Echter--en dit is het allermerkwaardigste--hebben de beide

vreemdsoortige stoffen en naturen in haar wezen zich zoo innig

doordrongen en vermengd, dat daaruit niet iets zwaks en verdeelds,

maar een volstrekt geheel, ja zelfs, zooals bij een in elkander

gedraaid ankertouw, iets nog sterkers ontstaan is.--Ook zijn beide

volkselementen in Engeland nooit tot eene volkomene gelijkheid, tot

eene bepaalde rust gekomen. Veelmeer hebben zij tot op de nieuwste

tijden, zoowel op het gebied der taal als op dat der politiek, met

elkander geworsteld en hard gestreden.--Uit deze omstandigheid, uit het

nimmer rustende leven in den tweehoofdigen geest der natie, laat het

zich verklaren, dat de Engelsche taal nog voortdurend met zoo groot

gemak, zoowel uit de Romaansche talen, uit het Latijn, het Fransch

enz., als uit het Duitsch, Nederlandsch, Skandinavisch, nieuwe woorden

aanneemt en zich eigen maakt. Daardoor zijn haar van oudsher vele

fijn genuanceerde uitdrukkingen, en niet weinige geheel eigenaardige

poëtische schoonheden toegevloeid. En evenzoo laat zich daaruit

het verschijnsel verklaren, dat de bloesems der Engelsche literatuur

bijna altijd, om zoo te zeggen, eene tweevoudige kleur hadden. Er zijn

namelijk Engelsche dichters geweest, die geheel en al uit de Duitsche

ziel, andere die meer uit den Noormaansch-Franschen geest schijnen

voortgekomen te zijn. In de aderen van den grooten Byron bijvoorbeeld,

heeft wel gedecideerd Noormansch bloed gevloten. De natuurdichter

Burns daarentegen is naar taal en gevoel een Duitscher. In Shakespeare

herkent men, zooals Gervinus zegt, _beide_ elementen even sterk. In de

keus zijner groote romantisch-historische schilderingen, zoowel als

in de drieste energie en kernachtige kortheid zijner uitdrukkingen,

verraadt bij den Romaanschen Noorman, terwijl uit de vormloosheid,

uit den breeden, dikwijls gekronkelden bouw zijner stukken, die

eenige gelijkenis hebben met den Gothischen kerkbouw-stijl, de

Duitscher tot ons spreekt. Over het geheel echter heeft bij hem,

even als bij alle echte Engelsche volks- en nationaal-dichters, het

Germaansch de overhand, hetgeen daardoor bevestigd wordt, dat nooit

een buitenlandsch dichter in den vreemde zoo inheemsch is geworden

als Shakespeare in Duitschland.

Even als bij afzonderlijke geniën en individuën, zoo heeft zich ook

in verschillende perioden der Engelsche literatuur, nu eens eene

voorliefde tot den Duitschen geest, dan weder eene neiging tot het

Romanismus geopenbaard. Er zijn tijden geweest, waarin de Romaansche

elementen der taal bij de Engelschen, om zoo te zeggen meer in de mode

waren, waarin de dichters en schrijvers alles zooveel mogelijk met

woorden aan den Franschen taalschat ontleend, uitdrukten; andere,

waarin zij liever gebruik maakten van de kracht, in de Saksische

taalwortelen liggende. En bijna altijd is er--even als in den strijd

om het bestuur tusschen eene Noormansche adels- en eene Saksische

volkspartij--ook op het veld der literatuur eene Romanistische en

eene Germanistische schrijvers-coterie en richting geweest.

Even als de taal, zoo kreeg ook, door de zoo gelukkige

Noormansche-Saksische samensmelting, de zoogenaamde nationale geest

van het volk, eene gemakkelijkheid zich het bruikbaarste uit beide

nationaliteiten eigen te maken. Zoo heeft men het, om behalve een

voorbeeld uit de taal ontleend een ander aan te voeren, ook in de

politieke wetgeving der Engelschen geroemd, dat zij eene eigenaardige

toegevendheid en ontvankelijkheid verkreeg, waardoor zij in staat

gesteld werd aan verschillende stelsels, aan het Koningschap, aan het

leenwezen, de aristocratie en democratie, het beste en degelijkste

te ontleenen en met elkander harmonisch te vereenigen.

Ten slotte echter mag men wel zeggen, dat even als de Spanjaarden

sedert Ferdinand en Isabella steeds meer Iberisch, de Franschen

sedert Hugo Capet steeds meer Celtisch, zoo ook de Engelschen nadat

zij den eersten stoot der Noormansch-Fransche verovering te boven waren

gekomen, weder meer Anglo-Saksers of Duitschers geworden zijn. Fransche

historici beschouwen den langdurigen strijd der mindere klassen of

van den derden stand in Frankrijk, tegen de Fransche Koningen en tegen

den van Germaansche tijden dateerenden adel en zijn leenstelsel, als

een strijd van de onderdrukte Romano-Celten tegen den Germaanschen

nationalen geest. Volgens hunne meening drong van _beneden_, uit de

Celtische boerenhutten en uit Celtisch-Romanische steden, in den

loop der tijden het oude oorspronkelijk element van Gallië steeds

invloedrijker naar boven, en in de Fransche revolutie, zooals ook in

het door deze nivelleerende beweging voorbereide Imperialisme, zien wij

eene laatste en volkomene overwinning van het Celten- en Romanendom

over het Germanendom in Frankrijk.--Geheel gelijk hiermede, maar in

omgekeerden zin, schijnt de voortgaande ontwikkeling der zaken, de

gang der nationaliteits-verhouding in Engeland gebeurd te zijn.--Hier

werd het feudaalwezen door Romanen gesticht, in een tijd, waarin zij

het in Frankrijk pas van de Germanen ontvangen hadden. Het werd den

onderworpen Duitschers (den Anglo-Saksers) op den hals geworpen, even

als in Frankrijk den Celto-Romanen. De langdurige strijd der mindere

standen tegen den adel, de leenheeren en de Koninklijke macht,--hunne

eindelijke overwinning ten tijde van Cromwell, en vervolgens hunne

latere overwinningen in onzen nieuweren tijd,--mogen eveneens als

een worstelen en eene langzame overwinning der eene nationaliteit

op de andere, der Anglo-Saksers op de Romanen beschouwd worden. De

demokratische zoogenaamde _rondhoofden_ uit de tijden van Cromwell,

kwamen meest uit het Zuiden en Zuid-Oosten van Engeland opdagen,

waar van oudsher de Anglische en Saksische bevolking de bovenhand

gehad had. De ridders en Koningsvrienden waren meer uit het minder

Duitsche Westen en Noorden afkomstig. Men zou misschien kunnen zeggen,

dat Engeland des te vrijer en vrijzinniger geworden is, naar mate

de oude Duitsche gedeelten van het volk, namelijk de burgerstand,

weder naar boven kwamen, zooals Frankrijk steeds meer revolutionair

en imperialistisch werd, hoe meer het oude Celto-Romanismus zich van

het Germanendom afscheidde. Hoe zelfs in de uitspraak en in het accent

van hun taaleigen, de Engelschen steeds meer Duitsch geworden zijn,

daarop is boven reeds gezinspeeld.

Ook in de voorzichtige en langzame _manier_ der sociale hervormingen,

in het conservatieve, van alle plotselingheden en van het radikalismus

afkeerige Engeland, die daar zelden tot uitersten oversloegen, is het

duidelijk zichtbaar dat hier de voorzichtige, bedaarde en verstandige

vrijheidsgeest der Germanen de banier droeg; terwijl omgekeerd in

de hevigheid der, het op _vernietiging_ en volkomene _gelijkheid_

aanleggende, omwentelingen in Frankrijk de reeds door Cesar berispte

teugelloosheid der Galliërs zich voldoende openbaart.

Bijzonder duidelijk heeft de dubbele aard van den Engelschen geest,

als ook de bovenhand van het Duitsche zijn in hem, zich ook in de

hervorming der kerk geopenbaard. Nauwelijks had Luther in Duitschland

godsdienstige- en geloofsvrijheid geproclameerd, of zulks vond bij

de Engelschen, even als bij andere Germaansche volken, den meesten

weerklank. Even als het geheele Germaansche Noorden, zoo maakte zich

ook met betrekking hiertoe, Engeland van de Romaansche wereld los.

Wel is Engeland in zijne kerkelijke hervorming--karakteristiek genoeg

voor zijn _half_-Germanismus en voor zijne plaatsing op de scheidslinie

van beide groote stammen--halverwege blijven staan. Evenals het

Engelsche volk, als zijne taal, als zijne wetgeving, nevens den

Duitschen grondtoon ook de bijgevoegde Romaansche tint in zich verwerkt

en bewaard heeft, zoo heeft ook zijn godsdienst en kerk, om zoo te

zeggen, een _dubbel uiterlijk_ gekregen. Aan de eene zijde heeft zij

zich sterk, ja beslissend tot de Duitsche beweging laten medetrekken,

en heeft de _nieuwe_ brug, die Dr. Martin uit het moederland naar de

Saksers oversloeg, aangenomen. Maar zij heeft ook de oude verbinding

met de Roomsche wereld niet _geheel_ afgebroken, heeft _veel_ van

den Katholieken vorm en van het Romaansche priesterdom behouden.

Vele Engelschen gelooven dientengevolge zelfs, dat hunne Kerk ten

gevolge dezer dubbele natuur, nog eens eene groote rol te spelen zal

hebben bij de verzoening en vereeniging der verdeelde Christenheid

die eens plaats zullen vinden, en dat zij, gemakkelijker dan eenige

andere christelijke gemeente, deze zal kunnen tot stand brengen.

