DE JODEN.

De Israëlieten verhalen ons in hunne eeuwen-oude geschriften en

overleveringen de geschiedenis van hunnen oorsprong nagenoeg op de

volgende wijze:

Niet geheel "2000 jaren na de schepping der wereld" (nagenoeg 2000

jaren voor de geboorte van Christus) leefde aan gene zijde van den

Jordaan, op de steppen van Mesopotamië, onder het bestuur van zijnen

Emir Abraham ("de vader der menigte"), een kleine nomadenstam,

zooals men in Arabië tallooze aantrof. De herdersvorst Abraham en

de zijnen, onderscheidden zich aanvankelijk noch door hunne zeden,

noch door hunne taal, noch ook in hun physisch type van de overige

Arabische herdersvolken. Hunne taal werd in vele dialecten, takken van

den tegenwoordig zoogenoemden Semitischen stam, in groote gedeelten van

het Westelijk Azië gesproken, en met hen verwante nationaliteiten waren

over alle landen tusschen Perzië, de Indische- en de Middellandsche

Zee verspreid.

Alleen met betrekking tot hunne godsdienstige beschouwingen en

gewoonten, waren Abraham en de zijnen begonnen, zich van hunne naburen

te onderscheiden en af te zonderen. Hij moet een vroom en nadenkend

man, met een innig godsdienstig gemoed en met een voorspellenden

geest geweest zijn, en verhief zich daardoor boven zijne landslieden

en tijdgenooten. Hij erkende een eenigen en onzichtbaren God. "Hij

verbond zich met Hem", verwierp het veelgodendom en alle lichamelijke

voorstellingen der Godheid. Hij bekeerde ook de medeleden van zijn

stam tot dit geloof, en voerde bij hen, als teeken van hun geloof,

zekere plechtigheden of eene soort doop in.

Dit maakte echter de Israëlieten oorspronkelijk niet zoozeer tot

een afzonderlijk volk, veel meer slechts tot eene godsdienstige

secte onder de Arabieren. Was Abraham, evenals Mohamed, heldhaftig

en overwinnend uitgetrokken, en had hij met woord en zwaard ook de

andere heidenvolken van zijn vaderland bekeerd, dan zouden wij geen

eigendommelijk afgezonderd Israëlitisch volk gekregen hebben. Maar

het was hem genoeg, bij zich en de zijnen de monotheïstische

godsdienstbeschouwing in hare zuiverheid te bewaren, en de

hemelsche vonken op zijne eigene nakomelingen en stamgenooten

over te brengen. Daardoor vormden deze al ras een contrast met de

overige Semitische stammen, sloten zich van hen uit, leerden op hen,

als niet tot het uitverkoren geslacht behoorende, met trotschheid

neder te zien, werden door dezen op hunne beurt vijandig behandeld,

en daar hun, die een op zich zelven afgesloten geheel vormden, ook

afzonderlijke lotgevallen ten deel vielen, zoo ontstonden bij hen

langzamerhand een eigen physisch _type_, eene afzonderlijke taal,

andere zeden, en een eigenaardig nationaal-karakter. De nakomelingen

en stamgenooten van Abraham werden, ten gevolge hunner godsdienstige

overtuigingen, van eene secte, een van al hunne Semitische verwanten,

(Arabieren, Pheniciërs, Chaldeërs) verschillend volk, dat _eerst_

den naam "Hebreërs" (de van de andere zijde gekomenen) ontving,

omdat zij eerst aan gene zijde van den Jordaan gewoond hadden.

