Ten Noord-Oosten van Spanje wordt door de elkander dicht naderende
zeeën, het lichaam van ons Europa weder aanzienlijk verengd, en als
ineengeregen. Het vormt om zoo te zeggen, den hals van het groote
standbeeld van ons werelddeel.
Even als bij de buste van het menschelijk lichaam, zoo is ook bij ons
werelddeel deze halsvernauwing van geen langen duur. Aan weerszijden
vindt men de breede schouders. De borst van het "schoone Frankrijk,"
dat zijne armen, Italië en Groot-Brittanje, rechts en links uitbreidt,
welft zich hier.
Bijna even scherp en duidelijk als het Spaansch hoofdgedeelte, heeft
de natuur ook dit gedeelte van ons vasteland, als geheel op zich
zelf staande gevormd en van de andere landen-massa's gescheiden;
zij schijnt dit land oorspronkelijk reeds tot de woonplaats van
een eigenaardig geslacht, tot het schouwtooneel van invloedrijke
gebeurtenissen, tot wieg en bakermat van één volk, en tot het goed
voorbereide fundament van een machtigen staat bestemd te hebben.
De Pyreneën is het als een parelsnoer om den hals gestrengeld. Als eene
muur scheidt die keten het van het Iberische schiereiland. Zijne beide
schouders worden door de zee bespoeld en zijn in scherpe kust-lijnen
duidelijk afgeteekend. Op de hoogte der taille echter slingert zich
de vaste gordel der Alpen, van den Jura, der Vogesen, der Ardennen,
die het van Italië en Duitschland scheidt, waarbij echter in het
midden (ter hoogte van Midden-Duitschland) het slot en de sluiting
vergeten is.--Van de hooge grensomwallingen in het Oosten en Westen,
loopt het land vlak naar binnen en naar het westen, alwaar het een
bassin vormt, af.
De stroomen van dit bassin vormen een samenstelsel van eigenaardig
tot elkander behoorende en door elkander gevlochten aderen, die allen
als stralen uit een zelfde middenpunt loopen.--Geen van hen maakt
zulke excentrische en afwijkende banen, als b.v. de Duitsche Donau
naar het Oosten. Daar zij allen in hunne hoofdtakken in hooge mate
bevaarbaar zijn, veel meer dan b.v. de kleine, korte bergstroomen
van Italië, of de arm aan water zijnde stroomaderen van Spanje,
zoo zijn zij zeer geschikt om bij wijze van band, de bevolking
te zamen te houden en in elkander te versmelten. Zij worden door
onbeduidende hoogte-ketens, dikwijls slechts geheel vlakke en kleine
plateaus, nergens door zulke steile rotsgebergten als de Italiaansche
Apennijnen, of als de Spaansche Sierra's, van elkander gescheiden,
en zij konden alzoo, door handelswegen van den eenen stroom tot den
anderen en door kanalen, tot een zeer nauw verbonden scheepvaart-
en verkeerstelsel vereenigd worden. Strabo heeft gezegd, dat het
schijnt alsof de Voorzienigheid de stroomstelsels van Gallië, volgens
een vastgesteld plan, ter bevordering van het verkeer en ten gerieve
der bewoners aangelegd heeft.
De geheele figuur van dit scherp afgeteekende gedeelte van Europa,
is noch zooals Italië zeer in de lengte uitgestrekt, noch zooals
Rusland overmatig breed, of als het Grieksche schiereiland verkorven
en versnipperd. Het is veeleer een in hooge mate aaneengesloten,
goed geëvenredigd geheel, en laat zich binnen den omtrek van een
regelmatig vierkant of wel binnen dien van een cirkel vatten. Het
strekt zich ook niet over zoo aanzienlijk verschillende luchtstreken
uit, maar valt veeleer midden in den schoot van den gematigden
aardgordel, en heeft daardoor ook in al zijne deelen een meer
gelijkmatig klimaat, dan misschien eenig ander der _grootere_
onderdeelen van ons werelddeel. Frankrijk maakt met betrekking tot
zijn klimaat een overgang uit tusschen het Zuiden en het Noorden,
en staat midden tusschen het Oosten en Westen. Het is veel minder
droog dan Spanje, niet zoo heet als Italië, op verre na niet zoo
vochtig als Groot-Brittanje, en gemiddeld vriendelijker en zachter
dan Duitschland of zelfs het verre Oosten.
Even als met betrekking tot klimaat en vorming der oppervlakte,
zoo heeft het ook nog in andere opzichten niet die veelvuldige
verscheidenheid zijner naburige landen, en is het eenvormiger dan
deze. Het is over het geheel zeer geschikt tot de verbouwing der
Europeesche granen, overal redelijk vruchtbaar en productief, en
slechts bij uitzondering staan onoverwinbare hinderpalen de bebouwing
van den grond in den weg. Nergens groeien de Europeesche vrucht-
en ooftboomen beter dan daar. Ook valt bijna het geheele land nog
in de streek van den wijnstok, wat, voor het karakter van klimaat en
luchtgesteldheid, misschien van meer beteekenis is dan alles, wat men
nog meer over zijne gemiddelde of zomer- en wintertemperatuur-graad
zou kunnen zeggen.
Het is gemakkelijk te begrijpen, dat in eene landstreek van dergelijke
gesteldheid, die in zoo hooge mate met alle naburige landstreken
in contrast staat, die daarentegen in zich zelve eene zoo groote
eenheid vormt, ook een bepaald volken-geslacht zich vastzetten en
verbreiden, en in den loop der tijden eene bijzondere en eenige natie
zich vormen moest.
Toch heeft men ook in Frankrijk, bij alle gelijkvormigheid in _het
geheel_, verscheidene natuurlijke afscheidingen en geledingen,
die zich in de geschiedenis van het volk van veel invloed getoond
hebben, en op deze wil ik thans de aandacht vestigen. In de eerste
plaats verbergt het land, trots die nagenoeg overal heerschende
gelijkvormigheid in de verhoudingen van zijn klimaat, in zijn schoot
een Zuiden en een Noorden. De Zuidelijke helft is merkbaar warmer dan
de Noordelijke en nadert een weinig de natuur van Italië en Spanje,
midden tusschen welke landen het gelegen is. Het Zuiden vormt ook
daardoor een contrast met het Noorden, dat het bergachtiger is. Het
bevat het eenige, tamelijk hooge en _echt Fransche_ bergstelsel,
de Cevennen, met zijne vertakkingen.
Het Noorden is een breeder vlakte- en heuvelland, en neigt zich,
zoowel wat zijn klimaat betreft als uit een geologisch oogpunt,
tot de natuur van Engeland en Duitschland. Daar beide deelen, het
Zuiden en het Noorden, door geheel verschillende zeeën bespoeld
worden, gene door de Middellandsche, deze door de Atlantische Zee,
zoo zijn ook daardoor hunne belangen, en hunne punten van aanraking
met de buitenwereld, verschillend. Eene lijn, die Oostwaarts door het
midden van Frankrijk, van Genève over Lyon naar den mond der Gironde
gaat, mag ongeveer beschouwd worden het Fransche Noorden en Zuiden
van elkander te scheiden.--Langs deze lijn loopt in Auvergne en in
Limousin, eene reeks met bosschen bedekte bergen. Daar bestonden
sedert de 12de eeuw groote kastanjebosschen, die hier eveneens de
plantengroei-grens tusschen Noord en Zuid vormden.
Beide deelen van het groote land hebben, ten gevolge hunner contrasten,
meermalen geheel verschillende lotgevallen gehad. Het Zuiden heeft
in den loop der geschiedenis dikwijls bevolking en heerschappij
met Italië en Spanje gedeeld, en is herhaaldelijk een tusschenlid,
een doortrekkings-gebied tusschen deze beide naburige landen
geweest. Het Noorden daarentegen is meermalen, zoowel ethnographisch
als staatkundig, met het naburig Engeland, met de Nederlanden en met
Duitschland vereenigd geweest. Nog tegenwoordig toonen Zuidelijke-
en Noordelijke Franschen, in ras, zeden en taal een aanmerkelijk
verschil, dat zoo groot is, dat zij zich dikwijls nog ternauwernood
onder denzelfden naam begrijpen. De Zuidelijke-Franschen in Provence
noemen zich b.v. liever alleen "Provençalen", en laten den naam
"Franschen" bij voorkeur aan de Noordelijke Franschen. Het verschil
tusschen Noord en Zuid toont zich, zoowel in de natuur des lands als
in de geheele geschiedenis van het volk, van de oudste tijden af tot
op de jongste tijden toe.
Ofschoon verder, zooals ik zeide, de deelen van Frankrijk ook door de
figuur en den omtrek van het land, tot een in hooge mate compacten
en in zich zelven besloten landenkring samengeweven zijn, zoo maken
zich toch eenige dier deelen meer of minder van het hoofdlichaam los,
zooals zulks bij voorbeeld zeer in het oogvallend het geval is met
het lange schiereiland in het Westen, dat wij nu Bretagne noemen,
en verder ook met het daarmede zeer veel overeenkomst hebbende
Normandische schiereiland. Niet alleen geographisch, maar ook
ethnographisch en staatkundig, hebben zich deze beide schiereilanden
van het overige lichaam des lands gescheiden gehouden, hebben eene
eigene bevolking gehuisvest, of somwijlen tot grondslag gediend
voor afzonderlijke staten, als waren zij niet anders dan eilanden,
die aan het hoofdlichaam van Frankrijk werden toegevoegd.
Iets dergelijks laat zich aangaande eenige riviergebieden van het land
opmerken, vooral dat der Rhône, die, ofschoon met andere naburige
Fransche stroomen verbonden, toch een zeer exceptioneelen loop
heeft. Al de andere rivieren in Frankrijk loopen naar het Westen,
en alleen de Rhône is van het Noorden naar het Zuiden gericht, en
vormt daarom met haar een dergelijk contrast, als in Spanje het zoo
exceptioneele Ebro-gebied ten opzichte der overige rivieren van het
Pyreneesche schiereiland.--Meermalen heeft zoowel het Rhônegebied in
Frankrijk als het Ebro-bekken in Spanje, een rijk en een volk op zich
zelf gevormd.
Met uitzondering dezer meest opvallende natuur-verschillen en van
zooveel andere kleine verscheidenheden, zooals die in ieder land
voorkomen, staat Frankrijk echter--ik herhaal het--in hoofdzaak als een
uiterst gelijkmatig geographisch, klimatisch, hydro- en orographisch
geheel daar.
Nieuwere onderzoekingen hebben het waarschijnlijk gemaakt, dat de
Noordelijke helft van dit land, even als geheel het overige midden-
en westelijk Europa, oorspronkelijk door wilde jagersvolken van
Finschen oorsprong bewoond is geweest, die noch de zee, noch de
rivieren op grootsche wijze bevaren hebben, die ook, in kleine
barbaarsche stammen verdeeld, niet in staat waren, een zoo grooten
gemeenschappelijken staat, een zoo groot gebied als Frankrijk, tot een
vaderland te stempelen of te benuttigen. Alle menschenschedels uit
de oudste graven van Frankrijk dragen, naar de meening van Prichard
en andere geleerden, een "Finsch" of "Mongoolsch" karakter.
Tijdens het eerste begin der Grieksche en Italiaansche ontwikkeling,
was dit echter reeds een lang vervlogen voortijd. Toen had zich reeds
in geheel Frankrijk die groote volksstam met der woon nedergezet,
die men als de voorhoede der Indo-Germaansche familie beschouwen kan,
en die vroegtijdig den naam "Celten" verkreeg. Deze Celten verdreven
geheel en al, tijdens zij het binnentrokken, de Finsche stammen die zij
in het Noorden van het land vonden. In het Oosten bleven zij met hen,
voor de aankomst der Duitschers, langen tijd buren. Misschien dateeren
van deze aanraking der Celten met de Finnen, nog menige klanken,
elementen en wortels van woorden, die de Celtische en zelfs de moderne
Fransche taal--naar de meening van enkele taalonderzoekers--nog met
de taal der Finnen en zelfs met die der Samojeden gemeen heeft.
De Iberische stammen, die zich in duisteren voortijd, even als in
Spanje, ook in de Zuidelijke helft van Frankrijk vastgenesteld hadden,
en op welke nu de Celten, bij hunne uitbreiding door het land stieten,
konden zij niet zoo gemakkelijk vernietigen, omdat deze reeds eene
dichtere en meer aan elkander gesloten volkenmassa vormden. Zij drongen
deze gedeeltelijk over de Pyreneën naar Spanje en onderwierpen ze
anderdeels, terwijl zij hunne overblijfselen met hun eigen volkslichaam
deden samensmelten. Iberisch bloed en geaardheid heeft zich bij de
Zuid-Franschen ten allen tijde geopenbaard.--Zelfs Napoleon heeft nog
gezegd, dat hij in de Zuidelijke Franschen, die in het jaar 1793 even
heftige Jakobijnen, als in het jaar 1815 hartstochtelijke royalisten
geweest zijn, "de oude heetbloedige Iberiërs" erkende.
Dat de Celten, die zoowel de oude Finsche als Iberische oorspronkelijke
bewoners overstroomden, even als alle Indo-Europeanen uit het Oosten,
uit Azië naar Europa gekomen zijn, wordt onder anderen uit hunne
taal bewezen, die hare naaste verwanten bij de Westelijke-Aziaten
heeft. Fransche en Duitsche geleerden hebben over de verwantschap
van het Celtisch met het Sanskriet, in den nieuweren tijd werken
geschreven, waarin zij dit punt in een helder licht gesteld hebben.
