DE SPANJAARDEN.

Als uit den romp van Europa gesneden, van haar door een hoogen

bergmuur gescheiden, aan alle zijden door den Oceaan omringd,

het uiterste punt van ons werelddeel, met eene zeer eigenaardige

physionomie, ligt het wonderbare land daar, dat de ouden, wijl het

hun toescheen dat de avondster er boven schitterde, _Hesperia_ (het

Westland) noemden. Even als met Europa, was het vermoedelijk vroeger,

door de eerst in eene latere geologische periode doorgebrokene straat

van Gibraltar, ook aan Afrika verbonden, en in wezen en karakter heeft

het veel dat aan beide vaste landen gemeen is.--Dezelfde omwentelingen

der aardoppervlakte, die de terrassen van den Afrikaanschen Atlas

vormden, hebben ook op de groote rotsen-plateau's van het Pyreneesche

schiereiland ingewerkt, en dikwijls schijnt het, als hadden zij

naar hetzelfde model gewerkt, en in Spanje een Afrika in het klein,

een Europeesch Afrika willen vormen. Eerst toen de Oceaan in de

eens geheel afgeslotene Middellandsche Zee binnendrong en de poort

van Herkules uitgroef, kwam dit miniatuur-Afrika, wat de samenhang

met het vaste land betrof, aan de zijde van Europa, kwam het, in

physikalischen, ethnographischen en anderen zin, onder haren invloed,

maar bleef toch steeds ook in velerlei opzichten in gemeenschap met het

naburige Zuidland, waarnaar het, om zoo te zeggen, voortdurend zijne

hand uitstrekte.--De geheele natuur van het Pyreneesche schiereiland

schijnt dientengevolge een mengsel van het Zuiden en het Noorden.

Het heeft warmere en droogere landstreken dan eenig ander gedeelte van

Europa. Zijn klimaat brengt hier een daar het suikerriet, den palm en

andere zuidvruchten tot rijpheid, en op zijn zuidelijkst punt hebben

zelfs, wat hun anders nergens mogelijk was, de koude-schuwende dieren

der keerkringen, de apen, en naast hen de Afrikaansche kameleons, hunne

woonplaatsen kunnen opslaan.--In het scherpste contrast daarmede,

vindt men ook Spaansche bergstreken van zoo ruwe temperatuur,

dat zelfs onze Noordsche woudbewoner, de beer, er zich te huis

gevoelt.--Uitgestrekte streken van dit groote schiereiland zijn even

woest en dor, als de melancholische woestijn van Sahara of de Duitsche

heidevelden van Lüneburg. En ook weder treft men er gedeelten aan,

die, in liefelijkheid en natuurschoon, alles overtreffen wat ons

werelddeel aanbiedt.

De _Sierras_, die getakte, onregelmatig getande _rots-zagen_

van Andalusië en Grenada, waarop nauwlijks ooit een boom wortels

geschoten heeft, zijn bedekt met reusachtige granietblokken

en marmer-massa's van allerlei kleur, en hare ontoegankelijke

kruinen hebben veel overeenkomst met puntige kegels, die zich in

het altijd helder blauwe hemelsgewelf schijnen in te boren.--In den

schoot dezer Sierra's echter, zijn vruchtbare dalen verscholen, wier

plantengroei en weelderige schoonheid zich de levendigste verbeelding

niet tooverachtiger droomen kan.--Deze heerlijke dalen, waarin de

welriekendste Flora de lucht met hare geuren doortrekt, schijnen, naar

de poëtische volks-uitdrukking der Spanjaarden, door de engelen des

hemels als hunne wiegen, in den boezem der rotsen ingelaten te zijn.

Het ernstige, treurige, sombere echter heeft over het algemeen

den boventoon. Onmetelijke boomlooze, verbrande vlakten, eenzaam en

doodstil, "als geschapen voor het gebed van boetedoende anachoreten,"

breiden zich wijd en zijd door het binnenste van Spanje uit.--De

lucht is daar scherp en droog, verschrikkelijk heet gedurende het eene

jaargetijde, en snijdend ruw gedurende het andere. Te vergeefs zoekt

men daar de zachte velden, de steeds door luwe, zachte westenwinden

beademde tuinen van Italië, te vergeefs de frissche heerlijkheid, het

zachte groen der Duitsche wouden met hun vroolijk vogelengekweel. Die

zachte, rustige vroolijkheid van het groene woud- en weidentapijt, ligt

over Spanje niet uitgespreid, wiens natuur wel--zelfs in zijne sombere

gedeelten--_verheven_, maar niet altijd tot het gevoel sprekende, wel

hier en daar _prachtig_, maar slechts zelden bewoonbaar en gemoedelijk

is.--Zij hult zich, om zoo te zeggen, in een schilderachtig gedrapeerd

overkleed, dat wel uit een grof weefsel bestaat, maar met gouden

treswerk, edelgesteenten en paarlen bezet is.

De beroemde "_Vega_" (beemden) van Grenada--het bekoorlijke

weidebloemen-plateau van _La Serena_, dat nu de Merinos-schapen

beweiden,--het weelderige Andalusië, waarover de hoorn des overvloeds

zijne natuurgaven uitgestrooid heeft, dat reeds de ouden roemden,--de

rijk bevochtigde "_Huerta_" (tuin), in wier schoot Valencia ligt,--zijn

eenige dezer paradijzen, die den voet der berg-plateau's van het

Pyreneën-land bijgevoegd of aangehangen zijn, met welke ook het

binnenland hier en daar doorweefd is, en in welke de zuivere lucht,

de krachtige zonnestralen en de rijkelijke dauw van deze hemelstreek,

alle planten en producten eene weelderige fijnheid en zachtheid van

kleuren, een glans geven, die de zinnen bekoort.

Wanneer men deze weinige, zoo scherp tegen elkander overstaande,

grondtrekken van hun vaderland, bij elkander voegt, meent men

reeds het portret der bewoners zelven geteekend te hebben, en

de in het oog loopende eigenschappen van hun karakter, zoomede de

wisseling der lotgevallen die daartoe de aanleidende oorzaak waren, te

herkennen.--Even als in het _klimaat_ en in de _natuur_, zoo openbaart

zich ook in de geschiedenis van het land een aanhoudende strijd, eene

voortdurende vermenging van Zuidelijke of Oostersche en Noordsche

of Europeesche invloeden en elementen.--Als de koude Noordenwinden,

zoo stormen Noordsche volken over de Pyreneën het land binnen, en

even als de heete "Solano", trekken uit het Zuiden Afrikaansche

volken tegen de natie op.--En het Spaansche volks-karakter, dat

uit deze vermenging ontstaan is, is even als het land, een zeer

scherp geteekend beeld zonder halflichten en schaduwbeelden, in de

hoogste plaats phantastisch, vol hoogen zin; vol gloeienden trots,

vol koude koenheid,--op al wat gemeen of middelmatig is minachtend

nederziende--rustig en onverschrokken aan het grootste ongeluk het

hoofd biedende,--haat en liefde vereenigende,--rijk aan de scherpste

contrasten, even als die woeste Sierra's met de daar aan, als het

ware, hangende paradijzen,--in staat tot de bitterste wraak en tot

de schoonste deugd, grootmoedig en toch wreed,--uit onverschillige

gevoelloosheid tot stormachtige uitgelatenheid, uit trage rust

en stijve onbeweeglijkheid tot de onstuimigste werkzaamheid

overslaande,--geestig en onwetend, vrijmoedig en achterhoudend,

lichtgeloovig en tegelijkertijd wantrouwend, zooals veranderlijke,

dweepachtige phantastici zulks gewoonlijk zijn.

De eerste menschen van dit soort, die de geschiedenis ons in Spanje

aanwijst, zijn onder den naam "_Iberiërs_" bekend. Vóór hen schijnt

_geen_ ander volk in Spanje gewoond te hebben, zij schijnen de

oorspronkelijke inwoners, de vroegste die het land in bezit namen,

geweest te zijn, waarvan nog slechts een gering gedeelte, de

zoogenaamde "Basken," bestaat.

Deze oude Iberiërs zijn niet alleen in Spanje, maar naast de Finsche

stammen wellicht ook in geheel Europa het oudste volk. Daarvoor

spreekt onder anderen de omstandigheid, dat zij het uiterste,

westelijk gedeelte van ons vasteland bewoonden, waarheen zij door

de hen later natrekkende Indo-Germanen, de voorvaderen der Grieken,

Romeinen, Celten en Germanen, gedrongen werden.

Wijl men eenige gelijkheid der Iberische taal met de talen van

Afrikaansche volken ontdekte, heeft men somwijlen gemeend, dat

Spanje ook deze vroege bevolking uit Afrika gekregen heeft. Dit was

voornamelijk eene hypothese van den grooten Duitschen philosoof

Leibnitz. Maar veel meer omstandigheden wijzen daarheen, dat de

Iberiërs, even als andere Europeesche volken, langs de Middellandsche

zee uit het Oosten gekomen zijn.--Want ook op Sicilië en de andere

Italiaansche eilanden, ook in Zuidelijk Frankrijk, worden ons Iberiërs

als de allereerste elementen der bevolking aangewezen. Daar werden

zij door hun nakomende en het land binnentrekkende vreemdelingen

overstroomd, en nu waren zij wel genoodzaakt zich in massa

verder Westwaarts te begeven. De overblijfselen, die onder vreemde

opperheerschappij zijn achtergebleven, geven nog den weg aan, langs

welken zij trokken. Behalve deze richting uit het Oosten, dien

oorsprong uit Azië, die gemeenschappelijke moeder der Europeesche

menschheid, kan men anders weinig ontdekken, wat de Iberiërs met de

overige Europeanen gemeen hadden.

Hunne taal, die wij nog heden ten dage bij de Baskiërs in de Pyreneën

hooren, is zoo eigenaardig, volgens de nieuwste onderzoekingen onzer

taalvorschers, zoo geheel verschillend van alle andere taaleigens

van Europa, dat men noch eenige verwantschap met die der Celten,

noch met die der Germanen of Grieken ontdekken kan.--Men heeft in de

verwijderdste oorden der Aarde naar eenige verwantschap met dit zoozeer

geïsoleerde ras en taal gezocht. Eenigen hebben gelijkenis bij de

Finnen, anderen zelfs bij de Indianen van Noord-Amerika willen vinden.

