DE ENGELSCHEN EN HUNNE EILANDEN.

De beide groote, rijk bedeelde eilanden met hunne kleine naburige

eilanden, die wij onder den naam Groot-Brittanje en Ierland

samenvatten, zijn het centraal-lichaam van ons vasteland, als een

lang uitstekende arm, op dezelfde wijze in Noord-Westelijke richting

bijgevoegd, als het Italiaansche schiereiland in Zuid-Oostelijke

richting.--Het is een der schoonste landen, die de natuur den

Europeanen tot woonplaats gegeven heeft. De voordeelen van een gematigd

klimaat, van een dankbaren bodem, en een overal openstaan voor de zee,

dat men als iets kenmerkends voor geheel Europa, in tegenstelling

met de andere werelddeelen aangemerkt heeft, bezit Groot-Brittanje

in vergelijking met het overig Europa in hooge mate.

Men zou zijne natuur eene bij uitstek Europeesche kunnen noemen. De

eilanden liggen midden in de zachte aanademing der uit de tropische

gewesten terugkeerende Zuid-Westen winden, even als ook midden in

de branding van de deze winden vergezellende groote zeestrooming,

die wij golfstroom noemen en die, Zuidelijke vruchten en verwarmde

lucht met zich voerende, zich aan de kusten van Schotland en Ierland

verdeelt.--Deze wind- en zeestrooming ontnemen zoowel aan den winter

als aan den zomer, hunne onaangename zijde, en zijn oorzaak, dat

bijna het geheele jaar door een klimaat heerscht, dat noch door te

drukkende hitte verslapt, noch door te scherpe koude verstijft, en dat

de geheele oppervlakte des lands, met een altijd bevochtigd, altijd

frisch en altijd groen planten-tapijt bedekt doet schijnen.--Tacitus

heeft met een paar woorden, het klimaat van Engeland zeer treffend

geschetst. Hij zegt er van, dat zijn wezen is: "_vroeg_ ontkiemen,

_laat_ rijpen." Het schijnt, dat Tacitus daarmede tegelijkertijd, op

fijne profetische wijze, ook den geheelen geest van de nationaliteit

had willen aangeven, die zich in den loop der tijden op deze koele

eilanden ontwikkelde.

De oppervlakte van den bodem is overal matig boven het niveau der

zee verheven. Zij zinkt noch zoo diep, dat de mensch zich, als in

Nederland, door een langdurigen strijd met de elementen, woonplaatsen

moest verwerven, noch verheft zij zich zoo hoog in de ruwe luchtlagen,

dat, zooals in Skandinavië, door sneeuw en gletschers, aan geheele

aanzienlijke gedeelten des lands alle bewoonbaarheid ontnomen werd. Ook

hebben hier (gedeeltelijk om dezelfde redenen) nooit zulke uitgestrekte

moerassen als in Polen, zulke dichte bosschen van naald-boomen,

zulke groote woeste zandvlakten als in Noordelijk-Duitschland

bestaan. Alles is van nature om zoo te zeggen, met een evenredigen

en netten snit bewerkt. De bosschen, meestal vriendelijk loofhout

zijn, liefelijk tusschen de van nature bestaande weiden verstrooid;

vruchtbare landstreken zijn overal rijkelijk verspreid. Wel treft men,

bij wijze van uitzondering, hier en daar een naakten rotsbodem of een

onbegaanbaar turfveen, of een melancholiek en dor heideveld aan, maar

nergens vindt men zulke groote, dorre vlakten, als b.v. op de plateau's

van Spanje, nergens zulke treurige, woeste, eindelooze rotslabyrinthen

als in het Illyrisch-Grieksche schiereiland. Zeer spoedig daalt men,

zelfs in Schotland, van den smallen rug van het onhuiselijk bergland,

weder in den boezem der vriendelijkste dalen neder.

Ook de rivieren van Groot-Brittanje bezitten dit uitnoodigende,

vriendelijke, alles behalve Titansche karakter. Zij gaan bijna

nergens in wilde en woeste watervallen over. Veeleer hebben zij

nagenoeg allen een zeer kalmen loop, zonder te groote snelheid, wel

zonder schilderachtige en hoog-romantische oevers, maar ook zonder

rotsige ondiepten, die door de schippers zoo gevreesd worden. Ook

voeren zij niet zooveel van de bergen afgerolde steenen en zand met

zich, en vormen daarom ook nergens zulke onherbergzame steenvelden,

als b.v. de Alpenstroomen van Beieren, of zooals de Rhône aan hare

monding. Zij zijn redelijk diep ingesnedene en liefelijk kronkelende

natuurlijke kanalen, die (bijna altijd tot aan den rand gevuld) de

weiden en beemden doorstroomen. In den zomer droogen zij nooit zoo

geheel uit als de berg-stroomen van Italië, en in den winter en het

voorjaar zijn zij nooit zoo bovenmatig gezwollen, zoo gevaarlijk en

verwoestend, als de groote stroomen van verscheidene andere landen van

Europa.--Zij doorstroomen in één woord het lichaam des lands, zonder

bijzonder hevige opbruisingen en toch met een meestal vollen ader,

even als het bloed in het organisme der koudbloedige schepselen. Zij

zijn allen in hooge mate bevaarbaar, en de meesten vereenigen zich met

den Oceaan, op eene den handel zeer voordeelige wijze. De zee komt de

rivieren tegemoet, dringt overal met diepe, havenachtige bochten het

land binnen, en neemt daar in den kalmen boezem, de binnenwateren en

de schepen gemakkelijk in zich op.

Tweemaal daags stort de zilte vloed de boezems, mondingen en kanalen

binnen, zuivert deze en komt hunne verzanding en verslikking voor. Er

is geen tweede land in Europa, dat door het water der zee, zoo van

alle kanten tot in zijn hart toe, doorspoeld en verfrischt wordt,

als Groot-Brittanje. De geringe hoogte zijner bergen, de vele dalen,

insnijdingen en verzakkingen, die geheel anders dan b.v. in het door

eene enkele steile, hooge rotsmuur, verdeelde schiereiland Italië,

van oceaan tot oceaan het land in de breedte doorloopen, hebben het

maken van kanalen en wegen in alle richtingen mogelijk gemaakt.

De natuurlijke producten van het land zijn niet zulke schitterende

zaken, dat zij de hebzucht of de phantasie der menschen in den

regel bijzonder opwekken. Albion, dat weinig of in het geheel geen

zilver, of goud bezit, heeft nooit, zooals eens Andalusië, de rol

van een Europeesch Peru gespeeld. Daarentegen, als men zich eens

zoo mag uitdrukken, munten al zijne producten uit door nuttigheid

en bruikbaarheid. Het bezit een grooten overvloed van ijzer, lood,

koper en andere mineralen, die de industrie bij voorkeur noodig

heeft. Het is zeer rijk aan tin en werd daardoor het eerst met de

beschaafde wereld in verbinding gebracht. Steenkolen noemt het zijne

"zwarte diamanten." De Europeesche weidekruiden en graansoorten

groeien voortreffelijk tot in de verst afgelegene punten der eilanden.

Even als zijne mineraliën en planten, hebben ook zijne dieren over

het algemeen weinig treffends. Van oudsher heeft het weinig _wild_,

geene kostbare pelsdieren, zooals Skandinavië en Rusland, gehad: Nu

moet het zelfs de vossen voor zijne jacht aankweeken of uit het overig

Europa aanvoeren. Daarentegen is het van oudsher beroemd geweest,

door de voortreffelijkheid zijner runderen, paarden en schapen,

en in nieuweren tijd heeft het deze den landbouw dienstige dieren,

in grootere volkomenheid en meerder verschil van soorten aangekweekt,

dan eenig ander land ter wereld. In de richting van het Europeesche

vasteland, in het Zuid-Oosten heeft het zijne fraaiste weiden en

bouwlanden, zijne grootste en bevalligste vlakten en het zachtste

klimaat. In Westelijke en Noord-Westelijke richting, dus gekeerd

naar den grooten Oceaan, bevindt zich alles wat het aan gebergten,

rotspartijen en woestenijen bezit.

Het lijdt wel geen twijfel, of een zoo gevormd eiland moest, als het

eens ontdekt was--en zijne ontdekking was zeer gemakkelijk--alras en

spoedig bevolkt worden, en dus moet het begin van de geschiedenis

van de Britsche bevolking in het duister der voortijden gezocht

worden. Het is zelfs niet onwaarschijnlijk, dat de eersten die het

land binnentrokken er droogvoets binnen marcheerden. Het hoofd-lichaam

van Groot-Brittanje is namelijk nu op ééne plaats (tusschen Dover en

Calais) slechts weinige mijlen van het vasteland verwijderd. De geringe

diepte der zee op die plaats, de gelijkheid in geologischen bouw der

tegenover elkander liggende kusten en andere omstandigheden, maken

het bijna zeker, dat beide landen hier eens, door een vasteland-brug,

verbonden waren.

