Van de groote bergkern van Midden-Europa, de Alpen, scheidt
Zuidwaarts de lange tak van het Apennynsche kalk-gebergte zich af,
dat in Zuidelijke richting voortloopende, in de Middellandsche
Zee zich uitstrekt.--Met de talrijke kleine plateau's en dalen,
waarmede zijne Oostelijke en Westelijke hellingen voorzien zijn,
met de grootere vlakten, die aan weerszijden tegen hem aansluiten
als spieren tegen den ruggegraat, vormt hij een grooten en breeden
landendam, die als een slinger midden in de zee neêrhangt, en door
een driehoek van groote, naburige eilanden omgeven is.--Het is de
"_Bella Italia, de l'Apennin divide é l'mar circonda_" [10].
De natuur heeft dit schoone land, als een eigenaardig lid van ons
vasteland, met een scherp uitgedrukt en, trots alle verschil in enkele
zaken, met een in algemeene hoofdtrekken, gelijk karakter en wezen
voorzien. Nauwelijks heeft men den Alpenmuur, die dit schiereiland
in het Noorden omslingert en het van het middelste hoofdlichaam van
Europa scheidt, overschreden, of men meent zich in eene andere wereld
te bevinden. Eene zachtere lucht waait den reiziger uit de met duizend
bekoorlijkheden getooide tuinen van het Po-land tegen. De lucht heeft
zich ontdaan van hare Noordsche nevelen en dampen. De geheele natuur,
de atmosfeer en het gansche landschap openbaren een nieuw karakter.--En
dit karakter blijft over de geheele lengte van dien vulkanischen dam,
met menigerlei wijziging in zoo hooge mate hetzelfde, dat al zijne
Zuidelijke en Noordelijke, Westelijke en Oostelijke gedeelten veel
minder met elkander een contrast vormen, dan het geheele schiereiland
met andere gedeelten van het vaste land, aan gene zijde der Alpen of
aan gene zijde der zee.
Met betrekking tot zijne gedaante, is het Apennynsche schiereiland
veel minder compact dan het land der Pyreneën of dan Frankrijk in
het Westen; niet zoo verbrokkeld als Griekenland in het Oosten,
en veel slanker gevormd en veel meer opengesteld aan de invloeden
der zee, dan de tot dit land neigende gedeelten van Afrika in het
Zuiden. En bovendien vormt het met al deze zijne naburen in vele
andere betrekkingen een contrast.
Het vormt daardoor een zeer scherp afgeteekend op zich zelven staand
gedeelte van ons vasteland--een door de natuur afgeperkten tuin,
die bestemd scheen, het vaderland van een bijzonder en op zich zelven
staand menschengeslacht te zijn.
De van het Noord-Westen naar het Zuid-Oosten loopende keten der
Apennijnen, deelt het land in twee deelen. Eene reeks kleine dalen
en smalle vlakten wordt aan de Oostzijde aangetroffen. Zij is naar de
Adriatische zee gekeerd, maar aan den invloed van Noorde- en Oostewind
blootgesteld; ligt in het gezicht van Illyrië en Albanië, en hare
zuidelijkste uiteinden loopen geheel uit in de naburige wateren van
Griekenland.--Eene andere reeks dalen, berghellingen, rijk met allerlei
kruiden begroeid, vruchtbare vlakten en fraaie golven en baaien
slingeren zich langs de westzijde heen. Zij staan meer open voor de
warme Zuide- en zachte Westewinden. Zij hebben een grooteren rijkdom
aan dalen en eilanden. Aan dezen kant is het aangezicht van Italië,
de beteekenisvolle en geschiedkundige glanszijde van dit lichtland,
dat naar het Oosten zijne schaduw- en rugzijde heeft.
Daar in het Westen liggen hare bekoorlijkste landschappen,
de liefelijke dalen van den Arno en den Tiber, het vroeg
beschaafde Etrurië; verderop het hoofd-middenpunt der beschaving
en macht-ontwikkeling, Rome; vervolgens het weelderige Campanië,
het paradijs van Napels en andere brandpunten van het Italiaansche
leven. De kust loopt langs de binnenzee, die gewoonlijk de Toscaansche
genoemd wordt. Even als het hoofdlichaam van het schiereiland zelf,
zoo slingeren zich ook de groote Italiaansche eilanden om deze
binnenzee heen, en sluiten haar als het ware in: slechts door
vier groote straten of waterpoorten heeft deze groote binnenzee
met het hoofdlichaam der Middellandsche Zee gemeenschap. Men zou
deze binnenzee de Westelijk-Italiaansche kunnen noemen, even goed
als men den Archipelagus, het wezenlijke Grieksche levens-bekken
genoemd heeft.--De schiereilanden van Griekenland en Italië staan in
geographischen zin in omgekeerde rede tot elkander. Het eerste sluit
zich tegen het Oosten aan open en heeft zijn rug in het Westen in de
bergen van Albanië en Epirus. Dit daarentegen opent zich tegen het
Westen, en keert den rug naar het Oosten. De beide elkander anders zoo
verwante en naburige landen keeren het gezicht dus van elkander af. In
deze verhouding is dan ook de oorzaak te zoeken, dat de Italianen
altijd meer met het Westen, de Grieken--hetzij als overheerschers,
hetzij als onderworpelingen--meer met het Oosten verbonden waren.
Aan water heeft Italië geen gebrek. De hoeveelheid regen en dauw, die
in den loop van een jaar op haar oppervlakte nedervalt, is veel grooter
dan in de naburige schiereilanden, Griekenland, Spanje en Afrika. Het
is het rijkelijkst bevochtigde land aan de Middellandsche Zee. Van de
Alpen-gletschers stroomen nimmer opdroogende rivieren in zijne lachende
dalen neder, en in de hellingen der Apennijnen ontspringen tallooze
bronnen, beken en watervallen. Vele grond-verdiepingen aan den voet
der Alpen en langs de bergketen der Apennijnen, zijn dientengevolge
met prachtige meren--in het drooge Spanje eene zeldzaamheid--voorzien.
De stroomen hebben overal vette laaggelegen landen en vochtige
landstreken tusschen de rots-gewelven gevoegd, en overal wordt
derhalve de gelegenheid aangeboden, de dalen op natuurlijke en
kunstmatige wijze te bevochtigen en vruchtbaar te maken.--Daarentegen
verhindert de geringe breedte des lands eene grootsche vorming
van groote rivieren. Behalve den Po, den Arno en den Tiber heeft
Italië geen in eenigzins belangrijke mate bevaarbaar water; het
bezit alleen bergstroomen, die naar alle richtingen heenstroomen,
en de rivier-stelsels hebben daarom hier ter verbreiding en tot de
eenheid van een eigendommelijk volk veel minder kunnen bijdragen,
dan b.v. in Hongarije, Polen en Rusland, waar de volkeren bijna altijd
langs de stroom-aderen heengeslingerd zijn, en waar eenige van hen zich
tegelijk tot dit of tot dat riviergebied bepaald hebben. Ook heeft
de hooge en ruwe rug der Apennijnen steeds veelvuldige afzondering
en afscheiding veroorzaakt. Slechts met moeite en op enkele punten
heeft hij de vorming van gemakkelijke land- en volkenwegen, van het
Oosten naar het Westen toegelaten. Door hare veelvuldige vertakkingen,
verdeelen de Apennijnen het land in eene menigte kleine, dikwijls
zeer scherp afgeteekende onderdeelen.
Thans is het geheele weefsel dezer fraaie, Italiaansche landschappen,
van de hellingen der Alpen in het Noorden tot aan de Zuidelijkste
punten van Calabrië en Sicilië, door een en hetzelfde geslacht bewoond,
dat in al zijne onderdeden als broeders leeft en zich bloedverwanten
gevoelt, en door eene groote gelijksoortigheid van physische en
psychische eigenschappen geschikt was één volk uit te maken. Zij
noemen zich allen met denzelfden naam "Italianen", zij spreken
allen dezelfde taal. Zij schijnen allen door dezelfde gedachten,
door dezelfde sympathieën bezield te zijn.
Zooals het nu is of ten minste worden wil, het geheele Italië,
van af de Alpen tot aan Malta, één lijf en ééne ziel, één geest en
één polslag, in een woord één vaderland, zoo is het bijna nooit
geweest. Immers, wij zien het land, als de eerste ochtendstralen
der geschiedenis er op vallen, bewoond door kleine volken van zeer
verschillend type, die, noch door vreemden, noch door zich zelven,
onder een algemeenen naam samengevat werden. Zij weken zoozeer van
elkander af, dat zij zich niet eens door hunne talen aan elkander
verstaanbaar konden maken. Zij leefden onder elkander, zonder den
minsten onderlingen band, in aanhoudenden krijg. Toch waren zij, ten
minste het grootste gedeelte, in Midden- en Zuid-Italië, wat hunne
oorspronkelijke afstamming betreft--nieuwere onderzoekingen hebben
zulks bewezen--aan elkander verwant. De wortelen hunner talen, de
vormen hunner verschillende staatsregelingen en hunner zeden bewijzen,
dat zij oorspronkelijk het dichtst stonden bij die Indo-Europeanen,
die ook het groote schiereiland in het Oosten bevolkt hebben, de
voorvaderen der Grieken, de zoogenaamde Pelasgen.
In alle gebieden van het menschelijk doen en werken, laat zich deze
van eeuwen her dateerende verwantschap van den hoofdstam der Italianen
en Grieken nawijzen. De namen hunner Goden zijn gelijk en hunne rollen
zijn eveneens verdeeld. De volks- en stamsagen van beide volken zijn
dezelfde. De wijn- en landbouw draagt bij beiden hetzelfde type. De
lengte- en vlaktematen zijn ook bij beiden dezelfde. In de stedelijke
wetgeving, in het muntwezen, in de burgerlijke standen zien wij,
trots alle verscheidenheid in bijzonderheden, bij beiden zeer gelijke
algemeene verhoudingen en vormen. Het oude Grieksche woonhuis, zóóals
het door Homerus beschreven wordt, verschilt weinig van die, welke men
in het hart van Italië altijd vond. "Zelfs in de eenvoudigste elementen
der zeden en der kunst, in de volksfeesten, in den wapendans, in het
minnespel, overal treft men de nauwe verwantschap der voorvaderen van
de Hellenen en der stammen van het oude Italië aan."--Zij schijnt zich
ook daarin te openbaren, dat, toen later de Hellenen als handelaars en
ontwikkelde stedenstichters naar Italië kwamen, deze oude Italianen
zoo gemakkelijk en als ware het door sympathie gedrongen, met hen
samensmolten, en dat ten laatste zelfs de helft van Italië den naam
"Groot-Griekenland" ontving.
De talrijke bloeiende steden en staten, die de Grieken in de Zuidelijke
uiteinden van het schiereiland en op Sicilië stichtten, bewerkten,
dat de inheemsche volken hunne eigene talen en dialekten ten deele
verleerden en in zeden en ontwikkeling half en half Grieken werden.--Op
Sicilië kreeg de Grieksche taal geheel het burgerrecht, werd zij
wijd verbreid en bleef het ten deele ook gedurende de heerschappij
der Romeinen, ja zelfs tot diep in de midden-eeuwen. Toen de Romeinen
met hunne veroveringen in deze Zuidelijke streken doordrongen, namen
zij zelven zeer spoedig veel van de Grieksche zeden en beschaving
aan.--De Grieken zijn in verschillende tijden naar deze, het dichtst
bij hen gelegene streken van Italië, teruggekeerd. Zulks gebeurde
ook weder na den val van het West-Romeinsche rijk. Sicilië, Calabrië
en verscheidene andere gedeelten van Zuid-Italië, waren nog tot in
de 11de eeuw in de handen der Grieksche Keizers. Zelfs thans nog is
in eenige oorden van Zuid-Italië eene Grieksch-sprekende bevolking
overgebleven. Ja! de Italiaansche geschiedschrijver Botta beweert,
dat het geheele karakter der hedendaagsche Napolitanen eigenlijk nog
Grieksch is. "Hunne volksfeesten, hunne dansen, hunne vroolijkheid,
hunne lichtzinnigheid, hunne neiging tot het gebruik maken van
sophismen, dit alles" zegt hij, "is geheel Grieksch." De Lazzaroni
in Napels zouden de directe afstammelingen zijn der oude Grieken van
Cumae en Neapolis, twee Grieksche koloniën, die reeds 1000 jaren voor
Christus geboorte aan de golf van Napels gesticht werden.
