De Armeniërs hebben zich ten gevolge,--of ten minste _grootendeels_
ten gevolge--der hun door de Turken gegevene impulsie zoover in
Europa verstrooid, en hebben zich in menige streek van ons werelddeel,
even als de Joden zoo ingenesteld, dat zij onder ons waarschijnlijk
nog den val van het Osmanische rijk overleven zullen; wij kunnen,
na de Osmanen en Joden geschilderd te hebben, gevoegelijk tot eene
beschouwing der Armeniërs overgaan.
Het vaderland der Armeniërs in Azië, ten Zuiden van den Kaukasus,
is een hoog gelegen bergland vol prachtige weiden, dat zich om den
heiligen berg der arke Noachs, om den Ararat, groepeert. De oorsprong
van dit volk verliest zich in de grijsste oudheid, maar de berichten
aangaande eenen vroegtijdigen bloei, macht en onafhankelijkheid van
het door hen gestichte rijk, zijn zeer mythisch en zeer fabelachtig. De
geschiedenis toont ons hen schier nooit anders dan in afhankelijkheid
en verbrokkeld. Zij zelven noemen zich "Haik," naar hunnen stamvader,
die, even als Abraham, uit de vlakten van Mesopotamië de bergen
binnentrok, en daar de wieg van zijn volk in gereedheid gebracht zou
hebben. Ontelbare malen tot op den tegenwoordigen tijd, werd hun land
door naburige veroveraars onderworpen en verdeeld.
Met zekerheid kennen wij slechts ééne periode van groote Armenische
nationale macht en bloei. "Tigranes de Groote," een Armenisch Vorst
ten tijde van Pompejus, onderwierp zich een aanzienlijk gedeelte van
Westelijk Azië. Sedert deze groote Tigranes door de Romeinen overwonnen
werd, is Armenië bijna altijd, ofschoon af en toe nog zelfstandige
en inheemsche regenten-familiën voor korten tijd bij hen optraden,
een speelbal der naburige machten, een schouwplaats van Aziatische
harrewarrerijen en oorlogen geweest, en weldra geheel of gedeeltelijk
door Byzantynsche, Egyptische of Perzische Satrapen, Arabische of
Turksche Pascha's en Russische gouverneurs beheerscht geworden. Even
als de Joden werden de Armeniërs nu eens door dezen, dan door genen
machthebber uit het land verdreven, of in gevangenschap weggevoerd,
of wel ter kolonisatie naar afgelegene provinciën gezonden. Dit
treurige lot, even als de armoede hunner eigene bergen, die zij
dikwijls, even als onze Alpenbewoners, vrijwillig verlieten, heeft
hen zeker tot datgene gemaakt, wat zij geworden zijn, tot een even
als de Joden overal verspreid, overal speculeerend handelsvolk.
Reeds vroegtijdig hadden zij handelsverkeer met Babylon, waarheen
zij langs den bij hen ontspringenden Eufraaat, de producten hunner
berg-dalen voerden.--Ook naar Tyrus en andere Phenicische steden
zouden zij reeds in de oudste tijden, de muildieren en paarden, die
zij op de in hunne bergen gelegene weiden aanfokten, gebracht hebben,
even als zij ook aan het hof der oude Perzische Koningen, jaarlijks
20,000 veulens van hunne edele en beroemde paarden-rassen leverden.
Hoe meer zij hunne zelfstandigheid en hun oorlogzuchtig karakter
verloren, des te handeldrijvender werden zij, zoodat zij zich
ten laatste als handelscommissarissen over geheel Azië verspreid
hebben. Men vindt ze reeds vroegtijdig tot in Hindostan toe, van waar
ons reeds in de midden-eeuwen door hunne bemiddeling, de rabarber, de
zijde, de edelgesteenten, kruiden en andere kostbare waren toegevoerd
en in het Westen verdeeld werden. Zij waren en zijn, in deze takken
van Oosterschen handel, in zekeren zin de mededingers eerst der Joden
en Arabieren en later van het andere, reeds dikwijls genoemde en nog
verder oostwaarts verspreide volk, de Tadschiks of Bucharen. Later
heeft de handelsgeest hen zelfs in het Oosten naar China en in het
Zuiden naar de bronnen van den Nijl gevoerd, waar de geschiedenis
ons bij wijlen in Abessinië invloedrijke Armeniërs toont.
