vreemdsoortige stoffen en naturen in haar wezen zich zoo innig
doordrongen en vermengd, dat daaruit niet iets zwaks en verdeelds,
maar een volstrekt geheel, ja zelfs, zooals bij een in elkander
gedraaid ankertouw, iets nog sterkers ontstaan is.--Ook zijn beide
volkselementen in Engeland nooit tot eene volkomene gelijkheid, tot
eene bepaalde rust gekomen. Veelmeer hebben zij tot op de nieuwste
tijden, zoowel op het gebied der taal als op dat der politiek, met
elkander geworsteld en hard gestreden.--Uit deze omstandigheid, uit het
nimmer rustende leven in den tweehoofdigen geest der natie, laat het
zich verklaren, dat de Engelsche taal nog voortdurend met zoo groot
gemak, zoowel uit de Romaansche talen, uit het Latijn, het Fransch
enz., als uit het Duitsch, Nederlandsch, Skandinavisch, nieuwe woorden
aanneemt en zich eigen maakt. Daardoor zijn haar van oudsher vele
fijn genuanceerde uitdrukkingen, en niet weinige geheel eigenaardige
poëtische schoonheden toegevloeid. En evenzoo laat zich daaruit
het verschijnsel verklaren, dat de bloesems der Engelsche literatuur
bijna altijd, om zoo te zeggen, eene tweevoudige kleur hadden. Er zijn
namelijk Engelsche dichters geweest, die geheel en al uit de Duitsche
ziel, andere die meer uit den Noormaansch-Franschen geest schijnen
voortgekomen te zijn. In de aderen van den grooten Byron bijvoorbeeld,
heeft wel gedecideerd Noormansch bloed gevloten. De natuurdichter
Burns daarentegen is naar taal en gevoel een Duitscher. In Shakespeare
herkent men, zooals Gervinus zegt, _beide_ elementen even sterk. In de
keus zijner groote romantisch-historische schilderingen, zoowel als
in de drieste energie en kernachtige kortheid zijner uitdrukkingen,
verraadt bij den Romaanschen Noorman, terwijl uit de vormloosheid,
uit den breeden, dikwijls gekronkelden bouw zijner stukken, die
eenige gelijkenis hebben met den Gothischen kerkbouw-stijl, de
Duitscher tot ons spreekt. Over het geheel echter heeft bij hem,
even als bij alle echte Engelsche volks- en nationaal-dichters, het
Germaansch de overhand, hetgeen daardoor bevestigd wordt, dat nooit
een buitenlandsch dichter in den vreemde zoo inheemsch is geworden
als Shakespeare in Duitschland.
Even als bij afzonderlijke geniën en individuën, zoo heeft zich ook
in verschillende perioden der Engelsche literatuur, nu eens eene
voorliefde tot den Duitschen geest, dan weder eene neiging tot het
Romanismus geopenbaard. Er zijn tijden geweest, waarin de Romaansche
elementen der taal bij de Engelschen, om zoo te zeggen meer in de mode
waren, waarin de dichters en schrijvers alles zooveel mogelijk met
woorden aan den Franschen taalschat ontleend, uitdrukten; andere,
waarin zij liever gebruik maakten van de kracht, in de Saksische
taalwortelen liggende. En bijna altijd is er--even als in den strijd
om het bestuur tusschen eene Noormansche adels- en eene Saksische
volkspartij--ook op het veld der literatuur eene Romanistische en
eene Germanistische schrijvers-coterie en richting geweest.
Even als de taal, zoo kreeg ook, door de zoo gelukkige
Noormansche-Saksische samensmelting, de zoogenaamde nationale geest
van het volk, eene gemakkelijkheid zich het bruikbaarste uit beide
nationaliteiten eigen te maken. Zoo heeft men het, om behalve een
voorbeeld uit de taal ontleend een ander aan te voeren, ook in de
politieke wetgeving der Engelschen geroemd, dat zij eene eigenaardige
toegevendheid en ontvankelijkheid verkreeg, waardoor zij in staat
gesteld werd aan verschillende stelsels, aan het Koningschap, aan het
leenwezen, de aristocratie en democratie, het beste en degelijkste
te ontleenen en met elkander harmonisch te vereenigen.
Ten slotte echter mag men wel zeggen, dat even als de Spanjaarden
sedert Ferdinand en Isabella steeds meer Iberisch, de Franschen
sedert Hugo Capet steeds meer Celtisch, zoo ook de Engelschen nadat
zij den eersten stoot der Noormansch-Fransche verovering te boven waren
gekomen, weder meer Anglo-Saksers of Duitschers geworden zijn. Fransche
historici beschouwen den langdurigen strijd der mindere klassen of
van den derden stand in Frankrijk, tegen de Fransche Koningen en tegen
den van Germaansche tijden dateerenden adel en zijn leenstelsel, als
een strijd van de onderdrukte Romano-Celten tegen den Germaanschen
nationalen geest. Volgens hunne meening drong van _beneden_, uit de
Celtische boerenhutten en uit Celtisch-Romanische steden, in den
loop der tijden het oude oorspronkelijk element van Gallië steeds
invloedrijker naar boven, en in de Fransche revolutie, zooals ook in
het door deze nivelleerende beweging voorbereide Imperialisme, zien wij
eene laatste en volkomene overwinning van het Celten- en Romanendom
over het Germanendom in Frankrijk.--Geheel gelijk hiermede, maar in
omgekeerden zin, schijnt de voortgaande ontwikkeling der zaken, de
gang der nationaliteits-verhouding in Engeland gebeurd te zijn.--Hier
werd het feudaalwezen door Romanen gesticht, in een tijd, waarin zij
het in Frankrijk pas van de Germanen ontvangen hadden. Het werd den
onderworpen Duitschers (den Anglo-Saksers) op den hals geworpen, even
als in Frankrijk den Celto-Romanen. De langdurige strijd der mindere
standen tegen den adel, de leenheeren en de Koninklijke macht,--hunne
eindelijke overwinning ten tijde van Cromwell, en vervolgens hunne
latere overwinningen in onzen nieuweren tijd,--mogen eveneens als
een worstelen en eene langzame overwinning der eene nationaliteit
op de andere, der Anglo-Saksers op de Romanen beschouwd worden. De
demokratische zoogenaamde _rondhoofden_ uit de tijden van Cromwell,
kwamen meest uit het Zuiden en Zuid-Oosten van Engeland opdagen,
waar van oudsher de Anglische en Saksische bevolking de bovenhand
gehad had. De ridders en Koningsvrienden waren meer uit het minder
Duitsche Westen en Noorden afkomstig. Men zou misschien kunnen zeggen,
dat Engeland des te vrijer en vrijzinniger geworden is, naar mate
de oude Duitsche gedeelten van het volk, namelijk de burgerstand,
weder naar boven kwamen, zooals Frankrijk steeds meer revolutionair
en imperialistisch werd, hoe meer het oude Celto-Romanismus zich van
het Germanendom afscheidde. Hoe zelfs in de uitspraak en in het accent
van hun taaleigen, de Engelschen steeds meer Duitsch geworden zijn,
daarop is boven reeds gezinspeeld.
Ook in de voorzichtige en langzame _manier_ der sociale hervormingen,
in het conservatieve, van alle plotselingheden en van het radikalismus
afkeerige Engeland, die daar zelden tot uitersten oversloegen, is het
duidelijk zichtbaar dat hier de voorzichtige, bedaarde en verstandige
vrijheidsgeest der Germanen de banier droeg; terwijl omgekeerd in
de hevigheid der, het op _vernietiging_ en volkomene _gelijkheid_
aanleggende, omwentelingen in Frankrijk de reeds door Cesar berispte
teugelloosheid der Galliërs zich voldoende openbaart.
Bijzonder duidelijk heeft de dubbele aard van den Engelschen geest,
als ook de bovenhand van het Duitsche zijn in hem, zich ook in de
hervorming der kerk geopenbaard. Nauwelijks had Luther in Duitschland
godsdienstige- en geloofsvrijheid geproclameerd, of zulks vond bij
de Engelschen, even als bij andere Germaansche volken, den meesten
weerklank. Even als het geheele Germaansche Noorden, zoo maakte zich
ook met betrekking hiertoe, Engeland van de Romaansche wereld los.
Wel is Engeland in zijne kerkelijke hervorming--karakteristiek genoeg
voor zijn _half_-Germanismus en voor zijne plaatsing op de scheidslinie
van beide groote stammen--halverwege blijven staan. Evenals het
Engelsche volk, als zijne taal, als zijne wetgeving, nevens den
Duitschen grondtoon ook de bijgevoegde Romaansche tint in zich verwerkt
en bewaard heeft, zoo heeft ook zijn godsdienst en kerk, om zoo te
zeggen, een _dubbel uiterlijk_ gekregen. Aan de eene zijde heeft zij
zich sterk, ja beslissend tot de Duitsche beweging laten medetrekken,
en heeft de _nieuwe_ brug, die Dr. Martin uit het moederland naar de
Saksers oversloeg, aangenomen. Maar zij heeft ook de oude verbinding
met de Roomsche wereld niet _geheel_ afgebroken, heeft _veel_ van
den Katholieken vorm en van het Romaansche priesterdom behouden.
Vele Engelschen gelooven dientengevolge zelfs, dat hunne Kerk ten
gevolge dezer dubbele natuur, nog eens eene groote rol te spelen zal
hebben bij de verzoening en vereeniging der verdeelde Christenheid
die eens plaats zullen vinden, en dat zij, gemakkelijker dan eenige
andere christelijke gemeente, deze zal kunnen tot stand brengen.