Verscheidene der volken, die op den bodem van Italië, in oude tijden
eene rol gespeeld hebben, zijn ons tot op den huidigen dag, wat hunne
afstamming betreft, raadselachtig gebleven. Zoo vooral een der meest
belangrijke hunner, de oude "Etruskers," die reeds lang voor den bouw
van Rome in het land der Medicis, een staat gesticht hebben, waarin
landbouw, steden en kunsten bloeiden. Hoe veel onderzoek men ook in
het werk gesteld en hoeveel men ook geschreven heeft, toch weten wij
nog niet uit welke bronnen hunne beschaving, die gelijktijdig met de
Grieken bestond, en deze ten deele nog vooraf ging, voortgesproten
is.--Hunne ruwe taal, die rijk aan consonanten is, week ver van die
der Italianen en Grieken af. De mond der Romeinen en Grieken kon haar
niet uitspreken.--De Etruskische muziek was, even als hunne overige
kunsten, van zeer eigendommelijken aard. Zij kenden het gieten van
erts, het graveeren en het drijven op metalen, en bewerkten het goud
en zilver tot de fraaiste versierselen, in een tijd, toen de andere
Italianen van dat alles nog weinig wisten.--Even zoo muntten zij
uit als boetseerders in klei, en de elegante vorm hunner vazen wordt
nog heden bewonderd en gevolgd. De Toskaansche of Etrurische zuil,
die ouder dan de Dorische is, heeft van hen haar naam ontleend. Hun
godsdienst, hunne godenleer en hunne mythen hadden slechts weinig
met die der overige Italianen en Grieken gemeen. Het bestuur hunner
steden en staten was even eens eigendommelijk en afwijkend, en diende
den Romeinen bij hunne burgerlijke inrichtingen tot model. Hunne
koloniën waren vóór den bloeitijd der Romeinen zoo ver in Italië
verspreid, en hun volk was zoo machtig, dat het grootste gedeelte
van het schiereiland aan hunnen invloed onderworpen zou geweest zijn.
Etrurië was eens naast Griekenland, de plaats waaruit de beschaving
zich over ons werelddeel verspreidde. En niettegenstaande dat alles
zijn wij, zooals gezegd is, in het onzekere over de afkomst van dit
volk. Volgens eene oude sage zouden zij eene uit Lydië in Klein-Azië
gekomene, en aan de kusten van Italië zich nedergezet hebbende kolonië
zijn.--De nieuweren echter, hebben hen nu eens voor Celten, dan voor
Iberen, ook wel eens voor een uit het Oosten met vaartuigen overgekomen
Semitisch volk, of ook wel voor Pheniciërs gehouden. Daar zij
zelven zich "Rasenen" noemden, en die naam met dien der "Rhaeters" of
"Rhaetiërs," in de hooggebergten van Grauwbunderland, gelijkluidend is,
zoo hebben wederom anderen hen over deze bergen uit het nevelachtige
Noorden laten afzakken. Hiermede komt de nu nog bestaande traditie
der heden ten dage zoogenaamde Romaenen in Grauwbunderland, overeen,
die beweren, dat de oude Etruskers van hunnen stam afkomstig zijn;
anderen weder beschouwen hen slechts als overblijfselen der naar de
bergen gevluchte Etruskers.
Ofschoon zij, nadat de macht der Romeinen gebroken was, in de
massa der overige bewoners van Italië versmolten, zoo kan men
toch den geest der Etruskers, als nog tot op den huidigen dag
voortwerkende, beschouwen. Daar zij bij de Romeinsche verovering,
hunne staatsinrichtingen en godsdienstige gebruiken aan de Romeinen
mededeelden, en het geheele politieke leven der Romeinen hielpen
grondvesten, zoo werken zij, middellijk en op grooten afstand, ook
nog op ons. Nog dichter naderen zij ons in de later in het land der
Medicis weder opbloeiende kunst en beschaving. Want waarschijnlijk
was dit niets dan een tweede oogst op den ouden, door de verdwenen
Etruriërs bemesten bodem. Met recht voerde men daarom ook ten tijde
van Napoleon, den naam "Etrurië" weder in, welke naam trouwens altijd
voortgeleefd heeft in den naam der Etrurische of Toscaansche Zee.
Gelijk het verband als naburen, van Italië met zijne tweeling-zuster,
het Grieksche schiereiland, zoo heeft ook de nabuurschap met Afrika en
met het vaderland der Semiten, in den loop der jaren herhaalde malen
vreemdelingen aan Italië toegevoerd.--De Pheniciërs, de voorgangers
der Grieken in de heerschappij over de Middellandsche Zee, hadden
reeds vroegtijdig koloniën rondom Sicilië en Sardinië gesticht. Na hen
overmeesterden hunne zonen, de Karthagers, al de groote Italiaansche
eilanden, en behielden ze geruimen tijd in hunne macht. Deze Afrikanen
streden zelfs tegen de Romeinen om de heerschappij over geheel
Italië'. Onder den naam Saraceenen kwamen de kinderen van Sem, in
het begin der middeneeuwen weder, en verbreidden hunne heerschappij
en koloniën over dezelfde gedeelten van Italië die de Karthagers
bezeten hadden; zelfs nog in de 13de eeuw marcheerden Afrikanen, als
hulptroepen van Keizer Frederik II, door het geheele schiereiland,
en lagen, even als eens de troepen van Hannibal of van Genserik,
overal in kwartier.
Ook in latere tijden heeft eene omruiling van bevolking tusschen
Italië en Afrika onder verscheidene vormen meermalen plaats gegrepen,
en men kan dus gemakkelijk nagaan, dat eenige sporen daarvan in het
karakter en de zeden der Italianen achter gebleven zijn.--In hunne
taal vinden wij nog verscheidene uitdrukkingen, die betrekking hebben
op handel en scheepvaart, van Arabischen oorsprong. Eene gemengd
Italiaansche-Saraceensche taal en ras, bestaat nog op het eiland
Malta. Ook in Calabrië, op Sicilië en op de andere Italiaansche
eilanden, verraadt het dialect en de het volk eigene keeltoon, de
inmenging van Arabisch bloed. En eene overeenkomst met het karakter
der Mooren, met hun hartstochtelijk en wraakzuchtig temperament,
dat ook het Spaansche volks-karakter uitmaakt, laat zich, zooals de
Italiaan Mariotti zegt, gemakkelijk bij de Italiaansche eiland-bewoners
waarnemen, even als ook hunne olijfbruine huidkleur, en hun bleek
gelaat aan de Pheniciërs, Karthagers en Saracenen herinneren.
Doordien Italië zuidwaarts diep vooruitdrong in het aloude kanaal
der beschaving, de Middellandsche Zee, kwam het in aanraking met de
Oostersche, Afrikaansche en Grieksche zeevarende volken; en daar
het noordwaarts als ineengegroeid was met het vaste land van ons
werelddeel, bracht zulks het in verband met de Noordelijker volken,
de Celten, de Germanen en ook eenigermate met de Slawen. De eersten, de
Celten, de voorvaderen der Franschen, spelen daarbij de oudste rol. Zij
hebben zich reeds in de vroegste tijden in een aanzienlijk gedeelte van
Italië inheemsch gemaakt. Zij hebben als grondbevolking het geheele
fraaie land tusschen de Alpen en Apennijnen bezet. Het duurde lang,
voor dat dit ook onder den naam "Italië" begrepen werd. Het heette
voor de geboorte van Christus Gallië en wel, ter onderscheiding van het
groote Gallië aan gene zijde der Alpen, het Gallië aan deze zijde der
Alpen "Gallia Cisalpina." Van uit de Alpen en van af den Po drongen
deze Galliërs meermalen Midden-Italië binnen, en verwoestten Rome en
andere bloeiende steden. Daarentegen waren zij de eerste stichters
van Milaan en van andere beroemde plaatsen van Boven-Italië.
De Celten hebben, naar men zegt, reeds van den beginne af aan, in het
type van hun ras meer gelijkheid met de oude Italianen gehad, dan de
Germanen en de andere Noordsche naburen. Nadat het echter den Italianen
onder Cesar gelukte, de Galliërs in hooge mate te romaniseeren of
te italianiseeren, werd gedurende den vierhonderdjarigen duur der
Romeinsche opperheerschappij, eene geestelijke verbroedering tusschen
beide Romeinsch gewordene natiën tot stand gebracht, die tot op onze
dagen toe de bron geweest is van veelvuldige verwisseling en van
gemeenschappelijke neigingen en eigenaardigheden. Wel zijn de Galliërs
en hunne opvolgers, de Franken en Franschen, de verwoesters van Rome
geweest; even als vroeger onder hunnen Brennus, zoo ook later nog
dikwijls onder Karel den Groote, onder de Anjou's, onder Karel VIII, en
in den lateren tijd onder hunne Napoleons, zijn zij onder den naam van
bevrijders, als beheerschers en onderdrukkers Italië binnengedrongen,
en hebben de Italianen, in bloedige slagen en Siciliaansche vespers,
zich tegen hen trachten te beschermen, maar dat neemt niet weg dat er,
over het geheel, buiten den door de Alpen gevormden ringmuur, geen volk
is, waarmede de Italianen als natie, zooveel overeenkomst in geaardheid
hebben, waarvoor zij zooveel sympathie gehad en waarmede zij zulke
nauwe betrekkingen aangeknoopt hebben, als met de Franschen. Even
als de Provençaalsche dichtkunst, even als in eene latere periode,
ten tijde van Lodewijk XIV, de zoogenaamde klassieke literatuur der
Franschen, zoo vonden ook alle andere voorbeelden van Frankrijk,
in Italië steeds een open oor en hart. De Fransche revolutie in
het einde der vorige eeuw, gaf aan Italië eene nieuwe gedaante. De
door Napoleon I weder aangeknoopte nauwere verbinding van Italië
met Frankrijk, bracht de politieke denkbeelden der Franschen daar in
omloop, en liet bij het volk een zoo groot gistings-proces achter, dat
men bijna zeggen kan, dat de tegenwoordige geestelijke ontwikkeling
der Italianen op Trans-Alpijnschen bodem gewassen is. "Zij denken
Fransch over staat, godsdienst en wijsbegeerte; en zoo al niet
hunne poëzie, dan is toch hun proza in hooge mate op Fransche leest
geschoeid."--Het oude land der Gallische Allobrogen, Savoye en de
Ligurische grensmarken van Nizza, landstreken, die eene Fransch
sprekende, Celtische grondbevolking hebben, zijn tot op de nieuwste
tijden, nu eens met de Franschen dan met de Italianen, onder dezelfde
heerschappij verbonden geweest.
Hét provinciaal-dialect der Piemonteezen en Lombarden, heeft nog nu
veel Fransch of Gallisch; zij hebben b.v. iets van den Gallischen
neusklank en de voor het Toscaansche oor zoo onaangename uitspraak
der "oe" als "u". Een Engelschman, de heer Edwards, die zich in den
nieuweren tijd door zijne phrenologische onderzoekingen een naam
maakte, heeft bij de tegenwoordig aan den Po wonende menschen, zelfs
dezelfde schedel- en gelaatsvorming gevonden, welke men bij hen,
die langs de Rhone en de Loire wonen, aantreft; hij heeft gemeend,
daardoor te kunnen bewijzen, dat deze zoogenaamde Italianen, met
betrekking tot hun bloed en hunnen lichaamsbouw, nog heden tot de
Galliërs of Celten behooren.
De verbinding der Italianen met de Galliërs dateert van onheugelijke,
vóór-historische tijden. Hunne eerste aanraking met de Germanen
laat zich iets beter nawijzen. Het was niet lang voor de geboorte
van Christus, toen zij, onder den naam van "Cimberen en Teutonen,"
hunne oorspronkelijke woonplaatsen in het Noorden verlieten, en voor
het eerst ten Zuiden der Alpen verschenen.--Sinds dien tijd echter,
zijn de Italianen om zoo te zeggen altijd met hen in strijd geweest,
zonder dat echter noch de Duitschers in massa in Italië, noch de
Italianen bij de Germanen op die wijze inheemsch geworden zijn, als de
hun nader staande Galliërs.--Een diep gewortelde afkeer voor elkander
schijnt de naturen dezer beide, zoo sterk met elkander contrasteerende,
landen en stammen eigen te zijn. De Italianen vermochten het Rijn-
en Donauland nooit in die mate te romaniseeren als het Celten-land;
zij werden daaruit door meer dan één Varus-slag verdreven.--Omgekeerd
hebben ook de onbeschaafde Noordlanders, hoe dikwijls zij ook het
fraaie Zuidland binnentrokken, daar nergens op den duur hun ras, hunne
taal en zeden heerschend kunnen maken.--"Italië, ofschoon overwonnen,
stond tegen hunne betrekkelijk weinig talrijke scharen altijd over,
met eene dichte bevolking, met eene oude beschaving en met eene
weelderige natuur. Het slikte de binnenrukkende Duitschers altijd
naar lichaam en ziel op." Het was aan weerszijden spreekwoordelijk,
dat Welschland bestemd was het graf der Teutonen te worden. En bij
dezen bleef altijd het oude spreekwoord in zwang: "_Graecia capta
ferum cepit victorem._" Het onderworpene beschaafde volk ving de
wilde overwinnaars in zijne zijden netten.--De Herulers, de Gothen,
de Vandalen zijn, ofschoon zij lang in Italië den baas speelden,
allen weder spoorloos verdwenen en weggevaagd.
