De wilde Nomaden-horden uit Azië, die met het zwaard in de vuist
hunne invallen in Europa zoo dikwijls herhaalden, zijn ook allen (met
uitzondering alleen der voor de beschaving gewonnene Magyaren) door
het zwaard bij ons omgekomen. Nadat de Europeanen hunne macht gebroken
hadden, hebben zij later geen last meer van hen gehad. Geene troepen,
die van de horden van Attila of van Dschingis-Chan waren afgeraakt,
hebben zich in de bosschen en op de vlakten van ons werelddeel
verstrooid, en hebben daar getracht zich, als aanhoudende plagen der
volkeren, staande te houden. Zij hebben niet getracht, in de landen,
die zij niet als dappere ruiterstammen konden innemen, als sluipende
dievenbenden voor altijd te blijven. Zij verschenen bij ons als een
onweder en verdwenen als een nevel.
Maar dikwijls is het gemakkelijker, zich tegen leeuwen te verweren,
dan de verbreiding van kleine plaaggeesten tegen te gaan. Wat aan de
strijd- en rooflustige ruiter- en herdersvolken, volgens hunnen aard
niet gelukken mocht in Europa, waar zij niet alle bergen en steden in
weidelanden vervormen konden, dat heeft een stam, die alles behalve
heldhaftig was, die volstrekt niet talrijker noch door eendracht
machtiger was--de Zigeuners--tot stand gebracht.
Nauwelijks laat zich eenig spoor van verwantschap tusschen deze
vreemdsoortige schepsels en de Europeanen ontdekken, en toch
hebben zij zich om alle volkeren van ons werelddeel als eene
woekerplant--die tegen den eikenboom opklimt en zich om al zijne
takken henen vlecht--heengeslingerd. In hooge mate onvatbaar voor
ontwikkeling, hebben zij zich vrijwillig en met eene soort voorliefde
aan de beschaafdste wezens der Aarde aangesloten, en al onze steden, de
altaren en zetels der Muzen, omfladderd als nachtuilen het licht. Door
de zon verbrande, half naakte kinderen van het Zuiden, zijn zij zelfs
tot in de Noordelijkste uiteinden van ons werelddeel doorgedrongen, en
hebben, zelfs in de koude landen der Moskowieten en Finnen, nauwlijks
geleerd hunne naaktheid te bedekken. Door niemand uitgenoodigd,
zooals de Magyaren door keizer Arnulph, of zooals de Turken door de
Byzantynsche Keizers, zijn zij toch, als ongenoode gasten overal
binnengedrongen. Zonder dappere aanvoerders, zonder wapens, voor
ieder geweld terugwijkende, schuw als de vogelen van het woud, hebben
zij zich allerwege in de kleine wildernissen, die zij tusschen onze
akkervelden vonden en waarin zij hun verblijf zochten, gehandhaafd. En
toch is bij al deze zonderlingheden ten slotte deze niet de geringste,
dat de Zigeuners zich daar nog niet reeds lang bevonden, maar dat zij,
die menschen zonder wet, ons werelddeel eerst binnentrokken, juist toen
het zich uit den toestand van middeneeuwsche ruwheid tot de hoogte
der moderne staatsregeling begon op te werken. In de ongeordende en
politie-looze middeneeuwen, zou voor hen bij ons veel meer ruimte
geweest zijn. En aan zulke aanleidingen tot landverhuizing uit Azië,
als die was, welke hen omstreeks het einde der 14de en het begin
der 15de eeuw van daar verdreven zou hebben, heeft het ook _vóór_
dien tijd niet ontbroken.
Men zegt, en dit is wel de _waarschijnlijkste_ onder de vele hypothesen
over het begin der volksverhuizing der raadselachtige Zigeuners,
dat de vreeselijke invallen der Mongolen in Hindostan onder Timur en
zijne opvolgers, het land zoo zwaar getroffen hebben, dat vele leden
der meest onderdrukte en geplaagde onder de Indische volksklassen,
zich weeklagende opgemaakt hebben en westwaarts de wereld ingetrokken
zijn. De taal, die de Zigeuners naar Europa brachten, hunne huidkleur
en hun lichaamsbouw, hunne neigingen en hunne lievelings-bezigheden,
de hun zoo ingedrukte stempel van geringschatting der zedelijkheid, dit
alles leidt ons naar Hindostan, en wel voornamelijk naar de geringste
kasten van dit land, zooals ook hunne verschijning in Europa naar
die gebeurtenissen heenwijst, die toen de geheele menschheid in
rep en roer brachten. Vele der uitdrukkingen voor de eenvoudigste
zaken, de namen voor de ledematen van het menschelijke lichaam,
voor de tijdsverdeeling zijn in het Hindostansch (Sanskriet) en in
het Zigeunersch bijna geheel dezelfde. Met betrekking tot hunnen
lichaamsbouw schijnen zij, om zoo te zeggen, den Hindoe uit de ribben
te zijn genomen. Zij hebben de ronde gelaatstrekken, de gebogen neus,
het donkere oog, de kleur van haar en huid der Indische volken. Hun
beenderenbouw is, even als die der Hindoe's, sierlijk en fijn. In
den strijd met ontberingen zijn zij bijzonder taai, ofschoon zij
niet op groote lichaamskracht kunnen bogen. Dikke Zigeuners vindt
men niet. Hunne handen en voeten zijn klein en goed geëvenredigd.
Verscheidene zeer onbeteekenende afdeelingen der Indische kaste der
Sudras (de klasse der handwerkers), worden ons als het uitvaagsel der
maatschappij geschilderd, die door alle anderen als onrein veracht
worden. Zij voeren daar een zwervend leven in woeste streken,
buiten de steden en bewoonde plaatsen, die door de hoogere kasten
in bezit genomen zijn. Zij houden zich onledig met handwerken, die
niemand anders beoefenen wil. Voornamelijk zijn zij de dienders en
scherprechters van het land, dikwijls de rij- en stalknechten der
rijken. Verder zijn zij smeden, welk edel handwerk, vreemd genoeg,
in Indië tot de minst in tel zijnde behoort.
Daar zij altijd van de godsdienstige gebruiken en plechtigheden
hunner landslieden uitgesloten waren, zoo hebben zij bijna geenen
godsdienst. "Zij hebben eene in het oog vallende neiging, alles wat
andere menschen voor verheven houden, te bespotten. In de plaats van
den godsdienst is bij hen het allergrofste bijgeloof getreden, en
daar zij steeds onder een ongelukkig lot gebukt gingen, zoo hielden
zij zich van oudsher veel bezig met het lezen in de toekomst, en met
het voorspellen der zoo vurig verlangde verbetering van hun hard lot."
Zij treden in Indië overal als waarzeggers op en voornamelijk houden
zij zich onledig met de "chiromantie" (kunst om de toekomst uit de
lijnen der hand te voorspellen). Verder wordt van hen gezegd, dat zij
eene groote voorliefde voor muziek hebben, en daarvoor, even als voor
den dans, eene groote geschiktheid bezitten. De beroemde Indische
danseressen, de Bajadères (ten minste de geringste en rondreizende
klassen onder hen), komen meestal uit hun midden te voorschijn.
Ik behoef er nauwelijks op te wijzen, in hoe hooge mate dit alles,
wat van de laagste klasse der Indische Sudras gezegd is, ook op
onze Zigeuners van toepassing is.--Noch bij de Tataren, noch bij de
Kopten in Egypte, noch bij de Arabische Bedouïnen, noch bij de tien
verlorene stammen Israëls, noch bij eenig ander verwilderd of laag
gezonken volk der wereld, waarvan men de Zigeuners wel heeft willen
afleiden, ontdekken wij het portret van een stam of eene volksklasse,
dat in alle bijzonderheden zóó op de Zigeuners gelijkt.
De rondtrekkende klassen der genoemde Sudras hielden zich, naar het
schijnt, van overoude tijden af, binnen de grenzen van Hindostan
op. Ofschoon daar altijd onderdrukt en vervolgd, trokken zij, voor
zooverre ons bekend, _nooit_, of ten minste nooit in aanzienlijken
getale, _voor_ dien inval der Tataren het land uit. Noch den
overwinnenden aanval der Macedoniërs onder Alexander den Groote,
noch de talrijke latere invallen der Arabieren, Perzen en andere
naburige volken, schijnen hen in aanhoudende en zich ver uitstrekkende
beweging gesteld te hebben, ofschoon wel _eenige_ sporen, die wij
reeds vroegtijdig van hen in Perzië en in eenige andere landen van
het Oosten vinden, ook op, bij deze gelegenheden plaats gehad hebbende
volksverhuizingen wijzen.
Dat zij nu plotseling bij den inval der Mongolen, tegen het einde
der 14de en het begin der 15de eeuw, van gedachten veranderden,
op eens de vleugels uitbreidden en vervolgens, tegelijkertijd in
zoo groote hoeveelheid en ook zoo ver naar het verre Westen, de
vlucht namen, hebben eenigen als een bewijs der onvergelijkelijke
wreedheid, waarmede die aanval gepaard ging, bij welken de menschen
bij honderdduizenden geslacht werden, willen beschouwen. Daar de
inval der Mongolen hoofdzakelijk uit het Noorden en het Noord-Oosten
plaats had, zoo hadden de opgejaagde Sudras de beste gelegenheid om
weg te komen, in Westelijke richting over den Indus.--In het Westen
van Indië, in de delta van den Indus, waarin zij, waarschijnlijk
kort voor zij hun land verlieten, samengedrongen werden, vinden wij
ook nog den naam der provincie "Sind," naar welken de Zigeuners een
der bij hen gebruikelijke namen "Sinti", d.i. "menschen van Sind"
schijnen ontleend te hebben.