Het is zelfs waarschijnlijk dat deze brug, even als de landengte

tusschen Spanje en Afrika in de straat van Gibraltar, in eene

betrekkelijk late periode, misschien eerst, nadat reeds dier- en

menschengeslachten van het vastland er over heen getrokken waren, door

de zee weggespoeld werd. Maar ook, als dit niet het geval geweest is,

dan nog ligt de geheele kustzoom van Zuidelijk Engeland langs "het

kanaal" zoo dicht bij het vasteland van Europa, dat zijn wit en groen

schijnende rand, zonder moeite van uit Frankrijk en Nederland gezien,

ontdekt en zelfs door een barbaarsch volk bereikt kon worden. Daar

het in het Oosten door eene grootere zee (de Noordzee) en in het

Noorden en Westen door den onmetelijken Oceaan begrensd wordt, zoo

is het bijna aan geen twijfel onderhevig, of de vroegste bevolking

is in massa uit het Zuiden, uit de naburige streken van Gallië en de

Nederlanden gekomen.

Hier, waar Groot-Brittanje het dichtst het vaste land nadert, is

het einde eener lijn, die in het Rijndal het Noord-Oostelijk van

het Zuid-Westelijk Europa scheidt. Dit was van oudsher eene grens-

en scheidingslijn van vijandelijke bevolkingen. In de alleroudste

duistere tijden hebben hier waarschijnlijk de Finsche stammen,

de oorspronkelijke bevolking van het Noord-Oosten, en de Iberische

volkeren, de oorspronkelijke bewoners van het Zuid-Westen, als naburen,

nevens elkander gewoond. Later, in historischen tijd, stonden hier

Celten en Germanen, Romeinen en Duitschers tegen elkander over.

Groot-Brittanje, dat in de voortzetting dezer strijd-linie, als

aan de monding dezer volken-bewegingen en wrijvingen lag, zal dus

weldra in dien maalstroom zijn getrokken en van den beginne af,

even als de andere langs deze linie opgestelde gemengde gebieden

(België, Lotharingen, Helvetië) zijne bevolking van twee kanten

ontvangen hebben. Misschien ontving het oorspronkelijk reeds even

als Skandinavië Finsche stammen, tegelijk misschien ook, als Spanje

en Frankrijk, Iberiërs.

Reeds Tacitus heeft opgemerkt, dat de bevolking van Groot-Brittanje

in het Zuiden en Westen, iets Iberisch heeft, en het is overbekend,

dat over de Biskaïsche zee ook steeds (reeds sedert de tijden der

Pheniciërs) tamelijk intieme betrekkingen tusschen dit gedeelte van

Groot-Brittanje en het Iberische schiereiland bestonden. Ierland

heeft veel betrekkingen met Spanje gehad. Ptolomaeus beschrijft dit

eiland als "tegenover de Spaansche kusten liggende." Van de visschers

aan hunne Westkust beweert men nog heden, dat zij van Spanjaarden

afstammen.

Dat echter in menige streek van Engeland, _Finsche_ stammen de

primitieve bevolking uitmaakten, is door de nieuwere kranioskopische

onderzoekingen zeer waarschijnlijk geworden. De schedels uit de

oudste grafsteden van Engeland toonen het Finsche of Mongoolsche type,

dat eerst in latere graven geheel verdwijnt.

Toen de woeste Celten, die de Iberiërs volgden, naar Europa kwamen en

de nabijgelegen Fransche kusten bezetten, toen moesten zij ook weldra

het smalle kanaal oversteken en het groene eiland overstroomen, en al

wat reeds voor hen aan Finsche of Iberische bewoners aanwezig mocht

geweest zijn, verdringen, vernietigen en verdrijven.

In hoofdzaak kwamen naar Engeland, even als naar Frankrijk, twee

verschillende groote Celtische stammen. Ten eerste de zoogenaamde

"Gaelische" of "Gadhelische" Celten, en vervolgens na hen als hunne

veroveraars en onderdrukkers de "Kymrische" of "Britsche" Celten, die

hen uit het vlakke Oosten van het land naar de Westelijke bergen en

eilanden verdreven. Tot de "Gaelische" Celten behooren de tegenwoordige

Ieren en de Hoog-Schotten, tot de "Kymrische of Britsche," de bewoners

van Wales en Cornwallis. Daar de Britten, toen de Romeinen aankwamen,

in geheel Engeland de bovenhand hadden, zoo kreeg het land naar hen

den naam "Brittania." Zij worden als een naar lichaam en geest boven de

andere Celten uitmuntend volk geschilderd. Hunne druïden moeten in dien

tijd zoo beroemd geweest zijn en zoo hoog in aanzien gestaan hebben,

dat jongelieden uit Gallië naar Brittanje reisden, om te studeeren.

Even als in _geheel_ midden-Europa, voornamelijk langs genoemde

Rijn-linie, zoo kwamen de Celten vermoedelijk ook reeds spoedig in

Groot-Brittanje, dat zooals reeds gezegd is het hoofd dezer linie

vormt, met de na hen Europa binnentrekkende Germanen in botsing. Met

Kymrische Celten vermengd, stonden de Germanen reeds lang voor de

tijden der Romeinen, in België even nabij het Britsche eiland, als

de Galliërs zelven. Ook bewoonden zij reeds lang de oevers der niet

zeer breede Noord-Zee, die gemakkelijk overgevaren kon worden. De

Romeinsche schrijvers (ten tijde voor Christus geboorte), beweren ook

vrij stellig, dat niet alleen in Zuidelijk en Westelijk Engeland onder

de Celten "Belgen," dat wil zeggen met Germanen vermengde Celten,

maar ook in Schotland menschen met blauwe oogen en blond haar, met

Germaansche zeden en gewoonten gewoond hebben.--Daaruit, en uit andere

omstandigheden, wordt het dus vrij waarschijnlijk, dat reeds lang vòòr

de Romeinen, van Nederland, Jutland en Skandinavië, Germanen te scheep

naar Engeland gekomen zijn, en dat wij het begin van dat merkwaardige

vermengings-proces, waaruit de tegenwoordige Engelschen onstaan zijn,

ver vòòr de aankomst der zoogenaamde Anglo-Saksers in de 4de eeuw na

Christus geboorte moeten dagteekenen. Zeker had daarbij aanvankelijk

het Celtische element nog de bovenhand, even als later het Germaansche.

Even als de Celten, zoo staken ook de Romeinen van Gallië uit (onder

Cesar) het Kanaal over. Zij onderzochten, veroverden en bebouwden

in het verloop van 300 jaren, een groot deel van het eiland-rijk,

en voeren het tot zijne uiterste uiteinden om. Daar zij echter

dit afgelegene land, deels _later_ bereikten dan de andere streken

van Europa, deels ten gevolge van het verval van hun rijk, weder

_vroeger_ verlaten moesten, zoo hebben zij daar niet zulke diepe

en onuitwischbare sporen hunner aanwezigheid achtergelaten, als

elders.--Zij hebben in Engeland verscheidene fraaie steden gebouwd,

Londen, York, Chester en andere, die gedeeltelijk nu nog voorzien

zijn van de door de Romeinen opgetrokkene muren, en nog dezelfde,

slechts eenigzins veranderde, namen dragen. Zij hebben wegen en

verschansingen, dwars door het geheele land heen, aangelegd, en

hebben uit de Britten meermalen rekruten getrokken, die zij in hunne

Britsche legioenen inlijfden en somwijlen buitenslands voerden. Ook

is daarbij Romeinsche taal, zeden en beschaving, en ten laatste ook

het Christendom, in de Zuid-Oostelijke vlakke streken van Engeland

onder de Celtische grond-bevolking verbreid geworden.--Niettemin is

dit alles echter niet zoover gegaan, dat daaruit, zooals in Spanje,

Frankrijk of in de landen der Walen in België, en der Walachyers aan

den Donau, een geromaniseerd volk met romaansche taal ontstaan zou

zijn. Verreweg de meeste nu nog waar te nemen Romaansche elementen,

die het volk en de taal van Engeland ontvingen, zijn hun niet door

de Romeinen zelven, maar eerst ten gevolge van latere gebeurtenissen

toegevoerd geworden.

De Romeinen lieten, toen zij het land ruimden, de ras-verhouding er

tamelijk even zoo achter als zij die bij hunne aankomst gevonden

hadden. In het door hen nooit veroverde Ierland, in Wales en de

grootste helft van Schotland, hebben zij de Celtische nationaliteit

ter nauwemood aangeroerd, en zelfs in Engeland kon het vertrek der

Romeinen niet plaats grijpen, zonder vergezeld te worden door opstanden

en een weder opkomen der nu bevrijde Celtische grondbevolking. Niet de

_Romeinen_, die zoovele _Zuidelijker_ volken hun stempel voor eeuwige

tijden opdrukten, maar hunne doodsvijanden, de Germaansche barbaren,

die anders in zoovele der door hen veroverde landen weder verloren

gegaan zijn, waren bestemd, aan de bewoners van Albion, hunne, tot

op onze dagen geblevene physionomie te geven.

