DE NEDERLANDERS. [27]

Het geheele middelste gedeelte van het hoofd-lichaam van

het Europeesche schiereiland, bestaat met betrekking tot de

grondsgesteldheid, uit twee deelen, uit eene met bergen doorsnedene

Zuidelijke helft en uit eene ver uitgestrekte vlakte in het

Noorden. Deze Noord-Europeesche vlakte begint met een breed Oostelijk

uiteinde in Siberië en Rusland, gaat door Polen en Duitschland, terwijl

zij hoe langer zoo smaller wordt, en eindelijk in het Noorden van

Frankrijk en het Ardenner-woud ophoudt, waar zij zoo laag gelegen is,

dat zij gedeeltelijk zelfs onder het niveau der zee ligt.--Verscheidene

groote rivieren, de Rijn, de Maas, de Schelde stroomen naar deze

lage streken toe. Duitschers en Franschen hebben haar daarom den naam

"_Nederlanden_" gegeven, en deze naam is niet alleen in alle overige

Europeesche talen vertaald opgenomen "_Netherlands_," "_Pays-Bas_,"

"_Paeses-Baxos_," maar zelfs ook door de bewoners van het land, als

de nationale naam (zij noemen zich zelven "Nederlanders") aangenomen

geworden.

Bij den eersten aanblik schijnt het, dat de natuur weinig voor dit

land gedaan heeft. Natuurlijke bekoorlijkheden, zoogenaamde romantische

schoonheid bezit het niet. De deels zandige, deels moerassige vlakten,

strekken zich in groote eenvormigheid uit. Bijna al het vriendelijke,

dat het land nu bezit, is het door kunst en menschenhanden gegeven [28]

Nauwelijks scheen de, den choas ordenende schepping, hier geheel ten

einde gebracht te zijn geworden. De slijkerige grond en het water

vermengden zich nog zoo, dat men, zooals de Romein Tacitus zeide,

in de meeste gevallen nauwelijks durfde zeggen, of men vastland dan

wel water voor zich had, of dat, volgens een geestigen Nederlander,

den beroemden Hugo de Groot, "alle zaken die een land constitueeren,

in de Nederlanden slechts aangeduid, slechts bij wijze van schets

aanwezig schijnen te zijn."

Het _water_ slechts eene schets, zich verliezende in en vermengende

met zand en veen; niet, zooals in een bergland, in diep uitgegravene

vaarten besloten, of in stevig gebouwde zeeboezems verzameld. Het

_land_ ook slechts eene schets, nauwelijks boven het water uitkomende,

overal druipende, ten gevolge van overstroomingen [29] zelfs _de

hemel_ slechts eene schets, niet een schoon, scherp geteekend,

aetherisch gewelf, zooals in Italië, maar met nevelen en dampen

opgevuld en bijna altijd met wolken bedekt [30]. De mensch eerst

moest met scheppende hand in deze vormlooze massa ingrijpen, om er

een bewoonbaar vaderland uit te vormen. Ook eenige waarde hebbende en

den mensch welkome natuurvoortbrengselen kan men bijna niet opnoemen,

die het land van den beginne af in overvloed gehad heeft. Om van goud

en zilver en andere dergelijke kostbare zaken niet te spreken, die

sommige landen beroemd hebben gemaakt, heeft het zelfs geene streken,

waar men wouden of steengroeven aantreft, om door hout of bouwsteenen

of door metalen zich bij zijne naburen bemind te maken [31].

Alles, wat den menschen nuttig is en wat eene maatschappij, die rijk

aan behoeften is, vordert, moest hier eerst met moeite aangeplant of

uit de verte aangevoerd worden.

Ja! zelfs de havens voor de schepen, moesten de bewoners eerst

kunstmatig aanleggen. Want merkwaardig genoeg bezitten de Nederlanders,

die eene zoo groote rol in de handelswereld spelen zouden, nauwelijks

een of twee door de natuur eenigzins goed gevormde havens.--Ook in dit

opzicht, zijn zij van eersten af aan stiefmoederlijker bedeeld, dan de

meeste andere landen van Europa, en bezit het land niet dan zandige,

vlakke, bochtenlooze kusten, met ondiepe en gevaarlijke toegangen,

zonder bescherming of beschutting voor de vaartuigen.

Er gebeuren echter geen _wonderen_ in de geschiedenis. En wij ontdekken

daarom ook in de Nederlanden menige gunst en gave der natuur, die een

evenwicht vormen met die misdeelingen. De mensch ontwikkelt zich immers

even weinig dáár, waar de natuur geheel ondankbaar en karig _alles_

ontzeide, als dáár, waar zij welig _alles_ van zelf opleverde; het

best echter ontwikkelt zij zich daar, waar zij den hoogsten prijs

voor de grootste werkzaamheid uitloofde. En dit vooral was in de

Nederlanden het geval.

Zeer veel hebben de Nederlanders in de eerste plaats te danken aan

de omstandigheid, dat hun land het mondingsgebied der boven genoemde

rivieren vormt. Deze komen met kalmen loop, uit de berglanden, als

bevaarbare, breede kanalen het land binnen. Zij voeren den detritus

der hoogere streken, als vet slijk met zich mede [32], en vormen in de

Nederlanden, waar zij in de zee uitstroomen, eene delta, wier bodem,

als men hem tegen de elementen wist te beschermen, alle moeiten even

rijkelijk beloonde als Egypte, en vervolgens de schoonste weiden en

krachtigste kudden, en alle producten van land- en tuinbouw in de

grootste volkomenheid opleverde. De rivieren brengen tevens de waren

en voortbrengselen der hoogere streken van een groot, heerlijk,

en wel voorzien gedeelte van Europa mede, die hier een uitweg in

den Oceaan en een middel om aan het wereldverkeer deel te nemen,

zoeken. De rivieren verdeelen zich verder in verscheidene armen,

die als aderen door het geheele land heen loopen, en die, terwijl zij

overal zijne door de natuur of kunst gevormde kanalen spijzigen, in

alle hoeken des lands tot verkeer en scheepvaart uitnoodigen.--Reeds

als het natuurlijke mondingsland, als het hoofd en het doel, waarheen

Rijn, Maas en Schelde afsnellen, moet Nederland dus als een zeer

bevoorrecht land beschouwd worden.

