Het waren zes lange dagen tusschen Mombasa en Aden, die weinig
afwisseling boden. Er was niets te zien, niets te bewonderen, niets
om je aan te ergeren, niets om je mede bezig te houden. De kleine,
witte, vliegende visschen, die nu en dan in groote groepen vlak bij het
schip opvlogen, waarschijnlijk nadat het schip ze onverwacht in het
een of ander werk gestoord had, gaven alleen eenige afleiding. Onder
de passagiers, die in Mombasa tot 38 eerste klasse passagiers waren
aangegroeid, was letterlijk niet een de moeite van kennismaking
waard. Het waren allen lieve, brave burgers of burgeressen van het
land, waartoe zij behooren; ik hoop ze niet te krenken als ik zeg,
dat er verder niets van hen te vertellen is, dat de moeite van
neerschrijven loont. Van onze tafel waren de twee aangenaamste
buren in Mombasa afgestapt en die plaatsen zijn onbezet gebleven;
buiten ons vier zaten er nu nog een Deensche mijnheer, die in den
Congo in Belgischen militairen dienst was en een Deensche dame,
die in den Congo getrouwd was, beiden voor malaria naar hun land
teruggestuurd en gedurende de reis telkens weder aan malaria lijdende,
en twee Engelsche jonge mannen van 24 en 26 jaar oud, beiden van de
grootste onbeduidendheid. Het waren evenwel een paar goede jongens,
die ons nog al eens van dienst waren. Met een Amerikaanschen admiraal
en zijne vrouw, die in Mauritius een getrouwde dochter bezocht
hadden, en eene andere Amerikaansche dame, trachtte ik de avonden
te dooden met het spelen van bridge en overdag konden wij lezen of
praten. Romannetjes van onbekende schrijvers of schrijfsters, die in
elk ander geval het oprapen niet waard zijn, gingen nu van hand tot
hand en werden bediscussieerd, alsof de slecht gemarkeerde karakters,
de ongemotiveerde handelingen en de onuitgewerkte problemen in die
boeken, een vruchtbare discussie mogelijk maakten. Een door een
sentimenteel juffertje geïmproviseerd bal mislukte geheel, doordat
de heeren het te warm vonden om te dansen en er trouwens aan dek geen
genoegzame ruimte voor was.
Eerst toen wij Cap Guardafui naderden kwamen de gemoederen in
beweging. Dit was niet alleen omdat de gevaarlijke bocht, die wij
daar te maken hadden ons allen zenuwachtig maakte en wij meer dan
anders de mogelijkheden bespraken om in geval van een ongeluk nog
gered te kunnen worden; ook niet alleen het feit, dat dit scherpe punt
zonder lichttorens elk jaar een of meer schepen ten gronde richt en
tal van menschenlevens verwoest, maar de tragische geschiedenis van
onzen armen deksteward hield ons bezig. Deze goedhartige jongeman,
die aan boord ieders sympathie had, was voorheen steward op een der
Australische booten. In Melbourne had hij een meisje leeren kennen,
met wie hij een jaar geleden getrouwd was. Zijne omstandigheden hadden
zich intusschen verbeterd en hij kon nu eene vaste positie aan wal
in Engeland krijgen. Daar de scheepsreglementen niet toelaten, dat
de geëmployeerden vrouw of kinderen op hetzelfde schip meenemen, was
hij eerder uit Australië naar Engeland teruggekeerd en zijne vrouw
met het pasgeboren kindje zou een paar maanden later komen. Dat
schip nu, waarmede zijne vrouw van Australië naar Engeland kwam,
heeft twee maanden geleden schipbreuk geleden aan de Cap Guardafui en
een van de vier booten, waarin de passagiers waren ondergebracht en
waarin vrouw en kind van onzen deksteward zaten, is nimmer terecht
gekomen. Er wordt gevreesd, dat zij op Cap Guardafui geland waren,
dat bewoond wordt door een zeer gevreesden zwarten stam, de Somali's,
waarvan men vermoedt, dat zij kannibalen zijn.