Gedurende de, op de Romeinsche heerschappij volgende "volksverhuizing",

toen alle stammen van het groote Germanen-volk, naar verschillende

streken West- en Zuidwaarts trokken, kwamen ook de in het

Noord-Westelijke punt en aan de uiteinden van het oude Germanië wonende

Jüten, Angeln en Saksers in beweging en wilden hun aandeel hebben aan

de overblijfselen van het samenstortende wereldrijk. Eerst zeilden zij,

op goed geluk af, slechts met weinige schepen, onder aanvoering van

hunne door de sage dus genaamde aanvoerders Hengist en Horsa, over de

zee. Vervolgens kwamen zij, daartoe _uitgenoodigd_ door de Britten,

die door onderlinge tweedracht en oorlogen in het nauw gebracht

waren, en ook op eigen aandrang meermalen en met meer manschappen

terug.--Zoo verzamelde zich ten slotte in de geheele naar Duitschland

gerichte Oostelijke helft van Groot-Brittanje, eene talrijke Duitsche

bevolking, waartoe intusschen de eerste grondslag, zooals ik boven

zeide, waarschijnlijk reeds in vroegeren tijd gelegd was.

In den bloedigen strijd, dien de Duitsche kolonisten met de Celtische

inboorlingen begonnen, behielden gene overal de overhand. Het eene

gedeelte van Engeland vóór, het andere nà, werd naar Duitsche wet,

in een Saksisch, Anglisch of Jütisch Koningrijk veranderd, en daarbij

verdween een groot gedeelte der Celtische grondbevolking. Op hunne

overblijfselen ontstond een ander volk. Onder alle vreemde landen,

die de Germanen met de "volksverhuizing" binnentrokken, is Engeland

het eenige, waarin hun de schepping eener nieuwe en voor alle tijden

blijvende nationaliteit, in groote mate gelukt is. In Frankrijk,

even als in Spanje, in Lombardije, in het Grieksche schiereiland en

in Afrika, hebben zij wel langer of korter durende heerschappijen

gesticht, maar deze zijn in de grond-bevolking weder opgegaan. Overal

is daar het Romaansche, of Celtische of Thracische element, onder hunne

voeten weder uit den grond opgekomen en heeft het Germaansche element

weder verdrongen.--Dat het in Engeland anders was, mag men gedeeltelijk

uit de eigenaardigheden der hier op elkander stootende nationaliteiten,

gedeeltelijk uit andere omstandigheden verklaren. In Italië, Spanje en

Afrika, was het warme klimaat den kinderen van het Noorden van oudsher

zeer verderfelijk. In Engeland bevonden zij zich, om zoo te zeggen,

op hun eigen breedtegraad, en als wij ook al niet gelooven kunnen,

dat de Angel-Saksers in veel grooter getal over de zee kwamen, dan de

Gothen over de _Alpen_ en Pyreneën, of de Franken over den _Rijn_,

zoo kon zich hun aantal in het met hun vaderland zoo overeenkomende

land toch beter handhaven en vermeerderen.--De hoofdzaak echter lag

wel in het verschil der ontwikkelings-toestanden, die de Germanen in de

verschillende landen aantroffen. In Italië, in Frankrijk enz. stieten

zij op eene dichte bevolking van hoog beschaafde maar ontzenuwde

Romeinen, die zich gemakkelijker en in massa onderwierpen. Daar werden

de barbaren door de beschaving hunner talrijke onderdanen aangestoken

en overvleugeld. Zij namen sneller hunne buigzame zeden, en wat het

wezenlijkste was, hunne ontwikkelde taal aan.--In Groot-Brittanje

daarentegen was, zooals gezegd is, de Celtische grondbevolking nooit in

hooge mate gebroken en geromaniseerd geworden. Verscheidene gedeelten

van het land hadden de Romeinen in het geheel niet volkomen veroverd

of gekoloniseerd. De Britten boden, nadat zij zich van de Romeinen

bevrijd hadden, den nieuwen indringers nieuwen wederstand op leven

en dood. Na een enkelen verloren slag, gaven zij het land niet zoo

maar op, als de Italianen en Galliërs. Zij weken slechts voet voor

voet. De veroveringsoorlog was langduriger, schier eindeloos, en dien

ten gevolge verwoestender en verdelgender. Er ontbrandde een rashaat,

die nog heden ten dage in de harten der Celtische volksoverblijfselen

in Engeland tegen de "Saksers" gloeit, en die zich zoo onverzoenlijk

in de Franken- en Gothenlanden niet getoond heeft.

Eindelijk worden ook die Duitsche stammen, die naar Engeland kwamen,

voornamelijk de Neder-Duitsche [15] uit Holland door Friesland tot

aan de Westphaalsche streken, die zelfs Karel de Groote slechts

na veeljarige moeiten vermocht aan banden te leggen, boven andere

Duitschers geschetst als bijzonder hardnekkig, als menschen die

steeds hunne gewoonten trouw bleven, en als met koppigheid gehecht

aan de zeden hunner vaders. Zij brachten deze eigenaardigheden naar

Engeland over en verzekerden blijvende kracht aan hunne wetten en

hunne taal. Aanvankelijk echter gelukte hun dit slechts in de naar

de Duitsche Zee gelegene, opener, effener en breedere Oostelijke

helft van Engeland, en ook daar nog zeer langzaam. De geheele

bergachtige Westelijke helft in het Noorden (Cumberland), in het

Zuiden de lange tong van Cornwallis, in het midden het bergachtige

schiereiland van Wales, bleven nog lang in het bezit der Celtische

oorspronkelijke bewoners, die hunne onafhankelijkheid, met een in de

sagen aangaande den Britschen Koning Arthur verheerlijkten heldenmoed,

verdedigden. Algemeen meent men, dat hierbij, in de Angel-Saksisch

geworden Oostelijke helft, de Britsch-Celtische oorspronkelijke

stam geheel opgegaan is en dat een geheel nieuw, zuiver Duitsch

Saksendom ontstaan is.--Dit denkbeeld grondt zich vermoedelijk op eene

overdrevene en valsche voorstelling van de gevolgen "der verdelging

van al het inheemsche."

Als men den oorlog der Saksers tegen de Britten een bloedigen

verdelgingsoorlog noemt, dan moet men dit waarschijnlijk zoo verstaan,

dat zij het zeker wel in hooge mate geweest is, maar dat daarbij toch

altijd nog eene menigte oud-Britsche of Celtische elementen onder

de Saksers bleven bestaan, die met hen samensmeltende er veel toe

bij brachten, om het Saksische wezen, karakter, ras, taal, van den

beginne af te wijzigen, en het eigenaardige product, dat wij in de

tegenwoordige Engelschen voor ons zien, hielpen voorbereiden.

De toestand van halve beschaving, waarin wij de Saksers, spoedig na

hunne verovering in Engeland zien, en waardoor zij uitmuntten boven

hunne oude vaderen en broeders in Duitschland, die Karel de Groote 300

jaren later nog als geheel heidensche barbaren aantrof; deze toestand

alleen zou reeds voldoende zijn om dit te bewijzen. Zij ontvingen uit

de handen hunner Britsche tegenstanders het Christendom. Zij trokken

daar, zoo al niet _vele_, toch _eenige_ der door de Romeinen gebouwde

en goed georganiseerde steden binnen, zooals zij in hun vaderland nog

nooit bezeten hadden. Ook was het geheele land in den regel beter

ontwikkeld dan hun vaderland. De rest der Britten, die zij na hun

bloedbad genade geschonken hadden, leefde op de akkers en in die steden

voort, al ware het dan ook in dienstbaarheid, en bij eene langzamerhand

plaatshebbende vrijwording, versmolt zij met de Saksers, en gaf aan

de nationaliteit van dezen eene van de oude Britten uitgaande tint.

Dat deze terugwerking niet zoo geheel zwak moet geweest zijn,

laat zich onder anderen uit eene opmerking opmaken, die van een

geleerd Engelschman en van den beroemdsten Europeeschen taalkenner,

den grooten Mezzofanti, afkomstig is. Deze beide heeren houden zich

overtuigd, dat zekere merkwaardige onregelmatigheden in de uitspraak,

die het Engelsch in zoo hooge mate van alle andere Europeesche talen

onderscheidt, eene eigenaardigheid der Celtische of oud-Britsche taal

is, en dat die uitspraak der Engelschen dus niet van Duitschland

herkomstig, maar door de oorspronkelijke bewoners van het land

hun eigen geworden is. Verscheidene voor de Duitschers moeielijk

uit te spreken woorden, hebben de Engelschen met de Celtische

Britten gemeen. Ook spreken de hedendaagsche Celtische inwoners van

Wales, het Fransch of andere vreemde talen met hetzelfde accent en

denzelfden toon als de Engelschen. Het schijnt dien ten gevolge,

dat de tegenwoordige Engelschen eene taal spreken, die van die

der Celtische Britten verschilt, maar dat zij dezelfde uitspraak,

denzelfden "timbre" hebben als deze. Men meent Celten te hooren, die

wel Duitsch (Anglo-Saksisch) spreken, maar het met de hun eigene tong,

gehemelte en lippen voordragen, en die niemand, wien deze organen

niet _aangeboren_ zijn, hen zoo kan naspreken. Zij hebben zich,

om zoo te zeggen, dus de spreekwerktuigen der oude Britten eigen

gemaakt. Men begrijpt gemakkelijk, dat zoo iets niet geschieden kon,

zonder dat aan het Anglo-Saksische ras, eene aanzienlijke hoeveelheid

van het inheemsche bloed medegedeeld werd.

