Wij hadden niet veel rust in Port Saïd genoten, want, nadat wij
Zaterdagavond omstreeks middernacht in ons hotel waren aangeland
moesten wij het Zondagmiddag om twee uur reeds weder verlaten. In dien
tusschentijd moesten wij de verschillende kantoren afloopen om geld
op te nemen, (onze credietbrieven geven bijna in elke stad voor ieder
van ons een verschillend kantoor op); moesten wij onze vice-consuls
over onze paspoorten spreken, moesten wij onze koffers bij Cook
onderbrengen en moesten mrs. Catt en ik onze plaatsen bespreken voor
een in Januari naar Colombië vertrekkende boot. Wij waren dan ook dood
moe, toen wij op de boot aankwamen die ons naar Jaffa zou voeren,
en wij namen ons voor in Jaffa een dag rust te nemen, alvorens wij
onze pelgrimstocht door Jeruzalem zouden aanvangen. Wij zouden niet
in zoo'n haast zijn afgereisd als niet de boot, die Zondagmiddag
vertrekken zou, ons bijzonder was aanbevolen en een volgende boot
van die lijn, de Khedivian lijn, eerst dagen later zou gaan.
Om ruim twee uur verlieten wij ons hotel en ofschoon de boot, die ons
zou herbergen, geen tien minuten van ons hotel verwijderd lag, duurde
het toch ongeveer een uur, alvorens wij er waren aangeland. Even
moeilijk als men in Port Saïd binnenkomt, met even-zoovele
moeilijkheden heeft men te kampen om er uit te komen. Even goed als
wij den vorigen avond eerst in twee verschillende bureaux onze namen
in een boek moesten inschrijven, daarmede verklarende, dat wij gezond
zijn, geen contrabande invoeren en brave menschen zijn, doch daarna
toch nog bij de douanen gevisiteerd werden, omdat men ons op onze
eerlijke gezichten en op ons woord en handteekeningen niet geloofde,
zoo moesten wij nu al diezelfde formaliteiten weder ondergaan, maar nu
om het bewijs te leveren, dat wij niets uit het land uitvoerden. Goed
dat wij een dragoman bij ons hadden, want wij zouden met ons zuiver
geweten en in kinderlijke onschuld recht door naar het schip zijn
gegaan. Voor het bewijs, dat wij gezond zijn en niets te verbergen
hebben, moesten wij ieder vier stuivers betalen.
Op de boot troffen wij een ander soort passagiers dan op andere
booten. Niet zoozeer onder de eerste klasse passagiers, die waren
voor een deel toeristen als wij, voor een ander deel mannen en
vrouwen, zendelingen en handelslieden. Maar onder de derde klasse en
bovendeks- en tusschendekspassagiers was een groot verschil. Onder
de eerstgenoemde was een heele bezending Turksche dames, waarvan
geen stukje van het lichaam te zien was, zoo dicht waren zij van het
puntje van hun hoofd tot aan de teenen in zwarte doeken gehuld. Dan
waren er Bedouïnen en Fellahinen, Syriërs, Armeniërs en nog meer van
dat soort in groote hoeveelheid.
Wij hadden op de boot een beter diner dan wij in lang genuttigd
hadden en alles was er even zindelijk en goed. Om 7 uur hedenochtend
landden wij in Jaffa, dat wil zeggen, zoo dicht bij als de boot ons
brengen kon, want daarna moesten wij in roeibooten aan land gebracht
worden. Het was gelukkig prachtig weder en de zee zoo stil, als men
zich maar wenschen kan en toch is die landing in Jaffa niet geheel en
al ongevaarlijk. De rotsige ondergrond, rotsen, waarvan de vinnige
punten een halven meter hier en daar boven de zee uitsteken en de
bijna steeds aanwezige branding hebben al menigen passagier het leven
gekost. Wij hebben dan ook al vastgesteld, dat wij alleen bij kalm
weder van hier zullen vertrekken en in geval van storm liever eenige
dagen langer zullen blijven.