Zeker was dit natuurlijk een zeer langzaam en langdurig proces. Want

langen tijd na Abraham leefden zij nog, naar voorouderlijke gewoonte,

als een herdersstam in het aan weiden rijke dal van den Jordaan,

en ook naar Egypte trokken zij nog als Nomaden; daar werd hun door

de Pharao's in het land Gosen aan de Roode zee een afzonderlijk

weide-district aangewezen. De tocht der Hebreërs naar Egypte

en hun vierhonderdjarig verblijf aldaar, heeft er in de eerste

plaats zeer veel toe bijgedragen, om dit volk van zijn Arabisch

vaderland en van de daar te huis behoorende nomadische gewoonten, te

vervreemden. Toen later Mozes hen daarheen terugvoerde, voelden zij

zich onder de Bedouïnen niet meer te huis, kregen zelfs heimwee naar

het stillere en burgerlijke leven in Egypte, en gaven kort daarop

het nomadisch leven geheel op, terwijl zij onder aanvoering van

Jozua, het Zuidelijke deel van Syrië, het land Kanaän bezetten. Zij

verdeelden dit onder elkander, vermengden zich meermalen met de, na

de bloedige verovering nog overgeblevene oorspronkelijke inwoners, en

legden zich daar toe op landbouw, wijnbouw, kunsten en handwerken,

die zij gedeeltelijk in Egypte geleerd, gedeeltelijk van de in

het land aangetroffene Kanaäniten afgezien hadden. Van Mozes, na

Abraham hun grootste geloofsheld, hun godsdiensthervormer en wetgever,

ontvingen zij eene staatsregeling, berekend naar den nieuwen toestand

waarvoor hij hen bestemde; van deze staats- en godsdienstwetten, was

de kern de oude monotheïstische godsdienst-beschouwing van Abraham,

en daaruit ontwikkelde zich eene vaste hiërarchie, met verscheidene

zeer eigenaardige grondstellingen.

Bijna 400 jaar lang, leefden zij in het land Kanaän onder wakkere

krijgshaftige hoofden, die gewoonlijk "richters" genoemd worden, en

namen toe in aantal, macht en rijkdom. Het was het eerste heroïsche

tijdperk van het volk. Omtrent het jaar 1080, kozen zij zich--ten

gevolge van een opstand tegen de priesters--"Koningen", die zich al

ras, even als de gebieders van andere Oostersche volken, met glans,

onbeperkte macht en wapenroem omgaven. Onder de Koningen David en

Salomo, nagenoeg 1000 jaren na Abraham, bereikte het Israëlitische

volk het toppunt van macht en bloei. Toenmaals heerschte het over een

groot gedeelte van Syrië en Arabië, oostwaarts tot aan den Eufraat en

westwaarts tot aan Egypte en tot aan de kusten der Middellandsche- en

Roode Zee. Op beide zeeën hadden zij hunne vlooten, en wedijverende

met de Pheniciërs, werden zij voor de eerste maal van gewicht in

den wereldhandel. Uit de rijke steden van Phenicië vonden luxe

en schoone kunsten ingang bij hen, en met behulp van Phenicische

werklieden bouwde Salomo zijn tempel in Jeruzalem, een der wonderen

van het Oosten. Onder David en Salomo maakten de Israëlieten zich

beroemd en gevreesd in geheel Westelijk Azië, en onder aanvoering

dezer beide uitstekende Vorsten die zelfs door God in geestdrift

ontstokene dichters en wijzen waren, heeft hunne taal en literatuur

den grootsten rijkdom en hare klassieke zuiverheid ontvouwd.

Vermoedelijk heeft dus toen ook de geest en het karakter van het

volk het hoogste gestaan. Deze periode van bloei duurde echter niet

lang,--nagenoeg 60 of 70 jaar. Die tijd is de korte zonneschijn van het

leven van dit naderhand zoo ongelukkige en altijd zoo hard behandelde

volk. Want nooit heeft het, ofschoon nog tijden van roem en vrijheid

terugkeerden, weder eene zoo groote mate van nationale zelfstandigheid

genoten. De roemrijke tijd van David en Salomo, is in zekeren zin

het verloren paradijs der Israëlieten geworden, waarnaar zij steeds,

maar te vergeefs, terugverlangden, met de herinnering waaraan zich

hunne phantasie steeds bezig hield, en wiens terugverkrijging, naar

zij meenden, de taak van den door hen verlangden Messias zijn zou.

Reeds dadelijk na Salomo, splitste het rijk zich in twee deelen, in

dat van Israël en dat van Juda, die met elkander dikwijls in bloedige

twisten en burgeroorlogen leefden, en die ten laatste, de een na den

ander, de buit werden hunner machtiger naburen (de zich aan den Eufraat

bevindende monarchiën der Assyriërs en Babyloniërs). Niettegenstaande

de inwendige verdeeldheid van het volk, viel het den veroveraar uit

Ninive en Babylon niet gemakkelijk, dit vaderlandslievende, door God

in geestdrift ontstokene en stijfhoofdige volk te onderwerpen. Zij

voerden daarom na iedere overwinning geheele geslachten en stammen

van dit volk, van hunnen vaderlandschen bodem weg, en verplaatsten ze

naar de landstreken aan den Eufraat en de Tigris. Ook hadden zich bij

de verovering van Jeruzalem door Nebukadnezar (in het jaar 585 voor

Christus geboorte) verscheidene gedeelten der bevolking naar Egypte

begeven, en zich in de steden van dat land nedergezet.