Van even groot gewicht echter is het, dat de uitwatering dezer

rivieren juist plaats heeft op een punt welks geographische ligging,

ten gevolge der gedaante van het geheele Europeesche vastland, van

zeer groot belang is. Alle groote rivieren van het oostelijk Europa

aan gene zijde van den Rijn en de Elbe, de Donau, de Weichsel, de

Oder enz. verliezen zich in meer of minder geslotene of verborgene

zeebekkens. De rivieren der Nederlanden zijn in westelijke richting de

eerste, die den vrijen Oceaan bereiken, en wèl in de nabijheid van het

groote zee-kanaal, dat de Noordelijke en Zuidelijke zeeën van ons vaste

land verbindt. Hare mondingsgebieden (de Nederlanden) liggen juist op

de grenzen van het Noorden en het Zuiden van ons werelddeel, in het

midden der lange kusten van het Europeesche schiereiland. Het verkeer

en de onderlinge ruiling van Noord en Zuid, ontmoetten elkander hier

op het natuurlijkst. Het is deze zelfde gelukkige ligging, die aan

de andere zijde van dit kanaal (de Noordzee) ook Engeland en vooral

Londen groot gemaakt heeft.

Hieruit laat het zich gemakkelijk begrijpen, dat bij zoo groote

aansporing tot werkzaamheid, als de natuurlijke gesteldheid, naast al

het boven aangegeven gemis, den bewoners gaf, zich hier een degelijk

volk vormen moest. Merkwaardig genoeg hebben ook de omstandigheden

en gebeurtenissen, hier een menschengeslacht aangevoerd, dat reeds

van nature vele eigenschappen bezat, die wenschenswaardig waren,

zoowèl ter benutting der natuurlijke voordeelen, als ter overwinning

der natuurlijke hinderpalen dezer streken.--De ernstige, geduldige,

volhardende, praktische, vrijheidlievende stam der Neder-Duitschers,

die zich over de geheele Westelijke helft der Noord-Europeesche vlakte

uitbreidde, heeft ook alras het in vele opzichten belangrijkste stuk

dier vlakte, haar Westelijk uiteinde aan Schelde en Rijn, in bezit

genomen en heeft eenige zijner krachtigste takken daarheen verplant.

De Romeinen, wier schrijvers het eerste licht op de bevolking

der Nederlanden werpen, stieten hier op Germaansche volken [33],

die hun bijzonder dapper en flink toeschenen. Onder de vele namen,

die zij noemen, zijn die der "Friezen" en der "Batavieren" [34]

de voornaamste. Deze, die de Noordelijke helft der Nederlanden

bewoonden, worden door de Romeinen als zuivere, onvermengde Germanen

aangegeven. Van de Batavieren hoorden zij, dat die van de landstreken

aan den Wezer afkomstig waren [35]. In de Zuidelijke helft van

het land echter, vonden reeds de Romeinen zulk eene vermenging van

Germaansche en Celtische stammen, als wij daar nu nog aantreffen,

en die den ouden naam "Belgen" behouden hebben.

Waarschijnlijk streden dus de Celten (de bewoners van Frankrijk) en de

Germanen, reeds _lang_ voor den tijd der Romeinen om de heerschappij

over het land. En ook lang na hen, tot op den nieuweren tijd toe, is

deze strijd voortgezet, zoodat men schier de geheele ethnographische

geschiedenis der Nederlanden als een, nu en dan afgebroken, strijd

tusschen Germanen en Celto-Romanen, om het bezit der zoo gewichtige

mondingen van Schelde en Rijn beschouwen kan.--Het is een strijd,

die wel vele wisselvalligheden heeft, maar waarbij toch meestal het

beste, wat in die streken verricht werd, van Germaansche zijde uitging.

Het eerst verschaften de Romeinen de overhand aan het Zuiden. Zij

maakten het Zuidelijk gedeelte der Nederlanden tot eene Romeinsche

provincie, en dwongen zelfs de dappere Batavieren en de vrije Friezen,

ten Noorden van den Rijn, door kracht van wapenen en staatkunde,

tot een bondgenootschap [36].--Even als later Napoleon, gebruikten

zij de Nederlanden en de monden van den Rijn, als operatie-basis

tegen Noordelijk-Duitschland. Maar zij hadden daar de opstanden der

vrijheidlievende bevolking onder den beroemden Batavier Claudius

Civilis te bestrijden, die in zeer veel opzichten overeenkwamen met

den lateren opstand en oorlog der Hollanders onder Willem van Oranje

tegen de Spanjaarden.

De Romeinen, die het kanaal- en dijkwezen, in het Nijl-dal hadden

leeren kennen, hebben, naar men meent, deze kunsten, die later door

de landskinderen zulk eene hooge mate van volkomenheid bereikten,

het eerst in de Nederlanden ingevoerd [37].

Op den terugtocht der Romeinen volgde in de Nederlanden, even als

overal, een overwicht van het Duitsche ras. Uit dezelfde streken,

waaruit aan de Nederlanden hunne eerste Germaansche bevolking

toegestroomd was, van den Wezer en van den midden-Rijn, uit het land

der Katten en Brukteren, kwam een nieuw Duitsch volk, de zoogenaamde

Salische Franken, dat de Friezen, de Batavieren en de andere Duitsche

stammen der Nederlanden van het juk der Romeinen bevrijdde en ze in

eene Duitsche monarchie, de Frankische, vereenigde.--Deze "Franken"

zelven waren, even als de oude Batavieren, oorspronkelijk een

Nederduitsch volk-mengsel. Zij smolten gemakkelijk met de inboorlingen

samen, en brachten de oude Germaansche wetten en zeden van dezen,

die met hunne eigene overeenstemden, weder in zwang. Even als de

Romeinen tegen Noord-Duitschland, zoo maakten nu de Franken bij hunne

voorwaartsche bewegingen naar het Zuiden, tegen Gallië, de Nederlanden

tot hunne operatie-basis.

Men kan de stichting der groote Frankische monarchie in Frankrijk, als

van de Nederlanden uitgegaan, in zekeren zin als eene Nederlandsche

verovering beschouwen. Merwig, de stichter van het Merowingische

Koningsgeslacht, is een Nederlandsche naam, zooals ook de naam der

zoogenaamde Salische Franken in de Nederlanden (aan den "Isala")

te huis behoort. "Heristall"--"Landen" zijn Nederlandsche plaatsen,

waaraan Pepijn van Heristall en Pepijn van Landen, de stichters der

Karolingische dynastie, hunne namen ontleend hebben, zooals dan ook de

Koningen van dit geslacht, zelfs Karel de Groote, hunne residentiën en

hunne huis- en familiegoederen in of nabij de Nederlanden bezaten.--In

het Frankische tijdperk werd de grond tot den tegenwoordigen toestand

en geest der Duitsche Nederlanden gelegd. Duitsche grondbevolking

verspreidde zich langs de zijtakken der Schelde tot diep in het

Gallische gebied en langs de kusten tot naar Calais toe. In dien

tijd heeft zich de eenheid der Germaansche taal gevormd, die de

inboorlingen nu met de woorden "Neder-Duitsch" bestempelen, en die

men nu in twee, zeer weinig van elkander verschillende deelen,

den Vlaamschen en den Hollandschen tak, splitsen kan, alsook de

volkssoort uit eene versmelting der oude Batavieren met de Franken,

Friezen en Neder-Saksers.

