Uit steen en erts gebouwd, om zoo te zeggen één enkel kolossaal van
vele kloven voorzien graniet- en ijzerblok--strekt zich het groote
Skandinavische schiereiland ver in het ijs en het schemerlicht der
poolstreken uit.--Zich in de gedaante eener groote halve maan van
ons werelddeel losmakende, zweeft zij als een getrokken zwaard over
het middelste lichaam van Europa heen.--Aan alle zijden is het door
zeewater omgeven, en slechts een gedeelte is door uitgestrekte
sneeuwvelden met het overige vasteland verbonden, zooals zulks
gedeeltelijk ten Zuiden bij Denemarken, gedeeltelijk ten Oosten
bij Finland, door eilanden groepen, die als bruggen zouden kunnen
beschouwd worden, geschiedt.
Van het Zuiden naar het Noorden gaande--in tegenstelling met het
van het Oosten naar het Westen loopende hoofdgedeelte van ons
vasteland--gaat het door 20 breedtegraden, 300 mijlen opwaarts tot
in die streken, waar men aardappelen en erwten in bloempotten moet
aankweeken, en strekt zich tot hoogere parallellen uit, dan zelfs
het land der Samojeden, waar men alleen onder den grond bescherming
vindt tegen koude en orkanen. Met recht noemen wij Europeanen het dus,
bij voorkeur "_het Noorden_" van ons werelddeel, en zeer opmerkelijk
is het, dat de Romeinen, toen zij dat zoo eigenaardige land het eerst
leerden kennen, het "_eene andere wereld_" noemden.
Even als een oude, knoestige en rimpelige eik boven het lage hout der
elzen- en hazelnooten-boschjes uitsteekt, zoo steekt dit Noordsche
gletscherrots- en Alpengebied, boven de lage vlaklanden uit, die
aan gene zijde der zee er in het Zuiden en Oosten om heen gelegen
zijn. En als een eik heeft het van oudsher in zijne geïsoleerdheid,
vrij, eigenaardig en onafhankelijk daar gestaan, zelden lijdende van de
volksoverstroomingen en veranderingen, die het hoofdlichaam van Europa
doorwoelden, en daarvan slechts de laatste golfslagen gevoelende;
daarentegen heeft het van zijn hoogen zetel, dikwijls op de lotgevallen
van het Zuiden ingewerkt en genoemde stormen zelfs aangeblazen.
Even als door het geheele Oosten van ons werelddeel heen, zoo
hadden ook de eerste herders- en jagersvolken van den Finschen stam,
reeds in overoude tijden, den weg naar de bosschen en bergkloven van
Skandinavië gevonden en daar hunne rookerige hutten gebouwd. Nog heden
ten dage beroemen de Lappen, de broeders der Finnen, er zich op, dat
zij het oudste volk in het Zweedsche rijk zijn, en dat het geheele
land hun eens toebehoord heeft. Deze Lappen zijn waarschijnlijk de
overblijfselen der merkwaardige Aborigines, van die oorspronkelijke
bevolkingsstof, waarop de sagen der tegenwoordige Germaansche
Skandinaviërs wijzen, en wier met gras begroeide grafheuvelen wij
overal in het land, naast de heldengraven hunner nakomelingen,
verstrooid vinden. De latere Germanen, die het land binnentrokken,
roeiden die Finnen of Lappen ten deele uit, of dreven hen naar het
hoogste Noorden terug.
Dat daarbij ook een deel der oorspronkelijke bewoners met de
Germaansche stammen versmolt, bewijst de Zweedsche taal, die een
groot getal uitdrukkingen voor huisraad en visschers gereedschap,
aan het Finsch en Lapsch ontleend heeft. Ook merkt men hier en
daar in het Noorden van Skandinavië, dal-bevolkingen op, die in
lichaamsbouw en gelaat duidelijk het Finsche of Lapsche type hebben,
ofschoon zij nu Noorweegsch of Zweedsch spreken. Ook de Loffodische
eilanden, bij Noorwegen, zijn, naar men meent, nog heden door zulk een
Germaansch-Finsch volk bewoond. De tijd, waarin deze zaken voorbereid
werden, ligt buiten het bereik der geschiedenis. Wij weten noch
wanneer, noch hoe en langs welken weg die Germaansche inval plaats
had. De eigenaardigheid van het afgelegene en door zeeën afgescheidene
groote land, waarin zij kwamen, moest de daarheen trekkende Germanen,
wanneer zij het van nature niet reeds waren, tot een bijzonder,
van de overige Germanen verschillend volk maken.
Men kan zeggen, dat al het in Europa door Germanen bewoonde land,
geographisch uit twee hoofddeelen bestaat, uit het groote in het
midden van Europa tusschen de Noordzee en de Middellandsche zee
ingewrongene stuk (Duitschland) en uit het even groote door de zee
daarvan gescheidene, Noordsche schiereiland. Dat in deze beide groote,
zulk een scherp contrast met elkander makende, gedeelten van het
Germaansch Europa, zich ook twee groote takken van den volksstam, een
Noord-Germaansche (of zooals de Skandinaviërs zelven liever zeggen
_Gothische_) en een Zuid-Germaansche of Duitsche tak, òf vormen
moesten, òf moesten blijven bestaan, was, zeg ik, zeer natuurlijk.
Behalve de oorspronkelijke Lappen of Finnen en de het land
binnengetrokkene Germanen, weten wij van geen ander eenigzins gewichtig
volk af, dat zich blijvend op het groote schiereiland nedergezet of
uitgebreid heeft. De ethnographische geschiedenis der Skandinaviërs is
daarom vrij eenvoudig. Al die ontelbare volken-vermengingen in al de
overige gedeelten van Europa, hebben het, buiten de bewegings-richting
liggende, Skandinavië niet aangedaan. Nooit is het, na die eerste
Germaansche verovering, andermaal door vreemden bezet of zelfs
gekoloniseerd geworden.
Phenicische zeevaarders zouden echter, naar de meening van een
nieuweren Zweedschen onderzoeker, tot naar Skandinavië doorgedrongen
zijn, en daar menig spoor hunner aanwezigheid achtergelaten
hebben. Hunne inwerking was echter in alle geval noch van zoo
ingrijpenden aard, noch zoo langdurig, als b.v. in Spanje. De Grieken
hebben hier geene handelskantoren of factorijen gehad. Romeinsche
soldaten of kolonisten hebben het land nooit onderworpen. Vooral
ook is het schier van alle latere Aziatische en Oostersche invallen
bevrijd gebleven. Nooit is het--zooals Duitschland en zelfs Frankrijk
somwijlen--door de invallen der Hunnen, Mongolen, Turken en Tataren
verontrust geworden. Ook de Slawen, die bij massa's tot in het hart
van Duitschland doordrongen, deden dit Noorden slechts even terloops
aan. Zelfs van de overal zijne vertakkingen hebbende immigratie
der Israëlieten, en de door hen veroorzaakte harrewarrerijen en
vermengingen, is dit land vrij gebleven. En in dit, evenals nog in
menig ander opzicht, is dit land eenig in Europa.
Bezwaarlijk zal men ergens anders een minder vermengd oud ras, een
oorspronkelijker Indo-Germaansch volk vinden, dan in Skandinavië, in
welks granietrotsen en gebergten ook, even als in zijne bevolking, de
oorspronkelijke vormingen zichtbaar zijn, terwijl deze, in zuidelijker
gelegene landen, door vele jongere vervormingen bedekt zijn. Vooral
is dit Noorden, in menigerlei opzicht, de oud-Germaansche geaardheid
trouwer gebleven, dan het Duitsche hoofdland zelf, en is het in
verscheidene opzichten de bewaarplaats en beschermer der traditiën van
den geheelen grooten Duitschen stam geworden. Dààr bleven de mythen van
den ouden Odins-dienst zeer lang bestaan. Dààr weerklonken nog langer
de vroegste helden-liederen en sagen, die misschien nog zinspelen
op de daden der Germanen onder de Asen [19] en in Azië, en die naar
de getuigenis van den Gooth Jornandes, [20] eens ook in den mond der
stammen van Duitschland zelf leefden. Dààr ook, aan gene zijde van de
Belten en van den Sond, vindt men nog onveranderder dan ergens anders,
de goudgele lokken, de helder blauwe oogen, de slanke taille, de hooge
gestalte der oude Germanen, die eens door Tacitus geschilderd werden.