Zeker weet men, dat zij alle witmenschen uitplunderen en
vermoorden. Reeds twee keer is een boot van Aden uitgezonden om een
onderzoek in te stellen, doch is telkens zonder eenig teeken van de
verongelukten ontvangen te hebben, teruggekeerd. Toen het bericht van
het ongeluk voor het eerst Engeland bereikte, en er nog niets anders
bekend was, dan dat die boot zoek was, wilde de radelooze jonge man
zelf op onderzoek uit en daarvoor gaf de Union Castle Mij. hem de
gelegenheid, door hem als deksteward op de Avondale Castle aan te
stellen. In de twee maanden sedert dat schip Engeland verliet, zijn de
berichten gekomen van de vergeefsche pogingen, uit Aden ondernomen,
om iets van de ongelukkigen te vernemen. Men vermoedt nu, dat de
boot, waarin de tweede officier het commando voerde, toen deze zag,
dat zij op Cap Guardafui landen, weder zee heeft gekozen en door een
noodlottig toeval is gezonken. Dit zou de minst treurige dood zijn,
die de ongelukkigen kon hebben getroffen en daarom wordt dit nu maar
als het waarschijnlijkste aangenomen.
Tot even vóór wij deze rotsen in het gezicht kregen, bleef de
deksteward trouw op zijne post en voerde de groote en kleine wenschen
en bevelen der passagiers prompt uit; doch toen dit onherbergzaam oord,
met zijn kale puntige rotsen en gloeiend heete zandvlakten vlak voor
ons lag, werd het hem te benauwd en verdween hij en kwam den geheelen
dag niet weder te voorschijn.
Als Italië, die de gelukkige bezitter van dit gevaarlijk en
onherbergzaam stuk grond is, niet spoedig zorgt, dat er vuurtorens
komen en dat menschenlevens er veilig zijn, dan vindt Engeland
een zeer gegronde reden om handelend in te grijpen en dit stuk bij
Britsch-Afrika in te lijven.
Zondag 12 November kwamen wij in Aden aan. Het was reeds zes uur
in den avond, wij hadden dus geen gelegenheid iets van de stad te
zien. Slechts eenige uren zouden wij er liggen blijven om eenige
honderden balen vracht in te nemen. Wij konden wel aan land gaan en
verschillende passagiers deden dit ook, maar de stad Aden ligt 4 à 5
mijlen landwaarts, daar konden wij in dien korten tijd niet heen en
de eeuwenoude watertanks, het eenige wat Aden voor een vreemdeling
belangrijk maakt, waren in het avondduister niet te zien. Wij bleven
dus aan boord en vermaakten ons met de wanhopige pogingen aan te
zien van de tallooze Arabieren en Somali's om aan boord van het
schip te komen. Zij waren allen met hunne koopwaren in primitieve
roeibootjes komen aanzetten en schreeuwden en riepen in hunne door ons
onverstaanbare taal, dat zij aan boord iets te verrichten hadden. De
kapitein wilde hen echter niet aan boord hebben, omdat zij niet alleen
kooplieden, maar bijna zonder uitzondering dieven zijn en er aan
boord voor hen niets veilig is. In een verschrikkelijk geroezemoes
van geluiden, want het laden van 't schip ging onderwijl ook zijn
gang, werden nu van uit de bootjes touwen naar de kijkende dames en
heeren op het schip geworpen, en zoodra wij het uiteinde van zoo'n
touw te pakken kregen, aan het andere uiteinde koopwaar gebonden en
naar het schip opgeheschen. Een tienmaal te hooge som werd daarvoor
geëischt en dan begon het vragen en bieden op schreeuwende wijze van
over de scheepsrailing naar de daaronder vertoevende zwarten in de
bootjes. Somalimandjes, waarvoor vijf en zes shilling werden geëischt,
werden voor één shilling en later zelfs voor six-pence gekocht. Vooral
de kooplieden met Abyssinische struisveeren hadden groote nering en
een zeker soort cigaretten vond bij de heeren gewillige koopers. Later
op den avond klommen de slanke, vlugge jonge Somali's bij de dunne,
aan boord vastgehouden touwen zelf naar boven en eenmaal boven,
werden zij door de passagiers genoeg beschermd om dat handjevol
durvende kereltjes met hunne, achter hen aankomende koopwaren, boven
te houden. De uren vlogen om en toen om tien uur het schip Aden weder
verliet, waren wij het er allen over eens, dat wij eenige zeer amusante
en interessante uren hadden doorgebracht.
