verschil alleen, dat de huizen der Indianen alleen van boven in
een van de kalk- en moddermuren een vierkant gat hebben, waardoor
men met een ladder in het huis kan klimmen, terwijl deze Arabieren
onder in den muur een vierkant gat hebben, waardoor men gebukt het
huis kan binnentreden.
Om een klein staaltje te geven van het totaal gemis aan eenig begrip
van hygiëne, wil ik trachten een klein tafereeltje te schetsen van
hetgeen wij vanmiddag op onzen weg zagen.
In een dorpje was een groote bron, waarbij koeien, ezels, olifanten,
geiten en schapen in grooten getale hun dorst leschten. Eenige
vrouwen stonden met hunne bloote beenen in de bron te wasschen, eenige
mannen waschten er hunne bestofte, vieze, vuile voeten en beenen in,
het water zag zoo modderig en smerig als men maar met mogelijkheid
denken kan, en toch vulden aan deze bron de vrouwen hunne kannen en
kruiken om het water huiswaarts te voeren en zagen wij mannen dat
water zoo uit de bron drinken. Maar dat tafereeltje aan die bron
was schilderachtig. Al die mannen en, vrouwen, met hunne roode,
blauwe, gele en groene lange kleederen, de vrouwen met de kleurigste
harembroeken onder hun dun rokje uitkomende en met de Oostersche
hoofdbedekking, en de Arabieren allen met hunne gekleurde hoofddoeken,
daar tusschen al dat vee vrij rond plassende, was mooier dan ik kan
weergeven. Deze mannen en vrouwen zijn bijna allen mooie menschen,
maar jammer boven jammer, al die vrouwen hadden hunne mooie gezichten
op de vreemdste wijze getatoueerd. Allen hadden zonder uitzondering
een kruis of een ander teeken boven de neus, tusschen de wenkbrauwen
in, terwijl velen de wangen en den mond met allerlei teekens versierd
hadden. Eén meisje zagen wij, die rondom haar mond zoo getatoueerd was,
dat het leek, alsof het fijne, teere kind een baard had.
Ongeveer een uur vóór dat wij Tiberias bereikten, zagen wij van
boven van den berg, waarop wij waren, op het fraaie meer van Galilei
neer. "Het meer van Genève" riepen wij allen tegelijk uit, zoo leek
het van verre precies; doch toen wij nader kwamen, zagen wij, dat
de oevers van het meer geheel anders zijn, dat de soliede, steenige
bergwand, die vrij steil vanuit het meer opstijgt, niets gemeen heeft
met de bewoonde, groene oevers van het Zwitsersche meer.
Kort voor wij in Tiberias aankwamen, passeerden wij eene zeer
vruchtbare vallei, waarvan de Zionisten (of zou het niet de
Hirschvereeniging zijn?) alle grond heeft opgekocht en waar nu reeds
een 25 of 30 Joodsche families de nieuw gebouwde woningen bevolken.
Wij kwamen nog vóór vier uur in Tiberias aan, buiten de wallen
opgehouden door een overheidspersoon, die ons met een groote mate van
gezag vroeg van waar wij kwamen en of wij gezond waren. Mr. Barakat,
de dragoman, vertoonde het bewijs en nadat de overheidspersoon en
nog een ander heer met groot gewicht, dat papier gelezen en herlezen
hadden, konden wij doorgaan. Van hieruit moeten wij nu morgen vroeg
zoo'n nieuw document medevoeren.
Wij gingen onmiddellijk het stadje in, dat liefelijk aan het
wereldbekende meer gelegen is. Er is nog een ruimte, die--zoo zegt
men--uit Herodus' tijd stamt en van de zeer oude wallen, waarmede het
stadje eertijds omgeven was, staan overal nog brokstukken. Het stadje
is op zichzelf heel oud en op dezelfde wijze gebouwd als alle Arabische
stadjes die wij zagen. Zeer nauwe vieze, vuile straten. De bevolking
hier bestaat voor een groot deel uit Orthodoxe Joden, waaronder tal
van Poolsche Joden. Men hoort hier dan ook in de straten zeer veel
Duitsch spreken. Even vóór zonsondergang zagen wij een troep Joden
eene godsdienstoefening in de open lucht op een stuk weiland houden.
