Het was vanochtend, 22 Nov., nauwelijks half zeven, toen de twee
rijtuigen, ieder met drie paarden bespannen, reeds voor de deur stonden
om ons naar Jericho te voeren. Het daglicht brak juist door en alles
voorspelde weer een prachtigen dag. Wij hadden een langen tocht voor
ons en de weg is niet alleen zeer bergachtig, maar ook steenachtig en
vol gaten en andere ongerechtigheden. Toch klaagden wij over niets,
want wij hadden te veel te zien, dat onzen geest bezig hield. Langs
den geheelen weg passeeerden wij steeds troepen Muzelmannen, die met
hun beladen kameelen en ezels, soms te voet, doch meestal op kameelen
of ezels gezeten, hun tarwe, rogge, vruchten of andere producten naar
Jeruzalem voerden. Zij kwamen van het Oosten van den Jordaan en hadden
een tweedaagsche reis achter den rug. Op verschillende plaatsen zijn
open vlakten, die tot rustplaatsen voor de beesten en hun geleiders
dienen; daar werden dan voor een poosje de dieren ontladen, de kleurig
gekleede mannen strekten zich op den grond uit en de kameelen volgden
het voorbeeld van hunne meesters of deden als de ezeltjes, die poogden
om met de distels tusschen de rotsen hunne magen te vullen.
Onder die Muzelmannen waren enkele vrouwen, maar het is voor ons
nog heel moeilijk om van deze menschen de mannen van de vrouwen te
onderscheiden. Van één ding zijn wij zeker: als zoo iemand een broek
draagt, dan is zij een vrouw; draagt het mensch rokken, dan is het
meestal een man, maar kan ook wel een vrouw zijn. De snor of baard
moet dan de oplossing geven, hoewel ook daarnaar niet altijd valt
te oordeelen.
Met den Olijfberg links, passeerden wij rechts spoedig het graf van de
Heilige Maagd, waar nu de Grieken een kerk hebben. Een eindje verder,
aan de andere zijde, is de tuin van Gethsemané, waar nu Franciskaner
monniken wonen. In dien tuin staan nog acht oude olijfboomen, die
er reeds stonden in den tijd van Christus. De olie uit de olijven
van deze heilige boomen wordt door de Franciskaners voor zeer hoogen
prijs verkocht en over de geheele wereld geleverd. Daarna kwamen wij
in Bethanië, een geheel Muzelman-dorp, met een menigte olijf-, vijge-,
amandel- en sinaasappelboomen. Hier staat een ruïne van het huis,
waarin Simon de lepralijder gewoond moet hebben. Vlak daarbij is de
graftombe van Lazarus. Deze beiden worden door de Muzelmannen als
heiligen beschouwd. Een eindje verder is de steen, waar Martha Jezus
ontmoette, en zoo gaat het den geheelen weg door, vol van heilige
steenen, bergpunten, ruïnes, enz.
De ruïne van de woning van den goedhartigen Samaritaan wordt nu als
een schuilplaats voor schaapherders gebruikt. Dat deze Samaritaan
een armen broeder, die ziek was, op zijn ezeltje liet rijden en
in zijn hut wat te drinken gaf, heeft hem toch wel wat goedkoop
eene eeuwigdurende vermaardheid bezorgd. Ieder van ons, die in de
wildernis van Judea een armen zieken broeder of zuster zou tegenkomen,
zou toch natuurlijk hetzelfde gedaan hebben, en dan zou er in geen
enkele courant melding van worden gemaakt.
Maar ook, afgezien van al deze bijbelsche bijzonderheden, was hetgeen
wij zagen, prachtig. Die kale bergen, met hunne diepe ravijnen en
grillige vormen, namen bij elke bocht in den weg een ander aspect
aan. In een van die diepe ravijnen is een Grieksch monnikenklooster,
dat als een soort van gevangenis voor ondeugende monniken dienst
doet. Alleen bij wijze van straf worden ze daarheen verbannen. Het is
wel heel mooi en zeer interessant van boven van den weg af er op neer
te zien, maar om er te moeten wonen, al was het ook maar voor eenige
weken, lijkt mij een zware straf. In de daar dichtbij zijnde holten
in de bergen wonen hermieten, die, zoo zegt men, van vier druiven
per dag leven.