Wij hebben in de laatste weken veel gezien en ondervonden en toch,
hetgeen wij vanmorgen zagen, toen wij van de landingsplaats naar
het hotel gingen, heeft ons geheel in verbazing gezet. De indrukken,
die ik in dezen eenen dag opdeed, zijn zoo vele en zoo intens, dat
ik niet weet, waarover het eerst te moeten schrijven. De algemeene
indruk is, dat het mij voorkomt, dat elke predikant of priester of
rabbi, eerst naar Palestina gezonden moet worden en hier eenigen tijd
moet doorbrengen, alvorens zijne opleiding als voleindigd beschouwd
zal kunnen worden. Eén dag hier doet den bijbel beter begrijpen, dan
jaren van studie doen. Het heele oude testament staat op eens levendig
voor je geest. Een andere algemeene indruk is, dat de afstammelingen
van Abraham, Izaak en Jacob in die meer dan 5000 jaar niet veel van
uiterlijk zijn veranderd en dat de achter-kleinkinderen van de twaalf
zonen van Jacob er uitzien, alsof zij nog in staat zijn hun broertje
Benjamin voor een ezelsvel--of was het wat anders--te verkoopen.
Baedeker zegt, dat men hier de Mohammedanen, Joden en Christenen aan
hunne kleeding kan herkennen; dat is maar goed ook, want, volgens
hun uiterlijk zou men ze zeker allen onder de zonen van Israël
rangschikken. En wat de straten en die menschen er allen vies en vuil
uitzien, dat is niet te beschrijven. De Batavierstraat en Uilenburg in
Amsterdam zijn er met hunne bewoners heilig bij. Toch is dat alles
schilderachtig mooi. Als men daar zoo'n karavaan kameelen, zwaar
beladen, door zoo'n nauwe straat vol kleurig gekleede mannen en vrouwen
ziet gaan, of een troep ezeltjes, ieder met een Mohammedaan er op, of
oude huisvaders op hun laag stoeltje voor hun winkeltjes ziet zitten,
dan blijft men staan en zou graag van dat alles een afbeeldsel nemen,
maar een fotografie of teekening kan onmogelijk de kleurschakeering
en levendigheid weergeven, die het in werkelijkheid bezit.
In ons hotel "Hotel Jeruzalem", hebben de kamers geen nummers, maar
alle een bijbelsche naam. Mrs. Catt, die haar kamer naast de mijne
heeft, logeert in Ruben en ik in Dan. De bijbelsche kennis van ons vier
is niet toereikend om uit te maken waardoor mijnheer Dan zich beroemd
gemaakt heeft, en terwijl ik vlijtig zit te schrijven, zitten mijne
drie reisgenooten in den bijbel deze en dergelijke bijzonderheden na te
pluizen. Het hotel is gelukkig zindelijk en goed en ligt in de buurt,
waar de Duitsche bevolking woont, dat is in eene der voorname straten,
als men ten minste dien term gebruiken kan.
