Toen wij Vrijdagavond van onzen tocht thuis kwamen, waren wij niet
weinig verschrikt bij het vernemen van de tijding, dat er in Jaffa
drie gevallen van cholera waren geconstateerd en deze plaats voor
besmet was verklaard. Dit bericht bracht ons geheele reisplan in
de war. Het is nu bijna zeker, dat de booten Jaffa niet zullen
aandoen, en wij van daar niet naar Port Said kunnen terugkeeren. De
eenige mogelijkheid om hier weder vandaan te komen, zoo wordt ons
van verschillende zijden verzekerd, is over Damascus naar Beirût
te gaan en daar een stoomboot te nemen, die ons naar Port Said of
als dat niet kan, naar Alexandrië of naar Marseille brengt. Nu is
de afstand tusschen Beirut en Jeruzalem op de kaart niet zoo groot,
maar in een land, waar bijna geen spoorwegen zijn, waar de rijwegen
zelfs nog zeer schaarsch en in elk geval zeer slecht zijn, daar heeft
zoo'n reis heel wat te beteekenen. Wij moeten nu Maandagmorgen om 7
uur vertrekken en per rijtuig naar Nabulus gaan, daar overnachten en
den volgenden morgen weder per rijtuig over Jenin naar Nazareth, dat
is een rijtoer over een zeer slechten weg van 9 uur; den volgenden dag
van daar naar Tiberias en van daar Donderdagmorgen eerst over het meer
van Gennesaret per boot en dan per rijtuig naar een klein plaatsje, van
waar wij per spoor 's avonds laat in Damascus kunnen aankomen. Vrijdag
zullen wij dan in Damascus kunnen blijven om uit te rusten, om dan
Zaterdag van daar per spoor naar Beirut weder een reis van bijna
den geheelen dag, te vertrekken. Wij hopen dan Zondag in Beirut een
boot te krijgen, die ons van daar naar Egypte terugbrengt. Men ziet
het, zoo heel gemakkelijk is hier het reizen niet. Wij zijn blij,
dat onze dragoman, een vertrouwd jongmensch, ons ook op dezen tocht
wil vergezellen en onzen weg effenen. Zonder de taal van het land
machtig te zijn en zonder kennis van de bijzonderheden der wegen,
is het onmogelijk hier te reizen zonder dragoman.
Vandaag--Zondag 26 Nov.--vernamen wij, dat de trein tusschen Jaffa
en Jeruzalem is stop gezet, omdat men de uitbreiding van de cholera
vreest. Het is wel erg, als in een land als dit, voor zoover wij het
nu kennen, een besmettelijke ziekte uitbreekt. Van de eenvoudigste
opvatting van zindelijkheid heeft de bevolking geen begrip. De
laatste maal dat Jeruzalem's straten zijn schoongeveegd, was in 1898,
vóór dat de keizer van Duitschland hier een bezoek bracht. Voor het
opgeveegde vuil had men toen evenwel geen plaats en toen is alles
in kelderhokken in de nauwe straten van de stad gegooid en zijn
deze daarna dichtgegrendeld. Dat vuil ligt daar nu nog, want men is
het er in den gemeenteraad nog niet over eens, wat men er mede doen
moet. Kan men zich grooter eenvoud van verstand voorstellen? Toch
zitten er geen vrouwen in den gemeenteraad van Jeruzalem, het zijn
allen vroede vaderen, die met mannelijke wijsheid de stad regeeren.
Dit vrijwel overhaast vertrek uit Jeruzalem maakt het nu voor mij
onmogelijk om de hospitalen, of enkele er van, te bezoeken. Hier zijn
tal van hospitalen, want elke godsdienstsekte heeft niet alleen haar
eigen kerk, doch ook haar eigen hospitaal. Ik had gaarne het groote
Britsche hospitaal voor oogziekten en het gemeentelijk algemeen
hospitaal bezocht. Met den directeur-geneesheer van het eerste heb ik
in Jaffa kennis gemaakt en vele bijzonderheden er over vernomen. Voor
jonge oogartsen schijnt hier een machtig studieveld te bestaan, want
in geen land ter wereld komen zoovele menschen met oogziekten voor.