De Iberiërs hadden het geheele Pyreneesche schiereiland in bezit,

maar reeds toen de geschiedenis gewag van hen begon te maken,

woonden zij daar niet meer alleen.--Reeds een ander groot volk had

zich over hen heengestort. Hunne oostelijke naburen en opdringers,

de "Celten," de voorvaders der Franschen, die hen uit Azië naar het

Westen gevolgd waren, die hen reeds uit Italië en Zuid-Frankrijk

verdreven hadden, waren van uit het tegenwoordig Frankrijk over de

Noordelijke grensbergen getrokken, en hadden groote gedeelten van

het Pyreneesche schiereiland betrokken. Deze eerste verdrukking van

Spanje, van de zijde der bewoners van Frankrijk, dit vroegste spoor der

door de geheele geschiedenis merkbare, en de tot op den huidigen dag

voortdurende ijverzucht tusschen Spanjaarden en Franschen, verliest

zich eveneens buiten den tijd der geloofwaardige geschiedenis.--Dit

moet een overoud iets zijn, want toen de Romeinen deze verhoudingen

leerden kennen, waren de gasten uit Gallië, in zeden en taal, reeds in

hooge mate Iberisch, dat wil zeggen Spaansch geworden.--Zij verschilden

reeds geheel en al van de Celten in Gallië, en werden daarom ook

"_Celto-Iberiërs_" of Iberisch gewordene Celten genoemd.--Nevens hen

woonden nog in grootere massa de oude onvermengde oorspronkelijke

bewoners, zoowel in de gebergten van het Noorden en het Oosten,

als ook langs de kusten der zee, in vele volkssoorten verdeeld,

waarvan eenige, b.v. de heldhaftige Cantabriërs en de Basconen,

(de tegenwoordige Baskiërs) in het Noorden, en de Lusitaniërs, de

voorvaderen der Portugezen, in het Westen, hunnen naam bijzonder

beroemd gemaakt hebben.

Het is niet weinig te betreuren, dat een Tacitus ons niet de zeden

dezer Iberische voorouders der Spanjaarden, even als die der Germanen,

geschilderd heeft.--Het weinige echter, wat wij van hen hooren,

wijst daarheen, dat wij hun karakter en hun gansche wijze van zijn,

als de ware bron en grondoorzaak der nationale eigenaardigheden onzer

hedendaagsche Spanjaarden moeten beschouwen; dat wij den oorsprong

en het begin der meeste eigenschappen van de moderne Spanjaarden,

te zoeken hebben bij de oude Iberiërs, wier oorspronkelijke natuur,

trots alle daarop door latere volksverhuizingen uitgeoefende invloeden,

om zoo te zeggen, altijd weder boven kwam drijven.

De oude Iberiërs leefden, ten gevolge van de gesteldheid van hun door

bergen doorsneden land en hun nationaal karakter, verbrokkeld in

tallooze scherp van elkander afgescheidene stammen. Zij kenmerkten

zich door eene diep gewortelde en hartstochtelijke liefde voor

hun geboorteland, dat zij met hardnekkigheid verdedigden.--Zij

waren echter weinig geneigd, zich te plaatsen onder de vanen van

machtige aanvoerders, en groote ondernemingen in den vreemde uit te

voeren. Het patriotisme, waarmede zij een hunner steden, Numantia,

tegen de Romeinen verdedigden, is door hunne tijdgenooten algemeen

geprezen geworden, en men heeft deze verdediging van het oude Numantia,

dikwijls vergeleken met die van Saragossa tegen de Franschen, die

door onze grootouders bewonderd werd.--Als men de geschiedenis dezer

beide, tijdelijk zoo ver van elkander verwijderde, handelingen leest,

meent men dikwijls juist denzelfden gang van gebeurtenissen waar te

nemen;--dezelfde verschijnselen doen zich voor, ja men zou zeggen,

dezelfde persoonlijkheden treden op.

De oude Iberiërs gebruikten tot het oorlogvoeren geene groote legers,

maar kleine, zeer beweegbare benden "op de manier der roovers,"

zooals reeds de Griek _Strabo_ zegt, terwijl hij er bijvoegt: "de

Iberiërs waren alleen geschikt tot het doen van kleine ondernemingen"

(wij zouden zeggen tot het voeren van guerilla-oorlogen).--Wanneer men

hetgeen de Romeinen over deze wijze van oorlogvoeren zeggen, vergelijkt

met hetgeen wij in deze eeuw, bij de gevechten van _Don Carlos_ en

bij verschillende andere gelegenheden hebben kunnen waarnemen, dan

is men geneigd te gelooven, dat nog nu in Spanje in hoofdzaak weinig

veranderd is in de oude, het volk kenmerkende manier van vechten en

oorlogvoeren.--De veldtochten van Don Carlos tegen de nieuwe monarchie,

die van den ouden Spaanschen held Viriathus tegen de Romeinen; later

die van den vluchteling _Pelayo_ tegen de Arabieren, gelijken, niet

alleen wat de hoofdgebeurtenissen betreft, maar ook in de bijkomende

episodes, in zoo hoogen graad op elkander, dat men in de verzoeking

komt te gelooven, dat dit alles niets anders is dan de herhaling van

hetzelfde feit, naar hetzelfde beraamde drama. Wij herkennen in de

Iberische patriotten en krijgslieden die Plutarchus beschrijft, de

Spaansche soldaten der midden-eeuwen en ook die van den nieuweren tijd.

Maar ook de geschiedenis van zulke weinig wezenlijke zaken, als

b.v. nationale-dansen zijn, schijnt zich in Spanje in den grijsten

voortijd te verliezen.--De schilderingen, die Romeinsche schrijvers

van de kunst der Iberische danseressen, van hare levendige bewegingen

en gesticulaties bij den klank der castagnetten, van hare lenigheid en

hare uitdrukkingvolle muziek geven, pleiten ten voordeele der stelling,

dat die Iberische dansen niet anders geweest zijn dan de tegenwoordige

"Fandango's" en "Boleros," in de uitvoering waarvan de Spanjaarden

heden ten dage nog evenzeer bewonderd worden, als hunne voorouders

ten tijde der Romeinen.

Even als met de dansen en de guerilla-oorlogen, zoo staat het ook

met de overeenkomst van vele andere zaken, die de oude en de nieuwe

Spanjaarden met elkander gemeen hebben, en die over het algemeen

bewijzen, dat de gezamenlijke bevolking van Spanje, trots alle

vreemdsoortige toe- en bijvoegsels, die zij in den loop der tijden

gekregen heeft, nu nog in haar _wezen_ berust op de primitieve,

nog niet vergane Iberische elementen; dat men haar in hoofdzaak als

Iberisch beschouwen mag, en men haar land nog zeer te recht met den

ouden naam "_Iberisch schiereiland_" benoemen mag.

Volkomen zuiver en onveranderd is het oude beeld der Iberiërs nog

heden ten dage, zooals gezegd is, bewaard gebleven in de interessante

blauwoogige en blondharige bewoners van den noordwestelijken

bergachtigen hoek van Spanje, de zoogenaamde Baskische provinciën,

waarheen slechts de uiterste voorposten der Romeinsche, Arabische

en andere volken, die het land overstroomden, gekomen zijn.--Deze

Baskiërs geven ons nog heden ten dage het echte beeld van die "wilde,

stijfkoppige, onbuigzame, trotsche, maar tegelijkertijd ook vroolijke,

goedhartige en vergenoegde oudste Spanjaarden," en zij beroemen zich,

in hunne dalen de oudste adellijke geslachten van het schiereiland

te bezitten.--Als op zich zelve staande klippen rondom door andere

volken-baren omspoeld en waarvan hier en daar stukken afgeslagen

zijn, steken deze oude geslachten boven de stroomen uit, die over

hunne andere Spaansche medebroeders heenstroomden. Van den _naam_

der Iberiërs getuigt heden ten dage nog zeer duidelijk de naam van

de bekende rivier Ibero of Ebro. Ook bestaat nog in de tegenwoordige

Spaansche taal menig Iberisch element, zooals ook nog vele namen van

beroemde Spaansche steden niets dan later gewijzigde oud-Iberische

namen zijn.

Het is hoogst waarschijnlijk, dat de Iberiërs, even als in het Noorden

met de Galliërs of Celten, zoo ook in het Zuiden met hunne naburen

in Afrika, van ouds aanhoudend in twist leefden, en dat zij van daar

reeds invloeden en koloniën ontvingen, waarvan onze overleveringen

niet meer gewagen.

Als den eersten _bekenden_ inval _van daar_ kan men de stichting van

koloniën in Zuidelijk Spanje, door de Pheniciërs en Carthagers, de

stamgenooten en voorgangers der Arabieren, beschouwen. De Pheniciërs

bouwden daar Cadix, Malaga en eenige andere beroemde steden. Toch

schijnen zij als _zeelieden_, even als de Grieken, die ook in Spanje

eenige koloniën, zooals Saguntum, stichtten, hunne havens en den

kustrand slechts zelden verlaten te hebben, en het binnenste gedeelte

van het land niet diep binnengedrongen te zijn. Zulks neemt echter

niet weg, dat nog heden ten dage, verscheidene zaken in Spanje aan de

aanwezigheid der Pheniciërs herinneren, zooals b.v. de naam "Spanje"

zelf, die naar men meent van Phenicischen oorsprong is.

De Carthagers, die de voetstappen der Pheniciërs, hunne vaders,

volgden, verbreidden zich _verder_ in het land, stichtten daar talrijke

koloniën, ontginden meer de zilvermijnen van het schiereiland, en

besloten eindelijk, ten einde tegen hunne aartsvijanden, de Romeinen,

met wie zij om de wereldheerschappij streden, een vaste burcht te

winnen, geheel Spanje aan zich te onderwerpen.--Zij zonden hunne

beste veldheeren, de _Hamilkars_, de _Hasdubrals_ en _Hannibals_ daar

heen, en deze veroverden, in eene reeks merkwaardige veldtochten,

het grootste gedeelte van Spanje.--Daar de Carthagers zelven reeds

sedert lang halve Afrikanen geworden waren, en zij als soldaten en

begeleiders _dezelfde_ volken naar Spanje overbrachten, die later

_weder_ met de Arabieren kwamen, voornamelijk de Mooren, Barbarijers

enz. zoo kan men dit als den _eersten_, door de geschiedenis eenigzins

nauwkeurig bekenden groooten _Moorschen_ of Afrikaanschen inval in

Spanje beschouwen.

De naam der door den Carthager Hasdrubal gestichte stad _Carthagena_,

getuigt onder anderen van de aanwezigheid der Karthagers in Spanje. Het

is een Punische naam, die zelfs in zijn Afrikaansch geboorteland nu

verdwenen is.

Na eenigen tijd echter, moesten de Carthagers op het Pyreneesche

schiereiland voor de Romeinen wijken, die vervolgens na hunne

verdrijving, trachtten het geheele land te onderwerpen.