Tiberias is des zomers zeer bezocht door vreemdelingen, die hier van
de zwavelbronnen komen profiteeren voor rheumatisme en huidziekten. Ik
zou al heel ziek moeten zijn en nergens anders genezing kunnen vinden,
eer ik zou besluiten hier een badkuur te doen. De natuur is mooi
genoeg, maar de menschen zien er allen zeer weinig aantrekkelijk
uit en Baedeker vertelt, dat er niet één te vertrouwen is. Voor een
crimineele anthropologist is hier een prachtig studieveld. Vóór
wij Tiberias verlaten,--op het meer zullen wij morgenochtend nog
een zeiltochtje maken,--wil ik aan degenen die er belang in stellen
mededeelen, dat hier op een heuvel, de graftombe van den beroemden
Rabbi Akiba gevonden wordt.
Donderdagochtend vertrokken wij om half zeven uit Tiberias, vanwaar
wij met een zeilboot het meer van Galilei overstaken om bijtijds in
Smalakh te komen, om den trein te halen, die om half negen vandaar
naar Damascus vertrekt. Wij genoten een mooien zonsopgang op het
meer. Allerlei legenden worden van dit meer verteld. Wij kwamen
juist op tijd in het Turksche dorpje om den trein te krijgen,
die op 't punt van vertrekken stond. Zoo'n trein te missen zegt
hier veel, want er gaat maar één trein daags en gelegenheid om in
zoo'n dorp te overnachten, bestaat niet. Wij waren blij, dat wij
eindelijk in een trein zaten en dat de spoorreis niet al te bezwarend
was. Het spoorverkeer is nog in een stadium van wording en vooralsnog
vergenoegt men zich hier met de afgedankte en zeer verouderde wagons
van Duitschland. Zoo'n tocht in een trein in een vreemd land en vooral
in een zoo achterlijk land is altijd interessant, geen oogenblik
viel ons dan ook de tocht te lang. Vooral aan de stations zagen wij
soms zeer eigenaardige tooneeltjes; ik zou zoo'n Arabischen trein wel
eens voor één dag door Holland willen laten rijden. De rare koppen,
vooral omdat de hoofdtooi van mannen en vrouwen hier zoo vreemd is,
die bij elk station uit de vierkante gaten, die voor vensters moeten
dienst doen, hingen, is een gang naar het station waard.
Om vijf uur kwamen wij in Damascus aan en hadden eerst een half uur
lange rit door de stad te maken, alvorens wij het Damascus Palace
Hotel bereikten. Welk een merkwaardigen indruk maakt deze stad. Geheel
iets anders als Jaffa en Jeruzalem; zij maakte op ons meer den indruk
eene oude Moorsche stad te zijn. Het hotel waarin wij logeeren is een
oud paleis, dat door verarming der eigenaars verkocht en voor hotel
ingericht werd. Alles is hier Oostersch mooi.