De groote gebouwen in Aden, die van af het schip konden gezien worden,
waren reeds gedeeltelijk versierd voor het te wachten bezoek van den
koning en de koningin van Engeland op hun doorreis naar Engelsch-Indië.
Toen eenmaal Aden achter den rug was, was ook de eentonigheid van de
reis gebroken. In de Roode Zee hadden wij nog onophoudelijk aan één
van beide zijden wat te zien. En als het bloote oog ons de stadjes en
kooldepôts en de voorbij stoomende bootjes niet deed onderscheiden,
dan gingen de vele goede kijkers van hand tot hand en gunden ons
op die wijze een blik op hetgeen wij passeerden. Een boot van de
Nord-Deutsche Lloyd, waarschijnlijk op weg naar Australië, die ons
voorbijvoer zonder een vriendschappelijken groet te wisselen, wekte
de verontwaardiging der Britten. De haat tusschen die twee natiën
moet vroeg of laat in een oorlog een weg vinden om zich te uiten.
Een schandelijke daad doet Turkije op dit oogenblik. Omdat het in
oorlog is met Italië, heeft het in alle Turksche kustplaatsen, en op
alle gevaarlijke rotsen de lichten in de lichttorens doen dooven. Langs
den geheelen weg van Aden tot Suez was 's avonds en 's nachts in geen
enkele lichttoren, die op Turksch grondgebied staat, een licht te
zien. Tegen de internationale wetten op scheepvaartgebied en tegen
elke opvatting van welvoegelijkheid in stelt hier Turkije de schepen
van alle natiën bloot aan het gevaar om op een zijner gevaarlijke
rotspunten te stranden, omdat het met Italië oorlog voert. Zullen de
verschillende mogendheden niet spoedig moeten protesteeren tegen dit
feit, alvorens er ongelukken door ontstaan zijn?
Woensdagmorgen om acht uur lagen wij in de haven van Port Soudan. Deze
haven is nog slechts achttien maanden oud en is door de Britten geheel
up to date ingericht. De matineuse menschen, die van halfzeven reeds
het binnenkomen bespieden, hadden een zeer loonend gezicht op het
land. De zee had aan de kust een zuiver smaragd-groene tint, daarachter
de oneindige witte zandvlakte en geheel aan den gezichtseinder staken
de tallooze prachtige bergtoppen hunne grillige koppen tot in de
wolken omhoog. Dit landschap geleek op een stuk Egypte, zooals wij
dat van platen en prenten kennen. Toen wij wat dichterbij kwamen en
de morgenschemering voor vol daglicht had plaats gemaakt, werd dit
gezicht nog meer Egyptisch, doordat wij toen de vele Egyptenaren,
Grieken, Arabieren en Inlanders van verschillende stammen, die zich
op den weg bevonden, konden onderscheiden.
Port Soudan is natuurlijk nu nog een stadje van kleinen omvang, maar
de vele groote officieele gebouwen met de Britsche vlag op het dak,
zagen er allen zoo massief en kolossaal uit, dat het niet betwijfeld
behoeft te worden, dat Engeland zich hier blijvend heeft gevestigd
en van Port Soudan spoedig een groote stad zal maken. Van uit dit
stadje gaat een spoorweg, die in 24 uur Karthoum bereikt en waardoor
het ook met Kaïro verbonden is. Daardoor kan het alle vracht van uit
het binnenland komende, van daar gemakkelijk verschepen. Het geheele
stadje maakt een zeer hygiënischen indruk. De rioleering, watertoevoer,
goede harde wegen, ruime, frissche woningen, electrische verlichting,
dit alles toonde de goede zorg van de Britsche regeering.