Toen wij van boven af op de vlakte van de Jordaan neerzagen, waar
Jericho met hare vruchtbare tuinen gelegen is, was het duidelijk, dat
Mozes, toen hij van de andere zijde van den berg Moab dit dal overzag,
moet hebben uitgeroepen, dat dit het land van belofte was. Het was na
zoo'n langen tocht door een wildernis, op welks rotsachtigen bodem
van plantengroei niets te bespeuren is, eene verrassing opeens op
zoo'n mooi vruchtbaar dal neer te zien. Het is echter duidelijk,
dat Jericho nooit zooals de Bijbel te verstaan geeft, zoo groot als
Jeruzalem kan geweest zijn. Het is nu wel heel klein, maar zelfs
wanneer vroeger dit geheele dal bebouwd en bewoond is geweest, dan
nog zou het kleiner dan Jeruzalem geweest moeten zijn, want het dal
laat geen grootere uitbreiding toe.
Nadat wij in Jericho nog eerst even het waterreservoir hadden
bezichtigd, waaruit nu de tuinen van Jericho besproeid worden, maar
waar vroeger Eliza het zeewater in zoet water veranderde, kwamen
wij in ons hotel aan, juist tijdig genoeg, om nog aan de lunch te
kunnen deelnemen. Onmiddellijk na de lunch stonden de rijtuigen alweer
gereed, om ons naar de Doode Zee en vandaar naar de rivier de Jordaan
te voeren.
Ik had mij steeds voorgesteld, dat het water van de Doode Zee er zwart
en vies zou uitzien, maar, ten minste vandaag, zag het heele meer er
prachtig blauw en helder uit. Het water is niet zoo bijzonder zout,
er is een sterk alcalische smaak aan. De Jordaan is een heel mooie
rivier, of liever de oevers zijn heel mooi, maar het water ziet er
vies, heel vies uit. Wij hebben natuurlijk een boottochtje op die
rivier genoten en mijne Hollandsche reisgezellin heeft eenige fleschjes
met het heilige water gevuld, waarmede zij eenige landgenooten wil
gelukkig maken.
Ik geloof, dat ons gezelschap nog niet in de juiste stemming verkeert,
waarin men dit land moet bereizen. Het landschap en de bevolking, met
hare eeuwenoude gewoonten, kleeding, zeden en gebruiken, oefenen op ons
nog een grootere aantrekking uit dan de reliquiën der heiligen. Wij
doen echter ons best, om in de vereischte stemming te komen, en daar
wij morgen weder naar Jeruzalem terugkeeren en onzen intrek weder
in de Amerikaansch-Zweedsche kolonie nemen, hebben wij alle kans,
dat het ons daar wel zal gelukken.
Het was nog nacht, de sterren stonden nog helder aan den hemel,
toen wij vanmorgen Jericho weder verlieten. Wij waren blij,
dat wij dat vuile stadje, waaraan zoovele belangrijke historische
herinneringen verbonden zijn, "gedaan" (zooals de Amerikanen zeggen)
hadden. Behalve de twee hotels, waarvan het grootste gesloten was,
omdat het reisseizoen is afgeloopen, zijn er in Jericho woningen voor
nog 'n 300 menschen, meest allen Bedouïnen en eenige Muzelmannen van
zeer gedegenereerd type. De degeneratie zou een gevolg zijn van de
groote hitte, waaronder deze menschen in den zomer leven. Het is te
begrijpen, want zelfs nu, in de tweede helft van November, nu het
ook hier laat najaar is, was de zon gistermiddag zoo heet, dat wij
't, zittende in het rijtuig, bijna niet konden uithouden.