Hiermede is dus de merkwaardige verstrooiing der Israëliten begonnen,

die later bij herhaalde omwentelingen zich nog veel verder zou

uitstrekken, en hen ten laatste als vluchtelingen uit Palestina over de

geheele wereld verspreiden zou. Natuurlijk troffen die verdrijvingen of

de zoogenaamde Assyrische en Babylonische gevangenschappen, alleen de

hoofden van het volk, de patriotten, de aanvoerders, de hardnekkigste

stijders. Eene massa rustig levende landbouwers bleef altijd in

het land achter. Maar evenzoo bleef dan ook weder een aanzienlijk

gedeelte der uit hun vaderland medegevoerden, in den vreemde terug,

toen de Persische Koning Cyrus hun, omstreeks het jaar 500, verlof

gaf naar hun vaderland terug te keeren en den ombouw van den tempel

te hervatten. De nationale en politieke eenheid van alle stammen des

volks, die na David en Salomo geheel verbroken was, werd niet weder

hersteld. Daar alleen in het koningrijk Juda,--niet echter in dat

van Israël, welks inwoners (de zoogenaamde tien verlorene stammen)

zich geheel in de overige massa der Oostersche bevolking opgelost

hadden--eene soort wedergeboorte plaats had, zoo heetten de Hebreërs

van nu af aan _Joden_.

De Koningen van het Oosten hadden de weggevoerden in den regel niet

met hardheid behandeld. Zij waren niet gedwongen geworden, de zeden

van hun vaderland tegen de zeden van het land te verruilen, of de

vreemde Goden te aanbidden. Ja! verscheidene kundige Joden waren door

de veroveraars zelfs in staatsdienst genomen en tot hooge betrekkingen

benoemd.--De schoonheid der Joodsche vrouwen evenals het talent der

mannen, heeft hen dikwijls tot invloed en rijkdom gebracht, en velen

hunner vergenoegden zich daarom, bij den wederopbouw des tempels ten

tijde van Cyrus, hun steentje daartoe bij te dragen, maar gingen voort,

den vreemden bodem die hen voedde, als hun vaderland te beschouwen.

Dientengevolge dus--zeg ik--bleef sedert de Assyrische en Babylonische

verovering, de massa van het Joodsche volk, voor altijd in hooge mate

verstrooid. In het vaderland bleef nog geruimen tijd een min of meer

aaneengesloten kern bestaan, en geraakte onder gunstige omstandigheden

bij tijden ook weder tot politieke onafhankelijkheid.

Het groote handelsgenie en de harstochtelijke lust tot speculeeren,

die de Joden in zoo hooge mate kenmerken, zal hun waarschijnlijk reeds

eigen geweest zijn, toen zij nog als herders langs den Jordaan hun

nomadisch leven leidden. Alle Arabische en Semitische stammen munten

door dit talent en door dezen hartstocht uit, die zij toonen zoo

ras hun daartoe maar eene gunstige omstandigheid zich aanbiedt. De

Pheniciërs, de naaste bloedverwanten en broeders der Joden, die ook

met de Joden tot de "Hebreën" gerekend worden, hadden reeds lang

de grootste geschiktheid voor den handel van den toenmaligen tijd

ontwikkeld. Maar ook worden, geloof ik, alle volken, wanneer zij

met geweld aan hunnen vaderlandschen bodem ontrukt en in den vreemde

verstrooid worden, altijd met voorliefde voor handel en speculeeren

bezield. Den akkerbouw en het grondbezit vinden zulke verdrevenen

in het vreemde land reeds in handen van anderen, en het valt hun

moeielijk zich daar in te werken. De over uitgestrekte landstreken

verbreide koloniën of factorijen hunner stamgenooten, die zij kennen

en aan wie zij krediet geven, met wie zij door correspondentie

of door elkander over en weer te bezoeken, in verbinding blijven,

bieden een groot gerief aan, om de produkten van vreemde landen te

ontbieden en ze den inboorlingen van het land toe te voeren. Zulke

onder verscheidene volken verstrooide volkplanters _moeten_ daarom, zeg

ik, bijna van zelf de tusschenpersonen voor het verkeer der menschen,

waaronder zij leven, worden. Er moet zich bij hen eene neiging voor

den handel ontwikkelen. Even als bij de Joden, zien wij dat b.v. ook

bij de Armeniërs, oorspronkelijk een berg-herders-geslacht, die na

hunne verstrooiing een der merkwaardigste handelsvolken van Azië en

Europa geworden zijn. Wij zien het, om een voorbeeld uit den nieuweren

tijd te kiezen, aan de Hernhutters, die oorspronkelijk slechts ten

gevolge hunner godsdienstige verschillen, her- en derwaarts verstrooid

werden, en die later begonnen zijn van uit hunne zendingsplaatsen

een zeer merkwaardigen ruilhandel te drijven, en zich nevens hunnen

godsdienstijver tegelijk een grooten en uitstekenden koopmanszin

eigen te maken.