Ook vinden wij sporen der Celten op den weg van het Oosten door
Zuid-Duitschland en langs de Donau-landen, waar eens overal Celtische
stammen schijnen gewoond te hebben. Door de Germanen echter en door
de Slawen, die na hen langs dienzelfden weg kwamen, zijn zij op die
breede baan weder bemoeielijkt en verdreven, en hunne hoofdmassa is
binnen het vierkant van Frankrijk samengedrongen geworden.
Dit vierkant nu namen de Celten als hunne Europeesche hoofdburcht in
bezit, en hieruit zijn zij, ofschoon somtijds door vreemden onderworpen
en verscheidene malen gewijzigd, sedert dien tijd niet meer verdreven.
Van uit dit hun centraalpunt hebben zij zich op verscheidene
tijden, op de door de natuur aangegeven banen, over al de hen
omringende groote Europeesche landen verspreid, en hebben zij op
de ontwikkeling van alle naburige nationaliteiten meer of minder
invloed uitgeoefend.--De Pyreneën overtrekkende, vielen zij Westelijk
eerst Spanje binnen. Dit moet ongeveer 1600 jaren voor de geboorte
van Christus gebeurd zijn. Zij vonden daar eene sterke Iberische
bevolking. Zij vermengden zich met een gedeelte van dat volk en
daaruit ontstonden de zoogenaamde "Celtiberiërs" dat wil zeggen
geceltiseerde of, als men wil, verfranschte Iberiërs. Een zuiver
Gallisch ras vestigde zich daar echter niet, en de "Celtiberiërs"
zijn later weer, zooals bij de beschouwing der Spanjaarden reeds
opgemerkt is, in het zich ontwikkelende Spaansche wezen opgegaan,
waarbij de Pyreneën reeds vroegtijdig de grenzen tegen de eigenlijke
Celten in Frankrijk uitmaakten.
Op dezelfde wijze begaven de Celten zich ook over de Alpen naar
Italië, bezetten de bovenste dalen en vlakten van dit land, Piemont en
Lombardije, die nog door de Romeinen _Cisalpynsch_ Gallië of Celtenland
genoemd worden. Het bloed en het ras van het volk hebben daar, zooals
reeds bij de beschouwing der Italianen opgemerkt is, veel Celtisch
of Fransch, ofschoon zij, in taal, zeden en nationale gevoelens,
in den loop der tijden, even als de Celtiberiërs in Spanje, aan hun
moederland geheel vervreemd, en bijna geheel Italiaansch geworden zijn.
Ook naar den ouden, hun welbekenden Oostelijken weg, langs welken de
Celten uit Azië gekomen waren, keerden zij dikwijls weder terug. Op
hunne woeste krijgstochten onder aanvoering hunner "Brennus"
(Koningen), trokken zij langs den Donau tot naar Griekenland en zelfs
tot Klein-Azië.--Zij verwoestten in die richting--het was dezelfde
weg, dien later de Fransche kruisridders ook volgden--eens zelfs het
Helleensche heiligdom te Delphi. Maar desniettemin gelukte het hun
niet, daar eenig gebied duurzaam te kunnen blijven beheerschen en met
hun ras te bevolken. Al het Celtische is daar later in het Slawische
en Germaansche verloren gegaan.
Men wil echter in het ras, in de physionomie en zelfs ook in de
Duitsche taal van verscheidene der Alpenbewoners, b.v. der Tyrolers
en Opper-Beieren, veel Celtisch opmerken. In hoofdzaak echter werden
de Celten door de Germanen, over den Jura, de Vogesen en de Ardennen,
en ook uit het geheele Rijndal verdreven.
Even als de Celten de bergen, die hen aan alle zijden insloten,
overtrokken, zoo trokken zij ook den zee-arm, die hen van
Groot-Brittanje scheidde, over, en hebben zij zich in den oudsten tijd
in alle richtingen over deze groote eilandengroep verspreid.--Hunne
stammen verbreidden zich over alle heuvellandschappen, schuilhoeken,
aanhangsels en bijgelegene eilandjes van die landen. En Groot-Brittanje
is tot op heden (behalve Frankrijk), het belangrijkst gedeelte gebleven
van het gebied, waarover zich de Celten verspreidden. Nu nog ontmoet
men daar in vele Westelijke bergachtige streken, de Celtische taal,
de zeden en denkwijze van het Celtische ras. Ook leverden de Celten
een wezenlijk element ter vorming der later hier, met Germaansche hulp,
ontstane Engelsche natie.
Ofschoon de Galliërs na deze vroegtijdige en voorhistorische bewegingen
buiten de grenzen van hun eigenlijk vaderland, zich nog dikwijls en
zelfs nog in de jongste tijden, langs _dezelfde_, zoo even aangegevene
natuurlijke wegen bewogen hebben; ofschoon zij schier in iedere eeuw
een of meermalen langs den Donau afzakten, of over de Pyreneën Spanje,
of over de Alpen Italië binnenmarcheerden, of over het Kanaal naar
Groot-Brittanje voeren, of wel over de Vogesen aan den Rijn verschenen;
en ofschoon zich de invloed en de sterke inwerkingen dezer natie, om
zoo te zeggen, aanhoudend deden gevoelen, zoo heeft toch wezenlijk
geen verdere uitbreiding van hun ras plaats gevonden, en zijn zij
in het geheel met hun nationaal type altijd tot het aangegevene
landen-vierkant tusschen Spanje en Duitschland, beperkt gebleven.
Toen de Celten uit Azië Europa het eerst binnentrokken, zullen zij
waarschijnlijk een even onbeschaafd en zwervend nomaden-volk geweest
zijn, als alle andere stammen, die van daar kwamen om ons werelddeel te
koloniseren. Nadat zij echter in het zachte, vruchtbare en vriendelijke
Gallië meer vaste woonplaatsen gekregen hadden, schijnen zij zich
vroegtijdig, daar de Oceaan, de Pyreneën en de naburige volken hunnen
verderen voortgang stuitten, eenige meerdere ontwikkeling eigen gemaakt
te hebben. Zoo lang de geschiedenis de Galliërs kent, toont zij ze
ons als landbouwers en bewoners van steden. Hunne steden waren reeds,
toen de Grieken en Romeinen het land onderzochten, talrijk en voor een
deel sterk bevolkt, sommige waren van steen zeer stevig gebouwd en ter
verdediging door muren omgeven. Dit alleen reeds toont eene grootere
mate van beschaving bij de Galliërs, dan wij zelfs in een lateren tijd,
oostelijk van den Donau, bij de Germanen, Slawen enz. vinden.--De
Romeinsche berichten over Gallië spreken ook reeds van verscheidene
_standen_ bij het volk, aan een zeer machtigen priesterstand, die der
zoogenaamde Druïden, van een hoogeren en lageren adel, van een stand
van boeren en stedelingen, van Koningen en Vorsten, die dikwijls over
zeer groote gedeelten van het land heerschten.
En als ook de organisatie en de vereeniging van het volk, vóór de
tijden der Romeinen niet zoo ver schijnt gegaan te zijn, dat het
geheele Gallië één staat onder één Koning uitmaakte, zoo kwamen toch
bij groote, algemeene ondernemingen der natie, bij veroveringstochten
naar Italië of naar de Donaulanden, enkele machtige legeraanvoerders,
de bovengenoemde "Brennus" aan het hoofd, die men in zekeren zin als
de eerste Vorsten van Frankrijk kan beschouwen.
Daar, waar zij tegen den rand van de Middellandsche Zee, het
beschavings-bassin der oudheid, stieten, kwamen de Galliërs het
eerst met de beschaving in aanraking. Reeds de Pheniciërs hebben daar
waarschijnlijk invloed op uitgeoefend, maar deze was niet zoo groot
als die hunner opvolgers de Grieken. Evenals overal langs de kusten
der Middellandsche Zee, stichtten de Grieken ook in Zuidelijk Gallië,
verscheidene belangrijke koloniën, waaronder Massilia (Marseille)
reeds 550 jaren voor Christus geboorte, de bloeiendste was. Uit
deze sterk bevolkte en rijke stad drong Grieksche beschaving
Zuidelijk Gallië binnen. Van de Grieken ontvingen de Galliërs
de schrijfkunst. Bijna alle oude Gallische inscripties zijn met
Grieksche letters geschreven. De voorname Galliërs die in Marseille,
in de daar aanwezige Grieksche scholen, hunne opvoeding ontvingen,
leerden zelfs de Grieksche welsprekendheid en poëzie.
Daar de Grieken echter alleen op de zee en langs den kustzoom van het
groote land bleven, is hun invloed op de verandering van het ras en de
natuurlijke geaardheid van het volk, niet bijzonder groot geweest. Men
kan niet zeggen, dat die invloed op de Galliërs in die mate plaats had
als later die der Romeinen; maar opmerkenswaardig is het, dat men nog
heden ten dage in de stad Marseille, een havenwijk aantoont, waar de
arme visschers en matrozen als afstammelingen der Grieksche Phoceërs
beschouwd worden, en die nog in taal en zeden niet onduidelijke sporen,
dezer afstamming uit het Hellenen-land, moeten aan den dag leggen.
Even als de Grieken, zoo bezetten ook de Romeinen aanvankelijk alleen
de kuststreek van Gallië langs de Middellandsche Zee, een gedeelte
van Zuid-Frankrijk, dat zij "_Provincia_" (Provence) noemden, en
in welk gedeelte zij overal reeds vroegtijdig koloniën aanlegden
en hunne beschaving en taal invoerden. Daar heeft ook later, het
Romeinsche en Italiaansche karakter zich het langst gehandhaafd,
en nog heden ten dage verkondigen in die streek, de meest grootsche
ruïnes van Romeinsche werken, die Frankrijk aan te wijzen heeft,
de eens zoo diep en vroegtijdig hier wortelende macht der Romeinen.
Kort voor de geboorte van Christus, onder hun machtigen Imperator
Julius Cesar, veroverden de Romeinen, in eene reeks buitengewoon
gelukkige en snel uitgevoerde ondernemingen, _geheel_ Gallië tot
aan het Ryndal in het Oosten en tot aan den Oceaan in het Noorden
en Westen, organiseerden het naar hunne wijze, en behielden het nu
langer dan 400 jaar als een wezenlijk deel van het rijk, tot dat
eindelijk dat rijk zelf ten onder ging.
Cesar, de Romeinsche veroveraar en beschaver van Gallië, is ook
in de beroemde beschrijvingen, die hij ons van zijne reizen en
oorlogen nagelaten heeft, de eerste die eene uitvoerige en zorgvuldige
schildering van het land en het volk gegeven heeft. Door hem leeren wij
voor het eerst de ras-eigendommelijkheden, het nationale-karakter en de
zeden der voorvaderen onzer Franschen iets nader kennen. En uit zijne
geschriften spreekt duidelijk eene lands- en volks-physionomie tot ons,
zooals in hoofdtrekken nog heden ten dage in Frankrijk bestaat.
De Galliërs, zegt Cesar, zijn, in vergelijking met hunne naburen de
Duitschers--dit is eene vergelijking, waarop oude en nieuwe schrijvers,
om zeer nabijliggende redenen dikwijls terugkomen--menschen van eene
stevige natuur. De Germanen verschillen van hen, door hunne groote
gestalte en sterken lichaamsbouw. De gezichtsvorm en het hoofd van
het Gallische ras is opvallend rond, terwijl bij de Duitschers,
die nog heden ten dage door de Franschen voor "_têtes quarrées_"
uitgescholden worden, alles meer hoekig en meer langwerpig schijnt.--De
gelaatstrekken der Galliërs zijn, volgens Cesar, levendiger en hebben
meer uitdrukking dan die der Germanen. Zij hebben krulhaar, en groote,
zeer beweeglijke oogen. Met betrekking tot de grondtrekken van hunnen
inborst, merkt Cesar op, dat zij een gemakkelijk op te winden,
spoedig besloten en bijzonder lichtzinnig, spraakzaam en geestig
volk zijn, terwijl hij de Germanen als meer ernstige, bedachtzame,
bedaard overleggende en tevens tragere en langzamer barbaren tegen
hen overstelt. Van de "_subita et repentina consilia Gallorum_" (de
plotselinge besluiten en oogenblikkelijke opwellingen der Galliërs)
maakt Cesar dikwijls melding.--"_In consiliis mobiles, plerumque de
novis rebus student_" (In hunne beraadslagingen zijn zij wankelmoedig
en zij haken altijd naar veranderingen.)--"_Levem auditionem habent
pro re comperta_." (Het minste gerucht nemen zij dadelijk voor eene
uitgemaakte zaak aan).--Zij zijn zoo verlangend naar nieuwigheden,
zegt Cesar verder, dat zij de reizigers op de wegen aanhouden en
hen dwingen stil te staan, om van hen te hooren wat ergens anders
voor verwonderlijks plaats gegrepen heeft. Volgens hem zijn zij een
bijzonder gezellig volk. Zij zijn vroolijk en genieten het oogenblik.
