Veel van hetgeen wij over de Spanjaarden gezegd hebben, is ook van
toepassing op hunne buren en tweelingbroeders, de Portugeezen, die
den uitersten rand, of zooals Portugeesche dichters zich uitdrukken,
"_het voorhoofd van Spanje_", van Europa's hoofd bewonen, en die op
ons vasteland slechts _een enkelen_ nabuur, de Spanjaarden, hebben.
Onder de zelfstandige volken van ons werelddeel, die eene eigene taal,
ontwikkeling en literatuur hebben, is het Portugeesche volk een der
jongsten. Zijne losmaking van het overige lichaam van het Pyreneesche
schiereiland, dateert eerst van den aanvang der 12de eeuw, en de
wasdom dezer nationaliteit is dien ten gevolge nauwelijks zoo oud,
als die der oude eiken in onze wouden.
Gedurende de lange tijdruimte, die dat tijdstip voorafging, maakten
de bewoners van het tegenwoordig Portugal slechts een gedeelte van
Spanje uit. Ook viel het hunnen voorouders niet in, zich zelven van
het begrip Spanjaard en Spanje uit te sluiten. Zij deelden in alle
lotgevallen van het overige Spanje, waarmede zij achtereenvolgens
onder de opperheerschappij der Puniërs, Romeinen, Germanen en Arabieren
geraakten.
De door de Romeinen zoogenaamde Lusitaniërs, die door de dichters
en patriotten van het land, als de Portugeezen van den ouden
tijd verheerlijkt worden, bewoonden slechts een gedeelte van
het tegenwoordige Portugal, en waren ook over een gedeelte van
het overige Spanje verbreid. Zij waren een tak van den grooten
Iberischen stam, zooals men nog andere in Spanje aantrof, en er
vormde zich bij hen een tongval, die niet anders dan als een dialect
van den Iberisch-Romaanschen stam beschouwd kan worden, die niet
_meer_ zelfstandige eigendommelijkheden had, dan de Arragonische en
Catalonische dialecten ook bezaten. Als een staatkundig en nationaal
geheel trad het land, dat wij nu Portugal noemen, in die tijden nooit
op. Het had altijd slechts eene provinciale beteekenis, en zoowel de
Romeinen als de Gothen en de Arabieren smolten het land, terwijl zij
het verschillend verdeelden, met de districten en provinciën van het
binnenste gedeelte van het Pyreneesche schiereiland samen.
In het jaar 1095 behoorde de Noordelijke helft van het tegenwoordige
Portugal tot het Koningrijk Castilië en Leon, de Zuidelijke helft
onder den naam Algarvië (d.i. het Westland) tot het Arabische Kalifaat
van Cordova.
Eerst door het in genoemd jaar plaats hebbend huwelijk eener
Castiliaansche Prinses Theresia, met een Franschen Prins, Hendrik
van Bourgondië, begon dit anders te worden.
Alphonsus VI, Koning van Castilië, verleende aan deze zijne kinderen,
als een stadhouderschap, den omtrek van het tegenwoordige Oporto,
dat sedert oude tijden den naam "_Portus Cale_" (de haven van Cale)
droeg. Daarom noemde zich genoemde Hendrik van Bourgondië _Comes
Portugalensis_ (de Graaf van de haven Cale), en reeds zijn zoon Alfonso
I, die den omtrek van dit Graafschap vergrootte, nam den titel Koning
aan, verdedigde zijne zelfstandigheid tegen Castilië, en moet als de
eigenlijke stichter der Portugeesche natie beschouwd worden.
Hij en zijne opvolgers breidden, van uit die Noordelijke wieg des
volks, van uit het land bij Oporto, tusschen den Minho en Duero, waar
ook nog tot in den nieuweren tijd de lotgevallen der natie zoo dikwijls
beslist werden, hunne heerschappij en den naam "Portugal" verder naar
het Zuiden uit. Zij marcheerden en veroverden langs de kusten van den
Atlantischen Oceaan, aan welks strand deze heerschappij ontstaan was,
van de eene haven naar de andere, van de eene riviermonding tot de
andere, naar beneden toe, terwijl zij de Arabieren eerst uit Coïmbra,
daarna uit Santaren, vervolgens met behulp van Vlaamsche en Duitsche
kruisvaarders uit het Koninklijke "Lischbuna" (Portugeesch Lisbona) en
eindelijk uit Algarvië verdreven, en tegelijkertijd aan de bevrijde
volken hunnen, uit het Noorden afkomstigen en met de Galliciërs
verwanten, en nu ook weldra gevierden naam "Portugal" mededeelden.