Waarschijnlijk zouden wij, even als in de uitspraak der taal en

in de spraakwerktuigen, ook in den overigen lichaamsbouw, in de

physionomie en in het karakter der hedendaagsche Engelschen, nog veel

oorspronkelijk Celtisch kunnen aanwijzen, wanneer de oude Britten

in der tijd reeds door physiologen en phrenologen scherp waargenomen

en door goede schilders geportretteerd waren geworden. In stede van

een zoodanig ons ontbrekend schilderij, kunnen ons echter eenige

gezegden van oude schrijvers van dienst zijn.--In een tijd, toen nog

geene "Anglo-Saksers" naar Engeland gekomen waren, vervaardigde de

Romein Martialis een epigram op eene schoone Britsche dame Claudia

Rufina, die hij bij deze gelegenheid ook "blauwoogig" noemt. Men

meent in zijne schildering eene Engelsche schoone van onzen tijd

te herkennen. Ook Seneca noemt de Britten blauwoogig. En de Griek

Strabo deelt mede, dat hij in Rome jonge lieden uit Brittanje gezien

heeft, die zoo lang en slank van lichaamsbouw waren, dat zij wel

een halve voet grooter waren dan de grootste Romein. Hun geheele

lichaamsvorm, en hunne lange armen en beenen zijn niet fraai gevormd

geweest. Daarnaar te oordeelen schijnt het, dat zij het zelfde slag

van menschen geweest zijn, waarvan Keizer Frederik II, die met eene

Engelsche Prinses gehuwd was, een duizendtal jaren later zong: "zij

zijn van zuiver bloed geboren: hunne handen zijn wit, hunne vingers

lang." De eigenaardige groote lichaamsgestalte, de lange ledematen, de

blauwe oogen en blonde haren, zijn dus wel niet eerst met de Saksers

naar Engeland gekomen. Veeleer onderscheidden zich daarin, naar het

schijnt, de oude reeds met vroeger het land binnengetrokkene Germanen

vermengde Britten, van de overige Celten. "En dien ten gevolge,"

zegt een geleerd Engelschman terecht, "is menigeen onder ons, die

zich voor een afstammeling der Saksers houdt, inderdaad minstens voor

de helft, niets dan een spruit der oude Celtische Britten." Ook vele

zeden en gebruiken der hedendaagsche Engelschen zijn nog van het oude

Celtendom afkomstig, b.v. de vereering der op oude eiken groeiende,

bij de oude Druïden heilige, misteltakken, en de daarop betrekking

hebbende bijgeloovige gebruiken en spelen. Naar dit alles kunnen wij

het dan ook onder anderen aanwijzen, hoe, trots de hun aangeborene

vijandschap met de Celten, het oude Britsche patriotisme nog heden

somwijlen onder de Engelschen te voorschijn komt, hoe zij zich

niet zelden met hunne Celtische voorgangers identificeeren, en zich

b.v. in hunne volksliederen dikwijls met voorliefde niet "Saksers",

maar "Britten" noemen: "_Britons never will be slaves_"--of "_Rule

Britannia, rule the waves_" wat zij even dikwijls in den mond hebben,

als hun "_Old England for ever_."

Ook in hunne taal namen de Anglo-Saksers veel Celtisch op. Zoo

behielden zij onder anderen bijna al de oude Celtische uitdrukkingen

voor plaatsnamen, namen van steden, rivieren, bergen, velden en

bosschen. De aardrijkskunde van Groot-Brittanje bleef grootendeels

Celtisch, evenals bijna de geheele geographie van Spanje tot op

den huidigen dag Iberisch gebleven is. Nog heden ten dage noemen de

Engelschen hunne Cheviot-heuvels, hunne Pennigants-toppen meest met

Celtische namen. Ook hunne rivieren "Theems", "Severn", "Trente",

"Ouse" hebben oude Celtische namen, die zoowel de Romeinsche en

Anglo-Saksische, als alle latere veroveringen en omwentelingen van

het land, overleefd hebben. Gelijken oorsprong hebben de namen van

vele hunner steden en graafschappen: Canterbury, Devon, Cambridge,

Kent en vele anderen. Zij verschijnen op de Romeinsche landkaarten

slechts met Romeinsche eindsyllaben, en op de Anglo-Saksische slechts

met Duitsche stembuiging.

Eindelijk is ook een niet onbeduidend gedeelte van het Celtische

volk, zelfs tot op onzen tijd, op het eiland blijven bestaan. Uiterst

langzaam, stuksgewijze--ieder eeuw om zoo te zeggen een stukje--zijn

de oude Celtische stammen in den Anglo-Saksischen smeltkroes

gevallen. Lang nog bleven zij in het Noorden (in "Cambria" of

"Cumberland") onafhankelijk, langer nog in het Zuid-Westelijk uiteinde

van "Cornwallis", en het langst weerstonden zij de Saksers in het voor

een gedeelte van de zee geïsoleerde en door bergen doorsneden Wales.

De Celtische Kimren of Britten in Wales, waarmede de strijd voor

anderhalf duizend jaren begon, hadden nog tot de 13de eeuw hun

eigene Vorsten, hun zelfstandig leven. Eerst in het jaar 1284 onder

Koning Eduard I, werden zij eene Engelsche provincie. Maar ook onder

Engelsche opperheerschappij en na den ondergang hunner politieke

zelfstandigheid, hield het Celtische ras van Wales noch op te bestaan,

noch ook op de beschaving van Engeland, ja van geheel Europa in te

werken. Hun langdurige, heldhaftige strijd tegen de Anglo-Saksers,

schijnt in het overig Europa deelneming en bewondering, en daardoor

ook hunne poëzie en traditiën navolging gevonden te hebben. Wales

was de zetel der sage van dien heldhaftigen Koning Arthur en zijne

mythische tafelronde, en deze sage, die zich ver verspreidde, werd

de bron van tallooze verhalen, heldendichten, balladen en romances

in Engeland, Frankrijk, Duitschland enz. Al de beroemde, bij ons zoo

populaire namen der Koningin Génevra, van Percival, Lancelot, Titurel,

Lohengrin, Tristan en Isolde, zijn Celtische namen van helden, die

het wegstervende Wales aan onze phantasie overgeleverd heeft.

En ook heden te dage staan de Kymren van Wales nog altijd als een zeer

eigendommelijk volkje daar, met eene eigene taal en als menschen van

groote werkzaamheid, als een kernachtig ras van krachtigen lichaamsbouw

en zeer scherpe gelaatstrekken. Hunne gevoelens zijn, als bij alle

Celten, levendig, hunne verbeeldingskracht ongemeen groot, hunne

gedachten snel. Dien ten gevolge zijn zij ook van nature spraakzaam,

even als de Franschen. Zij hebben hunne taal ook veel meer in hunne

macht dan de Engelschen.--In menig dorp en in menigen schuilhoek hunner

dalen, verstaan zij nog heden het Engelsch niet. Hunne ontwikkelde

klassen hebben nu nog onder elkander zekere poëtische gezelschappen

en bijeenkomsten, waarin alleen Walisch of Kymrisch gesproken en de

oude Arthur-harp getokkeld wordt [16]. Boven de Celtische Ieren en

Hoog-Schotten munten zij uit door eene groote wetenschappelijke en

literarische vlugheid. Jaarlijks worden nog honderde boeken in de

Britsche landtaal gedrukt. Men vindt daar Celtische geschriften, die

elk kwartaal of elke maand verschijnen, als ook week- en dagbladen,

waarvan een, "de Walische Times," voor 20 jaren eene oplage van 100.000

exemplaren moet gehad hebben. Werken, die den Engelschen geleerden tot

eer zouden verstrekken, zijn daar het werk van ijverige dilettanten

geweest. Een Walische boer, Owann Jones genaamd, gaf in het jaar 1801

onder den titel "Gälische archeologie van Mywyr," eene verzameling

verhandelingen uit, die "een waar arsenaal van Kymrische oudheden"

bevatten moeten.

In het Noorden (in Cambrië) en in het Zuid-Westelijke uiteinde (in

Cornwallis) heeft het Celtisch een sneller en een nu volledig einde

genomen. In Cornwallis is het in het jaar 1778, onder de regeering

van Koning George III, met eene, nog Cornisch sprekende, in haar

102de jaar gestorvene vrouw, ten grave gedaald.

De nieuwe Anglo-Saksische en de oude Britsche nationaliteit hadden

bijna 400 jaren lang, zonder van buiten eenige stoornis van gewicht

te ontvangen, het proces van hun wederzijdsche strijd en samensmelting

voortgezet; toen, tegen het einde der 8ste eeuw, uit het Noord-Oosten

eene nieuwe volksoverstrooming, het land en zijne beide vijandig

tegen elkander overstaande volksstammen, kwam bestormen. De laat in

beweging gekomene Noordsche Germanen uit Denemarken en Skandinavië

scheepten zich, even als eens de Duitschers uit het land der Saksers,

naar het Zuiden in, om het toen overal in tweedracht verkeerende

Europa te plagen.--Zij vonden Groot-Brittanje op hunnen weg, dat als

een Zuidelijk gelegen naburig land hunne roof- en veroveringszucht

bijzonder opwekte.