Eene der voornaamste genoegens hunner gezellige bijeenkomsten,
bestaat in de bij hen ontstane discussies. Bij deze disputen en
gesprekken toonen zij zich altijd hevig en grillig. Hunne stemmen zijn
bijna altijd dreigend en levendig, zij mogen bedaard of opgewonden
zijn. Zij openbaren daarbij niet de minste vastheid van karakter of
zelfbeheersching, die een man zoo goed staan. "_Avidi jurgiorum_"
(zij zijn begeerig naar twist), en toonen daarbij eene hoogmoedige
aanmatiging.--Hunne ongeloofwaardigheid is zoo groot, dat zij spottend
en lachend hunne beloften breken. (_Ridendo fidem frangunt_). En hunne
lichtzinnigheid gaat zoover, dat zij onder elkander hun leven voor
geld of voor een paar bekers wijn veil hebben. "Somwijlen schijnen zij
bezield door een dollen waanzin," voegt de verbaasde Romein er bij,
"die aan het ongelooflijke grenst."
Zij zijn zeer moedig en strijdlustig, en zelfs een grijsaard
onderscheidt zich bij den wapendienst met dezelfde doodsverachting,
als een jong man in den bloei zijner jaren. Als zij in den oorlog
overwinningen behalen, dan zijn zij onverdragelijk trotsch; worden
zij overwonnen, dan laten zij den moed spoedig geheel zinken. Iets
dergelijks constateert ook Cicero, die de Galliërs zeer kort in de
volgende woorden teekent. _Plerumque Gallia duas res industriosissime
persequitur, rem militarem et argute loqui_; wat men zou kunnen
vertalen door: "op twee dingen stellen de Galliërs (Franschen),
bijzonder veel prijs, op het krijgswezen en op vernuftig te spreken."
Zij hebben eene opvallende voorliefde voor opschik en pronk. "Niet
alleen vrouwen, maar ook de mannen versieren zich gaarne den hals en
de armen, met gouden kettingen, ringen en gespen. En zij, die eene
betrekking bekleeden, hebben bontgekleurde en met goud geborduurde
kleedingstukken. De Gallische _Sagum_ (mantel) is zelfs bij de mindere
standen bijzonder bontgekleurd en geborduurd. De wispelturigheid die
zij in den dagelijkschen omgang ten toon spreiden, openbaart zich ook,
zegt Cesar verder, in hunne politieke geschiedenis; zij zijn bijzonder
geneigd tot omwentelingen en eene plotselinge ommekeer van zaken,
en verwisselen gaarne van bestuur, "_mobilitate et levitate animi
novis imperiis student_."
Een ander groot land- en volken-beschrijver der ouden, Strabo, schrijft
iets dergelijks. Maar hij voltooit de schildering door er aan toe te
voegen, dat de Galliërs bij dat alles toch recht goedhartige menschen
(_bons enfans_) zijn. "Zij zijn," zegt hij, "zeer gemakkelijk tot een
goed plan over te halen." "Als zij meenen, dat een hunner buren onrecht
geleden heeft, komen zij spoedig bij elkander en dan kent hun toorn
geen perken." Ook stemt Strabo daarin met andere Romeinsche schrijvers
overeen, dat zij zeer ontvankelijk zijn geweest voor onderricht
en verstandelijke ontwikkeling, dat zij een zeer scherp oordeel en
nog menige andere uitstekende geestesgave bezaten.--Met betrekking
tot hunne zedelijkheid echter, worden de Galliërs door alle oude
schrijvers niet zoo gunstig beschreven als de barbaarsche Germanen,
wien zij eene hoogere mate van zedelijkheid en kieschheid toeschrijven.
Naar dit alles mag men wel zeggen, dat reeds voor 2000 jaren het
grondkarakter der bewoners van Gallië, in hoofdtrekken juist zoo
was, als het zich den vreemdeling ook in latere tijden geopenbaard
heeft.--Alle latere nederzettingen en veroveringen schijnen in de
hoofdkaraktertrekken van deze, ons reeds uit de oudste berichten
tegenblikkende volks-physionomie, niet veel veranderd te hebben.
Even als het zedelijk karakter, zoo is ook het physische type
der oude Galliërs nu nog in het wezenlijke hetzelfde gebleven. De
heer Edwards, een fijn kenner en scherp opmerker der lichamelijke
nationale eigenaardigheden der Europeanen, heeft de oude Gallische
schedelvorming, het niet-hoekige hoofd met het smalle voorhoofd en
met groote en opene oogholten, met afgeronde neus en kin, overal in
Frankrijk wedergevonden en heeft aangetoond, dat de tegenwoordige
Franschen ook, wat bloed, ras en lichamelijke gesteldheid aangaat,
in hoofdzaak nog altijd de oude Celten zijn.
Het meest is later de taal der Galliërs veranderd, maar toch heeft ook
het tegenwoordige Fransch nog veel Celtisch; het bevat eene menigte
woorden, die noch uit het Romeinsch, noch uit de later ingedrongene
Germaansche dialecten afgeleid kunnen worden.
Ook zijn alle later uit vreemde talen overgekomene woorden in
den Gallischen mond aanmerkelijk veranderd. Bij velen is hun
Romaanschen, Germaanschen of anderen oorsprong nauwlijks meer
te herkennen. Vooral de toon, de stem, de "_timbre_" waarmede
het hedendaagsche Fransch uitgesproken wordt, is oud-Gallisch of
Celtisch, zooals ook vermoedelijk veel in de samenstelling en den
bouw der taal. Ja! verscheidene taalkenners hebben dikwijls beweerd,
dat ons tegenwoordig Fransch, in zijne physionomie, meer gelijkenis
heeft met het oude Celtisch, dan met eenige andere vreemde taal,
die er haren invloed op liet gelden.
Ook de maatschappelijke en staatkundige instellingen van het latere
Frankrijk, berusten wellicht in nog hoogere mate op oude Celtische
grondslagen, dan men dit op historische gronden duidelijk aantoonen
kan. Velen hebben beweerd, dat de machtige Fransche geestelijkheid
der middeneeuwen, die zulk een wezenlijk aandeel gehad heeft in
de centralisatie van den Franschen staat en het Fransche volk, in
den grond niets geweest is dan een nieuwe christelijke vorm dier zoo
invloedrijke priesterkaste der Celtische "Druïden," die ook in het oude
Gallië de verschillende stammen van het volk zoo sterk en duurzaam
bij elkander hield. Immers deze Druïden reeds waren gewoon, evenals
later de christelijke aartsbisschoppen en bisschoppen, ongehoorzamen
en weerbarstigen met een geestelijken ban te straffen, die, zooals
Cesar zegt, bij de Galliërs eene zeer gevoelige en zware straf was.
Ook de _troubadours_ der Franschen uit de middeneeuwen, hebben wellicht
in de Barden der Galliërs, die met de Rhapsoden der Hellenen en de
Skalden van het Noorden vergeleken kunnen worden, hunne voorvaderen
en gedeeltelijk hunne modellen gehad. Zij bedienden zich bij hunne
gezangen van eene harp, in het Gallisch "_Kruit_" geheeten, die in
hare oude gedaante en vorm, nog tot in de nieuwere tijden, bij de
Celten in Ierland en Wales in gebruik is gebleven.
Velen gelooven dat het veelvuldig voorkomende bijgeloof bij de mindere
klassen van het volk in het tegenwoordig Frankrijk, schier _geheel_ van
het oude Celtisch afkomstig is, en op overoude Celtische overleveringen
berust. Ook vele wondergeschiedenissen van het hedendaagsche Frankrijk,
mogen met recht beschouwd worden als uit den ouden Celtischen grond
voortgekomen te zijn. Volgens de meening van sommigen, zou de mystieke
geestvervoering der maagd van Orleans, meer "Druïdisch" dan christelijk
geweest zijn.
Om eenigermate aan te toonen, hoeveel overigens ook nog in de zeden, in
de maatschappelijke verhoudingen en in de levenswijze der tegenwoordige
Franschen, uit de voortijden der oude Galliërs overgekomen is, wil ik,
bij wijze van voorbeeld, iets zeer bijzonders mededeelen. De oude
aardrijkskundige Strabo, die 18 eeuwen geleden Europa beschreef,
gedenkt reeds de Bayonner-hammen, die zooals bekend is nog heden
hunnen roem handhaven. Hij bericht ook, dat de wijnen der Galliërs
uit het Rhône-dal naar pik smaakten, wat met den Bourgogne-wijn
nog heden ten dage het geval is. Blijven zulke kleinigheden, als de
Bayonner-hammen en de pik-smaak der Rhône-wijnen, dezelfde, dan zouden
wij, als wij bij machte waren een volkomen beeld der Galliërs, met een
even volkomen beeld der tegenwoordige Franschen te kunnen vergelijken,
nog zeer veel onveranderd vinden.
Geheel zuiver, of in hooge mate onvermengd, heeft zich echter dat
oude Gallische menschenslag in taal, zeden en bloed, nog slechts in
een zeer klein gedeelte van Frankrijk bewaard, in de kloven en aan
de versplinterde kliprijke kusten, van het afgelegen en bergachtig
westelijk uiteinde van het land, in het zoogenaamde _Cornu Galliae_
(den hoorn van Gallië), dat vroeger "_Armorica_" (het land aan de zee)
en later Bretagne genoemd werd. Daarheen reikte de alles vereffenende
invloed der Romeinsche beschaving niet, en daar hebben, merkwaardig
genoeg, ook alle andere veranderingen en vereffeningen, die in het
binnenste van het land plaats grepen, tot op den nieuwsten tijd toe,
hunne macht evenzeer verloren als in het Basken-land in Spanje.--De
mindere menschen in Bretagne, de zoogenaamde _Breizards_ of _Bretons_
spreken nog heden ten dage geen Fransch. Hunne taal is het oude
Celtisch of Gallisch, en is met het nog in Wales in Engeland gesprokene
Gallisch zoo nauw verwant, dat somwijlen boeken, die in Bretagne in
Frankrijk gedrukt worden, daar, in de gebergten van Wales in Engeland,
hun grootste debiet en hunne meeste lezers gevonden hebben. Ook is
bij deze nog tegenwoordig weinig beschaafde, bijgeloovige "Bretons",
evenals bij de Gaelen in Hoog-Schotland, naast de harp, de doedelzak
het voornaamste en het nationale lievelingsinstrument. Hunne muziek
is eenvoudig, ongekunsteld, vol uitdrukking en aangrijpend, evenals
die der Hoog-Schotten en Italianen.
Evenals bij de bewoners der Schotsche-Hooglanden, evenals bij de oude
Baskiërs in Spanje, bij wie ieder zich een edelman verbeeldt te zijn,
evenals bij alle overblijfselen der eerste volkenrassen van Europa,
vindt men ook bij hen veel adeltrots. Verscheidene der voornaamste
geslachten van Frankrijk behooren oorspronkelijk in Bretagne te huis,
zoo b.v. de Rohans, wier brieven van adeldom reeds door Noach in de ark
werden gered. In dit oude dichterlijke Bretagne, hebben de Fransche
dichters en letterkundigen, tot aan de "Kruisvaart van Ploërmel"
toe, meermalen de onderwerpen voor hunne novellen, romans en opera's
opgedaan. Een treurige, droefgeestige toon heerscht, evenals bij alle
overwonnene, sedert eeuwen onderdrukte volken, door alle gedichten
der Bretons. "Deze langzaam verdwijnende en uitstervende stammen,"
zegt een Franschman van hen, "gebruiken hunne laatste ademtochten,
om hunne herinneringen op te sieren, om zich zelve hunne ongelukken
te verhalen. Zij tellen de dooden op, die in hunne veldslagen gevallen
zijn, zij wijzen op de oude graven en ruïnes, op de verwoeste woningen
van hun land, die nu met gras begroeid zijn, waar, zooals zij zich
uitdrukken, de klaver bloeit, rood van het bloed der Bretonsche
krijgers."--Verscheidene oude volksfeesten zijn nergens in Frankrijk
zoo plechtig, en zoo overeenkomstig het karakter van het volk, als
in Bretagne. Zoo b.v. het Kerstfeest, dat waarschijnlijk niets anders
dan eene Christelijke opsiering van een druïdisch winterfeest is. De
zoogenaamde Kerstmis-zangers spelen daarbij eene belangrijke rol,
en zijn om hunne liederen, die zij, van huis tot huis trekkende,
zingen, overal welkom. Zij moeten, naar gezegd wordt, in hun geheugen
de schoonste proeven der oude Celtische dichtkunst bewaard hebben.
Deze merkwaardige volken-oase in het bergachtig Westelijk uiteinde
van Frankrijk, kreeg nog herhaalde malen uit Engeland toevoer van
Gallisch bloed, wanneer het Celtische ras daar door vreemden in
het nauw gebracht werd. De voor de Pikten en Skoten en later voor
de Angelsaksers vluchtende Britten, gingen bij scharen naar hunne
oude broeders in "_Armorica_", en van dezen ontving later het land,
in tegenstelling met Groot-Brittanje, den naam _Britania Minor_
(Klein Brittanje).
Tot op de jongste tijden toe, hebben de Britten in Frankrijk, en die
in Engeland, met elkander op vriendschappelijken voet geleefd en zich
met elkander omgewisseld. Nog voor eenige jaren, vereenigden zich
de patriotten van beide takken van den ouden Celtischen volkstam,
tot een feest in Wales, om gezamenlijk in hunne volkstaal het oude
Bretagnische lied te zingen: "neen, Arthur is niet dood!" waaraan
zij ongeveer eene zelfde beteekenis gaven als de Polen aan hun:
"Polen is nog niet verloren!"--Lodewijk Filips begon het krachtigste
middel ter ondermijning van deze oude volks-ruïne aan te wenden. Hij
liet de Vendée en Bretagne, het vaderland der Celtische Chouans,
met straatwegen doorsnijden. En onze spoorweg-eeuw zal hen nu wel
geheel medesleuren in den draaikolk der wereldgeschiedenis, en hunne
taal en gewoonten geheel doen verdwijnen.