Daar de Iberiërs even hardnekkig en heldhaftig waren in de verdediging

van hun vaderland, als de Romeinen zulks waren in hunne pogingen

om de _wereld te veroveren_, zoo duurde de strijd tusschen deze

beide hardnekkige volken bijna twee eeuwen.--De veroverings- en

bestrijdingsoorlogen in Spanje hebben zich, onder steeds hernieuwde

guerilla-oorlogen, bijna bestendig op die wijze door de eeuwen

heengeslingerd. Romeinsche schrijvers bejammeren het dikwijls,

dat geene onderwerping hunnen veldheeren moeielijker gevallen is,

dan die van Spanje. De onderwerping van Gallië door Cesar was, in

vergelijking met die van Spanje, om zoo te zeggen een: "_veni, vidi,

vici!_" (Ik kwam, zag en overwon.)

Natuurlijk echter was ook de door de Romeinen doorgezette verovering,

van langeren duur, van ingrijpender aard en meer doordringend, dan al

de van de Celten, Pheniciërs en Carthagers uitgegane invallen.--Zij

lijfden het geheele Iberische schiereiland stukswijze bij hun rijk in,

en maakten het tot eene provincie, die langen tijd een der bloeiendste

en volkrijkste gedeelten van het geheele groote Keizerrijk was.--Even

als overal, zoo ook in Spanje, beschaafden en onderrichtten zij

de inboorlingen op Romeinsche wijze, en beheerschten hen meer dan

vier honderd jaren lang. Maar deze wijziging der nationaliteit ging

niet zoover, dat men daardoor de Iberiërs tot in hart en nieren,

naar geest en lichaam, tot volslagen Romeinen of Italianen maken

kon. Het oude ras bleef veeleer in hoofdzaak hetzelfde, de naar het

land overgeplante werkelijk Romeinsche kolonisten, waren natuurlijk

betrekkelijk altijd slechts weinig talrijk. Alleen de schoolmeester,

de korporaal, de advocaat, de gouverneur, waren Italiaansch.--De

andere bleven Romeinsch sprekende, Romeinsch gekleede, met het

Romeinsche burgerrecht begenadigde, maar voor het overige Iberisch of

Spaansch denkende en gevoelende menschen.--De Spaansche legioenen,

die de Romeinen op het Iberisch schiereiland aanwierven, behoorden

lang tot hunne beste troepen, en nooit zijn, vóór de ontdekking van

Amerika, de Spanjaarden de wereld verder ingetrokken, dan onder de

Romeinsche vanen.

Dat de Spanjaarden niettegenstaande de Romeinsche opleiding en

ontwikkeling, naar den geest en het hart altijd Spanjaarden bleven,

en dat zij reeds toen dezelfde eigenschappen bezaten of verkregen,

die zij vroeger of later geopenbaard hebben, laat zich tamelijk goed

aantoonen. Zelfs bij eene vluchtige vergelijking is het b.v. onzen

historici niet ontgaan, hoe zeer vele Spaansche eigenaardigheden in

de werken, den schrijftrant en de gedachten der beroemde Romeinsche

schrijvers en dichters: _Seneca_, _Quinctilianus_, _Lucanus_,

_Columella_, _Martialis_, die op het Pyreneesche schiereiland geboren

werden, te vinden zijn. Misschien ligt er ook iets bepaald Spaansch

in de houding, het karakter en de wijze van zijn, der beide groote

Keizers _Trajanus_ en _Theodosius_, die geboren Spanjaarden waren,

en die dit land aan den Romeinschen staat schonk.

Een later Romeinsch, in Spanje geboren, dichter _Prudentius_, is

volgens een historicus door en door Spaansch. "De hoogste dweeperij

van het gevoel, moeielijk volgehoudene afleidingen, gewaagde sprongen

en koene allegorische beelden," zegt de heer von _Schack_, "vindt

men overal in de gedichten van _Prudentius_ even dicht bij elkander,

als b.v. in de treurspelen van den modernen _Calderon_. Bij beiden

dezelfde innigheid van gevoel en dezelfde verhevene beeldenpracht,

naast de vervelendste langdradigheid en eindelooze herhalingen,--de

fraaiste en schitterendste plaatsen naast uiterst vermoeiende en

krachtelooze zinnen," die overal op de velden der Spaansche poëzie

voor en na te voorschijn treden, even als in de natuur van het land

de uitgestrekte dorre berg-plateau's en heidevlakten tusschen die

"door de engelen toebereide dalen."--Deze Prudentius was zelfs,

even als zijn landsman Quinctilianus, in dezelfde Spaansche provincie

geboren, waaruit later de grootste dichters dier natie, een Calderon,

een Cervantes, een Lopes de Vega ontsproten, namelijk in Castilië,

het hart des lands.

De inwerkingen der Romeinen op de Spanjaarden zijn duurzamer en van

meer beslissenden aard geweest, dan die van eenig, ander voor of na

hen, op het schiereiland verschenen volk.--Zij hebben de Iberiërs voor

het vervolg van tijd aan dien tak van het Indo-Germaansche ras, dat men

den Celto-Romaanschen noemt, verbonden, hebben hun eene Romaansche taal

en beschaving gegeven, die de oude Iberische bijna geheel verdrong,

en hebben hen daardoor tot broeders der Italianen en Franschen gemaakt.

Op eene vreemde en nog weinig verklaarbare wijze, heeft zich deze

welluidende, edele, rijke en trotsche Romaansche taal over alle

deelen des lands,--met uitzondering van den Baskischen hoek--in

verscheidene dialecten verbreid, en heeft zij zich later, zelfs

onder de heerschappij der Gothen en Mooren, natuurlijk een weinig

gewijzigd door den invloed van dezen, weten te bewaren en verder te

ontwikkelen; zij is tot een boom met rijke vruchten van poëzie en

literatuur opgegroeid, zooals geen der andere op Spaanschen bodem

overgeplante of daar inheemsche tongvallen.--Zij is in woordvorming

en buiging echt Romaansch, ja! in menig punt zelfs het Latijn nader

gebleven, dan zulks met het Italiaansch het geval is.

Even als hunne taal, zoo hebben de Romeinen ook hunne oude

overleveringen, hunne mythen en hunne godenleer aan de Iberiërs

medegedeeld. En even als bij andere Romaansche volken, zoo is ook

bij de Spanjaarden de herinnering aan de Grieksch-Romeinsche oudheid

levendig gebleven. "Nog heden ten dage moet de reiziger er zich

over verwonderen, als hij hoort hoe de Spaansche landlieden in het

binnenste van het land, de namen van Venus, Amor, Bacchus, Herkules en

andere Grieksch-Romeinsche goden-namen in den mond hebben en dezen,

even als de Sicilianen, nevens hunne heiligen aanroepen." Ook putten

de oude en nieuwe dichters van Spanje, zoowel hunne allegoriën als

de thema's voor hunne treurspelen, met zoo groot gemak uit de stoffen

die de oude mythologie, de Trojaansche oorlog, de tocht der Argonauten

enz. hun aanbieden, dat men wel ziet, hoe dit alles uit de tijden der

Grieken en Romeinen bij hen populair en eigen geworden is, en niet,

zooals bij ons, eerst door philologen en oudheid-onderzoekers onder

het volk verspreid is.

Even als in andere landen, zoo werd ook na de vijfde eeuw in Spanje, de

heerschappij der Romeinen gevolgd door die der zich over geheel Europa

verspreidende Germanen.--Het eerst trokken de Sueven en Vandalen,

als voortroepen der Gothen, over de Pyreneën en wisten daar eene

tijdelijke heerschappij te voeren; een gedeelte der Vandalen namelijk

zette zich in de rijkste en zuidelijkste provincie van Spanje, in

het dal van den Guadalquivir neder, maar weldra trokken zij van daar

naar Afrika.--Deze Duitsche Vandalen lieten in Spanje weinig meer

achter dan hunnen naam, die van toen af voor altijd aan dat paradijs

"Vandalitia" of "Andalusia" eigen gebleven is.

Op de Sueven en Vandalen volgden de West Gothen, die door onstuimige

aanvallen te midden der Spaansche Romanen, hunne heerschappij in het

land grondvestten en een Koningrijk stichtten, dat twee eeuwen bleef

bestaan.--Daar deze Gothen zich door huwelijk als anderszins spoedig

met de inboorlingen van het land vermengden, de taal en de zeden en

na eenigen tijd ook den rechtgeloovigen katholieken godsdienst van

dezen aannamen--daar zij dus mede Spanjaarden werden en zij verder hun

onafhankelijk Koningrijk over het _geheele_ Pyreneesche schiereiland,

en ook over Lusitanië of Portugal uitbreidden, zoo mag men het

zoogenaamde Gothische tijdperk als het eerste tijdvak beschouwen,

waarin de Spanjaarden een eenig vereenigd volk, een staat onder een

opperhoofd uitmaakten--als een volk optraden.

Want in de Iberische oudheid bestonden, zooals boven reeds opgemerkt

is, slechts eene menigte naast elkander wonende stammen van hetzelfde

ras--_later_ waren vele dezer stammen min of meer afhankelijk van

de Pheniciërs, Carthagers, Grieken, en vermengden zij zich met

dezen. Nog later was geheel Spanje niets meer dan eene Romeinsche

provincie. Onder de Gothen echter had het geheele land één geloof,

vormde het éénen staat, was het één volk. Aan hen moet men de

schepping der _politieke_ onafhankelijkheid en het aanzien der

Spaansche nationaliteit toeschrijven.

Van hunnen tijd dagteekenen wellicht ook vele der eigenaardigheden en

neigingen, die de geaardheid van het Spaansche karakter eigen geworden

en gebleven zijn, b.v. hunne ernstige godsdienstigheid, hunne strenge

rechtgeloovigheid en hun haat tegen allen, die zij ketters noemen;

eene eigenschap, die reeds de Gothische Koningen, in eene wreede

verdrijving der Joden en in andere maatregelen, openbaarden.--Hun oud

Gothisch Koningrijk te herstellen, was ook later in de oorlogen met de

Arabieren, om zoo te zeggen het ideaal, dat de Spaansche natie voor

den geest zweefde, en toen zij dat ideaal eindelijk onder Ferdinand

en Isabella bereikten, toen was onmiddellijk dezelfde daad, waarmede

de oude Gothische Koningen van het tooneel der geschiedenis waren

afgetreden--eene vreeselijke Jodenvervolging--weder een der eerste

maatregelen, waarmede de katholieke Koningen de herstelling en de

hereeniging van het oude rijk vierden. De geest der ketter-rechtbanken

heeft zich dus, in het nationaal-karakter der Spanjaarden, lang voor

men den naam "inquisitie" kende, geopenbaard.