Daar zij zich _hoofdzakelijk_, en _meer_ dan ooit eenig Europeesch

volk _voor_ hen, op den Oceaan versterkten, zoo grepen zij het

overal door de zee omgevene Groot-Brittanje, dat zij van iedere

zijde konden aanvallen, om zoo te zeggen aan alle kanten aan. Het

werd gedurende meer dan 200 jaren het voornaamste doel van de

rooftochten der Deensche en Noorweegsche Zee-Koningen of Wikinge,

en toen vervolgens deze avonturiers zich in hun eigen vaderland,

aan de opperheerschappij van een algemeenen Koning onderwierpen,

werd zelfs Engeland tijdelijk eene provincie van het Skandinavische

rijk der groote Koningen Sven en Kanuth.

De Anglo-Saksers waren bij het verschijnen der Deensche Zee-Koningen

reeds niet meer de ouden. Zij waren, door de beschaving en door de

volheid van levensgenot, die hun deel was geworden, verweekelijkt. De

roofzuchtige, op buit beluste, heidensche mannen uit het Noorden,

vielen met nog onvermengde Germaansche kracht, als wolven op hen aan,

en nu ontstond er tusschen de beide verwante rassen een dergelijke

langdurige strijd, als vroeger tusschen de Anglo-Saksers en de Celten.

Dat het resultaat van dezen nieuwen volkenstrijd intusschen niet

gelijk was aan dat van den vroegeren, dat daarbij geen oud ras

geheel veranderd, dat Groot-Brittanje nu niet in dezelfde mate

geskandinaviseerd werd, als het vroeger Anglo-Saksisch geworden was,

dat het in wezen ook voor vervolg van tijd Anglo-Saksisch gebleven

is, laat zich gemakkelijk uit de volgende omstandigheden verklaren:

ten eerste hadden de zeevarende Skandinaviërs den _geheelen_ Oceaan

tot veld hunner werkzaamheid. Zooals reeds gezegd is, bepaalden

zij zich niet alleen tot Engeland, maar trokken zij ook tot naar

de Middellandsche Zee en elders.--Bij de geringe bevolking van hun

vaderland zullen zij, voor een enkel land hunner groote roof-domeinen,

niet veel krachten beschikbaar hebben gehad. De Anglo-Saksers hadden

in hunnen tijd niet verder dan Engeland kunnen komen, omdat toen de

overige wereld reeds door andere sterke broeder-barbaren weggenomen

was. Hunne oogen waren dus uitsluitend op Engeland, als op een nieuw

vaderland gevestigd gebleven, en dat land had hen in eene compacte

massa bijeen gehouden. Tijdens den inval der Denen maakten zij reeds

een talrijk volk uit.

Het doel der Noordsche Wikinge, bepaalde zich aanvankelijk alleen tot

het najagen van allerlei avonturen en het verkrijgen van buit. Even als

de Saksers de akkers, zoo beploegden zij alleen den Oceaan. Ingevolge

hunne neiging bleven zij bijna overal in de nabijheid der kusten,

bij de havens, waar hunne schepen, die den behaalden buit inhielden en

wegvoeren konden, ankerden, Zij hebben zich dus ongetwijfeld in vele

kuststeden _blijvend genesteld_, en eenige plaatsen en kleine eilanden

van Groot-Brittanje, zelfs geheel met Skandinavische bevolking gevuld.

In het binnenste des lands echter is hunne nationaliteit niet

in massa doorgedrongen. Trots hunne barbaarsche en vijandelijke

vernielingszucht, en al het wreede wat tusschen Saksers en Denen in

Engeland voorgevallen is, werkten beide verwante natiën toch niet

geheel afstootend en vernielend op elkander. En waar zij zich slechts

aan de Denen onderwierpen, konden de Anglo-Saksers gemakkelijker

nevens hen blijven bestaan, dan de zoo geheel verschillende

Celten naast de Anglo-Saksers. Beide volken woonden onder den

Anglo-Saksischen Alfred en zoo ook onder den Deenschen Kanuth (ten

minste in de laatste zegenrijke helft zijner regeering) vreedzaam

naast elkander. Daarbij namen de Denen zeker meer van de Saksers aan

dan dezen van genen. Want de Anglo-Saksers vormden het, door zijne

grootere beschaving, bovendrijvend element. Zij waren meermalen de

onderwijzers der woeste Denen in Engeland even als in Duitschland,

en deelden hun het Christendom mede.

Toen dus de Noordsche woede uitgeraasd had, toen de Noorwegers

en Denen in hun eigen vaderland christenen geworden waren; toen

zulke in geestdrift ontstokene Odins-helden, die door een soort

fatalitisch Turkengeloof bezield geweest waren, niet meer als in

ouden tijd opgevoed werden; toen later de Engelsche natie zich weder

verhief, toen toonde zij zich als in wezen Anglo-Saksisch gebleven. Het

Skandinavisme was, zonder een zeer overwegenden invloed uit te oefenen,

in het wezen der Engelsche nationaliteit opgegaan.--Dit neemt echter

niet weg, dat men dien invloed niet te gering mag schatten.

Wat den Engelschen nog tot op den huidigen dag van de Noorwegers

en Denen is bijgebleven, laat zich in hoofdzaak in het volgende

samentrekken:

In de Noordelijke gedeelten van Engeland, die het meest tegenover

Denemarken liggen en die door de Noormannen het meest bezocht zijn,

in Northumberland, York, enz., waar zij zich de grootste en meest

blijvende bezittingen verwierven, verraadt het volk nog nu _vele_

Skandinavische eigenaardigheden. Het provinciale dialect heeft

daar zoowel in zijn woordenschat, als ook in zijne wendingen niet

weinig Skandinavische bestanddeelen. Zelfs het orgaan toont zich

half Deensch, b.v. in de eigenaardige weeke uitspraak van de zoo

karakteristieke _"r"_. Ook zijn in het Noorden van Engeland steeds

meer vrije en zelfstandige landeigenaars en boeren blijven bestaan,

die overeenkomst hebben met die in Noorwegen--zelfs tijdens het latere

leenwezen van een Willem den Veroveraar.

Daar de Noorwegers en Zweden, ook in het Zuiden van Engeland,

als dienstknechten der Anglo-Saksische Koningen, als verwanten der

Anglo-Saksische aristokraten, als vluchtelingen en binnendringers,

dikwijls eene sporadische verbreiding vonden, en daar zij zelfs,

zooals bereids opgemerkt is, eens onder hunne Koningen Kanuth en Sven,

het geheele land verscheidene tientallen van jaren beheerschten, zoo

heeft zich ook aan _geheel_ Engeland, en aan geheel het Engelsche volk,

veel Skandinavisch medegedeeld.

Niet zelden vinden wij op de Engelsche kaarten, even als in de

Engelsche woordenboeken, plaatsnamen, die van Noorweegschen en

Deenschen oorsprong zijn. Veel ook in de Engelsche uitspraak

van Germaansche woorden, schijnt niet Saksisch of Duitsch, maar

Skandinavisch te zijn. Zoo b.v. zeggen de Engelschen, niet zooals

onze Neder-Saksers, de woorden "uhs" (ons) en "bloht" (bloed) op eene

gerekte wijze uit, maar scherp, zooals de Skandinaviërs "_oss_" en

"_blodd_".

Verscheidene Skandinavische zeden hebben zich in het Engelsche familie-

en huisselijk leven, het burgerrecht weten te verzekeren. Zoo wordt,

om onder verscheidene voorbeelden één te kiezen, tijdens de kerstmis,

in Engeland even als in Noorwegen het "_Yule_-blok" aangestoken, en

ook de wilde-zwijnskop, die nog op den eersten Kerstdag met kruiden

versierd in menige Engelsche huishouding 's middags wordt opgedragen,

moet _iets_ gemeens hebben met het everzwijn der Noordsche Odin-helden

in Walhalla.

Of gewichtiger gebruiken, die nu bij de Engelschen geheel inheemsch

zijn geworden, en die zij onder de bolwerken hunner politieke vrijheid

tellen, b.v. het rechtspreken door gezworenen, door de Skandinaviërs

of door de Duitsche Anglo-Saksers het land der Britten binnengebracht

zijn, wordt bestreden. Deze vraag wordt door Duitsche onderzoekers--en

met recht--geheel anders beantwoord dan door de patriotsche Denen.

In het algemeen mag ik opmerken, dat de Engelschen zelven er somwijlen

een zeer verschillend oordeel over uitspreken, of hunne nationaliteit

meer politieke kracht en vrijheid aan den nationalen geest der

Skandinaviërs, dan wel aan den Anglo-Saksischen zin en wezen ontleend

hebben. Terwijl Sir Edward Bulwer Lytton den Noorwegers en Denen

veel verdienste toekent, daar hij er met lof van gewaagt, hoe _die_

deelen van het Koningrijk, waarin zij de grootere massa der bevolking

uitmaakten, zich vooral door onafhankelijkszin en weerstandskracht

tegen onderdrukking kenmerkten, en in hen het duidelijkst het krachtig

beeld der oude Germanen te herkennen is,--heeft Sir Robert Peel, in

zijne in het Parlement uitgesprokene redevoeringen, herhaaldelijk als

zijne meening te kennen gegeven, dat de Denen in het algemeen, na al

hunne verwoestings-tochten, bijna in het geheel niets nieuws, groots

en duurzaams in Engeland gegrondvest en achtergelaten hebben.--Aan de

overdrevene eischen van Deensche schrijvers, mag men in dit opzicht

wel de beschouwing van een onpartijdigen Franschman tegenoverstellen,

die in de _Revue des deux mondes_ tegen de Denen optreedt: "_Les Danois

n'ont point conquis l'Angleterre_," zegt hij, "_leur invasion n'était

qu'un déluge et ce déluge n'a fait que glisser_ sur la société Saxonne

[17]."