Zooveel van de volksstammen, die de tegenwoordige bewoners van
Frankrijk en hunne nationaliteit tot voornaamsten grondslag dienden. Ik
ga nu over tot de elementen, die op deze oorspronkelijke Celtische
stammen van buiten af geënt zijn, en zich met hen vermengden.
De geschiedenis is niet bij machte de groote tijdruimten te meten,
waarin de oude woeste Galliërs, onvermengd en onveroverd, door hunne
inheemsche Druïden en Vorstengeslachten bestuurd, in hun vaderland
huisden. De Romeinen waren, nadat zij in den loop der jaren tot macht
geklommen waren, geheel Italië aan zich onderworpen en Carthago's
macht gebroken hadden, de _eerste_ buitenlanders, die het geheele land
en volk der Galliërs onderwierpen, en hen eene even zoo wezenlijke
verandering deden ondergaan, als zij zulks ook met de Iberiërs in
Spanje hadden gedaan.
De door Cesar bewerkstelligde vernietiging van de wilde
onafhankelijkheid der Galliërs, is tot op heden de gewichtigste
gebeurtenis in het leven der bewoners van Frankrijk geweest. Door haar
werd de oude versnippering in stammen, de bij alle Celten gebruikelijke
indeeling in Clans, opgeheven, en werd eene grootere gelijkheid in
taal en zeden ingevoerd.
Door de Romeinen allen op gelijke wijze behandeld, smolten de
Gallische stammen als onderdanen, inniger samen tot een volk van
dezelfde physionomie. De Romeinen verzachtten hunne zeden, schaften
den somberen godsdienst der Druïden, die zelfs menschen-offers
verlangde, af, en voerde de beschaving van het Zuiden en Oosten in
het geheele land in.--Zij bereidden daardoor de Galliërs ook voor tot
de aanneming van het Christendom, dat even als de beschaving en eene
rijke literatuur, uit Italië tot hen overgebracht werd.
Geen Europeesch volk, behalve Italië, hebben de Romeinen in zoo hooge
mate geromaniseerd als de Galliërs. De Celtische taal werd overal, tot
op genoemden engen kring in _Armorica_, verdrongen, en de Romeinsche
taal kwam langzamerhand bij alle klassen van het volk in het Noorden
en het Zuiden, in hare plaats.
Toen de Romeinen begonnen, hunne armen nog verder over het Noorden van
den _Orbis terrarum_ uit te strekken, werd Gallië, zooals door de boven
opgegevene geographische ligging als het ware van zelf aangegeven werd,
hunne hoofdburcht in Westelijk Europa. Zij voerden de geromaniseerde
Galliërs, onder wie zij hunne legioenen rekruteerden, langs alle wegen,
waarlangs zij reeds vroeger als zuivere Celten, gemarcheerd waren.
Reeds Cesar trok met behulp zijner Gallische legioenen den Rubicon
over, en veroverde met hen weder Rome, dat hunne voorouders reeds
eens onder "Brennus" door storm genomen hadden. Van uit Gallië en
met de Gallische legioenen werd in het Westen de onderwerping van
Spanje voltooid, en in het Oosten de Rijn beheerscht. Ook deze nu
beschaafde Galliërs, drongen onder de vanen der Romeinen het land der
Britten, hunne voormalige barbaarsche broeders, weder binnen.--De
gelatiniseerde Galliërs namen, even als aan de krijgstochten der
Romeinen, ook aan hunne werkzaamheden deel. Zij werden Romeinsche
burgers. Vele der "Romeinsche" dichters en schrijvers waren van
Celtisch bloed, en vele der tot den troon verhevene Imperatoren
waren uit Gallië geboortig.--Eenige Romeinsche Keizers hadden daar
hunne gewone residentie en regeerden van daar uit de wereld, en een
overblijfsel van het Romeinsche Keizerrijk bestond zelfs in Gallië
iets langer dan in Italië zelf.
Daar veel van hetgeen de Romeinen in Gallië op den ouden Celtischen
bodem geplant en in het leven geroepen hebben, evenals de door hen uit
Italië daarheen gevoerde olijf- en wijnbouw, door alle eeuwen heen
tot op den tegenwoordigen tijd daar voortgewoekerd en voortgewerkt
heeft, zoo is het niet te verwonderen, dat de Franschen Cesar, die
dit en zooveel anders invoerde, in zoo hooge waarde houden en hem
als den eersten souverein van Frankrijk, als den grooten schepper
of stichter hunner nationaliteit, den grondvester hunner beschaving,
den Mozes of Jozua van hun volk vereeren.
Ten slotte moet ik hier nog opmerken, dat opmerkzame waarnemers
nog heden ten dage, een tamelijk belangrijk onderscheid willen
zien, in den graad van romaniseering der verschillende deelen van
Frankrijk. Zoo wil men in het algemeen een opvallend verschil opgemerkt
hebben, tusschen het type der stedelingen en dat der landlieden
in Frankrijk. Deze laatsten zijn veel Celtischer gebleven. "In
de grootere provincie-steden wordt eene ontwikkeling waargenomen,
die het door de Romeinen opgedrukte stempel nader komt, dan in de
kleine landstadjes." Maar ook daar, waar de bevolking het meest met
de Romeinen vermengd werd, is, zooals reeds gezegd werd, het Celtische
type niet verdwenen.
Na den ondergang van het Romeinsche rijk, volgde de tweede
invloedrijke en gewichtige overstrooming der Celten door eene vreemde
volken-stof. De Germanen drongen over den Rijn, overstroomden even
als het _geheele_ Romeinsche Europa, zoo ook Gallië.
Hier verdeelden zich aanvankelijk drie verschillende Duitsche stammen
over het land. De Bourgondiërs nestelden zich in het Zuid-Oosten
vast. Hun rijk omvatte het geheele gebied en het stroomstelsel der
Rhône, het oude Provincia. De West-Gothen bezetten het Zuid-Westen
en beheerschten het stroomgebied der Gironde, met het Pyreneesche
schiereiland, dat zij eveneens veroverden, en van waar uit zij het
genoemde gedeelte van Frankrijk regeerden. Men kan zeggen, dat beide
stammen gezamenlijk het geheele Zuiden innamen.--De Franken eindelijk
onderwierpen de Noordelijke vlakten, het stroomgebied der Seine en
het geheele land tusschen den Rijn en de Loire of het Noorden.
Deze laatsten, de Franken, muntten boven alle Duitsche stammen uit,
door hunne staatkundige énergie en bekwaamheid. Hun opgewonden
karakter maakte hen er geschikt voor, om aan het zich uit den chaos
der volksverhuizing op nieuw gevormd hebbende Gallië tot kern te
dienen, en ook tot centrum van het kristallisatie-proces, en aan
het in den loop der eeuwen daaruit voortkomende nieuwe volk en rijk
hunnen naam mede te deelen.--Zij sloegen van het Noorden af, eerst de
West-Gothen uit het veld, en verdreven vervolgens de Bourgondiërs tot
aan de Alpen.--En tegelijk bewaarden zij Frankrijk, door de roemrijke
overwinningen onder aanvoering van hunnen Karel Martel, voor een onder
de bedrijven dreigenden, ten eenen male anti-Europeeschen inval, voor
dien der Arabieren namelijk, die in de 8ste eeuw de West-Gothen in
Spanje hadden overwonnen, en weldra ook aan deze zijde der Pyreneën in
Zuidelijk Frankrijk verschenen waren. Daar hebben deze Oosterlingen
zelfs nog _na_ de overwinningen van dien Frankischen Martel, eene
streek aan de zeekust, namelijk den omtrek van Narbonne, bezeten,
van waar uit zij hunne strooptochten naar het binnenste gedeelte
van Frankrijk geruimen tijd herhaalden. Ofschoon de Arabieren in
Zuid-Frankrijk niet geheel zonder invloed bleven op de vorming
der nationaliteit aldaar, ofschoon vooral de Zuidelijke Franschen,
even als de Spanjaarden, vele poëtische indrukken van de Arabieren
ontvangen hebben, en men ook in de Fransche taal eenige sporen van
het Arabisch ontdekt heeft, zoo kan in de geschiedenis der _Fransche_
nationaliteit, deze Arabische inmenging, die zich bij de _Spanjaarden_
zoo diep doet gevoelen, als van weinig belang beschouwd worden,
en mag hier slechts ter loops er melding van gemaakt worden.
Onder de Karolingers beheerschten de Franken Gallië over zijne geheele
uitgestrektheid; aanvankelijk omvatte wel het Frankenland ook nog
vele andere landen, bijna geheel Duitschland en Italië; maar in het
jaar 843 werd dit groote rijk, door het beroemde verdrag van Verdun,
tot hare door geographische en ethnographische betrekkingen aangewezene
natuurlijke grenzen teruggebracht. Het wezenlijk _Celtisch-Romanische_
Westelijke land, scheidde zich van het wezenlijk _Duitsche_ Oostelijke
land af, en vormde nu, als een, den gang zijner eigene ontwikkeling
volgend volk, een rijk onder den bij voorkeur blijvenden naam
"_Francia_" of "Frankrijk," en dat wel min of meer binnen de grenzen
en den omtrek van het oude Gallië.--Ik zeg, min of meer; want zeker
ontbrak er gedurende geruimen tijd nog veel aan, voor dit raam, door
een eenig en eensgezind nationaal- en rijkslichaam, was ingevuld. Het
gedeelte in het Oosten, het Rhône-dal, bleef nog langen tijd een op
zich zelf staand land en volk, dat als oud- en nieuw-Bourgondisch rijk,
eenigen tijd zelfstandig bestond en later met het Duitsche Keizerrijk
verbonden was. Verscheidene Celtisch-Romanische landstreken in het
Rijngebied, waren bij het zoogenaamde Lotharingsche rijk ingelijfd,
dat, even als Bourgondië, dikwijls eene twijfelachtige positie
tusschen Galliërs en Germanen innam, maar grootendeels met het
Duitsche Keizerschap verbonden bleef.--De oude "hoorn van Gallië,"
dat lange en breede schiereiland, Bretagne, leefde onder eigen
Vorsten nog lang een staatkundig afgezonderd leven, en het andere,
het ten Noord-Oosten aangrenzende schiereiland, werd spoedig na de
Carolingers weder door een nieuwen Germaanschen volkenstroom uit
Skandinavië van het hoofdlichaam afgescheurd, en bestond eenigen tijd
als een op zich zelven staand Vorstendom, het zoogenoemde Hertogdom
Normandië.--Ook stonden, toen deze Hertogen van Normandië, Koningen
van Engeland geworden waren, gedurende de middeneeuwen somwijlen
groote gedeelten van Frankrijk, onder den invloed en de heerschappij
der Engelschen. Daar verder ook bovendien hier en daar aanzienlijke
Vorstengeslachten, in sommige gedeelten van het lichaam des lands,
als Souvereinen regeerden, zoo ontbrak er, zooals reeds gezegd is,
veel aan, dat overal de invloed van eene eenige normale taal, ras,
nationaliteit en gebruiken, spoedig overal alles gelijkmakende,
had kunnen doordringen.
Overal in Frankrijk groeiden en woekerden gedurende de midden-eeuwen,
op den ouden bodem, provinciale eigenschappen en gewoonten, lokale
dialecten en literatuur, welig voort.--Het eenige, wat dit geheel
midden-eeuwsche Frankrijk ethnographisch voortdurend vereenigde, was
die van de Romeinen afkomstige, vast gelegde oud-Celtisch-Latynsche
ondergrond, die, zooals gezegd is, echter menigvuldige bijkleuren en
nuances aannam.
Het was een groot geluk voor de Fransche nationaliteit, dat bij alle
splitsing, toch _een_ eenige politieke kern, een meer of min machtig en
erfelijk Koningsgeslacht, in eene vaste nooit verplaatste hoofdstad,
in het te midden van alle harrewarrerijen steeds groot wordende en
in bloei toenemende Parijs, dat reeds in de 5de eeuw de Merowinger
Clovis tot zijne residentie uitgekozen had, is blijven bestaan. Hoe
langzamerhand van deze kern uit, alle deelen van het land samenkwamen,
hoe de eene onafhankelijke provinciale-vorst na den anderen door zulke
machtige onbeperkte heerschers, als een Filips Augustus, een Lodewijk
XI, een Karel VIII en later door de sterke hand van een Richelieu
gebogen werden,--hoe de vreemdelingen, de Noormannen, de Engelschen,
de Duitsche Keizers, de Spaansche Vorsten van Navarre en Catalonië,
weder van den ouden Gallischen bodem verdrongen werden,--hoe van het
steeds schitterender, steeds meer om zich heen grijpende, steeds meer
alles vereffenende Parijs, ten slotte een eenige spraakvorm, een eenig
zedenstempel, een gemeenschappelijk patriotsch nationaal-gevoel het
geheele land en volk aangreep, en hoe ten gevolge daarvan de oude
Galliërs in de gedaante van een der machtigste en meest eensgezinde
natiën, die der nu zoogenaamde "Franschen" weder opleefden, dat
is de geschiedenis van een 1000 jarig proces, vol van de meeste
afwisselingen geweest.