Het grootste en breedste stuk vlak land van het Britsche
eilanden-lichaam, namelijk de uitgestrekte, heuvelachtige vlakte,
rondom welke men met een straal van 40 mijlen een cirkel kan
beschrijven, was de landstreek, waarin zich na tallooze oorlogen en
omwentelingen, die Normanno-Saksische volksgeest met zijne dubbele
natuur,--die Romaansch-Duitsche literatuur,--die aristo-demokratische
staatsregeling--die Roomsch-Protestantsche kerk,--welke nu de kern
der Engelsche nationaliteit uitmaken, vormde en vastzette.
Even als de innerlijke vorming van het Engelsche nationaal-karakter
zelf, zoo heeft ook zijne, langzamerhand van de genoemde vlakte van het
Zuid-Oosten uitgaande, verbreiding door het geheele eiland-rijk,--de
manier en wijze, waarop het de andere vreemde hem in den weg staande
nationaliteiten boven het hoofd gekomen is en met zich vereenigd heeft,
eene zeer langzaam rijpende natuur.
Men gevoelt zich bij eene beschouwing der Engelschen steeds geneigd,
zich de beide woorden van Tacitus, die boven reeds vermeld werden:
"vroeg _ontkiemen_, laat _rijpen_" te herinneren. Deze woorden
schijnen zoowel te gelden voor de niets minder dan vroegrijpe
individuën, als ook voor de langzame wijze waarop de geheele natie
tot rijpheid en eenheid kwam, en voor de bemoeiingen van ieder hunner
in het bijzonder. Overal in de Engelsche geschiedenis stoot men op
langwijlige, diep wortelende en zich slechts langzaam baanbrekende
processen. Men meent overal, waar men bij de hardnekkige rassen van dit
eiland een dier werkingen nagaat, in het inwendige eener machinerie te
zien, waarin de oude sterke raderen, slechts los in elkander grijpen,
met moeite omdraaien, slechts langzaam op elkander werken, en dien
ten gevolge ook niet zoo gemakkelijk afslijten en uitloopen.
Het duurde, zeg ik, zeer lang, voor het, in het Zuiden van Engeland
gevormde Engelsche nationaal-type, van die genoemde vlakte uit in alle
nabij- en afgelegene berglanden, en in alle min of meer geïsoleerde
gedeelten van het eilanden-rijk, was binnengedrongen, en zich overal
als heerschende en den boventoon voerende, had doen gelden.
Van de verandering bij het Celtendom in Wales en Cornwallis heb
ik reeds, bij gelegenheid dat over de Anglo-Saksische verovering
gesproken werd, het noodige gezegd. Het is hier de plaats, in het
kort aan te toonen, op welke wijze en in welke mate het oude Celtische
ras in Ierland en Schotland, door de nieuwgeborene Normanno-Saksische
(Engelsche) nationaliteit aangetast werd.
Op het eiland der Erinach of Ersen werd, zooals reeds opgemerkt is,
de strijd der Celten met de Germanen, door de _Denen_ begonnen. Op hen
volgden sedert het midden der 12de eeuw de Engelschen, wier Koning
Hendrik II, tegen het einde der 12de eeuw, bijna geheel Ierland
veroverde, het met het Groot-Brittanje'sche rijk vereenigde en het
voor de Anglo-Saksische immigratie openzette.
Van dien tijd af, leven beide rassen in een 600 jarigen, nog niet
geëindigden ras-strijd. Eene reeks van vreeselijke stuiptrekkingen,
opstanden en reactiën heeft tot op onze dagen, in het met bloed en
tranen gedrenkte land gewoed. Niettegenstaande de gruweldaden, de
verschrikkelijke uitmoordingen, de overplantingen en verdrijvingen,
die de ijzeren Cromwell, en zoowel nà als vòòr hem andere Engelsche
Vorsten in het land hebben geroepen, niettegenstaande de voortdurende
immigratie van Anglo-Saksische elementen, is deze brand nog niet
geheel gebluscht.
In eenige streken van het land, de noordelijke en middelste, is de oude
Celtische stam, door eene zuiver Anglo-Saksische en protestantsche
bevolking vervangen. Deze immigratie uit Engeland duurt nog steeds
voort, en grijpt nu nog telken jare meer om zich. Daarentegen wordt
de Westelijke helft, al de vele land-armen en lang uitgestrekte
rots-ruggen, waarin de Oceaan het land verdeeld heeft, nog bewoond
door de oude, Celtische Ersen,--door die poëtische en bewegelijke,
maar zonderlinge en onverstandige,--die talentvolle en geestige, maar
wankelmoedige, onzelfstandige en weinig doortastende,--die grootmoedige
maar verkwistende en achtelooze Ieren, die nagenoeg even zoo tegenover
de koele, overleggende, nadenkende, werkzame en ver vooruitziende
Anglo-Saksers staan, als de Franschman met wien zij--zoowel om de
Celtische afstamming, als om den Katholieken godsdienst dien zij met
dezen gemeen hebben, sympathiseeren--tegenover den Duitscher.
Hunne eigene oorspronkelijke taal, die voor 300 jaren in den tijd van
Koning Hendrik VIII nog in het Iersche parlement gesproken werd, leeft
ook nu nog, maar slechts in de armoedige aarden hutten van het Westen,
waar zij nog door de boeren en visschers gesproken wordt. Er zullen
nu zoowat een millioen menschen zijn, die het oude Celtische Iersch,
of het Gaelische-Ersisch verstaan, en slechts nagenoeg 300.000,
die zich uitsluitend van dit dialect bedienen. De Iersche O'Connel
moest zijne philippica tegen Engeland in de taal zijner doodsvijanden
inkleeden. Zelfs zingen de Ieren hunnen lievelingsdichter Thomas
Moore, zijne Iersche melodiën, waarin hij zoozeer tot hun hart sprak,
in de Engelsche taal na. De eigenaardige nationale geest van het
volk daarentegen, leeft nog op het grootste gedeelte van het geheele
groote eiland. Veel daarvan is zelfs op de geïmmigreerde Engelschen,
die meermalen in Ieren ontaardden, overgegaan. Deze Celtische
natïonale-geest der Ieren heeft ook buiten hun vaderland, zich van
zeer grooten invloed getoond op de geschiedenis der ontwikkeling
van andere moderne volken. Want sedert de vlucht der Israëlieten
uit Egypte, heeft de wereld weinig emigraties beleefd, die zoo rijk
aan gevolgen waren, als de uittocht der Ieren, uit hun altijd groene
smaragden-eiland, naar alle deelen der wereld. Tot op den overwinnaar
van Magenta toe, die van eene Iersche familie afstamt, hebben tallooze
verbannen Ieren uitgemunt in de legers en in den staatsdienst der
Spanjaarden, Franschen, Oostenrijkers en andere landen. Ieren, die
hun land verlieten, hebben zich in groote menigte over de steden van
Engeland en Schotland verdeeld, waar zij, bij de lagere volksklassen
en ultra-demokraten, eene zeer opmerkelijke partij vormen.
In de nieuwe wereld, in de Vereenigde Staten, in Australië, waarheen
zij in den nieuweren tijd bij massa's met vrouw en kind verhuisd
zijn, vormen zij een aanzienlijk deel der bevolking. Hunne talrijke
nakomelingen, die over schier alle steden dier landen verspreid zijn,
deelen de daar te huis behoorende bevolking in zekere mate hunne
kleur, hunne gezindheid, hunne antipathie tegen Engeland mede. Men
treft daar overal eene zeer sterke Iersch-Katholieke partij aan.
Wanneer men dit alles nagaat, mag men wel zeggen, dat deze Celtische
Ieren nog altijd, en nu misschien nog meer dan vroeger, een hoogst
opmerkelijk volk uitmaken, wiens merkwaardige eigendommelijkheden
de geschiedschrijver der beschaving moet bestudeeren en nauwlettend
gadeslaan. Waar zij in massa optreden en het overwicht hebben, heeft
hunne onrustige, ongeduldige en overmoedige natuur, helaas! zelden
veel goeds bewerkt. Daarentegen heeft men het algemeen erkend, dat zij
daar waar zij zich met enkele personen onder de Engelschen nederzetten,
waar zij in ondergeschikte betrekking zijn en de minderheid uitmaken,
waar zij den toon niet aangeven maar ontvangen, waar zij door de
Engelschen geleid worden, tot de beste planters en kolonisten behooren.
In _Schotland_ heeft de ontwikkeling van de onderlinge betrekkingen der
beide rassen van Groot-Brittanje, een nagenoeg dergelijk en toch ook
weder ander verloop dan in Ierland genomen. Het wezenlijk onderscheid
bestaat daarin, dat zich in Schotland onder de oude Celtische bevolking
een geheel eigenaardig Germaansch kernvolk gevormd heeft, waartoe
het in Ierland, dat verder van alle Germaansche volken verwijderd,
en ook van Engeland door eene zee gescheiden is, nooit gekomen is.