Het grootste en breedste stuk vlak land van het Britsche

eilanden-lichaam, namelijk de uitgestrekte, heuvelachtige vlakte,

rondom welke men met een straal van 40 mijlen een cirkel kan

beschrijven, was de landstreek, waarin zich na tallooze oorlogen en

omwentelingen, die Normanno-Saksische volksgeest met zijne dubbele

natuur,--die Romaansch-Duitsche literatuur,--die aristo-demokratische

staatsregeling--die Roomsch-Protestantsche kerk,--welke nu de kern

der Engelsche nationaliteit uitmaken, vormde en vastzette.

Even als de innerlijke vorming van het Engelsche nationaal-karakter

zelf, zoo heeft ook zijne, langzamerhand van de genoemde vlakte van het

Zuid-Oosten uitgaande, verbreiding door het geheele eiland-rijk,--de

manier en wijze, waarop het de andere vreemde hem in den weg staande

nationaliteiten boven het hoofd gekomen is en met zich vereenigd heeft,

eene zeer langzaam rijpende natuur.

Men gevoelt zich bij eene beschouwing der Engelschen steeds geneigd,

zich de beide woorden van Tacitus, die boven reeds vermeld werden:

"vroeg _ontkiemen_, laat _rijpen_" te herinneren. Deze woorden

schijnen zoowel te gelden voor de niets minder dan vroegrijpe

individuën, als ook voor de langzame wijze waarop de geheele natie

tot rijpheid en eenheid kwam, en voor de bemoeiingen van ieder hunner

in het bijzonder. Overal in de Engelsche geschiedenis stoot men op

langwijlige, diep wortelende en zich slechts langzaam baanbrekende

processen. Men meent overal, waar men bij de hardnekkige rassen van dit

eiland een dier werkingen nagaat, in het inwendige eener machinerie te

zien, waarin de oude sterke raderen, slechts los in elkander grijpen,

met moeite omdraaien, slechts langzaam op elkander werken, en dien

ten gevolge ook niet zoo gemakkelijk afslijten en uitloopen.

Het duurde, zeg ik, zeer lang, voor het, in het Zuiden van Engeland

gevormde Engelsche nationaal-type, van die genoemde vlakte uit in alle

nabij- en afgelegene berglanden, en in alle min of meer geïsoleerde

gedeelten van het eilanden-rijk, was binnengedrongen, en zich overal

als heerschende en den boventoon voerende, had doen gelden.

Van de verandering bij het Celtendom in Wales en Cornwallis heb

ik reeds, bij gelegenheid dat over de Anglo-Saksische verovering

gesproken werd, het noodige gezegd. Het is hier de plaats, in het

kort aan te toonen, op welke wijze en in welke mate het oude Celtische

ras in Ierland en Schotland, door de nieuwgeborene Normanno-Saksische

(Engelsche) nationaliteit aangetast werd.

Op het eiland der Erinach of Ersen werd, zooals reeds opgemerkt is,

de strijd der Celten met de Germanen, door de _Denen_ begonnen. Op hen

volgden sedert het midden der 12de eeuw de Engelschen, wier Koning

Hendrik II, tegen het einde der 12de eeuw, bijna geheel Ierland

veroverde, het met het Groot-Brittanje'sche rijk vereenigde en het

voor de Anglo-Saksische immigratie openzette.

Van dien tijd af, leven beide rassen in een 600 jarigen, nog niet

geëindigden ras-strijd. Eene reeks van vreeselijke stuiptrekkingen,

opstanden en reactiën heeft tot op onze dagen, in het met bloed en

tranen gedrenkte land gewoed. Niettegenstaande de gruweldaden, de

verschrikkelijke uitmoordingen, de overplantingen en verdrijvingen,

die de ijzeren Cromwell, en zoowel nà als vòòr hem andere Engelsche

Vorsten in het land hebben geroepen, niettegenstaande de voortdurende

immigratie van Anglo-Saksische elementen, is deze brand nog niet

geheel gebluscht.

In eenige streken van het land, de noordelijke en middelste, is de oude

Celtische stam, door eene zuiver Anglo-Saksische en protestantsche

bevolking vervangen. Deze immigratie uit Engeland duurt nog steeds

voort, en grijpt nu nog telken jare meer om zich. Daarentegen wordt

de Westelijke helft, al de vele land-armen en lang uitgestrekte

rots-ruggen, waarin de Oceaan het land verdeeld heeft, nog bewoond

door de oude, Celtische Ersen,--door die poëtische en bewegelijke,

maar zonderlinge en onverstandige,--die talentvolle en geestige, maar

wankelmoedige, onzelfstandige en weinig doortastende,--die grootmoedige

maar verkwistende en achtelooze Ieren, die nagenoeg even zoo tegenover

de koele, overleggende, nadenkende, werkzame en ver vooruitziende

Anglo-Saksers staan, als de Franschman met wien zij--zoowel om de

Celtische afstamming, als om den Katholieken godsdienst dien zij met

dezen gemeen hebben, sympathiseeren--tegenover den Duitscher.

Hunne eigene oorspronkelijke taal, die voor 300 jaren in den tijd van

Koning Hendrik VIII nog in het Iersche parlement gesproken werd, leeft

ook nu nog, maar slechts in de armoedige aarden hutten van het Westen,

waar zij nog door de boeren en visschers gesproken wordt. Er zullen

nu zoowat een millioen menschen zijn, die het oude Celtische Iersch,

of het Gaelische-Ersisch verstaan, en slechts nagenoeg 300.000,

die zich uitsluitend van dit dialect bedienen. De Iersche O'Connel

moest zijne philippica tegen Engeland in de taal zijner doodsvijanden

inkleeden. Zelfs zingen de Ieren hunnen lievelingsdichter Thomas

Moore, zijne Iersche melodiën, waarin hij zoozeer tot hun hart sprak,

in de Engelsche taal na. De eigenaardige nationale geest van het

volk daarentegen, leeft nog op het grootste gedeelte van het geheele

groote eiland. Veel daarvan is zelfs op de geïmmigreerde Engelschen,

die meermalen in Ieren ontaardden, overgegaan. Deze Celtische

natïonale-geest der Ieren heeft ook buiten hun vaderland, zich van

zeer grooten invloed getoond op de geschiedenis der ontwikkeling

van andere moderne volken. Want sedert de vlucht der Israëlieten

uit Egypte, heeft de wereld weinig emigraties beleefd, die zoo rijk

aan gevolgen waren, als de uittocht der Ieren, uit hun altijd groene

smaragden-eiland, naar alle deelen der wereld. Tot op den overwinnaar

van Magenta toe, die van eene Iersche familie afstamt, hebben tallooze

verbannen Ieren uitgemunt in de legers en in den staatsdienst der

Spanjaarden, Franschen, Oostenrijkers en andere landen. Ieren, die

hun land verlieten, hebben zich in groote menigte over de steden van

Engeland en Schotland verdeeld, waar zij, bij de lagere volksklassen

en ultra-demokraten, eene zeer opmerkelijke partij vormen.

In de nieuwe wereld, in de Vereenigde Staten, in Australië, waarheen

zij in den nieuweren tijd bij massa's met vrouw en kind verhuisd

zijn, vormen zij een aanzienlijk deel der bevolking. Hunne talrijke

nakomelingen, die over schier alle steden dier landen verspreid zijn,

deelen de daar te huis behoorende bevolking in zekere mate hunne

kleur, hunne gezindheid, hunne antipathie tegen Engeland mede. Men

treft daar overal eene zeer sterke Iersch-Katholieke partij aan.

Wanneer men dit alles nagaat, mag men wel zeggen, dat deze Celtische

Ieren nog altijd, en nu misschien nog meer dan vroeger, een hoogst

opmerkelijk volk uitmaken, wiens merkwaardige eigendommelijkheden

de geschiedschrijver der beschaving moet bestudeeren en nauwlettend

gadeslaan. Waar zij in massa optreden en het overwicht hebben, heeft

hunne onrustige, ongeduldige en overmoedige natuur, helaas! zelden

veel goeds bewerkt. Daarentegen heeft men het algemeen erkend, dat zij

daar waar zij zich met enkele personen onder de Engelschen nederzetten,

waar zij in ondergeschikte betrekking zijn en de minderheid uitmaken,

waar zij den toon niet aangeven maar ontvangen, waar zij door de

Engelschen geleid worden, tot de beste planters en kolonisten behooren.

In _Schotland_ heeft de ontwikkeling van de onderlinge betrekkingen der

beide rassen van Groot-Brittanje, een nagenoeg dergelijk en toch ook

weder ander verloop dan in Ierland genomen. Het wezenlijk onderscheid

bestaat daarin, dat zich in Schotland onder de oude Celtische bevolking

een geheel eigenaardig Germaansch kernvolk gevormd heeft, waartoe

het in Ierland, dat verder van alle Germaansche volken verwijderd,

en ook van Engeland door eene zee gescheiden is, nooit gekomen is.