Ook heb ik nu geene gelegenheid meer om hier de verschillende kolonies
van Joden te bezoeken en te zien hoe de geïmmigreerde Joden hier leven
en wat die hier uitvoeren. Hier dicht bij heeft de laatst gekomen
groep zich genesteld. De huizen, die wij telkens moesten passeeren,
als wij naar de stad en terug naar ons pension gingen, zien er netjes
en goed uit. Men vertelde mij, dat deze Joden niet coöperatief werken
en niet communistisch leven, doch hun verschillend beroep ieder op
eigen risico uitoefenen. Zij ontvangen in den beginne financieelen
steun, totdat zij zichzelf kunnen redden. De groote immigratie van
Joden is momenteel tot een stilstand gekomen, zoo vertelt men mij
hier, omdat de regeering de zonen der Joden, die zich hier komen
vestigen, ook oproept om militaire plichten te vervullen. Daarvan
zijn zij natuurlijk niet gediend en zoolang daarin geene verandering
is gekomen, zullen de Joden uit andere landen niet zoo gemakkelijk
meer te bewegen zijn, zich hier te komen vestigen.
Een eigenaardige Jodentype ontmoet ik hier steeds in de straten. De
meesten van dezen hebben bleeke, melancholieke, teere gezichten,
dragen allen dezelfde ronde vuile vilten hoedjes en aan elke
kant van het gezicht een lange krul, op dezelfde wijze als onze
Marker-visschersvrouwen, al zijn de krullen niet zoo lang en donkerder
van kleur. Het zijn voornamelijk Joden uit Wilna (Polen), die zeer
orthodox zijn. Zij worden hier Skinage genoemd.
En nu zal ik het een en ander van de kolonie vertellen, waarin wij
een zoo rustige, comfortable, huiselijke week doorbrachten en waar wij
zoovele lieve goede vrienden maakten. Men voelt zich er onmiddellijk
thuis, omdat men voelt en uit alles merkt, dat men in eene omgeving
verkeert, van goede, brave menschen, die geen pogingen doen om hunne
overtuiging aan anderen op te dringen. Het zijn geen proselietenmakers,
het zijn menschen die zelf, volgens eigen opvatting, braaf, en goed
willen leven en zooveel goed doen aan anderen als hun mogelijk
is. Overdreven godsdienstig of fanatiek zijn zij ook niet en als
men bij hunne gebeden en hunne godsdienstoefeningen tegenwoordig is,
krijgt men het gevoel, dat elkeen oprecht gelooft wat hij zegt en,
dat hij handelt in overeenstemming met zijne woorden.
Er zijn ruim 100 mannen en vrouwen in de kolonie, die strikt
op communistischen voet leven. Er zijn oude en jonge mannen, oude
vrouwen, jonge vrouwen en jonge meisjes. Velen van de jongeren zijn
in de kolonie geboren. Van de jonge paartjes zijn al de huwelijken
gesloten uit eigen kring, deze vormen weder nieuwe gezinnen. Tal van
lekkere, gezonde, goed uitziende babies zag ik er.
Ofschoon de kolonie gevormd is door eenige Amerikanen, hebben
zich toch weldra eene groep Zweedsche mannen en vrouwen bij hen
aangesloten, waardoor het een Amerikaansch-Zweedsche kolonie werd,
doch steeds Amerikaansche kolonie genoemd wordt. Niemand bezit iets
van deze kolonisten, al wat ieder bezit of erft of verdient, gaat in
de gezamenlijke schatkist. Elkeen doet er het werk waarvoor hij of
zij het beste geschikt is en wat hij of zij het beste volbrengen kan,
en men helpt elkaar en stelt elkaar in de gelegenheid om het in het
werk wat hij of zij wil doen tot de grootste hoogte te brengen. Zoo is
de jonge man of zijn de jonge mannen, die de photographie beoefenen
door opleiding, studieboeken, instrumenten, tijdschriften, enz. niet
alleen in de gelegenheid gesteld het tot eene groote hoogte te
brengen, maar eenmaal klaar voor hun vak, ook om zich steeds verder
te ontwikkelen. De photographieën die zij van het land maken, worden
over de geheele wereld verkocht en hunne lantaarnplaten voor lezingen
en onderwijs over Palestina en zijne historische herinneringen worden
vooral in Amerika veel gebruikt.