Alleen de Longobarden maken daarop eene uitzondering. Deze Germanen
oefenden inderdaad een zeer merkwaardigen en blijvenden invloed op
Italië uit. Zij worden ons als de wijste, koenste en dapperste van alle
Italië binnenrukkende Duitsche stammen geschilderd, en men vergelijkt
hunne inmenging op volk en land met die der Franken in Frankrijk en
met die der Anglo-Saksen in Engeland. Zij verspreidden zich bijna
over het geheele schiereiland; zelfs in het Zuiden stichtten zij de
lang bestaan geblevene Hertogdommen Spoleto en Benevento, die het
grootste gedeelte van Midden-Italië en van het tegenwoordige Napels
bevatten. In het Po-dal echter schoten zij het diepst wortel, en
smeedden daar de ijzeren kroon, den diadeem der latere zoogenaamde
Koningen van Italië, die nog op de plaats ligt, waar de Longobarden
dien, eens nederlegden.--Daar zij zich er geheel inheemsch maakten,
zoo smolten zij ten laatste geheel met de bewoners van het land samen,
en oefenden zij een niet geringen invloed uit op de vervorming der oude
Romeinsche taal tot de nieuwere Italiaansche. Zelfs nadat zij zelven
reeds in Italianen vervormd waren, bleef nog de door hen ingevoerde
staatsvorm, het Duitsche recht en het leenstelsel bestaan. In den
beroemden Lombardischen stedenbond, en in de nog heden gebruikt
wordende Germaansche benaming "Lombardye" voor het Po-dal, heeft hun
volksnaam zich evenzeer behouden, als die der Angelen in "Engeland" en
die der Franken in "Frankrijk". Ook verraden de bewoners van dit dal,
van Turyn tot aan Ravenna en Rimini, nog heden niet onduidelijke sporen
eener vermenging met Germaansche bestanddeelen. "Daar kenmerken de
menschen zich" volgens de getuigenis van een Italiaanschen ethnograaf,
"nog heden door eene lichtere kleur van haar, blankere gelaatskleur,
groote levendige oogen, slanke deftige maar zelden fijne gestalte,
van de andere Italianen.--Ook is daar de taal ruwer en rijker aan
consonanten, dan daar waar de Germaansche invloed onbeduidend of in
het geheel nièt geweest is, zooals in Rome, Toscane en nog meer in
Zuidelijk Italië". "Zij munt uit," zegt een Italiaan, "door kracht
en kortheid."
Even als de Noordsche spraakklanken, zoo is ook de krijgshaftige
geest van het Noorden hier meer te huis gebleven. Napoleon en na hem
Oostenrijk en later Victor Emanuel, recruteerden in Noordelijk Italië
aan den Po hunne beste Italiaansche regimenten.
Eindelijk vinden wij daar ook nog, op de weide-plateau's en in de
boschachtige schuilhoeken van eenige schoone bergen bij Vicenza en
Verona, eenige nog heden tamelijk onvervalschte overblijfselen van
Duitsch volk, midden in den schoot van den Italiaanschen stam, de
herdersdorpen der zoogenaamde _Tredeci_ en _Sette Comuni_, die nog
heden ten dage een Duitsch dialekt spreken, en die er roem op dragen
afstammelingen der oude Germanen te zijn.
Na de Germaansche volkenbeweging in de de 5de en 6de eeuw, zijn nog
ontelbare malen Duitschers over de Alpen Italië binnengetrokken. De
Frankische Koningen en de Duitsche Keizers uit het Saksische,
Salische en het Hohenstaufsche huis, hebben door kracht van wapenen
een dikwijls bestreden heerschersrecht in Italië geldig gemaakt.--Door
deze van tijd tot tijd wederkeerende en als de noordewind invallende,
zoogenaamde "Romeinen-tochten" der Duitsche Keizers, werden echter
geene nieuwe Germaansche bestanddeelen in de massa van het Italiaansche
volk gebracht, het waren geene volksinvallen. De Duitsche Keizers
verschenen slechts voorbijgaande aan het hoofd hunner krijgshaftige
oorlogscharen.--Dikwijls streden zij met Italiaansche troepen tegen
de Italianen, die eeuwen lang door tweespalt in partijen verdeeld
waren, en onder wie de Duitschers zich, slechts zoo lang hunne
tegenwoordigheid duurde, gehoorzaamheid en aanhang verschaften;
eene germaniseering van Italië bewerkten zij niet. De Duitsche
Keizers, zooals b.v. Frederik II, werden daarbij eerder zelven
Italianen. Ook lieten zij het land meermalen door Italiaansche
staatslieden en raadgevers besturen, en namen deze ook wel mede
naar Duitschland. "Telken male echter," zegt een Italiaansch
geschiedschrijver, "waschte de eerste lenteregen het bij deze
"Romeinen-tochten" vergoten bloed weer weg. De eerste oogst, rijk
gevoed door een bodem, bemest door de lijken der Noordlanders,
maakte de schatting weder goed, die de verkwisting der soldaten
noodig gemaakt had, en de zonen van het Zuiden wischten zich de
tranen uit de oogen, grepen weder naar de lier en begonnen weder op
hunne eigenaardige wijze te zingen als een zwerm vogels wanneer de
stormwind voorbij is."--Dat deze voorstelling over het geheel de
ware is, bewijst onder anderen de Italiaansche taal. Want het is
verwonderlijk, hoe weinig Duitsche woorden, trots al die scharen
van duizend en nog eens duizend Duitschers, die naar Italië gekomen
zijn, aan haar bleven hangen. Uitdrukkingen als: "_guerra_" (weer),
"_arnese_" (harnas), "_stivali_" (stevels), "_caccia_" (jagt),
"_fiasci_" (flesch), "_bicchiere_" (beker), hebben alleen op jagt,
oorlog en drinkgelagen en dergelijke zaken betrekking.--Overigens
zijn, naar men zegt, in de locale dialecten van enkele bergdalen,
zelfs in de Apennijnen, zulke Duitsche spraakbrokken meer bewaard,
dan in de Italiaansche spreek- en schrijftaal.
Even als met de Celten en Germanen, zoo zijn eindelijk de Italianen
ook met de derde groote Indo-Germaansche volkengroep, met de Slawen,
in aanraking gekomen.
In den Noord-Oostelijken hoek van Italië woonde reeds lang een volk,
dat de geographen der ouden voor Illyriërs (Albaneezen?) hielden, en
dat zij "Venetiërs" noemden, van welken naam hun land ten Noorden der
Adriatische zee, den zijnen "Venetia" ontleende. Wegens de overeenkomst
van dezen naam met dien onzer Slawische "Wenden", en op andere gronden
hebben verscheidene historici vermoed, dat deze oude Venetiërs,
van wie de stad Venetië haren naam ontleende, oorspronkelijk Slawen
geweest zijn, die eerst later geitalianiseerd geworden zijn.--De nog
heden den Venetiaanschen mond eigene zachtheid van toon, vooral in
tegenstelling met den harden toon der Lombarden, zouden een gevolg
dezer Slawische verwantschap zijn. Ook hebben verscheidene namen der,
nu Italiaansche, steden in de nabijheid van Venetië, zooals "Triest",
"Pola", "Grado" en andere, een Slawisch karakter.
Dat ten tijde der volksverhuizing, met de Germanen, vooral ook met de
uit Hongarije hier binnenrukkende Longobarden, ook vele Slawen naar
Italië kwamen, even als in onze dagen met de Oostenrijksche legers,
is aan geen twijfel onderhevig. Hunne elementen zijn daar echter
onder Germaansche namen verborgen.--Even zoo uitgemaakt zeker is het,
dat de Noord-Oostelijke uiteinden van Italië, reeds in de 7de eeuw
door Slawen omsingeld waren. De Slawische taal was toen zelfs aan
het hof van den Hertog van Friaul in gebruik, en de Slawen trokken
dikwijls over de Isonzo op Italiaanschen bodem, en stichtten daar
steden, burchten en dorpen, die nu nog bestaan en waar beide talen,
het Italiaansch en het Slawisch nog heden gesproken worden. Op eene
tamelijk uitgestrekte lijn, langs de grenzen van Karinthië, Kroatië en
Istrië, zijn Slawische en Italiaansche elementen met elkander vermengd,
en deze grens is, door de veroveringen en volkplantingen der Italianen
in Illyrië en Dalmatië, nog verder uitgebreid geworden. Daardoor
werd Venetië zelve een middelpunt voor de Slawen, die als matrozen
en soldaten daar heen gingen, wier voorname geslachten niet zelden
in de Venetiaansche aristocratie werden opgenomen, en wier heldere
geesten somwijlen deelnamen aan het streven der Italianen om kunst
en beschaving te ontwikkelen.
Uit dit overzicht der vroeger Italië binnengedrongene volken,
blijkt dus, dat dit land in oude tijden,--vóór Rome--door de meest
verschillende stammen, men kan zeggen door gedeelten van alle in Europa
en om de Middellandsche Zee wonende rassen, bewoond was, en dat het
ook in het vervolg van tijden meermalen weder door al deze stammen, die
daarheen als tot een geographisch middelpunt samenliepen, aangegrepen
werd. Vraagt men nu, hoe al deze op het schiereiland van de vroegste
tijden af voorhandene, en steeds op nieuw binnendringende vreemde
elementen, zich tot één volk gevormd hebben dat in aanhoudenden
strijd met hen eene gelijkvormige nationaliteit ontwikkeld en
behouden heeft? Het is vrij wel uitgemaakt dat de eerste, en ook
voor alle tijden voornaamste grondvesters van een "_Italia Unita_,"
de Romeinen geweest zijn.--Zij waren van oud-Italiaanschen stam en
bewoonden het midden van het lange land, waar zich altijd de echte
Italiaansche natuur zuiverder bewaard heeft, dan in de naar het Oosten
gekeerde Zuidelijke punt, en in de, het Noorden de hand reikende, Po-
en Alpendalen. Van uit het midden veroverden de Romeinen het eene der
Italiaansche landschappen na het andere, het eerst die der met hen
verwante Latijnen, Umbriërs en Samnieten, en ook die der zeer van hen
verschillende Etruskers.--Hunne veroveringen sleepten niet alleen
eene omverwerping van de oude staatsregelingen der onderworpene
steden en staten na zich, maar ook eene vereenzelving in bloed,
zeden en taal. Burgerlijke- en militaire koloniën trokken buiten de
muren der stad Rome, en maakten het geheele land, waarover zij zich
verbreidden, gelijkvormig. De groote land- en militaire wegen, die
de Romeinen in de Apennijnen in verschillende richtingen aanlegden,
brachten er het hunne toe bij, om het geheele schiereiland in een
maatschappelijk geheel te hervormen. De scherp in het oog vallende
volkseigenaardigheden verminderden allengs overal. De oude, zeer van
elkander verschillende Oscische, Etrurische, Ausonische tongvallen,
werden overal op den achtergrond gedrongen, de Romeinsche of Latijnsche
taal werd overal de heerschende.
Op die wijze overal omwentelingen en volksplantingen aanbrengende,
drongen de Romeinen ook het Grieksche Beneden-Italië en Sicilië
binnen. Ook daar moesten Grieksche taal en zeden het onderspit delven
voor de Romeinsche. Daar de Romeinen hier echter het gebied eener
meer ontwikkelde en oudere beschaving binnenrukten, zoo konden zij
er wel niet buiten, hier veel van aan te nemen, en van toen af aan
ging derhalve ook de toenemende Latiniseering van het schiereiland,
met de toenemende Helleniseering der Romeinen hand aan hand.