Nog tot voor twee jaren gingen de vreemdelingen Jericho bezoeken
onder militair geleide, omdat het volkje er niet te vertrouwen is en
er menigmaal vreemdelingen totaal uitgeplunderd werden. Zij staan nu
onder controle.
De weg naar Jeruzalem terug was dezelfde als dien wij gisteren gekomen
zijn, met dat onderscheid, dat wij nu aanhoudend bergopwaarts gingen
en de rijtuigen meestal stapvoets moesten gaan. Wij wilden tegen de
lunch in Jeruzalem terug zijn, vandaar dat wij reeds om zes uur in
de rijtuigen zaten. Ook nu weder passeerden wij onophoudelijk groote
kudden geiten en schapen, met Jozef of David als herder, en karavanen
kameelen en ezels, op weg naar Jeruzalem.
Het is grappig te zien, hoe die kameelen hun arrogante domme snuiten
de lucht in steken en met een air de dédain op ons nietelingen
nederzien. Een aardig tafereeltje zagen wij afspelen. Een Bedouïn,
begeleider van vier bevrachte kameelen, had zich een oogenblik te
rusten gelegd op een van de open plekken langs den weg. In den regel
worden de beesten dan in dien tusschentijd ontladen en kunnen ook zij
zich nedervleien of hun ontbijt zoeken. Deze Bedouïn had de moeite
van de ontlading zijner beesten niet genomen, doch toen de meester
sliep, trachtten zij zich zelf stuk voor stuk van hun last te ontdoen,
wat hun maar al te goed gelukte. Eenmaal van hun last bevrijd, zetten
zij het op een loopen, zoo snel als die onelegante beesten zich maar
verplaatsen kunnen. Maar het genot van onbeperkte vrijheid duurt
nooit lang; dat ondervonden de kameelen ook, want weldra waren zij
bij een ravijn aangeland, waar geen van allen overdurfde. De meester,
die ondertusschen ontwaakt was, holde hen na en toen ook hij het ravijn
genaderd was, deed hij als elke kwajongen zou gedaan hebben: hij koelde
zijn drift door de beesten met groote en kleine steenen naar de domme
koppen te gooien; telkens bukte hij zich weder om nieuwen voorraad
steenen op te rapen, totdat hij blijkbaar genoeg redelijk verstand
bijeen had, om in te zien, dat hij beter deed de beesten terug te
brengen naar hun vracht, ze opnieuw te laden en verder te trekken.
Om half één waren wij in ons gemoedelijk, zindelijk en goed logement
terug, waar wij weder door heeren en dames, oud en jong, hartelijk
ontvangen werden. Nadat wij geluncht hadden, namen wij allen een paar
uur rust en om vier uur begaven wij ons weder op weg, om het eerst de
graftomben der koningen, zeer merkwaardige graftomben, onder den grond
in de rotsen uitgehouwen, te bezoeken. Daarna gingen wij op den berg
Zion en zagen er alle kerken en bijzonderheden, die daar te zien zijn.
Het meest van al impressioneeren mij de stadstooneeltjes, die wij zoo
ongemerkt op onzen weg zien. Een oogenblik was ik diep bewogen. Wij
hoorden een geweldig rumoer; eerst zagen wij in de verte een groote
stofwolk en langzamerhand konden wij onderscheiden wat aan ons oog
voorbijtrok. Een troepje soldaten voorop, een paar militairen te paard
achteraan en aan de zijden soldaten, en daartusschen in de droeve,
melancholieke gezichten van een honderdtal jongelingen, allen uit de
dorpen opgehaald, om naar het oorlogsveld gezonden te worden. Al het
woest getier, dat een krijgszang moest beduiden, door de soldaten
gemaakt, kon den treurigen blik uit de oogen der jongelingen niet
verwijderen; zij zagen er letterlijk uit alsof zij zich bewust waren
naar de slachtbank gevoerd te worden. "Kanonnenvleesch," die gedachte
drong zich onwillekeurig aan mij op. Dit is tot dusver het eenige,
wat wij hier van den oorlog gemerkt hebben.