Dit Germaansche volk in Schotland, kan men eigenlijk niet enkel en
geheel als een dochter-volk der Engelschen aanzien, even als ook zijne
Germaansche taal (het Schotsch) niet _geheel_ als een dialect van
het Engelsch beschouwd kan worden, ofschoon zij er veel overeenkomst
mede heeft. De Schotsche nationaliteit ontwikkelde zich _buiten_
en _naast_ de Engelsche en gelijkloopend met deze. Zij berustte,
zooals reeds gezegd is, waarschijnlijk op geheel eigenaardige en
zeer oude Germaansche fundamenten. Hun Germanisme was zeer versterkt
geworden door de binnendringende Denen, die als dappere houwdegens
natuurlijk altijd eene groote rol speelden bij de Schotsche Koningen,
als aanvoerders bij hunne onderlinge twisten. Toen de Noormannen
tegen het einde der 12de eeuw Engeland veroverden, vluchtten weder
vele Anglo-Saksers naar Schotland, en vermeerderden daar het aantal
der Germanen. Ook haalden de Schotsche Koningen, die vervolgens
eveneens oorlog voerden met de Noordsche beheerschers van Engeland,
als vroeger met de Anglo-Saksische, vele krijgsgevangenen uit Engeland,
die zij naar het Zuidelijke gedeelte van Schotland, de zoogenaamde
Lowlands, overbrachten, en die met de oude Germaansche elementen
die zij daar aantroffen, samensmolten. Daar de Schotten met de
Engelschen--de eenige naburen die zij hadden--onophoudelijk twist
hadden, daar hunne invallen in Engeland en _vice versa_ de invallen
der Engelschen in Schotland, eeuwen lang, om zoo te zeggen telken
jare terugkeerend waren, daar verder ook de binnenlandsche onlusten
in beide landen er meermalen aanleiding toe gaven, dat Engelschen
in Schotland en Schotten in Engeland zich nederzetten en invloed
verkregen, daar ook huwelijksverbintenissen tusschen beide naburige
volken, zelfs tusschen hunne Vorsten-huizen meermalen plaats vonden,
zoo was het natuurlijk, dat beiden met der tijd overeenkomst met
elkander kregen. En vooral de Schotten moesten zich daarbij naar
het voorbeeld der veel ontwikkelder, veel nader bij den zetel der
Europeesche beschaving wonende, talrijker en machtiger Engelschen
vormen.--De Schotten stonden in eene eenigzins gelijke verhouding
tot de Engelschen als de Portugeezen tot de Spanjaarden. En evenals
bij de Portugeezen, niettegenstaande de eeuwige vijandschap met hunne
Spaansche naburen, zich toch door de macht der omstandigheden, alle
betrekkingen naar het Spaansche model vormden, zoo hielden ook de
Schotten meestal tegen wil en dank gelijken tred met de Engelschen.
Vooral werden zij, sedert het Noorman'sche tijdperk, dat
zooals reeds gezegd is, de eigenlijke schepper van een machtig
Engelsch nationaal-karakter was, steeds meer gelijk aan de
Engelschen. Langzamerhand maakten zij alle ontwikkelingsphasen met
hen door. Wat in Engeland mode was, kwam ook weldra in Schotland in
zwang. De Romaansche poëzie, de Noorman'sche bouwstijl, die onder
de nakomelingen van Willem den Veroveraar bloeiden, schoten ook in
Schotland op. Wij lezen niets van uitdrukkelijke bevelen, waardoor
in Schotland, even als in Engeland, de Fransche taal ingevoerd zou
geworden zijn. Maar weldra sprak men aan het Schotsche Koningshof,
even als aan het Engelsche, Fransch, en de Schotsche landstaal nam
vervolgens, gelijktijdig met de Engelsche, Fransche woorden in zich
op, reeds langen tijd vòòr dat de Engelschen als opperheeren naar
Schotland kwamen.
Al die processen hadden echter bij de Schotten toch een eenigzins
ander verloop dan bij de Engelschen, zoo b.v. werd het Schotsche
volks-dialect niet _in die mate_ geromaniseerd als de Engelsche
taal, maar behield het veel meer een oud-Germaansch uiterlijk en
stempel. Eenige der belangrijkste verschillen tusschen het Schotsche
en Engelsche nationaal-karakter ontstonden daardoor, dat het Germaansch
element zich in Schotland meer aan het inheemsch Celtische aansloot.
Het Celtisch element was in alle tijden in Caledonië het
overwegende geweest. Zelfs de Romeinen hadden het niet, als in
Engeland, gedecimeerd en gebroken. De aanvankelijk zeer weinig
talrijke Anglo-Saksers konden er in Schotland niet aan denken,
de oorspronkelijke bewoners, hoeveel antipathie zij ook tegen
hen gevoelden, even als in Engeland uit te roeien. Zij hadden
hunne vriendschap altijd tegen hunne vijandelijke broeders en
naburen in Engeland noodig. Zij verbonden zich daarom met hen tot
_gemeenschappelijke_ ondernemingen. Zij leefden met hen op _gelijken_
voet, met dezelfde rechten, onder dezelfde Koningen in eene gelijke
staats-gemeenschap.
Onwillekeurig namen zij op deze wijze veel van de zeden en gewoonten
der Gaelische landskinderen aan. Vooral ging, wat in Engeland niet
gebeurd is, de oude Celtische verdeeling in Clans, meermalen op de
Anglo-Saksische Schotten over. Zij leerden somwijlen ook hunne taal,
ofschoon in meerdere gevallen de taal der sterkere Germanen, die sedert
den tijd der Noormannen, de kern en het hart van den staat vormden,
op de Gaelen overging.--Zoo is dus in Schotland eene soort verzoening
tusschen het Celtische en Germaansche element tot stand gekomen,
terwijl in Engeland het Germaansche tot uitsluitende heerschappij
kwam, maar in Ierland het Celtische steeds vijandig de bovenhand
bleef behouden.
Lang hebben de Engelschen vergeefs naar eene politieke annexeering
van dit hun Schotsche broeder-volk gestreefd. Meermalen hebben zij
de invallen der barbaarsche Pieten en Schotten, met even barbaarsche
invallen beantwoord. Somwijlen gelukte het hun, in de tweespalt der
Schotsche partijen een dergelijken invloed te verkrijgen, als de
Spanjaarden in de Portugeesche wisten machtig te worden, en soms
waren de Schotsche Koningen een tijdlang de vazallen der Engelsche.
Eindelijk (maar eerst voor 270 jaren) kwamen Schotten en Engelschen
voor altijd onder één Vorst. Maar zelfs _daarna_ duurde het nog lang,
voor de verschillen tusschen beide nationaliteiten zich vereffenden,
voor beide volken tot een harmonisch en verzoend geheel samengroeiden.
De verheffing van den Schotschen Koning Jacobus VI op den Engelschen
troon, was aanvankelijk slechts eene vereeniging van beide kroonen op
hetzelfde hoofd. Ook bewerkte zij, dat de Schotsche taal, die tot dien
tijd hare eigene literatuur had gehad, tot eene _lingua rustica_, tot
een patois afdaalde, terwijl nu het Engelsch de taal van het hof, der
voornamen en geleerden werd. Toch was dit geene volledige samensmelting
der beide natiën. Schotland behield nog langen tijd zijn eigen
bestuur, zijn afzonderlijk parlement. Alle nationale ontwikkelingen,
de hervorming der kerk, die niet zooals in Engeland door de Koningen,
maar door mannen uit het volk tot stand gebracht werd, de vervorming
van den staat en der sociale verhoudingen, geschiedde in Schotland
langs een anderen weg dan in Engeland. Over het geheel kan men zeggen,
werden daar kerk, staat en maatschappij demokratischer dan hier.
Verscheidene malen nog moesten de Engelschen de vereeniging der
kroonen, door oorlog en geweld in stand doen blijven, en herhaalde
keeren verklaarden zich de Schotten, ter liefde hunner oude
zelfstandigheids-ideën, voor die kroonpretendenten, die in Engeland
onttroond waren. Eene volledige vereeniging van beide volken, eene
vereeniging hunner beide parlementen en bestuur, kon eerst onder de
Koningin Anna in het jaar 1707 doorgezet worden, en een algeheele
vrede tusschen Schotten en Engelschen bestaat eerst sedert nagenoeg
eene eeuw, vooral nadat in het jaar 1745 de Engelschen, de overoude
indeeling der Schotten in Clans, die deze uit de primitiefste
toestanden der Europeesche volken overgehouden hadden, verbraken.
Er bestaat echter tusschen beide nationaliteiten ook nog ten huidigen
dage een nagalm der oude ijverzucht. Thans nog gevoelt de Schot
voor zijn bergland een geheel bijzonder, geheel particularistisch,
vaderlandslievend gevoel, dat hij niet op het geheele Groot-Brittanje
overdraagt. Ook ontdekken de Engelschen in de Schotten, in het
hun eigenaardig oud-Frankisch dialect, in hunne neigingen en in hun
geheele wezen, iets vreemds. De Schot maakt zoowel op den Engelschman
als op den Ier, die beide ten Zuiden van hem wonen, den indruk van
een Noordlander. Hij heeft eenige gewoonlijk voor algemeen Noordsch
gehoudene eigenschappen, in nog hoogere mate dan de Engelschman. Zoo
heeft bij hem het verstand en het nadenken nog meer de overhand op
het gevoel en de phantasie, dan zulks bij den Engelschman het geval
is. Alle bezigheden en zelfs vermaken, hebben bij de Schotten, in nog
hoogere mate dan bij de Engelschen, betrekking op studie, wetenschap,
handwerk. Hij heeft in zijn wezen en gedrag nog meer uiterlijke koele
bedaardheid dan de Engelschman.