Daar Baedeker beweert, dat er in Damascus theaters zijn en wij dat
ook hier vernamen, besloten wij, na 't diner, met onzen dragoman
een er van te bezoeken. De dragoman, die meer nog dan wij zelf,
voor ons decorum zorgt, had er niet zoo heel veel lust in, maar op
ons aandringen besloot hij met ons te gaan naar een, waar "dames
fatsoenlijk kunnen komen". Wij hebben nu gezien hoe men zich hier 's
avonds fatsoenlijk amuseert. Het theater is een soort Café Chantant,
waar alleen mannen waren. Of er bij andere gelegenheden wel eens
vrouwen komen, geloof ik niet, maar dames zijn er welkom. Wij
hadden geen last van de mannen, alleen keken zij allen meer naar
ons dan naar hetgeen op het tooneel voorviel. Elke man zat er met
een Turksche pijp in den mond, een pijp met een lange slang, terwijl
er een met water gevulde karaf voor hem stond. Die pijpen hebben de
goede eigenschap, dat zij geen rook verspreiden en al het kwaad, dat
zij stichten alleen den rooker ten goede laten komen. Verder werd er
Turksche koffie en water gedronken. Niet ieder kreeg een glas water,
maar een karaf of kan water werd voor een groepje mannen neergezet en
daaruit werd beurtelings gedronken. Ook waren er groepjes personen,
die gezamenlijk uit één pijp rookten, die dan van mond tot mond
ging. Geen pijp werd door den kellner neergezet die hij niet eerst
zelf geprobeerd had en eerst als hij goed brandde, kreeg de besteller
hem. Op het tooneel werd er ondertusschen door twee leelijke dames op
de guitaar gespeeld en afschuwelijk gezongen; allemaal keelgeluiden,
op dezelfde wijze als de Koran gelezen wordt. Eenige mannen die op een
tamboerijntje sloegen, of een ander primitief instrumentje bespeelden,
hielpen het succes verhoogen. Na den zang kwam de dans. Een in het
zwart gekleede juf, zoo modest mogelijk, voerde een soort buikdans
uit, die zeer in den smaak viel van het talrijk heeren-publiek. Toen
hadden wij er genoeg van en gingen huiswaarts.
Vrijdag is een Mohammedaansche feestdag, doch was deze week een
bijzonder heilige dag. De gouverneur ontving den geheelen ochtend
officieele bezoeken; wij hadden daardoor de gelegenheid niet alleen
het vertoon van vele Oostersche officieele kostuums te zien, maar daar
ook Damascus' inwoners, evenals de menschen uit alle andere landen,
belangstellen in het gezicht van zoovele officieele, mooi opgetuigde
persoonlijkheden, kregen wij eene goede gelegenheid om de Turksche
mannen, vrouwen en kinderen in hunne Zondagsche kleeding te zien. Wat
een pracht van kleuren en stoffen. De meeste dames die wij zagen waren
in zware zijden Turksche costuums gekleed en daar ook zij evenveel
belang stelden in ons als wij in hen, werd vaak even de dichte sluier
opgelicht, om ons beter te kunnen opnemen. Enkelen sloegen zelfs de
sluier geheel naar achteren en lieten zich ongegeneerd in de mooie
zwarte oogen kijken. Het dragen van de sluier schijnt hier niet
zoo strikt opgevolgd te worden als in de plaatsen, die wij te voren
bezochten. Ook de mannen droegen prachtige zijden gewaden, waarover
soms een met fraai bont omrand overkleed, of een van zeer fijn laken,
dikwijls van dezelfde tint.
De Moskee, (er zijn er hier over de honderd), met een onuitspreekbaren
naam, is de oudste, de grootste en verreweg de mooiste, die wij tot
nog toe zagen. Deze Moskee, waarvan bij herhaalde branden stukken
verloren zijn gegaan, doch die zooveel mogelijk steeds gerestaureerd
werd, dateert van de 4e eeuw. De gekleurde vensters, de emailleering,
de marmeren zuilen, getuigen alle van onberekenbare oudheid. Het
geheele gebouw is met prachtige Perzische tapijten behangen en
belegd. De geschiedenis van dit gebouw is te lang om er hier over te
durven beginnen.
Wij hadden den geheelen dag tijd om de stad met hare vele mooie
vruchtentuinen, haar interessante bazaar en hare vreemde bevolking
goed op te nemen, daartoe waren wij van 9 uur 's morgens tot 6 uur
namiddags op de been. Gaarne zouden wij hier eenige dagen langer
gebleven zijn om de vele winkels met orientalische bijzonderheden
wat beter te kunnen doorsnuffelen, maar de hoop, dat wij Zondag in
Beirût een boot zullen vinden, die ons naar Port-Said terugbrengt,
dreef ons Zaterdagmorgen om 7 uur reeds weder verder.