Heden was het een interessante dag voor ons. Om half negen togen
wij stadwaarts en begaven ons eerst naar de Harem-esh-sherif, of het
"heilige der heiligen". Om daar te komen, moet men toestemming vragen
van de Turksche autoriteiten, en die kan men alleen krijgen met een
introductie van den eigen consul. Om het gemakkelijk te maken, gingen
wij maar alle vier voor Amerikaansche onderdanen door en, vergezeld
van een vertegenwoordiger van den Amerikaanschen consul en een Turksch
soldaat, en na onze voeten in een paar oude sloffen gestoken te hebben,
konden wij dat "heilige der heiligen" binnentreden. Het is een zeer
mooie, oude moskee, die het stuk rots bevat, "de heilige rots", die,
volgens de Mohammedanen, tusschen hemel en aarde zweeft. Zij vertrouwen
dat zaakje echter toch niet goed, want het stuk rots wordt aan alle
kanten van onder op door zware kolommen gesteund. Mohammed schijnt
van deze rots naar den hemel opgestegen te zijn. Abraham heeft op
die rots Izaäk willen offeren en de Mohammedanen gelooven, dat onder
die rots de zielen der gestorvenen tweemaal 's weeks bijeenkomen om
gezamenlijk te bidden. En nog veel meer heeft hier plaats gevonden,
zooveel zelfs, dat goedgeloovigen gelooven, dat de rots een tong heeft
en bij zekere gelegenheden spreekt. Na Mekka is dit het heiligste
stuk grond op aarde, en als het laatste oordeel komt, dan zal Gods
troon op die rots gebouwd worden. Wij zagen er ook de plek, vanwaar
God het stukje klei nam om Adam te vormen.
Na aldaar nog de Aksa moskee, nu in handen der Grieken, bezichtigd te
hebben, de moskee, waar God Mohammed in één nacht van Mekka bracht,
begaven wij ons naar "de kerk van het heilige graf". Dit is een zeer
merkwaardige kerk, die staat op de plek, waar men gelooft, dat Jezus
gekruisigd werd, en op welke plek de Katholieken, Grieken en Armeniërs
gelijke aanspraken doen gelden. Broederlijk deelen zij nu die kerk
samen, en elk bezit een zeker stuk ervan in eigendom. Over het bezit
van één venster wordt echter reeds 27 jaar gevochten en niemand gunt
den ander de eer van dat venster te mogen schoonmaken. En nu staat
daar reeds 27 jaar een Turksch soldaat op wacht, om op te passen,
dat, alvorens is uitgemaakt wie recht kan doen gelden op dat venster,
er geen van alle met de vingers aankomt. Neen, wat nog erger is:
in de Paaschweek, als de kerk van alle drie geloovigen vol is, dan
houden er duizend Turksche, dat wil zeggen Mohammedaansche soldaten,
heidenen in de oogen der Christenen, de wacht, om te voorkomen,
dat de drie verschillende soorten Christenen ruzie krijgen, omdat
bijv. een Armeniër met zijn stoel op den Griekschen grond komt,
of omdat een Katholiek misschien bij vergissing een Armenisch recht
aantast. Ik hoop, dat mijn lezers het mij niet euvel zullen duiden,
dat ik deze feiten, uit godsdiensthaat ontstaan, vermeld, maar zij
hebben een diepen indruk op mij gemaakt en nemen al het mooie en
heilige weg van wat wij daar zagen.
Wij zagen dezen morgen alle plaatsen, waar Jezus geleefd en geleden
heeft, waar hij gekruisigd werd, van het kruis genomen en naar den
hemel opgestegen is, en nog veel meer.