Hoe ongedeerd, volgens dit alles, dit land van buiten gebleven is,
zoo weinig rust heeft het van vroege tijden af inwendig genoten. Reeds
zijne oudste geschiedenis is zoo rijk aan omwentelingen, aan bloedige
burger- en broederoorlogen, als eenig ander land. De verschillende
stammen, waarin de Skandinaviërs verdeeld waren, waren over en weer
dikwijls met elkander in oorlog, en hebben meer dan één vreeselijken
Brawalla-slag [21] onder elkander gevochten, waarvan het aandenken
en de helden die er in uitmuntten, in hunne liederen gevierd werden,
als waren het zegepralen over vreemdelingen. Deze inwendige, van de
vroegste tijden af dagteekenende, wijzingen en vijandelijkheden,--de
rustelooze en ondernemende zin van het volk--de karige en armelijke
natuur van het land, die de bewoners wel verstaalde en verhardde,
maar dikwijls met hongersnood en ellende plaagde, hebben dien ten
gevolge dikwijls tot verhuizingen en krijgstochten naar den vreemde
aanleiding gegeven.
Af en toe hebben zich de onrustige onweerswolken van het Noorden
ontladen en zich, van uit het machtige schiereiland, naar alle zijden
heen doen gevoelen, en tengevolge daarvan hebben de Skandinaviërs,
in het overig Europa veel meer verwoestingen aangericht en er veel
meer koloniën heen _gezonden_, dan zij van daar _ontvingen_.
Deze tochten der Skandinaviërs naar het buitenland waren vermoedelijk
overoude, dikwijls herhaalde gebeurtenissen. Want reeds Tacitus
vermeldt in de eerste eeuw na de geboorte van Christus, dat Suionen
(Zweden, Skandinaviërs) sterk door hun getal, door hunne wapens en
vloten waren. De Germaansche kolonisten, die de Romeinen, reeds lang
voor de Anglo-Saksers het land binnentrokken, in Schotland vonden,
zijn misschien wel uit Skandinavië overgekomen. Ook zou voor Christus
geboorte, de beroemde tocht der Cimbren en Teutonen,--die, zooals het
heet, door overbevolking, honger en watersnood veroorzaakt werd,--in
Skandinavië zijn oorsprong gevonden hebben.
Even als de tocht der Cimbren en Teutonen, zoo willen de Skandinavische
patriotten, de geheele verdienste en ook de geheele verantwoording
der zoogenaamde volks-verhuizing op zich nemen. Zij beweren,
dat niet alleen de Oost- en West-Gothen, maar ook de Longobarden
en de Vandalen, ja zelfs ook de Franken en de Saksers, of toch
ten minste de Koningen, stichters en helden dezer volkenbonden
uit Skandinavië, deze, zooals zij het noemen, wieg en werkplaats
van tallooze volksstammen, af te leiden zijn. Zij hebben zelfs het
portret van den Oost-Gothischen Koning Theodorik, te Upsala onder de
rij portretten van Zweedsche Koningen opgenomen, en hebben daar ook
den beroemden zilveren codex, het kostbare met zilveren letters op
purperkleurig perkament geschreven brokstuk, van het oude in Duitsche
(Gothische) taal opgestelde boek, als iets wat hun het meest aanging,
bewaard; ofschoon juist dit boek, waarvan de taal veel meer met het
Hoog-Duitsch dan met het Skandinavisch gemeen heeft, het best bewijst,
dat de Gothen der volks-verhuizing die het schreven, niets minder
dan Gothen uit Skandinavië of minstens dit zeker niet _uitsluitend_
en in hoofdzaak waren.
De volksverhuizing, die de oorzaak van den ondergang van het Romeinsche
rijk was, was veeleer een uitspruitsel der groote beweging van het
geheele Germaansche Europa, en waarschijnlijk had hierop,--niet,
zooals de Zweden en Denen meenen, op het altijd slechts schaars
bevolkte Skandinavië _alleen_,--dikwijls herhaalde uitdrukking van een
Romeinschen schrijver, als hij spreekt over _de wieg en de werkplaatsen
der volkeren_, betrekking. Bezwaarlijk zal zich nu nog het aandeel,
dat de Skandinaviërs aan die, de wereld in rep en roer brengende
gebeurtenissen hadden, laten onderscheiden van het aandeel dat de
eigenlijke Duitschers daaraan namen.
Veel meer uitsluitend Skandinavisch en veel belangrijker in
hare gevolgen en voor ons onderwerp, was eene tweede reeks van
onweersbuien en volks-ontladingen uit het Noorden, die eerst begon,
nadat de stormen in het hart van Europa waren gaan liggen, al de door
elkander woelende natiën hare vaste woonplaatsen reeds ingenomen en
duurzame Christelijke rijken gegrondvest hadden.
Een geheele stilstand en volkomen vrede, zal bij de Skandinaviërs tot
op de groote, zoogenaamde _Wikinger-_ of _Nooren-tochten_, die ten
tijde van Karel den Groote een aanvang namen, wel nooit geheerscht
hebben.--Hongersnood, inwendige verdeeldheid en andere oorzaken tot
tochten op den Oceaan, vond men daar voortdurend. Ook was het in
het Noorden een oud gebruik, dat het jongere volk, daartoe door het
lot aangewezen, zijn geluk als "Vikinger" (krijgslieden) in vreemde
landen zoeken moest. Maar in rustige tijden bepaalden die zich tot
de nabuurschap.
Waardoor deze, van oudsher dagteekenende Wikinger-tochten, in het
aangegevene tijdperk, een zoo grooten sprong en uitbreiding namen,
dat zij, om zoo te zeggen, het geheele werelddeel als eene algemeene
branding bestormden, is ten deele uit den toenmaligen toestand
van Europa, ten deele uit bijzonder sterke innerlijke bewegingen
in Skandinavië zelf, te verklaren.--Het Christendom, dat bij zijne
aankomst overal stormen verwekte, drong toen ten tijde het Noorden
binnen en te gelijk de vorming eener overwegende, vereenigende,
koninklijke- en staatsmacht.--Dit nu dreef de kleine stamhoofden of
zeekoningen en hunne zonen, die noch hun oud Odinsgeloof, noch hunne
even zoo oude persoonlijke onafhankelijkheid wilden opgeven, meer dan
ooit naar de zee, en wel met het bepaalde doel, niet zooals vroeger
alleen om te plunderen, maar ook om hun oud, door die nieuwigheden
aangetast vaderland te verlaten, en zich in het overig Europa nieuwe
_vaderlanden_ te veroveren.
Dit overig Europa echter was toen, na de oplossing van het groote
Karolingische huis, in een toestand van erge ontbinding.--Vooral was
het zwak ter zee; alle staten waren zonder vloten, de kusten zonder
verdediging. Op de geheele Middellandsche Zee heerschten de Arabieren,
de vijanden van het Christendom, en even als deze in het Zuiden, zoo
vulden de zeevaartkundige Noormannen weldra de geheele Noordzee met
al hare zeeboezems en kusten.--Tuk op schatten, voeren zij in kleine,
onder het kommando van stoute zeekoningen vereenigde eskaders, door
alle wateren, en vonden zij den waterweg naar Spanje en tot naar de
Middellandsche Zee. Als eene eeuwig dreigende onweerswolk, waaruit
men ieder oogenblik hagel en bliksem verwachten kon, verbreidde zich
het woeste Skandinavendom over den Oceaan. "Als zee-monsters stortten
zij uit de golven op de landen, drongen de mondingen der stroomen
van Duitschland, Frankrijk, Engeland, ja! van alle andere landen
binnen, en rukten, overal roovende en verwoesting aanbrengende,
diep landwaarts in.
Verscheidene landstreken plunderden en verwoestten zij slechts,
herhaalde malen in den loop van tweehonderd jaren, zonder daar
blijvende koloniën te stichten. In andere streken echter kregen zij
vasten voet en stichtten zij--zooals in Groot-Brittanje, Frankrijk,
Rusland en eindelijk in Zuid-Italië--nieuwe en zeer merkwaardige
rijken.
In Rusland hadden zij reeds zeer vroeg, duurzame en dikwijls
bezochte handels-koloniën. Zij--daar "Waräger" (bondgenooten)
genoemd,--marcheerden onder hunnen "Rürik" en zijne broeders en
strijdmakkers, in herhaalde tochten dwars door de geheele breedte
van het groote land, zeilden uit de mondingen zijner rivieren
Zuidwaarts naar de Zwarte zee, en grepen van die zijde herhaalde
malen Constantinopel aan, waar zich aan het hof der Byzantijnsche
Keizers, ten slotte een blijvende lijfwacht van Noormansche trawanten
vormde. Zij bouwden in Rusland ook steden, en de oudste Russische staat
dien zij stichtten, schijnt zijne kracht en levensduurzaamheid aan
den geest der bestuurders, wetgevers en veldheeren van Noormanschen
oorsprong ontleend te hebben.--Niettemin is de Skandinavische
nationaliteit, in het hart van Rusland, spoedig in de Slawische
weder ondergegaan. Alleen hebben eenige oude Russische familiën zich
nog lang, op hunne Noormansche afstamming uit de familie van Rürik,
beroemd; ook dragen de "Russen" en "Rusland" zelf nu nog een naam,
die van Skandinavisch-Germaanschen oorsprong is.