Ook reeds in Europa zelve moeten deze Aziatische industrie-ridders,
reeds vroegtijdig bezoeken hebben afgelegd; enkele wellicht reeds
met de oude Pheniciërs, Grieken en Romeinen. De Byzantijnsche Keizers
verplantten sedert de 8ste eeuw vele uit hun land verdrevene Armeniërs,
die reeds vroegtijdig ijverige aanhangers van het Christendom waren
geworden, naar Europa, en ruimden hun wijken in Thracische en Grieksche
steden in. In de midden-eeuwen, ten tijde der kruistochten, zullen
waarschijnlijk ook de Venetianen en Genueezen hen hebben leeren kennen,
en naar hunne Europeesche markten gebracht hebben.
Evenwel zijn zij eerst hoofdzakelijk en in grootere massa's tot
ons gekomen, na de veroveringen der Polen, Russen en Turken in het
Oosten,--en sedert hebben zij zich dan ook op verscheidene Noord- en
West-Europeesche punten nedergezet. Eene der eerste, vaste Armenische
gemeenten, die ons bekend zijn, heeft zich in het midden der 13de
eeuw in Lemberg in Gallicië gevormd, waar zij van de Gallicische
Vorsten zelfs een eigen magistraat verkregen, en waar zij nog heden
ten dage onder een afzonderlijken bisschop staan. Van daar uit hebben
zij zich in kleine genootschappen of factorijen over alle steden van
Polen verspreid. Ofschoon zij daar hunne Armenische taal vergeten
hebben, en ofschoon daar ook hunne Kerk zich aan die der Katholieken
aangesloten heeft, zoo herkent men hen daar nu nog overal aan hun
eigenaardige Oostersche gelaats- en lichaamsbouw, zoo als ook aan
hunnen ouden speculatieven zin.
Even als in hunne Aziatische berglanden, zoo leggen zij zich ook in
Polen hoofdzakelijk op den veehandel toe, en trekken zij met de kudden
rundvee en paarden uit Podolië en Ukraine naar Warschau, Krakau en ook
naar Breslau in Duitschland.--Ook hebben zij in deze landen buitendien
nog altijd een groot deel van den handel in Turksche en Perzische waren
in hunne handen, en deden zij daarvoor weleer dikwijls groote reizen
van de Duitsche grenzen tot naar Perzië en tot diep in het Oosten.
De Turken, die sedert het einde der 15de eeuw den Perzen bijna geheel
Armenië afnamen, brachten het volk weder in grooten getale naar
Constantinopel, waar sedert dien tijd de Armeniërs naast de Joden,
Italianen en Grieken tot de aanzienlijkste en ondernemendste kooplieden
behooren.--Men vindt ze nu ook als kramers, beambten, pachters van
tollen en in de meest verschillende betrekkingen in alle steden van
Europeesch Turkije, waarin zij naast de Grieken en Osmanen de derde
rol spelen.
Voornamelijk zijn zij de bankiers der Pascha's, en men kan zeggen,
dat bijna alle inkomsten der Turksche provinciën door hunne
handen gaan. Zij crediteeren hunne Pascha's in Constantinopel bij
de regeering, zenden dan echter ook hunne agenten mede naar de
provinciën, om op de inning der belasting het oog te houden. De
handel in edelgesteenten en paarlen in Turkije is bijna geheel in
hunne handen; zij zijn de voornaamste juweliers en geldwisselaars
der Turksche hoofdstad.
Van uit het Turksch-Grieksch schier-eiland, verspreidden zij zich
vervolgens met de Turken ook over de Donau-Vorstendommen Moldavië
en Walachije. In Zevenburgen bezitten zij eene eigene stad:
"Armenopolis" genoemd, waarin 400 Armenische familiën wonen, die
handel drijven in hoornvee en in fabriekswaren. In Hongarije wordt
de geheele stad Neusatz bijna uitsluitend door Armeniërs bewoond,
en in de vlakten tusschen Donau en Theiss pachten zij gewoonlijk de
groote Keizerlijke püsten of weiden, om er stoeterijen op te richten
en waar zij, even als eens ten tijde der oude Perzen-Koningen in hun
vaderlandsch bergland aan den Ararat, paardenhandel drijven. Zij zijn
overal ook in Hongarije even als in Polen, de grootste pachters,
vee-fokkers en rundvee-handelaars. Als zoodanig zijn zij dikwijls
rijk en aanzienlijk geworden en somwijlen in den adel van Hongarije,
Walachije, Moldavië en Bukowina opgenomen. Ook onder den Poolschen
adel vindt men somwijlen familiën van Armenischen oorsprong, even
als men eens onder den Spaanschen adel vele familiën van Joodsche
afkomst aantrof.