Een van de merkwaardigste gevolgen der ondernemingen van de Denen en

Noorwegers was, dat zij voor de _eerste_ maal, de uiterste Noordelijke

en Westelijke gedeelten der Groot-Brittanje'sche eilandgroep, het

oude Caledonië en Erin (Schotland en Ierland), mede in den kring

van het Germaansche volkenleven trokken.--De allereerste grondslag

tot een gegermaniseerd volk in het Noorden der Britsche eilanden,

tot de tegenwoordige Schotten, werd wellicht reeds voor de tijden

der Romeinen gelegd. Want, zooals gezegd is, hebben vermoedelijk

reeds toen, invallen van Germanen naar Schotland plaats gehad,

welke echter van geen beslissenden aard waren. Wezenlijk, bleef

Schotland, tot aan de Skandinavische of Deensche Wikinger-tochten

na den tijd van Karel den Groote, een Celtisch land. Zijne Celtische

grondbevolking, door de Romeinen Caledoniërs genoemd, behoorde even als

de oude Ieren tot den Gaelischen stam, en waren dus van de Celtische

Britten of Kymren in Engeland en Wales, ofschoon aan hen verwant,

zeer verschillend. Even als zijne inwoners, zoo had ook vroeger

Schotland, _vóór_, _gedurende_ en nog langen tijd na de heerschappij

der Romeinen, veel met Ierland gemeen en deelde, als een afgelegen

bergachtig Noord-Westelijk gebied, zijne lotgevallen. Van daar uit,

van Ierland, ontving het zijne tegenwoordige namen. Een stam der

Iersche Celten, de Scoten, verwierf zich in de 5de eeuw een groot

overwicht over alle andere Celten in Erin, en ook in Caledonië

(Schotland), dat het onderwierp. Naar dezen stam, werd zoowel

dit land als ook Ierland zelf, gedurende langen tijd "_Scotia_"

(het land der Scoten) genoemd. Later echter verloor zich deze naam

in Ierland weder, en bleef voor eeuwige tijden alleen op Schotland

rusten. Met deze Scoten ontving Schotland ook zijne oudste beschaving

en poëzie uit Ierland. Want het schijnt nu vrij wel uitgemaakt te

zijn, dat de oude zoo dikwijls bewonderde, door een Schot aan het

licht gebrachte en door hem op vele plaatsen vervalschte Ossian'sche

gezangen, oorspronkelijk op Ierschen bodem groeiden, op Iersche

omstandigheden en gebeurtenissen betrekking hadden, en eerst van daar

naar Schotland overgebracht werden. Insgelijks kregen in de 6de en 7de

eeuw de Schotten het Christendom uit Ierland, van waar de zendelingen

kwamen om de Caledoniërs te doopen, en op hunne rots-eilanden (Jona en

andere) beroemde kloosters, en scholen voor oude monnikengeleerdheid,

te stichten.--Door deze verchristelijking werden de Schotten voor het

eerst eenigzins beschaafd en ook vereenigd. Want spoedig daarna in de

10de eeuw, schijnt het geheele land onder inlandsche Koningen gestaan

te hebben, van welke Koning Duncan en zijn moordenaar en opvolger

Macbeth, door nieuwere dichters de meeste bekendheid hebben verkregen.

Misschien zijn ook toen reeds, deels als krijgsgevangenen, deels

als vrijwillige gasten, enkele Anglo-Saksers uit Engeland naar

Schotland gekomen; in alle geval echter slechts in gering aantal

en in ondergeschikte betrekkingen. Eerst toen de Denen Engeland

begonnen te plagen, gingen de Anglo-Saksers herhaalde malen in

groote massa's naar Schotland, en verzamelden zij zich voornamelijk

in de zoogenaamde Lowlands. Intusschen was bij de Anglo-Saksers

het zeewezen niet zoo goed ingericht, dat zij gemakkelijk in al de

eilanden en schiereilanden, waaruit Schotland samengesteld is, met

eenig gevolg hadden kunnen binnendringen. _Alleen_ de Denen, die op

iedere _baar_ een schip hadden, konden hier den ouden strijd tusschen

het Celtische en het Germaansche ras, tot aan de uiterste uiteinden

van het land voortzetten. Zij omspanden het geheele land der Pikten

en Scoten met koloniën. Op de eilanden ten noorden van Schotland,

de "Orkneys" en de woeste, zwak bevolkte "Shetlands" roeiden zij de

oorspronkelijke Celtische stammen grootendeels uit, en zetten in hunne

plaats Skandinavische kolonisten, die echter heden ten dage weder,

sedert zij voor 400 jaar met Groot-Brittanje verbonden werden,

in meerdere of mindere mate met Engelsche en Schotsche elementen

vermengd zijn geworden.

Op den geheelen eilanden-krans, die Schotland ten Westen omgeeft, op

de Hebriden, zuidwaarts tot aan het eiland Man, stichtten de Denen

eene reeks kleine Koningrijken, die meer of minder lang bestaan

hebben. Later verdwenen deze Koningrijken en zelfs de Noorweegsche

taal en rassen gedeeltelijk weder. Op de Hebriden heeft, van uit

het Schotsche hoogland, het Celtendom weder voet gevat, echter zeer

vermengd met het Engelsche element. "Men kan bij deze eilanders

dikwijls niet onderscheiden, wat Celtisch, Skandinavisch of Engelsch

is." Zij maken een arm, een ongelukkig leven leidend, volk uit,

dat door de Engelsche regeering zeer verwaarloosd wordt, ofschoon

het louter menschen van talent en energie zijn, en ofschoon men

berekend heeft, dat, onder anderen een dezer Hebridische eilanden,

het eiland Skije, dat door nauwelijks 25,000 menschen bewoond

wordt, aan het Vereenigde Koningrijk sedert 50 jaren 10,000 man

voettroepen, 600 majoors en kapiteins, 48 luitenant-kolonels,

21 generaals, 5 gouverneurs en gouverneurs-generaal van koloniën

en verscheidene opper-rechters aan Engeland geleverd heeft. Zelfs

is op het meest Zuidelijke van al die eiland-groepen nog menige

instelling uit den Skandinavischen tijd overgebleven, zoo, om maar

een enkel aan te roeren, op het eiland Man, het beroemde zoogenaamde

Man-Parlement. Even als ten tijde toen dit eiland nog door eigene

Vorsten van Skandinavische afkomst geregeerd werd, verzamelt zich

ook nu nog de bevolking, volgens de Ständen, even als de Zweedsche

Storething of Rijksdag, in een zoogenaamd "Thing" of eilandparlement,

wiens leden het recht hebben, de besluiten van het groote Engelsche

parlement te bediscussieeren en voor het eiland Man òf aan te nemen

òf te verwerpen. Ook moet nog veel in het bestuur en het rechtswezen

van het eiland Man, in het bloed, in de zeden en in het bijgeloof

zijner bewoners, een mengelmoes van Celtische en Skandinavische

elementen zijn.

Wat eindelijk het zoo geprezene smaragd-eiland Erin betreft, dit heeft

tot op den tijd der Denen-tochten eigenlijk buiten alle betrekking

met de Germaansche wereld gestaan. Noch Romeinen noch Anglo-Saksers

hadden dit Celtische Westland bereikt. Zijne in verschillende deelen

verdeelde stammen, behielden ontelbare eeuwen, hunne wilde, door de

zee beschermde zelfstandigheid, en de vrijheid elkander onderling

te bestrijden.

Geene volksverhuizing, geene nieuwe taal en ras schijnt dezen toestand

tot op de Deensche periode gestoord te hebben. Zelfs het Christendom

kwam zonder vreemde verovering en geweld, op zeer vreedzame wijze tot

de Ieren, door stille zendelingen die uit Gallië overkwamen. Toen

de Anglo-Saksers het geromaniseerde Engeland veroverden, vluchtte

eene menigte beschaafde Celten, en vooral een groot deel der

Latijnsch-Celtische geestelijkheid naar Ierland, en door dezen werd

Ierland, namelijk in tegenstelling met het door de Anglo-Saksers weder

heidensch gewordene Engeland, een bloeiende zetel der beschaving,

een groot Christelijk zendelingsland, van waar uit nu geleerde en

vrome zendelingen doopende en predikende naar Schotland, Engeland,

België, Duitschland en Zwitserland togen. In dien tijd, toen het

geheele overige Europa onder de invallen der Germanen zuchtte,

had het door hen niet verontruste Ierland de glansperiode zijner

onafhankelijkheid en ontwikkeling, en verwierf het zich den naam van

het "_eiland der Heiligen_".