De Britsche eilanden, die zeer dicht bij hen aan de andere zijde
van hunne West-Zee lagen, behandelden de Skandinavische zee-koningen
gedurende twee eeuwen, om zoo te zeggen, als een deel hunner domeinen,
die zij ieder jaar een onafgebroken schatting afpersten.--In schier
alle kuststeden van Schotland, Ierland en Engeland nestelden zij zich
vast, en hadden zij hunne legerplaatsen overal in de rondte aan de
oevers. Eindelijk veroverden de groote Denen-Koningen Sueno en Kanut
zelfs het geheele eilanden-rijk, en beheerschten het een tijdlang,
tot zij het weder aan de dikwijls in opstand gekomene Anglo-Saksers
verloren.
Van dien Deenschen tijd zijn vele gewoonten en eigenaardigheden
afkomstig, die de Engelschen met de Skandinaviërs gemeen hebben. Ook
vindt men sedert dien tijd in de Noordelijke provinciën van
Engeland, b.v. in Northumberland en in het noordelijk Schotland,
nog heden in de gebruiken, de taal en het uiterlijk type van het
landvolk veel Skandinavisch.--De tot Engeland behoorende Orkneys en
Shettlands-eilanden zijn sinds dien tijd bijna geheel door een volkje
van Skandinavische afkomst bewoond geweest, waarbij ook nu nog een
Noorweegsch dialect van het zoogenaamde "Norse" ten deele in gebruik
is. Hetzelfde geldt ook van de kleine groep der 25 Schapen-eilanden
of Färoër, in wier nevelrijke bergdalen en steeds bedauwde weiden,
een eenvoudig, flink, Noorweegsch menschenslag van vischvangst en
schapenteelt leeft.
Even als in Rusland en Groot-Brittanje, zoo is ook in Frankrijk de
naam der Noormannen groot geworden.--Bij hunne dikwijls herhaalde
invallen in de monden der Seine, die naar de rijke, dikwijls door
hen geplunderde stad Parijs voert, hadden zij zich daar eindelijk
vastgenesteld, en dat merkwaardige Hertogdom gesticht, waarin hun
krachtige Noorsche geest grootere dingen gewrocht heeft dan ergens
anders, en dat nog heden naar hen Normandië heet.--Ofschoon, wat
taal en zeden betreft, zij spoedig in Franschen veranderd werden,
bleef de heldhaftige ondernemingsgeest der ridders van Normandië,
nog langen tijd geheel Noordsch-Germaansch en was dat zelfs nog,
toen zij onder Willem den Veroveraar Engeland binnentrokken. Ook
veel later nog, openbaarde het Germaansche karakter in deze Fransche
provincie, zich nog in vele zaken. En zelfs nog heden ten dage,
lacht den Germaanschen reiziger in Normandië, om zoo te zeggen, iets
vaderlandsch tegen. Industrie, ontwikkeling, landbouw en de physionomie
door hen aan het land gegeven, zijn in hooge mate Germaansch. Dat de
bewoners van het Fransche Normandië nog heden, om hunnen strijdlust
en om hunne zucht tot processen te voeren bekend zijn; dat zij, ten
tijde der Hugenoten, het protestantisme bijzonder toegenegen waren,
is volgens sommigen een naklank uit het Germanendom. Ook dat Frankrijk
van oudsher uit Normandie zijne uitstekendste en meest volhardende
zeelieden kreeg, en dat zijne beroemdste admiraals en vlootvoogden
inboorlingen van Normandie waren, schrijft men aan hunne afstamming
van de landslieden der "Zee Koningen" toe. Ook hoort men nog heden
meermalen de Franschen hunne landgenooten uit Normandie, als wilden zij
aan hunnen oorsprong uit het Noorden herinneren, _les froids Normans_
(de koude Noormannen) noemen.
Ook tot in het hart van Duitschland drongen toen de koene en
ruwe mannen uit het Noorden door. De Rijnsteden brandschattende,
voeren zij herhaalde malen den Rijn op, zoover als zij met hunne
kleine schepen komen konden.--Bij die tochten kregen zij zelfs het
verhevene Gletscher- en Alpenland, Zwitserland, in het gezicht en
daar dit hun eenige gelijkenis scheen te hebben met hun vaderland,
zoo besloten de aanvoerders van een hunner strooptochten, zich daar
neder te zetten. Zij kozen daartoe, het nu zoogenoemde "Ober-Hasli-dal,
eenige nevendalen van het Berner-Oberland en de landstreken aan het
Vierwaldstädter-meer. Daar leeft nog heden ten dage een bijzonder
fraaie en flinke Noordsche volksstam, die, zooals ik bij het
behandelen der Zwitsers opmerkte, tot op den huidigen dag de sage
zijner afstamming van de Noormannen bewaard heeft. De beste Zweedsche
geschiedschrijver, Geyer, gelooft aan deze sage. Ook den naam van het
kanton Schwijz en die van het geheele land Zwitserland ("Schweiz")
heeft men van den naam "Zweden" (Suita) afgeleid. Zoo heeft men ook
de omstandigheid, dat de sage van Willem Tell in Skandinavië eveneens,
met hetzelfde appelschot, met denzelfden voor een tyran bestemden pijl,
verhaald wordt als in Zwitserland, met dit indringen der Noormannen in
de Alpendalen in verbinding gebracht. Oorspronkelijk zou deze mythische
Willem Tell (daar "Palnatoke" geheeten) in de bergen tusschen Zweden
en Noorwegen te huis behooren.
Dat in de Alpen, in het zoo nabij het Hasli-dal gelegen Wallis,
ook de Noordelijkste sporen der aanwezigheid van de Saraceenen of
Arabieren uit het Zuiden gevonden worden, is boven reeds medegedeeld,
en zoo hebben dus deze ver verspreide tijdgenooten, de Noormannen
en de Arabieren, in de binnenste kern van het Centraal-gebergte,
waaruit onze rivieren ontspringen, elkander even zoo ontmoet als op
de Middellandsche Zee.
De zonderlingste ondernemingen echter, die de Noormannen omstreeks
dezen tijd in het Noord-Westen van Europa uitvoerden, golden het ver
afgelegene Thule, het groote door vulkanen gekliefde en met ijs bedekte
eiland IJsland.--Daar schiepen zij, om zoo te zeggen, een geheel
nieuw land en volk, stichtten en bevolkten eene hoogst merkwaardige
republiek, wier burgers door heldenzin, poëzie en ontwikkeling, boven
alle Skandinaviërs der 10de eeuw bijzonder uitmuntten.--Ofschoon deze
eens onafhankelijke Skandinavische vrijstaat op IJsland, later aan
de Noorweegsche en vervolgens aan de Deensche Koningen onderworpen
geraakte, en onder hunne heerschappij tot onbeduidendheid verzonk,
zoo zijn toch in taal, sagen, gezangen en in de oude geschriften van
die afgelegenste aller Europeesche landen, de oudste overleveringen, de
edelste taalschatten en historische heiligdommen van de Skandinavische
volken beter bewaard gebleven dan ergens anders; eerst in lateren
tijd zijn zij weder van onder het stof te voorschijn gebracht, om zoo
te zeggen van onder sneeuw en ijs voor den dag gehaald [22] om menig
duister punt in de geschiedenis van den geheelen Germaanschen volksstam
op te helderen.--De IJslanders, die niet alle latere omwentelingen
en veranderingen der Skandinaviërs medemaakten, spreken nog heden de
primitieve Noordsche taal het zuiverst, verstaan gemakkelijk het oude,
harde, ruwe Lapidair-schrift [23] der Edda (d.i. stammoeder) en lezen
daarin, in den walm en het schemerdonker hunner houten hutten zittende,
met den meesten ijver de heldendaden hunner voorouders.
Van uit IJsland bereikten reeds toen de Noormannen ook Groenland,
en oogstten zelfs den roem in, eener ontdekking en betreding van het
nieuwe vasteland van Amerika, lang voor Columbus [24].
De tijd, waarin zich dit schilderij van den grooten invloed der
Skandinavische Noormannen ontvouwde, mogen wij in ronde cijfers,
omstreeks het jaar 1000 n. Chr. vaststellen.