Bij den minderen man in Engeland geldt de Schot voor bijzonder listig
en eigenwijs, schraapzuchtig, hebzuchtig, en als neringziek op alle
mogelijke wijzen zijn geluk te beproeven, en dat niet altijd op zoo
eerlijke, groothartige en edele wijze als de zuidelijke Brit. Die
kalmte van de geaardheid des volks, blijkt bij de Schotten het
duidelijkst uit den bij hen ingevoerden Puriteinschen godsdienst die,
om zoo te zeggen, door de strengheid van het noordsche klimaat bij hen
geheel ingevroren is. Meer dan ergens elders heeft het protestantisme
bij de Schotten de kunsten achteruit gezet. Zij leveren daarin nog
minder dan de Engelschen en zijn, trots hunne beroemde volksliederen,
zoo mogelijk nog minder muzikaal dan de Engelschen. De tooneelspelers
en over het algemeen de kunstenaars in Schotland, waren altijd
Engelschen of Ieren, die daar niet zelden dezelfde rol speelden,
als vroeger wel de Franschen en Italianen bij ons.
Door hunnen ijver voor de wetenschappen, hebben daarentegen de
Schotten, voor verbreiding van het volks-onderwijs, in nieuweren
tijd meer gedaan dan de Engelschen. De scholen zijn bij hen in
beteren toestand, en naar evenredigheid vindt men bij hen meer goed
onderrichte personen dan bij dezen. Eenige der scherpste denkers en
philosophen kreeg Groot-Brittanje uit het Caledonische Noorden. In de
philosophie bestaat eene afzonderlijke Schotsche school. Verscheidene
der gewichtigste uitvindingen werden door de Schotten bedacht en
volmaakt. De groote geschiedschrijvers David Hume, Robertson en
Macaulay hadden Schotsche vaders en moeders. Ook werden verscheidene
der uitstekendste nieuwere dichters van Groot-Brittanje, Walter Scott,
Burns en andere aan den voet der Schotsche Hooglanden geboren. Geniën
wier invloed zich zoo ver uitstrekte als die van Shakespeare, Milton,
Byron, heeft Schotland echter niet opgeleverd.
In ieder geval heeft de Schot niet minder gereisd en getrokken en
den vreemde gezocht als de Engelschman. Hij heeft altijd eene groote
rol gespeeld in de geschiedenis der kolonisatie en veroveringen der
overzeesche wereld door de Britten. Menige kolonie van Groot-Brittanje
mocht, naar de haar leidende en aan haar hoofd staande talenten,
eer als eene Schotsche dan als eene Engelsche schepping beschouwd
worden. Zoo hebben, b.v. in Engelsch Indië en ook in de staten der
Hudsons-Bay-Company de Schotten de overhand.--"Trots alle aanmerkingen
en steken op de Schotten, beschouwen de Engelschen hen daarom (en dit
kan niet ten opzichte der Ieren gezegd worden) als huns gelijken, en
de ijverzucht, die het den Schotten mogelijk gemaakt heeft, in alle
bemoeiingen der Engelschen, zoo in hunne literarische, als in hunne
industrieele en commercieele werkzaamheden, ijverig in te grijpen,
is van geheel anderen aard, dan de hartstochtelijke oppositie der
weerspannige Ieren." Terwijl deze dikwijls de verzwakkende uitwerking
van een remtoestel hadden, op den voortgang van den Engelschen
zegewagen, is gene even als de wedijver van twee om denzelfden
prijs worstelende strijders, veeleer bevorderlijk voor het geheel
geworden. De daarstelling eener volkomene gelijkvormigheid in manier
en denkwijze, werkt in den schoot van eene en dezelfde nationaliteit
waarschijnlijk evenmin gunstig, als in de borst van een denkend mensch,
een geheel ophouden van den strijd der hartstochten en begeerten.--Het
zou wel mogelijk zijn, dat, wanneer het Anglo-Saksisch element _alle_
onderscheid van ras, taal, zeden en streven volkomen weggenomen en
gelijk gemaakt, en het eene geheel gelijksoortige nationaliteit in
het vereenigde Groot-Brittanje hersteld had, dat dan dit hoogste
toppunt zijner zegepraal ook het begin van zijn achteruitgang zijn zou.
De rest der Celtische bewoners van de Schotsche Hooglanden, de
Schotsche "Highlanders," heeft, ofschoon een broederstam der Ieren,
in den nieuweren tijd veel minder van zich doen spreken dan deze. Zij
waren van oudsher minder talrijk dan de Ieren. Zij plaatsten zich reeds
vroegtijdig, met hunne Schotsche naburen van Germaanschen stam in de
Lowlands, onder dezelfde Koningen, en werden later gelijktijdig met
hen, en op dezelfde wijze en met dezelfde rechten, bij het groote
Britsche staatslichaam ingelijfd.--De voornaamste reden tot het
bieden van wederstand, verviel bij hen daardoor, dat zij, _even als_
hunne Germaansche landslieden, aan het katholicisme onttrokken en,
_even als_ deze, voor het protestantisme gewonnen werden, ofschoon
dit bij hen, even als alle nieuwe hervormingen, wat moeielijker en
later ingang vond, dan bij gene.
Zij leven nu nog als vreedzame herders en visschers, naar
voorvaderlijke gewoonte, in rookerige hutten, verstrooid op de
met wolken bekranste rotskammen, in turf-moerassen gevormde en met
heideplanten en eeuwigen nevel bedekte hoogten, in onherbergzame
woestenijen van hun land, en aan de kustranden der door storm en
oceaan gezweepte Hebridische eilanden, die gezamenlijk een nooit
geheel bedwongen toevluchts-oord voor hen geweest zijn. Menschen, die
uitsluitend de oude Gaelische taal spreken, zouden er nu nog nagenoeg
100.000 zijn. En waarschijnlijk gaat de geheele volksstam een totalen
ondergang te gemoet, want de menschen van Germaanschen oorsprong die
hen omgeven, zijn een voortwoekerend en om zich heengrijpend element;
zij zijn door hunne vlijt en volharding in staat, zelfs daar nog voort
te leven waar de Gaelen, niettegenstaande hun kommervol leven, zich
niet meer staande kunnen houden. De oude, eens zoo schrikwekkende
clans- of geslachtsverbroederingen, zijn voor de Hoog-Schotten nog
slechts een speelgoed, dat in hunne handen eerder iets komieks dan
iets verschrikkelijks heeft, zoo onder anderen hunne belachelijke
aristokratische eischen, die zij met de Ieren, de Bretons in
Frankrijk en de Basken in Spanje gemeen hebben, en hunne ver gerekte
familie-betrekkingen, ten gevolge waarvan er bij hen 6000 Cambell's
zijn, die elkander neef, oom en tante noemen.
Nadat ik getracht heb den oorsprong, de ontwikkeling en den voortgang
der Britsche nationaliteit op haren eigen bodem en haren tegenwoordigen
toestand in zwakke trekken te schetsen, wil ik nu een blik werpen op
de contrasten en verhoudingen dezer nationaliteit met die der overige
volken van Europa, op haren invloed op dezen en op de plaats die
zij nu, tengevolge _der eigenaardigheid van haar karakter_, in de
geschiedenis van de ontwikkeling der Europeesche volken inneemt.
Over het geheel, kan men zeggen, hebben de Engelschen zich tegenover
de andere volken van Europa tamelijk _passief_ gedragen. Sedert zij
hunne oude Noorman'sche bezittingen in Frankrijk opgaven, sedert
zij zich geheel tot hunne groote eilanden bepaalden, maar deze dan
ook geheel onder de banier van een eenige heerschende nationaliteit,
en van een en hetzelfde staatslichaam vereenigd hadden, hebben zij
als veroveraars of koloniestichters den bodem van ons vasteland nimmer
weer betreden. Zij hebben nergens op het vasteland, zooals de Russen in
Polen, de Zweden in Finland, de Franschen in den Elsasz, de Denen in
Schleeswijk, de Duitschers in Hongarije en in vele Slawische landen,
de Turken in Griekenland, de Italianen in Dalmatië, eene aan Europa
vreemde nationaliteit binnen den kring hunner ontwikkeling getrokken.
Al de ingewikkelde en moderne Europeesche nationaliteits-vragen
van het vasteland, raken daarom de koude kleeren van het Engelsche
volk niet. Zij hebben op hunne eilanden hunne eigene _innerlijke_
nationaliteits-vragen _voor zich_, en alleen buiten Europa, aan gene
zijde van den Oceaan in de nieuwe werelddeelen, bezitten zij koloniën,
waarin zij hunne wetten, zeden, taal en beschaving van heerschende
kracht doen zijn.
Met betrekking tot ons _Europa_, doen de Engelschen zich als
eilandbewoners voor, die een in zich gesloten geheel maken en zich
met hun eiland tevreden stellen. Hierop echter is eene uitzondering,
namelijk dààr, waar sprake is van de heerschappij ter zee. Want deze
hebben zij zich in de laatste twee eeuwen zoo zeer toegeëigend, dat zij
gewoon zijn den Europa omgevenden Oceaan als hun domein, als een deel
van hun "_home_" te beschouwen. Zij verlangen naar geene bezittingen
op het vaste land van Europa zelf. Alleen dat willen zij bezitten,
wat noodig is om hunne heerschappij op den Oceaan te verzekeren, en
daartoe zijn eenige kleine eilanden, havens, landpunten voldoende. Van
Helgoland, over de eilanden langs de Fransche kusten, naar Gibraltar,
Malta en de Jonische eilanden, hebben zij daarom geheel Europa met
een keten van scheeps-stations en eiland-veroveringen omgeven.