Daar aan den Indus, moet ook nog een oude Indische volksstam "de
Ziganen" bestaan, van welken verscheidene zich, bij hen die het
land verlieten, aansloten, Van hen zal de bij de Westersche volken
gebruikelijke benaming dier vluchtelingen afkomstig zijn. Bij de
Perzen, Turken, Walachyers, Hongaren, Italianen, Duitschers, heeten
zij Tschingenáhh, Chyganis, Cigaris, Zincalis, Czigánys, Zigeuners,
wat niet anders dan wijzigingen van dien voor Oud-Indisch gehouden
naam schijnen te zijn.
Langs oude, door de natuur aangegevene wegen, verstrooiden zich de
Zigeuners als het zand der woestijn, eenerzijds over de landengte
van Suez naar Egypte, en door het geheele Noordelijke Afrika tot
naar Marokko,' anderzijds door Klein-Azië over den Hellespont en
langs de Zwarte Zee tot aan den Donau, en van daar uit midden door
de woonplaatsen van alle Europeesche volken heen.
Als "wildvreemde menschen van donkere tint, met ravenzwarte haren,
golvende als paardenstaarten, met een onaangenaam morsig uiterlijk,
zooals men in Europa nog nooit gezien had, bekleed met lappen grove
wol, die met banden en strikken over de schouders vastgebonden
waren, gezeten op magere paarden als ruige beeren, aangevoerd door
opperhoofden, die zich als Hertog van Egypte en Graaf van Babylonië
betitelden, en met brokken van gouden tressen en passementwerk
behangen waren,"--zoo verscheen den zeventienden Augustus 1427,
de eerste bende Zigeuners voor de stad Parijs. En, in opschudding
gebracht, als ware een meteoorsteen uit den hemel gevallen, liepen
de nieuwsgierige bewoners der Fransche hoofdstad naar de legerplaats
der wonderlijke vreemdelingen, om deze te bekijken. Zij vertelden
aan deze goede burgers, dat zij Christenen uit het Oosten, uit Egypte
waren, waar zij ter wille van hun geloof vervolgd en verdreven waren,
en dien ten gevolge oogstten zij al dadelijk menig fraai geschenk en
menige almoes.
Even als bij Parijs, in een dergelijken optocht en met _de zelfde_
klachten en vertellingen als _daar_, "een onbeschaafd, zwart, vreemd,
woest en ellendig volk," zooals een oud Kroniekschrijver zegt,
waren zij toen ook voor de poorten van Bazel, Zurich en vele andere
Europeesche steden verschenen. En over het algemeen vallen nagenoeg
alle datums, waarop in de oude kronieken der Westelijke landen van
ons werelddeel, van hen melding gemaakt wordt, in de korte tijdruimte
tusschen de jaren 1416 en 1430. In het Oosten, aan de Beneden-Donau
in Hongarije en in Walachye, wil men hen reeds vroeger bespeurd
hebben. In het jaar 1422 trokken zij over de Alpen en brachten zij
ook de Italianen in verwondering, en niet lang daarna ontdekten ook
de Spanjaarden hen in hunne bergkloven, en bij hunne schaapherders op
de heidevelden der bergvlakten van Castilië. Ja! zelfs in Engeland
en Skandinavië zijn niet _zeer_ lang daarna de jaarboeken des lands
vol opmerkingen over deze geheimzinnige gasten.--Als kwikzilver
schijnen zij door alle schiereilanden en landen, door alle bosschen
en woeste streken van dit werelddeel heengegaan te zijn. Geene andere
ons bekende volksverhuizing, is met zulk eene snelheid over Europa
heengegaan. Zij waren zoo snel, als zat de schrik voor de Mongolen
hen nog op de hielen.
Het boven medegedeelde verzinsel, dat zij verdrevene christen-pelgrims
uit Egypte (misschien van de sekte der Kopten) waren, dat hun in de
oogen der Christenen een waas van heiligheid geven moest, had bij
Parijs even als overal elders eene goede uitkomst opgeleverd, en
zij herhaalden het vertelsel, overal waar zij kwamen. Zij moeten dit
den Paus te Rome ook verteld en geloofwaardig gemaakt hebben, en van
dezen dan ook passen en een begeleidend schrijven ontvangen hebben,
waarin de Heilige Vader, den Vorsten der Christenheid aanmaande,
deze lieden ongehinderd in hunne landen te laten rondtrekken, zoo
lang de hun door den hemel toegedachte jaren van pelgrimsschap en
boete duren zouden, _eene boete_, die hun opgelegd was geworden
als straf, dat hunne voorvaderen de heilige Maria en het kind Jezus
op hunne vlucht naar Egypte, meedoogenloos water en brood geweigerd
hadden.--Dit, zoomede de nieuwsgierigheid die zij overal opwekten, zal
den Zigeuners wel het voordeeligst geweest zijn, en hunne verbreiding
door de Christenheid bevorderd hebben.
Toen men deze "boete doende" pelgrims, over wie men aanvankelijk
alleen hoogelijk verwonderd was, wat nauwkeuriger in het gelaat en
in het hart zag, toen men hun roofzuchtigen aard, hun zedeloos en
ontoegankelijk, schuw karakter, hun hart dat geenen godsdienst bezat,
leerde kennen, toen begon men weldra hen anders te beoordeelen. "Niet,
_martelaars_ en _slachtoffers_ van den Koning der Mongolen," zeide men,
"waren zij, maar zijne dienaren en spionnen, die gekomen waren om de
landen van Europa op te nemen, om een nieuwen inval der Tataren voor
te bereiden." Veelvuldig verspreidde zich nu het denkbeeld, dat zij
"Kaïniten," kindskinderen van den broedermoorder Kaïn, waren; die
sedert de dagen der schepping, door den vloek van hunnen stamvader
getroffen, rusteloos en voortdurend op Aarde moesten rondwandelen. Men
noemde hen ook, "zonen van den Booze," terwijl men hunnen naam
"Gitanos" van het Arabische Sheitan (of Satan) afleidde. En eindelijk
gaf men hunnen naam "Zigeuners" of "Zigauners," ingekort tot "Gauner"
(dief), in Duitschland aan alle dief- en roofgespuis.
Op den korten gulden tijd der Zigeuners, waarin hun overal de wegen
geopend waren, volgde dien ten gevolge al spoedig een ijzeren, waarin
zij door verboden, straffen, onderdrukking, slavernij en plagen van
allerlei aard vervolgd werden, en dat tot in den nieuweren tijd geduurd
heeft. In Spanje trad reeds Koning Ferdinand, de vriend van Columbus,
tegen hen op, en beval het geheele Pyreneesche schiereiland van het
schadelijke gespuis te zuiveren. Maar ofschoon het dezen gekroonden
jurist werkelijk gelukte, millioenen nuttige Mahomedanen en Israëlieten
uit zijn rijk te verdrijven, zoo ontsnapten toch de _vlugge_ Zigeuners
aan zijne ruwe handen. Zij fladderden, als opgejaagde vleermuizen,
nu naar dezen, dan naar genen schuilhoek, en waren na eenigen tijd
in Spanje weder in even grooten getale aanwezig als te voren.--Ook
de machtige Keizer Karel V, vaardigde in al zijne Europeesche Staten,
verschrikkelijke decreten tegen de Zigeuners uit. Maar, ofschoon hij
groote legers der Franschen vernietigde en hunnen Koning gevangen nam,
was hij toch machteloos tegen de kleine troepjes der onverdelgbare
Zigeuners, die overal als hagedissen voor zijne jagers en gensd'armes
vluchtten naar afgelegene plaatsen, en langs omwegen weder uit deze
te voorschijn kwamen.
In Frankrijk gaf Koning Frans de eerste bevelen tot hunne verdrijving,
en op een rijksdag te Orleans werd aan alle overheden der stad bevolen,
de Zigeuners te vuur en te zwaard te vernietigen. Maar hunne verdelging
moest in Frankrijk even dikwijls als in Spanje bevolen worden, en was
even dikwijls zonder de minste uitwerking als daar en in andere landen.
Noch de verbannings-edicten der Koningen, noch de regelmatig van tijd
tot tijd herhaalde besluiten der Fransche en Engelsche parlementen,
noch de talrijke landdags-besluiten in Duitschland, noch ook de
Pauselijke banbullen, die de eerste aanbevelingsbrieven vervingen,
konden hen verslaan. Evenmin de harde verordeningen der Nederlandsche
overheden, die, om zich van de Zigeuners te ontdoen, bevalen, dat
ieder "heiden" (zoo noemde men ze hier)--die zich betrappen liet, na
gegeeseld te zijn, uit het land moest verdreven worden.--Ook niet het
nog hardere bevel der Zwitsersche republiek, waarbij ieder Zigeuner
die, nadat de verbannings-wet uitgesproken was, op Zwitserschen
bodem gevat werd, aan den _dood_ vervallen verklaard en aan den
scherprechter overgeleverd werd. Zelfs Sultan Bajazeth fronste te
vergeefs het voorhoofd, terwijl hij beval, dat deze zwarte kinderen
van Indië zijn grondgebied in _beide_ werelddeelen _onverwijld_
verlaten moesten. Zij spotten ook met dezen maatregel, dachten:
"_ubi bene ibi patria_" [8] en bleven tot op den huidigen dag talrijk
in Syrië, Klein-Azië en in Europeesch Turkije, als onkruid dat niet
vergaat. Ofschoon de minachting en de woede waarmede men de Zigeuners
vervolgde, in verscheidene landen van Europa zoover ging, dat men
als op wilde dieren jacht op hen maakte, zooals de Noord-Amerikanen
zulks tegenwoordig op de arme Californiërs doen, ofschoon men deze
ongelukkige menschenkinderen letterlijk met de wolven op ééne lijn
stelde, zoo _bleven_ zij toch overal en plantten zich voort, als de
vossen in de zandholen onzer heidevelden.