Toen hadden zij ons geheele vasteland in hunne netten ingesponnen, en
waren er, om zoo te zeggen alom tegenwoordig, even als hun element,
de overal in het land binnenkijkende Oceaan.--Zij trokken Europa om
van de tundra [25] der Samojeden, tot de straat van Gibraltar en van
deze Oostwaarts tot het Heilige land en tot den Pontus Euxinus, en
vervolgens van dezen, zooals gezegd is, dwars door het breede Rusland
weder terug tot hun Noordsch vaderland.--Als gebieders zetelden zij
overal op de uiterste punten van het werelddeel, bij de Noordkaap en
bij het Zuidelijk uiteinde van Italië, en hadden zij bovendien vele
eilanden en punten van Groot-Brittanje en Gallië in hun bezit.--Wanneer
ook al niet overal als _land_-heeren, zoo mochten zij toch alle havens
van het werelddeel, als _zee_-heeren vrij binnenloopen, en op alle
punten der kusten, als de schrik der bevolking, ongehinderd hunnen
voet zetten.
Nooit heeft voor hen en, met uitzondering der Engelschen, ook nooit na
hen, een zeevolk het geheele water om Europa op zulk eene wijze, om
zoo te zeggen, in handen gehad.--Waren zij niet de _membra disjecta_
[26] van een reus geweest, had een vereenigend organisme, een enkele
staatswil ze allen bestuurd, dan zouden zij waarschijnlijk, even als
eens de Romeinen, op den duur gevaarlijk voor de onafhankelijkheid
van Europa geworden zijn.--Langzamerhand echter verminderde de kracht
en de massa van het volk van het toch slechts spaarzaam bewoonde
vaderland. Toen de andere staten en volken--ten deele zelfs met
_behulp_ dezer, van hun vaderland afstand gedaan hebbende Noordsche
emigranten en van hunnen frisschen geest--zich weder vermanden;
toen de omstandigheden ook in Skandinavië veranderden; toen daar het
christendom overwinnend binnengedrongen was, machtige monarchiën--het
eerst in Denemarken, dat in alle opzichten wat de geschiedenis der
beschaving aangaat, meestal het overige Noorden voorging, vervolgens
in Noorwegen en ook in Zweden,--zich bevestigd en den wilden zin der
stamhoofden of Zee-Koningen gebreideld hadden; toen werden de talrijke
bronnen en kraters dier tallooze uitbarstingen en kruisvaarten naar
het Zuiden, verstopt. De plunderings- en veroveringstochten hielden
op.--Als eene slak trok Skandinavië zich in zijn eigen huis terug. En
eene _dergelijke_ grootsche periode van roem en grooten invloed,
heeft het Noordsche volk nimmer weder beleefd.
Wel is de stroom ook later nog herhaalde malen buiten zijne
oevers getreden, maar deze overstroomingen bepaalden zich tot een
kleiner gebied. Het meest ontmoeten wij na den tijd der Wikinger,
de Skandinaviërs aan de overzijde der Baltische zee, op den sedert
overoude tijden door hen bewandelden weg naar het Oosten, waar hunne
voorvaderen het groote Rusland gesticht hadden.--Hunne nationale
oorlogen tegen de Finsche stammen voortzettende, veroverden en
bevolkten de Zweden daar, in de 12de eeuw, het geheele groote
schiereiland Finland, dat zij met Skandinavische kolonisten vulden,
en bijna 600 jaren lang als een integreerend deel van hun eigen rijk
beheerschten.--Zij verloren deze groote provincie eerst in het begin
dezer eeuw aan Rusland, maar tot op den huidigen dag zijn Zweedsche
wetten, taal en zeden daar nog van kracht.--De kusten van het nu
Russische Finland, zijn overal in de rondte door Zweedsche steden en
Zweedsche bevolking omzoomd, terwijl het binnenste gedeelte, ofschoon
door de Zweden voor de Luthersche kerk gewonnen, nog door de Finnen
bewoond wordt.
Ook de andere, nu Russische Oostzee-provinciën, zijn door de
Skandinaviërs, zooals vermoedelijk _dikwijls_ in oude tijden, zoo ook
in de latere eeuwen nog herhaalde malen meer of minder lang beheerscht
geworden; zoo Esthland het eerst door de Denen in de 13de eeuw, later
weder door de Zweden in de 16de en 17de eeuw tot op Peter den Groote;
en even zoo ook Lijfland (maar niet zoo lang) in de 17de eeuw door de
Zweden. Ja! in het begin der 18de eeuw, scheen het een oogenblik, alsof
een tweede Rurik, een karakter dat zeer veel overeenkomst had met dat
der oude Wikingers en Warägers, de avontuurlijke en heldhaftige Karel
XII, die langs de oude wegen der Noormannen, Rusland diep binnendrong,
zich gereed maakte, daar een nieuw Noormannenrijk te stichten. In de
stamlijsten van den Duitschen adel der Russische Oostzee-provinciën,
vindt men sedert dien tijd nog menige familie van Zweedschen naam
en oorsprong, opgeschreven. Ook bevinden zich langs de kusten van
Esthland, even als langs die van Engeland, eenige kleine eilanden,
waar nog ten huidige dage, onder Russischen schepter, Zweedsche
visschers en boeren wonen, die Zweedsche gewoonten huldigen en
Zweedsche taal spreken.
Ook in de Zuidwaarts gelegene landen, in Polen en Duitschland, zijn
in latere tijden de Skandinaviërs meermalen binnengedrongen.--Van
Oldenburg, oostwaarts over Pommeren tot naar Koerland, is nauwelijks
ééne Noord-Duitsche stad of provincie te noemen, waarin niet een of
meermalen Denen of Zweden geheerscht, en die zij niet sedert de 12de
eeuw tijdelijk in bezit gehad hebben.--Daar behoorden ook de Polen
tot de erfvijanden der Zweden, waarmede zij dikwijls hunne zwaarden
kruisten, wier landen hunne legers meermalen binnen marcheerden,
en met wie zij ook eens, voor een korten tijd, in het einde der 16de
eeuw, onder denzelfden koning vereenigd waren.
Het gewichtigst echter waren hier in het Zuiden, van oudsher de
verwikkelingen hunner aangelegenheden met die hunner oude Duitsche
stambroeders. Ja! van alle aanrakingen die zij met vreemden gehad
hebben, is van oudsher geene voor de Skandinaviërs van meer invloed
geweest, dan die met de Duitschers.
Van Duitschland kregen zij het eerst het oude katholieke en later
ook het hervormde christendom. Door Duitschland werden zij, door het
Hanze-verbond, dat reeds in de 14de en 15de eeuw geheel Skandinavië
met koloniën en handelskantoren vulde, in den verkeers-kring van het
Zuiden getrokken, en werden hunne oude zeeroovers langzamerhand in
vreedzame, zegen aanbrengende handelaars veranderd.
Ook hunne Koningen hebben zij dikwijls aan Duitsche familiën te danken;
de Zweden alleen vijf of zes maal. Vele adellijke geslachten werden
hun van Duitschland toegevoerd en steeds, tot op den jongsten tijd,
ontvingen zij van daar, meer steden-bewonende burgers, handwerkslieden
en kolonisten, dan uit eenig ander land van het werelddeel. De weinige
steden, die het aan steden arme Skandinavië bezit, werden met Duitsche
hulp gebouwd. Ook hebben ten gevolge van dit alles, in het geheele
Noorden, van oudsher de zeden, de ontwikkeling, de literatuur en de
omgangs-taal der Duitschers, zich meer aanzien en invloed verschaft,
dan die van eenig ander volk.
Met betrekking tot kunsten en wetenschappen, maakten de Skandinaviërs
in zekeren zin slechts eene _provincie_ van Duitschland uit, welks
bewegingen zij altijd gevolgd zijn.--De geschiedenis van de poëzie
en literatuur der Zweden, Noorwegers en Denen, heeft bijna geheel
dezelfde tempo's, perioden en afdeelingen als die der Duitschers,
en sluit zich aan deze op gelijke wijze aan, als de geschiedenis van
de ontwikkeling der Portugeezen aan die der Spanjaarden, of als die
der Schotten aan die der Engelschen. _Met_ de Duitschers dommelden
zij nog in de 14de en 15de eeuw, toen de muzen der Romeinen reeds
lang ontwaakt waren. _Met_ de Duitschers ontwaakte hun geest tijdens
de kerkhervorming. _Even_ als bij de _Duitschers_, ontstonden ook
bij de Noord-Germanen, hunne moderne schrijf- en literatuur-talen,
uit de kerkelijke beweging, uit de bijbelvertaling. _Even_ als
de Duitschers zongen zij aanvankelijk in de 16de en 17de eeuw,
niet anders dan godsdienstige liederen en psalmen. Gelijktijdig
met de Duitschers, werd hun Parnassus, omstreeks het einde der
18de eeuw, bezield en verlevendigd door talenten en bloesems van
anderen aard. Hunne nationale en lievelingsdichters, de Denen Ewald,
Baggesen, Oehlenschläger, de Zweden Bellmann, Tegnér en Geijer, waren
de tijdgenooten en gedeeltelijk de vrienden van de Duitsche Schiller
en Goethe. Iets dergelijks laat zich van hun Thorwaldsen en Byström,
en van hun Linnaeus en Berzelius, met betrekking tot Duitsche mannen
van kunst en wetenschappen zeggen.