Zeer weinig Gothisch of Germaansch is in hunne taal overgebleven. Toch

beschouwt men, als uit dien tijd afstammende: den harden klank die

aan de Spaansche uitspraak eigen is, hunne harde gehemelte-letters,

vooral ook de harde uitspraak der "_G_" voor "_e_" en "_i_", en zekere

den Duitschers en Spanjaarden eigene wijzigingen der klinkletters,

b.v. de verwisseling van de Latijnsche "_O_" in een tweeklank;

Latijnsch: _corpus_, Spaansch _cuerpa_, Duitsch _Körper_; Latijnsch

_populus_, Spaansch _puebla_, Duitsch _Pöbel_ enz.

Iets meer Germaansch is in hunne staatsregeling, hunne zeden, hunne

rechts- en maatschappelijke toestanden gebleven, wat zich gemakkelijk

uit de omstandigheid laat verklaren, dat de Gothen langen tijd de

machthebbers, de wetgevers en de overmachtige adel des lands bleven,

terwijl hunne Romaansche onderdanen, de Romeinsche beschaving,

de scholen en de literatuur in handen hadden.--De staatsregelingen

der latere Koningen van het schiereiland, behielden nog lang een

Gothischen grondslag en eene Germaansche tint, die eerst in den loop

der tijden langzamerhand verminderde, en in onze negentiende eeuw

geheel verdwenen schijnt te zijn.

Sommigen gelooven, dat ook de wereldbekende adeltrots der Spanjaarden,

hun door Germaanschen geest ingeboezemd is. "_Ser Godo_" (een Gothe

zijn) heeft in eenige provinciën van Spanje nog de beteekenis:

"_van goeden adel zijn_."

Duitsche schrijvers en reizigers hebben ook het Duitsche ras, de hooge

Germaansche gestalte en andere Duitsche eigenaardigheden, nu eens

hier, dan daar, in Spanje willen terugvinden. Zoo verklaart b.v. de

een alle _Castilianen_ voor echte Gothen-zonen, en gelooft zelfs, dat

de Spanjaarden en Portugeezen _slechts_ ten gevolge van den hun door

de Gothen aangebrachten avontuurlijken geest, de nieuwe wereld ontdekt

hebben, en met behulp van hetgeen zij van de Duitschers ontvingen, nog

lang na dien de voornaamste en koenste zeevaarders gebleven zijn.--Zoo

ziet een ander in Catalonië niets dan Germaansch en Gothisch, terwijl

men bij een derde leest, dat Asturië en Galicië en het Noordelijk

gedeelte van Portugal, waaruit de flinke, sterk gebouwde menschen,

de in Spanje zoo genaamde "Gallegos" (Galiciërs), voortkomen, "om

overeenkomstig de Duitsche lust tot reizen, de Zuid-Spaansche en

Zuid-Portugeesche streken als rustige, vlijtige arbeiders door te

trekken, en later, even als de Duitsche handwerksgezellen, met de

verkregene winst en ervaring naar het geliefde geboorteland terug

te keeren, het _meest wezenlijk Germaansche_ gedeelte van geheel

Spanje is," en dat ook bij voorkeur van daar uit, het verwonderlijke,

poëtische en phantastische waas van het Germaansche en Gothische

Noorden, over de overige Spaansche landen bezielend heengewaaid is.

Inderdaad! deze laatste bewering vooral, kan iets waars tot grondslag

hebben; want in dien Noord-Westelijken hoek hebben zich, bij den

inval der Mooren, de meeste overblijfselen der Germaansche elementen

opgehoopt. De Mooren hebben daar slechts ter loops bezoeken gebracht,

en de geheele herbouwing van het Nieuw-Gothische rijk en de Spaansche

nationaliteit, is ook van daar uitgegaan. Ook droeg juist dit gedeelte

van het Pyreneesche schiereiland, in de middeneeuwen nog lang den naam

"_Gothia_" (Gothenland), en zelfs nog tot op den huidigen dag noemt men

in Zuid-Amerika, de Spaansche landverhuizers en kolonisten uit Asturië

en Galicië "Godos" (Gothen).--Over het geheel echter mag men niet te

veel waarde hechten aan de voorstelling, dat nog vele Germaansche,

aan het bloed en de afstamming klevende, geestelijke en lichamelijke

eigenaardigheden in Spanje te vinden zijn,--ofschoon somwijlen de

Spanjaarden zelven, als zij in hun land een Duitscher ontmoeten,

indachtig aan hunne oude Gothische voorvaderen, zeer vriendelijk

plegen op te merken: "_Somos Hermanos_" (wij zijn immers broeders).

De Duitschers hebben zich, als ras, nooit en nergens zoo hardnekkig

en vast bewezen, als b.v. de Romeinen of als vele Aziatische

stammen. Voornamelijk in de warme klimaten van Europa zijn zij spoedig

geabsorbeerd geworden, minder in het Noorden, b.v. in Engeland. Ook

kwamen zij niet in zoo grooten getale en niet zoo frisch en direct uit

Duitschland naar Spanje, als zij b.v. naar Engeland gekomen zijn, maar

eerst nadat zij reeds in andere Romeinsche provinciën rondgetrokken

en woonachtig geweest waren, nadat zij daar waarschijnlijk reeds veel

van hun oorspronkelijk Duitsch wezen verloren hadden.--Van Duitsche

vrouwen hooren wij bij de Spaansche Gothen nooit iets. Hunne Koningen

en voornamen trouwden al ras met voorname Spaansche vrouwen. Hieruit

laat het zich gedeeltelijk verklaren, dat het Duitsche element in de

Spaansche taal zoo zwak vertegenwoordigd is.

Op den inval der Gothen uit het Noorden, volgde na eenigen tijd, in het

begin der achtste eeuw, nogmaals eene hoogst belangrijke overstrooming

uit het Zuiden, uit Afrika, langs den weg vroeger door de Pheniciërs

en Carthagers genomen.--De toen ter tijd in Afrika en Azië machtige

Arabieren trokken over de straat van Gibraltar, en vernietigden, tot

op een klein gedeelte na, het Gothische rijk.--Even als de Carthagers,

brachten zij vele stammen van het Noord-Afrikaansche stamvolk, de

Barbaryers, met zich mede. Door de Spanjaarden en Portugeezen werd dit

Afrikaansch-Aziatische, tot den Islam bekeerde volkenmengsel "Mooren"

genoemd, omdat zij het laatst kwamen uit de, het dichtst bij het

schiereiland gelegene Barbarysche provincie, die sedert oude tijden het

"Moorenland" (Mauritanië) heette.--Zoo lang de Mahomedaansch-Arabische

wereld een machtig, wanneer ook al niet altijd staatkundig, een eenig

lichaam vormde, dat door dezelfde sappen gevoed werd, kwamen met de

Arabieren ook gedeelten van andere Aziatische volken naar Spanje. Zij

voerden er Syriërs en Perzen, en gedurende den laatsten tijd dat zij er

vertoefden, ook Turken heen.--Al die Oostersche volken trokken eeuwen

lang uit het binnenste van Marocco en uit Westelijk Azië naar Spanje,

als ware dit land een tot hun Oosten behoorend gebied, en de prachtige

steden, die zij daar bouwden, bevolkten en opsierden: "Korthoba"

(Cordova), "Ischbilia" (Sevilla) enz. waren bij de patriotten van

Egypte of Yemen, even zoo gevierd als Kaïn, Aleppo of Damascus.

Nadat deze verschillende, met de Arabieren overgewaaide

buiten-Europeesche rassen daar een tijd lang gewoond hadden, nadat

zij daar een eigen, volkrijk en van het groote Kalifaat afgezonderd

Koningrijk gesticht hadden, toen onder hen op Europeeschen bodem

eene bloeiende beschaving wortel geschoten had, versmolten zij in

meerdere of mindere mate tot _een_ volk, waarvan het hoofdkarakter

en de taal wel Arabisch waren, maar dat zich ten langen laatste van

zijne landslieden in Afrika en Azië evenzeer onderscheidde, als nu de

Europeesche Turken van hunne Aziatische broeders in de steppen.--Er

ontstond eene afzonderlijke Spaansch-Arabische nationaliteit, die trots

de taaiheid, die aan alle Aziatische en Afrikaansche rassen eigen is,

meer of minder van de Europeesche natuur, en de volkenfamilie waarin

en waarmede zij leefde, moest aannemen.

In het noordelijke, bergachtige Spanje, in de Pyreneën en hare

voortzettingen, in het oude, schier niet veroverde land der Cantabriërs

en Baskiërs, dat door de Carthagers slechts ter loops aangeraakt

was, waarin de Romeinen zich _nooit_ recht te huis gevoeld hadden,

verschenen ook de Arabieren niet anders dan als _trekvogels_. Eene

lijn, die men van daar naar Gibraltar trekt, doorsnijdt het eerst

streken, die de Mooren slechts nagenoeg 40 of 50 jaren in hun

bezit hadden;--vervolgens gedeelten, waarin zij langer dan eene

eeuw woonden,--eindelijk geheel in het zuiden, dicht bij Afrika,

streken, die zij bijna 800 jaar als hun vaderland beschouwden. In

al de schoone provinciën van het Pyreneesche schiereiland, die van

Lissabon uit door de straat van Gibraltar tot aan Barcelona toe,

hare dalen en hare kusten naar Afrika gekeerd en geopend hebben,

zijn zij in de _grootste_ getalsterkte gekomen, en daar hebben zij

zich, _eerst_ als onafhankelijke heeren van het land, _daarna_ als

onderdanen der Spaansche Koningen, het langst staande gehouden.

Daar zij gedurende den tijd hunner heerschappij steeds meer en meer

kolonisten uit Afrika aanvoerden; daar zij zich in het vruchtbare land

zelf aanzienlijk vermeerderden, zoo maakten zij ten langen laatste in

deze provinciën, met name in Andalusië, Grenada, Murcia en Valencia,

niet alleen het meerendeel uit der in de steden wonende burgers,

maar bewoonden zij ook overal als landbouwers naast de inboorlingen

het land. Door de vlijtigste industrie en ontginning, gaven zij aan

de vruchtbare dalen dezer streken eene zoo dichte bevolking, eene

zoo zorgvuldige bebouwing, een zoo lachend uiterlijk, als geen volk

voor of na hen in staat is geweest ze te verleenen.--Verscheidene

hunner met de prachtigste moskeeën, sierlijkste paleizen, talrijke

inrichtingen voor onderwijs en ter bevordering van het volks-welzijn,

met tuinen en waterwerken versierde steden, telden hare inwoners

bij honderdduizenden.