Van dit Zuiden, niet uit de muren hunner stad, waaruit zij anders
alles van daan haalden, ontleenden de Romeinen den naam van het door
hen tot één gemaakte en veranderde land en volk. Geene benaming
zou er natuurlijker voor geweest zijn, dan de naam "_Romania_"
(het land der Romeinen), want de Romeinen waren zijne scheppers.--In
stede van dien duldden zij het, dat uit de zuidpunt van het land,
wij kunnen niet meer nagaan _hoe_, de ten eenemale onbekende naam
van een arm herdersgeslacht, zich als eene slingerplant uitbreidde
en het geheele schiereiland overtoog. In de landpunt aan de zeeëngte
van Messina, die wij heden ten dage Calabrië noemen, moet volgens de
legende in oude, gouden tijden een Koning "Italus" geheerscht hebben,
wien ter eere de menschen daar, die tot dien tijd toe "_Oenotri_"
(d.i. de wijnbouwers) heetten, zich "Itali" en hun land "Italia"
noemden.--Volgens anderen zouden de Calabriërs dezen naam, uit
hoofde hunner schoone weidevelden, van oudsher gevoerd hebben;
want "Italia" van oudsher verwant met het Latijnsche "_Vitulus_"
(jong rund) moet zooveel als het runder- of weiland beteekenen. Nog
tijdens den bloei van het oude Syracuse strekte zich echter deze
naam, die voor zoo grooten roem bestemd was, niet Noordwaarts van het
Calabrische schier-eiland uit. Langzamerhand sedert de 4de eeuw voor
Christus geboorte, omvatte hij reeds het Zuidelijk Italië.--Tegen
het einde dezer eeuw namen de Romeinen hem aan, toen zij Zuidelijk
Italië veroverden; zij brachten hem verder Noordwaarts, aanvankelijk
echter niet aan gene zijde der Toscane omgevende Apennijnen.--Daar
scheidde de Rubico, eene kleine rivier in het Zuiden van Ravenna,
nog lang dat wat men "Italië" noemde, van de Noordelijke Po-vlakte,
die nog onder den naam "Gallië" begrepen werd. Eerst na de Punische
oorlogen drongen de Romeinen ook als overwinnaars, koloniseerende
en de oude Cis-Alpijnsche Galliërs hunne nationaliteit ontnemende,
het Po-land binnen. Zij verbreidden hunne taal en zeden en die der
nu met hen verbondene Italianen, van het Zuiden tot aan den voet der
Alpen, die hun eene zeer natuurlijke grens van hun verruimd vaderland
toeschijnen moest. Deze italianiseering van het Po-land was echter
reeds lang half voltooid, voor men het den naam Gallië officieel
ontnam. Eerst Keizer Augustus volgde de publieke opinie, die reeds
toen algemeen tot aan de Alpen reikte, dat is, hij breidde den naam
Italië zoover uit als die later bijna altijd gegolden heeft, tot aan
den Varus of Var bij Nizza tegen Gallië, tot naar Istrië in het Oosten
en tot aan de gletschers in het Noorden. Men mag dus Keizer Augustus
als den schepper van het idee "Italië" en "Italianen" beschouwen.
De geheele bedwinging en verovering van Italië door de Romeinen, kan
men beschouwen als eene vereeniging der Italianen tot één staat onder
echt Italiaansche banier, als eene gelijkmaking en samensmelting van
al het vreemde op Italiaanschen bodem tot één volk.--De Italianen
hebben door de Romeinen onder alle volken in Europa, het eerst het
voordeel behaald, dat zij, als een, wat taal, zeden, sociale en
politieke inrichting betreft, vereenigd volk daar stonden, in een
tijd, toen nog alle andere rassen van ons werelddeel in stammen en
clans opgelost, door elkander lagen. Zulk eene nationale vereeniging
was zelfs den zoo hoog beschaafden, maar altijd in tweespalt levenden
Grieken nooit gelukt.
Het werk der, om zoo te zeggen voor de eeuwigheid bouwende Romeinen,
heeft alle wisselvalligheden der volgende eeuwen overleefd. De door
hen gelegde grondslagen voor de Italiaansche eenheid, vormen nu nog
de basis der Italiaansche nationaliteit. Hunne, in het verloop der
tijden gewijzigde taal, den door hen aan het volk, tusschen de Alpen
en Sicilië, gegeven toon, en de herinnering aan hunne heldendaden,
zijn in alle eeuwen tot op den huidigen dag, het patriotische cement
geweest, dat de Italianen tot één volk verbond en verbindt.--Alleen de
voorbereidselen der Romeinen maakten het mogelijk dat de liederen, in
lateren tijd door een Dante of Petrarca aan den Arno gezongen, in het
geheele land als uit het gemoed des volks voortgekomen, weerklonken.
De stempel, dien zij op het volk, tot aan den Var en tot aan den
bovensten rand der Alpen, drukten, was zoo onuitwischbaar en vast,
dat die altijd weder, door alle later daarover uitgeschudde elementen
heen, te voorschijn kwam en zich overwinnend naar boven werkte, en dat
Italië ten allen tijde daarnaar streeft, zich politiek binnen dezelfde
grenzen te vereenigen, die Keizer Augustus het afbakende.--Deze
vroeger door de Romeinen tot stand gebrachte vereeniging van geheel
Italië tot ééne gelijksoortige natie, gaf den Italianen het groote
overwicht over Europa, waardoor zij in staat waren ons werelddeel
te veroveren. Italië werd onder de Romeinen in zoo hooge mate en in
zoo uitgebreiden zin het levens-centrum van geheel Europa, als na hem
geen ander Europeesch land en volk weder geweest is.--Het bloed en de
denkbeelden van het geheele beschaafde _Orbis terrarum_, culmineerden
en centraliseerden een vijfhonderdtal jaren in Italië.--"Rome ontving
bij zich alle vreemdelingen, drukte hun zijn stempel op het voorhoofd
en zond hen als Romeinen weder de wereld in."
Daar zij een zoo krijgshaftig, krachtvol, ernstig, consequent,
gedisciplineerd, politiek en wetkundig volk waren, als men nauwlijks
eenig ander in de geschiedenis aantreft, zoo hebben zij dien ten
gevolge ook meer dochter-volken en dochter-talen in de wereld gebracht
dan eenig ander volk.--Zij brachten eene min of meer algeheele
romaniseering of italianiseering van alle landen en volken, van
af Schotland tot aan Afrika, van het Pyreneesche schiereiland tot
aan den Eufraat, tot stand. De in verschillende landen gesprokene
talen werden, door de wereld veroverende Latijnen, niet alleen
uit de gerechts-zalen en bestuurs-bureau's van het rijk, maar
grootendeels ook uit de bijeenkomsten der beschaafde maatschappijen
verdrongen; de Grieksche taal was bijna de eenige die naast die der
Latijnen bleef bestaan. De bijzondere rechtspraak en de oude staats-
en maatschappelijke instellingen der verschillende rijken, weken
overal voor de algemeen in zwang komende rechtspraak en toestanden
der Romeinsche monarchie.
Overal waar de Romeinsche soldaat zijn kwartier opsloeg, de
Romeinsche kolonist zijne akkers omheinde, aan de Theems, aan den
Donau, aan de Tigris en den Nijl, zetten zich ook de Romeinsche
bankier en de Romeinsche koopman neder, begaven zich ook uit Italië
de landmeters en de architecten, de opperpriesters en de advokaten,
de schoolleeraars, de kunstenaars en de handwerkers heen. Overal werden
de tegenstellingen uit den weg geruimd, die vroeger de nationaliteiten
zoo streng van elkander scheidden, en naast de uiterlijke gelijkheid in
de officieele taal, in het geld, de rechtspraak en de administratie,
werd het geheele leven, denken en wezen der volken met Romeinsche
elementen doordrongen. "Onder alle hemelstreken" zegt Prudentius,
"leefden de menschen op Romeinsche wijze, als ware de geheele wereld
slechts ééne Italiaansche stad."
Trots de later volgende eindelooze omwentelingen en volksverhuizingen
is deze stempel, dien de Romeinen een groot gedeelte van Europa op
het voorhoofd drukten, in den loop der eeuwen niet weder verloren
gegaan. Waarheen wij ons ook wenden, overal ontmoeten wij nog heden ten
dage hunne machtige en onvergelijkelijke inwerkingen. Zij lieten in ons
werelddeel, de ver verbreide groep der naar hen genaamde Romaansche
volken, achter.--Evenals de nationale geest en de taal der Italianen
zelve, zoo rusten ook die der Spanjaarden, der Portugeezen, der
Franschen, der Belgen, der ver langs den Donau verspreide Walachyers
op de, door de Romeinen door romaniseering gelegde fundamenten.
Maar hun invloed op de beschaving van Europa steekt verre uit boven
het bestaan hunner politieke macht en bloei. Zelfs nadat hun lichaam
reeds lang dood was, waarde de door hen in het leven geroepen geest
in Europa nog rusteloos rond, groote daden verrichtende en bijna nog
meer volken bindende, dan hunne legioenen zulks vermocht hadden.
De met de Romeinen opgegroeide en door hen zeer ontwikkelde taal,
bleef nog, bijna een duizendtal jaren na de ontbinding van het
Romeinsche rijk, de taal van den beschaafden stand, der dichters,
der diplomaten, der wetgeving en van het algemeen verkeer in ons
werelddeel.--Zij verwierf zich zelfs het burgerrecht in landstreken,
waarin Romeinsche krijgslieden nooit gekomen waren, b.v. ook in het
geheele uitgestrekte land der Sarmaten en in Skandinavië.--Zij is
nog heden ten dage naast hare zuster, de Grieksche taal, de taal
der wetenschappen in zoo hoogen graad, dat men zelfs geene nieuwe
uitvinding, geen aan de uiteinden der wereld gevonden plantje,
gelooft wetenschappelijk geplaatst te hebben, wanneer men er geen
Latijnschen naam aan gegeven heeft.--Nog omstreeks het einde der
midden-eeuwen werden de dichters vóór Petrarca, niet voor dat wat zij
in hunne _eigene_ taal gezongen hadden, maar voor hunne _Latijnsche_
gedichten op het Kapitool gekroond, zooals ook nu nog onze geleerden,
alleen door in het Latijn geschrevene verhandelingen, den graad van
doctor verwerven kunnen. [11]
Ofschoon de Romeinen geen oorspronkelijken naam voor den eeuwig
bloeienden aanvoerder der Muzen uitgedacht, maar den naam "Apollo"
onveranderd van de Grieken overgenomen hebben, ofschoon hunne poëzie
niet oorspronkelijk was, maar er de "geestdrift der Grieken luide
in weerklonk", zoo hebben zij toch alles, wat zij van Griekenland
ontvingen, met eene zoo groote politieke macht gestut, dat zij en
hunne taal de dragers en verbreiders ook der Grieksche ontwikkeling
in Europa geweest zijn.
"Voor de schoone kunsten hebben de stijve, harde, punctueele, dappere,
geheel door heerschzucht vervulde Romeinen het minst gedaan." Zij
waren vreemdelingen op dit gebied, en bedienden zich hierop van
bijna niets anders dan van het hoofd en de armen der Grieken. Niet
ten gevolge eener warme geestdrift voor de kunst, maar ter opsiering
hunner Keizerstad, plunderden zij de veroverde landen en voerden zij
de kunstschatten naar Italië.
"Ook in de wijsbegeerte waren zij slechts napraters der diepzinnige
Grieken. Men bemerkt dit het best in hunne taal, die zoo arm
schijnt aan philosophische uitdrukkingen en kunstwoorden, dat
Plato en Aristoteles moeielijk in goed Latijn kunnen vertaald
worden."--Daarentegen hebben zij, als eene door en door tot
heerschappij voeren geborene en gevormde natie, in hunne taal even
als in hunnen geest en hunne wetgeving, alle bont geschakeerde
rechtstoestanden en rechts-vragen van het burgerlijke leven beter
doorschouwd, bewerkt en de taal daarvoor beter bruikbaar gemaakt,
dan eenig volk te voren.
Hun recht heeft tweemalen de wereldkwestiën geregeld, eens,
zoolang hunne Keizers nog den schepter zwaaiden, door den steun
van hun overwinnend zwaard, en een tweede maal langs vreedzameren
weg, ten gevolge der hulde, die men aan hunne juiste inzichten,
principes en definities vrijwillig toebracht.--Het Romeinsche recht
was reeds eens, ten gevolge van de stormen der volksverhuizing,
buiten gebruik gekomen. Ja! de Justiniaansche codex, de quintessence
van dit recht was, even als eens ten tijde der Makkabeën bij de
Joden de Mozaïsche canon, verloren gegaan. Hij moest uit het puin
der verwoesting weder voor den dag gehaald worden, even als de
Laokoon-groep, de Venus van Medici en andere antieke standbeelden;
en even als aan deze uitgegravene Grieksche kunstscheppingen zich
een nieuw tijdperk der kunstgeschiedenis vastknoopte, zoo kwam ook
uit het weder ontdekte Romeinsche wetboek, eene nog veel machtiger,
laat geborene heerschappij der burgerlijke wetgeving der Romeinen
te voorschijn.--Deze merkwaardige tweede verovering der wereld
door de Romeinsche wet, ging in de midden-eeuwen van eene der
voornaamste en oudste leer-inrichtingen in Italië, van Bologna,
uit. Een geleerde, Irnerius, begon in de 15de eeuw de pandecten
te lezen, te bestudeeren en te verklaren. Op zijn aandrang werden
daarop Romeinsche recht-scholen gegrondvest, en toen weldra haar roem
zich verbreidde, zonden de volken van allerwege hunne weetgierige
afgezanten over de Alpen, werden de geduldige scholieren der, uit
den mond der Italiaansche professoren tot hen sprekende, Romeinen,
en staken nog eenmaal geheel vrijwillig hun nek in het Romeinsche juk.