Van minder gewicht is van oudsher, de terugwerking der Skandinaviërs op
de Duitschers geweest. Slechts eens hebben zij in latere tijden weder
krachtig in de geschiedenis der Duitschers ingegrepen, in de treurige
perioden van den dertigjarigen oorlog, toen hun edele koning Gustaaf
Adolf (die door Napoleon zelfs naast Hannibal, Cesar en Alexander den
Groote, als een der grootste veldheeren der wereldgeschiedenis werd
geplaatst) het Noordelijk Duitschland voor de overmacht van het huis
Habsburg, en voor het bijna reeds overwinnende Katholicisme redde,
en toen Zweedsche soldaten, Zweedsche nationale kleederdrachten en
zeden, in Duitschland even algemeen werden, als eene eeuw te voren de
Spaansche geweest waren. Maar ook deze zoogenaamde Zweedsche tijd in
Duitschland, heeft in de ontwikkeling en de taal van het volk slechts
weinige sporen achtergelaten die nog aangewezen kunnen worden.
Nadat de Zweden in het begin dezer eeuw, hunne laatste uit den
dertigjarigen oorlog afkomstige bezitting ten zuiden der Oostzee, het
eiland Rügen en een gedeelte van Pommeren, verlaten hebben, zijn daar
van hen geene kolonisten en afstammelingen, geene taal overblijfselen,
overgebleven, wel misschien nog iets in de gebruiken dier streek, en
den hier en daar spreekwoordelijk geworden schrik voor den Zweedschen
naam, waarmede men nog heden ten dage in Pommeren de kinderen naar bed
jaagt. Skandinaviërs en Duitschers hebben zich hier overal duidelijk en
scherp van elkander afgescheiden, en hebben zich naar hunne natuurlijke
grenzen aan deze en gene zijde der zee teruggetrokken.
Zooveel, wat betreft de punten van aanraking der Skandinaviërs met
vreemde volken, hunne koloniën, staat-stichtingen en zijtakken,
en hunne voetstappen, sporen en overblijfselen buiten hun
vaderland. Beschouwen wij hen nu in hun vaderland zelf, dan kan men
beginnen met te zeggen, dat het geheele Skandinavië, in hoofdzaak
ten gevolge van geographische- en historische verhoudingen, in drie
groote hoofd-landen en volken-groepen, die der Zweden, der Noorwegers
en der Denen, gesplitst is.
Even als door de zee en de noordelijke ligging, van het overige der
wereld afgescheiden, zoo is het Skandinavische schiereiland over zijne
geheele lengte door een groote bergstreek in twee deelen gesplitst,
Oostelijk Zweden en Westelijk Noorwegen.
Zweden is veel bergachtiger, hooger, boschachtiger dan het vlakke
Denemarken, maar vergeleken met Noorwegen schijnt het een laag heuvel-
en rotsplateau-land, dat vóór de groote Noorweegsche bergruggen
gelegen is.
Terwijl Noorwegen en zijne kusten naar den Westelijken Oceaan
gekeerd zijn, is Zweden gekeerd naar het binnen-bekken der Oostzee,
en dit heeft een beslissenden invloed op de natuur der beide groote
helften van het schiereiland, en op de lotgevallen zijner bewoners
uitgeoefend. De eene helft, de Noorweegsche, is overal toegankelijk
voor de nevelen, de wolken, de gematigde winden der wereldzee, die
zich aan hare bergen legeren en die haar een zachten regenrijken
winter en vochtigen zomer, een eiland-klimaat geven.--De andere helft
daarentegen, de Zweedsche, ontvangt met open armen alle invloeden
van het Oosten, meer zonneschijn, meer helderheid, zeer koude en
scherpe winters en korte, heete zomers. Noorwegen is een der grootste
regenlanden van Europa, op Zweden daarentegen valt slechts een vierde
der Noorweegsche regenmassa.
Het is gemakkelijk te begrijpen, dat wanneer ook al niet, beide zoo
opvallend van elkander verschillende streken, van den beginne af aan
door twee verschillende stammen _bewoond_ werden, zich toch ten slotte
een groot verschil in karakter en nationaliteit _vormen_ moest.--De
Noorwegers vooral waren het, die de groote daden der Skandinaviërs,
op de door hen zoo dikwijls bezongene zeeën, verrichtten. Van hen zijn
de meeste dier trans-oceanische Skandinavische koloniën in IJsland,
Groot-Brittanje enz. uitgegaan.--De Zweden daarentegen hebben zich
altijd in het breede, dicht voor hen liggende Oosten verdiept. Van
_hen_ vooral waren de _Waräger_ afkomstig, die tot Constantinopel
doordrongen en aan Rusland zijnen naam gaven. De koloniseering van
het groote Finland is hun werk.
Aan de Denen kan men in dit opzicht onder de Skandinavische volken,
eene middel- en dubbele plaats toekennen. Aan de vereeniging van de
Oostzee met den Oceaan gevestigd, namen zij aan de beide richtingen der
werkzaamheden hunner stamgenooten deel. Zij voeren met de Noorwegers
in Westelijke richting den Oceaan in, en werden daar, even als deze,
machtig--en aan de andere zijde in Oostelijke richting gingen hunne
ondernemingen dikwijls parallel met die der Zweden, soms tot diep in
Rusland, Polen en Duitschland.
Dat de Zweden, ten gevolge der aangegevene omstandigheden, tot
een door ligging en gesteldheid van hun land verbonden geheel te
samensmelten, en zich van de Noorwegers en Denen scheiden moesten,
is natuurlijk.--Maar uit eene verdere onderverdeeling van het land
ontstaat op even natuurlijke wijze eene verdere onderverdeeling van
het volk.--In het Zuiden maakt zich het Zweedsche vasteland van zijne
aaneengroeiing met Noorwegen los. Het loopt Zuidwaarts in een breeden
landentop uit, die zoowel eene Oostzeekust heeft, als voor een gedeelte
door den Oceaan begrensd wordt.--Deze Zuidelijke helft van Zweden is
van het Noordelijke hoofdlichaam van het land, verder door eene reeks
groote zeeboezems, en eindelijk nog door een breede streek van vroeger
ondoordringbare en eerst in lateren tijd gedunde wouden gescheiden.
Er ontstaat op die wijze een _Zuidelijk_ Zweden, dat zich bijna als een
groot eiland voordoet, en een _Noordelijk_, dat meer met het Noorden
van het vasteland vastgegroeid is.--Deze verdeeling van het land in
twee deelen heeft ook van de oudste tijden af, eene verdeeling in
twee deelen van het Zweedsche volk veroorzaakt, die nog heden ten dage
uit een ethnologisch oogpunt eene meerdere of mindere waarde heeft.
In de Zuidelijke breede landenpunt, woonden de zoogenaamde Gothen of
Guthen, die lang hier hun eigen koningrijk "Gothland" of "Götarike,"
hadden; in het Noorden der bosschen en merenrij daarentegen,
de in naam, zeden en dialect van genen afwijkende, _eigenlijke_
Zweden. De wieg en oorspronkelijke woonplaats van laatstgenoemden,
is in de vlakke en vruchtbare landschappen rondom den grooten fiord,
die men het Meler-meer noemt.
Hier vormde zich het oude koningrijk en volk "Suithiod" of "Swearike,"
het eigenlijke Zweden, dat langzamerhand echter verder om zich
heengreep en ook het Zuidelijk land en volk der Gothen, ten deele door
geweld en bloedige oorlogen, met zich vereenigde.--De veel bezongene
Brawalla-slag, die op de grens van het land der Zweden en dat der
Gothen plaats vond, mag als een dezer gevechten tusschen de Zuidelijke
en Noordelijke Skandinaviërs beschouwd worden. Die vijandelijkheden
en verschillen tusschen Zweden en Gothen, waren dergelijke als die
tusschen Noord- en Zuid-Duitschland, en meestal was het de vraag of
de "Gothen" dan wel de "Zweden," aan het geheele rijk een opperhoofd
zouden geven.