Van het voornemen, om hier een dag rust te nemen, is natuurlijk niets
gekomen. Den heelen morgen waren wij in de straten en op de markt en
met een gids van hier hebben wij een contract afgesloten om ons door
Palestina te voeren. Dat contract nam direct na de lunch een begin
en om half twee waren wij dan ook reeds alle vier gereed, om per
rijtuig de kolonie, door Rothschild uit Parijs dertig jaren geleden
hier gesticht, te bezoeken. Deze kolonie is ruim acht mijlen buiten
Jaffa gelegen en, ofschoon de weg allerbedroevendst was, bracht toch
de geheele tocht ons een en al in verrukking. Het was heerlijk weder,
niet te warm en niet te zonnig en daar zaten wij, met onzen Engelsch,
Fransch en Duitsch sprekenden gids naast den koetsier om ons alles
te verklaren, den geheelen weg over te genieten van alles, wat wij
passeerden. Wij reden voorbij oude bronnen, groote oude graftomben,
langs sinaasappelplantages; wij zagen uitgestrektheden land beploegen
met 'n kameel of een os voor 'n ééntandsche ploeg bespannen; wij
zagen Bedouïnen in hunne primitieve hutten, en licht en eenvoudig
landbouwwerk verrichten; wij zagen kudden schapen en geiten, en
menschen die zoo uit den bijbel in levenden lijve voor ons stonden;
wij reden langs de vlakte van Sharon en zagen de vrouwen en meisjes
water uit de bronnen halen en ezels en kameelen zich laven met
het koele vocht; wij zagen de roos van Sharon in menigte bloeien
en daarnaast de leliën van het veld en narcissen en irissen en dat
alles eerst in mooi, helder daglicht en terugkomende in een prachtige
avond-schemering. Nooit zag een van ons zoo'n mooien zonsondergang
als hedenavond, waardoor de heuvels van Juda in een teer violette
kleurschakeering gezet werden, waaraan wij ons oog niet konden
onttrekken. Het was alsof wij in een sprookje leefden.
Maar in de kolonie Richon le Zion zooals die door Baron Rothschild
gedoopt is, is alles werkelijkheid. Rothschild heeft hier ongeveer
30 jaar geleden ruim 600 hectaren bouwgrond gekocht en wat geld
disponibel gesteld voor de Russische en Roemeensche Joden, die uit
hun land verdreven werden.
Op dien grond en met dat geld zijn die menschen hier een
wijndruiventeelt begonnen en hebben wijn gefabriceerd. Vier en
twintig jaar geleden heeft Rothschild hen met geld geholpen om een
wijnkelder te bouwen, geheel op denzelfden voet gebouwd en ingericht
als die te Bordeaux, die de grootste en beste van de geheele wereld
moet zijn. Deze hier volgt in grootte direct op dien te Bordeaux. De
zaken gingen zoo goed, dat achttien jaar geleden Rothschild geheel
kon worden afbetaald en alles nu aan de kolonie toebehoort.
Hoewel deze kolonie hoofdzakelijk uit Russen en Roemeniërs bestaat,
zijn er toch ook enkele Duitsche, Fransche en Engelsche Joden onder. De
kolonie bevat ongeveer honderd families. Zij werken coöperatief,
dat is te zeggen, elke familie woont in eigen huis en bezit haar
eigen stuk grond, dat groot of klein is.
De druiven worden in de fabriek bewerkt en naar gelang men inzendt,
wordt men uitbetaald. In de fabriek werken losse arbeiders, die in
loondienst zijn; dat zijn geen kolonisten, doch wel bijna allen Joden.
Eenige jaren geleden heeft de kolonie groote verliezen geleden,
doordat zij voor haar wijn geen uitweg vond. In het land kon niet
meer verbruikt worden en voor het buitenland had men geen afnemers. De
kelder lag toen vol. In dien tijd zijn toen vele kolonisten begonnen
hunne druiven uit te roeien en er sinaasappelen en amandelen en
andere vruchten voor in de plaats te kweeken. Na de moeilijkheden,
die de wijnfabricage het vorige jaar in Frankrijk ondervond, heeft
Frankrijk allen wijn, die in voorraad was, van hier opgekocht en heeft
ook voor dit jaar groote bestellingen gedaan. De geleden verliezen is
men daardoor te boven gekomen en daar de nieuw aangekweekte vruchten
ook een goeden oogst hebben geleverd en goed verkocht worden, hoopt men
door het ongeluk nog tot meerdere voorspoed te komen. De wijnfabricage
bedroeg dit jaar 35.000 hectoliter.
De kolonie, die een dorpje op zichzelf vormt, ziet er veel en veel
zindelijker en beter onderhouden uit dan Jaffa. Ook zagen de kinderen
en volwassenen er bijna zonder uitzondering frisch en gezond en flink
uit. Wij hadden nog even gelegenheid de school te bezoeken, waar de
kinderen degelijk onderricht genieten en waaraan ook een cursus voor
mannen en vrouwen verbonden is. Wij zagen er de kinderen, jongens en
meisjes, juist een les in tuinbouw ontvangen.