De verovering van Gallië door de Duitschers, die het begin van dit
proces vormt, heeft zich, hoe stormachtig zij ook was, op verre na
niet zoo doortastend, veranderingen aanbrengend en voordurend bewezen,
als de vroegere, die der Romeinen.--Duitsch bloed, Duitsche wijze van
zijn, Duitsche taal, dit alles is met der tijd weder uit Frankrijk
verdwenen. Daar de Duitschers wel als dappere maar onbeschaafde
veroveraars en meesters, en niet zooals de Romeinen tegelijkertijd
ook als leermeesters en zedepredikers, en als deze met den geheelen
toestel van beschaafde, gezellige toestanden, kunsten en handwerken,
maar eenvoudig alleen met het zwaard kwamen; daar zij bovendien uit
een zwakker bevolkt in een dicht bewoond, bebouwd en stedenrijk land
overgingen, zoo moest wel hun type voor dat van de ingezetenen des
lands wijken, zooals bij alle vermengingen van de volken der wereld,
altijd verstand en beschaving per slot van rekening de overwinning
behaald hebben op physiek geweld. Daarbij moet men echter opmerken,
dat de Duitsche Franken in Frankrijk, niet zoo snel wegsmolten als
de Duitsche Gothen in Spanje of de Longobarden in Italië; Frankrijk
betoonde zich ook daarbij als een tusschen- of overgangsland tusschen
het Germaansche Noorden en het Romaansche Zuiden.
Van de vijfde eeuw af, toen de Duitschers Frankrijk veroverden, tot
aan den tijd van Karel den Groote en tot aan het verdrag van Verdun,
en nog iets later tot na het midden der 9de eeuw, dus meer dan 200
jaren langer dan in Spanje, hebben in Frankrijk Duitsche taal en
zeden naast de Celto-Romaansche geheerscht.--De heeren van het land,
de gebiedende grondbezitters, de adellijke geslachten waren allen
blondharige blauwoogige Germanen. De wetten en bevelen werden in
Duitsche taal gegeven. Het Duitsch zou zelfs ten tijde van Karel den
Groote nog de hoftaal geweest zijn. Nog in het begin der 9de eeuw
werd op de kerkvergadering in Tours bevolen, het godsdienstonderwijs
in beide talen te geven. En toen ten tijde zong men nog in Frankrijk,
ter eere der Koningen Duitsche lof- en zegeliederen, zooals b.v. het
beroemde Lodewijkslied, ter eere der overwinning van Koning Lodewijk
III op de Noormannen in het jaar 881, een kostbaar oud monument
der Duitsche taal, dat door een gelukkig toeval voor ons bewaard is
gebleven, en waaraan nieuwere Fransche en Duitsche geleerden op even
patriotsche wijze hunne opmerkzaamheid gewijd hebben.
Beide naast elkander bestaande talen onderscheidde men in Frankrijk,
de Duitsche onder den naam "_lingua francica_" of "_francisca_" (de
taal der Franken) en die der onderworpene inboorlingen onder den naam
"_lingua Romana_." Bij de samensmelting van beide rassen behield deze
ten slotte de overwinning, ofschoon gene aan het nieuwe product den
naam gaf.--Met deze samensmelting ging het na het verdrag van Verdun,
door meer dan eene oorzaak snel voorwaarts; daar geen nieuwe toevoer
van Duitsch bloed van gene zijde van den Rijn meer plaats vond;
daar de huwelijken onder elkander steeds talrijker geworden waren;
daar de oude Germaansche geslachten uitstierven; daar de aanvankelijk
ter nedergeworpene en gedecimeerde Romaansche provincie-bewoners,
langzamerhand weder op hun verhaal kwamen, krachtiger werden en zich
weder vermeerderden.
Reeds omstreeks het midden der 9de eeuw moesten de jonge Fransche
geestelijken, om Duitsch te leeren, waarvan de kennis hun hier en daar
van nut kon zijn, naar abdijen in Duitschland reizen. En omstreeks
het einde der 9de eeuw was de Duitsche taal in Frankrijk nergens meer
in gebruik. Zelfs de Noormannen in Normandië hadden toen reeds hun
Noord-Germaansch tegen het Romaansch omgeruild. De overwinning van
het Romanisme op het Germanisme was toen reeds overal beslist.
Op het nieuw ontstane volkswezen, dat nu sedert de 10de eeuw de
geschiedschrijvers den naam _Franschen_ gaven, behield, ten minste
wat taal, zeden en gezindheid aangaat, de Duitsche geest een tamelijk
beperkten invloed. Al de dialecten en patois, die nu in Frankrijk
ontstonden, zijn niet zoozeer te beschouwen als ontstaan uit eene
verbinding van het Romaansche met het Germaansche element, maar veeleer
als weder voortgekomen uit den Latijnschen en Celtischen ondergrond.
Ook tot de nieuwere Fransche taal, die langzamerhand eene
algemeene heerschappij over al deze patois verkreeg, schijnt het
Germaansch slechts weinig toe- of afgedaan te hebben. De Frankische,
Bourgondische, Gothische en Noormansche krijgers, hadden zich van den
beginne af, bij de vorming van dit Fransch uiterst passief gedragen. De
innerlijke bouw en geest der taal is, naar het oordeel der kenners
geheel anti-Duitsch, geheel Romeinsch-Celtisch gebleven. Ook in het
fond der woorden vindt men in het Fransch niet veel overblijfselen
van Duitsche uitdrukkingen. Slechts een zeer gering aantal Fransche
woorden, en wel zulke, die op verschillende standen der maatschappij,
op openbare ambten, op militair-, zee- en jachtwezen betrekking hebben,
kan men tot Duitsche wortels terugbrengen.
Daarentegen laat zich in de behandeling der van de Romeinen en Celten
overgekomene spraakstof, in de formatie en uitspraak der woorden,
Duitsche invloed niet miskennen. In Italië en Spanje is de welluidende
volle Latijnsche klank gebleven. In het Noordelijk gedeelte van
Gallië echter heeft _daarin_, Duitsche taal en uitspraak meermalen
den doorslag gegeven: De Franken en Noormannen hebben de Latijnsche
woorden overal de karakteristieke eindsyllaben, die in de Germaansche
taal onbekend zijn, ontnomen, of hebben ze tot doffe, toonlooze
Germaansche halfvocalen verzwakt. Zoo b.v. het Romaansche _uno_,
_una_ in _un_ en _une_, _vino_ in _vin_, _Roma_ in _Rome_. De fraaie,
eenvoudige, welluidende vocalen veranderen zij in de onaangename,
doffe nevenklanken; a in ä, o in ö, u in ü b.v. _clarus_ tot _clair_,
_luna_ tot _lune_, _boves_ tot _boeufs_. Dikwijls trokken zij, iets wat
de Engelschen nog meer deden, de lange Romaansche woorden tot kortere
te samen b.v. _brevis_ tot _bref_, _crudeli_ tot _cruel_, _spiritus_
tot _esprit_, _profundus_ tot _profond_, _aurum_ tot _or_, _Johannes_
tot _Jean_ (geheel ons "_Jan_"). In plaats der eenvoudige, scherp
geteekende Romeinsche consonanten, voerden zij dikwijls Germaansche
ruischklanken in, b.v. in stede van _calore_, _chaleur_, in plaats
van _cavallo_, _cheval_, _bouche_ in plaats van _bocca_. De Duitschers
ontnamen op die wijze in Frankrijk veel welluidends en muzikaals aan
de Romaansche taal, die zij aannamen.
Ofschoon volgens dit alles de _aard der taal_ der Franschen wel iets,
maar over het geheel toch slechts weinig van het Germaansch element in
zich bewaard heeft, zoo heeft toch in _andere_ opzichten de Fransche
verovering op de natie een langdurigen invloed uitgeoefend, en moeten
de Franken eenigermate, naast de Romeinen en naast de Celten, als
de voorouders der tegenwoordige Franschen beschouwd worden.--Vooral
bleef, even als in Spanje en elders, in het staats- en rechtswezen
der Franschen veel Germaansch bestaan. "De Duitsche overwinnaar
heeft in velerlei opzicht den overwonneling (wiens taal, zeden en
vaderlandsliefde hij aannam) de publieke inrichtingen, die bij hem
van kracht waren, aangebracht. In Noord-Frankrijk waren de zoogenaamde
"_coutumes_," die op het Duitsche recht gebaseerd waren, zelfs tot in
de 18de eeuw van kracht.--Het leenstelsel, de militaire-inrichting,
het Frankische Koningschap, de geest der ridderschap, dit alles was en
bleef langen tijd Germaansch. De onafhankelijke Fransche Koningstroon
was oorspronkelijk eene Duitsche stichting, en de Franschen hebben
het daarom oorspronkelijk, even als de Spanjaarden, alleen aan de
Duitschers te danken, dat zij als een eigen en eenig volk, in de
Europeesche familie hun hoofd verheffen. Want te voren, zoo lang
zij enkel Celten waren, was bij hen, zooals ik zeide, eene groote
versnippering in clans en stammen. Toen zij Romeinen werden, kwam
er wel eene vereeniging, maar alleen door inlijving in een grooten,
de wereld omvattenden staat. Eerst toen de Duitsche statenstichters
onder de Galliërs optraden, verkregen zij het zuurdeeg, met behulp
waarvan een brood gebakken werd--het hekwerk langs welke de Fransche
wijnstok zich uit de verslapte Romeinen-wereld omhoog kon heffen, en
tot eene groote en zelfstandige Europeesche volkenplant kon opwerken.
Tot aan het jaar 1792 vernieuwde, gedurende 1281 jaren, dagelijks een
priester aan het graf van Chlodwig, in de dikwijls gerestaureerde en
verbouwde kerk, later het Pantheon genaamd, in de mis het aandenken
aan den Duitschen stichter en voorvader der Frankische monarchie,
aan den oudsten aller Europeesche souvereinen.--Eerst met het genoemde
jaar, met de Fransche revolutie hield ook _dit_ huldebetoon op, door
de Franschen aan hun Germanendom gebracht. Men heeft deze omwenteling
zelve en alle innerlijke veranderingen en allen strijd in Frankrijk,
die ten slotte tot de revolutie voerden, beschouwd als een streven van
het oude Celtische en Romaansche element, om zich van het Germaansche
element te ontdoen en er zich van te zuiveren.--"Met hunne groote, het
geheele land op zijne grondvesten schuddende omwenteling, werd onder de
Franschen de gedachte weder levendig dat zij niets dan geromaniseerde
Galliërs, Celten waren. Zij spreken nu van de Franken en de Frankische
Koningen, als van vreemde barbaren. Zij nemen zelfs de oud-Romeinsche
kleeding aan. Ook kiezen zij zich vervolgens een staats-opperhoofd,
dien zij den Romeinschen titel "_Imperator_" (Empereur) geven, en die,
even als vroeger Cesar met de Galliërs, naar Rome marcheert. "_La
blonde Germanie_", zegt een Fransch schrijver van dien tijd, "_a eu
beau nous envoyer ses Francs, ses hommes du Nord: notre temperament
n'a rien perdu de ses tendances originelles. C'est que malgré les
revolutions et les siecles nous sommes toujours l'ancienne Gaule_
avec ses emportements et ses impatiences." [13]
De groote Napoleon zelf heeft de geschiedenis der Fransche revolutie
in twee merkwaardige woorden vervat: "_Les Gaulois secouèrent le
joug des Francs_ (De Galliërs schudden het juk der Franken [der oude
feodalen] af).--Ook van de nieuwere Fransche taal heeft men opgemerkt,
dat zij het Latijn weder nader gekomen is, dan het oud-Fransch. En
zoo heeft waarschijnlijk dan ook de Paus gelijk, die tot op dit
oogenblik voortgaat, in zijne bullen Frankrijk niet "_Francia_,"
maar even als ten tijde van Cesar "_Gallia_" te noemen.
Na het, slechts korten tijd durende, herstel van het oude Frankische
Koningshuis, keerden de Franschen, in het midden onzer tegenwoordige
19de eeuw, tot het Imperatorendom terug, en hun Napoleon III vergeleek
zich met niemand liever dan met den Romeinschen Cesar, wiens leven
hij ijverig bestudeerde, en die onder hem in Frankrijk oneindig meer
gehuldigd werd, dan die andere voorvader, de Duitsche Chlodwig.
Overigens is het opmerkingswaardig, dat er onder de Fransche historici,
om zoo te zeggen, schier altijd twee partijen, eene Celtisch-Romeinsche
en eene Germaansche bestaan hebben, van welke de eene (b.v. Thiers,
Thierry) gestreden heeft voor het denkbeeld, dat de Franschen niets
anders zouden zijn, dan door de Romeinen eenigzins gewijzigde Celten,
terwijl de andere (b.v. Montesquieu, Guizot en andere) meer gewicht
hechtten aan den invloed van het Germaansche element. Het is echter
natuurlijk, dat dit altijd slechts een strijd over het _hoeveel_,
over het _meer_ of _minder_ zijn kan.
Dat namelijk in de zeden en gebruiken der Noord-Franschen, nog
heden ten dage menig erfstuk uit den tijd der Franken aangetroffen
wordt, hebben Duitsche schrijvers meermalen aangetoond. Op het punt
"nationaal costuum" wil ik twee kleine voorbeelden aanvoeren, die even
merkwaardig zijn, als met het oog op de Celtische overblijfselen, de
Bajonner hammen en de naar pik smakende wijn van Strabo. De klompen
onzer Neder-Saksische boeren, zijn bij den landman in Frankrijk even
ver het land in, in gebruik, als de oorspronkelijke heerschappij der
Franken ging. Ook heeft de Duitsche onderzoeker Clement, een zeker
kleedingstuk der vrouwen, een hoofddoek gevonden, dat hij het Friesche
of Frankische noemt, en dat volgens hem in geheel Noordelijk Frankrijk,
tot aan Parijs toe, in alle oudste en voornaamste bezittingen der
Franken, het gewone hoofdtooisel der vrouwen gebleven is.