Eerst in nieuweren tijd hebben de Denen hunne uiterste en laatste
bezitting op het Skandinavische vasteland, in het oude land vanwaar
zij herkomstig zijn, het landschap Schonen opgegeven.--En eerst
sedert dien tijd, sedert de Roeskilder-vrede in het jaar 1658, omvat
de Zweedsche naam het geheele tesamenhangende en natuurlijk begrensde
land ten Oosten van den Noorweegschen bergrug.--Desniettemin echter
is er nog tot op den huidigen dag, altijd een onderscheid tusschen de
Zuidelijke Zweden aan deze zijde van het groote woud en de meren--de
Gothen--en de eigenlijke Zweden in het Noorden, in het stamland aan
het Meler-meer. En nu nog verdeelt men de Zweedsche taal in twee
hoofd-dialecten, het Gothische en het Zweedsche, het Zuidelijke en
het Noordelijke.
De oude en de nieuwe koninklijke residenties der Zweden, Sigtuna
(de Odins-stad), Upsala, Stockholm, liggen om het Meler-meer. Daar
is nog heden het hart van het volk, even als dat van het Deensche
volk rondom Kopenhagen. Daar zijn de hoofdzetels van den Zweedschen
adel. Niet ver van daar ligt het oude IJzerland, de woonplaats der
dappere Dalekarliërs (dalkerels), van uit wier dalen in nieuwere
tijden Gustaaf Wasa, een tweede Sigurd Ring, het oude Noordsche Zweden
van de opperheerschappij der Denen bevrijdde, en het moderne Zweden
grondvestte. Daar ook, aan het Meler-meer, wordt het dialect gesproken,
dat zich tot de hoofdtaal van het volk en van de literatuur in Zweden
verheven heeft.
Het laat zich begrijpen, dat er buiten de beide genoemde
hoofdafdeelingen der Zweedsche natie (de Gothen en de eigenlijke
Zweden) nog vele andere plaatselijke schakeeringen van den volkstam
en zijne taal bestaan. Men treft b.v. binnen het Gothische
gedeelte alleen, nog een half dozijn meer of minder verbreide
dialecten.--Ja! men kan zeggen dat in al de tallooze dalen van
Zweden, die als smalle strooken bewoonbaar en bebouwd land uit het
dichte oorspronkelijke woud uitgesneden zijn, even zoo vele kleine
eigenaardige volks-zeden en taal-gebieden bestaan, als er sporten
aan eene ladder zijn.
Laten wij echter deze fijnere schakeeringen rusten en bepalen wij ons
er bij, de kleur van het geheele volk in het groot te beschouwen, dan
zien wij in het Zweedsche nationaal-karakter en type wel vele trekken,
die het met alle stammen der groote Germaansche familie gemeen heeft,
maar aan de andere zijde ook niet weinig eigenaardigheden, die het
van zijne andere verwanten zeer doen verschillen.
In de reislust, die zijn borst ontgloeit, die de Zweedsche dichters
even veel bezingen als de Duitsche, zoo mede in de innige en warme
liefde voor de natuur, die bij hen, even als bij andere Germanen, eene
reeks der uitstekendste natuurvorschers deed ontstaan, hebben de Zweden
overeenkomst en verwantschap met de Germanen.--Even als het wezen
en de geest der Germanen, zoo zijn ook die der Zweden in hooge mate
vormbaar en vlug. Vreemde manieren, zeden, taal en gewoonten leeren
zij, even als de Duitschers, gemakkelijk aan, en maken zij zich nog
gemakkelijker eigen dan deze.--Even als vele andere Germanen, hebben
zij ook altijd eene groote neiging gehad, voor het tot de vizioenen-
en geestenwereld behoorende, en Swedenborg en consorten hebben bij de
Zweden evenveel aanhangers gevonden, als bij de Duitschers Stilling,
de zienster van Prevorst enz. En even als bij andere Germanen ligt
ook bij de oud-Luthersche Zweden, eene groote vroomheid, eene diep
ernstige godsdienstigheid, tot grondslag dezer neiging.
Daarentegen springen ons weder vele andere eigenaardigheden bij de
Zweden in het oog, die met het ernstige grond-karakter der Germanen
in tegenspraak schijnen te zijn. "Naast zijn Germaanschen ernst in
godsdienstzaken, bezit de Zweed eene zekere onbestendigheid en eene
groote neiging tot glans en praal, eene soort van lust tot pronken en
schitteren, die hem niet alleen van den Duitscher, maar ook van den
Noorweger en den Deen onderscheidt. Hij heeft eene bepaalde voorliefde
voor uiterlijke vormen, voor het ceremonieele, en spreidt die gaarne
ten toon. In _dit_ opzicht kon men de Zweden, de _Spanjaarden_
van het Noorden noemen." Zijn streven naar het liefelijke openbaart
zich zelfs in zijne taal, die de welluidendste en muzikaalste onder
alle Germaansche tongvallen is, even als het Italiaansch zulks is
onder de Romaansche, als ook daarin dat aesthetische ontwikkeling
in Zweden altijd hooger stond, dan wetenschappelijk onderzoek en
werkzaamheid. "Zij zijn meer geniale kunstenaars en dichters, dan
ijverige geleerden. En ook weder in hunne poëzie toonen zij, nevens
het bedaarde en bedachtzame karakter en den rijkdom van gedachten,
die zij met den Duitscher gemeen hebben, tegelijkertijd iets dartels,
iets phantastisch, een zich overal openbarende pracht en gloed, die
men genegen zou zijn als Zuidelijk te beschouwen, wanneer niet juist
dat vuur in het hoogste Noorden ontgloeide."
In hoogere mate en met meer lust en behendigheid dan de adel van
eenig ander Germaansch land, heeft de Zweedsche zich de gladde
taal en de buigzame zeden der Fransche eigen gemaakt, en aan deze
omstandigheid--de vertrouwelijkheid en gehechtheid van Zweedsche
militairen met den generaal Bernadotte--hebben de Zweden het onder
anderen ook te danken, dat zij in den nieuweren tijd eene dynastie
van Franschen oorsprong op hunnen Vorsten-troon kregen.
Bijzonder opvallend openbaart zich onder anderen de groote neiging
der natie tot blinkenden glans en klank, ook in de Zweedsche
familie-namen.--"Alles, wat men melodieus en schitterends aan metalen,
sterren, bloemen, vogelen vindt," zegt Arndt--"wat er ridderlijks
en roemrijks in de menschelijke zaken aangetroffen wordt, schijnt
het ridderhuis van den dapperen en oorlogzuchtigen Zweedschen
adel geplunderd te hebben, om namen te vinden voor zijne heeren
von Güldenstern en Silbersparre, zijne Baronnen von Goldgranat, von
Sternen- of Liliënkrone, zijne Graven von Rosenzweig of Lorbeerkranz,
von Adlersklaue en Löwenhelm. Men vindt in de gulden adels-boeken
van geen land van Europa, eene tweede dergelijke vreemde verschijning.
Misschien zijn hiermede ook andere tegenstrijdigheden verbonden,
die men in het Zweedsche nationaal-karakter ontdekt. Zoo b.v. de
avontuurlijke, heftige, belachelijke, ruwe manier van doen, die alle
Koningen en groote mannen van Zweden gekenmerkt heeft; eene kenmerkende
eigenschap, die met de ook den Zweden toegeschrevene Germaansche
bedachtzaamheid, zoo weinig schijnt te harmonieeren.--Er is nauwelijks
in Europa nog een land, waarin nog gedurende de laatste eeuwen--om van
vroegere avontuurlijke tijden niet eens te spreken--middel-eeuwsche
geschiedenissen, hevige staatkundige woelingen, onttrooningen,
voorgekomen zijn, als in Zweden, dat zich in dit opzicht als een
tweede Hoog-Schotland aan ons voordoet.
Even als de werkdadig optredende mannen, even als ook de heldhaftige
vrouwen, waaraan de Zweedsche geschiedenis zoo rijk is, zoo hebben
ook de gebeurtenissen zelve, in dit land altijd iets krampachtigs,
iets losbarstends en hoog-tragisch gehad, wat alles ook met het
scherpe verschil der standen, het ijverzuchtig streven naar glans en
onderscheiding, en hunne aristokratische bemoeiingen samenhangt.