Er zijn hier in de buurt nog tal van Joodsche kolonies, die alle min
of meer in denzelfden geest werken en die het ook allen goed gaat. De
drie grootste hier zijn Duitsche nederzettingen. Zoo oppervlakkig
beschouwd, is er nog plaats voor tal van Joden, die zich hier, dunkt
mij, geheel tehuis moeten gevoelen. Er ligt nog zooveel vruchtbare
grond onbearbeid, en als de grond hier bewerkt wordt, geschiedt dit op
zoo'n primitieve wijze, dat er oneindig meer uit te halen moet zijn,
dan er nu uitgehaald wordt.
Dinsdagmorgen waren wij reeds bijtijds gereed om direct na het
ontbijt met onzen dragoman er op uit te kunnen gaan. Het eerst reden
wij naar de laatst gevormde kolonie van Zionisten, waar ook het alom
bekende Joodsche gymnasium gevestigd is. Deze kolonie, waarin Russen,
Duitschers, Oostenrijkers, Roemeniërs, Engelschen, etc., etc. wonen,
is nog maar 2 jaar oud. De huizen zijn geheel nieuw en zijn voor
het grootste deel kleine of groote villa's. Het is duidelijk, dat
de kolonie, "Tal Abib" genaamd, hoofdzakelijk uit welgestelde Joden
bestaat. Zij is gelegen aan de zeekust; de grond is er vruchtbaar, alle
bewoners zien er welvarend uit, voor zoover wij ze zagen. Zij zijn geen
landbouwers of vruchtkweekers, zij werken ook niet coöperatief, zij
hebben financieel niets met elkaar uit te staan. Het zijn kooplieden,
die hun zaken in geheel Palestina of daar buiten drijven, bankiers,
doctoren, leeraren en zulk soort menschen. Het meest interessante
in deze kolonie, maar geheel onafhankelijk daarvan, is het Joodsche
gymnasium. Deze mooie, hygiënisch goed gebouwde, groote school, die
ongeveer 6 jaar geleden door den heer en mevrouw Moser, uit Engeland,
gesticht werd, wordt nu door het geld van dezen en ongeveer 800 leden
uit verschillende landen in stand gehouden. Ieder lid, ook in Holland
zijn eenige leden, betalen jaarlijks 250 frcs. contributie. Voor
ieder kind wordt van 60 tot 160 frcs. schoolgeld jaarlijks betaald,
naar gelang hunne ouders welgesteld zijn. Voor ongeveer 10 pCt. der
leerlingen wordt niets betaald. Elk lid heeft het recht voor zijn
contributie een kind gratis te plaatsen.
Er zijn op dit oogenblik 305 leerlingen, waarvan 206 jongens en 99
meisjes, terwijl er bovendien nog 40 leerlingen in een voorbereidende
klasse zijn. Voor al deze leerlingen zijn 23 leeraren en leeraressen
en een directeur. Veertig van deze kinderen zijn in Jaffa geboren, doch
uit ouders, die naar Palestina geïmmigreerd zijn. Tachtig kinderen zijn
elders geboren en met de ouders uitgekomen. Vijf-en-twintig kinderen
komen uit andere kolonies, rondom Jaffa, en van vijf-en-zestig
leerlingen wonen de vaders in het buitenland en zijn de moeders
met de kinderen hier gekomen om hun een goede Joodsche opvoeding te
geven. Deze laatsten zijn voor het grootste deel welgestelde Russen,
die hunne kinderen in Rusland niet op goede scholen geplaatst kunnen
krijgen. Verder zijn er op school nog een kleine honderd weezen uit
verschillende landen, die bij families ondergebracht zijn. Men is
echter nu bezig een mooi pension te bouwen, waarin 60 à 70 kinderen
gehuisvest kunnen worden en dat uitgaat van de vereeniging of het
comité, die de school in stand houdt.