De beschaving door de Romeinen en de verovering door de Duitschers,
zijn de beide grootste en invloedrijkste gebeurtenissen in de
geschiedenis der Fransche nationaliteit geweest. Wel zijn _na_ en
behalve deze nog andere vreemdelingen het land binnengerukt, maar
òf zij verschenen slechts als doortrekkende legers, òf in zoo gering
aantal, dat zij geen blijvenden invloed op het karakter der natie en
van het ras konden uitoefenen.
De moderne Spanjaarden zijn slechts zelden in massa hunne Pyreneën
overgetrokken, om Frankrijk binnen te rukken, ofschoon wel, in tijden
van innerlijke beroerten, b.v. toen de Saracenen Spanje veroverden,
vele Spanjaarden naar Zuid-Frankrijk trokken.
De Engelschen hadden, tijdens zij groote streken van Frankrijk
beheerschten, toen eens zelfs een hunner Koningen (Hendrik V)
te Parijs tot Koning van Frankrijk geproclameerd werd, en daar met
Engelsche en Fransche Baronnen zijn hof hield, veel meer overeenkomst
met de Franschen dan zij nu hebben. Hunne Koningen en hun adel
waren toen Noormansch-Fransch en spraken Fransch. Ook streden en
regeerden zij in hunne Fransche bezittingen meestal door middel der
inboorlingen.--_Anglo-Saksische koloniën_ werden door hen niet naar
Franschen bodem overgeplant, en de Engelschen dachten er niet aan
hunne Fransche onderdanen te angliseeren. Zij werden slechts hunne
leenheeren. In het inwendig bestuur hunner Fransche landschappen,
in de wetgeving, de zeden en inrichtingen der bevolking, werd niets
veranderd. De overwonnenen wisselden alleen van bewind en bleven
voor het overige Franschen. De Engelschen brachten toenmaals meer
uit Frankrijk over naar hunne eilanden, dan de Franschen van hen
ontvingen. In den nieuwsten tijd, nadat zij op het vasteland van
Frankrijk niet meer gebieden willen, hebben de Engelschen daar een
veel sterkeren invloed op de beschaving uitgeoefend, en zijn zij
in hunne zeden en gebruiken, in hunne taal en literatuur, door de
Franschen veel meer bewonderd en nagevolgd dan te voren.
Slawen en andere Europeesche Oost-volken, Joden, Turken, Armeniërs,
Zigeuners heeft Frankrijk altijd slechts in zeer gering aantal bij
zich gezien, en men kan al zulke toevallige landverhuizers in Gallië,
beschouwen als droppels die in de zee verloren gingen, iets wat men
ten aanzien van andere Europeesche landen, b.v. van Duitschland,
niet in gelijke mate beweren kan.
Vraagt men nu, waarin de eigenaardige geest en het karakter dezer,
uit de door mij vluchtig aangegevene elementen bestaande, Fransche
natie, dezer uit zoovele bestanddeelen gevormde, groote, uit veertig
millioenen menschen samengestelde persoonlijkheid bestaat--en zal ik
deze karakter-schildering dadelijk aanvangen, met de beschrijving
van een der meest in het oog springende kenteekenen van den
Franschen volksaard, dan begin ik met de uitspraak van Arndt, dat de
Franschen--in den ruimsten zin des woords--de gezelligste onder de
menschen zijn. Daarmede heeft men een der hoofdpunten in het zijn der
Franschen aangegeven, en daaruit laten zich de meeste hoedanigheden,
waardoor de Franschen zich kenmerken, verklaren of afleiden, even
als rivieren uit hare bron.
De Franschen hebben het verkeer met hunne medemenschen, in bijna al
hunne betrekkingen en bij alle soorten hunner werkzaamheid noodig. Zeer
duidelijk leert ons dit het karakter hunner volksliederen. De
volksliederen der Franschen, hunne "_Chansons_" zijn in den regel
gemaakt om door meerdere tegelijk gezongen te worden. "Liederen, die
door een enkel persoon gezongen worden, treft men bij hen lang niet in
die mate aan, als bij de Slawen, Duitschers of Engelschen." Daar de
eenzaamheid meestal tot melancholie leidt, zoo zijn de volksliederen
bij de laatst genoemde natiën in den regel zwaarmoedig, terwijl het
Fransche volkslied in den regel vroolijk is. "Omdat men," zegt Arndt,
"zich in gezelschap liever aan scherts en vroolijkheid, dan aan
weemoed en treurigheid overgeeft, bestaat de inhoud van het Fransche
volkslied, uit allerlei geestige toespelingen, kluchten, potsen,
satyren, luchtigjes in elkander geweefde vriendelijke beelden, alles
bijeengehouden door een refrein dat uit ieders mond klinkt.--Voor
zich zelven te gevoelen, te droomen, aan het innerlijk gevoel toe te
geven, zelfs wanneer men er zich geene rekenschap van weet te geven,
de phantasie, de luim doelloos en vrij te laten werken, de stemming
der natuur in zich op te nemen, zonder te weten waar men hare oorzaak
moet zoeken, dat alles zal den gezelligen Franschman maar zelden in
het hoofd komen."--Dat zijn zaken, die men meer zoeken moet bij zijn
buurman aan den Rijn, die in zoo velerlei beteekenis zijn antagonist
is, die, zooals Tacitus opmerkte, zich zoo gaarne isoleert, en die
zich van oudsher, in een groot gezelschap zoo weinig op zijn plaats
gevoelde.
Gezelligheid is den Franschman voor alle zaken noodig, even als
bij zijne gezangen zoo ook bij zijne _heldendaden_.--"Evenmin als
hij iemand is, die op zijn eentje _zingt_, is hij iemand die op zijn
eentje _vecht_." Men heeft de opmerking gemaakt, dat de Franschen het
dapperst zijn als zij in groote massa's vechten; dat het tweegevecht,
ofschoon het tegenwoordig bij de Duitschers den Franschen naam _duel_
draagt, oorspronkelijk niet bij hen inheemsch was, maar eerst door de
Duitschers tot hen overgebracht werd. Ook in den slag willen zij door
anderen in werking gebracht, door hen gezien en aangevuurd worden. Van
daar dat zij, als hunne gezellige gelederen (hunne regimenten) eens
opgelost en geslagen waren, somwijlen geheel den moed verloren. De
geslagen legers der Franschen hebben zelden zulke bewonderenswaardige
terugtochten uitgevoerd, als die der Duitschers. Ook hebben de
Franschen in den oorlog niet zoo dikwijls beroemde partijgangers gehad,
als die bij de volken van Germaansch ras, bij de Duitschers, Zweden,
Noormannen, Engelschen, Zwitsers, ten allen tijde aangetroffen zijn.
Even als ten opzichte hunner militairen in het veld, zoo merkt men
ook ten opzichte hunner schrijvers vrij algemeen aan, dat zij zich
bij het schrijven om zoo te zeggen, altijd in het gezelschap hunners
lezers denken, dat zij bij den arbeid hunner gedachten, geen oogenblik
het oordeel of den spot of bijval der maatschappij, van het publiek,
uit het oog verliezen.--En wat Madame de Stael van de Duitsche
geleerden zeide, "dat zij als kluizenaars leefden," dat kan van de
Franschen volstrekt niet gezegd worden.--"Wat zich eene berisping der
maatschappij op den hals kan halen, wordt door hen meer dan door eenig
ander volk geschuwd, en de heerschappij der despotische mode, strekt
zich dientengevolge bij hen over veel meer en belangrijker zaken uit
dan bij ons.--Niet alleen de kleeding en dergelijke uiterlijkheden,
maar ook wetenschappen en kunsten, ja zelfs de politieke inrichting
en de belangrijkste zaken, schijnen bij de Franschen in hooge mate
onderworpen te zijn aan de gezindheid, die op het oogenblik in de
maatschappij den boventoon voert.
Het ontbreekt den Franschen aan die innerlijke persoonlijke
zelfstandigheid en individueele vastberadenheid, die de Germanen
kenmerkt. Op zich zelven staande of in kleinen getale, gaan zij
gemakkelijk te loor, verbrokkelen zij, om zoo te zeggen. Zij moeten,
als zij iets beteekenen zullen, met anderen, met Franschen te samen
zijn. Daaruit laat zich ook de sterke concentreering van het leven
der Franschen in eene enkele stad, de buitengewone voorkeur die zij
aan hunne hoofdstad Parijs geven, verklaren.
Een naar bijval, naar een publiek verlangend, gezellig volk als
de Franschen, moest wel een druk bevolkt en domineerend centrum in
de wereld roepen. Zij moesten zich een groot tooneel met talrijke
toeschouwers, eene groote schouwplaats voor hunnen roem wenschen. Vele
kleine residenties, en kleine stille plaatsen, waar men zich op
ontwikkeling en beschaving toelegde, konden den Franschen niet
voldoen. Zij stichtten daarom reeds vroegtijdig eene hoofdstad,
waarin zij al hunne schatten, al hunne talenten, hun gansche vernuft
concentreerden. "Zij lieten geheel Frankrijk," zooals een Franschman
zich eenigzins sterk uitdrukt, "eene woestijn worden, om in het midden
er van eene schitterende oase, hun Parijs te scheppen."
Tot op onzen tijd toe, heeft Europa geen volk bezeten, welks geheele
leven zoo binnen de muren eener stad bevat is, als dat der Franschen
binnen Parijs. Geheel Frankrijk was in Parijs vertegenwoordigd. Van
daar uit bouwde het zich voortdurend op; daarheen stroomden al
zijn krachten. Parijs vormde het hoofd en het hart der natie; hare
zeden en denkwijzen waren Parijsch. Ieder van hunne dichters, hunne
redenaars, hunne kunstenaars, beijverde zich de goedkeuring uit den
boezem dezer stad te verwerven; ontvingen zij die, dan waren zij
zeker van den bijval van het overige Frankrijk.--Voor alles moesten
ook hunne regenten trachten de goedkeuring van Parijs te ontvangen,
even als Alexander streefde naar die van Athene, en zij voelden zich
in hunne heerschappij over het geheele land en volk verzekerd, als
zij die stad in handen hadden, van welke madame de Stael gezegd heeft:
"dat het leven er zoo schitterend, zoo aangenaam en zoo behagelijk was,
dat men daar alle verder geluk en ook de vrijheid ontberen kon."
Aan de uit Parijs verbannen, op zich zelven in het buitenland wonende
Franschen, heeft men iets zonderlings opgemerkt.--Zij leeren de taal
en de gewoonten der vreemdelingen moeielijk aan, en sluiten zich
niet zoo gemakkelijk en gaarne bij dezen aan, als de Duitschers.--"De
Germaansche plant kan men deelen en scheuren, en ieder takje er van in
een vreemden bodem planten; zij groeit daar tot een boom op en blijft
in leven. De Franschen kan men niet als stekken verplaatsen. Zij zijn
_gezaaid_ geworden, en bloeien, zooals verschillende soorten van
zaaiplanten, slechts bij massa's."--Zoodra zij uit den inheemschen
kring hunner vaderlandsche maatschappij verbannen zijn, schijnen zij
de kracht te verliezen, even als bijen die van den zwerm afgeraakt
zijn. Zij hebben dientengevolge ook niets van den Germaanschen lust
tot reizen en zich te verplaatsen over zich, maar bezitten veeleer
eene sterk in het oog vallende neiging, voor goed zich neder te zetten
binnen den tooverkring van hun vaderland, waarheen zij ook meestal,
zoo spoedig mogelijk, uit den vreemde weder terugkeeren.
Over het algemeen, hebben zij in de wereldgeschiedenis deze
eigenaardigheid daardoor bewaarheid, dat zij buiten hun vaderland
nergens in staat zijn geweest, machtige koloniën en dochter-volken te
stichten. Waar de oude Duitsche Longobarden, de Gothen, de Saksers,
zich nederzetten, daar ontstond een staat, een politiek gebouw,
waarin de geslachten eeuwen lang woonden. Waar later de Germaansche
zeeroovers uit het Noorden vasten voet kregen, daar schoot weldra een
gemeenschappelijk samenleven wortel. Datzelfde is in nieuweren tijd
het geval geweest met de Germaansche Britten, die overal, waar zij hun
anker nederwierpen, naar het model van hun vaderland, een nieuw nest
voor een nieuw volk bouwden.--Op iets dergelijks kunnen de Franschen
zich niet beroemen, hoe dikwijls zij ook uit hun vaderland marcheerden
of zeilden; dikwijls hebben zij de wereld geschokt, maar nergens met
frissche koloniën, waarvan iets te hopen was, voorzien. Niet eens
in de Nieuwe wereld, waar dit betrekkelijk zoo gemakkelijk scheen,
is het den Franschen gelukt iets duurzaams tot stand te brengen,
zooals de Spanjaarden, de Nederlanders en zelfs het kleine Portugal
zulks deden. In Brazilië, Florida, Canada, aan de Mississippi,
overal hebben zij met hun "Nieuw-Frankrijk," schipbreuk geleden,
dat, naar men zou kunnen zeggen, altijd als zand verstoof, terwijl
de nederzettingen der andere volken, "Nieuw-Spanje," "Nieuw-Holland"
en "Nieuw-Engeland" wortel vatten en zware spruiten uitschoten.