De germaniseering van het land onder de Franken, ging echter slechts

zoo ver, als het eigenlijke vlak- of Nederland reikte. Zij stootte

haar hoofd aan de wouden en bergen der Ardennen. In deze Ardennen,

in hare rotskloven en in de diep ingesnedene rivierdalen der Sambre

en Midden-Maas bleef een gedeelte der door de Romeinen geromaniseerde

Celtische bevolking bestaan, het volk der zoogenaamde "Walen", die wel

meestal in de politieke lotgevallen hunner Duitsche naburen deelden en

van hen menigen wijzigenden invloed erlangden, maar zich in hoofdzaak

nog altijd als een Romano-Gallisch volk van bijzonderen aard en

eigenaardige zeden vertoonen; zij hebben een gedrongen, middelmatigen

lichaamsbouw, zwart hoofdhaar, zijn levendiger en bewegelijker, maar

minder gestadig dan de Duitsche Nederlanders en bezitten eene taal,

die slechts eene onderafdeeling van het dialect van Noord-Frankrijk is.

Deze Walen, van wie de Vlamingen het oude spreekwoord hadden: "_wat

Walsch is, valsch is_," of van wie zij ook wel zeggen: "_de Vlamingen

mogen den Walschman met zout noch smout_," hebben meermalen storend op

de ontwikkeling der Nederlanden gewerkt, en het zou voor hen heilzaam

geweest zijn, als zij dezen vreemdsoortigen druppel hadden kunnen

kwijt raken. Tijdens de kerkhervorming waren zij de steunpilaren

van het katholicisme, en hielpen zij de Jezuïten de hervorming in

het Zuidelijke gedeelte der Duitsche Nederlanden tegenwerken. De

Waalsche regimenten hebben zich, in Spaanschen en Oostenrijkschen

dienst, op eene den Noord-Duitschers zeer onwelkome wijze, beroemd

gemaakt. Ook in den nieuweren tijd waren het hoofdzakelijk weder

de Walen, die als aanvoerders de toestanden der Belgische zaken op

Fransche leest schoeiden, en die daar met de leiders der Vlaamsche

of Duitsche beweging streden en nu nog strijden, ten behoeve van

Fransche taal en zeden. [38]

Even als de groepeering van de beide hoofd-massa's der bevolking van de

Nederlanden, zoo stammen ook uit dien Frankischen, en vooral uit den

Karolingischen tijd, de nu nog bestaande vele onder-afdeelingen van

het land, af. De Koningen der Franschen plaatsten aan het hoofd van

verscheidene districten, Stadhouders en Graven, wier betrekkingen

weldra in de door hen gegrondveste Vorstengeslachten erfelijk

werden. Op deze wijze ontstonden de graafschappen Vlaanderen en

Holland, de hertogdommen Brabant en Gelre, zoo ook het bisdom Luik, het

aartsbisdom Utrecht en al die andere kleine, merkwaardige landjes, die

nog heden als provinciën der Koningrijken Nederland en België bestaan.

Ten tijde van den bloei der Duitsche macht, onder de Saksische en

Hohenstaufische Keizers, waren bijna al die Nederlandsche Vorsten

vazallen van het Duitsche Rijk, maakten er op dezelfde wijze

een deel van uit als Schwaben of Saksen, en werden onder den naam

Neder-Lotharingen samengevat. Ook namen toen alle Nederlanders deel

aan alles, wat het Duitsche volk aanging. Graven van Holland trokken

onder de banier der Duitsche Keizers naar het Heilige land, en Hertogen

van Brabant worden in de geschiedenis der Duitsche literatuur, onder

de Duitsche minnezangers genoemd.

Gedurende de geheele middel-eeuwen, traden de _Zuidelijke- of

Belgische Nederlanden_ het meest op den voorgrond. Van de Noordelijke

Nederlanders was toen weinig sprake. Vooral de aan de zeekust wonende,

dappere, manhaftige Vlaanderen of Vlamingen stonden aan het hoofd. Aan

hen is daarom ook de volksnaam voor alle Zuidelijke Nederlanden van

Duitschen stam ontleend.--De Vlaamsche steden Gent, Brugge en andere,

werden vroegtijdig door den handel rijk aan volk en goed. Bij hen

begonnen handwerken en kunsten zulk een hoogen trap van bloei te

bereiken, als buiten Italië, toen in geen ander land yan Europa

aangetroffen werd. In hunne oorlogen met de Koningen van Frankrijk,

brachten zij legers op de been die zoo talrijk waren, en leverden

zij hun overwinnende veldslagen, die zoo bloedig waren, dat men met

recht over zulke reusachtige krachtsinspanning verbaasd staat, en

dat zelfs de in den slag der gouden sporen en andere ontmoetingen,

door hen dikwijls geslagen Koning van Frankrijk, Filips de Schoone,

eens uitriep: "dat het scheen alsof het in dat kleine Vlaanderen

krijgslieden spuwde en regende."

De Graven van Vlaanderen behoorden tot de aanzienlijkste en rijkste

Vorsten van Europa. Zij, zooals alle Belgische Nederlanders, speelden

eene groote rol in die merkwaardige expeditiën der Europeanen, die

men kruistochten noemt. Godfried van Bouillon en de eerste Koningen

van Jeruzalem waren Belgen van geboorte, en een Graaf van Vlaanderen

zette zich in Constantinopel de Keizerskroon op het hoofd.

Toen met het verval zijner macht, het Duitsche Keizerrijk ook

zijn invloed en zijne bezittingen aan gene zijde der Jura en der

Vogesen langzamerhand verloor, verhief zich hier, onder den zoon

van den Koning van Frankrijk, het huis der Hertogen van Bourgondië,

dat zoo gelukkig was, deels door huwelijken en erfenissen, deels

door veroveringen in den loop der 15de eeuw, alle Nederlandsche

landschappen, tot aan de grenzen van Oost-Friesland, te verkrijgen

en tot één grooten staat te vereenigen.--Het was sedert de tijden

der Merowingers voor den eersten keer, dat alle Nederlanden onder

één Vorst, de hoofdkern en het gewichtigste deel van een opkomend

rijk vormden.--De Bourgondische Hertogen waren, tengevolge van hunnen

Franschen oorspong, de Fransche taal en Fransche zeden zeer genegen,

en hunne heerschappij heeft het meest er toe bijgedragen, om beiden

in de Zuidelijke Nederlanden ingang te doen vinden, vooral bij den

adel en de Vorsten van het land, ofschoon het volk zich nog dikwijls

en lang daar tegen verzette, en zich het gebruik zijner Neder-Duitsche

taal, in openbare verhandelingen liet verzekeren.