Even als de Oceaan, de drager der Engelsche waren, vloten en belangen,
het geheele vasteland bespoelt, zich aan ieder land aansluit en de
vaderlanden der Europeesche volken binnendringt, zoo doet dit daarom
ook de politiek der Engelschen en zij zijn op deze wijze, hoewel
afkeerig van _directe_ inmenging in de zaken van vreemde natiën,
_indirect_ in alle politieke vragen, waar zij zich ook mogen voordoen,
hetzij in Constantinopel, aan den Donau, in Sicilië, aan den Sond of
de Finsche golf, in meerdere mate betrokken dan eenige andere natie.
Toch geschiedt, overeenkomstig het gezegde, deze deelneming, als zij
noodig wordt, op geheel andere wijze dan bij de andere volken. Zij
treedt slechts op, als het eigene nationaal- en staats-belangen
geldt. Zij ontspringt niet uit vrije impulsiën, uit nationale
hartstochten, sympathiën en antipathiën, die de Engelschen niet
bezitten. Zij trekken niet, als hunne naburen de Franschen, voor
fraaie ideeën of uit medelijden voor een onderdrukt broeder-volk,
de wereld in. Zij hebben voor de overige volken meer overmoed of
onverschilligheid, dan haat of sympathie.
Daar zij hun nationaal-lichaam buiten hunne eilanden niet vergroot
hebben, en met hun scherp afgesloten gebied, nergens aan de
verbreidings-gebieden van andere Europeesche volken aansluiten of er
door beperkt worden, zoo is hunne ziel ook niet door zulke nationale
smart van een gereten, als zulks bij de Duitschers het geval was,
toen zij hunne Rijn-provinciën of hun Schleeswijk-Holstein verloren,
of bij de Italianen toen zij Venetië moesten afstaan. [18]
Overeenkomstig hun eilandachtig karakter en wezen, houden zij
zich altijd meer onledig met zich zelven dan met vreemden. Door
buitengewone krachtsinspanning en in het verloop van eeuwen lang
durenden strijd, hebben zij den geheelen grooten Gothischen dom-bouw
hunner staatsregeling, die trots eene reeks onbeduidende of zelfs
slechte regenten, uit den schoot der krachtige natie opsteeg, in
het leven geroepen. Zij hebben dezen bouw alleen tot geluk van zich
zelven doorgevoerd; of hij door vreemden nageaapt werd daarover
bekommerden zij zich niet. Zij hebben nooit propaganda voor hunne
toestanden gemaakt.
Toen hunne staatsregeling gereed was, vond zij echter bij de
andere Europeanen zooveel bijval, dat deze er in den nieuweren tijd
naar streefden iets dergelijks tot stand te brengen. De politieke
constitutie van Engeland werd gelijktijdig het model en het ideaal,
waarnaar alle anderen begonnen te werken. Daar zij naar het Britsche
eiland-land, als naar de eenige schouwplaats, waar de vrijheid van
spreken en handelen een vast en duurzaam asyl had, blikten, zoo werd
ook het Engelsche parlement als 't ware het raadhuis der Europeesche
maatschappij. Pitt sprak het eens uit, toen Engeland het toppunt zijner
macht genaderd was, dat in de toekomst aan de Theems geen _kanon_
meer gelost zou kunnen worden, dat men niet overal in de wereld
vernemen zou. Men zou echter nog sterker dan Pitt kunnen zeggen, dat
in dat raadhuis aan de Theems door een man van gewicht geen _woord_
zou gesproken worden, dat niet in geheel Europa zijn echo vond,
en dat niet evenveel of nog meer gewicht had, dan het gedonder der
kanonnen.--Terwijl de Romeinen hunne politieke instellingen, hunne
taal, hunne zeden, ja! hunne toga op de vleugelen der adelaars hunner
gewapende legioenen over de wereld verbreidden, en op den tijd met
ijver en geweld hun stempel drukten; terwijl ook hunne opvolgers,
de Franschen, somwijlen, naar zij meenden tot heil der volken,
iets dergelijks op dergelijke wijze beproefden, hebben de Engelschen
datzelfde tot stand gebracht alleen door het schitterende _voorbeeld_,
dat zij den anderen brachten, en door de bewondering en navolging,
die hun daarvoor ten tol betaald werden. Zonder nauwelijks een voet
breed lands onder ons te bezitten, hebben zij toch weten te bewerken,
dat men wellicht de afdeeling der politieke-ontwikkelings-geschiedenis
der Europeesche staten, gedurende de eerste helft der 19de eeuw,
naar hen en naar hunnen op ons uitgeoefenden invloed, het "_Engelsche
tijdperk_" noemen zal.
In nog hoogere mate verdient die tijdsafdeeling dezen naam, wanneer
men vermeldt, wat zij voor handel en scheepvaart, voor de commercieele
en internationale verbindingen der landen van ons werelddeel, onder
zich en met de andere werelddeelen gedaan hebben.
De Merkurius der Britten heeft zijne bedrijvige boden naar alle markten
van Europa gezonden. Zij hebben hunne factorijen in Petersburg, Riga,
Odessa, Archangel en in bijna alle andere Russische havens. Eenige
er van vinden wij in de meeste Duitsche handelsplaatsen, zooals in
de Oostzee-havens. Ook op menige Duitsche handelsmarkt, b.v. te
Hamburg, maken zij een invloedrijk gedeelte van den handelstand
uit. Bijzonder talrijk zijn zij in de kust-stapel-plaatsen van
Noordelijk Frankrijk, het oude vaderland hunner Noorman'sche
voorvaderen. Zij zijn domineerend in Oporto, Lissabon en de andere
zeeplaatsen van Portugal, maar ook in Cadix, de oude kolonie der
Pheniciërs, en verder in de voormalige kantoren der Carthagers,
in Carthagena, Barcelona en overal langs de kusten van Sicilië te
vinden. Hunne agenten hebben zich evenzoo in Livorno, Napels en andere
zeesteden van Italië nedergezet, en ook in Griekenland en Turkije
vindt men geene plaats, waarin niet Britsche oorlogschepen zijn,
om Britsche belangen, individuën en waren te beschermen.
Men kan zeggen, dat sedert eene eeuw de Engelschen, met hun
dochter-volk, de Amerikanen, aan het hoofd van alle nieuwe
handelsondernemingen stonden. Wij anderen zijn slechts op hunne
vleugels om den aardbol gevoerd geworden. Indië, China en Japan,
door Portugeezen en Hollanders langen tijd gebarricadeerd, zijn door
de Engelschen voor het overige Europa opengezet.
Ook zijn zij het eerst begonnen de ketenen van midden-eeuwsche
handelsbeperkingen en monopoliën te breken, en eene verstandige
handelsvrijheid baan te maken. Zonder de voorafgegane opheffing der
privilegiën van de Oost-Indische kompagnie, zonder de opheffing der
belasting op de granen, zonder den vrijdom van scheepsvaart-akten, en,
met één woord, zonder te breken met het geheele oude protectioneele
stelsel, wat, voor zoover den handel betreft, de Engelschen na veel
strijds inleidden, waren vermoedelijk ook de slagboomen aan den Sond,
de Elbe en de Wezer nog niet gevallen.
Men heeft onzen tijd bij voorkeur eene industrieele, op materieele
voordeelen bedachte, aera genoemd. En dat zij dit geworden is, is
vooral aan de Engelschen toe te schrijven. Zij leidden haar reeds
vroegtijdig dien weg op. Reeds hunne oudste groote philosophen,
de beide Baco's, de een in de 13de en de andere in de 16de eeuw,
waren scherpzinnige waarnemers der natuur, hielden zich zelfs met de
mechanica, met de physische en chemische onderzoekingen en uitvindingen
onledig, en wanneer men de geschriften van Lord Baco van Verulam,
den grondvester der nieuwe natuur-philosophie leest, is men geneigd
te gelooven, dat de Engelschen van dien tijd af, voortdurend in de
door hem aangewezene en gebaande wegen en richtingen verder gegaan
zijn. Het heeft al het voorkomen, alsof de kiem tot al hunne latere
industrieele en mechanische uitvindingen, reeds in dat praktisch,
echt Engelsch philosophisch brein en zijne geschriften gelegen heeft.
Een, veel overeenkomst met Baco hebbenden, misschien nog grooteren
geest, kweekten de Engelschen in de 17de eeuw in Isaac Newton, die
de mechaniek des hemels ontdekte, en waarop zijne landslieden zich
bijna nog meer verheffen dan op hunnen Shakespeare. Sedert Newton's
tijd hebben de Engelschen eene geheele reeks der prachtigste en
invloedrijkste uitvindingen en hervormingen, in het leven der
Europeanen ingevoerd.