Alles wat door de kolonisten genuttigd wordt en alles wat
zij voor leven en comfort noodig hebben, wordt door hen zelven
gemaakt. Bediendenpersoneel is er niet. Het huis wordt door de jonge
meisjes schoon gehouden en jonge meisjes bedienen aan tafel. Er
is een keuken voor het middageten en een broodbakkerij en niet
alleen de koekjes en taarten voor eigen gebruik worden er gebakken,
maar daar er in heel Jeruzalem niet zoo'n goede banketbakkerij is
als hier, leveren zij voor alle feestelijkheden, die er in de stad
plaats vinden, en voor de voornamen van de stad, alle gebak, dat er
gebruikt wordt. Zij hebben hun eigen koeien en paarden, verbouwen
hun eigen koren, kweeken hun groenten en vruchten, spinnen, weven
en naaien hunne eigen benoodigdheden, maken hun eigen ameublement,
in 't kort, alles wat noodig is voor een gezin van zoovele personen,
geschiedt door henzelf. En ook vele andere menschen worden geholpen,
en daarvoor ontvangen zij betaling. Vroeger deden zij alles voor
niets, maar weldra zagen zij in, dat zij op die wijze niet bestaan
konden en nu helpen zij armen voor niets, doch die betalen kan moet
hunne diensten betalen. Zij hebben ook één grooten winkel in de stad,
de American Store, waarin allerlei soort artikelen, door hen gemaakt,
verkocht worden.
Al de leden van de kolonie zien er des daags en des Zondags als heeren
en dames uit, alhoewel van allen de kleeding eenvoudig, doch smaakvol
is. De voeding is er smakelijk en overvloedig en beter dan in menig
welgesteld gezin. Alle volwassen personen nemen gelijktijdig aan de
maaltijden deel, de kinderen eten afzonderlijk. Er zijn natuurlijk
ook goede scholen voor de kinderen in de kolonie, waar zij uitstekend
onderwijs genieten, in de verschillende vakken. Wij kunnen natuurlijk
hierover slechts oordeelen naar de resultaten die wij hier zien en
naar het feit, dat vele notabelen van de stad hunne kinderen hier op
school zenden.
Het feit, dat deze communisten, want dat zijn zij eigenlijk, geene
proselieten trachten te maken en allen in eigen geloof door hun
voorbeeld tot goede menschen trachten te vormen, heeft hen bij de
Mohammedaansche bevolking, die door verschillende missionairs zoo
geplaagd geworden zijn, spoedig bemind gemaakt. Zij zijn geloovige
Christenen, die geheel naar de leer van Jezus trachten te leven.