Daar men met gedurende eeuwen uitgeoefende strengheid en geweld, met
de zweep, met kerker en met galg, van de Zigeuners, wien toegevendheid
en achteloosheid overal toegang verschaft had, niet meer bevrijd kon
worden, besloot men eindelijk in nieuweren tijd in verscheidene landen,
ze te behouden en hen door goedheid, scholen en opvoeding te beschaven,
en zoo langzamerhand tot nuttige leden der maatschappij te maken.
Juist die harde vervolging, zoo begon men nu te redeneeren, had de
Zigeuners, zooals ook andere vervolgden, slechts nog weerspanniger
en brutaler gemaakt; zij hadden zich in dat vuur verhard. Juist die
drijfjachten waren voor hen de beste school voor allerlei streken
en knepen, waardoor zij zich aan de macht van den staat wisten
te onttrekken. Hun ingeboren haat tegen de Europeanen werd nog
heftiger, hun gehecht zijn aan en blijven bij hunnen eigen stam nog
eigenzinniger. Even als bij de Israëlieten, werd onder het lijden hunne
taaie nationaliteit nog taaier, de kloof tusschen hen en de Europeanen
nog dieper. In plaats van die kloof nog dieper te maken, begon men
er nu aan te denken, er een brug over te slaan. Koning Karel III van
Spanje, Maria Theresia, Jozef II, Katharina van Rusland, en andere
Vorsten van de "eeuw der humaniteit," vaardigden bijna gelijktijdig
zeer wijdloopige, welwillende en grootmoedige verordeningen uit
ter kolonisatie, verandering en gelukkigmaking der Zigeuners in
hunne rijken. In al die Staten werden hun landerijen aangewezen,
vaste huizen, dorpen en scholen voor hen gebouwd. Dergelijke
verordeningen werden tot op den jongsten tijd ook in vele andere
landen uitgevaardigd, meermalen hernieuwd en nu op deze dan op gene
manier gewijzigd.
In Nederland en Groot-Brittanje trokken de zendeling- en
bijbelgenootschappen zich de zaak aan, en in Engelsche steden (b.v. in
Southampton) vormden zich "comités voor de verbetering van den toestand
der Zigeuners." Men stichtte in Engeland een opvoedings-gesticht voor
Zigeuners. Hetzelfde deed men ook te Friedrichslohr bij Nordhausen
in Pruissen. Hier en daar traden ook eenige particulieren, die
het lot der Zigeuners bijzonder ter harte namen, hunne behoeften
en hun karakter bestudeerden, en aan het publiek voorstellen ter
hervorming deden, als apostelen op. Ofschoon het wel geen twijfel
lijdt, of deze in den nieuweren tijd ingeslagen weg ter bedwinging
van het bij ons ingenestelde Zigeuner-element, is niet alleen de meest
Christelijke, maar ook de eenige die eenig uitzicht op goede resultaten
geeft,--want alle stemmen zijn het daarover eens, dat vervolging de
Zigeuners doet blijven bestaan, dat verdraagzaamheid hen over het
algemeen verzwakt--zoo moet men aan de andere zijde ook erkennen,
dat _tot nu toe_ aan die vreemde en tegenstribbelende menschen,
_ook zachtheid_ bijna altijd te vergeefs beproefd, en ook goedheid
bijna altijd zonder het minste gevolg aan hen verspild werd. Onze
pogingen om hen te verbeteren dateeren eerst uit de laatste eeuw,
hunne barbaarschheid echter wortelt in den oorspronkelijken bodem
van voor-historische tijden.
De geschenken van landerijen, die hun in Spanje, Oostenrijk en Rusland
gedaan werden, wisten zij niet naar waarde te schatten, en slechts
weinigen van hen namen eene meer kalme en landbouwende levenswijze
aan. In stede van de woonhuizen, die Katharina in Rusland voor hen liet
bouwen, te gebruiken, leefden zij liever, als zij nu toch eens in het
dorp blijven _moesten_, in hunne eigene tenten die zij in de tuinen
of op de erven der boerenhuizen oprichtten. De kinderen der Zigeuners
in Oostenrijk, die Jozef de weldaden van het onderwijs wilde doen
genieten, moesten zijne beambten, als Alpenjagers de gemzen, opvangen
en dikwijls met touwen gebonden naar den schoolmeester brengen. Hunne
moeders, die men te vergeefs de goede bedoelingen trachtte begrijpelijk
te maken, liepen schreeuwende mede, als wilde men hunne kleinen ter
slachtbank voeren, en noemden den goedhartigen Keizer een tweede
Herodes. Anderen zagen in deze pogingen om beschaving onder hen te
verspreiden, den ondergang van hun volk, gaven hunne have en goed weg,
en doodden soms zelfs, om den school- en woondwang te ontkomen, zich
zelven, even als Cato, die den ondergang van zijn volk niet overleven
wilde. Niet veel meer succes hebben de menschenvrienden in andere
landen gehad, noch in Pruissen, waar de school in Friedrichslohr
in 1837 weder verliep, noch in het zoo dicht bevolkte Engeland,
dat zoo weinig plaats voor het wilde Zigeuner-leven schijnt aan te
bieden. Hier werden de zoogenaamde verchristelijkte en hervormde
Zigeuners, die de genoemde zoo werkzame maatschappij in Southampton
in verscheidene burgerlijke betrekkingen bij Christenen gebracht had,
nog ongelukkiger dan die hunner kameraden, die in een toestand van
onbeteugelde vrijheid gebleven waren. Eenige Engelsche wijsgeeren
hebben daarom het Zigeuner-ras met het ei van een koekkoek vergeleken,
waarover zelfs een broedende paradijsvogel te vergeefs hare vleugels
uitbreiden zou.
Zelfs de zorgvuldigste en liefderijkste privaat-opvoeding, heeft
dikwijls den wilden zin bij de Zigeuners niet meester kunnen worden,
zelfs als men begon hun reeds in hunne vroegste jeugd goede zeden in
te prenten. Daarvan worden vele merkwaardige voorbeelden verhaald,
zoo b.v. het volgende:
Een klein Zigeuner-meisje, dat in het beroemde door Willem den
Veroveraar bij Southampton aangelegde woud, tot aan haar tiende jaar
met de haren rondgetrokken had, beviel eene voorname en kinderlooze
dame in zoo hooge mate, dat deze zich over de kleine wees ontfermde,
haar onderwijs liet geven en haar eindelijk geheel bij zich in huis nam
en als hare dochter hield. Charlotte Stanley--zoo heette de kleine,
lieftallige wilde--werd als eene voorname Engelsche dame opgevoed en
groeide tot eene schoone, talentvolle en goed onderrichte jonkvrouw
op.--Een rijk jonge heer, een zeer beminnelijk bloedverwant harer
pleegmoeder, vatte liefde voor haar op en was voornemens haar te
trouwen. Hoe meer dit plan echter zijne uitvoering naderde, des te
stiller en melancholischer werd de schoone Hindostansche bruid, en
op een goeden dag was zij, tot niet geringe ontsteltenis der geheele
familie, verdwenen. Dien zelfden dag hadden zich Zigeuners in de
nabijheid van het slot opgehouden. Men ging hen na en vond de gezochte,
de door allen beminde Charlotte, midden onder de kinderen des wouds,
aan den arm van een langen, zwartharigen man, het hoofd der bende. Zij
verklaarde, dat zij zijne vrouw geworden was en dat niemand het recht
had haar van hem af te scheuren. Hare goedhartige pleegmoeder en haar
voorname bruidegom waren daarover ontroostbaar. Later kwam Charlotte,
in hare geheel veranderde kleeding, nog eens een vertrouwelijk bezoek
bij hen op het slot maken, en toen vertelde zij: hoe het haar in de
kamers van het kasteel langzamerhand te benauwd was geworden, hoe een
onweerstaanbare trek naar haar vrij, omzwervend leven zich hoe langer
hoe meer bij haar deed gevoelen, naar mate het oogenblik naderde,
dat haar voor altijd aan die hooge muren zou vastkluisteren.--De man,
dien zij onder hare halfwilde landgenooten voor zich uitgekozen had,
moet een der losbandigste knapen geweest zijn, en zijne teedere en
verwende echtgenoote op brutale wijze behandeld hebben. Zij echter
beantwoordde zijne mishandelingen met toewijdende liefde, die hij
als de schatting eener slavin ontving. Zij bleef hem echter trouw
bij al de lotwisselingen van zijn stormachtig leven, dat hem nu eens
naar de gevangenissen van Londen, dan voor de crimineele rechtbank
van Schotland voerde.--Zij gevoelde geen verlangen naar haar vroeger
luxueus leven en naar het paleis harer pleegmoeder. Daar bleef niets
van haar over, dan haar steeds met een sluier behangen portret,
waarnaar haar verlaten Engelsche vriend dikwijls treurend en zuchtend
opkeek, en dat daar ook eens voor mij onthuld werd, om de heerlijke
trekken dezer capricieuse schoonheid te bewonderen.