In de doelmatigste bewerking en vervorming van ruwe stoffen, in de
verbetering van al onze handwerksgereedschappen, in de verhooging
der menschelijke kracht en bekwaamheid, hebben zij veel meer dan
eenig ander volk geleverd. Zij zijn de vaders van ons modern fabriek-
en manufactuur-wezen. Zij hebben het eerst den waterdamp aan onzen
dienst onderworpen gemaakt, wat na het temmen en onder het juk brengen
van het paard, en na de aanwending der kracht van water en wind, de
grootste omwenteling in onze wijze van van arbeiden gebracht heeft. De
meeste verbeteringen en geheimen van den machine-bouw moesten wij
van hen leeren of afzien. De Watts en andere zulke kinderen van arme
Engelsche arbeiders, staan in de geschiedenis der ontwikkeling van
de moderne, zoo zeer industrieele volken van Europa, als groote
veldheeren en Koningen.--En even als hunne Watts, zoo ook hunne
Stephensons. Want alle hervormingen in den wegbouw, de straatwegen,
de macadamiseering, de spoorwegen, de verwonderlijke telegraphische
inrichtingen zijn van de Engelschen, of van hunne afstammelingen,
de Engelsche Amerikanen, uitgegaan. Door hen hebben wij geleerd onze
waren, onze personen, onze gedachten met duizelingwekkende snelheid
te bewegen en te verplaatsen. Den spoorwegbouw, die gevolgenrijke
uitvinding van onzen tijd, hebben van Engeland uitgezondene meesters,
in alle landen georganiseerd en het eerst aan den gang gebracht. En
datzelfde kan men ook van den brugbouw zeggen, die in nieuweren
tijd met te voren ongekende koenheid en veiligheid, de wildste,
tot nu toe nooit overbrugde stroomen, ja! breede zeearmen, als tot
staan gebracht heeft. Aan den Donau in Pesth, aan den St. Lawrence
in Canada, aan den Dniepr in Kiew, en aan ontelbare andere plaatsen,
heeft men Engelsche ingenieurs te hulp geroepen om die bouwwerken te
vervaardigen, waardoor onze eeuw evenzeer uitmunt, als de midden-eeuwen
door hare Gothische kerken.
Men kan zeggen, dat even als de Italianen door hun gloeiend
enthousiasme voor het schoone, de Franschen door hunne fijne gezellige
taal en hunnen smaak, zoo de Engelschen door hunne industrieele
bedrijvigheid, en door hunne voortdurende werkzaamheid, de wereld
vooruitgeholpen hebben. Zij zijn eene wezenlijk industrieele, ijverige,
werkzame, ernstige natie, wier zin meer op het nuttige, dan op het
idealische en schoone gericht is.
"Het hoofdgenot huns levens vinden zij in werken, in het te voorschijn
roepen, niet in de vroolijke spelen en beuzelarijen der phantasie." Zij
hebben het beroemde vers van hunnen Milton tot hunne leuze gemaakt:
"_to scorn delights and live laborious days_" (vermaken te versmaden
om hunne dagen aan den arbeid te wijden). Zelfs hunne genoegens hebben
het karakter van werkzaamheden. Zij hebben allen hunnen oorsprong in
het hoofd, niet in het bloed. Bij hen is geen spoor van de hemelsche
uitgelatenheid der Romanische of Slawische volken, zooals die zich in
hunne dansen duidelijk openbaart, of van de onschuldige tijdverdrijven
der Duitschers. De Engelschen hebben de "_useful pleasures_" (nuttige
genoegens) uitgedacht. Al hunne nationale-spelen en sports zijn
leerrijk en gaan tevens met krachtsinspanning gepaard. Het zijn
de uitspanningen van een mannelijk en energiek volk. Het overig
Europa beproeft hen ook daarin eenigzins na te volgen, en Engelsche
wedrennen en dergelijke zaken zijn in de andere landen bijna even
algemeen geworden, als eens ten tijde der Romeinen de bloedige
gladiatoren-spelen en dierengevechten.
Dat de zin der Engelschen wezenlijk op het nuttige en bruikbare gericht
is, blijkt op eene bijzonder duidelijke wijze uit de omstandigheid,
dat zij, niettegenstaande alle overige gebrek aan aesthetischen zin,
een zeer beslist talent bezitten om alle producten van mechanische
kunstvlijt een zeldzaam sierlijken vorm te geven, terwijl zij in het
geven van een sierlijken vorm aan datgene wat slechts sieradiën zijn,
ver bij de Franschen ten achter staan. De inrichting hunner huizen,
hunne meubelen, hunne werktuigen en gereedschappen zijn niet alleen
zoo doelmatig, maar ook zoo net en elegant gemaakt, dat men ze overal
tot model kiest. Het huiselijke comfort der Engelschen werd in den
nieuweren tijd, zelfs in Parijs, mode.
De hoogere kunstzin, het scheppende talent, dat het schoone om zich
zelf in het leven roept, gaat den Engelschman echter zeer slecht
af. In alle _alleen_ schoone en vrije kunsten, staan zij bij de
andere natiën ten achter. Vooral voor de muziek schijnt hun iets
wezenlijks geheel te ontbreken. De geschiedenis der Engelsche muziek
bestaat bijna geheel uit ledige bladen. Hunne krachtige, sissende,
lispelende taal met hare vele kortklinkende, afgebetene woorden, de
meestal eenigzins harde, zeemansachtige toon hunner stem, moest hen
van zelfs reeds verhinderen, in de zangkunst uit te munten. Het half
droomerige behagen en de verrukking, het gevoel waarmede de Duitschers
de muziek genieten, zal den nuchteren Engelschman altijd vreemd
blijven. Voor een harmonisch te samen spelen in het orkest, hebben
zij veel te veel _gevoel van eigenwaarde_. "In een door Engelschen
bezet orkest" zegt een geestig Franschman, "schijnt ieder op zijn
eigen houtje, om zoo te zeggen, zijne bijzondere lievelings-aria te
spelen," "_avec cette noble indépendance qui caractérise l'artiste
anglais_." Dat zal voor eene "symphonie" wel eenigzins storend zijn.
Ook in de beeldende kunsten hebben zij niet uitgemunt. Bijna geene
natie van Europa is van oudsher zoo arm, als de Engelsche, aan talenten
voor de plastische kunsten geweest. Te vergeefs zoekt men naar een
Engelschen beeldhouwer, dien men een Duitschen Rauch, een Franschen
David, een Italiaanschen Canova, een Deenschen Thorwaldsen tegenover
stellen kan.
In de schilderkunst hebben zij, overeenkomstig hunnen smaak, alleen
slechts eenige goede dier- en landschapschilders aan te wijzen. Ook
heeft het portretschilderen bij hen eenig geluk gehad. De dieren
die, zooals een Italiaan eens opmerkte, bij de Engelschen alle
mede in den hemel komen, hebben hunne Landseers bezield, en hunne
waterverf-schilders hebben veel talent getoond, in het schilderen van
eene pachtershut met een korenveld, of van een ouden molen en een in
het bosch verborgen kerktoren. Zulke bescheidene takken der kunst, als
het geliefkoosde "_watercolourpainting_," bloeien bij hen welig. De
grootste schilder, dien zij gehad hebben, Hogarth, leverde niets
idealisch, bijna niets dan karakterbeelden, die daarenboven dikwijls
zeer overladen waren en veel karrikatuur-achtigs hadden. Waar hunne
phantasie zich, als eene slingerplant, aan iets dat voor de hand lag,
aan iets wezenlijks, iets nuttigs, b.v. aan de natuur, aan de dieren,
aan uitdrukkingvolle gezichten kon aansluiten, daar gelukte haar
iets. Waar zij zich echter vrij, als een ballon in de lucht, verheffen
moest, daar verloor zij het evenwicht. Alle bloot phantastische
producten der Engelsche kunstenaars, hebben iets overdrevens of plomps.
Datzelfde laat zich ook van den bouwstijl hunner architecten
zeggen. Terwijl deze overal daar, waar voor eene nuttige
levens-behoefte gezorgd moest worden, bij voorbeeld in hunne
bekoorlijke _cottages_, de volkomenste doelmatigheid en eenvoudigheid
met den bevalligsten vorm en de liefelijkste elegance weten te
verbinden, is voor het overige hunne ornamentiek plomp en log. Alle
Engelsche praal-gebouwen van Wren, de beroemde St. Paulskerk, en ook
de nieuwe parlements gebouwen, missen naar het oordeel van kenners het
wezenlijk aesthetische, en alle publieke kunstmonumenten dezer groote
natie, met de standbeelden van hunne Koningen en van Wellington aan
het hoofd, maken een armzalig figuur.
Wanneer men nagaat wat zij in deze en andere schoone kunsten
voortgebracht hebben, wanneer men hen, waarvoor zij in den nieuweren
tijd eene zoo groote neiging opgevat hebben, zelf zingen en musiceeren
hoort, dan zou men het bijna betreuren, dat John Bull zich ooit met
deze zaken heeft ingelaten, en dat hij niet liever alleen voortgegaan
is, door zijn solide geld, door bezoldiging der talenten en den
aankoop der producten van _andere_ volken, den bloei der kunsten op
_zijne wijze_ te bevorderen.
Vele grootschere monumenten dan in metaal en marmer, die in den hun
klimaat eigen vochtigen nevel en in den steenkolendamp hunner steden
zoo gemakkelijk roesten en zwart worden, hebben de Engelschen in
eene lichtere stof, die echter Horatius _aere perennius_ (duurzamer
dan metaal) noemt, opgericht. Hunne taal en literatuur geven het
ondubbelzinnigste bewijs voor de kracht van hunnen geest. Ofschoon de
Engelsche taal niets minder dan eene oude taal is, veel meer in nog
hoogere mate dan het volk zelf, uit de bontste, vreemdste elementen
ontstond, zoo is zij toch eene der rijkst ontwikkelde en dichterlijkste
idiomen van het nieuwere Europa.
Men verwijt den Duitschers het opnemen van vreemde woorden, en vindt de
schoonheid hunner taal daardoor benadeeld. De Engelsche taal bestaat,
even als de Markuskerk in Venetië, bijna uit louter samengeroofde en
in elkander gevloeide Germaansche, Romeinsche, Grieksche, Fransche
en Celtische elementen, en toch heeft de energieke geest der natie,
deze elementen zoo versmolten en verwerkt, dat, even als bij de
Markus-kerk, een verwonderlijk fraai gebouw ontstaan is.