Hoe zij tot het vormen van deze kolonie kwamen, vertelt mevrouw
Spafford, die met haar man de stichters er van waren, aldus: Zij waren
zeer godsdienstige menschen en leefden in Chicago, waar Mr. Spafford
advocaat was. Zij hadden vier kinderen en een aangenomen zoon. Bij een
vreeselijke schipbreuk verloren zij de vier kinderen en dit ongeluk
bracht hen tot nadenken. Zij vroegen zich af, of zij wel volgens
de leer van Christus geleefd hadden en toen namen zij het besluit
Jeruzalem te bezoeken en zich daar blijvend te vestigen. Enkele goede
vrienden, met dezelfde godsdienstige gezindheid, sloten zich bij hen
aan en zoo kwamen zij in 1881 in Palestina. Zij vonden hier het werk,
wat zij meenden te moeten doen, maar hunne middelen waren beperkt,
zoodat zij weldra in groote armoede verkeerden. Gaandeweg sloten
zich anderen bij hen aan, die wat geld hadden en hoewel zij groote
ontberingen leden, kwamen zij toch niet van honger en ellende om. Zij
werden door familie en vrienden in Amerika voor fanatieke krankzinnigen
gehouden en hadden hier, vooral van den Amerikaanschen consul,
met groote tegenkanting te kampen. Allerlei slechte dingen werden
van hen verteld, vooral ook, dat zij zeer immoreel leefden. Op dien
grond wilde de familie van mevrouw Whiting, eene weduwe uit Chicago,
die met hare twee kinderen zich bij de kolonie had aangesloten,
haar de voogdij over hare kinderen ontnemen en werd zij bij den dood
van hare moeder onterfd. Om al deze redenen moest zij naar Amerika
terugkomen en daar ook andere leden van de kolonie moeilijkheden met
hunne familie in Amerika hadden, besloten zij allen te zamen te gaan.
In dien tusschentijd had mevrouw Spafford echter veel wedervaren. Zij
was in Jeruzalem twee keer van een dochtertje bevallen, haar man was
er gestorven, en ook haar aangenomen zoon. Deze laatste had echter
een boezemvriend, een wees, die niettegenstaande hij bij den dood
van zijn vriend reeds 18 jaar oud was, toen door mevrouw Spafford
als zoon werd aangenomen en ook nog als zoodanig optreedt.
In Amerika, waar verschillende der leden processen te voeren hadden
om hun rechten te verkrijgen, werd er in de couranten veel over hen
geschreven, waardoor zij vele aanhangers kregen. Onder deze aanhanger
was ook een heele groep Zweden, die in Amerika gekomen waren om
godsdienstige redenen, en die daar niet gevonden hadden wat zij er
zochten. Met een gevolg uit 67 personen bestaande, kwamen zij in
Jeruzalem terug, en nu ook hunne geldzaken in Amerika geregeld waren,
konden zij zich beter inrichten, en een ware christelijke gemeenschap
vormen. Nadien heeft zich slechts een enkelen keer een nieuw lid bij
hen aangesloten, o.a. een Mohammedaan; en eenmaal kwam uit Zweden,
uit Dalecarlië, eene groep mannen en vrouwen, de personen waarvan
Selma Lagerlöf in haar boek "Jeruzalem" melding maakt. In de dertig
jaren, dat de kolonie bestaat, is het nog maar eenmaal voorgekomen,
dat iemand de kolonie verliet. Dit was een Zweedsche jonge man,
die als kind met zijn moeder er gekomen was, en altijd een verlangen
gekoesterd heeft, naar Zweden terug te keeren.
Mevrouw Spafford is nu een krasse oude vrouw van zeventig jaren,
die nog de hoofddirectie voert. Haar aangenomen zoon, Jacob, is het
mannelijk hoofd, voor zoover men dezen term in de gemeenschap gebruiken
kan. De beide dochters, mooie, vroolijke gezonde vrouwtjes, zijn beide
met mannen uit de gemeenschap getrouwd, en hebben beeldige spruiten.
Terwijl ik dezen brief zit te schrijven, hoor ik beneden het gemengd
koor zingen en zijn er evenals elken Zondagmiddag en -avond, tal
van gasten, uit de Christelijke en Mohammedaansche bevolking uit de
stad. De predikant van de alhier bestaande Engelsche kerk en zijne
vrouw waren van middag de gasten aan tafel.
Ik heb over deze kolonie zoo uitvoerig geschreven, omdat ik vermoed,
dat er in Holland velen gevonden zullen worden, die er belang in
stellen. Ik kan elken landgenoot aanraden, die Palestina gaat bezoeken,
om te trachten in dit vreedzame oord gastvrijheid te verkrijgen.