Vanmiddag gingen wij per rijtuig naar Bethlehem. Een mooie tocht,
die ons een prachtig gezicht op het landschap gaf en waarbij wij
weder tal van heilige plaatsen passeerden. In Bethlehem ziet men
mannen en vrouwen nog geheel in de kleederdracht van twintig eeuwen
geleden. Wij zagen hier natuurlijk de plaats van Jezus' geboorte
en op deze plaats meenen Grieken en Armeniërs gelijke aanspraken te
kunnen doen gelden. Deze twee hebben hier nu gezamenlijk een kerk,
waaronder de stal, waarin Jezus geboren is. Die stal is natuurlijk
zeer donker en wordt door beide partijen met altijd brandende lampen
verlicht. Iedere partij heeft er evenveel lampen en deze zijn van
boven door een ketting bevestigd. Die ketting wordt vastgehouden
door een ding, waarin vier spijkers zitten. Een van die spijkers
is er uitgegaan, gebroken of wat anders; en nu betwist elk der
partijen de andere het recht om die spijker te vernieuwen, en ook
daar staat een soldaat nacht en dag op wacht om den vrede tusschen de
beide partijen te handhaven en te voorkomen, dat niet een ervan die
spijker vernieuwt. En in die kerk staat op nog twee andere plaatsen
een soldaat op wacht om even zulke verheven redenen.
Terugkomende van Bethlehem hadden wij een klein accident, dat, zooals
de gebruikelijke term luidt, treurige gevolgen had kunnen hebben,
maar dat nog gelukkig is afgeloopen. Vlak bij een zeer diepen afgrond
schrikten de paarden plotseling, en wij zouden met wagen en al naar
beneden gerold zijn, als de koetsier niet met zooveel kracht de teugels
had ingehouden, dat beide paarden naar de andere zijde overvielen en
de een op den ander op den grond terecht kwam. Een oogenblik dachten
wij, dat ook de wagen dien weg zou opgaan, maar dat gebeurde gelukkig
niet. Wij kwamen allen met den schrik vrij, en behalve dat van een
der paarden de knie ontveld was, had niemand verder letsel bekomen.
Wij waren vroeg genoeg in Jeruzalem terug om nog naar de
"klaagplaats der Joden" te gaan. Dit is vooral des Vrijdagsavonds zeer
belangwekkend, omdat de Joden daar dan in grooten getale bijeenkomen
om gezamenlijk te weenen over het geleden verlies van Jeruzalem en
te bidden, dat het hun teruggegeven mag worden. Voor een stuk ouden
muur, dat bij den val van Jericho nog zou zijn staan gebleven, ziet men
honderden Joden, mannen en vrouwen, bidden en lamenteeren, en de oude,
vergane steenen onophoudelijk kussen. Aangrijpender schouwspel is haast
niet denkbaar. Nooit zag ik zooveel stokoude, grijze rabbi's bijeen. Er
waren er onder, die bijna niet meer loopen konden en door twee jonge
mannen beiderzijds ondersteund werden. De oudsten stonden vooraan en
het dichtst bij den muur. Heilig fanatisme blonk in aller oogen. Is
het denkbaar, dat nu reeds vele eeuwen lang de Joden zich hier telkens
met hetzelfde doel weder verzamelen en daar zoo lamenteerende hunne
gebeden opzenden? Met mijn nuchtere levensopvatting kan ik haast niet
gelooven, dat dit menschen met gezond verstand zijn. Het geheel maakte
op mij een diep-droevigen indruk.
Zaterdagmorgen bezochten wij weder tal van kloosters en kerken en
des middags brachten wij tal van bezoeken bij Mohammedaansche dames,
die ons uitgenoodigd hadden. Het eerst brachten wij een bezoek bij
de vrouw van den vorigen burgemeester van Jeruzalem. Zij is een zeer
mooie vrouw, moeder van een dochter en een zoon. Alle dames, die wij
bezochten, zijn, voor zoover zij gehuwd zijn, de eenige wettige vrouw
van hunne mannen.