Men vindt in de geschiedenis van Frankrijk, slechts eene merkwaardige
volksverhuizing en koloniestichting, die heilzame gevolgen had. Het
is de eenige Fransche emigratie, die, ofschoon zij Frankrijk zeker
vele wonden sloeg, voor de andere volken weldadig was, en die in de
geschiedenis der Europeesche ontwikkeling van niet onbelangrijken
invloed geweest is. Ik bedoel de gewelddadige verstrooiing der
Fransche, zoogenaamde Refugié's of Hugenoten, die voor de dragonders en
jezuïten van Lodewijk XIV vluchtten. De wreede en gedwongene uittocht
dezer Franschen, die veel overeenkomst heeft met die der Morisko's uit
Spanje, schonk aan Duitschland, de Nederlanden, Zwitserland, Denemarken
en Engeland, vele bloeiende nederzettingen van nijvere en ontwikkelde
burgers, en bracht naar onze steden velerlei producten van Fransche
kunstvlijt. Want genoemde slag trof gedeeltelijk juist de vlijtigste
en met den ernstigsten en godsdienstigsten zin vervulde klassen der
natie.--Vandaar hebben nog heden ten dage Berlijn, Dresden, Frankfort,
Londen, Kopenhagen, Amsterdam en verscheidene andere steden van
Europa hunne Fransche gemeenten, die aan de staten, wier gastvrije
bescherming zij erlangden, van onze Ancillon's en Savigny's af,
vele uitstekende mannen, geleerden, beambten en officieren gegeven
hebben.--In menige dezer vreemde staten, in Denemarken en Pruissen,
dagteekent gedeeltelijk van deze Fransche emigratie, het begin van
hunnen tegenwoordigen industrieelen bloei.
Even als, niettegenstaande al hunne omwentelingen en oorlogzuchtige
ondernemingen, de Franschen, met betrekking tot het stichten van
staten, weinig scheppend geweest zijn, zoo hebben zij zich ook,
trots den hun eigen kritischen geest en fijnen kunstzin, in poëzie
en kunst weinig scheppend betoond.
Men heeft hen, sedert de tijden van Cesar, wel als bijzonder heldere
en scherpe, als zeer logische en wiskunstige koppen geroemd, maar zij
hebben weinig idealisch of enthusiastisch over zich. Het ontbreekt hun
aan diepen ernst. Hunne natuur brengt mede, dat zij zich met het zekere
en stellige bezig houden. Bezielde dichter- en kunstenaars-naturen,
zijn echter juist op het bovenzinnelijke, op het ontastbare, op dat,
wat men niet weet maar alleen denkt, gericht.--In alle kleine kunsten
van het leven zijn zij onovertreffelijk. Vooral zijn zij sedert lang
voor geheel Europa de meesters geweest, in al wat dienen kan, om
alles bekoorlijk te tooien en de menschelijke persoon een aangenaam
uiterlijk te geven. Een oud Germaansch spreekwoord zegt van de
Franschen: "fraai van kleed maar licht van zin." Reeds tijdens de
kruistochten, was het nieuwe kostuum, dat toen voor geheel Europa
ontstond, grootendeels van Franschen oorsprong, en wat later ook nog
in dit vak uitgevonden werd, de schoenen met lange punten der 14de
eeuw, of de torenvormige kapsels en allonge-paruiken der 17de, of
de, door de Fransche Jakobijnen en terroristen het eerst ingevoerde,
zwaluwstaart-achtige rokken, en heeren hooge hoeden van onzen modernen
tijd, of de dames "Garibaldi" en "Hongaarsche" hoedjes der laatste
dagen,--de Franschen hebben al deze en tallooze andere fatsoenen en
snitten onzer kleedingstukken zoo weten uit te denken, zoo netjes
weten te maken en zoo in den smaak weten te doen vallen, dat zij
daarin steeds alle andere volken van Europa tot model hebben gediend,
en ten slotte bijna alle eigendommelijke nationale-kleederdrachten
dezer volken opgeruimd hebben. Zij zijn 500 jaren lang tot op den
jongsten tijd de tyrannen der mode geweest. Geheel Europa had zich
gewend, op een wenk van Frankrijk, van tot tijd tot tijd, als eene
rups, zijn verouderd omkleedsel af te leggen en zich in een nieuw
hulsel van Fransche vinding te steken.--"Frankrijks hoofdstad, waar
onder de vlugge vingers der Fransche arbeiders ieder klein produkt
der industrie, iedere schoen of handschoen, een licht en gracieus
meesterstuk werd, was eene onuitputtelijke broeikas geworden, die
met ieder nieuw saisoen een frisschen overvloed van mode-bloesems
over de wereld uitschudde, die door deze begeerig werden opgevangen,
en even als de van een Vorst ontvangene ridderorden, als geschiedde
het op hooger bevel, aan hoofd en borst werden gehecht."
Maar deze meesters in het maken van bevallige kleedingstukken,
deze wetgevers van den smaak in kleine zaken, zijn in de hoogere
kunst meestal slechts navolgers, zelden vruchtbare uitvinders en
oorspronkelijke scheppers geweest. "Vooral de liefelijke toonkunst had
in Frankrijk geen recht natuurlijken bodem." De vriendelijke zang was
het Fransche volk nooit zoo van nature eigen, als dat bij andere volken
het geval was. Alle Fransche aria's, liederen, zangstukken hebben
voor ons iets opvallends, onmuzikalisch. "Zij zijn bijna niet anders
dan een gezongen gesprek, even als het deklamatorische recitatief,
dat men het proza der muziek genoemd heeft." Een zoo harmonisch,
verkwikkend en verheffend koorgezang, als de Duitschers hebben,
bezitten de Franschen niet. In het ernstigste en verhevenste genre
van muziek, in de kerk-muziek hebben zij het minst geleverd. De
opera daarentegen hebben zij vlug van de Italianen geleerd, en in
de _Opera comique_ zijn zij rijk en onuitputtelijk. In den regel
zijn zij betere instrumentalisten dan vocalisten geweest, en hebben
zij meer uitoefenende kunstenaars dan dichterlijke componisten
voortgebracht. De meeste der groote virtuozen en meesters, die in
Frankrijk de Vorsten der toonkunst geweest zijn, waren Italianen of
Duitschers of hunne leerlingen.
Als leerlingen der Italianen hebben de Franschen ook steeds goede
schilders voortgebracht, en hebben zij alle genres dezer beeldende
kunst met geluk beoefend. Desniettegenstaande is er geene eigenlijke
karakteristieke nationale Fransche schilderschool, die men, wat
oorspronkelijkheid en rijkdom betreft, met de Duitsche, Nederlandsche,
Italiaansche of Spaansche scholen op ééne lijn stellen kan. Kenmerkend
is het weder voor hen, voor de zuiverheid en juistheid van al hunne
voortbrengselen, voor hunnen smaak en hunne geschiktheid voor het
sierlijke, dat zij ten allen tijde, reeds sedert Karel den Groote,
de smaakvolste miniatuur-schilders gehad hebben. Dante stelt in zijne
goddelijke comedie, de Fransche miniaturen boven de Italiaansche. Ook
hebben zij steeds in het graveeren in koper uitgemunt, iets wat
zij intusschen even min _uitgevonden_ hebben, als de lithographie
of typographie of eenige andere gewichtige kunstsoort. Bijna al
deze en andere _uitvindingen_, ontstonden het eerst bij hunne
naburen, de Duitschers, bij wie men altijd meer oorspronkelijke
denkers en peinzers aangetroffen heeft, terwijl de verfijnende,
beschavende Franschen later den smaak en de talenten er bijvoegden,
die de uitvinding verder ontwikkelden, beter deden voorkomen, recht
genietbaar maakten, in vele opzichten op het leven toepasten, in de
wereld brachten en haar populariseerden.
Daar de Franschen in den regel meer handige, smaak- en talentvolle
navolgers en verfijnende voltooiers, dan geniale voortbrengers
geweest zijn, zoo hebben zij dien ten gevolge vermoedelijk ook juist
die kunst, die louter navolging is, het tooneelspel, met voorliefde
en bijzonder goed gevolg beoefend. Intusschen viel hun ook hierin
de bijval der overige wereld, hoofdzakelijk slechts ten deel in
lichtere soorten, in de blijspelen, in de opéra comique, in luimige
conversatie-stukken, in het kluchtspel. Hunne _hoogere Cothurn_ [14],
hunne klassieke drama's en treurspelen, imponeeren ons niet.--Meer dan
iets anders verwierf in den nieuweren tijd een product van lichter,
minder dramatisch genre, de grappige, onderhoudende, vermakelijke,
luimige vaudeville, eene merkwaardige populariteit, wat van evenveel
beteekenis voor de Franschen zelven, als voor den modernen smaak en
tijdgeest heeten mag. Aan deze, met gezang en gesprekken vermengde
compositiën, die zoowel kleine als groote zaken, anekdoten,
vermakelijke voorvallen uit het dagelijksch leven, geschiedkundige
gebeurtenissen enz. van den vroolijken kant beschouwen, waren in het
vroolijke Parijs eene geheele reeks schouwburgen bijna uitsluitend
gewijd. Er waren daar goede dichters, zooals Scribe, die dergelijke
voortbrengselen bij honderden schiepen. En de vaudeville, dit echt
Fransche dramatische speelgoed, dit letterkundig windvlaagje maakte
de reis om de wereld. Londen, Weenen, Petersburg, New-York en Brazilië
verheugden zich er in. Misschien is er geen tweede dichtsoort geweest,
dat door alle volken zoo geëxploiteerd en toegejuicht is geworden,
als de vaudeville en het blijspel der Franschen.
"Even als het den Franschen in de kunst _ontbreekt_ aan idealiteit,
zoo ontbreekt het hun in de wetenschap aan universaliteit." Er
is letterlijk geene wetenschap te noemen, waarop deze geestige en
levendige menschen zich niet met ijver hebben toegelegd. En toch
stelt men hen niet aan de spits in de eigenlijke wetenschappelijkheid
der volken.--Zij hebben wel altijd zoogenaamde philosophen gehad, zij
hebben zelfs, waarop zij zich beroemen, eene philosophische eeuw gehad,
en toch heeft bij hen de philosophie nooit zoo diep wortel geschoten,
nooit zoo welig gebloeid als bij de Duitschers, die Voltaire reeds "de
grijsaards van Europa" noemde, terwijl hij zijne eigene landgenooten
als "kinderen" betitelde. "Het ligt niet in het karakter der Franschen,
het geheele rijk der gedachte en der schepping in zijnen samenhang en
in zijn geheel op te vatten." Het enkele vatten zij beter en daaraan
moet het ook toegeschreven worden, dat zij, wat men eene _Universitas
literarum_ noemt, bijna volstrekt niet kennen. Zij bezitten in hun land
slechts afzonderlijke faculteiten, collegie's en bijzondere scholen,
geene universiteiten in algemeenen zin. Slechts één universeele
philosoof en werkelijk groot meta-physicus is uit hunnen boezem
voortgekomen, hun bewonderenswaardige Des Cartes, die echter even
eenzaam in hun midden staat, als Dante bij de Italianen. Daarentegen
overtreffen de Franschen in de zoogenaamde wereld- en menschenkennis,
die men door een onbevangen en geoefenden blik in het gezelllige leven,
en door waarneming der moreele variëteiten der menschelijke natuur
verkrijgt, alle philosophen en dichters van den vroegeren en lateren
tijd. De lijst hunne zoogenaamde "moralisten," hunne Montaigne's,
la Bruyère's, Pascal's, is lang en rijk aan geestige schrijvers
en geschriften.
Daar zij meer verstand dan vernuft bezitten, zoo hebben ook bij hen
_geene_ wetenschappelijke stelsels meer geluk gehad, dan die, waarbij
boven alles een scherp oog, een berekenend verstand noodig zijn, en
waarbij geene sprake is van algemeene beschouwingen, maar van bepaalde
feiten en duidelijk bewezene zaken, zooals de wiskunde, sterrekunde,
natuurkunde, werktuigkunde, met één woord alles, wat zij zelven de
"_sciences exactes_" noemen.
Ofschoon de lier in Frankrijk nooit voor eeuwen lang verstomde,
zooals b.v. in Duitschland, ofschoon herhaalde malen, eens ten tijde
der troubadours en later voor en na Lodewijk XIV, andere volken
dichterlijke opwekkingen en impulsies van Frankrijk ontvingen,
en de Fransche verzen-kunstenaars in hunne vormen navolgden,
zoo wil toch de publieke opinie den Franschen evenmin een diep
gevoelend dichterlijk gemoed, als een diepen philosophischen zin
toekennen. Vooral valt het den Duitschers moeielijk, een werkelijk
genot te vinden in de producten der Fransche poëzie. De Engelsche
dichters, een Shakespeare, Byron, Moore, Burns enz. staan den
Duitschers in hunne wijze van gevoelen zoo na, dat zij gelooven
met hen, als met gelijk-gevoelenden, gelijk-denkenden te doen te
hebben. Ook gevoelen zij zich nauwer verwant aan de groote Spaansche
en Italiaansche zangers, aan een Cervantes, een Calderon of Dante,
dan aan de Fransche dichters. Ja! zelfs wat in overoude tijden een
Homerus of een Anakreon bij de heidenen zongen, gaat hun meer ter
harte dan de zoogenaamde classieke--zij zijn geneigd te zeggen:
koude--composities van een Racine of Voltaire.