Dit Germaansche volk in Schotland, kan men eigenlijk niet enkel en

geheel als een dochter-volk der Engelschen aanzien, even als ook zijne

Germaansche taal (het Schotsch) niet _geheel_ als een dialect van

het Engelsch beschouwd kan worden, ofschoon zij er veel overeenkomst

mede heeft. De Schotsche nationaliteit ontwikkelde zich _buiten_

en _naast_ de Engelsche en gelijkloopend met deze. Zij berustte,

zooals reeds gezegd is, waarschijnlijk op geheel eigenaardige en

zeer oude Germaansche fundamenten. Hun Germanisme was zeer versterkt

geworden door de binnendringende Denen, die als dappere houwdegens

natuurlijk altijd eene groote rol speelden bij de Schotsche Koningen,

als aanvoerders bij hunne onderlinge twisten. Toen de Noormannen

tegen het einde der 12de eeuw Engeland veroverden, vluchtten weder

vele Anglo-Saksers naar Schotland, en vermeerderden daar het aantal

der Germanen. Ook haalden de Schotsche Koningen, die vervolgens

eveneens oorlog voerden met de Noordsche beheerschers van Engeland,

als vroeger met de Anglo-Saksische, vele krijgsgevangenen uit Engeland,

die zij naar het Zuidelijke gedeelte van Schotland, de zoogenaamde

Lowlands, overbrachten, en die met de oude Germaansche elementen

die zij daar aantroffen, samensmolten. Daar de Schotten met de

Engelschen--de eenige naburen die zij hadden--onophoudelijk twist

hadden, daar hunne invallen in Engeland en _vice versa_ de invallen

der Engelschen in Schotland, eeuwen lang, om zoo te zeggen telken

jare terugkeerend waren, daar verder ook de binnenlandsche onlusten

in beide landen er meermalen aanleiding toe gaven, dat Engelschen

in Schotland en Schotten in Engeland zich nederzetten en invloed

verkregen, daar ook huwelijksverbintenissen tusschen beide naburige

volken, zelfs tusschen hunne Vorsten-huizen meermalen plaats vonden,

zoo was het natuurlijk, dat beiden met der tijd overeenkomst met

elkander kregen. En vooral de Schotten moesten zich daarbij naar

het voorbeeld der veel ontwikkelder, veel nader bij den zetel der

Europeesche beschaving wonende, talrijker en machtiger Engelschen

vormen.--De Schotten stonden in eene eenigzins gelijke verhouding

tot de Engelschen als de Portugeezen tot de Spanjaarden. En evenals

bij de Portugeezen, niettegenstaande de eeuwige vijandschap met hunne

Spaansche naburen, zich toch door de macht der omstandigheden, alle

betrekkingen naar het Spaansche model vormden, zoo hielden ook de

Schotten meestal tegen wil en dank gelijken tred met de Engelschen.

Vooral werden zij, sedert het Noorman'sche tijdperk, dat

zooals reeds gezegd is, de eigenlijke schepper van een machtig

Engelsch nationaal-karakter was, steeds meer gelijk aan de

Engelschen. Langzamerhand maakten zij alle ontwikkelingsphasen met

hen door. Wat in Engeland mode was, kwam ook weldra in Schotland in

zwang. De Romaansche poëzie, de Noorman'sche bouwstijl, die onder

de nakomelingen van Willem den Veroveraar bloeiden, schoten ook in

Schotland op. Wij lezen niets van uitdrukkelijke bevelen, waardoor

in Schotland, even als in Engeland, de Fransche taal ingevoerd zou

geworden zijn. Maar weldra sprak men aan het Schotsche Koningshof,

even als aan het Engelsche, Fransch, en de Schotsche landstaal nam

vervolgens, gelijktijdig met de Engelsche, Fransche woorden in zich

op, reeds langen tijd vòòr dat de Engelschen als opperheeren naar

Schotland kwamen.

Al die processen hadden echter bij de Schotten toch een eenigzins

ander verloop dan bij de Engelschen, zoo b.v. werd het Schotsche

volks-dialect niet _in die mate_ geromaniseerd als de Engelsche

taal, maar behield het veel meer een oud-Germaansch uiterlijk en

stempel. Eenige der belangrijkste verschillen tusschen het Schotsche

en Engelsche nationaal-karakter ontstonden daardoor, dat het Germaansch

element zich in Schotland meer aan het inheemsch Celtische aansloot.

Het Celtisch element was in alle tijden in Caledonië het

overwegende geweest. Zelfs de Romeinen hadden het niet, als in

Engeland, gedecimeerd en gebroken. De aanvankelijk zeer weinig

talrijke Anglo-Saksers konden er in Schotland niet aan denken,

de oorspronkelijke bewoners, hoeveel antipathie zij ook tegen

hen gevoelden, even als in Engeland uit te roeien. Zij hadden

hunne vriendschap altijd tegen hunne vijandelijke broeders en

naburen in Engeland noodig. Zij verbonden zich daarom met hen tot

_gemeenschappelijke_ ondernemingen. Zij leefden met hen op _gelijken_

voet, met dezelfde rechten, onder dezelfde Koningen in eene gelijke

staats-gemeenschap.

Onwillekeurig namen zij op deze wijze veel van de zeden en gewoonten

der Gaelische landskinderen aan. Vooral ging, wat in Engeland niet

gebeurd is, de oude Celtische verdeeling in Clans, meermalen op de

Anglo-Saksische Schotten over. Zij leerden somwijlen ook hunne taal,

ofschoon in meerdere gevallen de taal der sterkere Germanen, die sedert

den tijd der Noormannen, de kern en het hart van den staat vormden,

op de Gaelen overging.--Zoo is dus in Schotland eene soort verzoening

tusschen het Celtische en Germaansche element tot stand gekomen,

terwijl in Engeland het Germaansche tot uitsluitende heerschappij

kwam, maar in Ierland het Celtische steeds vijandig de bovenhand

bleef behouden.

Lang hebben de Engelschen vergeefs naar eene politieke annexeering

van dit hun Schotsche broeder-volk gestreefd. Meermalen hebben zij

de invallen der barbaarsche Pieten en Schotten, met even barbaarsche

invallen beantwoord. Somwijlen gelukte het hun, in de tweespalt der

Schotsche partijen een dergelijken invloed te verkrijgen, als de

Spanjaarden in de Portugeesche wisten machtig te worden, en soms

waren de Schotsche Koningen een tijdlang de vazallen der Engelsche.

Eindelijk (maar eerst voor 270 jaren) kwamen Schotten en Engelschen

voor altijd onder één Vorst. Maar zelfs _daarna_ duurde het nog lang,

voor de verschillen tusschen beide nationaliteiten zich vereffenden,

voor beide volken tot een harmonisch en verzoend geheel samengroeiden.

De verheffing van den Schotschen Koning Jacobus VI op den Engelschen

troon, was aanvankelijk slechts eene vereeniging van beide kroonen op

hetzelfde hoofd. Ook bewerkte zij, dat de Schotsche taal, die tot dien

tijd hare eigene literatuur had gehad, tot eene _lingua rustica_, tot

een patois afdaalde, terwijl nu het Engelsch de taal van het hof, der

voornamen en geleerden werd. Toch was dit geene volledige samensmelting

der beide natiën. Schotland behield nog langen tijd zijn eigen

bestuur, zijn afzonderlijk parlement. Alle nationale ontwikkelingen,

de hervorming der kerk, die niet zooals in Engeland door de Koningen,

maar door mannen uit het volk tot stand gebracht werd, de vervorming

van den staat en der sociale verhoudingen, geschiedde in Schotland

langs een anderen weg dan in Engeland. Over het geheel kan men zeggen,

werden daar kerk, staat en maatschappij demokratischer dan hier.

Verscheidene malen nog moesten de Engelschen de vereeniging der

kroonen, door oorlog en geweld in stand doen blijven, en herhaalde

keeren verklaarden zich de Schotten, ter liefde hunner oude

zelfstandigheids-ideën, voor die kroonpretendenten, die in Engeland

onttroond waren. Eene volledige vereeniging van beide volken, eene

vereeniging hunner beide parlementen en bestuur, kon eerst onder de

Koningin Anna in het jaar 1707 doorgezet worden, en een algeheele

vrede tusschen Schotten en Engelschen bestaat eerst sedert nagenoeg

eene eeuw, vooral nadat in het jaar 1745 de Engelschen, de overoude

indeeling der Schotten in Clans, die deze uit de primitiefste

toestanden der Europeesche volken overgehouden hadden, verbraken.

Er bestaat echter tusschen beide nationaliteiten ook nog ten huidigen

dage een nagalm der oude ijverzucht. Thans nog gevoelt de Schot

voor zijn bergland een geheel bijzonder, geheel particularistisch,

vaderlandslievend gevoel, dat hij niet op het geheele Groot-Brittanje

overdraagt. Ook ontdekken de Engelschen in de Schotten, in het

hun eigenaardig oud-Frankisch dialect, in hunne neigingen en in hun

geheele wezen, iets vreemds. De Schot maakt zoowel op den Engelschman

als op den Ier, die beide ten Zuiden van hem wonen, den indruk van

een Noordlander. Hij heeft eenige gewoonlijk voor algemeen Noordsch

gehoudene eigenschappen, in nog hoogere mate dan de Engelschman. Zoo

heeft bij hem het verstand en het nadenken nog meer de overhand op

het gevoel en de phantasie, dan zulks bij den Engelschman het geval

is. Alle bezigheden en zelfs vermaken, hebben bij de Schotten, in nog

hoogere mate dan bij de Engelschen, betrekking op studie, wetenschap,

handwerk. Hij heeft in zijn wezen en gedrag nog meer uiterlijke koele

bedaardheid dan de Engelschman.