Vele dergelijke verhalen en schilderingen van eene dergelijke, aan alle
verandering weerstand biedende, en steeds tot haren oorspronkelijken
vorm terugspringende natuur, treft men ook in andere landstreken aan,
en het is daarom begrijpelijk, dat na zoovele pogingen tot gewelddadige
verdrijving of tot langzame beschaving, wij nog heden ten dage de
Zigeuners weinig veranderd vinden, in alle landen die zij reeds voor
400 jaren als pelgrims uit het Oosten binnentrokken en waarin zij
zich genesteld hebben.--In de beneden-Donau-landen, waar zij zich
bij voorkeur ophouden, heeft men hun aantal op meer dan 300.000
geschat; in Zevenbergen alleen op 75.000, in Moldavië en Walachije
op 150.000. De heer Borrow, de beroemde beschrijver en waarnemer der
Spaansche Gitanos, rekent hun aantal aldaar op 20.000. De heer Grapp,
de vriend der Engelsche Gipsies, gelooft dat op de Britsche eilanden
hun aantal 18.000 bedraagt. Waarschijnlijk zullen zich evenveel in
Duitschland en Frankrijk ophouden. In Europeesch Turkije en Rusland
is hun aantal ongetwijfeld aanzienlijk grooter. Bedenkt men, dat ook
in Italië, waar zij in het Patrimonium Petri [9] het talrijkst zijn,
en dat ook in Zwitserland, Nederland, Denemarken en Zweden, zelfs in
Finland nog overal eenige Zigeuner-geslachten aangetroffen worden,
dan mag men wel aannemen, dat het gezamenlijk getal Zigeuners in
geheel Europa wel bijna een half millioen bedraagt. Grooter schat men
ook niet het aantal van alle in Noord-Amerika woonachtige Indianen,
en daardoor wordt aangetoond, dat ons oud, beschaafd werelddeel nog
altijd een bijna even sterk element van nog niet aan de beschaving
onderworpen nationaliteiten in zich omdraagt, als dat groote gedeelte
der nieuwe wereld, zelfs als wij daarbij niet eens de Lappen, de
Samojeden en welke heiden- en jagerstammen nog meer op onzen bodem
mogen rondkruisen, in rekening brengen.
In genoemde Donau-landen, waarover zij, uit het Oosten komende, zich
het eerst verspreidden en waar men hen nooit met strenge wetten
geplaagd heeft, hebben de Zigeuners zich ook het aanzienlijkst
vermeerderd en hunne diepste wortelen geschoten. Zij hebben de
politieke instellingen en den aard dezer landen en hunner gastvrije
volken, zoo overeenkomstig hunne eigene neigingen gevonden, dat
deze om zoo te zeggen een nieuw vaderland, een beloofd land voor
hen geworden zijn, even als de Poolsche provinciën zulks voor
de Israëlieten werden. De genealogie van vele Zigeuners in de
meer Westelijke landen, wijst naar die Donau-landschappen, als de
bakermat van hunnen Europeeschen oorsprong, heen. En wij zien daarin
in zekere mate eene naäping of een naklank van die geruchtmakende en
oorlogzuchtige ondernemingen der Hunnen, Magyaren en van andere uit
dezelfde middelpunten naar dezelfde streken trekkende volken.
In die landen zijn zij zoo zeer met het leven der inheemsche volken
samengeweven en saamgegroeid, dat zij er een niet onwezenlijk deel van
uitmaken. Verscheidene broodwinningen worden daar bij voorkeur door
Zigeuners beoefend, en verscheidene takken van industrie zijn geheel
in hunne handen. In Moldavië b.v. zijn zij in de huizen der grooten
de huisslaven, de kamerdienaars en lakeien; zooals ook de Bojaren
meestal aan de borst en met de moedermelk der Zigeuner-vrouwen groot
gebracht worden, want deze zijn de gewone minnen bij de voornamen.
Verscheidene onaangename rollen in het drama van het burgerlijke
leven, hebben daar de Zigeuners op zich genomen. Zoo waren zij
b.v. van oudsher in Hongarije scherprechters en beulsknechten, en als
zoodanig muntten zij in de sombere dagen der martelingen van de arme
aangeklaagden, door hunne, vindingrijke wreedheid uit. Ook wordt daar
verder al het moeielijke en onaangename, wat niemand anders gaarne ten
uitvoer wil brengen, aan een Zigeuner opgedragen, die gewoonlijk, als
hem slechts eene geringe winst wacht, door vuur en water zou loopen.
Eene zeer moeielijke en weinig winstgevende taak valt hun in
Zevenburgen en Hongarije ook algemeen ten deel, namelijk het
asschepoesters-werk, de glimmende stofjes edel metaal, uit de goud
bevattende rivieren en beken van die landstreken, te zoeken. Men ziet
hen in de Donau-landen, vooral in den ergsten tijd van het jaar, in
het begin der lente, wanneer de sneeuw smelt en de regen bij stroomen
nedervalt, wanneer de bodem door de wilde elementen doorploegd en nieuw
goudzand opgewoeld wordt, langs de oevers der rivieren rondtrekken,
hunne tenten opslaan, en nu hier dan daar beproeven, of niet iets van
het blinkende stof in hunne schaapsvellen, die hun tot zeven dienen,
hangen blijven wil.
Het verlangen naar een stuk gouden treswerk, dat zij aan hun hoed
hangen, naar een briljanten ring voor hunne vingers en ooren, naar
het een of ander zilveren of vergulden voorwerp, dat zij honderd malen
onder hun haardvuur begraven, bij het verwisselen van legerplaats weder
voor den dag halen, in hunne lompen verborgen met zich omdragen, en
dat zoo van overgrootvaders tijden op hunne kinderen overgaat,--deze
den Zigeuners aangeborene blijdschap over alles wat maar schittert,
wat zij even als de eksters in hunne nesten bijeenbrengen, is zeker er
de oorzaak van geweest, dat zij, zooals gezegd is, ook de goudzoekers
en goudwasschers van die streken geworden zijn.
Wonderlijk is het, dat ook het edelste aller metalen, op welks
bearbeiding onze ontwikkeling in zoo hooge mate berust, het ijzer,
algemeen in de handen van dit onontwikkelde volk gekomen is. "Zoo veel
smeden, zoo veel Zigeuners," zegt een Hongaarsch spreekwoord. Ditzelfde
spreekwoord is ook in Zuidelijk Rusland, in geheel Europeesch Turkije,
zoomede in Azië en Egypte in zwang. Waarschijnlijk werd den Zigeuners
deze kunst en die last reeds te beoefenen en te dragen gegeven in
Indië, waar, zooals ik reeds aanmerkte, ook rondtrekkende en verachte
Sudra's ze reeds van oudsher uitoefenden, daar toch in andere landen,
b.v. bij eenige volken van Afrika, de ijzersmid de werkzaamste persoon
en de eerste na den Koning is.
In al die landen vindt men in de voorsteden der groote en
kleine plaatsen, de talrijke kleine vuurhaarden der dubbel zwarte
Zigeuner-smeden. Als aanbeeld sleepen zij een steen aan, tot blaasbalg
gebruiken zij een geitenvel, als brandstof dikwijls niets anders dan
gedroogden mest. Naast den steen graven zij een diep gat in den grond,
om er hunne beenen in te steken, ten einde het werk zoo gemakkelijk
mogelijk te verrichten. De moeder met de tabakspijp in den mond,
brengt den blaasbalg in beweging, de vuile knapen reiken den vader
het armzalige gereedschap toe, en daar naast ligt, om het beeld te
voltooien, een magere, levenszatte hond met stoïcynsche gelatenheid
in het gras. En zoo zittende en onophoudelijk door rookende, smeedt de
meester dagen lang uit den kuil weg, terwijl hij dikwijls zijn weinig
geregeld werk afbreekt, nu eens uit zijn kuil springt, om zich zoo
lang hij is in het gras uit te strekken, dan weder er in springt en
tusschen de bedrijven door, nog dit en dat op hunne ongedurige wijze
afdoet en in orde brengt. Zij moeten overigens menigen moeielijken
kunstgreep van hun handwerk verstaan, b.v. betere en hardere zeissen
kunnen vervaardigen dan andere smeden. Een Zigeuner, die zich eene
oude, verdraaide tang, eene vijl, een hamer verschaft en een goed
steenblok voor aanbeeld gevonden heeft, kan trouwen en zich als
huisvader vestigen.
Er zijn nog vele andere kleine bezigheden, die den zich aan zijne
kudden, akkers en wijnbergen wijdenden Magyaar, Walachyer of Turk
te nietig schijnen, en die dien ten gevolge den, naar het schijnt
in alles wat gering is lust hebbenden, Zigeuner ten deel vallen. De
bezembinders, zeefmakers, ketellappers, zwamsnijders, mandenmakers,
vervaardigers van houten lepels in die landen, zijn bijna altijd
Zigeuners; zooals zij ook altijd rondtrekken met apen, beren en andere
dieren, om die te laten kijken en wier dans zij met gezang begeleiden.