Het aanvankelijk zoo heftige fanatisme, waarmede de Arabieren

hun vaderland in Azië verlaten hadden, en waarmede zij Egypte

en Noord-Afrika verwoestend waren binnengevallen, was bij hunne

aankomst in Spanje reeds merkelijk getemperd. In Spanje hebben zij

aan de voorschriften van den Koran, met betrekking tot de hun daar

ontmoetende vreemdgeloovigen, eene zoo zacht mogelijke uitlegging

gegeven. De Spaansche Christenen, wier landen zij daar veroverden,

werden niet te zwaarde verwoest, maar alleen tot schatplichtige

onderdanen gemaakt, die slechts eene matige belasting behoefden

op te brengen. Zij bleven in massa naast en onder de Arabieren

wonen. De Moorsche heerschers belemmerden de godsdienstoefeningen

der overwonnenen door geene wreede dwangmaatregelen. Den Christenen

werd de uitoefening van hunnen godsdienst en de vervulling hunner

geestelijke betrekkingen vrijgelaten. Zij behielden aanvankelijk

in alle steden, zelfs in de residentie van het rijk, Cordova hunne

bisschoppen en kerken, zij mochten zich in de kerken zelfs van de

klokken bedienen, wat, zooals bekend is, tot in den laatsten tijd

niet eens aan de Duitsche protestanten, in eene groote residentie van

een Duitsch vorst toegestaan was,--De meeste Spaansche onderdanen

der Mooren leerden de Arabische taal, die veel fijner beschaafd en

wetenschappelijker was dan hun Gothisch-Romaansch patois,--namen hunne

Arabische zeden en gewoonten aan, en werden dikwijls de leerlingen der

meer beschaafde en meer wetenschappelijk ontwikkelde Arabieren.--Vele

van deze Spaansche Christenen, de Katholieke heiligen-aanbidding

en martelaars-vergoding moede, gingen tot den Islam over. Vele

der Mahomedanen ook, ofschoon zulks veel zeldzamer voorgekomen is,

lieten zich doopen. Huwelijken tusschen Christenen en Mooren, onder

voornamen en geringen, waren veelvuldig.--En zoo waren al ras eene

menigte draden gesponnen, waardoor beide rassen zich met elkander

verbonden en vermengden; vele bruggen, wegen en kanalen gevormd,

waardoor het Arabische bloed in het lichaam van het Spaansche volk,

zoover dit door Arabieren beheerscht was, binnenvloot.

De Mooren zelven werden, zooals boven gezegd is, gedurende hun

oponthoud in Spanje, reeds een weinig gehispaniseerd. Evenzoo

werden hunne christelijke onderdanen, niettegenstaande zij hun

geloof behielden, veelvuldig gearabiseerd, hadden zelfs ook onder

zich in hunne eigene kerkelijke gemeenten, menschen van Moorsche

afkomst. Evenzoo ontstond er weldra eene burgerklasse van gemengden,

die uit de, niet zelden voorkomende, huwelijken tusschen Mooren

en Spanjaarden ontstond. Reeds de tweede stadhouder der Califen

in Spanje huwde met eene Gothische Prinses. Deze gemengden werden

aanvankelijk "Moz-Arabieren" genoemd. En ten slotte noemde men alle

onder de Arabieren wonende Spanjaarden "Moz-Arabieren", dat is:

gearabiseerde Christenen.

Hadden de Arabieren zich voor altijd in het bezit van het _geheele_

Pyreneesche schiereiland weten te handhaven, dan zou op gezegde

wijze, waarschijnlijk een eigendommelijk volk, met sterk in het

oog springenden Arabischen toon op het Romaansch-Iberisch fundament

ontstaan zijn. Daar zij echter een gedeelte van het land onveroverd

lieten, en daaruit langzamerhand het oorspronkelijke volk weder

te voorschijn trad, zoo ontstond het omgekeerde, een volk met

_oud-Spaanschen_ grondtoon en hier en daar iets Arabisch.

De bevrijdingsoorlog dien de Spanjaarden, van uit Asturië en het oude

land der Cantabriërs, tegen de Arabieren begonnen, en dien zij, met

eene in de geschiedenis zelden zoo aangetroffene volharding en energie,

gedurende vijf eeuwen volhielden, tot zij eindelijk hun doel bereikt

hadden, was even als alle nationale oorlogen der Europeanen met de

Aziaten en Afrikanen, der Christenen met Mahomedanen, een strijd

op leven en dood. Even als de over hunnen godsdienst in geestdrift

ontstokene Koningen van Leon, Castilië, Arragon, en hunne door ras-haat

bezielde Spanjaarden, voet voor voet, stad voor stad, dal voor dal,

hun gebied naar het zuiden vergrootten, zoo werden ook voet voor voet

de Moorsche bewoners dier streken, deels met het zwaard verdelgd, deels

uit den grond waarin zij wortelden, als onkruid uitgeroeid.--Uit ieder

streepje grond dat zij den Arabieren ontnamen, werden deze verdreven;

zij moesten dan zuidwaarts trekken en hunne plaatsen werden door

christelijke kolonisten uit het noorden ingenomen.--Evenals men een

oranje-appel schilt, zoo werd Spanje langzamerhand stuk voor stuk

ontdaan en gezuiverd van de over haar heengegroeide schil. Maar, wie

met een molenaar vecht, die behoudt, zelfs al doet hij hem de vlucht

nemen, sporen van het meel aan zich.--Het is eene tamelijk algemeene

verschijning, dat een paar elkander als doodvijanden vervolgende

natiën, zelfs midden in den strijd, onwillekeurig en tegen hunnen wil,

op elkander beginnen te gelijken.--Reeds om tegen zijne tegenpartij

opgewassen te zijn, moet de een veel van de wijze van oorlogvoeren

van den ander, van zijne wapens en listen leeren kennen en aannemen,

en moet hij zich met hem, wat betreft oefening, geest, list en kracht,

op dezelfde lijn stellen.

Dit geschiedde met de Spanjaarden in hunnen verdelgingsoorlog tegen de

Arabieren. Beide partijen waren met denzelfden godsdienstijver bezield,

ieder voor haar geloof, beide gloeiden van hetzelfde patriotisme,--de

een voor het land, dat hunne voorvaderen sinds onheugelijke tijden

bezaten,--de andere voor den grond, dien zij lief hadden. Daar beide

partijen, al waren zij ook verbitterde vijanden, toch een edel slag van

menschen waren, zoo bewonderde men elkander dikwijls van weerszijden,

en had er dikwijls een strijd van grootmoedigheid tusschen hen plaats,

en in de, echter altijd slechts korte, tijden van vrede, werden

somwijlen zelfs banden van vriendschap en huwelijk gesloten.--Zoo al

geene geloofsstellingen, zoo werden toch Arabische liederen, muziek

en dergelijke naar de Spaansche legerplaats overgeplant. Natuurlijk

liepen ook gedurig, nu en dan, soldaten uit het eene leger naar het

andere over.

Niet zelden verbonden de Christen-Koningen zulke Arabische overloopers

aan zich, en verdedigden met hen hunne grenssloten. Omgekeerd hadden

Mahomedaansche Vorsten soms christelijke ridders in hunnen dienst. De

gevierdste aller Spaansche volkshelden uit dien tijd, vocht zelfs aan

de zijde der Mahomedanen, en hij is ons zelfs onder zijn Arabischen

eeretitel "_El Cid_" (de heer), nog heden ten dage beter bekend

dan onder zijn Spaanschen naam: _Roy Diaz, el Campeador_ (Roderik

Diego's zoon, de strijder). Arabische geleerden en kunstenaars,

wiskunstenaars, sterrekundigen en geneesheeren, waren aan de hoven

der Christen-Koningen eene nog meer voorkomende verschijning. Bij de

gebouwen die zij in hunne steden daarstelden, maakten zij dikwijls

gebruik van Arabische bouwkunstenaars, en er ontstond onder de

Spaansche Christenen, naast den meest in zwang zijnden Gothischen

bouwstijl, eene lichtere, meer elegante architectuur, die zij "_Obra

Morisca_" (Mooren-werk) noemden. De Arabische gedichten, waarmede de

Emirs van Grenada zich den tijd verdreven, werden door de Spanjaarden

met welgevallen opgenomen, naverteld en vervolgens vrijer nagevolgd,

en zoo ging ongemerkt menige trek der Arabische helden in het karakter

der Castiliaansche ridders over.

In plaats der verdrevene Arabische bevolking, namen de Spanjaarden de

ietwat gearabiseerde Christenen, de "Moz-Arabieren" op, die zij in de

Arabische steden vonden, als wier bevrijders zij verschenen, en deze

werden aldra beschouwd als tot de massa van het volk te behooren. Door

deze werd aan het Spaansche volk eene menigte menschen toegevoegd,

die gewoon waren geweest Arabisch te spreken, en min of meer op

Arabische wijze te leven en te denken.--Men begrijpt gemakkelijk, dat

op deze wijze, terwijl zij van Asturië, Leon enz. uit, de verovering

voltooiden van Oud- en Nieuw Castilië, Arragon, Valencia en Murcia,

Toledo en Andalusië, allen landen waarin de Arabieren korter of langer

gewoond hadden; terwijl zij steeds dieper in het, om zoo te zeggen

Afrikaansche Spanje binnendrongen, ook hun geest steeds dieper in

den Arabischen geest gedoopt werd.

Eene volledige uitroeiing en verbanning van het Arabisch element

scheen ten laatste niet meer mogelijk, als men niet het geheele

land ontvolken en het zijne waarde ontnemen wilde. Ook vreesde men

aanvankelijk, door hunne verdrijving naar Afrika, de daar aanwezige

nationale vijanden te versterken.--In de Zuidelijke provinciën

liet men daarom dikwijls de Arabische bevolking, vooral de boeren,

met rust, terwijl men hen alleen, evenals de Arabieren het eens

de Christenen gedaan haden, schatplichtig maakte en aan eenige

beperkingen onderwierp.--Op deze wijze woonden dan ook weder, onder

de Christelijke Koningen van Castilië en Arragon, de Spanjaarden en

Arabieren nevens elkander. Vooral lieten langen tijd de christelijke

grooten en grondbezitters der Koningrijken Valencia, Murcia, Andalusië

enz., hunne akkers door Arabische boeren en tuiniers bebouwen. Men

noemde deze midden onder de Christenen levende Arabieren "_Morisco's_"

of Moorsche Spanjaarden.--Na de verovering van Grenada, het laatste

Moorsche Koningrijk, in het einde der 15de eeuw, werden vervolgens

zelfs, om de daar sterk opgehoopte Arabische bevolking te verminderen

en hunnen oproerigen geest te verzwakken, vele Arabieren naar het

binnenste van Spanje overgebracht, op dezelfde wijze als in den

laatsten tijd hunner steeds meer verdrongene heerschappij, de Moorsche

Koningen dikwijls vele christelijke Spanjaarden, om zich van dit steeds

lastiger wordend element te ontdoen, naar Afrika overgeplant hadden,

waardoor dan ook op die wijze Spanje weder met Afrika samengroeide.