Het leerplan is in hoofdzaak hetzelfde als dat van de Zwitsersche
scholen en ook van de leeraren en leeraressen zijn de meesten in
Zwitserland gevormd. De leerlingen kunnen het op deze school tot
aan de Universiteit brengen, daarna moeten zij naar Europa gezonden
worden. Men denkt er evenwel over ook een Joodsche Universiteit
te bouwen. In Haïfa wordt reeds een Joodsche Polytechnische school
gesticht.
Behalve in alle andere wetenschappen, ontvangen de kinderen hier nog
onderwijs in Arabisch, Turksch, Duitsch, Fransch en Latijn en Grieksch
en al het onderwijs wordt in de Hebreeuwsche taal gegeven, zoodat zij
ook deze taal grondig moeten kennen. Voor vele kinderen is dat echter
te veel en daarom is het Fransch, Hebreeuwsch en Turksch of Arabisch
obligatorisch gemaakt, terwijl de andere talen facultatief zijn
gesteld. Natuurlijk wordt er niet alleen de Hebreeuwsche taal, maar
ook de Hebreeuwsche philosophie, godsdienst en historie onderwezen;
de kinderen ontvangen hier een zuiver Hebreeuwsche opvoeding. Onder
de leerlingen waren er vele echt mooie Joodsche typen en allen zagen
er even opgewekt en frisch en gezond uit. De geheele school met alle
leeraren en leerlingen maakte een gunstigen indruk en 't is zeker,
dat deze school een groote toekomst heeft. Wij alleen leerden bij dat
bezoek veel en begrijpen de Zionisten en hunne drijfveeren beter dan
ooit te voren.
Ik heb over deze school zoo uitgebreid geschreven, omdat het mij
voorkomt, dat vele lezers daarin belang stellen en het hoogst
waarschijnlijk een school is, die eenig is in de wereld.
Nadat wij deze school bezocht hadden, gingen wij naar de plaats waar
Tabitha, ook wel Dorcas genoemd, gewoond heeft en hare graftombe nog
bestaat. Er is nu een Russisch klooster, waar monniken en nonnen in
vrede te zamen wonen. Zij behooren tot de Grieksche kerk.
Vandaar gingen wij nog even het huis zien, waar Simon, de looier,
gewoond heeft, maar ik heb nog geen tijd gehad na te zien, waardoor
deze heer zich beroemd heeft gemaakt. Mijne reisgenooten beweren,
dat hij Jonas gastvrijheid verleend heeft, toen die door de walvisch
uitgespuwd en aan land geworpen werd, maar dat komt met de tijdrekening
niet overeen.
Toen moesten wij naar huis om te lunchen en ons haasten om nog den
trein van één uur naar Jeruzalem te halen. Onze dragoman vergezelt
ons daarheen en zorgt voor alles. Ik zit nu in den trein dezen brief
te vervolgen; een zeer comfortable eerste klasse waggon, waarin wij
alleen met onzen dragoman zitten. Op onzen weg passeeren wij allerlei
interessante plaatsen en bovendien is de geheele tocht belangrijk
door de mooie bergpassen. Nadat wij Jaffa achter den rug hadden en
de vele sinaasappelkweekerijen voorbij waren,--ik hoorde, dat er
jaarlijksch 700.000 kisten sinaasappelen, iedere kist 12 dozijn
stuks bevattende, alleen uit Jaffa uitgevoerd worden,--zagen wij
heele akkers met olijfboomen. De olijven, die van deze boomen komen,
zijn klein en alleen geschikt om er olie uit te persen en zeep van
te maken. Daarna werd ons reeds spoedig de plaats aangeduid, waar de
Philistijnen gewoond hebben en de plek waar David Goliath met een steen
doodde. Op die plek liep nu een jong schaapherdertje achter een groote
kudde schapen en geiten en die zag er uit alsof hij vergeten had dood
te gaan en er nog stond van uit den tijd van David. Toen zagen wij
de plaats waar Samson geboren is en waar hij begraven werd en later
de cave--ik weet op het oogenblik het Hollandsche woord niet--waarin
Samson in liefde ontvlamde voor Dalila. Samson en Dalila zochten hunne
liefde hoog, want die cave is boven in een heel hoogen, rotsigen berg,
die moeilijk te bereiken is. De holte schijnt echter nog al diep te
zijn, want de kruisvaders hebben er later een heele kerk in gebouwd;
nu dient zij voor een schuilplaats voor herders.