Vooral echter is de muziek van een groot gedeelte van Oostelijk Europa
in de handen der Zigeuners. Zij hebben een in het oog vallenden
aanleg en hartstocht voor deze schoone kunst. Bij de Turken,
even als bij de Tataren, bij de Walachyers en Hongaren, zijn zij de
nationale-muzikanten. Even als naar de godsdiensten dezer verschillende
volken, weten zij zich ook bijzonder goed te schikken naar den
nationalen smaak wat muziek betreft, luisteren hunne lievelingswijzen
af en reproduceeren deze, terwijl zij er iets van hun eigen smaak
bijvoegen, op eene allezins bevredigende wijze. De hof-kapellen der
Tataren-clans _waren_, en die der Moldavisch-Walachysche Vorsten
bestaan nog heden ten dage, uit Zigeuner talenten. Krassende violen
met cymbalen en trommels, door half naakte, harige gezellen bespeeld,
geblazen en geslagen, vallen den reizigers nog heden ten dage in de
schoone dalen der Krim, even als in die der Karpathen, bij iederen
voetstap als het ware op het lijf, en vorderen schatting in naam
der Muzen. In Hongarije heeft ieder dorp, ieder comitaat een orkest
van Zigeuners, waarop het zich beroemt. Hun hoofd-instrument is de
violine, en hierop hebben zij in Hongarije, waar hunne talenten het
meest gewaardeerd werden, vele zeer bewonderde virtuozen voortgebracht.
De Magyaar is met de muziek zijner Zigeuners niet weinig ingenomen. Zij
vroolijkt bij hem den dans op, en brengt de treurende patriotten tot
tranen. Zelfs de beroemde Hongaarsche volks-hymne, de Rakoczy-marsch,
kan alleen door Zigeuners zoo gespeeld worden, dat zij een Hongaar
electriseert. Even als onze voorvaderen door hunne barden, zoo zijn
de Hongaren bij hunne nationale-oorlogen bijna altijd door blazende
en vioolspelende Zigeuners vergezeld geworden. Den componist van
het zooevengenoemde muziekstuk kent men niet, evenmin als men de
geschiedenis van bijna geen der fraaie Zigeunerstukken op authentieke
wijze kan aantoonen. "Zij ontstaan onder het volk, men weet niet hoe,
worden als toonen uit de geestenwereld beluisterd, worden als eene
goede vondst beschouwd, ruischen over de velden als de toonen eener
Eolus-harp, steeds sterker en sterker klinkende, worden ten laatste
door iedereen met verrukking vernomen, en zetten zich eindelijk in
alle hoeken des lands en in de ooren en harten van het volk vast."
De Zigeuner-virtuozen zijn dikwijls ook de componisten der door
hen voorgedragen stukken. En ofschoon zij niet bekend zijn met de
theorie der muziek, ter nauwernood de noten kennen, ook nooit iets
nederschreven, en ofschoon zij hunne geheele kunst als bij inspiratie
leeren kennen, zoo worden zij toch af en toe niet zelden door de
geleerdste musici en muziekkenners bezocht, die vol bewondering en ten
zeerste bevredigd naar de voortbrengselen hunner scheppende phantasie
luisteren. In de opvatting der compositiën van anderen, toonen zij
een bijzonder sterk muzikaal geheugen te bezitten. Zij zijn in staat
eene sonate van Mozart, eene symphonie van Beethoven die zij eenmaal
hoorden, van het begin tot het einde te onthouden en na te spelen. De
heer Kogaleitschan, de Walachysche geschiedschrijver der Zigeuners,
verhaalt, dat hij eens in den Franschen schouwburg te Jassy een dezer,
geene opleiding ontvangen hebbende musici gadesloeg, hoe hij op zijne
violine zacht en langzaam de ouverture en andere gedeelten der opera
"la dame blanche" volgde, en hoe hij, toen het stuk afgespeeld was,
naar buiten ging en de geheele muziek aan zijne vrienden, in de kroegen
der stad, met meer gevoel en volharding voordroeg, dan de violisten in
het orkest, die hij afgeluisterd had, gedaan hadden. Gevierde geboren
kunstenaars van dit soort, worden in de Hongaarsche annalen reeds voor
300 jaren genoemd. In de vorige eeuw was een dezer natuurkunstenaars
hof-musicus van den Kardinaal Czaky, de Zigeuner Michaël Barnu, die
in een door dezen prelaat in het leven geroepen Wartburgs-kampstrijd,
onder twaalf der eerste violisten van het rijk den prijs won, en
wiens melodiën, door de kenners op papier gebracht, nu nog in het
land in zwang zijn,--zoo ook de even zeer geprezene violinpeelster
Czinka Panna, die gedurende haar leven door de Hongaarsche Magnaten,
dikwijls op 30 à 40 mijlen afstands, geroepen en met gejuich binnen
hunne sloten gevoerd en met goud en kostbaarheden begiftigd werd. Een
Hongaarsch bisschop zette op haar grafsteen als opschrift: "De Orpheus
der Magyaren," terwijl men tevens ontelbare Latijnsche en Magyaarsche
verzen in het graf schudde. Maar de beroemdste Coryphee dezer halfwilde
Muzen-zonen was Johan Bihary, een der musici van het Weener Congres
en van het Oostenrijksche Keizerlijke hof, dien Keizer Frans in den
adelstand wilde verheffen, maar die echter, origineel genoeg, deze
genade slechts wilde aannemen onder voorwaarde, dat zijne geheele
bende en zijne verwanten in dit voorrecht zouden deelen. Ook in de
tegenwoordige dagen, ofschoon de bloeitijd der Zigeuner-muziek voorbij
schijnt te zijn, ontbreekt het niet aan zulke in het oog vallende
talenten, die in Pesth en ook in Weenen gezocht en bewonderd worden.
Ofschoon de muzikale composities der Zigeuners zoo eigendommelijk
van aard en kleur zijn, dat men er slechts twee maten van behoeft
te hooren, om ze dadelijk als zoodanige te herkennen, zoo laat zij
zich toch niet gemakkelijk in woorden kenschetsen. Zij zijn even
moeielijk na te teekenen, als de phantastische dessins der Brabantsche
kanten. Men meent er het evenbeeld van het wonderlijke volk, dat ze
vervaardigde, zich in te zien afspiegelen. De maat en de melodie dezer
muziek wisselen even dikwijls af, als de luimen van den beweeglijken
Zigeuner. Zij maakt sprongen en beweegt zich zigzags-gewijze als
eene elektrieke vonk. Zij is arabeske-achtig vol van teneenenmale
onverwachte wendingen en afwisselende tempo's. Zij murmelt en stoeit
als de beek des wouds, aan welker oevers de Zigeuners hunne hutten
opslaan; zij huilt, loeit en piept, als stormen op de heidevelden en
püsten, waar zij zich in aardholen verbergen. Zij bedriegt, boezemt u
belangstelling in en verrast u door hare schoonheden, zooals gij niet
zelden door den aanblik van een schoon Zigeunermeisje verrast wordt,
door wier wild kapsel en armoedige lompen de schoonste lichaamsvorm,
de liefelijkste gestalte en twee vurige oogen u tegenblinken. Zij
kermt en klaagt, als ware zij ten prooi aan de grootste vertwijfeling,
en dadelijk daarop juicht en jubelt zij, even als de zoo veranderlijk
van aard zijnde Zigeuner-kinderen, die altijd klaar staan om te huilen
en te lachen, en door zeer heftige, maar tevens zeer kort van duur
zijnde hartstochten, beheerscht worden. Als in geestdrift ontstokene
Korybanten, razen de zwartgelokte musici op hunne violen en cimbalen:
En rondom in wijde kringen
Hoort het moedig volk ons aan.
Laat de vedels wilder zingen!
Wilt de bekkens harder slaan!
Woester en niet zachtkens meer
Klinkt der instrumenten strijd;
D'oude krijgszang ruischt ook weer,
Die te voren met veel macht
Flinke knapen en ook grijsaards
Tegen Turken samenbracht.
In Engeland komen, even als in Hongarije, dikwijls muzikale talenten
onder de Zigeuners voor. En in Rusland gaf de groote Catalini eens
aan eene Zigeuner kunstenares, die zij beluisterd had, een shawl,
die, zooals zij zeide, door den Paus voor de "grootste zangeres van
dien tijd" bestemd was geweest.
De dans, die met de muziek hand aan hand gaat, is eveneens geen
_kunst_ onder de Zigeuners, maar een hun aangeboren talent. Hunne
lenige en van der jeugd af geoefende ledematen, die zij van hunne
Hindostansche voorvaderen erfden, maakt hen bijzonder geschikt voor
alle gymnastische oefeningen. Hunne dansen zijn aan den Donau, even
als in Spanje en Rusland, beroemd. Zij zijn levendig en gracieus en
daarbij bijna overal van dezelfde soort. Wat de Russen de "Ziganka"
noemen, is bijna hetzelfde, wat bij de Spanjaarden de "Gitana" genoemd
wordt, en die dansen zijn in de Russische steppe even gezocht als op
het Spaansche tooneel.
Ook als dichters en sprookjes-vertellers komen de Zigeuners niet
zelden voor. In Walachye zijn zij de voornaamste beoefenaars dier
kunst, en zij dragen daar hunne verzen, die even als hunne muzikale
voortbrengselen meestal geheel geïmproviseerd zijn, even als de
Seguidillas-zangers in Estramadura, begeleid met muziek en zang voor.