De rechtsgeleerden der Romeinen brachten langzamerhand de onderwerping
tot stand van geheel Germanië en van vele andere volken, die hunne
veldheeren niet hadden kunnen bedwingen; de verhoudingen en toestanden
van iedere stad, van ieder dorp in Europa, werden naar de uitspraken
en besluiten der oude, reeds lang verstomde Romeinsche praetoren en
Keizers geregeld.
Staten blijven niet eeuwig bestaan,
Ook zijn reeds geheele geslachten
Door der tijden wisseling vergaan,
En dus als vergeten te achten.
Maar aan den hoogsten bergtop gelijk,
Door Aurora omkranst steeds met licht
Is slechts de Vorst, aan schranderheid rijk,
Die zoo veel goeds daardoor heeft gesticht.
Dit woord van den grooten Schiller, dat hij tot lof der groote
mannen zong, mag men in nog hoogeren zin van toepassing beschouwen,
op den geest van zulke krachtig optredende en verstandige volken,
als de Grieken en de Romeinen. Even als de Montblanc werpen zij
breede schaduwen over de landen heen; zij verlichten nog lang het
landschap, als hun voet reeds lang in duisternis begraven is.--Zij zijn
onsterfelijk, en zelfs als zij schijnen te sterven, is het eigenlijk
geen dood, maar slechts eene verpopping en een weder opleven in
anderen vorm.
Reeds terwijl hun door de barbaren het zwaard afgenomen was, hadden
de Italianen zich een anderen schepter der wereldheerschappij
gevormd. Rome had de zaden van het christendom in haar boezem
opgenomen, en de uit dit zaad ontkiemende wijnstok, de macht van den
Romeinschen bisschop, had zich ongemerkt en langzamerhand tegen den
boom van het Keizerschap aangeklemd en was met hem opgewassen.--Nadat
de barbaren den Keizerlijken eik geveld hadden, bleef de moeielijker
op te ruimen rank der Kerk bestaan. Daar zij den wereldlijken
schepter niet meer zwaaien konden, grepen de Romeinen naar den
bisschoppelijken staf, en met dezen hebben zij langzamerhand in den
loop der midden-eeuwen, door zachtere kunsten, door zachtere middelen
en wegen, door woord en overreding, weder alle volken van Europa in
hun net vastgesponnen.
Onder de vele gaven, die wij uit de handen van Rome en Italië
ontvingen, is de gewichtigste: het Christendom. Het groote werk der
verchristelijking, dat in Rome begonnen werd, werd van daar uit, door
Italië's zonen, trots de stoornissen door het ongunstige politieke
lot van hun vaderland, verder gebracht.--Er is een tijd in Europa
geweest,--en die tijd duurde lang--toen Italianen, als zendelingen
der nieuwe leer, door alle landen van ons werelddeel trokken, om
het barbarendom en heidendom te bezweren, en toen Italianen aan de
hoven der Koningen en in de hoofdsteden der volkeren, als kerkvorsten
aan het hoofd der geestelijke zaken stonden. Daar zij als soldaten en
praetorianen niet meer de Keizerskroon vergeven konden, begonnen zij nu
het als priesters te doen. Sedert Karel de Groote, omstreeks het jaar
800, deze kroon uit de handen van Leo III had ontvangen, was Rome,
de eeuwige stad, weder de hoofdstad der wereld. Het groote overwicht
der door de Italianen gevormde, onderhoudene en grootgebrachte macht
der christelijke kerk bewerkte, dat in de midden-eeuwen even als in
de oudheid, de geschiedenis van Europa, Italië weder tot brand- en
middelpunt verkreeg, waarop alle kampstrijden, de geestelijke zoowel
als die van den krijg, gestreden werden.
"De Roomsch-Christelijke kerk, haar indrukwekkende ritus, de pracht
en het betooverende van haar cultus, die den geest op verheven zaken
leidt en de ziel tot godsdienstigheid opwekt, hare liefelijke aria's,
hare indrukwekkende kooren, hare schitterende versierselen, de groote,
majestueuse ruimte harer Godshuizen, het bekoorlijk poëtische waas,
dat haren geheelen godsdienst een zoo verheerlijkt uiterlijk geeft,
hare aantrekkende geheimzinnigheid, die het gemoed naar hoogere
sfeeren brengt"--dat alles is een werk van Italiaansche vinding en
kunst.--In alle landen van Westelijk- en Midden-Europa, noordelijk
tot aan de Noordkaap, en oostelijk over de grenzen van Sarmatië,
verbreidde zich deze door de Italianen geregelde godsdienst en de
door hen georganiseerde kerkelijke heerschappij. Overal diende men
God op Italiaansche wijze en in de door de Italianen over de wereld
verspreide taal. "Italië was de opperheerscheresse in het rijk der
hoogste geestes-aangelegenheden."--In de 11de eeuw, toen den geweldigen
Benedictijner-monnik Hildebrand de driedubbele kroon op het hoofd
gezet werd, bereikte deze theocratische monarchie der Italianen,
die bijna geheel Europa omvatte, even als eens onder Augustus hunne
militaire monarchie, hare voltooiing.
Even als die jonge Mongoolsche paardenhoeder, en nog met meer
recht dan Dschingis-Chan, kon de geniale zoon van een Italiaanschen
handwerker zeggen, "de geheele wereld draait zich om mij, als om haar
middelpunt."--De Keizers hielden de stijgbeugels der hoogepriesters
van Italië, en de Koningen van Europa kwamen om hun den pantoffel
te kussen. De macht dezer Romeinsche Kerkvorsten heeft nog langer
geduurd dan die der Romeinsche consuls, en hunne reeks is langer dan
die der Romeinsche Imperatoren. En ofschoon later ook deze wijze van
Italiaansche suprematie, even als die welke zij door hunne Imperatoren
over Europa uitgeoefend hadden, door een nieuwen geestelijken Arminius
in de wouden van Duitschland gebroken werd, zoo is toch nog heden
ten dage een groot gedeelte van ons werelddeel, met betrekking tot
hun werkelijk leven en godsdienstig denken, als geitalianiseerd,
of als onder den invloed van Italië staande, te beschouwen.
Ja, het terrein, dat in Duitschland en in het Noorden van Europa voor
het Pausdom verloren ging, werd rijkelijk vergoed door de provinciën,
die zijne zendelingen, zijne jezuïten en bedelmonniken aan gindsche
zijde van den oceaan in de nieuwe wereld veroverden.
En dit Pausdom, deze door Italië voortdurend uitgeoefende geestelijke
wereldheerschappij, heeft een zoo onverwoestbaar leven, dat ook
tot nu toe, al de groote volksstormen van den nieuweren tijd, de
Fransche revolutie, de Napoleontische oorlogen, de volksbewegingen
van 1848 en de nieuwste omwentelingen in Italië zelve, die allen het,
als Luther in Duitschland, met wortel en tak dreigden uit te roeien,
het slechts weinig geschaad hebben. Het zwenkte door al die stormen
heen, werd wel heen en weer geslingerd, maar bleef voor anker liggen
en gebiedt nog heden, even als vroeger.
De Katholieke kerk en het Pausdom zijn wel de meest grootsche en de
invloedrijkste scheppingen, die uit den geest van het moderne Italië
te voorschijn getreden zijn, maar het zijn niet de eenige.--Tegelijk
met den opbouw der Kerk en ten deele onder hare bescherming, die zij
hun in den strijd met de Duitsche Keizers verleende, bloeiden in Italië
eene menigte andere staten en republieken, zetels der beschaving.--Eene
voorliefde, als ik het zoo noemen mag, voor een stedelijk, burgerlijk
en republikeinsch volksbestaan, schijnt van oudsher den geest der
Italianen eigen geweest te zijn. Wellicht heeft zij haren oorsprong te
danken aan het karakter van hun vaderland, dat in zoo vele afgesloten
deelen is afgeperkt. Reeds in de oude tijden zien wij het land met
steden bedekt, en het volk niet zooals de Duitschers, in onderlinge
betrekkingen die door het boerenbedrijf of het landbezit in het leven
waren geroepen; niet zooals de Slawen vereenigd door den band van
het familieleven, van stam- of bloedverwantschap, maar in stedelijke
gemeenten of stedelijke staten vereenigd. Eene stad noemen de Italianen
"_una nazione_".
Reeds ten tijde der Etruskers ging in Italië alles van de steden
uit. Alle oorlogen der oude Italianen onder elkander waren oorlogen
van stad tegen stad. Niet door een machtig geslacht van volken-vorsten,
zooals het later de Karolingers waren, maar door de burgers eener stad,
werd de Romeinsche wereld-verovering doorgezet. Ten tijde der Romeinen
scheen, zooals ik reeds opmerkte, geheel Italië, ja! geheel de wereld,
slechts eene enkele stad te zijn. Geheel Italië verkreeg van hen
burgerlijke stadsrechten, het geheele rijk der _Orbis terrarum_, om
zoo te zeggen eene stedelijke inrichting. Door den inval der Duitsche
Koningen en adellijke geslachten, werd deze in Italië diep-gewortelde
neiging tot eene stedelijke huishouding een tijd lang verbroken. Want
de Germanen waren, om zoo te zeggen, een volk bestaande uit herders en
landlieden. Zij gaven den door hen veroverde rijken eene Koninklijke
familie- en huisgezin-regeling, die haar model aan de inrichting
van den zetel van een landerijen bezittend edelman schijnt ontleend
te hebben. In de latere middeneeuwen echter, nadat de barbaren zich
geitalianiseerd hadden, en de Trans-Alpijnsche Keizers in de Pausen
machtige tegenpartijen hadden leeren kennen, kwam het oud-Italiaansche
stadswezen weder te voorschijn. Het geheele land en volk, loste
zich als een paarlsnoer in eene menigte stedelijke republieken op,
weder even als vroeger tijdens de Etruriërs en Groot-Griekenland,
met talrijke bloeiende en schitterende burger-gemeenten. De door
de Duitschers ingevoerde land- en leenadel verdween. In geen
land van Europa werd het feudaal-systeem en de landbouwstaat zoo
vroeg afgeschaft als in Italië. Alleen Zuidelijk Italië en Sicilië,
maken daarop eene uitzondering. De ridderschap ging in de stedelijke
republieken, en zelfs in de kleine monarchieën, waarin na eenigen tijd
vele deze kleine republieken veranderden, ten onder. Want deze nieuwe
monarchieën, hunne Heeren en Hertogen waren, zooals de Medici's in
Florence, de Dogen en de patriciërs in Venetië en Genua, bijna overal
voortgesproten uit den burgerstand en, om zoo te zeggen opperhoofden
van steden.--Reeds in de 14de eeuw was de, uit den vreemde overgekomen
riddergeest in Italië, waar zij bovendien nimmer diepe wortels
schoot, geheel verloren. "Deze overwegende invloed der steden in de
midden-eeuwen," zegt de Italiaansche geschiedschrijver Sismondi, "is
de oorsprong van het _moderne_ Italiaansche karakter. Dientengevolge
is bij hen alle landeigendom nagenoeg alleen in handen der steden,
en de bebouwer van den grond is geen onafhankelijk land-edelman
met zijne slaven, ook geen vrije burger die een eigen bezit heeft,
maar slechts een pachter van den stedelijken burger." Daaraan is ook
de minder scherpe afscheiding der maatschappelijke standen in Italië
toe te schrijven. De hoogere standen, de adel, zijn in Italië met den
burgerstand veel meer saamgewassen dan in Duitschland of Frankrijk. Men
heeft hun de overmoedige aanmatigingen, van den ouden Duitschen en
Franschen hof- en heeren-adel, nooit kunnen verwijten. Ook is in
Italië de adel nooit met zoo hevigen haat vervolgd geworden als in
Frankrijk, omdat hij in bloed, gezindheid en werkzaamheid veel nauwer
verbonden was met de burgerlijke standen en de steden."--Uit hetgeen
ik gezegd heb, mag men echter al die eigenschappen niet alleen aan de
nu _moderne_ Italianen toeschrijven. Integendeel vindt men ze, zooals
ik reeds aantoonde, reeds bij de vroegste Italianen, en men kan daarom
ook dat, wat Sismondi een _gevolg_ van het overwicht der steden noemt,
omgekeerd als de oude, sedert duizende van jaren werkende _oorzaak_
van dit overwicht beschouwen.