Zoo zou ik wel kunnen doorgaan met alle oud-testamentarische
gebeurtenissen te vermelden, waarvan wij de plaatsen zagen waar zij
voorgevallen zijn, maar dat wij door 't land van Juda en daarna door
het land van Benjamin togen en nog zooveel meer, komt mij weinig
belangrijk voor. De geheele afstand tusschen Jaffa en Jeruzalem,
die ongeveer 54 mijlen bedraagt, is vol van deze merkwaardigheden.
Iemand, die Palestina bezoekt, moet van een goede dosis goed
vertrouwen in de verhalen, die men hoort, voorzien zijn, wil men
genieten van hetgeen men ziet en hoort. Wij hebben ons voorgenomen
om aan de waarheid van geen enkel verhaal te twijfelen en voor vast
aan te nemen, dat de ons aangewezen plaatsen en het feit, dat er zou
zijn voorgevallen, onvoorwaardelijk de ware zijn. Onze dragoman is in
groote bewondering voor ons kinderlijk vertrouwen en meent ons nu en
dan eens te moeten waarschuwen, dat men omtrent deze of gene plaats
of dit of dat feit niet de volle zekerheid heeft.
Om ongeveer half zes bereikten wij Jeruzalem, waar wij nu eens
niet in een hotel onzen intrek gaan nemen, maar in de stichting
van Mrs. Spafford, de Amerikaansch-Zweedsche kolonie, die in Selma
Lagerlöf's boek "Jeruzalem", zoo phantastisch beschreven is. Ook
dr. Abraham Kuyper schijnt, zooals ik juist hoor, over deze kolonie
geschreven te hebben in zijn reisbeschrijving door dit land, maar ik
heb dat boek niet gelezen. Eigenlijk is het station een weinig buiten
de stad gelegen en moesten wij eerst het dal van Hinnom passeeren en
de hoogte van Zion bestijgen, alvorens wij de Jaffapoort bereikten,
waarmede wij in Jeruzalem waren. De Amerikaansch-Zweedsche kolonie ligt
even buiten de stad. Onze ontvangst was daar zeer hartelijk en weldra
waren wij in onze gezellige en comfortable kamers geïnstalleerd, waar
ik dezen brief nu zit te voleindigen. De afspraak met onzen dragoman
is om morgenochtend zes uur af te reizen naar Jericho en de Doode Zee,
vanwaar wij dan Donderdagavond hier in deze woning terugkeeren. Deze
tocht gaat geheel per rijtuig en wij hebben nu nog prachtig weder,
vandaar dat wij zoo'n haast maken. Men kan in Jeruzalem nooit lang
achtereen zulk mooi, zonnig weder verwachten, meestal regent het hier
in dezen tijd van het jaar.
Ik word nu verzocht beneden te komen om een concert bij te wonen,
dat eenige kolonisten hier geven. Ik hoop over deze kolonie ook mijne
indrukken te schrijven, die natuurlijk geheel persoonlijke indrukken
zijn en wel hemelsbreed zullen verschillen van die door dr. Kuyper
hier opgedaan. Zeker is reeds, dat alles hier in werkelijkheid geheel
anders is dan Selma Lagerlöf met haar groote phantasie en prachtigen
stijl er van gemaakt heeft.