In de poëtische vertellingen ontwikkelen zij, naar de staaltjes die ons
laatstelijk daarvan geworden zijn, eene groote mate van gemakkelijkheid
en verbeeldingskracht. Zelfs de heilige sagen en christelijke legenden
van de wandeling op Aarde van den Heiland, en van de wonderen en
reizen der apostelen, verhalen zij somwijlen met hunne eigenaardige
bonte kleuren, op zoo bespottelijke en phantastische wijze, dat zij
in originaliteit, verrassende avontuurlijkheid en fee-achtigheid,
voor de sprookjes uit den duizend-en-één nacht volstrekt niet behoeven
onder te doen.
Men moet de Zigeuners, niettegenstaande hun tegenzin in onderwijs
en school, een zeer bekwaam en talentvol volk noemen. Bijzonder
geborneerde wezens, domme menschen en kretins, treft men zelden
onder hen aan. De fijne list en de slimheid, waarmede zij zich alle
moeilijke plannen--dikwijls ook die voor diefstal en bedrog--weten
gemakkelijk te maken, is door velen, die in de gelegenheid waren hier
nauwkeuriger mede in kennis te komen, bewonderd geworden. En toch
gaat het hun met zooveel gunstigen aanleg, als met andere begaafde
maar wankelmoedige--schandere maar lichtzinnige--poëtische maar
zinnelijke karakters--, zij komen niet zoover in de wereld als zij,
die met geringere talenten eene grootere volharding, soliden ernst
en hoogeren zedelijken zin verbinden.--Hunne onbestemdheid laat geene
moeielijke onderneming bij hen tot rijpheid komen. Men moet zich over
hunne wankelmoedigheid, over hunne onbedachtzaamheid verwonderen. Zij
leven, als bestond er geen verleden en geene toekomst. Zij schijnen
altijd slechts met den wensch, die juist in het tegenwoordige
oogenblik hun gemoed in beweging brengt, vervuld. Hunne stormachtige
en teugellooze wijze van zijn, herinnert dikwijls aan de manieren
der apen. Het geschenk, dat zij van u met heftigheid, smeekende en
biddende, op hunne knieën begeeren, pakken zij, als gij het hun geeft,
weg als roofvogels hunnen buit, en vervolgens als er niets meer te
verwachten valt, gaan zij verder, de aalmoezen doorbrengende en den
gever ondankbaar vergetende.
Slechts op één punt vindt men hen bijna altijd voorzichtig, bedachtzaam
en spaarzaam. Namelijk met betrekking tot hunne kleeding, waarop
zij zooals reeds opgemerkt is, zeer gesteld zijn. Men ziet hen
daarom bij hun werk meermalen met een naakt bovenlichaam, terwijl
zij hunne kleeding zorgvuldig op zij leggen. Ja! als twee Zigeuners
ernstig met elkander in strijd geraken, zoodat die met de vuist moet
beslecht worden, dan zullen zij toch nooit vergeten, voor het begin
der vijandelijkheden een wapenstilstand van eenige minuten te sluiten,
om te voren hunnen gegaloneerden rok en met treswerk voorzienen hoed
in zekerheid te brengen.
Daar zij geen wrok blijven behouden en voorzichtigheid hun in groote
mate ontbreekt, zoo kennen zij verder kommer noch zorg. Even als de
vogels leven zij bij den dag, zich niet bekommerende over het "vanwaar"
en "waarheen"; over het gisteren en morgen, zijn zij altijd vroolijk,
luimig, lichtzinnig, buitengewoon praatachtig en snoevend. Ofschoon
schijnbaar de meest behoeftigen en de meest geplaagden onder de
levenden, zijn zij toch altijd op de meest benijdenswaardige wijze
vergenoegd, en altijd tevreden met hun lot. In de Hongaarsche,
Slavische en Walachysche gedeelten van het Oostenrijksche leger, is
zeer dikwijls de potsemaker van het regiment een Zigeuner, die zijne
kameraden met zijne onuitputtelijke grappen opvroolijkt. Ook in de
sagen en sprookjes der Zevenburgers, valt den Zigeuners gewoonlijk
de rol van "Hans Lustig" ten deel, en zij zouden ieder Christen,
die te vergeefs tracht het gebod "zorg niet voor den dag van morgen"
na te leven, tot voorbeeld dienen.
Evenmin als hunnen geestelijken zin lijdt aan droefgeestigheid of
ontevredenheid, zoo ook zijn zij lichamelijk minder onderhevig aan
ziekten en ongesteldheden, dan men naarmate van hun lichamelijk lijden
en van de ontberingen, waarmede zij van hunne geboorte af tot aan den
dood rijkelijk bedeeld zijn, zou verwachten. De harde, dikwijls ter
nauwernood met gras of hooi bedekte schoot der moederaarde, is het bed
waarop zij geboren worden. Kinderwiegen, die zelfs de Indianen van
Amerika even zorgvuldig weten te vervaardigen als de zwaluwen hunne
nesten, zijn voor de Zigeuners onbekende meubels. Zoo lang zij op
eigen voeten niet kunnen staan, kruipen zij op den rug hunner moeder,
even als de jonge beren op den rug der beerin, en van hunne geboorte
af zijn zij even als dezen aan alle weer en wind blootgesteld. Zonder
mantel of omkleedsel groeien zij tot jonge meisjes en jonge, mannen op,
en verkrijgen ook dan slechts het allernoodzakelijkste. In onmatig
eten hebben zij het, even als andere natuurkinderen, tot eene soort
van virtuositeit gebracht. En hoe gemakkelijk zij te voldoen zijn op
het punt van kleeding, blijkt uit het volgende voorval, dat door een
reiziger verhaald wordt. Een kleine, naakte Zigeunerknaap schreeuwde,
in het hartje van den winter, van de koude. "Daar, neem dat!" riep
zijne moeder hem toe, terwijl zij hem een eind touw over den schouder
wierp. "Bind het je om het lijf. Hul er je in zoo goed je kunt. Warm
je er mee en troost je."
De armoedige leem- en stroo-hutten, waarin zij in de afgelegenste
wijken der Hongaarsche en Walachysche steden wonen, de holen, die
zij in de Krim en ook in de Zevenburgsche Alpen bewonen, zijn de
armoedigste en onhuiselijkste menschelijke woningen, die men zich
denken kan, en de zoogenaamde tenten, waarin zij, in de voorsteden
van Kiew en Odessa, bij Bucharest of Szegedin, de stormen en de
regenstroomen trotseeren, en die zij, nu eens hier dan eens daar,
in de slooten of onder beschutting der ruïne van den een of anderen
muur, opgeslagen hebben, zijn niets anders dan een oude en van gaten
doorzichtige lap zeildoek, die over een doornstruik gehangen is en met
de vier hoeken (bovendien nog zeer onoplettend en los) aan waggelende
stokken gebonden is.--Deze woningen, met welke vergeleken de tent
van den Baschkir, zelfs de Wigwam van den Indiaan een kunstig gebouw
is, moesten, naar men gelooven zou, de broeinesten van ontelbare
kwalen en gebreken, de zetels van rheumatiek, jicht, catharale en
andere kwalen zijn. De waarheid echter is, dat de Zigeuners zelden
last hebben van deze en andere kwalen, en dat zij tot het gezondste
slag menschen behooren, dat men op de wereld aantreft. Zij hebben
geene volksziekten. Uit de spichtige, dun gebeende, dik gebuikte,
dikwijls half verhongerde, altijd kou lijdende, zelden gewasschene,
nooit gekamde kleine Zigeuner-kinderen, groeien gezonde, sterke en
welgemaakte mannen en vrouwen. "Hun geheele leven door, lijden zij
schier nooit aan eene aanstekelijke ziekte, tot de natuur het hare
terugvraagt en de machine in den ouderdom plotseling stil staat." Men
beweert zelfs, dat de giftige adem der pest en van andere besmettelijke
ziekten, in de Zigeuner-koloniën dikwijls zonder de minste uitwerking
wegsterft.
Gebrekkigen, krommen of dwergen komen bij hen zelden voor. Veel
meer daarentegen ziet men onder hen, die toch zoo weinig werk van
lichamelijke schoonheid maken, de fraaiste vrouwengestalten, met
de slankste taille en den sierlijksten lichaamsbouw, ware modellen
voor eene Preciosa of Esmeralda,--meisjes, die haar leven lang
door alle mogelijke guurheid en veranderlijkheid van weer en wind
mishandeld werden, en die een dichter wel met eene in den tuin
opgekweekte hyacinthe--in snit en glans met de oogen der Indische
Princes Damajantie zou kunnen vergelijken--die nooit anders dan
grof werk verrichten, en die toch het water en het voeder voor
de paarden van haren vader en andere lasten met een natuurlijke
bevalligheid dragen, als deden zij het op het tooneel op de maat der
muziek, zooals de geoefende koorzangsters in de opera "la Muette de
Portici." Zoo vond ik het ten minste niet zelden in de Krim en in
de Donau-Vorstendommen. Zelfs wanneer zij in den ouderdom, die bij
haar reeds vroeg invalt, leelijk worden, dan heeft die leelijkheid
altijd nog een zekeren stijl. "Het voorkomen van oude Zigeuner-vrouwen
is somwijlen afschrikwekkend, heksachtig, hoogst phantastisch, maar
bijna nooit gemeen."--Worden die jeugdige Zigeuner-schoonheden, zooals
zulks in Rusland, b.v. in Moskou, somwijlen geschiedt, door voorname
en rijke vrijers op de steppe ontdekt, als echtgenooten aan haar
nomaden-leven onttrokken en in de hoogere kringen der maatschappij
verplaatst, dan leeren zij, zoo zij niet als die Charlotte Stanley
hunnen minnaar ontloopen, zich ook daar spoedig te huis gevoelen, en
ontwikkelen zij, nu zij geen water meer behoeven te dragen, de haar
aangeborene lieftalligheid in den beschaafderen gezelligen omgang
der hoogere standen.