Even als een welige oranjeboom, met een menigte gouden vruchten
en bloesems, zoo staat ook het met bloeiende steden rijkversierde
Italië der midden-eeuwen daar. Daaronder waren machtige republieken,
zooals Venetië en Genua, die somwijlen tegen eene heilige alliantie
van Europeesche Vorsten stand hielden, en gedurende bijna duizend
jaren zelfstandig in de wereldgebeurtenissen en lotgevallen der
volken ingegrepen hebben.--Ging de ridder- en feudaalgeest in deze
Italiaansche steden te gronde, zoo ontwikkelden zich daarentegen
des te schooner de stedelijke bedrijven. Hunne republikeinsche
staatsregeling bevorderde de talenten; veelzijdige ontwikkeling en
plaatselijk patriotisme vermeerderde de bevolking en rijkdommen,
en deed kunsten en wetenschappen bloeien.--Wanneer wij de heerlijke
schilderingen der Italiaansche toestanden, tijdens den grootsten
bloei van deze hunne stedelijke republieken, dus in de 14de en 15de
eeuw, lezen, en daarbij een blik slaan op de toenmalige toestanden
in andere landen, dan kunnen wij moeielijk gelooven, dat beiden
gelijktijdig waren. "Daar, voornamelijk in Frankrijk en Engeland,
een treurig schouwspel van armoede, barbaarschheid en onwetendheid,
overal gewelddadigheden van onbeschaafde Heeren en door ellende
verbitterde boeren. Met welgevallen wenden wij ons oog van hen af
en slaan het op de rijke, verlichte staten van Italië,--naar de
Apennijnen, die tot aan hunne hoogste kruinen met rijke bouwlanden
bedekt zijn,--naar hare groote, prachtige steden, met hare levendige
havens, hare arsenalen, villa's, museums, bibliotheken, hare markten,
opgepropt met allerlei voorwerpen van genot en smaak, en naar hare
werkplaatsen, wemelende van kunstvaardige arbeiders."
Handel en scheepvaart waren de bronnen van den wasdom dezer
Italiaansche steden. Zij waren de drijfveeren harer daden en het doel
van al haar streven.
Zij legden zich met zooveel talent op den handel toe, dat zij
daarin de onderwijzers voor ons allen geworden zijn. De meeste
kunsttermen die op den handel betrekking hebben, zijn even als het
boekhouden van den Europeeschen koopman, het bank- en wisselwezen, van
Italiaanschen oorsprong.--De Italianen gaven aan de wereld de eerste
proeve van een zeewetboek. Op hunne zoogenaamde "consolato's" berust
de, nu natuurlijk veel beter ontwikkelde, rechtspraak der zeevarende
volken. Er is een tijd geweest, van de 12de tot de 15de eeuw, toen de
wetten van Amalfi, Pisa, Genua en Venetië op alle Zeeën geëerbiedigd
werden. Geen kruistocht kon zonder behulp dezer Italiaansche steden tot
stand komen. Bij de verovering van het Heilige land en later bij die
van Constantinopel, speelden zij eene groote rol en trokken ook van
deze veroveringen het meeste nut.--Hunne koloniën en kustbezittingen
breidden zich over alle havens en voorgebergten der Middellandsche-
en Zwarte Zeeën uit. Genueezen en Venetianen hadden overal, ook in
Spanje, in Barcelona, Sevilla en Lissabon, hunne bloeiende factorijen
en zelfs in Egypte en Syrië hunne kantoren.--In Zuidelijk Rusland,
zelfs in het binnenste van Klein-Azië, vindt men de torens, die zij
vroeger ter bescherming hunner magazijnen of hunner handelswegen
bouwden. Daaraan is het toe te schrijven, dat de Italiaansche taal
tot op den huidigen dag, zelfs onder de heerschappij der Turken,
de voornaamste handels- en zakentaal der geheele zoogenaamde Levant
is geworden. Ook is na dien tijd menige handelstak in het overige
Europa in de handen der Italianen gebleven, zoo b.v. de handel in
Oostersche en Zuidelijke kruiderijen. In Hongarije noemt men nog
heden de handelaars in specerijen in den regel "Walsche," dat is,
Italianen of vreemden, in Duitschland ronduit "Italianen".
Hunne Marco Polo's reisden in de 13de eeuw, handeldrijvende en
zaken doende door geheel Azië, tot aan het hof van den Keizer der
Mongolen, tot aan China en Japan. Hunne zeevaarders, sterrekundigen
en cosmographen waren de kundigste in geheel Europa, en zonder hunne
hulp zou men het omzeilen der wereld niet op touw gezet hebben. Een
Del Cano, een Columbus, een Vespucci, de meeste pioniers der groote
ontdekkingen op den Oceaan, waren Italianen of waren in de Italiaansche
school gevormd.
Even als handelsgeest en handelsdeugden, moesten de Italianen in
hunne steden met zoo verschillende besturen, met hartstochtelijk tegen
elkander over staande partijen, tusschen welke politieke gebeurtenissen
bestendig verhandeld en bepleit werden, ook diplomatische eigenschappen
en politieke talenten verkrijgen. Ook in dit opzicht doorliepen zij
eene hen zoo veelzijdig ontwikkelende school, dat Italië daardoor
voor langen tijd het land der politici werd. Zelfs in hunne slechtste
tijden en toen zij het meest in verval waren, hebben zij aan de
meeste groote staten van het overige Europa heerschers gegeven, in de
gedaante van ministers, staatslieden en afgezanten. Vooral in de 17de
en 18de eeuw hadden Italiaansche staatslieden aan bijna alle hoven
de teugels in handen. In Spanje de Orsini's en na hen de beroemde
kardinaal Alberoni. In Frankrijk de verstandige, uiterst slimme,
ja! men mag wel zeggen, de groote kardinaal Mazarin, wien Richelieu
zijnen Koning als den eenigen aanbeval, die in staat was de leiding
der zaken te kunnen voortzetten. In Oostenrijk de Prins Eugenius,
de grootste staatsman en veldheer van zijn tijd, en Montecuculi,
de eenige, die den Franschen Turenne het hoofd kon bieden. Er was
een tijd, toen men zulke invloedrijke Italianen in alle kabinetten,
zelfs der kleinste staten, vond. En was het in den nieuwsten tijd
ook niet weder een Italiaan, om zoo te zeggen een Romeinsche Cesar,
die 20 jaren lang Europa beheerschte.
Waren de Italianen inderdaad, zooals ik zeide, van oude tijden her
echte stadsmenschen, zoo moesten zij even als den handel, ook voor
alle dingen de voornaamste stedelijke, de echt burgerlijke kunst, de
bouwkunst, beoefenen. En inderdaad, deze kunst heeft onder hen ook het
langst, ja altijd gebloeid, heeft geene afwisselende tijden van bloei
en van verval gekend, als andere kunsten, zooals b.v. de schilderkunst
of muziek.--De Italianen zijn in verschillende tijden de architecten
van Europa geweest. Het was de eenige kunst, waarin de oude Romeinen
van den beginne af uitmuntten, waarin zij anderen niet navolgden. Vele
takken der bouwkunst, b.v. de weg-, de brug- en de vestingbouw, waren
dezen wereldveroveraars bijzonder noodzakelijk. Zij overstroomden de
geheele beschaafde wereld met hunne voor de eeuwigheid gebouwde werken,
wier bouwvallen nu nog luide getuigen van hunnen verheven smaak en
hunne bekwaamheid in dezen tak der kunst. "Een Romeinsch bouwstuk"
is eene spreekwoordelijke beteekenis van een solied bouwwerk.--Zelfs
uit den lateren Keizertijd, toen poëzie en literatuur reeds de
ijzeren eeuw beleefden, hebben wij nog zulke grootsche Romeinsche
bouwstukken. Ja! zelfs te midden der volksverhuizing, toen de lier
volkomen verstomde, zijn, onder Gothische en Lombardische Koningen,
in Italië bewonderenswaardige werken gebouwd.
En de architectuur is ook weder de eerste kunst geweest, die
zich na de tijden der barbaarschheid, reeds in de 10de eeuw,
in de steden van Italië weder ontwikkelde, toen de andere Muzen
nog langen tijd sluimerden. Wij mogen haar dientengevolge dus bij
voorkeur als eene echte, als eene aangeborene dochter van Italië
beschouwen.--Even als de steden- en wegenbouwende oude Romeinen,
zoo hadden ook de, als christelijke zendelingen en afgezanten van
den Paus, de wereld ingaande en altaren wijdende nieuwere Romeinen,
in de allereerste plaats weder de bouwkunstenaars noodig. De zich
in Rome opbouwende kerk moest bij voorkeur door schoone godshuizen
indruk maken. Zij werd de voedstermoeder der bouwkunst. Er ontstond
een prachtige en ver verbreide Italiaansche kerkbouwstijl.--Deze
doorliep in den loop der eeuwen verscheidene phasen. Over het geheel
echter sloot hij zich in zijne zuilen, zijne ronde bogen en zijne
koepels, aan verscheidene reeds lang in Italië inheemsch zijnde
bouwstijlen aan. Hij contrasteerde in alle opzichten sterk met den
door de Germaansche volken later beoefenden, hoekigen-, spitsen- en
torenrijken bouwstijl, die de hoekige, ruwe en hoogdravende Noordsche
barbaren uit het lichaam schijnt gesneden te zijn, maar die onder de,
het liefelijke meer huldigende, om zoo te zeggen meer ronde Italianen
altijd, ofschoon zij ze somwijlen navolgden, iets vreemds gebleven
is. Brunneleschi, de bouwmeester van het paleis Pitti in Florence,
Bramanter, de man die de St. Pieterskerk in Rome haren vorm gaf,
Palladio, de architect van ontelbare dommen en vorstelijke residenties,
zijn eenige der vele Italiaansche bouwmeesters, die door de geheele
wereld in hun vak beroemd zijn geworden. Ja! men trof in Italië geheele
familiën en geslachten van bouwmeesters aan, waarin deze kunst, en de
daarvoor noodige talenten van vader op zoon overerfden. En ook nu nog
treft men daar geheele distrikten of dalen aan, waaruit alle inwoners
als bekwame huis- en wegbouwers de wereld intrekken, om de steden-
en straatwegen in Duitschland of Frankrijk te helpen maken.
Even als in Indië, Egypte en Griekenland, zoo heeft de godsdienst,
de geestdrift voor het goddelijke en voor zijne zinnebeeldige
voorstelling, overal onder de menschen ook aan de andere kunsten
geest en leven gegeven.--Sloegen de christelijke kerk en godsdienst,
de ouders der kunsten, hunnen hoofdzetel in Italië op, zoo moest
Italië, het land van kerken- en stedenbouw, ook het hoofdland voor
alle andere kunsten worden.--De uit den schoot der kerk en der steden
ontstane bouwkunst, die de hulp dier andere kunsten zoo zeer noodig
had, daar zij slechts de ruwe omtrekken en het omhulsel levert, die
de beeldhouwer met beeldhouwwerk moet opsieren en zoo moet voltooien,
die de schilder met kleuren-poëzie moet versieren, die aan gezang
en muziek in hare zalen en gewelven den schoonsten weergalm geeft,
moest daarom ook spoedig de keur dezer kunsten tot zich trekken.
Het eerst kwamen de echt christelijke, de echt godsdienstige kunsten,
de muziek en de schilderkunst, in beoefening, en riepen heerlijke
scheppingen in het leven. Beiden hebben zich bij de Italianen
zoo inheemsch gemaakt, als bij geen ander ons bekend volk ter
wereld, zelfs niet bij de Grieken van Pericles en van Alexander
den Groote, ofschoon deze in de beeldhouwkunst aan de Italianen
den palm betwisten.--Want het is opmerkelijk, hoe in Italië het
plastische, en men kan er bijvoegen, in de poëzie het epische,
steeds ondergeschikt was aan het pittoreske. Reeds de Romeinen--ten
minste hunne dichters, b.v. Virgilius--waren het grootst in het
beschrijvende, schilderachtige genre. In nieuweren tijd hadden
Venetië, Milaan, Florence, Rome, ja bijna alle steden van Italië,
hare eigene schilderscholen, ieder met haar afzonderlijk karakter
en met hare eigene onvergelijkelijke meesters aan het hoofd. In
den kunstenaar bij uitnemendheid echter, dien men "den goddelijke"
genoemd heeft, in Rafaël Sanzio, bracht Italië het onovertreffelijkste
te voorschijn, wat de geheele menschheid ooit ten deel gevallen is,
"een genie, in wiens werken zich de geestelijke adel der menschelijke
natuur het duidelijkst openbaart, dien ooit een man bezeten heeft,
en die zich in al zijne voortbrengselen op de hoogte der plechtigste
en meest kuische schoonheid gehouden heeft."--Ten tijde van Rafaël,
den vlekkelooze, den volkomene, in de periode van het zoogenaamde
_Cinque cento_, van de 15de en 16de eeuw, bereikte de kunst in Italië
haar zenith. Toen hadden de macht en de rijkdom van alle Italiaansche
steden hun toppunt bereikt. Toen schiepen, even als hare kunstenaars,
zoo ook hare dichters, hunne voor eeuwig bewonderde werken. Dit was
zulk een roemrijke tijd, als behalve de Italianen nog slechts één volk,
het Helleensche--ten tijde van Pericles--doorleefd heeft.