De laatste stuiptrekkingen van Moorsche onafhankelijkheid en

nationaliteit in Spanje, en de laatste gevechten der Spanjaarden

met hen, hadden een uiterst bloedig karakter.--De Mooren verdedigden

iederen voet van den hun dierbaar geworden bodem, streden om ieder

dorp, iedere hut--om ieder hol, waarin een mensch, al was het dan

ook als een wild dier, wonen kon.--De Spanjaarden echter vervolgden

hen in iedere schuilplaats, verdelgden hen in iederen schuilhoek,

en verstikten hen met vuur en rook in de rotsholen der Sierra-Morena

en der Alpujarras, het zuidelijkste gebergte van Spanje, waarin bij

onderscheidene gelegenheden, de laatste overblijfselen der kampvechters

voor de Moorsche onafhankelijkheid, gevlucht waren.

Ten laatste vatten de Spanjaarden ook de onzalige gedachte op, zich

te ontlasten van de Moorsche elementen, die zij vroeger in hunne

Koningrijken begenadigd, en als hunne onderdanen en arbeiders tot nu

toe geduld hadden. Deze in hun staatswezen opgenomene afstammelingen

van Mooren, waren reeds lang met geweld tot het christendom

bekeerd geworden. Zij leefden onder hunne christelijke heeren,

in eene steeds harder geworden afhankelijkheid, in eene ten laatste

ongehoorde inkorting. Het leven der christenen onder de Arabieren was,

naar de getuigenis van een christen-schrijver, eene _te verdragen

ondergeschiktheid_ geweest, maar het leven der Mahomedanen onder de

christenen was eene _hel_. Niettegenstaande alle plagen, die door

de Spanjaarden op die arme Moriscos, ter wille van hun geloof en

hunne nationaliteit, werden opgehoopt, waren dezen toch aan hunne

vaderlijke gewoonten, hunne taal en, onder het hun opgelegde masker des

christendoms, ook hun geloof trouw gebleven. Daar de Spanjaarden zagen,

dat zij de Moriscos op geene wijze tot ware christenen maken konden,

besloten zij eindelijk zich geheel van hen te ontdoen, en hen geheel

en al naar Afrika te verdrijven.

Sedert de vereeniging der Koningrijken Castilië en Arragon onder

één hoofd, onder Ferdinand en Isabella, en later na de verovering

van Portugal onder Filips II, behoorde alles wat op het Pyreneesche

schiereiland huisde, tot een en hetzelfde staatslichaam. Het denkbeeld,

dat alles één bloed, één gelijksoortig volk, met dezelfde zeden

en met hetzelfde zuiver christelijk geloof moest vormen; dat het

geheele land der Iberiërs een heilige bodem was, die door niets

onchristelijks mocht bevlekt worden; dat men ook de laatste Arabische

vonken vertrappen, en de laatste Mahomedaansche ziektestof uitdrijven

moest, maakte zich met steeds meer kracht van het volk meester. Deze

langzaam wortelschietende nationale-overtuiging bij de Spanjaarden,

had zich reeds lang daarin geopenbaard, dat zij de invoering van

eene zoo vreeselijke, aanvankelijk alleen tegen andersdenkenden

gerichte instelling, als de inquisitie was, deelden, en dat zij

aan de, door hunne Koningen en priesters in het jaar 1492 bevolene

verdrijving der Joden, hunnen bijval schonken. In het jaar 1610,

onder den zwakken Koning Filips III, voerde dit denkbeeld eindelijk

tot de beklagenswaardige algeheele uitroeiing der Moriscos. De

Koninklijke officieren en de inquisiteurs der kerk, gingen in Arragon,

Castilië, Catalonië, Andalusië, in alle landschappen van Zuidelijk en

Midden-Spanje rond, en rukten als tuiniers, overal dat wat zij onkruid

noemden, uit den bodem.--Een millioen der beste onderdanen van den

Koning, die ook reeds lang (_tot_ op één enkel vreemd druppeltje

in hun bloed en _tot_ op de in hun hart glimmende godsdienstige

overtuiging na,) zeer goede Spanjaarden geworden waren, werden bij

deze gelegenheid onbarmhartig te samen gedreven, in schepen gepakt

en in verscheidene transporten naar Afrika overgebracht.

Dikwijls woedden daarbij de Spanjaarden tegen hun eigen, of tegen innig

met hen verbonden bloed. De wonden, die zij zich zelven toen sloegen,

zijn heden ten dage nog niet ten volle geheeld. Nog liggen verscheidene

vruchtbare streken, die onder de Mooren met bloeiende dorpen en tuinen

bezaaid waren, geheel braak en dienen zij der natie tot niets.

Verscheidene dezer vroegere _tuinen_ worden nu, even als de steppen

van Rusland, alleen door kudden schapen, half wild vee, beweid.

Dat echter die hardvochtige verdrijving der Moriscos, die strenge

veroordeelingen der Arabische taal, en zelfs de scherp in het bloed en

in de harten dringende inquisitie, al het Moorsche, wat in de taal en

de geaardheid der Spanjaarden binnengeslopen was, _niet_ meer wegnemen

kon, zal naar het boven medegedeelde, gemakkelijk begrepen worden.

De Spaansche taal, niet alleen de verschillende provinciale tongvallen,

maar ook het in de literatuur algemeen heerschend klassieke dialect,

dat even als het volk en het rijk der Castilianen, van het Noorden

uit, over Arabische gebieden en bouwvallen heen, zich van het geheel

meester maakte, is vol Arabische uitdrukkingen. Van geene andere

niet Romaansche taal, hebben de Spanjaarden zooveel elementen en

eigenaardigheden aangenomen. "Hunne poëzie, vooral hunne lyrische,

en hunne poëtische gewoonten hebben zij aan de Arabieren ontleend."

Ook de omstandigheid, dat de Spanjaarden, een zoo historisch volk, zoo

rijk aan geschied- en kroniekschrijvers geworden zijn, zoo mede, dat

zij zich na de lyrische poëzie, op geen tak der poëzie en literatuur

meer toegelegd hebben, dan op het drama, laat zich gedeeltelijk

verklaren, zoo al niet uit eene _vermenging_ met de Arabieren,

dan toch uit den langdurigen strijd met hen, die, om zoo te zeggen,

een, over een tijdsverloop van 500 jaren loopend drama, met duizend

hoogst tragische tusschengebeurtenissen en episodes was. Het is dien

ten gevolge geen wonder, dat de Spanjaarden in alles zoo ridderlijk,

zoo ernstig en zoo dramatisch geworden zijn; dat hunne grootste en

uitstekendste dichters zich geheel aan het treurspel gewijd hebben;

dat, even als _Klio_ de stof der Spaansche geschiedenis uit louter

drama's geweven had, zoo nu _Thalia_ haar alleen in treurspelen

naschilderde, dat een _Molina_ niet minder dan 300, een _Calderon_

700, de nog vruchtbaarder _Lopez de Vega_ anderhalf duizend tooneel- en

treurspelen, over de tooneelen die de wereld voorstellen, uitschudden;

en dat, zooals een patriotisch Spanjaard zegt, het drama voor zijne

landslieden _dat_ werd, wat de bijbel voor de Hebreërs, de Iliade en

Odyssea voor de Grieken geweest waren, dat wil zeggen: een "archief

voor het historische, staatkundige en godsdienstige weten en zijn

van het volk, die de levendig en met hartstochtelijkheid geschrevene

annalen der afwisselende lotgevallen, van den roem en de ongelukken

van het Spaansche volk bevatte."--"De beeldspraak en het figuurlijke

in de gedichten der Spanjaarden, hunne voorliefde voor verfijnd spelen

met denkbeelden en tegenstellingen, de ver gezochte gelijkenissen en

toespelingen, zoo innig met het wezen van het Spaansche taal-eigen

verwant" herinneren in hooge mate aan de Arabieren.--Wie ook, die ooit

met de Spanjaarden omgegaan heeft, zou niet de vreemde en hoogdravende,

aan het Oosten herinnerende uitdrukkingen opgevallen zijn, die ieder

oogenblik zoowel in hunne poëzie als in hun dagelijksch gesprek

voorkomen, b.v. wanneer een jongman het voorwerp zijner liefde

"_Clavel de mi alma_" (gij anjelier mijner ziel) noemt, of wanneer

een vroolijk meisje zich door hem gevleid gevoelt, die haar als een

"zoutvat vol geest" prijst, of wanneer iemand opgetogen over een

heerlijk glas wijn, uitroept: "dat het hem een voorsmaak van het

paradijs geeft."--Is dit niet alles, als ware het aan Hafis [12]

en aan de dichters van Schiras ontleend? Ook in het hoogdravende

pathos, in de vreemde gelijkenissen, de bloemrijke uitdrukkingen

in het proza der Spanjaarden, of in hunne staatkundige gesprekken,

meent men in hen afstammelingen van de Oosterlingen te herkennen.

In de zeden van het volk, in de dansen, spelen en in de kleeding der

Spanjaarden is eveneens, in de eene provincie minder, in de andere

meer, veel Oostersch of Arabisch achtergebleven. De mantille en

de sluier, waarmede de Andalusische schoonen zoo gracieus weten

te coquetteeren, zijn b.v. geheel aan Afrika ontleend.--In de

zuidelijkste gebergten van Spanje, in de Alpujarras, in het gezicht

van Afrika, zooals ook in de Sierra Morena, moeten naar men zegt,

nog heden ten dage directe afstammelingen der Mooren gevonden worden,

die hunne natuur zuiver bewaard hebben. (Hun Mohamed en den Koran

hebben zij echter geheel verleerd, terwijl zij de Spaansche taal

geleerd hebben.) Alleen moet men hier, naar hetgeen boven opgemerkt

is, de vraag stellen, of dit alles _alleen_ en _uitsluitend_ van

die Arabieren en Mooren, die in het jaar 711 met _Musa_ en _Tarik_

over de straat van Gibraltar kwamen, en van hunne opvolgers moet

afgeleid worden, dan of wij niet veeleer aan nog veel vroegere, de

geschiedenis ten deele ontgane vermenging der volken van weerszijden

dezer straat, moeten gelooven, of daar ook niet misschien eene

oorspronkelijke verwantschap van het nationaal-karakter der oude

Iberiërs en Mauritaniërs ten grondslag ligt; of in één woord bij

de Spanjaarden niet iets Oostersch wordt aangetroffen dat van vóór

de tijden der geschiedenis dagteekent?--In alle geval men heeft dit

vermoeden geopperd, en men heeft zelfs een bewijs voor dit vermoeden

_daarin_ willen zien, dat die Iberiërs (Spanjaarden) zich al het

latere Arabische zoo gemakkelijk en spoedig eigen maakten. Daar de

geschiedenis ons hierbij niet met de noodige feiten bijstaat, zoo

kan dit niets meer dan een vermoeden of _vraag_ blijven.