Al de, toen 16, Nederlandsche provinciën, werden wel door Keizer

Maximiliaan I, aan wien ze door zijne gemalin Maria van Bourgondië,

na het uitsterven van den Bourgondischen mannelijken stam, toevielen,

onder den naam "_Bourgondische Kreits_," weder met het Duitsche rijk

verbonden [39], maar deze verbinding bestond eigenlijk slechts in naam

en was tijdelijk. Want reeds de kleinzoon van dien Duitschen Keizer,

Karel V, vereenigde ze 40 jaren later, als een, zooals hij zeide,

voor eeuwig onscheidbaar land, met de kroon van Spanje. Onder dezen

Keizer, die een geboren Nederlander was [40], die met voorliefde de

Nederlandsche taal sprak, en dien daarom de Nederlanders nog heden

met trots een hunner grootste landslieden noemen en in zekeren zin

als een Belgisch Vorst beschouwen, ("als een der schoonste paarlen,"

zooals een patriotisch geschiedschrijver uitdrukt, aan den krans

van Belgiës roem)--onder dezen Karel V, zeg ik, en ten deele ook nog

onder zijn zoon Filips II, bleven alle Nederlanders, even als onder de

Hertogen van Bourgondië, onder ééne macht vereenigd.--De duur dezer

vereeniging omvat eene tijdruimte van ongeveer 150 jaren [41]. Het

was het tijdperk van den hoogsten bloei in het vereenigde land.

Toen was in de Zuidelijke Nederlanden, het eerst, gedurende den

Bourgondischen tijd in Brugge, later gedurende den Spaanschen tijd

in Antwerpen, de wereldhandel op dezelfde wijze geconcentreerd,

als hij het nu in Londen is. Daar waren ook de fabriceerende

Manchesters van het toenmalige Europa.--Er waren in België steden,

als Yperen, die nu nauwelijks meer genoemd worden, waarin gedurende

den Bourgondischen tijd 200.000 handwerkslieden en kunstenaars

aangetroffen werden. Niet minder telde men in de stad Leuven. Gent

alleen bezat 40,000 weefstoelen. De stad Damme, nu een dorp, was toen

zoo sterk, dat Koning Karel VI van Frankrijk, die haar belegerde,

daartoe te vergeefs een leger van 80,000 man aanwendde.--De burgers

dezer Vlaamsche steden spreidden een zoo groote pracht ten toon,

dat eene Koningin van Frankrijk, (Johanna, gemalin van Filips den

Schoone), toen zij eens naar Brugge kwam, verwonderd uitriep, dat

zij gedacht had hier de eenige Koningin te zijn, maar dat zij door de

burgervrouwen der stad zich als door honderd Koninginnen omgeven vond;

en toen later de Spaansche soldaten, dit land en zijne zich dicht bij

elkander bevindende plaatsen, te zien kregen, meenden zij en berichtten

zulks naar Spanje, dat geheel Nederland ééne enkele stad was.

Toen werden ook door de Vlaamsche Nederlanders, eenige der voornaamste

en voor de Europeesche beschaving meest belangrijke uitvindingen gedaan

of over de wereld verbreid. Laken- en tapijtweverijen vooral, bloeiden

nergens zoo sterk als daar, en hebben zich van de Nederlanden naar

Duitschland, Frankrijk en Engeland verbreid. De kunst, allerlei figuren

in het lijnwaad te weven, heeft in Vlaanderen haren oorsprong gehad.

De Brabantsche kant-fabricatie, was een geheel eigenaardige tak

van industrie der Nederlanders, waarin nog geen ander volk het hun

afgewonnen heeft, en met wier kostbare en smaakvolle producten zij,

sedert het Bourgondische tijdvak, de schoonen van alle landen der

wereld versierd hebben.--Lodewijk Berken uit Brugge [42], vond de kunst

uit, de diamanten op ijzeren platen met hun eigen stof te slijpen.--Ook

de steenkolen, eene stof, die tegenwoordig eene zoo groote rol in

de wereld speelt, zijn door de Nederlanders het eerst ontdekt [43],

gegraven en gebruikt, en de Vlaming Willem Beukelszoon, heeft door

zijne uitvinding van het haringkaken, de nu in alle Europeesche

huishoudingen zooveel gebruikte haringen, het eerst tot algemeen nut

gemaakt, en aan de haringvisscherijen haar, zelfs in de politiek niet

te miskennen, gewicht gegeven.--Door Vlaamsche kooplieden werden de in

Italië uitgedachte wissels het eerst in den Noord-Europeeschen handel

ingevoerd.--Zij hadden reeds in het begin der 14de eeuw _kamers van

verzekering_, de _eerste_ die in Europa ontstonden [44]. Ook moet de

handels "beurs" van eene Vlaamsche familie, de heeren "van Beurse",

in wier huis de handelsheeren van Brugge hunne bijeenkomsten hielden,

haren overal in Europa in zwang zijnden naam ontvangen hebben.

Uit de bronnen van den rijkdom des lands ontsprong een opgewekt leven

op het gebied der kunst. De fraaiste kerken verhieven zich op den

bodem des lands. De bouwkunst, de schilderkunst, de muziek hebben

aan de Schelde en aan den Neder-Rijn een hunner voornaamste wiegen en

zetels gehad.--De Hertogen van Bourgondië, die toen gedurende eenigen

tijd de Europeesche mode beheerschten, die in de 15de eeuw den toon

gaven in alles wat kleederdracht, kunst en industrie betrof, waren

ook groote liefhebbers der muziek, die gedurende hunne heerschappij

door de Vlaamsche Belgen met meer succès dan door andere natiën

beoefend werd [45]. Het waren Neder-Duitsche of Vlaamsche Belgen,

die in Frankrijk en Italië de muziek als eene wetenschap invoerden,

en als kapelmeesters aan de hoven der Koningen, zelfs aan het hof der

zoo ver van hun land verwijderde Vorsten van Arragon schitterden.--Jan

van Eyk, een tijdgenoot van den Bourgondischen Hertog Filips den Goede,

een der grootste schilders uit de oudere Vlaamsche school, vond het

schilderen met olieverf uit of voerde die kunst ten minste algemeen

in, en gaf daardoor aan de kleuren, die men vroeger met gomwater,

eiwit of was aanmengde, dien frisschen gloed, dien wij nu niet gaarne

bij haar zouden ontberen. Ook verbeterde hij de kunst om op glas te

schilderen in die mate, dat zij eene geheel nieuwe kunst werd [46].