Een in het oog vallend contrast vormt de Zweed in bijna al
die opzichten, trots eenige gelijksoortigheid in ras, taal en
bloed, met zijn Noorweegschen broeder.--De Noorweger bewoont
het _Skandinavische Zwitserland_. In de lange en enge dalen dezer
groote klippen en gletschers, waarin het bebouwbare aardrijk slechts
schaars vertegenwoordigd is, was geene ruimte voor groot grondbezit,
voor adellijke landheeren met een uitgestrekt gebied, zooals in
in Zweden. In de natuur van dit Noordsche Alpenland, heeft het
democratische principe diepe wortels geschoten. Alleen zoolang zij
als zeeroovers de overige wereld plunderden en den roof naar hunne
rotshavens sleepten, konden de Noorwegers inheemsche hofhoudingen,
Zee-Koningen, aristokraten, ridders in hun land onderhouden. Maar toen
de Wikinger-tochten, de aanhoudende oorlogen ter zee ophielden, ging
de adel langzamerhand te niet, zonder dat men met zekerheid zeggen
kan, hoe en wanneer. De Noorwegers werden weer een eenvoudig en vrij
boeren-, visschers- en schippers-volk, wat zij in hoofdzaak _altijd_
geweest waren en gebleven zijn.
Op de Noorwegers is nog altijd van toepassing, wat Tacitus
gezegd heeft van den aard der Germaansche wijze om zich hier of
daar neder te zetten. Zij leven verstrooid over het geheele lang
uitgestrekte land aan de rivieren, fjorden, en de hellingen der
bergen op afzonderlijke landhoeven, in zoogenaamde "Gards." Ter
nauwernood hebben zij dorpen. Van de verdere wereld gescheiden,
in hunne rust sedert onheugelijke tijden door vreemde invloeden nog
minder gestoord dan de Zweden, hebben zij hunne oude manier van zijn,
nog onveranderder dan deze voortgeplant. Dat afgesloten leven heeft
den Germaanschen stam in zeldzame zuiverheid bewaard. In ieder der
diep ingesnedene dalen, volgt op groote afstanden het eene gehucht
op het andere. Ieder dal vormt op zich zelf een district, en staat
slechts in geringe gemeenschap met de naburige districten. Dikwijls
zijn de scheidende bergruggen, dagreizen ver, woest en onbewoond.
De bewoners dezer elkander naburige dalen, die ieder genoeg aan zich
zelf hebben, onderscheiden zich onder elkander zeer in zeden, gewoonten
en taal, welk onderscheid dikwijls niet minder scherp en in het
oogvallend is, dan dat der Zweden, Denen en Noorwegers onder elkander.
Eene Noorweegsche taal, die men naast de Zweedsche of Deensche
zou kunnen plaatsen, is er nog niet. Even als in het _Duitsche_
Zwitserland, zoo bestaan ook in dit _Skandinavische_, alleen patois en
dialecten, die echter gedeeltelijk nog oude eigenaardige leden van de
oorspronkelijke Noordsche taal zeer trouw bewaard hebben. Even als in
Zwitserland de taal van Luther, zoo is in Noorwegen die der Denen de
spreek-taal der beschaafde klasse, en de schrijf- en literatuur-taal
geworden. De verstandelijk veel werkzamer Denen, die alles wat invloed
had op de beschaving, uit het Zuiden, uit de eerste hand ontvingen, die
aan het hoofd der meeste wetenschappelijke bewegingen van het Noorden
stonden, en die Noorwegen zelf lang overheerschten, hebben de hoogere
standen van het volk in menigerlei opzicht verdeenscht. Ten opzichte
van literatuur, kunst, geleerdheid en poëzie, vormt Noorwegen nog
heden eene provincie van Denemarken; evenwel hebben de Noorwegers,
sedert zij staatkundig van de Denen onafhankelijk werden, al het
mogelijke gedaan om hunne Deensche literatuur-taal eene eigenaardige
en zelfstandige tint te geven, ze uit de bronnen der inheemsche
dialecten te versterken, en eene eigene Noorweegsche nationaal-poëzie
en redekunst te vormen.
Het lange schiereiland eindelijk en de groep vriendelijke eilanden,
welke de Denen bewonen, staan met Duitschland in het innigste physisch
verband. Zij hebben het klimaat, den plantengroei, de heiden,
de wouden, het landschapskarakter van Noordelijk Duitschland. Zij
zijn, even als dit, vlak en wijd en zijd bebouwbaar, en vormen in
al deze opzichten een opvallend contrast met het groote, rotsachtige
Skandinavische schiereiland in het Noorden; van den beginne af aan,
hebben daarom waarschijnlijk de Duitschers het geheel, als een
hun van nature toekomend gebied beschouwd.--Geheel Jutland en de
naburige eilanden waren in den tijd, toen de geschiedenis haar eerste
schemerlicht over deze streken wierp, niet door Skandinaviërs, maar
door Duitsche Angeln en Saksers bewoond.--Eerst sedert de 5de eeuw,
nadat de Angeln en Saksers een groot deel van hun volk naar Engeland
overgeplaatst hadden, drongen de Denen uit het Noorden, en wel uit het
Zuidelijk Skandinavië, hunne verlatene woonplaatsen binnen, geheel
op dezelfde wijze, als in denzelfden tijd en om dezelfde redenen,
de Slawen van het Oosten uit, in andere streken van Duitschland,
die eveneens gedurende de groote volksverhuizing door de Duitschers
verlaten waren, binnen trokken.
Vele kenteekenen bevestigen de door de Duitsche historici aangenomene
bewering, dat de tegenwoordige Denen _niet vóór_ de Duitschers, in
het land, dat zij thans het hunne noemen, te huis behoorden, maar
dat zij het veeleer eerst in een lateren tijd, van uit het Noorden
binnengetrokken zijn.
In het binnenste gedeelte van Zweden ten noorden van het Meler-meer,
treft men nog heden hunnen naam aan, onder anderen in het
kerspel "Danmark," en in het gehucht "Danemora". Daar zullen zich
waarschijnlijk de oorspronkelijke woonplaatsen der Denen bevonden
hebben. Van het Meler-meer zegt ook nog de sage, dat daar eens een
hunner halfgoden geploegd heeft. Zijne vier ossen hadden zoo sterk
aangetrokken, dat zij een groot stuk land uit den bodem scheurden. Dit
uitgescheurde stuk land hadden de zonen van Odin in het Westen van
den Sond in de zee gelegd, en daaruit zou het fraaie eiland Seeland
ontstaan zijn. De ontstane kuil vulde zich met water en zoo ontstond
het Meler-meer.--Ook deze sage wijst naar eene verplaatsing van het
Denendom, uit Zweden naar zijne tegenwoordige Zuidelijke ligging.
Zij zelven ook beschouwen algemeen het zuidelijke Zweden, het land
"Schonen" of "Skone" of "Scandia", waarvan de naam "Skandinavië"
afgeleid is, als hun oudste vaderland aan den Sond, van waar uit zij
hunne godensteden en offerplaatsen, eerst Leire, daarna Roeskild,
later Kopenhagen, naar Seeland verplaatsten.
Toen de Denen naar het schoone weide- en beuken-eiland der oude
Saksers en Angeln kwamen, brachten zij uit het Zuidelijk Zweden een
anderen, met hen verbroederden Skandinavischen volksstam mede, de
Jüten of Güten, vermoedelijk identiek met de Zuid-Zweedsche Gothen,
die zich bij voorkeur langs de met bosschen omgroeide fiorden, en over
de wouden van het Cimbrische of Anglische schiereiland verbreidden,
en aan het land den naam "Jutland" gaven.
Dat deze, het land binnengetrokken Jüten, daar nog vele Duitsche Angeln
en Saksers aantroffen, zich met dezen vermengden en vele Germaansche
invloeden van hen ondergingen, bewijst onder anderen de physionomie
hunner taal, die veel eigenaardigheden bezit, die bepaald Duitsch,
en niet Deensch of Skandinavisch zijn. Deze Jütische taal plaatst, bij
voorbeeld, om slechts eene zaak aan te roeren, even als alle Duitsche
talen, het lidwoord _voor_ het zelfstandige naamwoord en niet, zoo
als alle Skandinavische talen, er _achter_.