Uit de enge kringen van hun klein vaderland, waar zij tot nu toe

alleen wijn-, olie- en graanbouwers, herders en veefokkers, priesters

en krijgslieden geweest waren, werden naar hetgeen boven gezegd is,

de Joden in den vreemde en op de banen van het groote wereldverkeer,

noodzakelijk gedwongen zich op de handwerken en op de koopmanschap

toe te leggen.--En was deze neiging eenmaal ontwaakt, dan moesten

diezelfde invloeden ook natuurlijk verder om zich heen grijpen. Ook

zonder nieuwen dwang greep vervolgens de toenemende speculatiegeest

om zich heen, en was de aanleiding tot verdere vrijwillige reizen,

nederzettingen en de stichting van factorijen.

Zoo is het dus geen wonder, dat wij reeds tijdens de groote Persische

monarchie, en niettegenstaande de vergunning van Cyrus om naar hun

vaderland terug te keeren, in alle Medische en Persische steden

Joden zich blijvend zien vestigen,--dat wij hunne koloniën reeds in

de Oostelijke provinciën van dit uitgestrekte rijk waarnemen,--ja,

dat zij toen, 500 jaren voor Christus geboorte, zonder nieuwen dwang,

waarschijnlijk ook reeds in Indië en niet lang daarna ook in China

binnengedrongen waren. Ons wordt bericht, dat reeds lang voor Christus

geboorte, Joden-koloniën in China bestonden. Toen reeds stonden

de Joden bij de Chineezen in hoog aanzien, en verscheidene hunner

moeten zich onder de Keizers van het Hemelsche rijk tot mandarijnen

en stadhouders hebben weten op te werken.

Met de Europeanen kwamen de Joden, het eerst door de Macedonïërs en

Grieken, op belangrijke wijze in aanraking. Het behoeft wel geen

betoog, dat, reeds lang voor Alexander den Groote, enkele Joden

den Europeeschen bodem betreden hadden. Koning Salomo immers moet

reeds zijne vloot met die der Pheniciërs vereenigd, en aan hunne

handels-verrichtingen in het Westen deel genomen hebben, en er zullen

dus toen in de Phenicische koloniën van Afrika en Spanje, ook wel

Joodsche agenten geweest zijn.--Ook is het tamelijk waarschijnlijk,

dat onder de 100 volken, waarmede de Persische Koningen Darius en

Xerxes Griekenland binnenvielen, zich ook krijgslieden uit het land

Kanaän bevonden hebben. Al deze verschijningen der Joden in Europa

zijn deels in hunne geschiedenis zeer duister, deels waren zij van

zeer voorbijgaanden aard en hadden geene blijvende gevolgen. Eerst

de inval der Macedoniërs en Grieken in Azië, die onder anderen het

Phenicische handelsvolk vernietigde, bracht de Joden ons werelddeel

eene goede schrede nader.--Zij sloten zich bij de Grieken aan,

leerden even als andere Aziaten hunne taal, en namen bij de Grieken

de plaats der Pheniciërs in. Voornamelijk bevolkten zij met hen de

groote, sterk bloeiende stapelplaats van den Egyptischen handel, het

door de Macedoniërs gestichte Alexandrië, de opvolgster van Tyrus,

waar zij onder de Ptolomeën eene zeer talrijke kolonie stichtten, en

van waar uit zij met de overige wereld in verbinding traden. Van daar

uit kregen zij punten van aanraking over Cyrene door Noordelijk Afrika

heen, waar hunne geloofsgenooten, stamverwanten en handelsvrienden zich

verspreidden. Van Egypte uit, gingen zij naar Nubië en Abessinië, en

zuidwaarts door de woestijn van Sahara tot in het binnenste van Afrika,

waar naar men zegt, nu nog zwarte Joden-stammen bestaan.--Ja! wij zien

in die tijden ook reeds in de Grieksche kuststeden van Klein-Azië,

eene reeks bloeiende handelsfactorijen der Joden. Men kan dus zeggen,

dat door de Grieken en Macedoniërs, de Joden, die reeds lang in

grooten getale in Azië werden aangetroffen, in zekeren zin tot aan

de poorten van Europa werden vooruitgeschoven.