Even als in de, in de steden te huis behoorende, kunsten en handwerken,

bereikten de Nederlanders ook reeds vroeg eene groote volkomenheid

in den landbouw en werden daarin reeds in de 12de eeuw zoo beroemd,

dat men hen dikwijls naar vreemde landen riep. Ten gevolge van de

oorspronkelijke natuur van hun land, werden zij vooral zeer bekwaam

in het bruikbaar maken van waterige of moerassige landstreken. Het

ontbrak in hun stormachtig en door partijschappen verdeeld land nooit

aan vervolgde en onderdrukte klassen der maatschappij, die gaarne zulke

uitnoodigingen naar het buitenland aannamen.--Reeds in de meergemelde

12de eeuw, gingen Hollanders, Zeeuwen en Vlamingen in grooten getale

naar de Havel en de Spree. Hunne kolonisten namen een groot deel van

de tegenwoordige Pruissische Altmark in bezit, waar zij Tangermünde,

Seehausen, Stendal, en andere steden stichtten [47]. Ook zouden door

hen Keulen aan de Spree en andere gedeelten van Berlijn, gebouwd

zijn.--Van grooten invloed waren deze Nederduitsche kolonisten op de

lage streken aan de Eems, Wezer en Elbe. Men kan zeggen dat de geheele

Noord-Duitsche vlakte tot aan Pommeren en Kopenhagen toe met hunne

nederzettingen doorweefd werd. Vele der Noord-Duitsche broeklanden

brachten zij tot den bloei, waarin wij ze nog heden ten dage zien. In

het Noord-Duitsche dijk- en kanaalwezen, in de Noord-Duitsche veen-

en turfkoloniën, hebben de Duitschers zich hen tot model gekozen. Bij

den Noord-Duitschen weg- en waterbouw, zijn zij in den nieuweren

tijd nagevolgd en heeft men zich van hunne hulp bediend.--Toen de

Spanjaarden de vrijheid en levenskracht der Zuidelijke Nederlanders

braken, ging een groot deel hunner fabrikanten en handwerkslieden

naar Engeland, waarheen zij hunne kunsten en handwerken overbrachten,

en eerst van dien tijd af begon Engeland in stede der Nederlanden,

aan het hoofd der Europeesche industrie te staan. Meermalen zijn de

Engelschen de scholieren en leerlingen der Nederlanders geweest.

De, tot op den Spaanschen tijd, staatkundig vereenigde

Nederlandsche volksstam werd tengevolge der Kerkhervorming, in eene

Zuidelijke of Belgische, en eene Noordelijke of Hollandsche helft

gesplitst.--Aanvankelijk schenen alle Nederlanders van Duitschen

stam, uit oude sympathie, de van hunne Noord-Duitsche naburen en

broeders uitgaande beweging te willen volgen. Ook in Vlaanderen

en Brabant werden, evenals in Holland en Friesland ten tijde van

Luther, de beelden op zij gezet en de godsdienst gezuiverd; maar de

Koning van Spanje herstelde, met behulp der Walen en een deel van den

geromaniseerden adel, zijne macht en die van den Paus in de Zuidelijke

provinciën. Na dien tijd bleven deze ook onder de, den Spanjaarden

opvolgende Oostenrijkers, de Romeinsche wereld toegedaan, en van

hunne Neder-Duitsche broeders in het Noorden, die hunne kerkhervorming

doorzetten en hunne vrijheid handhaafden, afkeerig.

Aanzienlijke gedeelten van het oude land van Vlaanderen, werden in

de bloedige oorlogen, die Lodewijk XIV om hun bezit vernieuwde,

zelfs geheel van de Nederlanden gescheiden, van het Germaansche

lichaam losgemaakt en onder Fransche heerschappij bijna geheel

verfranscht. Maar ook de rest der Zuidelijke, zoogenaamde Spaansche

of Oostenrijksche Nederlanden, werd nu in hoogere mate dan in het

Bourgondische tijdperk geschied was, in het net van Fransche taal en

zeden getrokken, gedeeltelijk ten gevolge der vrijwillige bewondering,

die de bloeiende literatuur en kunst hunner hierin uitmuntende

naburen hun afdwong, gedeeltelijk tengevolge van het veelvuldige

verkeer met de Fransche ambtenaren en legers, die het geheele land

herhaalde malen veroverden en op Fransche leest schoeiden, zooals

b.v. in den Oostenrijkschen successie-oorlog van 1744 tot 1748,

en later weder eens ten tijde van Napoleon van 1794 tot 1814.

Sedert dien tijd is het Zuidelijke Nederland of België weder bijna in

dezelfde mate geromaniseerd als ten tijde der oude Romeinen zelven. In

geloofszaken ontvangt het de bevelen van Rome. Zijn wetboek is het door

den Gallischen Imperator gegeven Code. De hoogere en beschaafde standen

van het volk bedienen zich in den regel van de Fransche taal, die ook

de taal der wetgeving, van het parlement en der gerechtshoven geworden

is.--In het karakter van de hoofdmassa des volks, vertoonen zich wel

overwegend de eigenaardigheden van den Germaanschen Nederlander, maar

ook bij hen merkt men een sterke Fransche tint op. Een Engelschman

zegt van de hedendaagsche Belgen: "zij hebben het oppervlakkige van

den Franschman maar niet het bevallige;--den trots en de bigotterie

van den Spanjaard maar niet de ridderlijkheid;--het uiterlijke gebrek

aan vormen van den Duitscher, maar niet de trouwhartigheid."--Wanneer

men de scherpe kanten van dat te harde oordeel wat afrondt, verkrijgt

men misschien een goed portret der Belgen [48].

Het Nederlandsch-Vlaamsche Duitsch, waarin vroeger zooveel groots

gewrocht werd, en dat het volk, zooals aangemerkt is, eens zelfs zoo

lief was, dat zijne Koningen het leeren en spreken moesten, daalde tot

eene illiterarische boerentaal af, waarin alleen nog de Brabantsche

kantwerksters hare oude liederen zongen. Tot hare herleving is echter

in den nieuwsten tijd eene kleine schaar, voor al wat Germaansch

is in geestdrift ontstokene Vlaamsche patriotten, opgestaan, die nu

weder met de Nederlanders het algemeen Nederlandsche volkslied zingen:

Wien Neerlandsch bloed door de adren vloeit,

Van vreemde smetten vrij,

Wiens hart voor land en Koning gloeit

Verheff' den zang als wij.