Reeds iets voor den tijd van Karel den Groote, hadden de Denen en
Jüten hunne veroveringen, koloniën en politieke grenzen tot aan den
Eider voortgeschoven, maar ook reeds toen bleven binnen deze grenzen,
verscheidene kleine streken van het land, midden onder de Denen,
door hunne oude Duitsche bewoners bevolkt, zooals bij voorbeeld het
kleine land Angeln, waarin zich nu de eens zoo ver verspreide stam
en naam der Angeln terugtrokken, zoo ook de Marsch-eilanden ten
westen van Jutland, die van oudsher door Duitsche Friezen bevolkt
waren, en die nu ook onder Deensche heerschappij bleven. Ook werd de
Deensche grond-bevolking in Zuidelijk Jutland, door den uit het Zuiden
terugkeerenden vloed van Duitsche nationaliteit, beschaving en taal
weder Noordwaarts teruggedrongen. Het land binnentrekkende Duitsche
Vorsten, adellijke geslachten, landbouwers, zendelingen, kooplieden en
kunstenaars, die de steden Schleeswijk, Flensburg en andere bouwden,
hebben dit Zuid-Jutland grootendeels weder Duitsch gemaakt, zonder dat
echter de Denen ooit geheel geweken waren, en het is dien ten gevolge
sedert Karel den Groote, aanhoudend een twistappel tusschen beide
nationaliteiten geweest tot op onze dagen toe, toen de Duitschers hun
oud nationaalgebied weder tot aan de Königsau vooruitgeschoven hebben.
Niet alleen de Zuidelijke gedeelten van Jutland echter, maar ook de
geheele Deensche stam, zijn in den langen strijd met hunne Duitsche
naburen, nog meer aan Duitsche invloeden blootgesteld geweest, dan
hunne overige Skandinavische broeders, de Zweden en Noorwegers.
Bijna ten allen tijde waren Duitsche provinciën, òf ten gevolge
van erfenissen òf ten gevolge van oorlogen, met het Deensche rijk
verbonden. Deze hunne veroveringen strekten de Denen somwijlen, zooals
b.v. eens in de 13de eeuw, toen de Duitsche kracht in de oorlogen om
het Zuiden zich naar Italië verloor, zoover in Noord-Duitschland uit,
dat hun staat meer _Duitsche_ dan _Deensche_ landstreken en onderdanen
had. Hunne Koningen waren dien ten gevolge vasallen of bondgenooten
der Duitsche Keizers, en zijn ook in lateren tijd, om hunne Duitsche
provinciën, leden van den Duitschen bond geweest.
Het Deensche volk, zijne zeden, zijne ontwikkeling en literatuur
hebben, ten gevolge van al deze menigvuldige vermengingen hunner
aangelegenheden met die der Duitschers, een veel meer Duitschen
stempel verkregen, dan die der Noorwegers en Zweden.
Ook van de, den Duitschers naburige, Slawen heeft de Deensche stam
_meer_ ontvangen dan zijne Noordsche broeders. Tijdens de Deensche
zeerooverstochten, werden de kusten der Slawische Obotriten en
Pommeranen voortdurend door de Denen opgezocht. Eeuwen lang trokken
zij van daar hunne slaven en krijgsgevangenen. Geheele scheepsladingen
tot dienstbaarheid gebrachte Wenden, werden van daar naar de Deensche
eilanden gevoerd en moesten zich daar nederzetten.--Zoo hadden ook
de Deensche Koningen in hunnen titel het attribuut: "Koningen der
Wenden en Slawen."
Ook van deze Slawische inmengingen ontdekken wij nog heden onder de
Denen der eilanden, menig duidelijk spoor. Het menschenslag op Seeland
en de naburige eilanden is kleiner dan de Skandinaviërs gewoonlijk
zijn. Het blonde Germaansche haar treft men daar weinig aan. Even als
bij de Slawen, heeft het _gevoel_ bij deze Seelanders de overhand,
en even als in de Slawenlanden, heeft nergens de macht van den
grondbezittenden adel meer de bevolking gedrukt dan op dit hoofdeiland
der tegenwoordige Denen.--"Ook op het aan de Denen toebehoorende eiland
in het midden der Oostzee, op Bornholm, vertoont zich eene inmenging
der Slawische elementen. Het noordelijk gedeelte van dit eiland is
door een krachtig, groot, sterk, ernstig en weinig woorden gebruikend
menschenslag bewoond, dat alle echte trekken van den Skandinavischen
stam bezit, terwijl in het Zuiden kleinere, luchtiger, beweeglijker
menschen met bruine oogen en donker haar leven, die nu wel Deensch
spreken, maar voor het overige vele karakteristieke eigenaardigheden
der Slawen bezitten.
Voor de oudste en zuiverste Denen beschouwen zich de bewoners van
Fünen. Zij beschouwen zich als het hart van Denemarken. "Wij Denen,"
hoort men hen somwijlen zeggen, niet in tegenstelling met de Duitschers
of Franschen, maar met de "Jüten" en "Seelanders."
Overigens zou men de bevolking van elk der vele Deensche eilanden,
even als in Noorwegen die van elk dal, een eigen karakter kunnen
geven. Op ieder schijnt zich een bijzondere stam van eiland-bewoners
gevormd te hebben.
Het meerendeel en de hoofdkracht (ten minste de physische) van den
Deensche stam, wordt gevormd door de Jüten. Uit hen rekruteeren de
Denen de kern hunner nationale troepen. "De Jüten zijn in tegenstelling
met de Deensche Seelanders en Fünen langzaam en omslachtig in hunne
bewegingen, maar volhardend en ijverig in alles wat zij ondernemen. En
met al hunne gemakkelijkheid, weten zij toch het gebrek uitstekend van
de deur te houden. Men vindt nergens in Denemarken zulke welgezetene,
nette en knappe boerenplaatsen als bij de Jüten, terwijl men bij de
boeren op Seeland somwijlen een weinig aan hetgeen wij eene Poolsche
huishouding noemen, herinnerd wordt.
Deze Jüten zijn in Denemarken beroemd om hun handels-talent en om
hunne huishoudelijke spaarzaamheid. Daarin kan men ze met de Schotten
in Engeland vergelijken. Het "iets met iets, geeft iets," is bij de
volhardende Jüten een zeer geliefd spreekwoord. De aankweeking van
rundvee is naast den handel, hunne meest geliefkoosde bezigheid.
Ook zijn zij de bewaarders der oudste zeden en traditiën der Denen. Bij
hen worden ook oude volksfeesten gevierd, waarvan de sporen op de
eilanden en bij Kopenhagen verdwenen zijn. Ook leven in het Noordelijk
en Westelijk gedeelte van het land tot aan het, met de beenderen en
ribben van walvisschen en het wrakhout van gestrande schepen altijd
bezaaide voorgebergte Skagen toe, in den mond der bewoners nog oude
volksliederen en heldensagen, even als op IJsland. Gewoonlijk is de
Jüt niet weinig ingenomen met zijn, in het overig Europa zoo onbekende
en geignoreerde, schiereiland.
De magere grond der bruine heide
Ziet hij altoos het liefst.
Bij de voorvaderlijke, met heide begroeide grafplaatsen,
Wil ook hij zijn grafstee hebben.
"Bij dit alles, is toch de lang uitgegroeide en lichamelijk krachtig
gebouwde Jüt, in het politieke en ontwikkelingsleven der Denen, slechts
een nevenpersoon, zonder eene beslissende stem in den raad van het
rijk. De kleinere Deen, uit het midden des rijks, de _Seelander_, de
lichamelijk zwakkere, geestelijk echter meer opgewekte eiland-bewoner,
leidt de politieke en moreele beweging van het volk." Hij vormt en vult
de bevolking der hoofdstad Kopenhagen, van het Skandinavisch Athene,
aan. Hij levert ook de beste ambtenaren aan de regeering, aan het
Deensche parlement de staatslieden en redenaars. Op Seeland werden de
Oehlenschläger, de Ewalds, de Baggesen's, bijna alle groote Deensche
dichters en literatoren geboren. En de, in Denemarken en Noorwegen
heerschende taal der literatuur en beschaving, heeft zich ten gevolge
van dien, ook het meest uit het dialect der Seelanders ontwikkeld.
"Deze Seelanders zijn vooral die prikkelbare, die met zich
zelven ingenomene Denen, met een ras besluit en brutalen moed,
wier eigenaardige nationale-ijdelheid zelfs bij hunne broeders in
Zweden berucht is." Het is een gebrek, dat wel zeer opvallend en
onaangenaam is, maar zeer natuurlijk bij een klein volk, dat eens
ver gebood, dat eene niet arme literatuur ontwikkelde, dat lang aan
het hoofd der beschaving en somwijlen ook der politieke macht van
het geheele Skandinavische Noorden stond, maar nu daarentegen zich
tot enge grenzen moet bepalen, en zich, even als alle kleine volken,
bijzonder gevoelig toont bij de gedachte, dat het eenmaal met taal,
zeden en politieke zelfstandigheid in het lichaam van een grooteren
nabuur zou kunnen opgaan.