Reeds na niet veel meer dan 100 jaren, stond het vaderland dezer
Portugeezen reeds kant en klaar zoo daar, als wij het nog in dit
oogenblik kennen. Van toen af aan, gingen de Portugeezen zich over
zee in de andere werelddeelen uitbreiden. In Europa hebben zij zich
sedert dien tijd, dus sedert meer dan 600 jaren niet verder uitgebreid,
maar hebben zij,--terwijl zij hun gebied met eene keten van sterke
vestingen omgaven en met hunne eenige naburen, de Spanjaarden,
daarover een, om zoo te zeggen, nooit eindigenden verdedigingsoorlog
voerden,--met buitengewone hardnekkigheid het eens genomen grondgebied
weten in bezit te houden. Deze omstandigheid is wellicht eenig in
de geschiedenis van Europa. Want omstreeks dien zelfden tijd hebben
schier alle andere nationaliteiten en staten van ons werelddeel, zelfs
de Britsche eiland-bewoners, hunne grenzen en het gebied waarover
zij zich verbreidden, zeer dikwijls veranderd gezien.
Deze omstandigheid is daarom des te merkwaardiger, omdat eigenlijk
geene zeer scherp afgeteekende natuurlijke grenzen tusschen Portugal
en Spanje bestaan. Dezelfde gebergten, hooge plateau's en rivieren
treft men in beide landen aan. Beiden hebben hetzelfde klimaat en
brengen dezelfde producten voort, en daar nog bovendien Portugal in
het vierhoekige figuur van het Pyreneesche schiereiland geheel invalt,
zoo schijnt het, dat de natuur, zoo ergens dan hier, beide landen
voor eene eenheid in nationaliteit en heerschappij bestemd heeft.
Niettemin bieden beide landen ook eenige natuurlijke contrasten aan,
waarop waarschijnlijk dan ook de zedelijke contrasten van beide
volken berusten.
De Portugeezen hebben zich uitsluitend aan den zoom van den
Atlantischen Oceaan opgehouden. Zij hebben alle mondingsgebieden
der grootere Spaansche rivieren bezet, en langs dezen zijn zij maar
zoover landwaarts ingedrongen, als zij bevaarbaar zijn, terwijl
zij den Spanjaarden het bronnengebied en de diep tusschen de bergen
ingeslotene bergstroomdalen overlieten.
Daar hun land openstaat voor de zee, zoo is ook het klimaat gematigder
en vooral vochtiger dan dat van Spanje; Portugal is, geheel anders dan
Spanje, een groot regenland. Zijne wijnen hebben dien ten gevolge eene
wat mindere natuurlijke hitte dan de Spaansche. Zelfs de Koninklijke
wijn van Oporto verkrijgt zijn gloed het meest door de spiritus, die
aan het druivensap wordt toegevoegd. De Portugeesche wijnen hebben
in het algemeen meer vet, hangen meer aan het glas en zijn zwaarder,
dan de drooge, van nature vurige Spaansche wijnen, en ook dit wijst
op een karakteristiek verschil tusschen beide landen en volken.
Over het algemeen zou men de Portugeezen, de Nederlanders van het
Pyreneesche schiereiland kunnen noemen. Zij staan in allerlei opzicht
tot de rots- en bergvolken van Spanje, als de Vlamingen en Batavieren
tot de Duitschers. Zij zijn, hun oorsprong uit eene haven getrouw--men
zou den naam _Portugeezen_ in _havenlieden_ kunnen vertalen--groote
schippers en handelaars geweest. Zij hebben dien ten gevolge ook
meer het burgerlijke en neringdoende element in zich opgenomen,
dan de ridderlijke Spanjaarden. Zij zijn werkzamer dan deze. Als
oude handelsvolken openbaren zij in hun geheele wezen iets weeks
en buigzaams, in tegenstelling met de Spanjaarden, die door het
harder, hooghartiger, ruwer wezen eens bergvolks bezield schijnen
te zijn. Het is een min of meer dergelijk contrast, als men aantreft
bij den Skandinavischen stam, in de Denen en Zweden.