Onze eerste gastvrouw was eene lieve, verstandige vrouw, die
even belangstellend was in hetgeen wij haar konden vertellen als
wij in hetgeen wij van haar hoorden. Zij sprak alleen Arabisch,
doch haar 16-jarige dochter spreekt vloeiend Engelsch, Fransch en
Italiaansch. Toen wij haar vroegen, of zij vond, dat de positie der
Mohammedaansche vrouw, evenals die van de vrouwen in Europa, Amerika
enz., verbeterde, antwoordde zij, stralend van geluk: "O ja, zeer
zeker. Mijn moeder kon niet lezen of schrijven en mocht nooit over
iets anders spreken dan over de eenvoudigste huiselijke bezigheden,
en zoo heeft zij ook mij opgevoed. Mijn man bespreekt echter alles
met mij, houdt mij op de hoogte van alle bijzonderheden op politiek en
maatschappelijk gebied en leest mij de courant voor. En mijne dochter
heb ik alles laten leeren, wat een Europeesch meisje van onzen stand
ook zou leeren, en zij heeft zeer vooruitstrevende denkbeelden. Zij wil
niet, zooals bij ons gebruikelijk is, door de ouders uitgehuwelijkt
worden, zonder haar man te zien en te weten of zij hem liefheeft,
en zij verzet zich zeer tegen het dragen van den sluier". Vooralsnog
durven de Mohammedaansche meisjes in Jeruzalem zich echter niet van
den sluier ontdoen; het stadje is er te klein voor en de bevolking
te fanatiek.
Na dit bezoek kwamen wij bij een jong getrouwd vrouwtje, dat
in de Amerikaansche kolonie, waarin wij logeeren, zeven jaren is
opgevoed. Zij behoort tot een zeer ouderwets denkende, middelklassige
Mohammedaansche familie, die nog zeer patriarchaal leven. De zonen
blijven, als zij trouwen, bij de ouders inwonen en vormen in het
ouderlijk gezin tal van nieuwe gezinnen. Elk echtpaar en kinderen
hebben één kamer voor zich zelf, al het andere is gezamenlijk. Het
jonge vrouwtje, dat ons had uitgenoodigd, was bijna 19 jaar en haar
man was nauwelijks 17 jaar en bezocht nog de school. De jonge man,
die gedurende ons bezoek van de school thuiskwam, heeft algeheele
macht over zijn honderdmaal hooger ontwikkelde vrouw. En een jongen
van dien leeftijd weet natuurlijk niet hoe hij die macht op redelijke
wijze mag gebruiken. Niettegenstaande haar schoonmoeder en een paar
tantes tijdens ons bezoek aanwezig waren, kon zij toch vrij uit met ons
spreken, omdat de conversatie in het Engelsch ging en die andere dames
daarvan geen woord verstonden. Zij merkte op dat het eigenlijk verkeerd
is het jonge Turksche meisje eene goede opvoeding te geven, zoolang
de zeden en gebruiken nog op den ouden voet doorgaan. Wij konden haar
echter overtuigen, dat hare hoogere ontwikkeling haar kinderen ten
goede zal komen en dat door de moeders te ontwikkelen het ras alleen
kan vooruitgaan. Zij zou niet voor niets lijden; dat wat zij ondervond,
hadden in alle landen alle vrouwen ondervonden, die in ontwikkeling
en beschaving het gros der natie vooruit waren. Haar schoonmoeder
en haar tantes, die niet lezen of schrijven konden, voelden zich (en
vooral de eerste) volmaakt gelukkig in haar afhankelijke positie. Hare
gelaatsuitdrukkingen, vooral die der oogen, waren wezenloos. Er was
geen enkele emotie in die gezichten te bespeuren.