In verbinding met de Turken, heeft de toenemende macht der Russen het
meest tot de verbreiding der nijvere Armeniërs bijgedragen. Reeds onder
de Tataren hadden zij zich aan de Wolga in Astrachan nedergezet. Toen
de Russen deze stad in het midden der 16de eeuw veroverden, begonnen
de Armeniërs, even als de Bucharen, den handel van Rusland met dien van
het Oosten, in het bijzonder met dien van Perzië, te verbinden. Vooral
Peter de Groote stelde veel belang in hen en verleende hun, in
het einde der 17de eeuw, vele privilegiën voor hun verkeer in en
door Rusland. Daar de Perzen zelven hun vaderland niet gemakkelijk
verlaten, en nog minder gaarne tot groote reizen in Noordelijke
landen besluiten, zoo werden de Armeniërs zoowel in Europa als in
Azië hunne zaakvoerders. Zij zetten zich nu niet alleen in grooten
getale in Astrachan, maar ook in andere Zuid-Russische steden neder,
en maakten zich langzamerhand grootendeels meester van den Perzischen
handel aan de Kaspische Zee; daar hebben zij in beide werelddeelen
hunne kantoren, aan de eene zijde ver naar Iran toe, aan de andere
zijde even ver Rusland in.
Daar de Czaren gaandeweg in die streken eene vaste orde van
zaken in het leven riepen, en begonnen hunne banieren over de
Christenen van het Oosten te laten waaien, zoo namen de Armeniërs
ook bij verscheidene gelegenheden, als zij in de oorlogen tusschen
de Turken en de Perzen in het nauw gebracht werden, met geheele
scharen de wijk naar Rusland. In de tachtigste jaren der vorige eeuw
vluchtten eens niet minder dan 15000 Armeniërs, onder aanvoering
van hunnen aartsbisschop Argutinsky Dolgoruky, over den Kaukasus
naar Europa. Catharina II wees hun verscheidene woonplaatsen aan,
van waar uit zij zich verder verspreidden. Onder anderen stichtten
zij, in de moerassen en steppen van den Don, de niet onbelangrijke en
wel bekende stad Nachitschewan, van waar uit door hen de wijnbouw en
zijdeteelt over Zuidelijk Rusland verbreid werd. In Astrachan, de stad
aan den mond der Wolga, waren reeds tegen het einde der 18de eeuw,
nagenoeg alle fabrieken en industrieele etablissementen in het bezit
der Armeniërs. Zij hebben nu ook hunne factorijen en kleine koloniën
tot aan Moskou, en tot aan de Oostzee in Petersburg vooruitgeschoven.
Nadat Rusland den Kaukasus overschreden was, werd dan ook een
aanzienlijk gedeelte van het oude Armenië, en met dit gedeelte
ook de heilige berg Ararat zelve, de oude hoofdstad Eriwan en het
beroemde klooster Edschmiadzin, de zetel van het opperhoofd der
Armenische kerk, van deze Europeesche macht afhankelijk, en hiermede
werden voor dit Aziatische volk weder vele nieuwe wegen en poorten
naar Europa geopend. Men ziet hen nu ook dikwijls, soms zelfs als
officieren, in het Russische leger, ook zijn zij in den Russischen
adel binnengeslopen, en eenige der bij ons meest bekende namen van
Russische Grooten--ik wil slechts de beroemde familie der Graven
Lazareff noemen--zijn van Armenischen oorsprong.
Ook in Westelijk Europa heeft dit merkwaardige Oostersch handelsvolk,
zich in lateren tijd verder verspreid. Zij ontbreken natuurlijk
niet op de wereldmarkt te Londen. Men vindt ze in Amsterdam en in
Marseille, en eveneens in de Keizerstad Weenen. In de lagunen van
Venetië, op het kleine eiland San Lazaro, dat de senaat in het jaar
1717 aan eene, door den Armenischen hervormer Mechitar gestichte, en
door de Turken uit Morea verdrevene gemeente schonk, hebben zij een
door zijne literarische werkzaamheid, zijne Armenische drukkerij en
opvoedingsgesticht beroemd klooster gebouw, "het Mechitaristen klooster
van S. Lazaro," van waar uit de gezamenlijke Armenische koloniën van
Europa en ook het Aziatische vaderland zelf, gedurende anderhalve eeuw,
van boeken en geletterde zendelingen en priesters voorzien geworden is.