Veelvuldig openbaart zich die grootere weekheid van het Portugeesche
wezen, in hunne taal en literatuur, waarin b.v. de bij de Spanjaarden
zoo nationale dramatische en historische voortbrengselen ontbreken,
terwijl de herder-dichten door geen volk in zoo hooge mate beoefend
werden als door de Portugeezen. Even als de Italianen weinige
dichters gehad hebben, die niet iets satirieks hebben voortgebracht,
zoo tellen de Portugeezen bijna geen dichter, die niet in eclogen,
idyllen, bukolische en erotische gedichten ruimschoots het zijne heeft
gedaan. "Elegische sentimentaliteit en droefgeestige zwerving van
gedachten, is een hoofdtrek van hun karakter. Zelfs hunne edele ridders
en Koningen, die in oude tijden bijna altijd in geestdrift ontstokene
dichters waren, zongen in den regel het liefst van Amynthas, Chloë en
Daphnis, en in geheel Portugal was bijna iedere berg een Parnassus,
iedere bron een Castiliaansche bronwel."
Daardoor verschijnen zij ook overal als de lievelingen van Venus, en
in hun groot heldendicht, de Lusiade, treedt in den raad der goden,
de godin der liefde op als beschermster en voorspraak van Vasco
de Gama en zijne Portugeezen, terwijl Bacchus, de god des wijns,
de rol van hunnen tegenstander en verderver speelt, welk laatste,
zooals ik hier ter loops opmerk, voor de in het eten en drinken zoo
uiterste matige Lusitaniërs, even veel beteekenend is.
Even als in de keuze der geliefkoosde onderwerpen hunner dichters, zoo
ontmoet men ook in de klanken en in den bouw der Portugeesche taal,
iets ongemeens, weeks en zelfs iets zoets, zij begunstigt in hooge
mate de uitdrukking van zachte en teedere gevoelens. Zij verwisselt
overal de keel- en gehemelteklanken der Spaansche taal in sis- en
tongklanken, en brengt meer klinkers bijeen dan de Spaansche.
In stede van den ruwen klank, die aan de Spaansche taal eigen
is, bezit de Portugeesche meer de gladheid van het Fransch. Zij
heeft met deze ook den eigenaardigen neusklank gemeen, die aan het
Spaansch geheel vreemd is. Men schrijft dit en veel meer Fransch in
het Portugeesch--gedeeltelijk ten minste--aan de eerste grondvesting
der Portugeesche zelfstandigheid door bovengenoemden Franschen Prins
toe, die met vele Fransche ridders en zangers in het land kwam. De
Portugees heeft minder Germaansch of Gothisch, en ook minder Arabisch
dan de Spanjaarden behouden.
Het Spaansch klinkt indrukwekkender en voornamer dan het Portugeesch,
dat b.v. eene menigte volklinkende woorden,--die uit het fraaie land
der welluidendheid, uit Italië en uit de taal van Rome, afkomstig zijn
en aan wie de Spanjaarden hun Romeinsch karakter lieten--afgekort,
verminkt en uitgewischt heeft. Wie zou niet het Spaansche _color_,
_palacio_, _pueblo_, _madre_, _padre_, _poner_ veel welluidender
vinden, dan de Portugeesche veranderingen _cor_, _paço_, _povo_,
_may_, _pay_, _por_! Het Spaansche oor zijn dergelijke Portugeesche
woorden onhoorbaar en zij schijnen hem bedorven, verminkt, plat
Spaansch.--Ook in dit opzicht, verhoudt zich het Portugeesch weder
nagenoeg tot het Spaansch als het Nederlandsch tot het Opper-Duitsch,
welk laatste eveneens zoowel ruwer en volklinkender, als ook voornamer,
deftiger en trotscher is dan het weekere en plattere Nederlandsch. Even
als het een Duitscher zelden inviel Nederlandsch te leeren en zijne
gedachten in die taal in te kleeden, zoo hebben ook de Spanjaarden
zich bijna nooit op het Portugeesch toegelegd, terwijl omgekeerd bijna
geen Portugeesch dichter genoemd kan worden, die het ook niet in den
mannelijken, Castiliaanschen tongval beproefd heeft. Verscheidene
Portugeesche classici behooren tot de literatuur van beide volken,
wat men zeker van geen Spaanschen dichter zeggen kan.