De heidensche zeevaarders uit Denemarken en Noorwegen, die Ierland

ontdekten, het aan alle zijden omvoeren en in ieder zijner golven

binnendrongen, waren, zeide ik, de _eersten_, die aan dezen overouden

toestand van politieke onafhankelijkheid van Ierland een einde

maakten. Even als in Engeland en Schotland, nestelden zij zich in de

kuststeden van Ierland vast, veroverden en koloniseerden van uit de

havens, kleine landstreken, onder bestuurders, die met de zoogenaamde

Koningen der ingeborene Celten, in verbinding en familiebetrekking

traden. Daar de Denen hier, even als overal waar zij verschenen, ook

kooplieden medebrachten en handel dreven; daar zij van Ierland naar

Schotland, naar Engeland en naar Normandye in Frankrijk zeilden, zoo

namen zij op deze wijze de Ieren, die even als de meeste Celten van

oudsher weinig lust of geschiktheid voor zeevaart en handel hadden,

om zoo te zeggen, in het verkeer-net van het overig Europa op.

Ofschoon de Denen en Noorwegers zich op den duur in Ierland niet

konden staande houden, kan men toch wel zeggen, dat zij zich daar,

in zekeren zin aan de spits van het Germanendom gesteld, en hunne

andere Germaansche stamgenooten den weg daarheen gebaand hebben. De

Engelschen volgden hen later op den voet; zij veroverden Ierland

voor de eerste maal, slechts honderd jaren na de vernietiging der

heerschappij der Denen. Eenige sporen van Deensche familienamen,

geslachten en volksgebruiken, heeft men onder de Ieren nog tot op

den jongsten tijd gevonden.

Zoover over den invloed der Denen en Noorwegers, op de geschiedenis

der ontwikkeling en beschaving der Britsche eilanden.

Beide met elkander wedijverende en in geheel Groot-Brittanje met elkaar

worstelende nationaliteiten, de Denen en de Anglo-Saksers, werden

plotseling te midden van hunnen strijd, van uit Frankrijk andermaal

door een inval getroffen. In het jaar 1066 kwamen onder Willem den

Veroveraar, _de Fransche Noormannen_. Deze wonnen,--geheel anders dan

de Saksers en Denen--geheel Engeland zoowat met éénen slag, door den

vernielenden slag bij Hastings, en verdeelden het onder elkander.

Ofschoon aanvankelijk slechts een klein leger soldaten vormende,

volgden toch gedurende vele jaren, een reeks van binnentrekkingen met

vrouw en kind, van uit Normandye. De voorvaderen dezer zoogenaamde

Noormannen, waren wel voor 300 jaren ook uit Skandinavië gekomen,

maar hadden zich, vooral daar zij geene Noorweegsche vrouwen

medebrachten en met Fransche vrouwen trouwden, in het Zuidelijke

land snel veranderd. In den tijd, toen zij Engeland veroverden,

hadden zij reeds lang Fransche taal en zeden aangenomen.

Hun ridderlijke geest, hun avontuurlijk, heldhaftig en ondernemend

karakter, was wel nog een erfstuk uit het Germaansche Noorden, maar

dit mocht slechts voor de officieren, den adel en de hovelingen

van Willem den Veroveraar gelden. De massa zijner in Frankrijk

gerekruteerde _troepen_, en de hun nakomende _emigranten_, waren

zulke geromaniseerde Galliërs, als overal in Noordelijk Frankrijk

woonden, Walen, Picardiërs, Bretons, dus met andere woorden,

echte Franschen.--De uitbreiding dezer door den Noordschen geest

bezielde Franschen en verfranschte Noormannen in Engeland, onder

Willem den Veroveraar, is van ingrijpender en blijvender gevolgen

voor de Engelsche natie geweest, dan de eveneens van uit Gallië

bewerkstelligde Romeinsche verovering. De vroeger door de Romeinen

zelven ingevoerde Romeinsche elementen hadden de Anglo-Saksers, toen

zij het land binnentrokken, bijna geheel weder vernietigd. Het hun door

de Fransche Noormannen ingeënte en aangebrachte Romanisme daarentegen,

is den Engelschen voor alle tijden gebleven. Het heeft diepe wortelen

in hun wezen geschoten, en uit de, in den loop der eeuwen tot stand

gekomene, innige samensmelting van beide elementen, is hoofdzakelijk

het tegenwoordige nationale karakter der Engelschen te voorschijn

getreden. Een Engelsch schrijver zegt kort en veelbeteekenend:

"_The Norman conquest was the Making_ of England" (De verovering der

Noormannen was de geboorte van Engeland).

Geen land is zoo dikwijls veroverd geworden als Engeland; aan geen

volk is door toevoeging van buiten zoo lang gewerkt en veranderd

geworden. Eerst sedert de verovering der Noormannen is het op eigene

voeten gebleven. Van toen af aan heeft het geene nieuwe immigratie

meer ontvangen, en de geheele vorming zijner nationaliteit is

vervolgens, tot op onze tijden toe, een inwendig proces geweest, dat

van buiten af geen wezenlijken invloed meer ontving. De gezamenlijke

vreemde bijmengingen en toevoegsels, die Engeland in den loop der

tijden ontving, behoorden tot het edelste bloed van Europa. Door

de minder manhaftige en minder geniale stammen der Slawen is het

nooit verontrust; door de Hunnen, Mongolen en Magyaren, die hunne

strooptochten zelfs tot in Frankrijk uitbreidden, is het nooit bereikt

geworden. Israëlieten of andere Aziatische stammen hebben bij hen nooit

grooten invloed gekregen. Ook is het--en in dit opzicht kan het met

zijn nabuur Skandinavië vergeleken worden--ontkomen aan verscheidene

andere bewegingen en verontrustingen, die het overig Europa eeuwen

lang kwelden, door invallen van Saracenen, Tataren en Turken.

In het begin der Noorman'sche of Fransche heerschappij, woonden nog

alle in Engeland binnengedrongene elementen tamelijk onverwerkt naast

elkander; verscheidene sedert onheugelijke tijden bestaande Celtische

volken in Wales, Ierland en Schotland in geheele onafhankelijkheid;

de rest der Denen in het Noorden van Engeland en elders verstrooid,

ten deele nog langen tijd zelfstandig; de Anglo-Saksers in het

Zuiden en Oosten de massa der bevolking uitmakende; en over hen allen

was als heerschende stam nu die vreemdsoortige Fransche Noormannen

als uitgeschud. Het waren meer dan een half dozijn verschillende

volken, ieder met eigene taal, gewoonten en staatsregeling.--Uit de

samensmelting der Noormannen met de Anglo-Saksers, moest eindelijk een

heerschende toon, een domineerende kleur te voorschijn komen, die ten

slotte bestemd was, het geheel tot staan te brengen en te vereenigen.

Eerst scheen het wel, als zou daarbij Engeland geheel verfranscht

worden. De Anglo-Saksische adel werd door de hardvochtige Noorman'sche

Koningen niet alleen van hunne bezittingen beroofd, maar zelfs

gedeeltelijk uitgeroeid. Het onderworpene, vernederde en tot

dienstbaarheid gebrachte Anglo-Saksische volk, zijne zeden en taal

werden door de trotsche Noormannen in hooge mate geminacht. Voor

de rechtbanken en in de wetgeving, zelfs in de scholen, werd de

Fransche taal met geweld ingevoerd. Zij heerschte aan het hof,

onder den geheelen het land binnengetrokken adel en bij alle hoogere

standen van het rijk. Overal werd het Anglo-Saksisch onderdrukt en

vernederd op zij gezet. Wie niet Fransch leeren en spreken wilde,

werd tot het plebs gerekend. Er ontstond in Engeland eene eigene--de

Fransch-Noorman'sche--poëzie, als ook een eigen Noorman'sche

bouwstijl. Beiden ontvingen hunne bezieling uit Frankrijk. Want

ofschoon beide volken, Franschen en Engelschen, toenmaals in

het veld bloedig met elkander streden, was hunne literatuur-

en kunstontwikkeling toch geheel dezelfde. En zelfs werden de

toenmalige Engelsche helden, b.v. een Richard, Coeur de lion (Richard

Leeuwenhart), die Fransch sprak en dacht, door de Fransche historie

bijna geheel als Franschen beschouwd.

Daar niet alleen Normandye, maar nu eens een grooter dan weder een

kleiner gedeelte van het overige Frankrijk, langen tijd met Engeland

in politieke verbinding bleef; daar aanhoudend Fransche familiën

naar Frankrijk, als ware het alles een en het zelfde land, trokken;

daar de legers, om zoo te zeggen, jaar in jaar uit, in Frankrijk te

velde waren, en in vredestijden ook de Engelsche ridders dikwijls aan

het hof der Fransche Koningen verkeerden, zoo werden twee eeuwen lang

steeds nieuwe Fransche elementen en zeden naar Engeland gebracht.