Hij stell', met ons vereend van zin,

Met onbeklemde borst,

Het Godgevallig feestlied in

Voor Vaderland en Vorst.

en die zelfs ook met de Duitschers, in den lof op de "_Brüdertreue

aller Deutschen Stämme_" en "_des groszen Vaterlandes_" instemmen,

zooals de Vlaamsche patriotten dat, op het groote Vlaamsch-Duitsche

zangersfeest te Brussel in het jaar 1846 gedaan hebben [49].

Tegenover het, op gezegde wijze door de Spanjaarden en Franschen

in Zuid-Nederland zegevierende Romanendom, stonden in het einde

der 16de eeuw de Hollanders onder hunnen Prins van Oranje op,

even als vroeger hunne voorvaderen, de Batavieren, onder Claudius

Civilis. Het is zeer opmerkingswaardig, dat de Romeinen reeds bij

die oude Batavieren menige eigenschap prezen, waarom nog heden ten

dage de Nederlanders geprezen worden [50]. Zij schenen hun zeer

achtenswaardige menschen toe, van meer passieven dan actieven moed,

die zich tot eene dappere verdediging hunner grenzen en hunner

vrijheid bepaalden. In een vijftigjarigen [51], met afwisselend

geluk gevoerden oorlog tegen de Spanjaarden, de toenmalige heeren

der wereld, waarin zij zegevierend hunne onafhankelijkheid bewaarden,

bewezen de nakomelingen dier Batavieren, hoe sterk de patriottische,

dezen edelen Neder-Duitschen stam aangeborene, vrijheidsliefde is.--De

geheele heerlijkheid en kracht van dezen stam vertoonde zich nu in even

heerlijke bloesems en vruchten, als eens in het oude Vlaanderen in den

strijd tegen Frankrijk. Al het echt Nederlandsche verzamelde zich onder

de vanen der Hollanders. De Vlaamsche dichters en vrijheidsmannen,

hunne geleerden, hunne kooplieden en de kapitalen van deze laatsten,

vluchtten van Gent, Brugge en Antwerpen naar het Noorden, dat nu de

opvolger van het Zuiden werd. De Hollanders werden nu (nadat zij den

Spanjaarden en Portugeezen een groot deel hunner koloniën afgenomen

hadden), wat hunne Zuidelijke broeders, de Vlamingen, vroeger geweest

waren, "de handelaars en scheepvaarders van Europa", en maakten hun

land tot het groote magazijn van het werelddeel. Men kan zeggen,

dat de handels-aangelegenheden driemalen in handen der Nederlanders

geweest zijn: eens in de 14de en 15de eeuw, het Bourgondische tijdperk,

binnen Gent en Brugge; een tweede maal in de 16de eeuw onder Karel V

en Filips II te Antwerpen; een derde maal in de 17de en 18de eeuw,

in het op palen in een moeras gebouwde Amsterdam.

De Hollanders staken de banier der onafhankelijkheid niet alleen

voor zich zelven op, zij lieten veeleer de vrijheidskleur hoog door

geheel Europa wapperen. Alle door despoten vervolgden vluchtten (even

als eens de Venetianen naar de Lagunen de wijk namen voor Attila)

onder de machtige bescherming der Hollandsche moerasbewoners. Evenals

hunne eigene landgenooten uit Antwerpen en Brabant, zoo namen zij ook

de door dezelfde harde Koninklijke decreten gedrukte Israëlieten uit

Portugal en Spanje op, die sedert eene zeer belangrijke kolonie onder

hen gesticht hebben. De dertigjarige oorlog bracht hun ook grooten

toevloed van krachten uit het toenmaals zoo ongelukkige Duitschland. En

toen Lodewijk XIV in Frankrijk het edict van Nantes ophief, stroomde

eene zoo groote menigte Fransche protestanten, kunstenaars en geleerden

naar Holland, dat deze immigratie zelfs een weinig het Duitschdom der

Hollanders schaadde, en het Fransche wezen bij hen het burgerrecht

verkreeg. Vele beroemde Fransche geleerden en aanzienlijke mannen,

vonden bescherming en erkenning hunner verdiensten bij hen. Een der

grootste Fransche denkers, Des Cartes, schreef te midden der Hollanders

zijne scherpzinnige en door de wereld bewonderde werken, die zijn

naam onsterfelijk gemaakt hebben [52].--Ook de godsdienst-onlusten

in Engeland dreven talrijke vervolgden naar Holland, en van hier uit

en met Hollandsche schepen zeilden die Engelsche pelgrims uit, die de

merkwaardige staten van Nieuw-Engeland in Amerika stichtten. Zelfs de

grondvesting der nieuwe vrijheid in Oud-Engeland, kwam niet zonder

medewerking der Hollanders tot stand. Het was een Hollander van

geboorte en van karakter, Willem III, die met Hollandsche troepen aan

de willekeur der Stuarts een einde maakte, en aan wien de Engelschen

hunne "revolution", de eindelijke vaststelling hunner kerkelijke en

staatkundige vrijheid, te danken hebben.

Zoo kan men dus zeggen, dat de Nederlanders dikwijls, vooral echter

tweemaal, de voorvechters der politieke onafhankelijkheid voor geheel

Europa geweest zijn, eens in oude tijden onder de Vlamingen, wien de

eer toekomt, reeds in de midden-eeuwen den grondslag tot de burgerlijke

en stedelijke vrijheid in Noordelijk Europa gelegd te hebben; en

een tweede maal onder de Hollanders, wier vrijheidsoorlogen tegen de

Spanjaarden en later tegen Lodewijk XIV, zooveel overeenkomst hebben

met de oorlogen der Vlamingen tegen de oude Koningen van Frankrijk.

De inrichtingen, die de Hollanders ter bewaring hunner herkregene

vrijheid, in het leven riepen, gingen uit van een bewonderenswaardigen

geest van orde en omzichtigheid. Niet alleen was hunne vloot, toen

ter tijd, een der best georganiseerde, maar ook, wat men van een

handels- en zeevolk niet verwachten zou, in de kunst landtroepen te

werven, discipline onder hen te brengen en te bewaren, werden zij een

voorbeeld voor andere volken.--Hunne verstandige opwekkingen, hunne

punctueele uitbetaling der soldij, verschafte hun de beste officieren

en soldaten. Zij verwierven zich den roem, ook in militaire zaken, het

eerst eene goede orde gebracht te hebben.--De organisatie hunner zee-

en landmacht was zoo voorbeeldig, dat Christiaan V van Denemarken,

Gustaaf Adolf van Zweden en andere Koningen, vele grondstellingen

over krijgs- en legerzaken van de Hollanders overnamen. Zelfs Peter de

Groote, de groote despoot van het Noorden, begaf zich, opgetogen van

bewondering over dit vrije volk, naar de Hollanders, om hun leerling

te worden; hij riep ze vervolgens naar zijn land, om met hunne hulp

zijne vloot en zijne nieuwe residentie te bouwen.