Zonder een diep godsdienstig gevoel, zonder een gevoelen, een leven met
de natuur, met Gods schepping, met alle schepselen en geesten, kan men
zich geene ware dichters denken. En van dezen innigen samenhang met de
wereldziel, van deze vervuldheid met God, van dit enthusiasmus, zooals
de Grieken het zoo schoon noemden, van deze oudste eigenschap en oudste
voorwaarde voor het dichterlijk gemoed, hebben de zich alleen om het
tegenwoordige bekommerende, schitterende, geestige Franschen juist niet
veel. Voltaire zelf heeft dit gevoeld en erkend. Deze scherpzinnige
vriend der waarheid heeft de merkwaardige uitspraak gedaan, dat van
alle beschaafde natiën de Fransche de minst dichterlijke is. _De
toutes les nations polies la notre est la moins poëtique._
"De sierlijke spelen en kunstjes van den zoogenaamde esprit,
verstikken bij de Franschen ieder sterk gevoel. Eene fijne, behendige
wending schatten zij boven alles, terwijl zij den stillen maar sterk
aangrijpenden natuurklank van het hart minachten. Eene eenigzins
stoute en wijze vlucht der phantasie, ieder krachtig woord van het
overstroomende dichterlijke gevoel wordt door hen zelfs al spoedig
"smakeloos" genoemd. Hunne dichters zijn vernuften, en dichtten van
oudsher meer voor den gezelligen kring en voor het salon, dan voor
het volk. Een waar dichter echter wil _vrije_ lucht, eene _breede_
straat, en daarenboven in de allereerste plaats, eene rijke, levendige,
ontwikkelde, beeldrijke, oorspronkelijke taal, en ook daaraan ontbreekt
het den Franschen maar al te zeer. "Hunne taal is uiterst scherp,
duidelijk en zakelijk. Voor iedere gedachte heeft zij eene bepaalde
uitdrukking. Maar zij bezit weinig oorspronkelijke volheid. Alles is
bij haar zoo schraal, zoo conventioneel, zoo kunstmatig geregeld,
zoo correct en dien ten gevolge ook zoo beperkt, zoo weinig vrij,
als de aanleg der oude Fransche tuinen en de boomen die zij zoo
stijf afsnoeiden. Een zoo schoolsche, conventioneele, geacademiseerde,
onvrije taalgeest, staat echter lijnrecht over tegen den dichter-geest,
die zelf stempelen, leveren, zelf vormen en gevoelen wil en moet,
even als de geheele afronding, geslotenheid en vlugheid, die den
Franschen eigen is, hunne poëtische opvatting der dingen schaadt.
Dezelfde verhoudingen, omstandigheden en aanleg echter, die bij een
volk de poëzie schaden, zijn somwijlen het proza nuttig, en dit maakt
het begrijpelijk, dat de Franschen om dezelfde redenen in de poëzie
zwakker zijn, in het proza daarentegen meer uitgemunt en meer invloed
uitgeoefend hebben. Schijnt hunne poëzie ons somwijlen proza in verzen,
hunne vocale muziek een gezongen discours toe, hun proza daarentegen
heeft somwijlen een poëtisch waas. Frankrijk is het land van het beste
proza. Hare literatuur bestaat voor drie vierde uit fraaie proza,
redekunst en rhetoriek. De poëzie spreekt gaarne voor zich zelve,
de welsprekendheid gedijt slechts in gezelschap. Een gezellig,
roemlustig en met zich zelven ingenomen volk, moest in zijn wezen
wel een volk van redenaars en prozaïsten worden.
Een der Duitsche aesthetikers zegt in zijne geschiedenis der Fransche
poëzie: "dat in geene literatuur van den nieuweren tijd het zoo
moeielijk is, de geschiedenis der prozaïsche welsprekendheid van de
geschiedenis der poëzie af te scheiden en te onderscheiden, als in
de Fransche." Er kan geen twijfel bestaan over den oorsprong dezer
moeielijkheid. De vernuften en de geleerden stonden bij de Franschen
altijd dichter bij elkander, dan bij de Duitschers, waar de geleerden
dikwijls in een erg prozaïsme verzonken waren. Bij de Franschen hebben
beiden steeds van elkander geleerd, en de proza-literatuur heeft
dien ten gevolge bij hen eene levendiger tint aangenomen. Dezelfde in
het oog vallende helderheid, luchtigheid en netheid van uitdrukking,
dezelfde opwekkende, levendige en dramatische wijze van voorstelling,
die men van den dichter verlangt, is bij de Franschen ook den geleerden
en prozaïsten eigen geworden.
"Zij hebben beter dan eenige andere natie de kunst verstaan, den inhoud
van het gezond menschenverstand, eene pikante, vernuftige, bepaalde en
tegelijk geestige uitdrukking, een duidelijken en tevens liefelijken
vorm te geven." "De Franschman," zegt madame de Stael, "schrijft
en spreekt, zelfs als hij geen ideeën heeft. De Duitscher echter,"
zegt zij, "heeft, zooals meestal het geval is met dichterlijke,
dweepachtige gemoederen, altijd meer denkbeelden, in het hoofd dan
hij uitdrukken kan." De Fransche taal is een ware wetsteen van het
oordeel en het zich duidelijk uitdrukkend verstand. Vertaalt iemand
verwarde Duitsche begrippen, onduidelijke Duitsche volzinnen in het
Fransch, dan lossen zij zich van zelf in hunne bestanddeelen op,
of toonen het gebrek aan onderling verband. Op het Duitsch, even
als op alle beschaafde talen van Europa, heeft ten gevolge daarvan
in nieuweren tijd het Fransch, doordien men zijne duidelijkheid,
netheid en helderheid algemeen begreep, een niet geringen invloed
gehad. De lange volzinnen der Italianen, Spanjaarden, Duitschers,
heeft het ontbonden; de slepende voordracht, die men vroeger bij
de schijvers dezer volken zonder tusschenpunten aantrof, heeft het
verlevendigd. Dat heden ten dage over het algemeen in Europa zooveel
bondiger, zooveel duidelijker en ook natuurlijker geschreven en
gesproken wordt dan vroeger, is eene verdienste der Franschen, die
hierin natuurlijk waren en aan andere volken den weg wezen. Als zij de
poëzie hunner naburen, de Italianen, Spanjaarden, Portugeezen somwijlen
waterachtig maakten, zij hebben daarentegen in geheel Europa in het
proza den goeden smaak en het gezond menschenverstand bevorderd.--Een
der Duitsche literatoren zegt: "men mag er niet aan denken, hoe donker
het in dit opzicht nog in onze hoofden, hoe onbeholpen onze sprekende
lippen en schrijvende vingers zijn zouden, als er in de Europeesche
volken-familie geen Frankrijk geweest was, als het heldere hoofd van
den Franschman ons niet voorgelicht had." Dit zal het ook duidelijk
maken, hoe in geheel Europa geene andere nieuwere taal, noch de
muzikale der Italianen, noch het pathetische en edele Spaansch, noch
het kernachtige Engelsch of het rijke en degelijke Duitsch, in die
mate invloedrijk geworden is als het Fransch. Tot aan het einde der
17de eeuw was het Latijn de algemeene taal der Europeesche geleerden,
der diplomaten en politici. Bij den vrede van Rijswijk 1697 stelde
Lodewijk XIV het Fransch in de plaats van het Latijn. Na dien tijd
verhandelden alle volken van Europa hunne zaken met elkander in _deze_
taal, omdat zij vonden, dat men in die taal het nauwkeurigst uit kon
drukken wat men zeggen wilde.--Later waren er geheele landen en groote
rijken, waarin de hoogere maatschappelijke klassen het bevallige,
elegante Fransch als hunne dagelijksche spreektaal aannamen. Als een
geleerde of een of ander vernuft zijne werken aan de geheele groote
beschaafde wereld nuttig en verstaanbaar wilde maken, moest hij 200
jaren geleden Latijn schrijven. Van dien tijd tot op onze dagen,
kon hij om het zelfde doel en dezelfde uitwerking te verkrijgen,
geene betere taal kiezen dan de Fransche.
Even als in taal en literatuur, hebben de Franschen ook in hun
dagelijksch leven, vooral in tegenstelling met de in dit opzicht
vrijere en plattere Duitschers, iets zeer kenmerkends en formeels.--In
hunne conversatie en in hunnen omgang schijnt bij hen alles in
hooge mate geregeld. Ieder schijnt daar eene goed bestudeerde en
beoefende rol te spelen. Men zou meenen geoefende tooneelspelers in
hen te zien, die begaafd met eene groote tegenwoordigheid van geest
en een goed geheugen, nooit in gebreke blijven een antwoord te geven,
en ter juister tijd het gehoorde en het passende aan den man weten te
brengen. Dat, wat men "goeden toon" noemt, is hun meer aangeboren dan
den Duitschers, die het eerst leeren moeten. De Franschen werden dien
ten gevolge, even als zij de stichters der beste gezelschapstaal en
van het proza waren, ook de vaders van den goeden gezelschapstoon
in Europa.--Reeds tijdens de kruistochten waren "galanterie" en
"courtoisie" woorden en zaken, die in Europa algemeen aangenomen en
van Frankrijk afkomstig waren. In den nieuweren tijd echter, sedert
het schitterend tijdperk van Lodewijk XIV, werd het voor de geheele
beschaafde Europeesche wereld eene gewichtige zaak, op Fransche wijze
te leven, zich te bewegen en met elkander om te gaan. Zelfverloochening
is de hoogste wet van het verkeer, en deze wordt te aangenamer, naar
mate ieder zijne eigene kleur laat varen, hoe meer hij zich onderwerpt
aan al wat _algemeen_ bevalt. Den Franschen, die minder gevoel van
ingenomenheid met zich zelven hadden dan anderen, moest het veel
gemakkelijker vallen deze, voor een gemakkelijken omgang met menschen,
zoo noodige zelfverloochening, die aan allen gelijk moet geven, te
beoefenen, dan den Duitschers, bij wie ieder zijn eigen zin heeft en
een geheelen mikrokosmus van eigen gedachten met zich omdraagt.
Bij dit alles echter en niettegenstaande hun veel geprezen "goeden
toon," vallen de bewegelijke Franschen maar al te gemakkelijk
dikwijls geheel uit hunne rol. "Zij dalen," zooals Herder zegt,
"zoo snel mogelijk van het kookpunt tot het vriespunt." De
stemming springt bij hen, meestal niet met een zachten overgang,
maar somwijlen met geheel onverwachte sprongen, over tot heftige en
geweldige uitdrukkingen. Uit den luchtigen conversatie-toon slaan
zij plotseling tot een geheel anderen over, en onvoorbereid vervallen
zij uit onschuldige vroolijkheid tot teugellooze hartstochtelijkheid.
Even als in het dagelijksch leven, zoo zijn ook in de staatkundige
geschiedenis der Franschen, zulke plotselinge overgangen als Herder
ze ons schildert, of zulke _repentina consilia_, zooals Cesar het
noemde, meermalen voorgekomen. Ofschoon zij gewoonlijk menschen van
veel "_bonhommie_" geweest zijn, zoo heeft toch ook dikwijls bij hen,
wanneer de leeuw wakker werd gemaakt, een teugelloos botvieren aan
de hartstochten plaats gegrepen. Zulke hoog-tragische en vreeselijke
gebeurtenissen, als de St. Bartholomeus-nacht tijdens Karel IX, of als
het schrikbewind gedurende de eerste revolutie, of nogmaals gedurende
de Commune in het jaar 1871, zijn bij ons bijna eene onmogelijkheid.
Daar het geheele volk, even gemakkelijk als de individuen,
van de eene stemming in eene andere, en somwijlen in eene geheel
tegenovergestelde overslaat, zoo laat zich daaruit ook de heftigheid
verklaren der golven en stroomen, die het geheele volk in massa,
en wel binnen een zeer kort tijdsbestek, uit de monarchie in den
afgrond eener republiek geslingerd, en uit deze weder op de kruinen
van een militair Imperatoren-dom getild hebben, deze "wervelorkanen,
waarin het Fransche schip van staat zich snel, door alle richtingen
der windroos heen, bewogen heeft."
Sedert bijna honderd jaren, sedert zij het oude, door den Duitschen
Chlodwig onder hen gestichte Koningschap op zijde hebben gezet, zijn
de Franschen een vulkaan geweest, die door plotselinge uitbarstingen,
den geheelen omtrek heeft doen beven, en door de stroomen lava, die
hij uitstortte, gedeeltelijk verwoest, gedeeltelijk waarschijnlijk
ook vruchtbaar gemaakt heeft. Zij hebben daarbij in Duitschland, in
Italië en elders vele middeleeuwsche treurige toestanden opgeruimd,
verscheidene nieuwe en vruchtbare denkbeelden over het werelddeel
uitgestrooid, het Duitsche en Italiaansche volk tot nationale en
politieke vereeniging opgewekt. Voor zich zelven echter hebben zij,
door herhaalde omwentelingen en staatkundige proefnemingen, weinig
gewonnen. Zij gelijken nu een uitgewoeden en ingestorten krater. De
laatste "wervel-orkaan," dien wij in onze dagen bij de Franschen
beleefd hebben, heeft nog niet uitgewoed, en men herkent nog de
haven niet, waarin dit onrustige en door zijne lichtzinnigheid
en te groot gevoel van eigenwaarde zoo ongelukkig geworden volk,
binnenloopen zal.--