Bij den minderen man in Engeland geldt de Schot voor bijzonder listig

en eigenwijs, schraapzuchtig, hebzuchtig, en als neringziek op alle

mogelijke wijzen zijn geluk te beproeven, en dat niet altijd op zoo

eerlijke, groothartige en edele wijze als de zuidelijke Brit. Die

kalmte van de geaardheid des volks, blijkt bij de Schotten het

duidelijkst uit den bij hen ingevoerden Puriteinschen godsdienst die,

om zoo te zeggen, door de strengheid van het noordsche klimaat bij hen

geheel ingevroren is. Meer dan ergens elders heeft het protestantisme

bij de Schotten de kunsten achteruit gezet. Zij leveren daarin nog

minder dan de Engelschen en zijn, trots hunne beroemde volksliederen,

zoo mogelijk nog minder muzikaal dan de Engelschen. De tooneelspelers

en over het algemeen de kunstenaars in Schotland, waren altijd

Engelschen of Ieren, die daar niet zelden dezelfde rol speelden,

als vroeger wel de Franschen en Italianen bij ons.

Door hunnen ijver voor de wetenschappen, hebben daarentegen de

Schotten, voor verbreiding van het volks-onderwijs, in nieuweren

tijd meer gedaan dan de Engelschen. De scholen zijn bij hen in

beteren toestand, en naar evenredigheid vindt men bij hen meer goed

onderrichte personen dan bij dezen. Eenige der scherpste denkers en

philosophen kreeg Groot-Brittanje uit het Caledonische Noorden. In de

philosophie bestaat eene afzonderlijke Schotsche school. Verscheidene

der gewichtigste uitvindingen werden door de Schotten bedacht en

volmaakt. De groote geschiedschrijvers David Hume, Robertson en

Macaulay hadden Schotsche vaders en moeders. Ook werden verscheidene

der uitstekendste nieuwere dichters van Groot-Brittanje, Walter Scott,

Burns en andere aan den voet der Schotsche Hooglanden geboren. Geniën

wier invloed zich zoo ver uitstrekte als die van Shakespeare, Milton,

Byron, heeft Schotland echter niet opgeleverd.

In ieder geval heeft de Schot niet minder gereisd en getrokken en

den vreemde gezocht als de Engelschman. Hij heeft altijd eene groote

rol gespeeld in de geschiedenis der kolonisatie en veroveringen der

overzeesche wereld door de Britten. Menige kolonie van Groot-Brittanje

mocht, naar de haar leidende en aan haar hoofd staande talenten,

eer als eene Schotsche dan als eene Engelsche schepping beschouwd

worden. Zoo hebben, b.v. in Engelsch Indië en ook in de staten der

Hudsons-Bay-Company de Schotten de overhand.--"Trots alle aanmerkingen

en steken op de Schotten, beschouwen de Engelschen hen daarom (en dit

kan niet ten opzichte der Ieren gezegd worden) als huns gelijken, en

de ijverzucht, die het den Schotten mogelijk gemaakt heeft, in alle

bemoeiingen der Engelschen, zoo in hunne literarische, als in hunne

industrieele en commercieele werkzaamheden, ijverig in te grijpen,

is van geheel anderen aard, dan de hartstochtelijke oppositie der

weerspannige Ieren." Terwijl deze dikwijls de verzwakkende uitwerking

van een remtoestel hadden, op den voortgang van den Engelschen

zegewagen, is gene even als de wedijver van twee om denzelfden

prijs worstelende strijders, veeleer bevorderlijk voor het geheel

geworden. De daarstelling eener volkomene gelijkvormigheid in manier

en denkwijze, werkt in den schoot van eene en dezelfde nationaliteit

waarschijnlijk evenmin gunstig, als in de borst van een denkend mensch,

een geheel ophouden van den strijd der hartstochten en begeerten.--Het

zou wel mogelijk zijn, dat, wanneer het Anglo-Saksisch element _alle_

onderscheid van ras, taal, zeden en streven volkomen weggenomen en

gelijk gemaakt, en het eene geheel gelijksoortige nationaliteit in

het vereenigde Groot-Brittanje hersteld had, dat dan dit hoogste

toppunt zijner zegepraal ook het begin van zijn achteruitgang zijn zou.

De rest der Celtische bewoners van de Schotsche Hooglanden, de

Schotsche "Highlanders," heeft, ofschoon een broederstam der Ieren,

in den nieuweren tijd veel minder van zich doen spreken dan deze. Zij

waren van oudsher minder talrijk dan de Ieren. Zij plaatsten zich reeds

vroegtijdig, met hunne Schotsche naburen van Germaanschen stam in de

Lowlands, onder dezelfde Koningen, en werden later gelijktijdig met

hen, en op dezelfde wijze en met dezelfde rechten, bij het groote

Britsche staatslichaam ingelijfd.--De voornaamste reden tot het

bieden van wederstand, verviel bij hen daardoor, dat zij, _even als_

hunne Germaansche landslieden, aan het katholicisme onttrokken en,

_even als_ deze, voor het protestantisme gewonnen werden, ofschoon

dit bij hen, even als alle nieuwe hervormingen, wat moeielijker en

later ingang vond, dan bij gene.

Zij leven nu nog als vreedzame herders en visschers, naar

voorvaderlijke gewoonte, in rookerige hutten, verstrooid op de

met wolken bekranste rotskammen, in turf-moerassen gevormde en met

heideplanten en eeuwigen nevel bedekte hoogten, in onherbergzame

woestenijen van hun land, en aan de kustranden der door storm en

oceaan gezweepte Hebridische eilanden, die gezamenlijk een nooit

geheel bedwongen toevluchts-oord voor hen geweest zijn. Menschen, die

uitsluitend de oude Gaelische taal spreken, zouden er nu nog nagenoeg

100.000 zijn. En waarschijnlijk gaat de geheele volksstam een totalen

ondergang te gemoet, want de menschen van Germaanschen oorsprong die

hen omgeven, zijn een voortwoekerend en om zich heengrijpend element;

zij zijn door hunne vlijt en volharding in staat, zelfs daar nog voort

te leven waar de Gaelen, niettegenstaande hun kommervol leven, zich

niet meer staande kunnen houden. De oude, eens zoo schrikwekkende

clans- of geslachtsverbroederingen, zijn voor de Hoog-Schotten nog

slechts een speelgoed, dat in hunne handen eerder iets komieks dan

iets verschrikkelijks heeft, zoo onder anderen hunne belachelijke

aristokratische eischen, die zij met de Ieren, de Bretons in

Frankrijk en de Basken in Spanje gemeen hebben, en hunne ver gerekte

familie-betrekkingen, ten gevolge waarvan er bij hen 6000 Cambell's

zijn, die elkander neef, oom en tante noemen.

Nadat ik getracht heb den oorsprong, de ontwikkeling en den voortgang

der Britsche nationaliteit op haren eigen bodem en haren tegenwoordigen

toestand in zwakke trekken te schetsen, wil ik nu een blik werpen op

de contrasten en verhoudingen dezer nationaliteit met die der overige

volken van Europa, op haren invloed op dezen en op de plaats die

zij nu, tengevolge _der eigenaardigheid van haar karakter_, in de

geschiedenis van de ontwikkeling der Europeesche volken inneemt.

Over het geheel, kan men zeggen, hebben de Engelschen zich tegenover

de andere volken van Europa tamelijk _passief_ gedragen. Sedert zij

hunne oude Noorman'sche bezittingen in Frankrijk opgaven, sedert

zij zich geheel tot hunne groote eilanden bepaalden, maar deze dan

ook geheel onder de banier van een eenige heerschende nationaliteit,

en van een en hetzelfde staatslichaam vereenigd hadden, hebben zij

als veroveraars of koloniestichters den bodem van ons vasteland nimmer

weer betreden. Zij hebben nergens op het vasteland, zooals de Russen in

Polen, de Zweden in Finland, de Franschen in den Elsasz, de Denen in

Schleeswijk, de Duitschers in Hongarije en in vele Slawische landen,

de Turken in Griekenland, de Italianen in Dalmatië, eene aan Europa

vreemde nationaliteit binnen den kring hunner ontwikkeling getrokken.

Al de ingewikkelde en moderne Europeesche nationaliteits-vragen

van het vasteland, raken daarom de koude kleeren van het Engelsche

volk niet. Zij hebben op hunne eilanden hunne eigene _innerlijke_

nationaliteits-vragen _voor zich_, en alleen buiten Europa, aan gene

zijde van den Oceaan in de nieuwe werelddeelen, bezitten zij koloniën,

waarin zij hunne wetten, zeden, taal en beschaving van heerschende

kracht doen zijn.

Met betrekking tot ons _Europa_, doen de Engelschen zich als

eilandbewoners voor, die een in zich gesloten geheel maken en zich

met hun eiland tevreden stellen. Hierop echter is eene uitzondering,

namelijk dààr, waar sprake is van de heerschappij ter zee. Want deze

hebben zij zich in de laatste twee eeuwen zoo zeer toegeëigend, dat zij

gewoon zijn den Europa omgevenden Oceaan als hun domein, als een deel

van hun "_home_" te beschouwen. Zij verlangen naar geene bezittingen

op het vaste land van Europa zelf. Alleen dat willen zij bezitten,

wat noodig is om hunne heerschappij op den Oceaan te verzekeren, en

daartoe zijn eenige kleine eilanden, havens, landpunten voldoende. Van

Helgoland, over de eilanden langs de Fransche kusten, naar Gibraltar,

Malta en de Jonische eilanden, hebben zij daarom geheel Europa met

een keten van scheeps-stations en eiland-veroveringen omgeven.