Daarna gingen wij naar het hoofd van de Mohammedaansche meisjesschool,
een openbare school. De directrice had al hare onderwijzeressen
uitgenoodigd en daar werden wij in hare woning recht feestelijk
ontvangen. Hadden wij bij de twee vorige bezoeken na het een of ander
zoetigheidje de gebruikelijke Turksche koffie genoten, een klein
kopje vol heel sterke, zoete, zwarte koffie, waarin een of ander
geurigheidje is gedaan, hier, bij de onderwijzeressen, werden wij
onthaald eerst op eigengemaakte confituren, toen koffie, direct daarna
thee en toen werd een tafel vol met allerlei vruchten en zoetigheden,
die reeds klaar stond, maar met een doek overdekt was, voor ons heen
gezet en ontsluierd. Van alles moesten wij proeven en onderwijl
las een der onderwijzeressen ons een stukje uit den Koran voor,
waarvan wij wel niets verstonden, doch dat ons toch interesseerde,
omdat het lezen eigenlijk meer zingen is. Ook met deze meisjes
spraken wij over de positie der Turksche vrouw, maar hier, als in
zoovele meer ontwikkelde landen, durfden de leeraressen zich niet al
te sterk uitlaten, omdat zij in gemeentedienst zijn. Eén ding geeft
echter hoop: zij zijn met haar salaris niet tevreden, dat voor haar,
voor hetzelfde aantal lesuren als de mannen geven, zooveel lager is,
als van hare mannelijke collega's. Ik vond de salarieering anders
nog niet zoo slecht, in aanmerking genomen de goedkoope leefwijze
in Jeruzalem. Het salaris van de hoofdonderwijzeres bedraagt, in
Hollandsch geld omgezet, f 800 en vrije woning, voor de anderen f
600 en f 700. Een van de onderwijzeressen was naar Mekka geweest en
vertelde ons daarvan allerlei bijzonderheden.
Des avonds waren wij de gasten in het huis van den burgemeester. De
burgemeester is een ongetrouwd man en leeft nog in het huis van zijn
moeder en met zijn ongetrouwde zuster. Dit is een heel merkwaardige
familie, die rechtstreeksch van Mohammed afstamt. Zij zijn de 33e
generatie. De vader van den tegenwoordigen burgemeester was gedurende
zijn leven 16 jaar burgemeester van Jeruzalem. Zijne weduwe vertelde
ons allerlei bijzonderheden uit hare jeugd. Zij was op tienjarigen
leeftijd gehuwd met haar man, die toen 17 jaar oud was, en toen zij
nauwelijks twaalf jaar oud was, werd hun eerste kind geboren. De
wijze, waarop dat jeugdig ouderpaar dien eerstgeborene grootbracht en
opvoedde, vindt de moeder nu zelf zoo onmogelijk, dat zij zich niet
kan begrijpen, dat het kind daaronder niet is bezweken. Zij zeide,
dat de Mohammedaansche kinderen wel van bijzonder maaksel moeten zijn,
want dat hare kinderen, twee zonen en vijf dochters, tot sterke,
gezonde kinderen zijn opgegroeid, wat haar nu onbegrijpelijk is. De
oudste zoon is pasja van Bagdad en is zelfs veertigmaal grootvader. De
jongste zoon is de tegenwoordige burgemeester van Jeruzalem. Vier
dochters zijn gehuwd, allen op twaalf à veertienjarigen leeftijd,
doch de jongste dochter, die een zeer goede opvoeding genoten heeft
en Fransch spreekt als een Française, heeft tot dusver geweigerd een
haar onbekenden man te huwen. Zij vertelde ons veel uit het leven der
Turksche vrouwen en noemde het een ongelukkig bestaan. Zij was wel
niet op de hoogte van de moderne vrouwenbeweging, docht stelde er zeer
veel belang in en hoopte, dat die zich ook spoedig tot de Turksche
vrouwen zou uitstrekken. Zij vertelde ons ook, dat het gesluierd
gaan van de Turksche vrouwen niets met hun godsdienst te maken heeft,
dat de Koran er over zwijgt, maar dat het een eeuwenoud gebruik is,
dat kans heeft nu te verdwijnen. Zij zelf durfde in Jeruzalem niet
ongesluierd gaan, doch als zij in Constantinopel bij hare vrienden
logeert, dan laat zij den sluier af. Zij en hare broeder behooren
tot de Jong-Turken en zij hoopt, dat de nieuwe toestand, in Turkije
geschapen, ook den vrouwen in vele opzichten ten goede zal komen.
Nog heel lang hebben wij met deze beschaafde vrouwen zitten praten
en veel van elkander geleerd.