In andere zaken, vooral in hunne financieele- en handelsinrichtingen,

hadden zij reeds lang vóór dien grooten Czaar, vreemde Koningen en

staatslieden ten voorbeeld gediend. Reeds Hendrik IV van Frankrijk

was een bewonderaar der Hollanders geweest, en zijn groote minister

Sully had hen bij zijn weg-, kanaal- en havenbouw, en bij zijne andere

inrichtingen en hervormingen in Frankrijk dikwijls, even als later

Peter de Groote, te hulp geroepen.

Men heeft de Nederlanders, wat betreft hunne orde op hunne zaken,

met het oog op hunne handels-grondbeginselen, hunne militaire-

en maritieme inrichtingen, en in menig ander punt, dikwijls met de

Karthagers vergeleken. Zoo heeft men onder anderen opgemerkt, dat de

Hollanders naast de Karthagers, het eenige volk in de geschiedenis

geweest zijn, waaronder rijkdommen hunne gewone uitwerking, om eens

weelde, verkwisting en verval van zeden te bewerken, niet gehad

hebben. Een geest van spaarzaamheid, onthouding en bedachtzaamheid,

is den Hollanders steeds eigen gebleven, zelfs toen zij de heeren

van een groot deel van Indië waren, even als die geest den Karthagers

steeds eigen gebleven is, zelfs toen hun uit de bergwerken van Spanje,

de edele metalen bij massa's toevloeiden.

Met betrekking tot hetgeen zij op het gebied van kunsten en

wetenschappen geleverd hebben, staan de Hollanders echter ver boven

die oude Puniërs. Aan groote geleerden heeft het hun, sedert hunne

zelfstandigheid, nooit ontbroken. Klassieke vorming was tot in den

nieuwsten tijd bij de Hollanders bijzonder gezien. Als philologen

hebben zij lang aan het hoofd gestaan der Europeesche geleerden.

Het meest echter hebben de natuur-wetenschappen te danken aan de

Hollanders, aan wie, even als aan alle Neder-Duitschers, eene groote

liefde voor de natuur eigen is. Hunne Swammerdams, hunne Boerhave's,

hunne Huygens, hebben zich door geheel Europa beroemd gemaakt. En

zelfs de grootste natuur-onderzoeker der vorige eeuw, Linnaeus,

studeerde en leefde in Holland en schreef daar een gedeelte zijner

beste werken.--Men zal moeielijk een land aanwijzen, waar men, zelfs in

particuliere huizen, zooveel verzamelingen voor natuurlijke-historie

aantreft als in Holland. Ook mag het in dit opzicht karakteristiek

genoemd worden, dat eenige der uitvindingen, die het meeste nut voor

de natuur-wetenschappen hadden, die van den telescoop, den microscoop

en van den thermometer, in Holland gedaan zijn [53].

In geene kunst hebben niet alleen de Hollanders, maar _alle_

Nederlanders meer geleverd, dan in de schilderkunst [54]. Zij nemen

in dit vak de tweede plaats na de Italianen in, die zij, wat rijkdom

aan talenten en menigte van voortbrengselen betreft, bijna evenaren,

maar met wie zij, wat betreft het karakter der schilderscholen,

een opmerkelijk contrast vormen.--De zachte bevalligheid, de hooge

idealiteit en het poëtisch schilderachtige der in geestdrift ontstokene

Italianen, hebben de strenge Hollanders niet kunnen bereiken. In het

teruggeven der _natuur_ en van het werkelijke, hun omgevende _leven_,

toonden zij hunne hoofdkracht. Hunne groote meesters van Veen [55],

van Dijck, Rembrandt waren in de opvatting van het individueele,

als nabootsers van natuurverschijnselen, als portretschilders

het grootst. Zelfs van Rubens zegt men in dit opzicht, kenmerkend

genoeg, dat hij zijne schoone echtgenooten, die dikwijls voor hem

zaten, veel beter terug gaf, als hij ze alleen portretteerde, dan

wanneer hij ze idealiseerde.--Aan dier- en landschapschilders hebben

de Nederlanders, even als aan stille natuurvorschers, een grooten

rijkdom. Het bij hen zoo beminde, zoogenaamde "stilleven", is eene der

voor hen meest karakteristieke kunsttakken, en op het schilderen van

bloemen hebben deze bedaarde, natuurkundige, vlijtige menschen zich,

even als op de bloemkweekerij, met eene voorliefde als geen ander

volk, toegelegd. Het origineel dier geschilderde stillevens, bloem-

en boomstukken, ziet men nog in duizend bevallige vormen bij hunne

landgoederen, hunne geliefde buitenplaatsen, die, wat hunnen omvang

betreft slechts hutten, maar inwendig paleizen zijn, waarin een geest

van reinheid en nette sierlijkheid ieder voorwerp verfraait.

Het minst hebben de Nederlanders in de poëzie uitgeblonken, waarin

trouwens alle Neder-Duitschers niet alleen bij de andere volken,

maar in het bijzonder ook bij de Hoog-Duitsche stammen ten achter

stonden [56]. Zij bezitten wel, even als andere volken, hunne oude

volksliederen, en ook hunne "Maerlants", "Cats", "Tollens" en andere

aan de Schelde en den IJssel gevierde muzen-jongeren [57], maar geen

hunner heeft als een Portugeesche Camoëns, als een Italiaansche

Petrarca, of als een Engelsche Shakespeare, de lier zoo luid en

schoon getokkeld, dat men de echo zijner gezangen, ook in andere

landen, krachtig en op den duur vernomen heeft. Ik zeg krachtig en

op den duur, want wij Duitschers mogen niet vergeten, dat toch een

korten tijd (in de 17de eeuw) onze Duitsche poëzie zoo laag en de

Hollandsche zoo hoog stond, dat toen onze Opitz, en de andere eerste

grondleggers onzer moderne literatuur, naar de Nederlanden gingen,

om daar aan de Hollandsche hippokrene te putten.

In den aanhoudenden strijd met de elementen, waartoe hen de natuur

van hun land, zijne _vochtige dampen_, die, als men niet aanhoudend

poetst en schuurt, alles met roest en schimmel bedekken, zijne

_wateren_, die, als men niet aanhoudend graaft en plaveit, alles in

slik doen verzinken, waren de Nederlanders genoodzaakt met verstand,

overleg, omzichtigheid en bedachtzaamheid te rade te gaan. Tucht,

ordelievendheid, zindelijkheid, helderheid van oordeel, zijn op

die wijze eene eigenaardigheid van hun karakter geworden. "Daarom

haat deze berekenende en practische Nederlandsche mensch, al het

vervloeiende en onbepaalde in gevoel en gedachten," wat hij, even

als de Engelschman, den Duitschers verwijt. Maar niet zelden vervalt

hij daarbij tot kleingeestigheid en middelmatigheid, even als wij

Duitschers tot dweeperij en verwardheid.