Na de overwinning der Mooren heeft Spanje geene zoo diep ingrijpende

overstrooming van vreemde volksstammen weder beleefd.--De Spaansche

nationaliteit is na dien tijd in hoofdzaak derwijze voltooid, als wij

haar heden ten dage zien, en heeft zich in taal, zeden en staatkunde,

hoofdzakelijk slechts _in en door zich zelve_ verder ontwikkeld.

Wel hebben de Spanjaarden na dien tijd nog meerdere malen weder

vreemdelingen bij zich gezien. Met den te Gent geboren Karel V

kwamen, zooals bekend is, vele Belgen in het land. De naburen

ten Noorden der Pyreneën, de Franschen, keerden het meest terug;

eens op eene belangrijke wijze, die rijk aan gevolgen was, in het

begin der 18de eeuw met de Bourbons; later eens in het begin der

tegenwoordige eeuw met de Napoleoniden, en tusschen beiden door en

later nog enkele malen, in alleen voorbijgaande krijgstochten.--Hoe

invloedrijk deze en andere aanrakingen met hunne Noordelijke naburen

ook op de staatkundige toestanden der Spanjaarden, en zelfs ook op

het karakter hunner ontwikkeling, van hun bestuur, hunne kunsten en

literatuur geweest zijn,--na Lodewijk XIV b.v. "nam bijna geheel de

Spaansche literatuur een Fransch gewaad aan"--zoo waren het toch geen

volks-overstroomingen meer, die op het _bloed_, het _ras_, de _taal_

en het _grond-karakter_ der volks-nationaliteit zoo ingewerkt hebben,

als eens de Celtische, die de Celt-Iberiërs in het leven riep,--de

Romeinsche, die de Spanjaarden met de Romanen verbond,--de Moorsche,

die hen weder met Afrika deed samensmelten, geweest waren.

Nadat nu op deze wijze in het kort aangetoond is, welke elementen

het Spaansche volk van buiten ontving, hoe het deze in zich opnam,

blijft ons nog over een blik te slaan, op hetgeen de Spanjaarden

aan de wereld en voornamelijk aan ons Europa terug gaven, en welke

inpulsies en volks-elementen zich van hen uit bij ons verbreid, welke

rol zij in de geschiedenis der ontwikkeling onder ons gespeeld hebben.

Even als het land Spanje een geheel afzonderlijk gedeelte van Europa

vormt, dat in zich zelf afgesloten is door breede zeeën en bergmuren,

aan het Westelijk einde van ons werelddeel, waarmede het slechts door

een bergachtige landengte verbonden is, zoo heeft ook het volk in

de geschiedenis van Europa eene in hooge mate geïsoleerde stelling

ingenomen.--Veel meer dan de volken van Midden-Europa is het zijn

eigen gang gegaan. Het is in het binnenste zijner bergen, zijne eigene

revolutiën waaraan het overige Europa betrekkelijk weinig aandeel nam,

en waarvan het gewoonlijk even weinig voordeel trok als het er van

leed, te boven gekomen.

Nooit is het Pyreneesche schiereiland het brandpunt geweest eener

ver om zich heengrijpende beschaving, die in haren duurzamen invloed

en hare verre verbindingen, bij voorbeeld met de zon der beschaving,

die eens uit het kleine Griekenland over Europa opsteeg, vergeleken

kon worden.--Nooit is eene verovering van daar uitgegaan, gelijk

aan die der Romeinen uit het Italiaansche schiereiland.--Nooit is

daar aan het uiteinde van ons werelddeel, noch in oude tijden noch

in de midden-eeuwen, een zoo machtig middelpunt van het Europeesche

leven geweest, als in Italië tweemaal door hare de wereld gebiedende

Keizers en Pausen geruimen tijd plaats had. Ook geene dergelijke steden

verwoestende en landen bevolkende stroomen zijn van de Spanjaarden

uitgegaan, zooals die der Germanen en Slawen uit het midden en het

oosten van ons werelddeel.

Nooit was Spanje, zooals Duitschland, eene onuitputtelijke

werkplaats voor natiën en staten, ter gedaante-verandering der

Europeesche landen. Ook hebben de trotsche, weinig _mededeelzame_

Spanjaarden nooit _duurzaam_ en _herhaaldelijk_, zooals hunne naburen,

de Franschen, de wereld met hunne taal, hunne zeden, modes, hunne

staatkundige beschouwingen trachten voor te lichten. Hunne edele taal

is nooit--slechts een korten tijd uitgenomen--zooals die der Franschen,

Latijnen, Grieken, in aller mond geweest. Zelfs de rijke producten

hunner literatuur zijn betrekkelijk slechts bij weinigen bekend

geworden. Ook de schoone kunsten hebben bij hen, zonder navolging

te vinden, dikwijls onopgemerkt gebloeid. In het geheel en in het

groot genomen, en in hunne betrekking tot Europa, zou men nu nog van

de Spanjaarden kunnen zeggen, wat de ouden van de Iberiërs zeiden,

namelijk dat zij, als men hen in hun huis niet stoorde, een vergenoegd

volk waren. Eene nagenoeg gelijke isoleering en afgeslotenheid als

bij de Spanjaarden, vindt men ook bij de bewoners der beide andere

eilanden en schiereilanden, waarmede Europa in den Oceaan uitloopt,

bij de Engelschen en Zweden.--Ook Groot-Brittanje _ontving_ meer van

Europa dan het haar gaf, en ook Skandinavië heeft zich gewoonlijk

in zijne afgezonderde stelling buiten 't spel gehouden. Slechts

voorbijgaande, en alleen nu en dan als hulptroepen, rukten al deze

eiland- en schiereiland-bewoners van ons werelddeel, uit hunne in de

zee uitstekende landpunten naar de oorlogs- en zedelijke kampplaatsen

van Midden-Europa.

In de oudste tijden was Spanje een kolonie-land der Pheniciërs

en Carthagers, het was hun Peru.--Later werd het eene provincie

van Rome.--Gedurende de volksverhuizing zuchtte het onder de van

Duitschland uitgaande stormen.--Onder de Arabieren ontviel het bijna

_geheel en al_ aan Europa en werd het om zoo te zeggen, een stuk van

Afrika.--Daarna, toen de Arabieren weken, had het weder eeuwen lang

zoo zeer met de innerlijke weeën zijner wedergeboorte te kampen,

dat het ook toen gewoonlijk het overig Europa den rug toekeerde,

en noch aan de kruistochten, noch aan andere grootsche vragen,

die de volken-familie van ons werelddeel bezig hielden, deel kon

nemen. Spanje had zijne eigene kruistochten tegen den Islam, en bleef

nog diep in dit kruistochttijdperk vertoeven, toen het overig Europa

reeds boeken drukte, zich reeds in de studie der Grieksche oudheid

verdiepte, midden in het tijdperk zijner wedergeboorte was, en reeds

de hervorming naderde.

De gelukkige beëindiging van den nationalen-strijd met de Arabieren,

de daardoor gevolgde vereeniging van alle bewoners van Spanje, "_het

land der heiligen en der helden_," zooals het toen ter tijd dikwijls

genoemd werd, tot één staat en volk, gaven de natie in de 16de eeuw

zulk een stoot, dat zij _nu_ ook, en nu voor de _eerste en eenige_

maal--over de grenzen van haar schiereiland stroomde, _buiten_ de

Pyreneën landen in bezit nam, kolonisten naar den vreemde zond,

andere volken door veroveringen en erfenissen aan hare zegekar

ketende, dikwijls invloed op hunnen geest en zeden uitoefende,

en eindelijk ook een zoo grooten Europeeschen staat vormde, dat

een _tijd lang_ het geheele werelddeel voor haar bevreesd was, en

voor zijne onafhankelijkheid tegen de Spanjaarden streed, zooals de

Spanjaarden zelven voor de hunne tegen de Mooren gekampt hadden, en

dat Spanje, om zoo te zeggen, gedurende een gedeelte van de zestiende

en zeventiende eeuw, het hoek- en draaipunt van de staatkunde der

Europeesche volken werd.

De blikken en schreden der Spanjaarden richtten zich toen bij voorkeur,

evenals later die der Engelschen, buiten Europa, naar de andere

zijde van den Oceaan, naar de door hen ontdekte nieuwe wereld,

in welke richting de stroom hunner landverhuizing en van hunnen

ondernemingsgeest verreweg het sterkst was, waar zij vele volken deden

verdwijnen en nieuwe volken en staten stichtten, wier lotgevallen wij

echter, daar wij ons tot Europa bepalen, niet te beschrijven hebben.

Deze uitbreiding van macht naar het Westen (naar Amerika) kon echter

niet zonder terugwerking op het Oosten (Europa) blijven; daarom alreeds

niet, omdat de Spaansche Koningen zich met het machtigste Keizershuis

van dien tijd, door huwelijken verbonden en vereenzelvigden.--Zooals

hun _Columbus_ en hun _Cortes_ zich naar de nieuwe wereld begaven,

zoo kwamen ook de heldhaftige _Gonzalvo de Cordova_, de veroveraar

van Italië, de vreeselijke Hertog _van Alva_, die de Nederlanden tot

onderwerping trachtte te brengen, de edele _Juan d'Austria_, de schrik

der Turken, en talrijke andere in Europa wereldberoemde veldheeren, uit

den schoot der Spaansche natie te voorschijn. Zooals eens Griekenland

beefde voor de phalanxen der Macedoniërs, zoo beefde nu, wat nooit

te voren gebeurd was, Europa onder de voetstappen der Spaansche

regimenten, wier dapperheid en discipline ten voorbeeld genomen werden.

Geheel Napels, Sicilië, Sardinië, het Hertogdom Milaan, de

Zuidelijke Nederlanden werden voor langeren tijd,--Duitschland

en de Oostenrijksche bezittingen aan den Donau en die aan de

Rhone, in _Franche-Comté_, slechts voor korten tijd--onder de

heerschappij, of ten minste onder den machtigen invloed der

Spanjaarden gebracht. Spaansche troepen overwonnen toenmaals bij

Mühlberg in Noord-Duitschland, dat de Romeinen niet hadden kunnen

overwinnen.--Spaansche vlooten zeilden op den Oceaan waar zij

Engeland bedreigden, en op de Middellandsche Zee waar zij in den

slag bij Lepanto de Turksche macht de spits afbeten.--De Spaansche

monarchie werd toen de grootste en schitterendste in Europa, en bleef

zulks tot aan het midden der 17de eeuw; en daar kunsten en literatuur

als trouwe afschijnsels van het geheele gehalte eener natie, achter

de wapens zelden wegblijven, zoo verhieven zich toen ook de taal,

de poëzie en de Musen der Spanjaarden, trots de inquisitie en trots

despotische Koningen, tot hun toppunt.