Zij imponeert ons door hare energie en kortheid, en door de
uitdrukking van mannelijkheid die aan ieder woord eigen is, en ook
bij hunne uitspraak aangetroffen wordt. Daar zij uit vele andere
talen en dialecten schepte, zoo heeft zij voor bijna ieder begrip
verschillende woorden, en is zij in staat, ter aanduiding der
fijne nuancen dezer begrippen, nu van den eenen dan van den anderen
taalschat te leenen. "Alles wat Duitschers, Franschen en Romeinen in
hunne talen kunnen uitdrukken, staat, om er bij gelegenheid gebruik
van te kunnen maken, nauwlijks ergens gelukkiger bij elkander dan in
het Engelsch woordenboek."
Daar de Engelsche taal ook tegenwoordig nog altijd voortgaat, zich
gemakkelijk vreemde uitdrukkingen toe te eigenen--zij bezit die, om zoo
te zeggen uit alle streken der Aarde--daar zij in hare woordvoeging
en in haren grammaticalen bouw zeer eenvoudig is, zoo schijnt zij
meer dan eenige andere taal geëigend eene wereldtaal te worden.
Inderdaad heeft zich ook in de laatste eeuw geene tweede taal
zoo over de Aarde verbreid als deze. Zij is de taal van groote,
nieuw ontstane beschaafde volken, aan de uiteinden van den aardbol
geworden. Zij heerscht op beide oceanen. Ook in Europa heeft geene
taal de vroeger hier algemeen heerschende Fransche taal meer afbreuk
gedaan, dan de Engelsche. Niet alleen zijn in den laatsten tijd eene
menigte Engelsche uitdrukkingen in alle Europeesche talen overgegaan,
maar de kennis der Engelsche taal is ook bijna algemeen op de scholen
en bij de opvoeding, een tak van het onderwijs geworden.
Even als de Engelschen in de _trans-oceanische_ wereld, de buitengewone
bloei hunner rijke literatuur te danken hebben aan hunne _zeevaarders_,
kooplieden en kolonisten, zoo hebben de Engelschen bij ons, deze
gunstige uitkomst aan hunne uitstekende dichters en schrijvers te
danken.--Ook deze literatuur is in hare verschillende takken weder eene
afspiegeling van den geest, die de natie bezielt. Zij is een prachtig
ontwikkelde boom, vol sappige, genietbare en _voedzame_ vruchten.
Maar de tuinier-schaar der kunst heeft aan dien boom weinig
gearbeid. Hij is tamelijk onregelmatig en geheel uit eigene
natuurkracht opgegroeid. Noch de dramatische, noch de lyrische
gedichten der Engelschen, hebben zich aan zoo strenge regelmaat
en vorm onderworpen, als die der Franschen en Italianen. "Vrij
en ongedwongen vliet de stroom hunner dichterlijke geestdrift,
zelfs op het gevaar af, de grenzen van den goeden smaak somwijlen te
overschrijden." Daarentegen waren zij gevrijwaard voor de kunstenarijen
en spelingen, waarin de vers-kunstenaars der Italianen, Spanjaarden
en andere Romanen zich zoo gemakkelijk verloren. In meer dan één
opzicht zijn de Engelschen natuurdichters. "Geen dichter heeft de
natuur onvervalschter in zich opgenomen en getrouwer voorgesteld,
geen het werkelijke leven, met meer vrijheid van geest en meer
oorspronkelijkheid, binnen den tooverkring der poëzie gevoerd,
dan de Engelsche Shakespeare, bij wien de innerlijke waarheid even
bewonderenswaardig is, als de diepte en de kracht van gevoel, en de
groote mate van phantasie, waarvan zijne werken overvloeien, ofschoon
hij zooals bijna alle Engelsche dichters, zeer ver verwijderd is van
hetgeen men klassieke correctheid en kunstsmaak noemt.
"Krachtig en vrij, als de geest en het vernuft van een Shakespeare en
andere Engelsche dichters, is ook de natie zelve. Fijne toespelingen,
zooals men in Frankrijk kent, worden in Engeland in het leven,
even als in de poëzie en in de literatuur bijna niet verstaan. De
Britten houden niet van sierlijke zwakheid. Hardheid, als zij van een
geestig hoofd uitgaat, vindt bij hen bijval. Veel, wat de Engelschen,
om de kracht die er in gelegen is, bewonderen, noemen de Franschen
plomp. En het oorspronkelijke, het vreemde, dat in het schoolsche,
correcte Frankrijk niet bevalt, maakt dikwijls in Engeland zijn
fortuin, zoowel in de literatuur, als in het dagelijksche leven."
De waarheidlievende Engelschen billijken het, wanneer men zich geeft
voor hetgeen men is; de Franschen en Duitschers verlangen bescheidene
zelfverloochening en schikking. De Engelschman stelt er somwijlen eene
eer in, bij zekere gelegenheden met een zekeren overmoed te toonen,
dat hij als een vrij man dicht, denkt en leeft, en dat het verwijt
van zonderlingheid en vreemdheid hem weinig schelen kan. Dezelfde
eigenaardigheden en belachelijkheden, die iemand in Engeland soms
tot het voorwerp eener algemeene opmerkzaamheid, tot een lieveling
bij het fashionable publiek en bij het hof gemaakt hebben, zouden
voldoende geweest zijn om hem in Frankrijk en in Duitschland, als
een gek uit alle goede gezelschappen te verbannen.
In Frankrijk dienen beleefdheid en voorkomendheid dikwijls
ter verontschuldiging van vele fouten en gebreken. In Engeland
staat de _waarheid_ zoo hoog aangeschreven, dat zelfs grofheid en
ongemanierdheid, als iets pikants, dikwijls in den smaak valt. Den
hoffelijken en voorkomenden mensch behandelen de Engelschen zelfs
met een zeker wantrouwen, den brutalen daarentegen dikwijls met
toegevendheid.
Als een krachtig, gezond en kernachtig volk met vrije
staats-instellingen, gevoelen de Engelschen zich aan de oude Grieken
en Romeinen verwant. Vandaar het verschijnsel, dat de oude classici
bij geen modern volk meer populair geworden zijn dan bij hen. De
geleerde Duitschers hebben wel die schrijvers der oudheid het beste
verklaard en geëmendeerd; de Franschen hebben zeer ijverig hunne
kunstscheppingen nagebootst, maar de Engelschen hebben Homerus,
Thucydides, Tacitus en Juvenalis het meest in vleesch en bloed
opgenomen. Reeds vroeg begonnen zij de werken dezer schrijvers te
vertalen, en ze in gemoderniseerden vorm, zelfs onder hunne nationale
schrijvers op te nemen. Zelfs den staatslieden en den redenaars in
het parlement, ja dezen minder dan anderen, vergeeft men niet, weinig
vertrouwelijk te zijn met de mannelijke, krachtige, frissche ouden,
waarmede de Engelschen intusschen toch slechts, om zoo te zeggen,
eenerzijds, namelijk bij voorkeur door karakter, verstand en politiek,
saamgegroeid zijn, en bij wie zij, zooals reeds aangemerkt is, wat
kunst en smaak betreft, zeer verre achter staan.
Het naastebij zijn zij hun gekomen door hunne staatsregeling en
door hunne daden, die de wereld deden dreunen, en op het gebied der
literatuur met hunne historici, bij wie reeds sedert de vroegste
tijden van het bestaan dezer literatuur, een bijzonder gezonden
zin, een opvallend duidelijke voorstelling en begrip te bespeuren
is. Even als zulks bij de Romeinen en Grieken het geval was, hebben
ook deze Engelsche historici bij voorkeur zich bezig gehouden
met de beschrijving der geschiedenis van hun eigen land. En van
alle _buitenlandsche_ geschiedenissen, hebben zij geene meer en
beter behandeld dan de Grieksche en de Romeinsche. En als in de
schilderkunst hun smaak viel op de karakterbeelden en het portret,
zoo ook hebben zij op het gebied der geschiedenis, dikwijls en met
voorkeur de biographie behandeld. Hunne historische literatuur is
overrijk aan uitstekende levensbeschrijvingen.
Maar hun historische zin, hunne voorliefde voor karakterschildering,
heeft als 't ware niet genoeg aan de werkelijkheid. Om aan dien zin te
voldoen, ontstond bij hen de verdichte geschiedenis, de _historische
roman_ en de _familie-roman_, beide om zoo te zeggen soorten van
wezenlijk Engelsche vinding. Er zijn volken, die in dit soort
van literatuur opvallend arm gebleven zijn. De _Engelschen_ echter
overtreffen _daarin_ allen. Hunne roman-schrijvers Fielding, Smollet,
Scott, Boz, Thackeray, hebben de wereld met hunne even leerrijke als
onderhoudende voortbrengselen overstroomd, en hebben nevens hunne
Shakespeare's, Gibbons en Macaulay's er het meeste toe bijgedragen,
om de Engelsche taal, de Engelsche zeden en beschouwingen in het
buitenland bekend en populair te maken. Men heeft ze in Duitschland
zoowel als in Italië, in Rusland zoowel als in Spanje ijverig gelezen
en nagevolgd.