Even als de taal der Spanjaarden, zoo was ook hun geheele leven en
hun zijn, oorspronkelijker en rijker ontwikkeld, als zijnde dat van
een grootscher, machtiger en talrijker volk. De Spanjaarden hebben in
alle soorten der dichtkunst, in alle soorten van kunst en wetenschap
uitgemunt. Bij de Portugeezen, die dikwijls slechts naäapten, vindt men
menig geheel onbebouwd veld. In het satirieke en komieke genre b.v.,
waren zij zeer zwak en bewogen zij zich moeilijk. Een zoo fijne en
scherpe geest als die van Cervantes werd nooit bij hen geboren. Ook in
de schoone kunsten, de architectuur uitgezonderd, hebben de Portugeezen
zelden iets groots voortgebracht. Hunne schilders en beeldhouwers
kennen wij niet, terwijl die der Spanjaarden in de wereld algemeen
geprezen worden.
Over het geheel is, na al wat wij boven opgemerkt hebben, de moreele
invloed der Portugeezen op de Spanjaarden gering geweest, terwijl
omgekeerd die der Spanjaarden op de Portugeezen zoo groot was,
dat men zeggen kan, dat zij hunne naburen aan den oever der zee,
meestal op sleeptouw hebben.
De Portugeezen hebben in de ontwikkeling hunner beschaving bijna
altijd met de Spanjaarden gelijken tred gehouden. De perioden der
poëzie en literatuur zijn bij beide volken geheel dezelfde, en
evenzoo ook de tijdperken van bloei en verval hunner staatkundige
macht. Werden in Spanje de troubadours, de Italianen of de Franschen
nageaapt, gelijktijdig geschiedde zulks in Portugal. Had Spanje wijze,
poëtische, de wetenschap hooge eischen stellende Koningen, dan had
Portugal die ook. Stond in Spanje een Peter de Wreede aan het hoofd,
dan had Portugal ook dergelijke despoten met dergelijke bijnamen. De
beroemde Koningen van Portugal, Johan II, Emanuel en Johan III,
waren tijdgenooten van de grootste Spaansche monarchen Ferdinand,
Karel I en Filips II, en gewoonlijk hadden beide volken gelijktijdig
hunne groote mannen en hunne groote omwentelingen.
Werd bij de Spanjaarden het Romeinsche recht of de inquisitie of eenige
andere heilzame of onheilzame hervorming ingevoerd, zoo duurde het
ook niet lang of zij werden ook bij de Portugeezen aangenomen. Hadden
de Moriscos of Joden in Spanje vervolgingen der Christenen te lijden,
zoo konden zij kort daarna in Portugal op hetzelfde rekenen, ofschoon
het hier meestal zachter toeging, daar de Portugeezen zich, als alle
handelsvolken, over het algemeen verdraagzamer getoond hebben dan de
hooghartige en sombere Spanjaarden.
Binnen hetzelfde tiental jaren begaven zich de voornaamste zeehelden
der beide volken scheep, en zeilden den aardbol rond, de eenen langs
den Oostelijken, de anderen langs den Westelijken weg, ofschoon ter
zee, van den beginne af aan, de Portugeezen iets op de Spanjaarden
voor hebben gehad. Beide volken gingen, als eene dubbelster, bijna in
hetzelfde oogenblik door het zenith hunner macht. En toch vindt men
naast al die overeenkomsten in de geschiedenis hunner ontwikkeling, in
hun karakter en hunne neigingen, en naast alle opgesomde aesthetische
en literarische overeenkomst het merkwaardige, dat zij daarbij altijd
in aangeborene vijandschap leefden, steeds de grootste antipathie
tegen elkander koesterden, en even als een paar broeders of naburen,
die vijandig tegen elkander over staan, alleen door de omstandigheden
gedrongen met elkander gelijken tred hebben gehouden, om zoo te zeggen
tegen wil en dank, dezelfde melodie, op slechts weinig van elkander
verschillende instrumenten, gespeeld hebben.
In de oorlogen, die beiden--dikwijls met vreemden verbonden--tegen
elkander voerden, hebben de Spanjaarden meestal het overwicht
gehad. Ontelbare malen zijn zij Portugal als overwinnaars
binnengetrokken, en hebben het nu en dan beheerscht, eens (van 1580
tot 1640) langer dan eene halve eeuw. Niettemin hebben zij het nooit
blijvend kunnen verbreken, overmeesteren of met hun land ineensmelten,
ofschoon het tot den huidigen dag een lievelingsidée der Spaansche
patriotten is, alle stammen van het Pyreneesche schiereiland, _ook_
de Portugeezen, tot één groot rijk en volk te vereenigen.--En dit
is een idée, welks verwezenlijking onze tegenwoordige eeuw met hare
handelsvrijheid, hare spoorwegen, kanalen, bevaarbaar gemaakte
rivieren, waarmede, de Spanjaarden zoowel als de Portugeezen, de
scheidsmuren die tusschen hen bestaan, trachten omver te werpen,
_misschien_ bewerken zal.