Wij hadden vlug ons ontbijt genuttigd en ons aan wal begeven om in de
drie uur, die wij in Port Soudan vertoeven zouden, zooveel mogelijk in
ons op te nemen. Nadat wij het Europeesche gedeelte doorgegaan waren,
waar de Engelschen en Grieken wonen, begaven wij ons naar de Kraals,
waarin de verschillende inboorlingen leven. Allerlei stammen wonen
er. Op ons maakten vooral de Wadi-Wadi's, met hunne lange wolharige
coiffures en hunne woeste blikken een diepen indruk. Zij behooren
eigenlijk in de bergtoppen tehuis en komen alleen naar beneden om
handel te drijven. Een eigenaardig soort bokken en schapen telen zij
en die brengen zij ter markt. Wij zagen die rare beesten in groote
massa op de markt. Het was soms moeilijk uit te maken of het een
geit of een schaap was. Van die Wadi-Wadi's wordt verteld, dat zij
een zeer aristocratisch volk zijn, dat zich voor werken te hoog acht
en waarvan niet een enkele in dienst van blanken te krijgen is. Zij
zijn zeer oorlogszuchtig en leven van veeteelt en van wat zij op
eerlijke wijze door oorlog zich toeëigenen. Zij hebben hun eigen
vorst en worden tot dusver nog door elke natie ontzien.
Wij zagen er vrouwen met gouden ringen door den neus zoo groot en breed
als een flinke bracelet; wij zagen er de markt met alles wat er te koop
is en die vele verschillende kleurlingmannen en vrouwen, om van dat
alles te koopen en wij zagen er verschillende café's en restaurants,
waar het geheele menu, in tallooze potjes en pannetjes aan den weg
bereid en gekookt werd. Wij zagen er nog tal van opmerkenswaardige
dingen meer, maar wij zijn aan dat kleurling-leven reeds zoo gewoon
geraakt, dat veel wat wij zien in het geheel geen blijvenden indruk
meer maakt.
Het was reeds twaalf uur, alvorens het schip geladen was en wij de
reis konden voortzetten.
De vijf dagen in de Roode Zee waren warm, maar voor ons in de hutten
op het bovendek wel uit te houden. Overdag koelde het zeewindje
genoeg af om het niet benauwd te hebben als wij maar rustig op het
dek bleven zitten en 's nachts hadden wij het ook niet te warm. Zij,
die in de andere hutten vertoefden, hadden het 's nachts dikwijls
te heet en meestal lagen de canapé's van de dames- en heerensalon
en het geheele opperdek 's nachts vol passagiers, die het in hunne
hutten niet langer konden uithouden.
Zoo'n lange zeereis oefent op de gezondheid van vele passagiers een
gunstigen invloed uit. Velen was dit duidelijk aan te zien. Zelfs de
scheepsdokter, die er in den beginne zoo holoogig en mager en spichtig
uitzag, had ronde wangetjes en een frissche kleur gekregen.
Naarmate wij Suez naderden en het duidelijk werd dat wij niet voor
Zaterdagavond in Port Saïd zouden landen, begonnen wij ongerust te
worden, dat wij dien nacht geen onderkomen zouden vinden. Er waren
over de twintig passagiers van de eerste klasse, die daar aan land
gingen, hetzij om evenals wij naar Palestina te gaan, hetzij om een
week in Port Saïd over te blijven om de aankomst van den koning en de
koningin van Engeland aldaar bij te wonen. Maandag 20 November worden
die hooge gasten in Port Saïd verwacht, en in Soudan hadden wij reeds
vernomen, dat alle hotels in Port Saïd daardoor geheel bezet waren. Wel
hadden wij van uit Suez een telegram gezonden om vier kamers voor ons
disponibel te houden, maar dat telegram kon niet vóór Zaterdagmorgen
verzonden worden.