Even als de Oceaan, de drager der Engelsche waren, vloten en belangen,

het geheele vasteland bespoelt, zich aan ieder land aansluit en de

vaderlanden der Europeesche volken binnendringt, zoo doet dit daarom

ook de politiek der Engelschen en zij zijn op deze wijze, hoewel

afkeerig van _directe_ inmenging in de zaken van vreemde natiën,

_indirect_ in alle politieke vragen, waar zij zich ook mogen voordoen,

hetzij in Constantinopel, aan den Donau, in Sicilië, aan den Sond of

de Finsche golf, in meerdere mate betrokken dan eenige andere natie.

Toch geschiedt, overeenkomstig het gezegde, deze deelneming, als zij

noodig wordt, op geheel andere wijze dan bij de andere volken. Zij

treedt slechts op, als het eigene nationaal- en staats-belangen

geldt. Zij ontspringt niet uit vrije impulsiën, uit nationale

hartstochten, sympathiën en antipathiën, die de Engelschen niet

bezitten. Zij trekken niet, als hunne naburen de Franschen, voor

fraaie ideeën of uit medelijden voor een onderdrukt broeder-volk,

de wereld in. Zij hebben voor de overige volken meer overmoed of

onverschilligheid, dan haat of sympathie.

Daar zij hun nationaal-lichaam buiten hunne eilanden niet vergroot

hebben, en met hun scherp afgesloten gebied, nergens aan de

verbreidings-gebieden van andere Europeesche volken aansluiten of er

door beperkt worden, zoo is hunne ziel ook niet door zulke nationale

smart van een gereten, als zulks bij de Duitschers het geval was,

toen zij hunne Rijn-provinciën of hun Schleeswijk-Holstein verloren,

of bij de Italianen toen zij Venetië moesten afstaan. [18]

Overeenkomstig hun eilandachtig karakter en wezen, houden zij

zich altijd meer onledig met zich zelven dan met vreemden. Door

buitengewone krachtsinspanning en in het verloop van eeuwen lang

durenden strijd, hebben zij den geheelen grooten Gothischen dom-bouw

hunner staatsregeling, die trots eene reeks onbeduidende of zelfs

slechte regenten, uit den schoot der krachtige natie opsteeg, in

het leven geroepen. Zij hebben dezen bouw alleen tot geluk van zich

zelven doorgevoerd; of hij door vreemden nageaapt werd daarover

bekommerden zij zich niet. Zij hebben nooit propaganda voor hunne

toestanden gemaakt.

Toen hunne staatsregeling gereed was, vond zij echter bij de

andere Europeanen zooveel bijval, dat deze er in den nieuweren tijd

naar streefden iets dergelijks tot stand te brengen. De politieke

constitutie van Engeland werd gelijktijdig het model en het ideaal,

waarnaar alle anderen begonnen te werken. Daar zij naar het Britsche

eiland-land, als naar de eenige schouwplaats, waar de vrijheid van

spreken en handelen een vast en duurzaam asyl had, blikten, zoo werd

ook het Engelsche parlement als 't ware het raadhuis der Europeesche

maatschappij. Pitt sprak het eens uit, toen Engeland het toppunt zijner

macht genaderd was, dat in de toekomst aan de Theems geen _kanon_

meer gelost zou kunnen worden, dat men niet overal in de wereld

vernemen zou. Men zou echter nog sterker dan Pitt kunnen zeggen, dat

in dat raadhuis aan de Theems door een man van gewicht geen _woord_

zou gesproken worden, dat niet in geheel Europa zijn echo vond,

en dat niet evenveel of nog meer gewicht had, dan het gedonder der

kanonnen.--Terwijl de Romeinen hunne politieke instellingen, hunne

taal, hunne zeden, ja! hunne toga op de vleugelen der adelaars hunner

gewapende legioenen over de wereld verbreidden, en op den tijd met

ijver en geweld hun stempel drukten; terwijl ook hunne opvolgers,

de Franschen, somwijlen, naar zij meenden tot heil der volken,

iets dergelijks op dergelijke wijze beproefden, hebben de Engelschen

datzelfde tot stand gebracht alleen door het schitterende _voorbeeld_,

dat zij den anderen brachten, en door de bewondering en navolging,

die hun daarvoor ten tol betaald werden. Zonder nauwelijks een voet

breed lands onder ons te bezitten, hebben zij toch weten te bewerken,

dat men wellicht de afdeeling der politieke-ontwikkelings-geschiedenis

der Europeesche staten, gedurende de eerste helft der 19de eeuw,

naar hen en naar hunnen op ons uitgeoefenden invloed, het "_Engelsche

tijdperk_" noemen zal.

In nog hoogere mate verdient die tijdsafdeeling dezen naam, wanneer

men vermeldt, wat zij voor handel en scheepvaart, voor de commercieele

en internationale verbindingen der landen van ons werelddeel, onder

zich en met de andere werelddeelen gedaan hebben.

De Merkurius der Britten heeft zijne bedrijvige boden naar alle markten

van Europa gezonden. Zij hebben hunne factorijen in Petersburg, Riga,

Odessa, Archangel en in bijna alle andere Russische havens. Eenige

er van vinden wij in de meeste Duitsche handelsplaatsen, zooals in

de Oostzee-havens. Ook op menige Duitsche handelsmarkt, b.v. te

Hamburg, maken zij een invloedrijk gedeelte van den handelstand

uit. Bijzonder talrijk zijn zij in de kust-stapel-plaatsen van

Noordelijk Frankrijk, het oude vaderland hunner Noorman'sche

voorvaderen. Zij zijn domineerend in Oporto, Lissabon en de andere

zeeplaatsen van Portugal, maar ook in Cadix, de oude kolonie der

Pheniciërs, en verder in de voormalige kantoren der Carthagers,

in Carthagena, Barcelona en overal langs de kusten van Sicilië te

vinden. Hunne agenten hebben zich evenzoo in Livorno, Napels en andere

zeesteden van Italië nedergezet, en ook in Griekenland en Turkije

vindt men geene plaats, waarin niet Britsche oorlogschepen zijn,

om Britsche belangen, individuën en waren te beschermen.

Men kan zeggen, dat sedert eene eeuw de Engelschen, met hun

dochter-volk, de Amerikanen, aan het hoofd van alle nieuwe

handelsondernemingen stonden. Wij anderen zijn slechts op hunne

vleugels om den aardbol gevoerd geworden. Indië, China en Japan,

door Portugeezen en Hollanders langen tijd gebarricadeerd, zijn door

de Engelschen voor het overige Europa opengezet.

Ook zijn zij het eerst begonnen de ketenen van midden-eeuwsche

handelsbeperkingen en monopoliën te breken, en eene verstandige

handelsvrijheid baan te maken. Zonder de voorafgegane opheffing der

privilegiën van de Oost-Indische kompagnie, zonder de opheffing der

belasting op de granen, zonder den vrijdom van scheepsvaart-akten, en,

met één woord, zonder te breken met het geheele oude protectioneele

stelsel, wat, voor zoover den handel betreft, de Engelschen na veel

strijds inleidden, waren vermoedelijk ook de slagboomen aan den Sond,

de Elbe en de Wezer nog niet gevallen.

Men heeft onzen tijd bij voorkeur eene industrieele, op materieele

voordeelen bedachte, aera genoemd. En dat zij dit geworden is, is

vooral aan de Engelschen toe te schrijven. Zij leidden haar reeds

vroegtijdig dien weg op. Reeds hunne oudste groote philosophen,

de beide Baco's, de een in de 13de en de andere in de 16de eeuw,

waren scherpzinnige waarnemers der natuur, hielden zich zelfs met de

mechanica, met de physische en chemische onderzoekingen en uitvindingen

onledig, en wanneer men de geschriften van Lord Baco van Verulam,

den grondvester der nieuwe natuur-philosophie leest, is men geneigd

te gelooven, dat de Engelschen van dien tijd af, voortdurend in de

door hem aangewezene en gebaande wegen en richtingen verder gegaan

zijn. Het heeft al het voorkomen, alsof de kiem tot al hunne latere

industrieele en mechanische uitvindingen, reeds in dat praktisch,

echt Engelsch philosophisch brein en zijne geschriften gelegen heeft.

Een, veel overeenkomst met Baco hebbenden, misschien nog grooteren

geest, kweekten de Engelschen in de 17de eeuw in Isaac Newton, die

de mechaniek des hemels ontdekte, en waarop zijne landslieden zich

bijna nog meer verheffen dan op hunnen Shakespeare. Sedert Newton's

tijd hebben de Engelschen eene geheele reeks der prachtigste en

invloedrijkste uitvindingen en hervormingen, in het leven der

Europeanen ingevoerd.