Hebben de Portugeezen reeds in hunne betrekking tot hunne buren, de
Spanjaarden, meer eene lijdende of verdedigende, dan eene werkdadige
en voorlichtende rol gespeeld, zoo is hunne inwerking op de beschaving
van het overig Europa nog van veel minder beteekenis geweest. Van hoe
veel meer gewicht zijn niet de Zwitsers en Nederlanders (ook slechts,
even als de Portugeezen, kleine volken) voor Europa geworden. Onder
de regeering van Koning Emanuel, in de 16de eeuw, was wel bij hen
het middenpunt van den Europeeschen handel, was Lissabon wel eene
wereldmarkt, waar men alle zeevarende volken aantrof; maar dit
duurde niet lang, en van nog korteren duur was de roem van hun
Coïmbra, als schitterendste Muzen-zetel van ons werelddeel. Hunne
taal heeft men in het overig Europa even weinig geleerd en er even
weinig notitie van genomen als b.v. van het Nederlandsch. Hunne taal
is bijna even eng begrensd gebleven, als b.v. de tongval der Denen
tot Jutland.--Van al hunne talrijke dichters heeft slechts _één_
zich een Europeeschen naam, in de geschiedenis der Europeesche
ontwikkeling eenig gewicht verworven. Wij bedoelen den, door een
hoogst ongelukkig noodlot vervolgden, door zijne tijdgenooten niet
gewaardeerden, ja geplaagden armen soldaat, dien men later, opdat hij
in zijn levensonderhoud zou kunnen voorzien, de hoogst ondichterlijke
betrekking van lijkbezorger te Macao, in China gaf; dien men later,
wegens eene vergissing in de administratie aan zijne betrekking eigen,
in de gevangenis wierp, en ten laatste in een hospitaal als bedelaar
liet verkwijnen en sterven. Onder al die mishandelingen en kwellingen,
werkte die geestige man steeds aan zijne kunstrijke, prachtige verzen,
waarin hij op onsterfelijke wijze den roem zijner landslieden, zijner
Koningen en hunner voorvaderen bezong, de Portugeesche dichtervorst
_Camoëns_, wiens Lusiade een bij alle volken bekend en bewonderd,
in alle talen der wereld overgezet heldendicht geworden is.
Even als deze Camoëns van hunne dichters, zoo is van hunne
geschiedschrijvers nagenoeg alleen Barros,--van hunne zeehelden alleen
Magellaan, de eerste die een vaart om de wereld deed,--van hunne
Vorsten, de groote Emanuel, die zich er op beroemde dat in zijn rijk de
zon nooit onderging,--van hunne veldheeren Albuquerque, de veroveraar
van Indië,--van hunne staatslieden Pombal, de verdrijver der jezuïten,
bij alle Europeanen bekend geworden. Algemeen bekende Spaansche,
Italiaansche of Fransche celebriteiten zijn er ontelbaar velen.--
Het voornaamste veld van de grootheid en de in de geschiedenis der
ontwikkeling bekende werkzaamheid, der aan den uitersten rand van ons
werelddeel geborene Portugeezen, ligt buiten Europa, aan gene zijde
van den Oceaan, in Afrika, in Indië, in de nieuwe wereld, waar zij
aan vele volken hunne taal leerden, hunne beschaving mededeelden;
waar zij groote staten, Koningrijken en Keizerrijken stichtten; waar
zich hunne geheele nationale neerlijkheid _overmachtig_ ontvouwde; waar
zij zich echter, tegelijk met de gemakkelijk verworvene rijkdommen en
de steeds toenemende luxe, ook de lust tot pronk en den tegenzin in
den arbeid eigen maakten, die eene groote verslapping hunner energie
ten gevolge gehad hebben, en waaruit zij zich eerst nu weder, na vele
vergeefsche omwentelingen, tot nieuwe nationale werkzaamheid en bloei
beginnen te verheffen.