Met het schip hadden wij ons langzamerhand verzoend. Het voedsel was
tamelijk goed, de bemanning vriendelijk en voorkomend en de kapitein
deed alles om het den passagiers naar den zin te maken.
Ook hadden wij na Mombasa onophoudelijk goed weder en het schip was
daar goed vol geladen, zoodat het zonder schommelingen vrij rustig
vooruit schoof. Wat konden wij meer verlangen.
Vrijdagavond om ongeveer tien uur kwamen wij in Suez aan. Daar
werden wij nu eens echt door een Turkschen dokter aan een onderzoek
onderworpen. Het heele onderzoek kwam daarop neer, dat wij een voor een
den dokter passeerden, hij zag dan met zijn wetenschappelijken blik,
dat wij zonder gevaar Turkije konden binnentreden. Niettegenstaande het
nachtelijk uur, waren toch nog tal van kooplieden aan boord gekomen,
die ons doosjes met Turksche noga en met andere Turksche zoetigheden,
benevens cigaretten, koralen en bovenal eenig mooie Turksche shawls
te koop aanboden. Deze laatsten vonden tal van koopers en vele van
de kooplieden gingen huiswaarts met een lichtere vracht aan goederen,
doch met een goed gevulde beurs.
Zaterdag in het Suez-kanaal hadden wij ruimschoots gelegenheid om
van onze medepassagiers afscheid te nemen en met velen nog eenige
oogenblikken een luchtig gesprek te voeren. Zoo'n vaart door het
Suez-kanaal is heel geschikt om menschen geduld te leeren. Zoo nu
en dan eens een paar uur stil te blijven liggen om een reeks andere
schepen te laten passeeren en daarna weer heel langzaam een eindje
op te schieten, is voor reizigers van de twintigste eeuw niet meer
geschikt. Maar al de passagiers op onze boot lieten zich er niet
door uit hun humeur brengen, wat meer zegt, wij allen zegenden elk
oponthoud dat zich voordeed. Eerstens was het een prachtigen dag,
vol afwisselingen en ten tweede konden wij in geen geval vóór zes
uur aankomen, zoodat de naar Caïro vertrekkenden niet zouden kunnen
afreizen en nu was van allen de hoop, dat het schip niet vóór tien uur
in Port Said zou aankomen, dan konden wij den nacht nog op het schip
doorbrengen en konden Zondagmorgen afreizen, of hadden gelegenheid een
hotel te zoeken. Het was een allervroolijkste stemming den geheelen
dag op het schip en zeer zeker was het een aangenaam einde van een zoo
interessante reis. Wij vieren en alle medepassagiers, waarmede wij dien
dag spraken, betreurden het, dat wij het schip moesten verlaten, waarop
wij zoo'n gelukkige maand hadden doorgebracht en ik zal zeer zeker
steeds met de aangenaamste herinneringen aan dezen tijd terugdenken.
Maar het schip kwam vóór tien uur in Port Saïd aan en nu moesten wij
dus 's avonds nog het schip verlaten. Het Eastern Exchange Hotel had
gelukkig voor dien nacht plaats voor allen en het was een goed hotel,
maar voor Zondag waren alle kamers genomen. Om twee uur den volgenden
dag vertrok een boot naar Jaffa en daarop hebben wij plaatsen besproken
en hopen een dag of tien in Palestina door te brengen, alvorens wij
Egypte verder ingaan.
Hier in Port Saïd is alles in vroolijke stemming. Den geheelen nacht
was er muziek en zang en dans door de geheele stad en 's morgens had
het in de straten meer van een vroolijke kermisstemming dan van een
ernstigen Zondagmorgen.