Er bestaan, merkwaardig genoeg, in de wereldgeschiedenis geene perioden
van volkenbloei, die in alle opzichten zooveel overeenkomst met
elkander hebben, als bij de Grieken de vijfde eeuw voor de geboorte
van Christus, en bij de Italianen het _Cinque cento_ na Christus
geboorte. Deze beide perioden, die eene tusschenruimte van 2000
jaren hebben, schijnen naar elkander gecopieerd te zijn. In beiden
treft men een overvloed van schitterende steden en Vorstendommen,
in beiden bloeien kunsten en poëzie op eene onvergelijkelijke
wijze. In beide perioden ontmoet men karakters en mannen, die
somwijlen als broeders op elkander gelijken. In beide perioden "eene
verovering der geestenwereld, eene weergalooze bestorming van den
Olympus."--Het schijnt bijna, alsof zich toenmaals de Italiaansche
geest zelfs inniger gekeerd heeft naar dien der Grieken, die hem van
vóór-Romeinsche tijden verwant was, als tot dien der de werkelijke
wereld veroverende Romeinen, Italië's eigene, maar in zekeren zin eene
andere geaardheid hebbende kinderen. Inderdaad, de moderne Italianen
hebben in velerlei opzicht meer overeenkomst met de Hellenen, dan
met die pedante, niet beminnelijke, oorlogzuchtige, stijfkoppige,
onbuigzame Romeinsche landgenooten.
Sedert twee eeuwen zijn nu wel de beeldende kunsten en kunstscholen
bij de Italianen aan het afnemen; "maar desniettegenstaande is een
zeer algemeene en fijne kunstzin, het geheele volk als een blijvend
erfdeel van dien tijd overgebleven. Bijna ieder Italiaan, zelfs de
minst beschaafde, heeft eene levendige voorliefde voor het voltooide
en voor het schilderachtige, en zelfs onbeduidende zaken weet hij
een smaakvol uiterlijk te geven."
In verscheidene geringere takken der beeldende kunsten, b.v. in de
mozaïkschildering, in het werken in gips, in het vervaardigen Van
smaakvolle vazen, urnen en kannen van albast, zijn de Italianen nog
steeds niet geëvenaard, en de ateliers voor het vervaardigen van
figuren uit gips zijn bijna overal bij ons in hunne handen.--"Alleen
door het aanhoudend zien der oude, in hunne steden zoo talrijk
voorhandene meesterwerken, door de aanhoudende oefening van oog en
oordeel, met één woord door het opgroeien in de armen der kunst,
laat zich, even als vroeger in Griekenland, ook nu in Italië, het
kunst-instinct verklaren, dat bij hen alle standen der maatschappij
bezielt, die zelfs den minsten man zijn gescheurden mantel in
schilderachtige plooien doet dragen, of hem, bij het spel of in het
gesprek met zijne kameraden, gracieuse groepen doet vormen, en die ook
maakt, dat op hunne straten, in hunne dorpen, in hunne huizen, waar
netheid en orde anders niet opvallend zijn, alles een schilderachtig
aanzien heeft."
Veel daarvan is zelfs in hunne lichamelijke hebbelijkheden en in
hun persoonlijk optreden overgegaan, en kenmerkt zich in hunne
lichamelijke gestalte en physionomie. In plaats van de onbeschaafde
gelaatstrekken, de hoekige gezichten, het ruwe karakter en de slecht
gebouwde, maar dikwijls harde en gespierde lichamen, die aan deze
zijde der Alpen meer voorkomen, vinden wij reeds dadelijk aan gene
zijde van het gebergte, reeds bij de Noordelijke Italianen, een
eleganter en lichter vorm, eene slankere gestalte, meer verhevene
en schoon gevormde trekken, met eene meer verstandige en levendige
uitdrukking in het gelaat. Waarschijnlijk echter zijn dit allen zaken,
die men, ten deele althans, meer oorspronkelijken aanleg en oorzaak
dan uitwerking noemen moet, en die zeker bovendien ook nog meer of
minder als een oud erfdeel van _alle_ inboorlingen van Zuid-Europa,
deze, in tegenstelling met de meer Noordelijke bewoners van ons
werelddeel, karakteriseert.
Hoe zouden wij echter over den, den Italianen aangeboren en eigen
smaak en kunstzin kunnen spreken, zonder in de allereerste plaats van
de muziek te gewagen? Zij schijnt op den Italiaanschen bodem reeds
even oud te zijn als de bouwkunst. Ten minste reeds in voor-Romeinsche
tijden werden, zooals reeds gezegd is, de Etruskers als uitstekende
musici geprezen.--Door de heerschappij der niet-muzikale Romeinen,
die in dit opzicht als een ver van den stam gevallen appel, als een
onkundige zoon in eene talentvolle familie, beschouwd kunnen worden,
werd ook de verdere ontwikkeling van deze kunst tegengehouden.--"Met
de christelijke kerk echter, met de den eenigen God toe- en den
engelen nagezongene lofliederen en psalmen, trok ook de muziek
Italië weder binnen," zij heeft daar verscheidende, zeer scherp
afgeteekende, tijdperken van bloei beleefd, en tot op onzen tijd--en
daarin verschilt zij van andere kunsten--voortdurend de heerlijkste
vruchten opgeleverd. Nadat zij langen tijd bijna uitsluitend de kerk
gediend had, deed zij sedert de 17de eeuw ook pogingen om het tooneel
te betreden, en eindelijk ontsproot een eigenaardige tak der muziek,
een product van Italië, de "opera," die de Italianen geschapen en
ontwikkeld hebben, en die nu met behulp hunner zangers en componisten
zoo zeer in den smaak en den geest van alle Europeanen valt, dat men
bijna zeggen kan, dat het onzen tegenwoordigen kunstsmaak kenmerkt."
De Italiaansche opera-dichters Rossini, Donizetti, Spontini en vele
andere zijn nog onze tijdgenooten geweest; en men kan wel zeggen,
dat de Italianen den hoogsten rang in dezen tak der kunst nog niet
afgestaan hebben. Zij hebben in dit vak geene andere mededingers dan
de Duitschers, welke laatste hen echter in de instrumentale muziek
overtreffen.
De karakters der musici van deze beide voornaamste muziek-natiën van
Europa, staan ongeveer op dezelfde wijze tegen elkander over, als de
Gothische en Italiaansche bouwkunst. In de Duitsche muziek is, even als
in het geheele wezen van dit volk, alles diepzinnig en hoogvliegend,
"in de Italiaansche daarentegen vindt men als grond-element de zuivere
welluidendheid; in haar is de harmonie ondergeschikt aan de zuivere,
zinnelijk-schoone melodieën. Men zou de Italiaansche muziek, even als
het Italiaansche volk zelf, bij voorkeur pittoresk kunnen noemen. Hunne
trillers, roulades en toonrollers schijnen aan de rondbogen, koepels
en colonnaden der Italiaansche gebouwen te herinneren."
Voor weinige volken is muziek en vooral zang eene zoo werkelijke
behoefte geworden als voor de Italianen, wien de natuur daarvoor de
gelukkigste organisatie gegeven heeft, de schoonste stem, het fijnste
gehoor en eene bijzonder melodieuse taal. Het gezang vergezelt in
Italië niet alleen alle levensverrichtingen, maar het duidt ook
alle gemoeds-aandoeningen aan en accentueert ze, zoowel vroolijke en
aangename als treurige en hartstochtelijke. "Vooral bij het vrouwelijke
geslacht der lagere klassen" zegt een reiziger, "vindt men in Italië
slechts weinige individuen, die niet in een wild gezang losbreken,
als haar toorn den hoogsten graad bereikt heeft."--Is deze opmerking
waar, dan laat zich daaruit verklaren, hoe een dergelijk volk opera's
vervaardigen kon, en hoe naar het leven geteekend en natuurlijk, alle
de in dit drama-soort in gezang uitgedrukte hartstochten zijn, waarin
den nuchteren Noordlander zooveel gedwongen en gemaakt toeschijnt.
Is de kunsttaal van den handel in Europa, minstens gedeeltelijk
Italiaansch, die der muziek is het, door de geheele wereld heen,
geheel. De andere volken hebben de Italiaansche muziektaal zoo geheel
aangenomen, dat zij zich niet eens de moeite geven, in hunne talen
goede woorden te kiezen, die het onderscheid uitdrukken tusschen
eene "andante" en een "adagio," "een allegro" en een "allegretto,"
en honderd andere muzikale kunstuitdrukkingen meer, en dat onze
muziekminnende jeugd met die Italiaansche woorden, tegelijkertijd
eene voorliefde voor de Italiaansche taal ingeboezemd wordt.
Deze liefelijke, welluidende taal zelve, is het schoonste monument, dat
de den Italianen aangeboren schoonheidszin zich opgericht heeft. Bijna
elk hunner honderdduizend woorden, bevat in zijne constructie bewijzen,
voor de fijnheid van hun gehoor, voor de rondheid van hunnen mond,
de gladheid hunner tong en het melodieuse hunner stem.--Het is echter
merkwaardig, dat al deze Italiaansche taal-muziek zich eerst in den
loop der eeuwen meer en meer ontwikkeld heeft. Want in de vroegste
tijden schijnen bij de oude Italianen niets minder dan muzikale en
zachte talen in gebruik geweest te zijn; de overblijfselen die van
de oude Oscische en Umbrische talen in Zuid- en Midden-Italië tot ons
gekomen zijn, schijnen veeleer, voor zoover wij uit opschriften over
den klank kunnen oordeelen, naar zeer harde tongvallen te wijzen.--Van
de oude Etrurische taal zeiden de Romeinen zelven, dat die zoo hard en
ruw was, dat zij haar nauwelijks konden uitspreken. Zeer goed klinkende
Romeinsche namen kregen in den mond dezer kunstlievende Etruriërs, een
zeer onaangenamen en doffen toon, zoo werd Tarquinius b.v. "Tarchnas,"
Alexandros "Elschentre," Minerva "Menrva," Polydeuktus "Pultuke"
enz. En dit geschiedde in die streken (de Florentijnsche) waarin
later de zoozeer geprezene "_lingua Toscana_" bloeide.--Ook het oude
Celtische in Noord-Italië was, naar de tegenwoordige overblijfselen
der Celtische taal te oordeelen, niets minder dan eene ronde,
welluidende taal.
Het later de overhand krijgende Romeinsche of Latijnsche, schijnt in
dezen zin boven alle andere spraakvormen de voorkeur gehad te hebben,
want al mag het dan ook al niet eene bijzonder zachte taal genoemd
worden, en moet men het veeleer als een bepaald mannelijk, krachtig,
volklinkend taaleigen van een de wereld beheerschend volk beschouwen,
zoo is het toch ook merkbaar verschillend van die onaangename en het
oor zeer doende opeenstapeling van consonanten, die den Zuidlander zoo
zeer in de Germaansche en Slawische talen verschrikt.--Zij schijnt
het midden te houden tusschen de nieuwe zachte Italiaansche en de
oude harde Italische talen, en is wellicht de oorspronkelijke bron en
moeder van het welluidende in de hedendaagsche Romaansche dialecten,
alleen dat deze in den loop der eeuwen de majestueuse mannelijkheid
van die taal van wereldgebieders, lieten varen, en eindelijk het
welluidende als de hoofdzaak bewaarden en verder ontwikkelden.
De kort met scherpe consonanten eindigende woorden van het Latijn,
doet de Italiaansche mond door bijgevoegde vokalen zacht eindigen,
b.v. in "_madre_" in plaats van _mater_, "_imperatore_" in plaats
van _imperator_. De scherpe _t_ verzachten zij in de zachtere _d_,
b.v. "_lido_" in plaats van _litus_, "_podesta_" in plaats van
_potestas_. De _l_ in consonant-samenstellingen, versmelt bij hen
in eene _i_ b.v. _fiamma_ in stede van _flamma_, "_piangere_"
in stede van _plangere_. Evenzoo worden de gehemelte-letters
meermalen door gladde sisklanken vervangen, b.v. _vox_ tot "_voce_",
_occidere_ tot "_uccidere_". De vermoeiende geadspireerde _h_ aan
het begin der woorden, klinkt bij hen zeer gemakkelijk als _u,_
b.v. "_uomo_" in plaats van _homo_. Zulk een verzachtende _u_ wordt
ook dikwijls in het midden der woorden voor de volle en scherpe
_o_ geplaatst b.v. "_suono_" in plaats van _sonum_. De zachte _v_
vervangt dikwijls de plaats der harde _p_ of _b,_ b.v. "_tavola_"
in plaats van _tabula_, "_avere_" in plaats van _habere_. Dit zijn
slechts weinige der tallooze voorbeelden, die iedere pagina van een
Italiaansch woordenboek aanbiedt, waaraan ik echter hier herinneren
wilde, om te doen gevoelen, dat het Italiaansch bijna overal eene
verfraaiing, opsiering en versmelting van het Latijn is, en in zekeren
zin het vrouwelijke van dezen mannelijken tongval vormt.