Dat eenerzijds in Turkije en anderzijds ook in Duitschland,
de Zigeuners op die in de Donau-provinciën gelijken, alsof zij
tweelingbroeders waren, is gemakkelijk te begrijpen uit de nabijheid
dezer landen, die, zooals reeds gezegd is, dikwijls onderling van
bewoners en koloniën verwisselen.--Merkwaardiger echter is het, dat zij
ook in zulke afgelegene eilanden en schier-eilanden, zoo als b.v. in
Skandinavië, Jutland, Schotland en Spanje, hunne eigendommelijkheid
zoo zeer bewaard hebben.--De Zweden brachten in den dertigjarigen
oorlog met hunne legers een geheel korps Zigeuners mede, en de Denen
hadden, bij de belegering van Hamburg, niet minder dan drie kompagniën
Zigeuners, waarvan zij gebruik maakten op dezelfde wijze als de
Russen van hunne Baschkiren en Kozakken, namelijk tot het doen van
strooptochten, tot spionnendienst, tot het doen van fourageeringen,
tot het uitplunderen en verwoesten der vijandelijke landen.
Volgens de mededeelingen van een Deensch schrijver, trekt nog heden
ten dage, op de onbebouwde heidevelden van Jutland een landloopersvolk
rond, dat door de Jutsche boeren de "Natmänds" genoemd wordt, en
waarin moeielijk iemand echte Zigeuners miskennen kan.--Alle pogingen,
om deze half wilde Jutsche "Natmänds" tot een ordelijk, kalm leven
te brengen, zijn tot nu toe mislukt. Zij hebben donkere gezichten en
scherpe trekken, die hoegenaamd geene gelijkenis hebben met die der
Jutsche boeren. Familiesgewijze trekken zij bij troepjes van plaats
tot plaats rond. Zij verstaan allerlei kleine handwerken, het slijpen
van messen, het ketellappen, het ruiten inzetten, en hunne vrouwen
het voorspellen en door tooverij aan den dag brengen van gestolen
voorwerpen. Stelen en bedelen is hun voornaamste handwerk. Ook nemen
zij menige verrichting op zich, die de Jut beneden zich acht. Deze
beschouwt hen in even hooge mate voor onrein, als de Bramien de
Hindostansche paria's.--"Een apart vaatwerk, nap of bak, die buiten
hem alleen nog door den hofhond gebezigd wordt, is goed genoeg voor
den armen 'Natmänd' die den Jutschen boer op zijne hoeve opzoekt, en de
Jut zou liever honger lijden dan gebruik te maken van eene schaal, die
door een Natmänd gebruikt is." Zij bezigen eene taal, die in Jutland
"potjes-latijn" genoemd wordt, dat misschien echter niet anders is dan
de oude verbasterde Sanskrietsche Zigeuner-taal.--Even als in andere
landen, worden ook daar de kinderen dezer heide-Nomaden gedoopt,
doch even als elders nemen zij ook daar, behalve het doopwater,
weinig van het Christendom over.
Want de Zigeuners betoonen zich overal zoo onverschillig voor
godsdienstzaken, als geen tweede volk van Europa. Zij zweren, om
vervolgingen te ontgaan, bij de Turken op den _Koran_, en zij kussen,
als zij zich in een Christelijk land bevinden, het _kruis_. In ieder
nieuw dorp, waar zij komen en waarin zij een anderen godsdienst
aantreffen, hebben zij een ander geloof; nu eens zijn zij Katholiek,
dan Luthersch, hier behooren zij tot de Gereformeerde, daar tot de
Anglikaansche kerk. Voor het overige blijft hun zoowel de leer van
Mohamed als die van Christus, zoowel de grondstellingen van den Paus
als de catechismus van Luther even onbekend; dat is waarschijnlijk
ook de reden dat de Nederlanders hun geen beteren nationalen naam
wisten te geven, dan dien van "heidens".
Daar er bij hen niet eens mythen bestaan, die zouden kunnen bewijzen,
dat hunne gedachten zich met bovenaardsche dingen hebben bezig
gehouden, dat ook slechts hoop op een leven na dit leven bij hen is
opgekomen, zoo is dien tengevolge ook hunne liefde voor dit aardsche
leven en hunne vrees voor het einde van hun bestaan, veel grooter dan
zij bij eenig ander der geplaagde, onderdrukte en vervolgde volkeren
zijn; deze toch beschouwen den dood wel eens als hun verlosser.
Op de Britsche eilanden zijn de Zigeuners,--die door Sir Walter Scott
in eenige zijner uitstekende romans even meesterlijk geteekend zijn als
door Cervantes in Spanje, door Puschkin in Rusland, Spindler in zijn
"Jood" in Duitschland, Victor Hugo in zijn "Notre dame de Paris" in
Frankrijk,--even rustelooze omzwervers geweest, als overal elders, en
hebben daar ook, even als overal, hunnen stam zuiver bewaard. Ja! naar
het oordeel van een Engelsch schrijver, hebben zij zich daar zelfs
onvermengder bewaard, dan ergens anders. Zij hebben daar zelfs in
het reeds door mij genoemde Koninklijke woud van Southampton, eene
soort rendez-vous gehad, en verdeelen zich daar even als elders in
verscheidene tribus of clans, die hunne bijzondere opperhoofden hebben
en bijzondere namen dragen. Een dezer Engelsche Zigeuner-stammen heet
"de Stanleys", een andere "de Levells" enz.
In Schotland hebben zij in eene wild-romantische landstreek van het
Cheviot-gebergte, hun hoofdkwartier bij een dorp dat Kirk-Yetholm
heet, en schertsenderwijze ook wel "_the Metropolis of the
Gipsy-kingdom of Scotland_ (de hoofdstad van het Zigeuner-koningrijk
in Schotland)" genoemd wordt. Van de Schotsche Zigeuner-vrouwen zegt
een presbyteriaansch priester, die haar in een werkje beschreven heeft:
"zij zijn in hare bewegingen zoo natuurlijk, liefelijk en gracieus, en
hebben dikwijls zulke goede manieren, dat men bijna meenen zou, dat zij
aan een Europeesch hof opgevoed zijn." En dit is ongeveer hetzelfde,
wat ik zelf reeds aangaande de Tataarsche Zigeuners in Zuid-Rusland
opgemerkt hebt.--Van de mannen onder de Schotsche Zigeuners zegt
dezelfde autoriteit: "zij zijn bij hunne onderlinge twisten, waartoe
men dikwijls geene aanleiding ontdekken kan, boven mate wild en
heftig, geven daarbij aan de belachelijkste woede toe, en bedienen
zich daarbij van de meest phantastische verwenschingen. Zelden echter
komt het, niettegenstaande hunne hartstochtelijkheid, tot ernstige
kloppartijen. Het blijft bij een krabben, knijpen, plukharen."--Ook
dit stemt buitengewoon overeen met hetgeen men bij de Zigeuners aan
den Donau en aan den Pontus kan opmerken, waar men, wanneer in een
tent twist ontstaat, onwillekeurig aan het krijschende geschreeuw
denkt, dat naar de beschrijving der reizigers dikwijls door de apen
der Zuid-Amerikaansche wouden, ook zonder merkbare aanleiding,
aangeheven wordt, en dat ook zonder zichtbare oorzaak, als eene
plotselinge windstilte en verzoening weder gaat liggen.
Ook bij de onbegrensde en dikwijls roerende liefde der Zigeuners voor
hunne kinderen, moet men weder aan de zooeven genoemde woudbewoners
denken. De Zigeuner-moeders troetelen hare zuigelingen zoo en houden
zich zoo onophoudelijk met hen bezig, als waren deze wichtjes het
eenige wat zij aanbidden. Kindermoord is bij hen, evenals bij de
Indianen van Amerika, iets ongehoords, en even als dezen beantwoorden
zij slechts met liefkozingen en vleierijen, zelfs den uitgelatensten
moedwil dezer kleine zwarte kobolds, die nimmer met de heilzame roe
kennis maken.
Deze liefde jegens hunne eigene afstammelingen, strekken zij echter
tot hun geheele ras uit, wier leden, even als de kinderen Israëls,
als klissen aan elkander hangen. Zij verloochenen hunne natuur
nooit. Terwijl zij over het geheel genomen niets hebben, van hetgeen
men sociaal instinct noemt, blijven zij in hunne familiën als met
ijzeren banden aan elkander gebonden. Zij noemen elkander broeder
en zuster. Zij ondersteunen elkander over en weer, en een Zigeuner
is nooit in nood, zoolang hij nog bloedverwanten en stamgenooten in
zijne nabijheid heeft, die helpen kunnen.
Ook sluiten zij zeer zelden huwelijken met menschen die niet van
het "echte," van hun eigen volk zijn. Zij bezitten--merkwaardig
genoeg--een diep verborgen nationalen-trots en zijn, wat men bij deze
"verworpelingen" het allerminst verwachten zou, in zeldzaam hooge mate
ingebeeld en trotsch. Iedereen verwerpt hen en hunnerzijds wreken zij
zich daardoor, dat zij zich _boven allen_ stellen. Even als de Osmanen
betitelen zij alle andere volken met den scheldnaam: "Gadschi" of
"Giaur". Zij zelf echter zijn de "Rannitschel" (de kinderen der ware
moeder of menschen). Het is, als wilden zij daarmede tegen allen hun
door anderen aangedanen smaad, in naam van het ook in hunnen boezem
niet gestorven gevoel van menschenwaarde, protesteeren.