Bij ons bezoek aan de groote Damascus-fabriek van koperwerken, zagen
wij treurige staaltjes van kinderexploitatie. Het ciseleeren en het
bewerken van de koperen artikelen is alles handwerk en geschiedt door
kinderen, bijna allen meisjes. Mannen teekenen met een zeker soort
inkt de figuren op de stukken en de kinderen hakken de figuren uit,
leggen er zilverplaatjes of zilverdraadwerk in, of bewerken ze op
andere wijze. Er waren vele meisjes van 5 en 6 jaar onder, en het
werk van een zesjarig kind werd ons als bijzonder knap werk getoond
en de directeur roemde de handigheid en de smaak van het bleeke,
holoogige kind. Op mijn vraag hoe lang dit kind reeds op de fabriek
werkte, ontving ik ten antwoord "anderhalf jaar, maar in den regel
nemen wij ze niet vóórdat de kinderen voluit vijf jaar zijn." Onder
die kinderen waren er slechts enkele meisjes ouder dan 12 of 14
jaar. Ik informeerde waar de meisjes bleven, die het vak kenden en
die den leeftijd van 12 à 14 jaar bereikt hebben. "O, die gaan in den
regel een ander vak beoefenen, waarmede zij meer kunnen verdienen;
sommigen er van trouwen," was het bescheid.
De kinderexploitatie in fabrieken is hier en overal in Arabië
allerbedroevendst. Het is een vreeselijk land in menig opzicht.
Ons vertrek uit Syrië's hoofdstad gaf ons nog even een mooi gezicht
op de stad, met zijne nu met herfsttinten getooide tuinen. De geheele
route per trein van Damascus tot Beirût is een groot genot door de
eenig mooie landschappen, die men onophoudelijk passeert. Tegen
ongeveer elf uur kwamen wij aan het station Reyak, waar wij onze
reis onderbraken, om langs een zijlijntje een bezoek te brengen aan
Ba'albek, het Grieksche Heliopolis. Hier zagen wij de prachtige ruïnen
van de oude Acropolis, omringd door de groote tempels aan Jupiter,
Bacchus en andere goden gewijd. Vooral de ruïne van de tempel van
Bacchus, waarvan nog geheele stukken met prachtig beeldhouwwerk intact
zijn gebleven, is een groote reis waard. Ook van den tempel van Venus
is nog zeer veel in goeden staat, doch de hooge marmeren zuilen en de
fijnere afwerking maken den tempel van Bacchus meer belangwekkend. Het
geheele stadje Ba'albek, nu behalve deze ruïnes van geen beteekenis,
geeft toch zeer sterk den indruk, dat hier eens een groote, prachtige,
indrukwekkende stad moet geweest zijn. Men heeft uitgemaakt, dat
in elk geval de Acropolis met de tempels reeds in de tweede eeuw na
Christus daar gestaan moet hebben.
Aan het station van Ba'albek woonden wij een interessant tooneel
bij. Er werd een bruid afgehaald, een Mohammedaansch meisje uit een
naburig dorp. Familie en vrienden van bruid en bruidegom waren allen
in Zondagsgewaad aan het station. Toen het zwaar gesluierde bruidje
uit den wagen stapte, werd zij met hare vrouwelijke, ook gesluierde,
familieleden of vrienden op een eveneens mooi uitgedost kameel getild
en daarna werden de andere versierde kameelen met dames en heeren
en kinderen beladen. Soms zaten er zeven of acht op één kameel. De
kameelen droegen allen gekleurde zijden kapjes, met gekleurde koralen
afgewerkt, op hunne domme koppen en de geheele nek van de beesten
was ook met koraalwerk en gekleurde koorden versierd. Het was voor
ons een eenig mooi en grappig gezicht tevens.
Om half twaalf kwamen wij Zaterdagavond in Beirût aan, waar wij tot
onze groote teleurstelling vernamen, dat wij niet vóór Dinsdagavond
naar Port-Said kunnen vertrekken.