Napoleon heeft de Engelschen voor een bekrompen kramersvolk
uitgescholden, maar dit was wel zeer ten onrechte. Wanneer zij
tot in hart en nieren kooplieden zijn, zij zijn toch ook door en
door poëtische naturen gebleven. Eenige hunner kooplieden hebben,
naast hunne lords, de eerste plaatsen op den Engelschen Parnassus
ingenomen. Ten bewijze daarvan herinner ik aan den in geestdrift
ontstoken schilder van Italië, den koopman Rogers, en aan den koenen
onderzoeker van Griekenlands geschiedenis, den Londenschen bankier
Grote. Niet weinig beroemde politici en staatslieden zijn uit hunne,
in ieder geval grootsche koopmanschap voortgekomen. Langen tijd
waren Britsche kooplieden de regenten van een der grootste rijken der
wereld, van geheel Engelsch-Indië. Een hunner handels-corporatiën,
de zoogenaamde Hudsons-Bay-Company, regeert nog heden het geheele
Noorden van Amerika. George Canning en Sir Robert Peel waren zonen
en kweekelingen van kooplieden.
De oude Romeinen, die zoo weinig aanleg voor den handel hadden,
dat zij zich bij hunne zaken meestal van de Grieken bedienden,
waren hartstochtelijke landbouwers. De Engelschen, die zoo'n groote
voorliefde hebben voor het aan de steden geketende handelsverkeer en de
in haar welig tierende industrie, hebben zich toch niet minder ijverig
dan de Romeinen toegelegd op de ontwikkeling van den grond, en op het
landleven. Bij al hunne voorliefde voor fabriek- en handelspeculatiën,
zijn zij toch tegelijk echte landbouwers, en verscheidene zaken in
hun karakter en hunne zeden laten zich uit hunne voorliefde voor
het landleven verklaren; zooals zich bij andere volken, vooral bij
de gezellige Franschen en moderne Italianen, vele eigenaardigheden
als _steedsche_ gewoonten en eigenschappen laten beschouwen. Van de
Engelschen kan men zeggen, dat zij in de steden alleen hunne zaken
doen, maar dat zij, als warme vrienden der natuur, op het land wonen
en het _leven genieten_. Geen volk vóór hen, heeft eene zoo innige
samensmelting van stad- en landleven gehad. Ook in dit opzicht zijn
wij begonnen hunne zeden na te volgen, en dat wij met onze familiën,
meer en meer uit de oude pakhuizen en magazijnen in de vrije natuur
gekomen zijn, is grootendeels eene verdienste en het werk van de ons
daarin voorgegane Engelschen. Al onze steden hebben sedert eene halve
eeuw eene hervorming ondergaan, aan welke de steden en de manier van
wonen der Engelschen tot model schijnen gediend te hebben.
De _practische_ landbouw staat nergens hooger dan in Engeland, en zij
is het voorbeeld en het model van den landbouwkundigen vooruitgang
voor geheel Europa geworden. "Zij hebben ieder landbouw-werktuig,
iederen ploeg, ieder tuinmes de doelmatigste gedaante gegeven."--Het
glanspunt hunner landhuishoudkunde is de veeteelt. Er valt nauwlijks
een nuttig dier te noemen, waarvan de aankweeking door hen niet met
voorliefde werd beproefd. Zij hebben de zoo ongeschikte en ruwe
dieren, het paard, het rund, het schaap, het hoen, de duif enz.,
zooals de natuur ze leverde, ter hand genomen en hebben ze door kunst,
om zoo te zeggen, zoo verwerkt, als het meest geschikt was voor het
doel, dat de menschen er zich mede voorstelden, en van Engeland uit,
worden voortdurend eene menigte dier veranderde rassen, over ons
geheel vasteland verspreid.
Van even grooten invloed zijn zij op onzen, met de landhuishoudkunde
nauw samenhangenden tuinbouw geweest. Vóór hen, werd deze kunst
hoofdzakelijk door de Italianen en Franschen, dat is, door stadsche
volken beoefend, en dien ten gevolge had zij iets stadsch,
iets architectonisch. Ik herinner slechts aan de Italiaansche
tuin-terrassen, aan de Fransche boom-_poorten_, loof-_pyramiden_ en
bladen-_wanden_. De Engelschen voerden de natuur in den tuin terug,
en bevrijdden de sierlijke gewassen van de pijnbank der tuin-messen
en scharen. Een Engelsch landschapschilder Kent was de schepper der
moderne tuinbouwkunst. Na hem namen de boomen, de koninklijke eiken,
de majestueuse linden en beuken der Engelsche parken, die natuurlijke
bevalligheid, die ongekunstelde schoonheid en vrijheid van wasdom
aan, die alleen een Engelsche tuinman aan de gewassen te geven of
te laten wist, en die met de zeden en de vrije instellingen van dit
krachtige volk in zoo groote harmonie staan. De Engelsche smaak
in het aanleggen van tuinen heeft zich in den laatsten tijd over
geheel Europa uitgebreid, en de Engelschen, wier vaderland op een
natuurlijken tuin gelijkt, zijn oorzaak, dat nu ook de vriendelijke
natuur met hare licht- en kleurenpracht, met hare Dryaden en Najaden,
in onze vroeger zoo sombere steden binnengedrongen is.
Er bestaat in Noordelijk Europa geen land, waarvan het zoo gematigde,
om zoo te zeggen neutrale klimaat, voor zoo velerlei soort van planten
zoo gunstig is, en waarheen het zoo gemakkelijk valt, de kinderen der
Flora uit het afgelegenste Zuiden, naast de planten van het hooge
Noorden te plaatsen. _Dien ten gevolge_--en ook ten gevolge zijner
uitgebreide connecties--is Engeland de stapelplaats van alle planten
der wereld, en voor ons Europeanen het land van aankomst en doortocht
dier planten geworden. Van daar uit worden onze broeikassen gevuld,
en er zijn weinige in den laatsten tijd beroemd geworden bloemen,
sierplanten of planten van nut, wier verbreidingsgeschiedenis door
Europa, ons niet naar de Engelsche tuinen en broeikassen, als tot hare
bron, terug voert.--Met de planten zijn ook Engelsche tuiniers, onder
wie vooral de Schotsche uitmunten, de wereld doorgetrokken. Men treft
ze tot in de verste deelen van Rusland en Amerika aan, en zelfs bij
ons staan zij dikwijls aan het hoofd van tuinbouw en bloemkweekerij.
Eene zoo eminente natie als de Engelschen, die door haar vast karakter,
hare macht, haren rijkdom, hare literatuur geheel Europa ontzag
inboezemde, moest ten slotte ook wel in andere minder wezenlijke zaken
geacht en nagevolgd worden, en zoo kwamen langzamerhand niet alleen
hare taal, hare dichtwerken, maar ook hare kleeding en keuken bij ons
in de mode, en in beiden is haar invloed een zeer weldadige geweest.
Even als bij andere zaken, zoo hebben de Engelsche ook bij hunne
kleeding altijd het doelmatige en tevens het nette voor oogen
gehad. Van oudsher zijn hunne nationale-kleederdrachten minder
sierlijk en prachtig, dan wel gemakkelijk en met het menschelijk
lichaam overeenkomende geweest. Hunne gemakkelijke overjassen,
hunne wijde, breedschouderige wandeljassen van solide stoffen, die
wij bijna algemeen aannamen, hebben ons ten deele uit de ketenen der
engsluitende Fransche kleeding bevrijd.
Er zijn volken in Europa, die _in het geheel_ geen of slechts een
_geringen_ invloed op de kleedij der bewoners van ons werelddeel gehad
hebben, zooals bijvoorbeeld de Duitschers, die nooit recht wisten,
hoe zij zich kleeden wilden of moesten. De Engelschen hebben na de
Franschen den meesten invloed op modezaken. Wij dragen verscheidene
kleedingstukken, die, zooals de "Macintosh," het "Spencer," hunne
namen aan Engelsche individuën ontleenden, die ze het eerst in zwang
brachten.
Denzelfden geest, hetzelfde streven naar het natuurlijke, naar het
substantieele en voedzame, die uit het wezen der Engelschen overal
tot ons spreken, ontmoeten wij ook in hunne keuken. Hier, even als in
de inspiratiën hunner Muzen, verwaarloozen zij den smaakvollen vorm,
maar letten zij des te meer op kracht van stof en goede hoedanigheid
van het voedingsmiddel.
De producten hunner kookkunst hebben geheel het solide en krachtige,
soms eenigzins kolossale, dat ook de scheppingen hunner bouwkunst
en men kan zeggen alle openbaringen van hunnen geest eigen is. Hunne
vleeschspijzen, die zij, om er maar weinig van de natuurlijke kracht
aan te onttrekken maar zeer kort aan den verterenden invloed van het
vuur blootstellen, is een soort heroën-kost, hun drank, bij voorbeeld
het porter-bier, is een vloeibaar voedsel.
In nieuweren tijd is ook van deze kracht en natuurlijkheid der
Engelsche kookkunst veel in onze keukens overgegaan, en misschien zou
het voor ons zeer heilzaam wezen, wanneer wij (met eenige beperking)
nog meer aan dien invloed toegaven.
Met deze opmerking ben ik dus, in eene vluchtige schets van den
Engelschen nationalen-geest, tot het laagste departement hunner
nationale huishouding, in keuken en kelder afgedaald. En ofschoon ik
den lezer nog door talrijke andere afdeelingen van een zoo uitvoerig
labyrinth, als het wezen van een onzer grootste ontwikkelde volken
aanbiedt, zou kunnen voeren, wil ik hiermede besluiten, en door
een achterdeur van dit souterrain, eene verdere uitweiding van dit
onuitputtelijk thema trachten te ontkomen.