In de doelmatigste bewerking en vervorming van ruwe stoffen, in de

verbetering van al onze handwerksgereedschappen, in de verhooging

der menschelijke kracht en bekwaamheid, hebben zij veel meer dan

eenig ander volk geleverd. Zij zijn de vaders van ons modern fabriek-

en manufactuur-wezen. Zij hebben het eerst den waterdamp aan onzen

dienst onderworpen gemaakt, wat na het temmen en onder het juk brengen

van het paard, en na de aanwending der kracht van water en wind, de

grootste omwenteling in onze wijze van van arbeiden gebracht heeft. De

meeste verbeteringen en geheimen van den machine-bouw moesten wij

van hen leeren of afzien. De Watts en andere zulke kinderen van arme

Engelsche arbeiders, staan in de geschiedenis der ontwikkeling van

de moderne, zoo zeer industrieele volken van Europa, als groote

veldheeren en Koningen.--En even als hunne Watts, zoo ook hunne

Stephensons. Want alle hervormingen in den wegbouw, de straatwegen,

de macadamiseering, de spoorwegen, de verwonderlijke telegraphische

inrichtingen zijn van de Engelschen, of van hunne afstammelingen,

de Engelsche Amerikanen, uitgegaan. Door hen hebben wij geleerd onze

waren, onze personen, onze gedachten met duizelingwekkende snelheid

te bewegen en te verplaatsen. Den spoorwegbouw, die gevolgenrijke

uitvinding van onzen tijd, hebben van Engeland uitgezondene meesters,

in alle landen georganiseerd en het eerst aan den gang gebracht. En

datzelfde kan men ook van den brugbouw zeggen, die in nieuweren

tijd met te voren ongekende koenheid en veiligheid, de wildste,

tot nu toe nooit overbrugde stroomen, ja! breede zeearmen, als tot

staan gebracht heeft. Aan den Donau in Pesth, aan den St. Lawrence

in Canada, aan den Dniepr in Kiew, en aan ontelbare andere plaatsen,

heeft men Engelsche ingenieurs te hulp geroepen om die bouwwerken te

vervaardigen, waardoor onze eeuw evenzeer uitmunt, als de midden-eeuwen

door hare Gothische kerken.

Men kan zeggen, dat even als de Italianen door hun gloeiend

enthousiasme voor het schoone, de Franschen door hunne fijne gezellige

taal en hunnen smaak, zoo de Engelschen door hunne industrieele

bedrijvigheid, en door hunne voortdurende werkzaamheid, de wereld

vooruitgeholpen hebben. Zij zijn eene wezenlijk industrieele, ijverige,

werkzame, ernstige natie, wier zin meer op het nuttige, dan op het

idealische en schoone gericht is.

"Het hoofdgenot huns levens vinden zij in werken, in het te voorschijn

roepen, niet in de vroolijke spelen en beuzelarijen der phantasie." Zij

hebben het beroemde vers van hunnen Milton tot hunne leuze gemaakt:

"_to scorn delights and live laborious days_" (vermaken te versmaden

om hunne dagen aan den arbeid te wijden). Zelfs hunne genoegens hebben

het karakter van werkzaamheden. Zij hebben allen hunnen oorsprong in

het hoofd, niet in het bloed. Bij hen is geen spoor van de hemelsche

uitgelatenheid der Romanische of Slawische volken, zooals die zich in

hunne dansen duidelijk openbaart, of van de onschuldige tijdverdrijven

der Duitschers. De Engelschen hebben de "_useful pleasures_" (nuttige

genoegens) uitgedacht. Al hunne nationale-spelen en sports zijn

leerrijk en gaan tevens met krachtsinspanning gepaard. Het zijn

de uitspanningen van een mannelijk en energiek volk. Het overig

Europa beproeft hen ook daarin eenigzins na te volgen, en Engelsche

wedrennen en dergelijke zaken zijn in de andere landen bijna even

algemeen geworden, als eens ten tijde der Romeinen de bloedige

gladiatoren-spelen en dierengevechten.

Dat de zin der Engelschen wezenlijk op het nuttige en bruikbare gericht

is, blijkt op eene bijzonder duidelijke wijze uit de omstandigheid,

dat zij, niettegenstaande alle overige gebrek aan aesthetischen zin,

een zeer beslist talent bezitten om alle producten van mechanische

kunstvlijt een zeldzaam sierlijken vorm te geven, terwijl zij in het

geven van een sierlijken vorm aan datgene wat slechts sieradiën zijn,

ver bij de Franschen ten achter staan. De inrichting hunner huizen,

hunne meubelen, hunne werktuigen en gereedschappen zijn niet alleen

zoo doelmatig, maar ook zoo net en elegant gemaakt, dat men ze overal

tot model kiest. Het huiselijke comfort der Engelschen werd in den

nieuweren tijd, zelfs in Parijs, mode.

De hoogere kunstzin, het scheppende talent, dat het schoone om zich

zelf in het leven roept, gaat den Engelschman echter zeer slecht

af. In alle _alleen_ schoone en vrije kunsten, staan zij bij de

andere natiën ten achter. Vooral voor de muziek schijnt hun iets

wezenlijks geheel te ontbreken. De geschiedenis der Engelsche muziek

bestaat bijna geheel uit ledige bladen. Hunne krachtige, sissende,

lispelende taal met hare vele kortklinkende, afgebetene woorden, de

meestal eenigzins harde, zeemansachtige toon hunner stem, moest hen

van zelfs reeds verhinderen, in de zangkunst uit te munten. Het half

droomerige behagen en de verrukking, het gevoel waarmede de Duitschers

de muziek genieten, zal den nuchteren Engelschman altijd vreemd

blijven. Voor een harmonisch te samen spelen in het orkest, hebben

zij veel te veel _gevoel van eigenwaarde_. "In een door Engelschen

bezet orkest" zegt een geestig Franschman, "schijnt ieder op zijn

eigen houtje, om zoo te zeggen, zijne bijzondere lievelings-aria te

spelen," "_avec cette noble indépendance qui caractérise l'artiste

anglais_." Dat zal voor eene "symphonie" wel eenigzins storend zijn.

Ook in de beeldende kunsten hebben zij niet uitgemunt. Bijna geene

natie van Europa is van oudsher zoo arm, als de Engelsche, aan talenten

voor de plastische kunsten geweest. Te vergeefs zoekt men naar een

Engelschen beeldhouwer, dien men een Duitschen Rauch, een Franschen

David, een Italiaanschen Canova, een Deenschen Thorwaldsen tegenover

stellen kan.

In de schilderkunst hebben zij, overeenkomstig hunnen smaak, alleen

slechts eenige goede dier- en landschapschilders aan te wijzen. Ook

heeft het portretschilderen bij hen eenig geluk gehad. De dieren

die, zooals een Italiaan eens opmerkte, bij de Engelschen alle

mede in den hemel komen, hebben hunne Landseers bezield, en hunne

waterverf-schilders hebben veel talent getoond, in het schilderen van

eene pachtershut met een korenveld, of van een ouden molen en een in

het bosch verborgen kerktoren. Zulke bescheidene takken der kunst, als

het geliefkoosde "_watercolourpainting_," bloeien bij hen welig. De

grootste schilder, dien zij gehad hebben, Hogarth, leverde niets

idealisch, bijna niets dan karakterbeelden, die daarenboven dikwijls

zeer overladen waren en veel karrikatuur-achtigs hadden. Waar hunne

phantasie zich, als eene slingerplant, aan iets dat voor de hand lag,

aan iets wezenlijks, iets nuttigs, b.v. aan de natuur, aan de dieren,

aan uitdrukkingvolle gezichten kon aansluiten, daar gelukte haar

iets. Waar zij zich echter vrij, als een ballon in de lucht, verheffen

moest, daar verloor zij het evenwicht. Alle bloot phantastische

producten der Engelsche kunstenaars, hebben iets overdrevens of plomps.

Datzelfde laat zich ook van den bouwstijl hunner architecten

zeggen. Terwijl deze overal daar, waar voor eene nuttige

levens-behoefte gezorgd moest worden, bij voorbeeld in hunne

bekoorlijke _cottages_, de volkomenste doelmatigheid en eenvoudigheid

met den bevalligsten vorm en de liefelijkste elegance weten te

verbinden, is voor het overige hunne ornamentiek plomp en log. Alle

Engelsche praal-gebouwen van Wren, de beroemde St. Paulskerk, en ook

de nieuwe parlements gebouwen, missen naar het oordeel van kenners het

wezenlijk aesthetische, en alle publieke kunstmonumenten dezer groote

natie, met de standbeelden van hunne Koningen en van Wellington aan

het hoofd, maken een armzalig figuur.

Wanneer men nagaat wat zij in deze en andere schoone kunsten

voortgebracht hebben, wanneer men hen, waarvoor zij in den nieuweren

tijd eene zoo groote neiging opgevat hebben, zelf zingen en musiceeren

hoort, dan zou men het bijna betreuren, dat John Bull zich ooit met

deze zaken heeft ingelaten, en dat hij niet liever alleen voortgegaan

is, door zijn solide geld, door bezoldiging der talenten en den

aankoop der producten van _andere_ volken, den bloei der kunsten op

_zijne wijze_ te bevorderen.

Vele grootschere monumenten dan in metaal en marmer, die in den hun

klimaat eigen vochtigen nevel en in den steenkolendamp hunner steden

zoo gemakkelijk roesten en zwart worden, hebben de Engelschen in

eene lichtere stof, die echter Horatius _aere perennius_ (duurzamer

dan metaal) noemt, opgericht. Hunne taal en literatuur geven het

ondubbelzinnigste bewijs voor de kracht van hunnen geest. Ofschoon de

Engelsche taal niets minder dan eene oude taal is, veel meer in nog

hoogere mate dan het volk zelf, uit de bontste, vreemdste elementen

ontstond, zoo is zij toch eene der rijkst ontwikkelde en dichterlijkste

idiomen van het nieuwere Europa.

Men verwijt den Duitschers het opnemen van vreemde woorden, en vindt de

schoonheid hunner taal daardoor benadeeld. De Engelsche taal bestaat,

even als de Markuskerk in Venetië, bijna uit louter samengeroofde en

in elkander gevloeide Germaansche, Romeinsche, Grieksche, Fransche

en Celtische elementen, en toch heeft de energieke geest der natie,

deze elementen zoo versmolten en verwerkt, dat, even als bij de

Markus-kerk, een verwonderlijk fraai gebouw ontstaan is.