Het mag vreemd schijnen, dat deze afronding, verstomping en verzachting
van het Latijn, juist na den inval der Germaansche barbaren in Italië,
onder terugwerking dezer ruw sprekende menschen, en gedurende de
vermenging met hen plaats had. Het is als hebben de Italianen,
tengevolge van deze bij hen binnendringende ruwe toonen uit het
Noorden, zich uit een soort oppositie des te meer op het welluidende
toegelegd. Veel echter daarvan zal uit den daardoor ontstanen strijd
tusschen beide talen ontstaan zijn. Verzachting en afronding moesten
het natuurlijke gevolg van een dergelijken strijd zijn. Even als de
rolsteenen allen afgerond zijn, hoe hoekig en verschillend zij ook
oorspronkelijk naar de natuur der bergsoorten mogen geweest zijn,
zoo werden ook in dien strijd der talen, de scherpe kanten van de
woorden afgeslepen.--Daar de Italianen onder de heerschappij der
Gothen en Lombarden, hun krijgsgeest verloren en een zwak geslacht
werden, zoo schijnt het dien ten gevolge natuurlijk, dat zij ook de
majestueuse, krachtige, rijke taal der wereldgebieders in hunnen
mond wijzigden. Ook de kerk zal waarschijnlijk bij hen, even als
op de kunst, de muziek en het gezang plaats vond, ook op de vorming
eener welluidende, aan vokalen rijke taal, sterk ingewerkt hebben. De
zetel der kerk en van den Paus is nu nog, als de zetel der klassieke
Italiaansche uitspraken der "_Bocca Romana_," beroemd.
Men heeft de liefelijke, melodieuse taal der Italianen de vlucht van
den leeuwerik toegekend, men heeft haar den zwaai van den adelaar
ontzegd. Dat dit oordeel eene waarheid bevat, dat daarmede gewezen
wordt op den oorspronkelijken aanleg van den Italiaanschen geest,
bewijst ook weder het karakter van de literarische producten, die in
deze taal geleverd werden, het karakter der Italiaansche poëzie.--Is
de poëzie, in even hooge mate als de taal zelve, de uitdrukking
van den innerlijken geest eener natie, het oog van haar gelaat,
de spiegel van haar leven, is hare geschiedenis de geschiedenis van
den volksgeest met zijne geheele ontwikkeling, zijn vreugde, lijden,
hoop en herinneringen, dan is het iets zeer karakteristieks bij de
zanglustige kunstlievende Italianen, dat bijna hunne geheele poëzie
in meerdere of mindere mate binnen den kring van het lyrische gebleven
is.--In dit genre hebben de Italianen, even als de Spanjaarden in het
drama, de meeste dichters, de grootste en minst geëvenaarde meesters
aan te wijzen, waaronder Petrarca eene eerste plaats inneemt. Zij
hebben een dichter Dante, die de hooge vlucht eens adelaars genomen
heeft. Deze echter heeft geen opvolger gehad, zijne navolgers zijn
allen verongelukt.--Petrarca daarentegen heeft bij de Italianen
een talloos heer gelukkige scholieren gevonden. In het lyrische en
erotische bereikte hunne literatuur en taal de hoogste trap. Onnoembaar
vele waren dien ten gevolge onder hen de pogingen ter verfijning
hunner taal, ter vermeerdering der liefelijke uitdrukkingen en tot
eene harmonische samenvoeging der woorden. Als een kunstenaars-volk
hebben zij daarbij hoofdzakelijk op den vorm gelet, en de taal heeft
met de stof kunstig gewerkt, even als hunne Benvenuto Cellini's met
de edele metalen, juweelen en paarlen. Al hunne gedichten en liederen
schijnen er minder op berekend, het hart en den geest van den lezer
te treffen, dan wel het oor der toehoorders te verrukken, of tot de
gezellige vroolijkheid mede te werken; vandaar de lichte inhoud en
karakter der Italiaansche poëzie en ook hare menigvuldige kunstige
en dikwijls uiterst ingewikkelde vormen, waarop zich toe te leggen,
zelfs hunne grootste dichters niet beneden zich achtten.--Bijna
alle vormen der lyrische dichtsoorten, en de namen die wij nu nog
voor deze gebruiken: "sonnette", "ballade", "canzone", "pasquil"
enz. enz. zijn evenzeer uitvindingen der Italianen, als de vormen en
namen onzer menigvuldige muzikale kunst-producten.
Het treurspel ging den meer vroolijken dan tragischen Italiaanen,
die daarin een scherp contrast met de ernstige Spanjaarden en
Engelschen vormen, slecht af; daarentegen hebben zij in het blijspel
vele uitstekende producten geleverd, en als een levendig, in zijne
geheele manier van doen theatraal volk, zich vooral ook op de pantomime
met groote voorliefde toegelegd, ja hebben zij, het eerst van alle
Europeesche volken, haar tot een bijzonderen kunsttak gemaakt.
Overal zijn bij hen de zachtere en lichtere, en ook lichtzinniger
dichtsoorten, de echt nationale geweest en gebleven. Vooral ook
in de satire munten zij uit, en hierin vooral staan zij in scherpe
tegenstelling met de eerlijke en hierin arme Duitschers.--"De neiging
om te schertsen, om jeux d'esprit te spelen, ook sarkastisch te
zijn en te bespotten, ligt reeds oorspronkelijk diep in de natuur
van het vroolijke volk, en deze neiging vond rijkelijk voedsel in de
verdeeldheid der Italiaansche staten, en in de onophoudelijke oorlogen
om de suprematie, die een algemeenen trek van nijd en ijverzucht
zeer in de hand werkten.--Er is bijna geen Italiaansch dichter,
die dit genre niet beproefd heeft. Reeds den ouden Romeinen was deze
neiging eigen en zij brachten den grootsten satyricus der wereld voort,
Juvenalis, die een oorspronkelijk Italiaansch dichter, en niet, zooals
Virgilius en Ovidius, een naäper der Grieken was. Geheel Europa heeft
dan ook de uitdrukkingen "satire", "caricatuur", "travestie" en de
daarmede verwante woorden en denkbeelden: "charlatan", "harlekijn",
"bajazzo" en dergelijke van de Italianen ontvangen.
De langzame vorming dezer satirieke, geestige, scherpe, fraaie,
muzikale, nieuw-Italiaansche taal en poëzie, is een zeer langdurig
proces geweest, en dat zij eindelijk een gemeen goed van alle
Italianen, een hen allen vereenigende vaste nationale band werd, is
een betrekkelijk, pas tamelijk nieuw resultaat.--Het hoogste punt van
hare liefelijkheid, van haren glans en hare algemeene literarische,
kerkelijke, diplomatieke waarde en hare verbreiding over geheel Italië,
verkreeg zij in de 16de eeuw, en sedert dien tijd heeft zij zich op
hare hoogte weten te handhaven, en dus heeft zij reeds omstreeks
300 jaren achtereen tot de daarstelling van een _Italia Unita_
medegewerkt.--Dit neemt echter niet weg, dat zij zelfs op de hoogte,
waarop zij nu staat, nog op verre na niet zulk een krachtig element
is, als de algemeene, langzamerhand opgekomen spreek- en schrijftalen
in Duitschland, Frankrijk of Engeland. Want in geen land van Europa
verschillen de provinciale dialekten zoozeer als in Italië, en in geen
land hebben zij zich zoo zeer bij alle standen ingedrongen. Dit gaat
zoo ver, dat men niet zelden bemerkt, dat zelfs voor den ontwikkelden
Venetiaan, Lombard of Napolitaan, het Italiaansch iets ongemakkelijks
is, en hoe deze Italianen zich verheugen, als zij na een "Italiaansch"
discours, zich weder kunnen ontspannen, door hun met de moedermelk
ingezogen stads- of dal-dialect te gebruiken.
Deze stads- of dal-dialecten zijn in Italië, alle met schier
denzelfden ijver als eigenlijke talen aangekweekt geworden. Ieder
van hen bezit zijne eigene, rijke literatuur, niet alleen poëtische
en prozaïsche belletrie, maar ook menig ernstig werk, philologische
geschriften, woordenboeken, grammatica's. Vooral zijn deze plaatselijke
literaturen rijk aan satires, spotgedichten en volks-comedie's, waarin
de naburige steden en gebieden belachelijk gemaakt worden.--Dit scherp
afgeteekende particularismus in taal, zeden en gewoonten is in Italië
overoud, en is een gevolg van het lang uitgestrekt, weinig compact en
afgerond land, dat door de Apennijnen en hare armen in vele dalen en
natuurlijke districten verdeeld is. Van dal tot dal, van rivierbekken
tot rivierbekken, treft men in levenswijze, physionomie, afkomst,
karakter en neiging veel grootere contrasten aan, dan men gewoonlijk
denkt. Vele dezer taal- en karakter-verscheidenheden berusten misschien
nog op die oude, reeds voor de Romeinen in Italië wonende, volksstammen
en rassen, op het verschil tusschen de "Umbriërs", "Liguriërs",
"Samnieten", "Celten", en hoe zij ook heeten mogen, want ofschoon ik
boven zeide, dat de Romeinen, door eene romaniseering van het geheele
schiereiland, den eersten grond tot een _Italia Unita_ legden, zoo mag
toch niet beweerd worden, dat het hun gelukt is, _alle_ overoude en
met de natuur der provinciën overeenstemmende eigenaardigheden te doen
verdwijnen. De Italiaan Lucchesini beweert zelfs, dat de verschillende
Italiaansche dialecten geene kinderen van eene en dezelfde Romeinsche
moeder zijn, maar oude, uit den tijd der Romeinen afstammende en door
dezen slechts eenigzins gewijzigde, volkstalen zelve zijn.
Dit overwicht der volks-dialecten, was in Italië altijd de ernstigste
hinderpaal, voor de verbreiding van een gemeenschappelijk
nationaal-type der taal. En even lang hebben het daarmede
samenhangende, scherp afgeteekende plaatselijke patriotisme, de
hartstochtelijke aanmatiging der eene stad of provincie tegenover
de andere, het opkomen van eene algemeene volks-opvoeding en eenen
eenigen nationalen geest bemoeilijkt.
Sedert de laatste halve eeuw heeft langzamerhand een groot verlangen
om een eenig, op zich zelven staand volk te zijn, een eigen vrij,
machtig vaderland te bezitten, zich van alle patriotische en
denkende Italianen meer en meer meester gemaakt. Weinigen wilden
aan den duur dezer beweging gelooven. Spot en klachten over het
zedelijk verval der Italianen, over hunne verdeeldheid, hun gebrek
aan krijgshaftigen geest, aan krachtige mannen en aanvoerders, waren
dikwijls algemeen. Reeds sedert den inval der oude Galliërs in het oude
Rome, heeft men ontelbare malen den ondergang van Italië voorspeld en
beklaagd, maar even dikwijls hebben de Italianen de wereld met eene
onverwachte wedergeboorte verrast. Zij hebben niet, zooals zoo menig
ander beroemd volk, slechts één bepaald toppunt van bloei bereikt,
maar, om zoo te zeggen, eene geheele reeks perioden waarin zij zich
verhieven, gehad. "De polsslag van het geestelijk leven in Italië
heeft, sedert het eerste begin der Europeesche geschiedenis, _nooit_
geheel stilgestaan. Wanneer er ook al af en toe zijne zon met wolken
bedekt was, zoo is zij toch nooit zooals b.v. die der Hellenen, voor
lange eeuwen van den horizon verdwenen. Zelfs in de dikwijls lange
perioden van diepe staatkundige ellende hebben de Italianen zich nog
altijd in de eene of andere richting groot getoond en roem verworven,
en men mag dit wel als het grootste bewijs hunner verwonderlijke,
innerlijke levensvatbaarheid beschouwen, terwijl het ons sterkt in
het geloof, dat ook die zelfverheffing en vereeniging van dit volk,
waarvan wij getuigen geweest zijn en waaraan de Duitschers zoo krachtig
medegewerkt hebben, een langdurig bestaan en steeds toenemenden bloei
hebben zal.