De _Cervantes_ vochten zelfs mede in die veldslagen der veldheeren;

de _Vegas_, de _Calderons_, die zooveel gedichten vol phantasie

vervaardigd hebben; de _Velasquez_, de _Murillos_ en hunne talrijke

scholieren, die zooveel bleeke heiligen- en monnikengezichten

geschilderd hebben; al deze waren tijdgenooten dier ruwe _Cordovas_

en _Alvas_, en verschenen in hun gevolg.--Het volk passeerde toen het

Zenith zijner beweging en doorliep de gouden eeuw, het rijkste tijdperk

zijner ontwikkelings-periode.--In dien tijd van _zeer_ bewonderde en

zeer gevreesde Spaansche grootheid, werd de Castiliaansche taal voor

een groot gedeelte van Europa _tijdelijk_ bijna hetzelfde, wat later

de Fransche _meer blijvend_ geworden is, de modetaal der voorname

wereld.--Daar de aanzienlijke Spaansche familiën, zich evenals hunne

Koningen, door huwelijken, met de familiën van Italië, Duitschland, de

Nederlanden verbonden, daar men overal Spaansche grandes, militairen,

diplomaten, hovelingen, gouverneurs ontmoette, zoo werd het eindelijk

aan de hoven van Weenen, Milaan, Napels, Brussel, Londen, zelfs ook

in Parijs, goede toon, Spaansch te spreken.

Even als de welluidende, majestueuse en hoogdravende Spaansche

taal, zoo verbreidden zich in dien tijd ook de Spaansche modes en

zeden in kleederdracht en gedragswijze over geheel Europa.--Vooral

in de residenties behaalde het deftige, statige en stijve kostuum

en hofwezen der Spanjaarden de overhand. Het scheen een oogenblik

alsof geheel Europa zich geheel op Spaansche wijze inrichten wilde,

eerst de hoogere standen, en later ook de burgerklassen. Duitschland

zuchtte lang onder den druk der Spaansche halskragen en Spaansche

poffen. Zelfs de Engelsche heeren, de overwinnaars der Spaansche Armada

"droegen hun baard en knevel op Spaansche wijze". En alle pronkers

van Europa trachtten zich voor te doen, sierlijk van het hoofd tot

de voeten, onnatuurlijk geregen, afgemeten en beredeneerd in gedrag

en bewegingen, solide en kostbaar versierd, over zich zelven tevreden

en trotsch als een Spaansch Hidalgo.

Men kan deze Spaansche invloeden zelfs tot in het Skandinavische

Noorden, en door Hongarije en Zevenburgen heen, tot in Rusland

naspeuren. Een en ander daarvan, b.v. in de kleeding der patriciërs

en raadsheeren der Duitsche vrije steden, zijn tot op onzen tijd

bewaard gebleven.--Natuurlijk aapte men in dien tijd de Spanjaarden

ook in gewichtiger zaken na, vooral in hunne militaire organisatie

en de discipline bij hunne legers. Veel ouds in de Engelsche marine

is van de Spaansche schepen afkomstig, zelfs verscheidene technische

scheepstermen.

Ook de Spaansche dichters vonden bewonderaars en naäpers zoowel in

Italië als in Frankrijk. De Franschen vooral waren, nadat zij de rijke

_poëtische_ goudmijnen aan gene zijde, der Pyreneën ontdekt hadden,

zooals eens de Pheniciërs de _minerale_, onvermoeid in de benuttiging

en uitbreiding er van.--Natuurlijk geschiedde zulks, op gemakkelijk

te begrijpen gronden, wel wat te laat, omdat de eigenlijke bloei in

Spanje reeds voorbij was, Kleederenpronk en uiterlijkheden deelen zich

altijd sneller en onmiddelijker mede dan literarische producten, voor

welker genot en goed begrip menige voorbereiding noodig is. Duitschland

had reeds lang Spaansche mantels gedragen en weder afgelegd, eer zijn

zin voor de voortbrengselen van den Spaanschen geest ontwaakte. Maar

toen hebben de Duitschers zich met bijzondere voorliefde op de edele,

ernstige, kuische en gevoelvolle Spaansche Muze toegelegd, als zagen

zij in zekere mate in haar eene halfzuster van hun eigen geest.

In die niet-Spaansche landen van Europa, welke de Spanjaarden het

langst beheerschten, zijn nog tot op den huidigen dag eenige sporen

hunner aanwezigheid te herkennen. Het zuivere en ijverige Katholicisme,

dat bij de Belgen in waarde is gebleven, is ten deele een voortbrengsel

der heerschappij van de Spanjaarden, wier Koningen, veldheeren en

priesters met taal, vuur en zwaard zich beijverden, de Vlamingen voor

de nieuwe leer hunner Hollandsche broeders te bewaren. De trotsche

Belgische adel, wiens afstammelingen zich dikwijls door huwelijk

met de Spaansche adellijke geslachten verbonden, werd in hoogen

graad voor Spaansche zeden en denkwijze gewonnen, en men ontdekt nog

heden ten dage menig overblijfsel daarvan bij hen, zooals men ook nog

in de Belgische steden op enkele zaken en gewoonten stuit, die van

den Spaanschen tijd dagteekenen.--Aan het Oostenrijksche hof bleven

Spaansche geest, taal en zeden tot diep in de 18de eeuw bestaan. Ook

vindt men in Oostenrijk nog hier en daar Spaansche familienamen,

die van de onder Karel V en Ferdinand I het land binnengetrokken

Spanjaarden afkomstig zijn.--Ook in Sicilië, eene bakermat der

oude Iberiërs, dat de nieuwere Spanjaarden langen tijd in hun bezit

hadden, treft men nog menige overeenkomst met Spanje aan. Spaansche

adellijke familiën, sedert eeuwen met die van dit eiland verbonden,

hebben daar nog heden ten dage een niet onaanzienlijk grondbezit, en

menige Spaansche rechterlijke gewoonte is daar ook nog heden ten dage

van kracht.--Van alle Cis-Pyreneesche volken van Europa zijn echter

de Spanjaarden het meest met de bewoners van Zuidelijk Frankrijk

verbroederd. Met deze hunne naburen hebben zij van oudsher meer

te doen gehad, dan met eenig ander Europeesch volk.--Het Zuidelijk

Frankrijk, door Languedoc en Provence om den Noordelijken boezem van

de Middellandsche Zee heen, is altijd een overgangsland voor Italië of

Frankrijk naar het Pyreneesche schiereiland geweest. Van daar rukte

gewis eens het Iberische volk het Pyreneënland binnen, en Iberisch

bloed stroomt gedeeltelijk nog door de aderen dezer heetbloedige

Zuidelijke Franschen.--De West-Gothen heerschten geruimen tijd zoowel

over het eigenlijke Spanje als over dit Iberische gedeelte van Gallië,

en de Spaansche Souvereinen van Catalonië bezaten daar geruimen tijd

het landschap Roussillon en andere streken van het land.

Het gebied van den eens zoo bloeienden tuin der Provençaalsche

dichtkunst en taal, strekte zich zoowel door Noord-Oostelijk Spanje als

door Zuidelijk Frankrijk uit, en nog heden wordt daar, zoowel aan deze

als gene zijde der Pyreneën, het Catalonische dialect gesproken, zooals

zich, van Spanje uit over Narbonne en Marseille, eene reeks verwante

dialecten, in zachte toon afwijkingen, langs de kust der Middellandsche

zee tot naar Italië uitstrekt.--Nergens binnen de grenzen van zijn

eigen land, voelt de Noordelijke Franschman zich minder te huis,

dan bij deze Zuid-Fransche grensbewoners van de Pyreneën en de

Middellandsche Zee, bij wie zich daarentegen de Spanjaard meer te

huis gevoelt, dan ergens anders aan deze zijde der Pyreneën.

Voor het overige ontmoet men nu, nadat zij zich weder achter hunne

Pyreneën teruggetrokken hebben, den eigenlijken Spanjaard zelden onder

de Europeesche volken. Zij hebben zich hier nergens als landbouwende

kolonisten verstrooid.--Men kan geen tak van industrie opnoemen,

waarin hun in de Europeesche steden de voorkeur gegeven wordt, zooals

de Italianen, de Franschen, de Duitschers overal op ons vasteland,

vele hebben. En terwijl men in bijna iedere hoofdstad van Europa, in

meerdere of mindere mate, Duitschers, Franschen en Italianen aantreft,

kan men in de minste ook slechts een klein Spaansch element in hare

gezamenlijke bevolking ontdekken.--Er bestaan niet zulke in geheel

Europa bekende en populaire persoonlijkheden uit Spanje, als b.v. de

Italiaansche handelaars in lekkernijen, de Savoiaardsche musici,

de Toscaansche gipswerkers of de cantatrices uit het Romeinsche

schiereiland, die bij ons om zoo te zeggen inheemsch zijn geworden. Ook

hebben verder de Spanjaarden noch geleerden, noch handwerkslieden,

noch ambtenaren met ons geruild, terwijl de Midden-Europeesche volken

dat meermalen met elkander gedaan hebben. De Russen, die in nieuweren

tijd gaarne van alle Europeesche volken voordeel trokken, namen

dikwijls Duitsche, Italiaansche, Fransche, Engelsche, Hollandsche

generaals, admiraals en ministers bij zich in dienst. Een Spaansche

naam treft men onder hen, die sedert Peter den Groote, Rusland voor

de beschaving gewonnen hebben, niet aan. Evenmin ontmoeten wij

noch in Italië, noch aan den Rijn, Spaansche grand-seigneurs, of

Spaansche natuurbewonderaars, zooals Rusland, Engeland, Nederland en

Skandinavië die aanhoudend derwaarts zenden. Zij vallen ons met niets

lastig, zij verheugen ons met geen talent, zij brengen ons niets. Men

ziet op de markten van het Europeesche binnenland en in de havens,

schier meer Turksche dan Spaansche kooplieden, ofschoon men ze zoo

gaarne zien zou, daar zij gewoonlijk zeer eerlijke en geschikte

handelaren zijn. Zij zijn in het Europeesche dagelijksch verkeer

schier onbekende verschijningen. Alleen de vlijtige Cataloniërs, de

eenige Spanjaarden die de werkzaamheid en de industrie huldigen, maken

daarop eene uitzondering. De Spaansche taal, die zich _zeewaarts_ over

geheel vreemde vaste landen verspreidde, is in Europa maar op enkele

weinige plaatsen door verdrevene Spaansche Joden inheemsch geworden,

zooals ook in nieuweren tijd staatkundige vluchtelingen, in Londen

en eenige andere plaatsen, kleine Spaansche koloniën gevormd hebben.

Geschiedenis der Europeesche Volken · 第 22 / 62 题