Zij imponeert ons door hare energie en kortheid, en door de

uitdrukking van mannelijkheid die aan ieder woord eigen is, en ook

bij hunne uitspraak aangetroffen wordt. Daar zij uit vele andere

talen en dialecten schepte, zoo heeft zij voor bijna ieder begrip

verschillende woorden, en is zij in staat, ter aanduiding der

fijne nuancen dezer begrippen, nu van den eenen dan van den anderen

taalschat te leenen. "Alles wat Duitschers, Franschen en Romeinen in

hunne talen kunnen uitdrukken, staat, om er bij gelegenheid gebruik

van te kunnen maken, nauwlijks ergens gelukkiger bij elkander dan in

het Engelsch woordenboek."

Daar de Engelsche taal ook tegenwoordig nog altijd voortgaat, zich

gemakkelijk vreemde uitdrukkingen toe te eigenen--zij bezit die, om zoo

te zeggen uit alle streken der Aarde--daar zij in hare woordvoeging

en in haren grammaticalen bouw zeer eenvoudig is, zoo schijnt zij

meer dan eenige andere taal geëigend eene wereldtaal te worden.

Inderdaad heeft zich ook in de laatste eeuw geene tweede taal

zoo over de Aarde verbreid als deze. Zij is de taal van groote,

nieuw ontstane beschaafde volken, aan de uiteinden van den aardbol

geworden. Zij heerscht op beide oceanen. Ook in Europa heeft geene

taal de vroeger hier algemeen heerschende Fransche taal meer afbreuk

gedaan, dan de Engelsche. Niet alleen zijn in den laatsten tijd eene

menigte Engelsche uitdrukkingen in alle Europeesche talen overgegaan,

maar de kennis der Engelsche taal is ook bijna algemeen op de scholen

en bij de opvoeding, een tak van het onderwijs geworden.

Even als de Engelschen in de _trans-oceanische_ wereld, de buitengewone

bloei hunner rijke literatuur te danken hebben aan hunne _zeevaarders_,

kooplieden en kolonisten, zoo hebben de Engelschen bij ons, deze

gunstige uitkomst aan hunne uitstekende dichters en schrijvers te

danken.--Ook deze literatuur is in hare verschillende takken weder eene

afspiegeling van den geest, die de natie bezielt. Zij is een prachtig

ontwikkelde boom, vol sappige, genietbare en _voedzame_ vruchten.

Maar de tuinier-schaar der kunst heeft aan dien boom weinig

gearbeid. Hij is tamelijk onregelmatig en geheel uit eigene

natuurkracht opgegroeid. Noch de dramatische, noch de lyrische

gedichten der Engelschen, hebben zich aan zoo strenge regelmaat

en vorm onderworpen, als die der Franschen en Italianen. "Vrij

en ongedwongen vliet de stroom hunner dichterlijke geestdrift,

zelfs op het gevaar af, de grenzen van den goeden smaak somwijlen te

overschrijden." Daarentegen waren zij gevrijwaard voor de kunstenarijen

en spelingen, waarin de vers-kunstenaars der Italianen, Spanjaarden

en andere Romanen zich zoo gemakkelijk verloren. In meer dan één

opzicht zijn de Engelschen natuurdichters. "Geen dichter heeft de

natuur onvervalschter in zich opgenomen en getrouwer voorgesteld,

geen het werkelijke leven, met meer vrijheid van geest en meer

oorspronkelijkheid, binnen den tooverkring der poëzie gevoerd,

dan de Engelsche Shakespeare, bij wien de innerlijke waarheid even

bewonderenswaardig is, als de diepte en de kracht van gevoel, en de

groote mate van phantasie, waarvan zijne werken overvloeien, ofschoon

hij zooals bijna alle Engelsche dichters, zeer ver verwijderd is van

hetgeen men klassieke correctheid en kunstsmaak noemt.

"Krachtig en vrij, als de geest en het vernuft van een Shakespeare en

andere Engelsche dichters, is ook de natie zelve. Fijne toespelingen,

zooals men in Frankrijk kent, worden in Engeland in het leven,

even als in de poëzie en in de literatuur bijna niet verstaan. De

Britten houden niet van sierlijke zwakheid. Hardheid, als zij van een

geestig hoofd uitgaat, vindt bij hen bijval. Veel, wat de Engelschen,

om de kracht die er in gelegen is, bewonderen, noemen de Franschen

plomp. En het oorspronkelijke, het vreemde, dat in het schoolsche,

correcte Frankrijk niet bevalt, maakt dikwijls in Engeland zijn

fortuin, zoowel in de literatuur, als in het dagelijksche leven."

De waarheidlievende Engelschen billijken het, wanneer men zich geeft

voor hetgeen men is; de Franschen en Duitschers verlangen bescheidene

zelfverloochening en schikking. De Engelschman stelt er somwijlen eene

eer in, bij zekere gelegenheden met een zekeren overmoed te toonen,

dat hij als een vrij man dicht, denkt en leeft, en dat het verwijt

van zonderlingheid en vreemdheid hem weinig schelen kan. Dezelfde

eigenaardigheden en belachelijkheden, die iemand in Engeland soms

tot het voorwerp eener algemeene opmerkzaamheid, tot een lieveling

bij het fashionable publiek en bij het hof gemaakt hebben, zouden

voldoende geweest zijn om hem in Frankrijk en in Duitschland, als

een gek uit alle goede gezelschappen te verbannen.

In Frankrijk dienen beleefdheid en voorkomendheid dikwijls

ter verontschuldiging van vele fouten en gebreken. In Engeland

staat de _waarheid_ zoo hoog aangeschreven, dat zelfs grofheid en

ongemanierdheid, als iets pikants, dikwijls in den smaak valt. Den

hoffelijken en voorkomenden mensch behandelen de Engelschen zelfs

met een zeker wantrouwen, den brutalen daarentegen dikwijls met

toegevendheid.

Als een krachtig, gezond en kernachtig volk met vrije

staats-instellingen, gevoelen de Engelschen zich aan de oude Grieken

en Romeinen verwant. Vandaar het verschijnsel, dat de oude classici

bij geen modern volk meer populair geworden zijn dan bij hen. De

geleerde Duitschers hebben wel die schrijvers der oudheid het beste

verklaard en geëmendeerd; de Franschen hebben zeer ijverig hunne

kunstscheppingen nagebootst, maar de Engelschen hebben Homerus,

Thucydides, Tacitus en Juvenalis het meest in vleesch en bloed

opgenomen. Reeds vroeg begonnen zij de werken dezer schrijvers te

vertalen, en ze in gemoderniseerden vorm, zelfs onder hunne nationale

schrijvers op te nemen. Zelfs den staatslieden en den redenaars in

het parlement, ja dezen minder dan anderen, vergeeft men niet, weinig

vertrouwelijk te zijn met de mannelijke, krachtige, frissche ouden,

waarmede de Engelschen intusschen toch slechts, om zoo te zeggen,

eenerzijds, namelijk bij voorkeur door karakter, verstand en politiek,

saamgegroeid zijn, en bij wie zij, zooals reeds aangemerkt is, wat

kunst en smaak betreft, zeer verre achter staan.

Het naastebij zijn zij hun gekomen door hunne staatsregeling en

door hunne daden, die de wereld deden dreunen, en op het gebied der

literatuur met hunne historici, bij wie reeds sedert de vroegste

tijden van het bestaan dezer literatuur, een bijzonder gezonden

zin, een opvallend duidelijke voorstelling en begrip te bespeuren

is. Even als zulks bij de Romeinen en Grieken het geval was, hebben

ook deze Engelsche historici bij voorkeur zich bezig gehouden

met de beschrijving der geschiedenis van hun eigen land. En van

alle _buitenlandsche_ geschiedenissen, hebben zij geene meer en

beter behandeld dan de Grieksche en de Romeinsche. En als in de

schilderkunst hun smaak viel op de karakterbeelden en het portret,

zoo ook hebben zij op het gebied der geschiedenis, dikwijls en met

voorkeur de biographie behandeld. Hunne historische literatuur is

overrijk aan uitstekende levensbeschrijvingen.

Maar hun historische zin, hunne voorliefde voor karakterschildering,

heeft als 't ware niet genoeg aan de werkelijkheid. Om aan dien zin te

voldoen, ontstond bij hen de verdichte geschiedenis, de _historische

roman_ en de _familie-roman_, beide om zoo te zeggen soorten van

wezenlijk Engelsche vinding. Er zijn volken, die in dit soort

van literatuur opvallend arm gebleven zijn. De _Engelschen_ echter

overtreffen _daarin_ allen. Hunne roman-schrijvers Fielding, Smollet,

Scott, Boz, Thackeray, hebben de wereld met hunne even leerrijke als

onderhoudende voortbrengselen overstroomd, en hebben nevens hunne

Shakespeare's, Gibbons en Macaulay's er het meeste toe bijgedragen,

om de Engelsche taal, de Engelsche zeden en beschouwingen in het

buitenland bekend en populair te maken. Men heeft ze in Duitschland

zoowel als in Italië, in Rusland zoowel als in Spanje ijverig gelezen

en nagevolgd.