Dergelijke Armenïsche drukkerijen en instellingen voor geleerdheid,
hebben ook bij tijden in Marseille, Rome, Amsterdam, Livorno, Moskou
en in andere plaatsen bestaan. Want trots hun treurig nationaal-lot
zijn de Armeniërs van oudsher,--en ook hierin komen zij met de Joden
overeen--zeer ijverige navorschers geweest, en hebben zij overal
eene levendige belangstelling voor de literatuur van hun vaderland
en van hunnen godsdienst bewaard. Nadat zij--reeds in de 2de eeuw na
de geboorte van Christus--tot het Christendom bekeerd werden en den
bijbel in hunne taal overzetten, hebben zij eene massa theologen en
kroniekschrijvers voortgebracht, en hunne geschiedschrijvers worden,
boven alle historici der Oosterlingen, als kritisch en als mannen
van smaak geroemd. Hunne literatuur is eene rijke bron voor de
geschiedenis der West-Aziatische volken, waarmede die der Armeniërs
steeds innig samenhing.
De taal, waarin zij schreven, is wel rijk en beschaafd, maar even als
hun bergachtig vaderland, uiterst hard, vol opeenhoopigen van lastige
consonanten en schier nooit gehoorde klank-samenstellingen. En daarin
vormen de Armeniërs een opvallend contrast met hunne gebieders,
de Osmanen. Zij, een zacht en buigzaam handelsvolk, bezitten
een hard en ruw orgaan en tongval. Deze daarentegen, de Turken,
een oorlogzuchtig heerschersvolk, hebben eene uiterst zachte,
melodieuse en welluidende taal, wier accenten men met het gekabbel
van het water vergeleken heeft.--Men heeft er lang over gestreden, tot
welken grooteren stam die Armenische taal en het haar sprekende volk,
gerekend moeten worden. Wegens groote overeenkomst met het Syrisch en
Oud-Phrygisch, heeft men de Armeniërs met de Joden en Arabieren tot de
Semitische stammen willen tellen. Vele geleerden waagden het echter
niet, hen bepaald onder de Semiten of eenige andere groote groep te
rangschikken. En de Duitsche taal-vorscher Adelung meende te mogen
beweren, dat het Armenische volk en hunne taal, die zoovele, nergens
anders te vinden eigenaardigheden bezit, eene natie en een tongval
op zich zelve waren en dat zij geheel op zich zelven stonden. Eerst
in lateren tijd is men het daarover eens geworden, dat de Armeniërs
met hunne naburen, de Perzen en Kurden, als ook met de Slawen en
Duitschers, een tak van den grooten Indo-Germaanschen volks- en
taalstam uitmaken. Men heeft in hunne taal de wezenlijkste elementen
en karakter-kenmerken van dezen grooten stam weder herkend, ofschoon
in haar, in de laatste vier eeuwen, tengevolge van het voortdurend
verkeer van het volk met de Turken en Arabieren, niet alleen vele
Turksche en Arabische _woorden_ ingedrongen zijn, maar ook zelfs de
geheele Armenische bouworde der volzinnen, zich naar de wetten der
taalkundigen dezer beide volken veranderd heeft.