Alle neigingen en begeerten zijn bij de Hollanders ietwat mat en koel,

wat hun bij de volken van Europa den roep van groote, zich afzonderende

en niet meer dan de hoog noodige woorden gebruikende flegmatici te

zijn, gegeven heeft. Gloeiende wraak, jaloezie en andere hartstochten

zijn, naar de meening van een Spanjaard, bij hen "onbekend." Hunne

liefde vlamt niet, maar glimt slechts. Eer geldt bij hen minder dan

geld [58]. Wanneer het echter op geldverdienen aankomt, zijn zij daar

even tuk op, als de Romeinen op eene "verovering." Zij hebben meer

gezond verstand dan vernuft en geest, meer natuurlijke goedhartigheid

dan warm gevoel, en streven meer naar dat, wat zij gemakkelijkheid

[59] (een der groote woorden in hunne dictionnaire) noemen, dan naar

de vroolijke genoegens, die smaak en gezelligheid opleveren. Hunne

genoegens zijn eenvoudig, en bepalen zich grootendeels tot den kring

hunner huisgenooten, hunner familie en hunner beste vrienden. Men

vindt bij hen meer menschen, die men hoogachten moet, dan menschen

waarmee men zou kunnen dweepen, en hun land, dat den opmerker zooveel

merkwaardigs en leerzaams aanbiedt, beloont meer de moeite het te

bereizen, dan het aangenaam is te bewonen.

Hun nationaal-karakter bestaat uit werkzaamheid, rechtschapenheid en

pedanterie. Wanneer men de koelheid van hun bloed, hun stijf, stil

en langzaam wezen nagaat, verwondert men er zich over, hoe zulke

flegmatische menschen zulke groote dingen tot stand hebben kunnen

brengen. Maar de hun zoo eigene volharding, het hun natuurlijke,

mannelijk volhouden in het moedig verdragen van ongevallen, en

in de standvastige bestrijding van hinderpalen, is hun zoowel in

hun privaat- als in hun publiek leven, het meest er bij behulpzaam

geweest, dat zij--een volkje, dat nauwelijks ooit meer dan 2 millioen

zielen telde--zoo hoog en vast gestaan, zoo diep ingewerkt en zoover

om zich heen gewerkt hebben, als weinige der volkrijkste natiën. Als

men, zooals de beroemde Sir William Temple mededeelt, in Holland eens

menschen vinden kon, die 24 jaren aan eene volkomene herstelling eener

aardglobe--of zelfs 30 jaren aan het mozaïkwerk van een tafelblad

werkten,--of, zooals de kunstgeschiedenis leert, landschapschilders,

die drie dagen bezig waren om een bezemsteel trouw weder te geven--of,

natuuronderzoekers, die hun leven en hunne geleerdheid daartoe bezigden

(en alleen daarom ook het graveeren in koper leerden), om eene enkele

soort rups in al hare inrichtingen en haar geheele organismus te

kunnen schilderen en portretteeren, dan begrijpt men gemakkelijk,

dat zulke menschen iets solieds en van blijvende waarde moesten in

het leven roepen.

In al hunne openbare betrekkingen hebben de Hollanders eene groote

liefde voor rechtvaardigheid bewaard, want nauwelijks maakt de

geschiedenis gewag van eene regeering, die door hare onpartijdige,

onomkoopbare, en voor alle standen der maatschappij gelijke

wetgeving en rechtswezen, beroemder geweest zou zijn, dan die der

Nederlanders.--De oude Hollandsche bank was er beroemd voor, dat

zij nooit meer bankpapier in omloop bracht dan waarvoor zij baar

geld bezat. Zich groot voor te doen is nooit een nationaal-gebrek

der Hollanders geweest; zij zijn niets minder dan pralers en

zwetsers. Zij verachten of belachen het declamatorische bij hunne

naburen, de Franschen. Nimmer hebben zij "Magnaten", of "Grandes"

gehad. Die namen hebben wij (de Duitschers) uit Hongarije en Spanje

ontvangen. De Nederlandsche grooten, rijken en machtigen, muntten

steeds uit door eene groote mate van bescheidenheid. Hunne machtigen

gebruikten hunne macht alleen daar, waar zij noodig was, maar brachten

weinig daarvan in het particuliere leven over. Zelfs, toen zij over de

schatten van Indië geboden, zag men hunne staatslieden, wier invloed

somwijlen met dien van Koningen gelijk stond, zonder bedienden en te

voet wandelen. En ook nu nog leven bij hen de rijken, ofschoon niet

zonder eene zeer soliede luxe, toch stiller en gewoonlijk eenvoudiger

en spaarzamer dan ergens anders [60].

Den grootsten dank echter is de wereld den Nederlanders daarvoor

verschuldigd, dat zij in hunne geschiedenis het bewijs geven voor de

waarheid, dat een volk, zelfs het kleinste, door eenstemmigheid in

denkwijze onoverwinlijk wordt, en dat bovendien bij alle menschelijke

werkzaamheden, standvastigheid en vlijt nooit hun doel missen. Het

standpunt der uiterlijke macht der Hollanders staat nu niet meer

zoo hoog als vroeger. "Zij gelijken een oud beroemd handelshuis,

waarvan de draagbalken broos geworden zijn." Toch echter zijn bij

de tegenwoordige vermindering van hun staatkundig gewicht, hunne

zeden, hun volks-karakter, hun welstand volstrekt niet tot zulk een

verval geraakt, als b.v. bij de Portugeezen, met wie men het lot der

Nederlanders in menig opzicht het best vergelijken kan, het geval

geweest is. Veeleer hebben zij, evenals toen zij op het toppunt hunner

macht waren, toen hunne ster begon te tanen, dezelfde bedachtzaamheid,

dezelfde huishoudelijke geest en hunne oude, goede zeden onveranderd

bewaard, en de groote rust, die gedurende de laatste politieke

stormen in Europa bij hen geheerscht heeft, schijnt een teeken te

zijn, dat zij minstens nu niet ongelukkiger zijn, dan in de tijden,

toen hunne Trompen en de Ruiters triumfeerend en zegevierend, met den

bezem in den mast, op de door hen schoongeveegde zeeën rondvoeren,

of toen hunne Oldenbarnevelds en de Witten in den raad der Europeesche

Souvereinen veel te zeggen hadden.

Geschiedenis der Europeesche Volken · 第 28 / 62 题