Van het leven der Zigeuners onder elkander en hoe zij als broeders voor
elkander partij kiezen, verhaalt men overal zeer treffende voorbeelden;
in Spanje b.v. het volgende:
In Cordova werd eens een Zigeuner, die eenen Spanjaard bij eene
kloppartij doodgeslagen had, ter dood veroordeeld. De geheele
"Gitaneria" (het Zigeunerdom) van Cordova kwam in beweging, en deed de
grootste moeite om hunnen broeder te redden. Verzoekschriften werden
aan invloedrijke personen gezonden, petities werden onderteekend,
welsprekendheid en geld werden aangewend, om het verschrikkelijke
doodvonnis in eene eenvoudige verbanning naar Ceuta in Afrika te
veranderen. Een rijk Zigeuner bood den Spanjaarden 5000 kroonen, als
losprijs voor den gevangene. Alle trouwe stamgenooten droegen naar
hun vermogen er toe bij om dezen losprijs te vermeerderen. Maar te
vergeefs! De vermoorde Spanjaard had machtige vrienden, en men was
_besloten_ een voorbeeld te stellen. Het zwarte schavot werd op het
marktplein opgeslagen, het zwaard was gescherpt en getrokken. Toen,
toen zij zagen dat alles te vergeefs was en nog eer de slag viel,
maakten alle Zincalo's der voorsteden van Cordova zich op, om het
bloed van hunnen broeder niet te zien vloeien, sloten hunne hutten
en trokken met paarden en muildieren en al hun roerend goed heen,
terwijl zij de stad voor eeuwig in den ban deden en besloten haar
nooit weder te betreden.
Langs welken weg de Zigeuners naar Spanje gekomen zijn, is niet
bekend. Het volk daar, houdt hen voor afstammelingen der "Morisco's"
of Mooren. Dit, zoomede de omstandigheid, dat zij in de dalen van het
Pyreneesche schiereiland, die het langst in handen der Mooren bleven,
in Andalusië en Grenada het meest verbreid zijn, en vervolgens ook de
bij de Spanjaarden gebruikelijke benaming "Gitanos," d.i. Egyptenaren,
schijnt er op te duiden, dat zij, even als de andere Oostersche volken,
misschien over Egypte en Noord-Afrika naar het Pyreneesche schiereiland
gekomen zijn. Hadden de Spanjaarden hen langs Noordelijken weg,
uit Duitschland en over Frankrijk gekregen, dan zouden zij wel den
bij de Franschen gebruikelijken naam "Bohemiens" (Bohemers) voor hen
aangenomen hebben.
De eigendommelijkheden in het karakter die den Spaanschen Gitanos
worden toegeschreven, zijn daarom ter vergelijking, bijzonder
belangrijk en opmerkenswaardig.--Zij stemmen in alle deelen overeen
met die, welke men bij hunne broeders aan het tegenovergestelde einde
van Europa ontdekt, en bewijzen, dat dit volk ook bij zijn tocht
door Afrika, en tot aan de uiterste punten die het bereikte toe,
geheel hetzelfde gebleven is. Hunne taal heeft in Spanje dezelfde
Sanskritische elementen als elders, en de physionomie dezer oude,
eerwaardige taal komt ook bij hen, "als een in lompen gekleed
wijsgeer, uit de hun eigen geworden fragmenten van vreemde taaleigens
te voorschijn."
Hunne bezigheden en neigingen zijn daar dezelfde als elders. Huwelijken
tusschen Spanjaarden en Zigeuners vinden uiterst zelden plaats, en het
ras bestaat, volgens getuigenis van Borrow, den geschiedschrijver der
Spaansche Zigeuners, zeer zuiver en onvermengd, even als in Engeland,
in Schotland en aan den Donau. Het is in Spanje den welwillenden Karel
III even weinig gelukt, hen te beschaven en aan een rustiger leven
te gewennen, als in Oostenrijk den humanen Jozef II. Het aankweeken
van paarden, bedriegelijke paardenhandel en paardenroof is daar,
even als in Hongarije, in zoo hooge mate hunne liefhebberij, dat de
Spanjaarden, om deze bezigheid uit te drukken, het woord "Gitaneria"
(zigeunerij) gebruiken. "De Spaansche Gitano" zegt Borrow, "is het
lichtzinnigste, ongeloofwaardigste, wankelmoedigste en ondankbaarste
schepsel ter wereld. Zijn weldoener verraadt hij, zonder zich er het
minste gewetensbezwaar van te maken, en wat hij in den morgen verdient,
verkwist hij reeds voor den avond."
Dit alles en _in één woord ook alles anders_, wat men bovendien
nog aangaande de Spaansche Gitanos aangemerkt vindt, komt zoozeer
overeen met wat wij van de Zigeuners in andere landen hoorden, dat
het nauwelijks noodig zijn zal, de portretten nog eens in al hunne
bijzonderheden te vergelijken, om de stelling te bevestigen, dat
dit Aziatische volk door geheel Europa heen, en men kan er aanstonds
bijvoegen, ook in Brazilië en in andere gedeelten der nieuwe wereld,
waarheen hen het noodlot in den nieuweren tijd eveneens gevoerd heeft,
op eene hoogst wonderbare en op even beklagenswaardige wijze zich
zelven trouw is gebleven.
Ook bij de Joden heeft men dikwijls deze zelfde buitengewone taaiheid
en onveranderlijkheid van het nationaal-karakter opgemerkt. Bij
de Zigeuners echter is zij toch nog veel merkwaardiger en
onverklaarbaarder dan bij de Israëlieten, Turken, Armeniërs of bij
alle andere Aziaten.--Bij de Turken, wien eene zoo groote politieke
macht ter zijde staat, en die in geconcentreerde massa te samen leven,
laat zich de zaak gemakkelijk begrijpen. Het andere onder de geheele
Europeesche familie verspreide volk, de Israëlieten, heeft zijne
nationaliteit op stevige fundamenten opgetrokken. Zij hebben grootsche
overleveringen, eene heldhaftige en geloofwaardige geschiedenis. Zij
bezitten eene zeer beschaafde taal en rijk ontwikkelde literatuur. Hun
geheele huiselijk en innerlijk leven wordt door eene aaneenschakeling
van oude, zeer duidelijke bepalingen geregeld en bijeengehouden. Zij
zijn eindelijk een door en door godsdienstig volk. Hun godsdienst, die
hun geheele leven doordringt, is hoogst eigenaardig. Zij beschouwen
zich als Gods uitverkoren volk, en ieder individu is even als het
geheel, door dit geloof bezield. Hoe geheel anders is zulks het geval
met hunne lotgenooten, met den even als zij, in de wereld rondgeworpen
en voorttrekkenden stam uit Hindostan. De Zigeuners hebben niet eens
Goden gehad. Zij hebben geene vaste grondstellingen en gebruiken,
geene geschiedenis, zelfs geene overlevering, ja nauwelijks een
hun eigenaardig bijgeloof: want ook de verschillende soorten van
_bijgeloof_ der volken, tot welke zij zich begeven, nemen zij even
gemakkelijk aan, en laten zij even gemakkelijk weder varen, als
hunne godsdiensten. Zij hebben ook geene bijzondere, hen van anderen
onderscheidende, uiterlijke kenteekenen behouden, geene nationale
kleeding, geen bijzondere soort van doop of eenige andere het volk
eigene kenteekenen. Bij de Tataren kleeden zij zich Tataarsch,
bij de Spanjaarden Spaansch, en overal hebben zij zich in de lompen
gekleed, die de andere volken hun toewierpen. Hun woordenboek heeft,
zooals de geleerde Pott aantoont, geene uitdrukking voor het begrip
"hebben" en "bezitten", ook geen voor "moeten" of "plicht" of
"wet". Zij hebben hunne geheele "zaak op niets gesteld." Zij zijn
onder ons opgegroeid, zooals luchtplanten, zonder wortelen, zonder
bodem, zonder vaderland. Zij vormen ook nergens zulke talrijke en
compacte gemeenten, als de Israëlieten. Zij leven luchthartig en
los, nauwelijks stamsgewijze, maar overal alleen familiesgewijze,
en deze Zigeuner-familiën zijn als het onkruid dat men op de steppen
van Rusland aantreft, dat daar "de windsbruid" genoemd wordt, en
dat, zijne zaadkorrels en bloesems met zich medevoerende, van den
grond losgerukt, door den wind, door de lucht en over de heuvels
gevoerd,--als het water in droppels en atomen over Europa verbreid
wordt. Hun ontbreekt in één woord alles, wat eene duurzame en blijvende
nationaliteit verzekert. En niettegenstaande dat alles, zijn toch die
atomen onder het gewicht der andere op hen drukkende nationaliteiten,
tot nu toe nog niet verdrukt; niettegenstaande dat alles bezit,
zooals ik reeds trachtte aan te toonen, ieder droppeltje uit die
bron tot op den huidigen dag geheel en al de kleur, de temperatuur
en het karakter van het geheel, als waren het niet schuim en bellen,
maar ontelbare harde granietblokken. Hun geheele bestaan en behoud is
in de geschiedenis van het Europeesche menschengeslacht een raadsel,
dat wij alleen bewonderen maar niet voldoende verklaren kunnen.