Met het aannemen van de Indo-Germaansche afkomst der Armeniërs,
stemmen de opmerkingen, die men over hun lichamelijk voorkomen maken
kan, zeer goed overeen. De Armeniërs zijn een welgemaakt slag van
menschen, zij hebben zeer regelmatige en volle gelaatstrekken en, bij
donker haar en zwarte oogen, eene fraaie, blanke Kaukasische tint, en
hebben onder alle Oosterlingen de meeste overeenkomst met de Perzen,
de echte broeders der Indo-Germanen. Merkwaardig is het, hoezeer
alle Armeniërs op elkander gelijken, en hoe bij hen schier iedereen
even fraai en even welgemaakt is, als waren zij allen van dezelfde
familie. Veel in hun uiterlijk en in hunne manier van doen, en zelfs
in hunne wetten en gewoonten, herinnert echter ook aan de Joden. Zoo
hebben zij b.v. verscheidene Joodsche verordeningen aangenomen, zooals
de Joodsche gebruiken bij het slachten van vee, bij het vasten, en de
Mozaïsche beschouwingen over reine en onreine spijzen. Misschien wijst
dit op eenen vroegeren historischen en ethnischen samenhang beider
volken. Misschien echter ook hebben de Armeniërs deze dingen eerst
met het Christendom, en met den daardoor bij hen bekend wordenden
bijbel overgenomen. Het beroemde Koningsgeslacht der Bagratiden,
dat Armenië in de 9de en 10de eeuw regeerde, zou van Joodsche afkomst
geweest zijn. Ook vindt men bij de Armeniërs, even als bij de Joden,
en daarin verschillen zij, even als andere Oosterlingen, zeer van
de Indo-Germanen--geene standen, geene geboorterechten, geen adel,
geene onderhoorigheid of lijfeigenschap. Hunne gemeenten hebben een
zeer democratisch bestuur, terwijl bij hen, even als bij de Joden,
eene groote patriarchale macht uitgeoefend wordt. De familie-band is
bij hen even sterk als bij de Joden. Zoolang de hoofden van het gezin,
vader en moeder, leven, zoolang blijft steeds de geheele familie één,
en blijven alle leden, zonder dat er boedelscheiding plaats heeft,
onvoorwaardelijk gehoorzaam aan het hoofd. In hun vaderland zelf,
komt het niet zelden voor, dat bij een 80 jarigen patriarch drie
geslachten bij elkander leven en met elkander huishouden, vier à
vijf gehuwde schoonzonen en dochters in den ouderdom van 50 tot 60
jaar, en dan nog kleinkinderen van 30 jaar en hunne kinderen, de
achterkleinkinderen. Even als de Joden, zoo houden ook de Armeniërs
den gemeenschappelijken band van den godsdienst in eere. Deze band
is bij hen sterker dan taal, afkomst en alle andere kenmerken
van nationaliteit. Men heeft hen dikwijls de Christelijke Joden
genoemd. Daarom wil de Armeniër liever naar zijn geloof "Katholiek"
dan naar zijne nationaliteit "Armeniër" genoemd worden. Alleen zij,
die de oude Armenische kerk trouw gebleven zijn, noemen zich gaarne
"Armeniërs," evenwel niet omdat zij tot het Armenische volk, maar
omdat zij behooren tot de Christelijk-Armenische kerk, waaraan zij
hunne beschaving en het geheele bestaan hunner nationaliteit te
danken hebben.
Nergens zijn de Armeniërs in Europa tot zoo diepe ellende verzonken,
als op vele plaatsen de Joden, met wier lot het hunne anders
bijzonder veel overeenkomst heeft. Men treft hen bijna overal aan
als welhebbende, dikwijls rijke en invloedrijke burgers. Dit laat
zich ten deele daaruit verklaren, dat aan deze zeer intelligente en
voor hunne zaken zeer geschikte menschen, als oude Christenen nergens
een zoo hard lot bereid werd als den Joden--ten deele ook daaruit,
dat zij zich nooit zooals de Joden, uitsluitend op den kleinhandel
toelegden. Zij zetten zich ook goedschiks als landbouwende kolonisten
op eene of andere plaats neder, en hier en daar werden zij zeer goede
kunstenaars en fabrikanten.
Overal toonen zij zich een stil en ernstig, volhardend, onverdroten
en onvermoeid volk, alleen verzot op geld verdienen. Matig in eten en
drinken, houden zij weinig van pronk en publieke vermakelijkheden. Zij
zijn het best in hun schik, als zij met de hunnen, in hunne gewoonlijk
zeer zindelijke en zorgvuldig versierde huizen opgesloten, hunne winst
berekenen kunnen. Niet oorlogzuchtig maar bang van aard, trekken zij
zich van alle twistpartijen, onrust en oploopen terug, en tevreden
hunne zaken te mogen drijven, toonen zij zich loyale onderdanen. Zij
koesteren niets minder dan lust tot veroveringen en gedachten
voor eene nationale onafhankelijkheid, geen naar grootsche zaken
strevenden zin, geen geestdrift _pour l'honneur_! Zoo lang hunne zaak
goed gaat, zijn zij de onderdanigste menschen der wereld. Daarom zijn
zij door de Turksche Ulema's ook wel de "_paarlen der ongeloovigen_"
genoemd geworden.
Het geheele getal der in Europa levende Armeniërs zal nagenoeg een
millioen personen bedragen. In Azië zullen er wellicht wel dubbel
zooveel zijn. Van veel meer gewicht echter zou zich dit onder ons
Europeanen verstrooide volk voordoen, wanneer wij de kapitalen en
waarden, die zij bij ons in omloop brengen, konden begrooten.