Napoleon heeft de Engelschen voor een bekrompen kramersvolk

uitgescholden, maar dit was wel zeer ten onrechte. Wanneer zij

tot in hart en nieren kooplieden zijn, zij zijn toch ook door en

door poëtische naturen gebleven. Eenige hunner kooplieden hebben,

naast hunne lords, de eerste plaatsen op den Engelschen Parnassus

ingenomen. Ten bewijze daarvan herinner ik aan den in geestdrift

ontstoken schilder van Italië, den koopman Rogers, en aan den koenen

onderzoeker van Griekenlands geschiedenis, den Londenschen bankier

Grote. Niet weinig beroemde politici en staatslieden zijn uit hunne,

in ieder geval grootsche koopmanschap voortgekomen. Langen tijd

waren Britsche kooplieden de regenten van een der grootste rijken der

wereld, van geheel Engelsch-Indië. Een hunner handels-corporatiën,

de zoogenaamde Hudsons-Bay-Company, regeert nog heden het geheele

Noorden van Amerika. George Canning en Sir Robert Peel waren zonen

en kweekelingen van kooplieden.

De oude Romeinen, die zoo weinig aanleg voor den handel hadden,

dat zij zich bij hunne zaken meestal van de Grieken bedienden,

waren hartstochtelijke landbouwers. De Engelschen, die zoo'n groote

voorliefde hebben voor het aan de steden geketende handelsverkeer en de

in haar welig tierende industrie, hebben zich toch niet minder ijverig

dan de Romeinen toegelegd op de ontwikkeling van den grond, en op het

landleven. Bij al hunne voorliefde voor fabriek- en handelspeculatiën,

zijn zij toch tegelijk echte landbouwers, en verscheidene zaken in

hun karakter en hunne zeden laten zich uit hunne voorliefde voor

het landleven verklaren; zooals zich bij andere volken, vooral bij

de gezellige Franschen en moderne Italianen, vele eigenaardigheden

als _steedsche_ gewoonten en eigenschappen laten beschouwen. Van de

Engelschen kan men zeggen, dat zij in de steden alleen hunne zaken

doen, maar dat zij, als warme vrienden der natuur, op het land wonen

en het _leven genieten_. Geen volk vóór hen, heeft eene zoo innige

samensmelting van stad- en landleven gehad. Ook in dit opzicht zijn

wij begonnen hunne zeden na te volgen, en dat wij met onze familiën,

meer en meer uit de oude pakhuizen en magazijnen in de vrije natuur

gekomen zijn, is grootendeels eene verdienste en het werk van de ons

daarin voorgegane Engelschen. Al onze steden hebben sedert eene halve

eeuw eene hervorming ondergaan, aan welke de steden en de manier van

wonen der Engelschen tot model schijnen gediend te hebben.

De _practische_ landbouw staat nergens hooger dan in Engeland, en zij

is het voorbeeld en het model van den landbouwkundigen vooruitgang

voor geheel Europa geworden. "Zij hebben ieder landbouw-werktuig,

iederen ploeg, ieder tuinmes de doelmatigste gedaante gegeven."--Het

glanspunt hunner landhuishoudkunde is de veeteelt. Er valt nauwlijks

een nuttig dier te noemen, waarvan de aankweeking door hen niet met

voorliefde werd beproefd. Zij hebben de zoo ongeschikte en ruwe

dieren, het paard, het rund, het schaap, het hoen, de duif enz.,

zooals de natuur ze leverde, ter hand genomen en hebben ze door kunst,

om zoo te zeggen, zoo verwerkt, als het meest geschikt was voor het

doel, dat de menschen er zich mede voorstelden, en van Engeland uit,

worden voortdurend eene menigte dier veranderde rassen, over ons

geheel vasteland verspreid.

Van even grooten invloed zijn zij op onzen, met de landhuishoudkunde

nauw samenhangenden tuinbouw geweest. Vóór hen, werd deze kunst

hoofdzakelijk door de Italianen en Franschen, dat is, door stadsche

volken beoefend, en dien ten gevolge had zij iets stadsch,

iets architectonisch. Ik herinner slechts aan de Italiaansche

tuin-terrassen, aan de Fransche boom-_poorten_, loof-_pyramiden_ en

bladen-_wanden_. De Engelschen voerden de natuur in den tuin terug,

en bevrijdden de sierlijke gewassen van de pijnbank der tuin-messen

en scharen. Een Engelsch landschapschilder Kent was de schepper der

moderne tuinbouwkunst. Na hem namen de boomen, de koninklijke eiken,

de majestueuse linden en beuken der Engelsche parken, die natuurlijke

bevalligheid, die ongekunstelde schoonheid en vrijheid van wasdom

aan, die alleen een Engelsche tuinman aan de gewassen te geven of

te laten wist, en die met de zeden en de vrije instellingen van dit

krachtige volk in zoo groote harmonie staan. De Engelsche smaak

in het aanleggen van tuinen heeft zich in den laatsten tijd over

geheel Europa uitgebreid, en de Engelschen, wier vaderland op een

natuurlijken tuin gelijkt, zijn oorzaak, dat nu ook de vriendelijke

natuur met hare licht- en kleurenpracht, met hare Dryaden en Najaden,

in onze vroeger zoo sombere steden binnengedrongen is.

Er bestaat in Noordelijk Europa geen land, waarvan het zoo gematigde,

om zoo te zeggen neutrale klimaat, voor zoo velerlei soort van planten

zoo gunstig is, en waarheen het zoo gemakkelijk valt, de kinderen der

Flora uit het afgelegenste Zuiden, naast de planten van het hooge

Noorden te plaatsen. _Dien ten gevolge_--en ook ten gevolge zijner

uitgebreide connecties--is Engeland de stapelplaats van alle planten

der wereld, en voor ons Europeanen het land van aankomst en doortocht

dier planten geworden. Van daar uit worden onze broeikassen gevuld,

en er zijn weinige in den laatsten tijd beroemd geworden bloemen,

sierplanten of planten van nut, wier verbreidingsgeschiedenis door

Europa, ons niet naar de Engelsche tuinen en broeikassen, als tot hare

bron, terug voert.--Met de planten zijn ook Engelsche tuiniers, onder

wie vooral de Schotsche uitmunten, de wereld doorgetrokken. Men treft

ze tot in de verste deelen van Rusland en Amerika aan, en zelfs bij

ons staan zij dikwijls aan het hoofd van tuinbouw en bloemkweekerij.

Eene zoo eminente natie als de Engelschen, die door haar vast karakter,

hare macht, haren rijkdom, hare literatuur geheel Europa ontzag

inboezemde, moest ten slotte ook wel in andere minder wezenlijke zaken

geacht en nagevolgd worden, en zoo kwamen langzamerhand niet alleen

hare taal, hare dichtwerken, maar ook hare kleeding en keuken bij ons

in de mode, en in beiden is haar invloed een zeer weldadige geweest.

Even als bij andere zaken, zoo hebben de Engelsche ook bij hunne

kleeding altijd het doelmatige en tevens het nette voor oogen

gehad. Van oudsher zijn hunne nationale-kleederdrachten minder

sierlijk en prachtig, dan wel gemakkelijk en met het menschelijk

lichaam overeenkomende geweest. Hunne gemakkelijke overjassen,

hunne wijde, breedschouderige wandeljassen van solide stoffen, die

wij bijna algemeen aannamen, hebben ons ten deele uit de ketenen der

engsluitende Fransche kleeding bevrijd.

Er zijn volken in Europa, die _in het geheel_ geen of slechts een

_geringen_ invloed op de kleedij der bewoners van ons werelddeel gehad

hebben, zooals bijvoorbeeld de Duitschers, die nooit recht wisten,

hoe zij zich kleeden wilden of moesten. De Engelschen hebben na de

Franschen den meesten invloed op modezaken. Wij dragen verscheidene

kleedingstukken, die, zooals de "Macintosh," het "Spencer," hunne

namen aan Engelsche individuën ontleenden, die ze het eerst in zwang

brachten.

Denzelfden geest, hetzelfde streven naar het natuurlijke, naar het

substantieele en voedzame, die uit het wezen der Engelschen overal

tot ons spreken, ontmoeten wij ook in hunne keuken. Hier, even als in

de inspiratiën hunner Muzen, verwaarloozen zij den smaakvollen vorm,

maar letten zij des te meer op kracht van stof en goede hoedanigheid

van het voedingsmiddel.

De producten hunner kookkunst hebben geheel het solide en krachtige,

soms eenigzins kolossale, dat ook de scheppingen hunner bouwkunst

en men kan zeggen alle openbaringen van hunnen geest eigen is. Hunne

vleeschspijzen, die zij, om er maar weinig van de natuurlijke kracht

aan te onttrekken maar zeer kort aan den verterenden invloed van het

vuur blootstellen, is een soort heroën-kost, hun drank, bij voorbeeld

het porter-bier, is een vloeibaar voedsel.

In nieuweren tijd is ook van deze kracht en natuurlijkheid der

Engelsche kookkunst veel in onze keukens overgegaan, en misschien zou

het voor ons zeer heilzaam wezen, wanneer wij (met eenige beperking)

nog meer aan dien invloed toegaven.

Met deze opmerking ben ik dus, in eene vluchtige schets van den

Engelschen nationalen-geest, tot het laagste departement hunner

nationale huishouding, in keuken en kelder afgedaald. En ofschoon ik

den lezer nog door talrijke andere afdeelingen van een zoo uitvoerig

labyrinth, als het wezen van een onzer grootste ontwikkelde volken

aanbiedt, zou kunnen voeren, wil ik hiermede besluiten, en door

een achterdeur van dit souterrain, eene verdere uitweiding van dit

onuitputtelijk thema trachten te ontkomen.

Geschiedenis der Europeesche Volken · 第 26 / 62 题