Dat deze elementen daar geene beslissende heerschappij verkregen,

maar veeleer het Germaansche element bleef bestaan, is gedeeltelijk

te danken aan de omstandigheid, dat de hebzuchtige en naar onbeperkte

macht strevende Koningen, die van de Noormannen afkomstig waren,

weldra hunne oude Fransche baronnen evenzeer onderdrukten, als de

onderworpene Anglo-Saksers. Bij hunne oppositie tegen de heerschappij

der Koningen, begonnen dien ten gevolge langzamerhand beide partijen

gemeene zaak te maken. De vreemde Fransche adel bediende zich van de

inboorlingen van het land tegen hunne Souvereinen. Daardoor kwam het

Anglo-Saksische element, dat bij den eersten stoot bijna ter neder

geworpen was, weder omhoog en geraakte het op nieuw in aanzien. In

den loop der tijden verminderden de vooroordeelen der Noormannen, die

het nieuwe land als vaderland even lief kregen als de Anglo-Saksers

zelve. Verbroederingen, verbintenissen en huwelijken bouwden bruggen

tusschen beide volken. Toen later ook nog, in verloop van tijd, de

Engelsche bezittingen in Frankrijk, de eene na de andere verloren

gingen, en eindelijk het Noormansch-Saksische volk geheel tot zijn

eiland beperkt bleef, hield ook de vermeerdering en versterking van

het Romaansch-Fransche element op, en zoo smolten langzamerhand beide

volken samen.

Koning Eduard III schafte in het midden der 14de eeuw, het gebruik

der Fransche taal bij de rechtspraak en in het parlement af. Echter

zijn enkele Fransche phrasen tot op den huidigen dag, zoowel in het

Engelsche parlement als in het rechtswezen in gebruik gebleven. Ook

zekere protocollen over enkele bepaalde zaken, en benoemings-patenten

bij het verkrijgen van zekere waardigheden, worden nu nog in denzelfden

oud-Franschen kanselarijstijl als voor jaren, opgesteld. Ook de

beroemde wapenspreuk der Engelsche Koningen "Dieu et mon Droit",

en ook het "Hony soit qui mal y pense", zijn nog kleine Fransche

overblijfselen of ruïnen uit dien Noorman'schen tijd.

Hoe langzaam echter die samensmelting van het Fransch met het Engelsch

in zijn gang ging, kan men daaruit opmaken, dat de Engelschen nog

zeer lang hunne taal met een Fransch accent spraken. Zoo b.v. legden

zij nog ten tijde van Shakespeare, op Fransche wijze, den klemtoon

op de eindsyllabe der woorden, en zeiden zij b.v. niet, zooals zij

heden ten dage doen, _afféction_, maar _affectión_, niet _afflíction_

maar _afflictión_.

Zeer veel hebben tot deze amalgameering, die eerst ten tijde van

Koningin Elizabeth tot die hoogte gekomen is waarop zij nu nog staat,

vermoedelijk ook de eindelooze binnenlandsche onlusten, de groote

familie-oorlogen der Engelsche _grooten_ en Konings-geslachten

bijgedragen, die als het ware den bodem van het land openreten, de

elementen tot gisting brachten en de oude Anglo-Saksische grondstof

weder naar boven werkten.

Het opvallendst openbaren zich de soort en wijze dier reiniging van

beide in het tegenwoordige Engelsche nationaal-wezen innig verbondene

nationaliteiten, in de taal. Met behulp harer analyse kan men het

aandeel van ieder bestanddeel tamelijk goed aangeven en, om zoo

te zeggen, afwegen. Engelsche taalvorschers hebben berekend, dat

onder de 100 Engelsche woorden, plus minus 60 van Anglo-Saksischen

of Duitschen, 30 van Romeinschen of Franschen, en slechts 10 van

Celtischen of anderen oorsprong zijn. Daarnaar te oordeelen, is het

Duitsche element in de taal dubbel zoo sterk vertegenwoordigd als het

Romaansche, en deze verhouding mag over het geheel voor de vraag,

in hoeverre het Duitsche of Romaansche wezen bij de Engelschen de

bovenhand heeft, als maatstaf dienen.

Verder is daarbij niet alleen de _quantiteit_ van het uit beide bronnen

geputte, maar vooral ook de _qualiteit_, voor de verhouding en het

gewicht der beide elementen, zeer karakteristiek. De Engelsche

taal heeft uit de Duitsche bron eene geheel andere soort van

woorden en denkbeelden gehouden, dan zij aan de Fransch-Romaansche

ontleende. Alles wat het huiselijk- en familieleven betreft, alle

uitdrukkingen voor nauwe betrekkingen onder de menschen, voor liefde,

vriendschap en bloedverwantschap, verder al de benamingen voor de

meeste voorwerpen, die nauw verwant zijn aan het huiselijke en het

volksleven, voor weide en veld, voor bosch, akker en tuin die de woning

omgeven, voor de geheele natuur, voor het hart en de ziel van het volk,

zijn Duitsch.

Alles daarentegen, wat beschouwd moet worden als een product van

den geest en het verstand, van de kunst en eene hooge mate van

ontwikkeling, wordt door Romaansche woorden aangegeven.--Aan den

Staat gaven de veroverende Noormannen zijnen vorm. De onderwerpen

van de politiek, de namen der verschillend bevoorrechte standen der

maatschappij en der plaats-inrichtingen, even als deze inrichtingen

zelve, (b.v. het parlement), stammen uit het geromaniseerde land,

uit Frankrijk af. Maar op de onderste trappen van het groote

maatschappelijke gebouw, in de dorpen, velden en beemden, bleven

Duitsch karakter, Duitsche wetten en zeden wortelen.

Even als de nieuwe staatsvorm, zoo kwamen ook kunsten en wetenschappen

met de Noormannen uit Frankrijk. Daaraan is het toe te schrijven,

dat, terwijl alle _ruwe_ zaken, alle _inheemsche_ boomen, dieren en

levenlooze stoffen, de oude Duitsche namen behouden hebben, en daar

waar deze zaken door kunst veranderd en vervormd zijn, het Romaansche

element in de plaats van het Duitsche treedt. Dit geldt b.v. zelfs van

de meest materiëele aller kunsten, de kookkunst. De schapen, de koeien,

de ossen blijven Duitsch--"_sheep_", "_cow_", "_oxen_"--zoolang zij

onder de hoede der Anglo-Saksische herders op de weide grazen. Zoodra

zij echter geslacht en in de handen der koks, die de Fransche Baronnen

medebrachten, overgegaan zijn, verruilen zij hunne Duitsche namen tegen

Fransche en worden "_mutton_" (_mouton_), "_beef_" (_boeuf_), "_porc_"

(_porc_).--Men heeft met betrekking hierop de Engelsche taal en even

als deze, ook het karakter der geheele Engelsche nationaliteit met

een weefsel vergeleken, waarbij de grove grondstof of het haren doek

Duitsch, het sierlijke borduursel er op echter Romaansch is. Men zou

beiden ook met een gebouw kunnen vergelijken, waarvan het fundament

en de hoofdmuren Duitsch, de koepels, torens, het beeldhouwwerk, de

hoek- en randsteenen echter Romaansch zijn.--Het geheele beendergestel

der taal, hare zenuwen en banden, de lidwoorden, voornaamwoorden,

en alle kleine woorden die de groote tot volzinnen verbinden, zijn

Duitsch; de bonte, gladde, het organismus bekleedende huid echter,

de geheele ornamentiek, is Romaansch.

De Fransche Noormannen maakten, om zoo te zeggen, de Engelsche taal

haar toilet; zij verfijnden en beschaafden haar. En even als de taal

hebben zij ook in zekeren zin het geheele volk gekostumeerd, beschaafd

en verfijnd. Ter nauwernood vindt men in Europa, behalve het Engelsch,

een tweede taalmengsel, waaruit zich op eene tevens gemakkelijke en

leerrijke wijze, de geheele geschiedenis van het volk laat lezen.--"De

Fransche of Latijnsche woorden," zegt een Duitsche taalvorscher, "staan

naast de Duitsche, als trotsche Baronnen, geleerde bisschoppen en

bekwame artisten, naast eenvoudige landlieden en herders." En men zou

er bij kunnen voegen, "ook naast kooplieden en schippers." Want even

als de uitdrukkingen bij den scheepsbouw en bij het geheele zeewezen,

bij het handelsverkeer en op de markten gebruikelijk, zoo was en bleef

bij de Engelschen ook de zeemans- en handelaarsondernemingsgeest,

geheel en al een deel van het Germaansche wezen.--De oorlog en het

militaire wezen daarentegen werden weder Fransch.

De Duitsche eik toont zich in de taal der Engelschen, nauw omslingerd

door het Romaansche klimop. Maar niet overal is de slingerplant niets

anders dan een uitwendig toevoegsel gebleven. Nu en dan heeft zij

hare sterk kronkelende massa met het hout van den eik verbonden, en

is in zekere mate zelf stam geworden. Het minst heeft zij hem in de

hartader getroffen, maar zij stijgt met tallooze vertakkingen hoog in

zijne kruin op. Dáár, in zijne kroon, neemt zij somwijlen de plaats der

doode takken van den hoofdboom in. Meestal begeleidt zij ieder Duitsch

takje met een duidelijk Romaansch twijgje, zoodat men dikwijls van den

een op den ander overgaan, en zich in vele gevallen op tweeërlei wijze

uitdrukken kan, òf door alleen oud-Saksische stamwoorden te gebruiken,

òf door zich alleen van de Fransche en Latijnsche te bedienen.

Geschiedenis der Europeesche Volken · 第 25 / 62 题