Het tweede groote Europeesche veroveraars-volk, de Romeinen,

zouden hen eindelijk ons werelddeel geheel binnen halen. Onder de

opvolgers van Alexander had, behalve de verspreide handels-koloniën,

nog altijd in het oude vaderland een aanzienlijke kern Joden, bewoners

der steden, grond-bezitters, landbouwers bestaan, die bij tijden nog

eene bewonderenswaardige, heldhaftige vaderlandsliefde, moed in den

strijd, en zucht tot onafhankelijkheid ontwikkelden en b.v. onder hunne

nationale helden, de Makkabeërs ("strijdhamers"), in de tweede eeuw

v. Chr., tijdelijk een roemrijk, gevreesd rijk herstelden, dat veel

overeenkomst met dat van Salomo had, meestal echter door stadhouders

en onderkoningen der machtige naburige rijken geregeerd werd.

De heldendaden, welke die inheemsche, met heldhaftige geestdrift

voor vrijheid en vaderland strijdende Joden, bij alle aanvallen van

buiten verrichtten--de blijmoedigheid waarmede zij zich allerlei

opofferingen getroostten, om bij de herhaalde verwoestingen van hun

heilig Jeruzalem, telkenmale hunnen Jehovahtempel te herstellen,--de

onvernietigbare geestkracht waarmede zij, wanneer zij inwendig verdeeld

waren, wanneer tijdelijk losbandigheid en zedeloosheid bij hen de

overhand verkregen,--wanneer zelfs, zooals zulks eenmaal gebeurde,

de oude Mozaïsche boeken en bepalingen geheel verloren en vergeten

waren--zich toch weder uit zich zelven verjongden, en den tempel,

zoowel uiterlijk als ook in zich, op nieuw opbouwden,--de ongewone

energie, waarmede zij weigerden de Romeinsche Goden aan te nemen,--de

verschrikkelijke veldslagen die zij den legioenen der meeste gevreesde

Romeinsche veldheeren, eenen Pompejus, eenen Crassus, eenen Vespasianus

leverden,--de aard en de wijze van hunnen eindelijken ondergang,

de laatste opflikkering hunner kracht tegen Keizer Titus, voor wiens

overmacht zij slechts voet voor voet en tot aan den laatsten man en

huis weken,--dit alles vervulde de wereld steeds, en telkens weder

op nieuw, met bewondering voor hen, en _moest_ vooral bij hunne in

het buitenland verstrooide stamgenooten de vaderlandsliefde zeer

versterken, terwijl het hun medelijden voortdurend wakker hield,

hunnen gemeenschappelijken nationalen trots steeds opwekte, en

hen overal, waar zij ook zijn mochten, een verheffend gevoel van

eigenwaarde inboezemde.

De verwoesting van Jeruzalem onder Titus, in het jaar 70 n. Chr.,

en ten slotte na vernieuwde opstanden, de ontzettende bloedbaden,

en de geheele verwoesting van Palestina onder Trajanus en Hadrianus,

moesten diepe en onvergetelijke herinneringen in het gemoed van alle

Joden achterlaten. De laatste der oude tempelsteenen werden toen uit

hunne fundamenten gescheurd. Op de heilige stad liet men ploegen en

deed men boomen planten. Het afgodsbeeld van Jupiter werd op de plaats

der wet-tafelen van Jehovah geplaatst, het oude heilige Hierosolyma

tot op zijnen naam uitgeroeid, met nieuwe kolonisten bevolkt en ter

eere van Keizer Aelius Hadrianus "Aelia" genoemd, tot welk "Aelia"

zelfs aan alle Joden den toegang verboden werd.

De door Jozua eens voor 1500 jaren onder de Israëlieten verdeelde

akkers van het beloofde land, werden door de Romeinen verkocht

en kwamen in vreemde handen. De meeste der na de slachtingen nog

overige inwoners bracht men aan boord der schepen en voerde hen naar

het Westen. In het land zelf bleef maar een klein hoopje, dat echter

van nu af, trots al zijne droomen van herstelling der oude Joodsche

heerlijkheid, en ook enkele zwakke pogingen daartoe, tot op onzen

tijd nooit weder als eene gebiedende natie optreden kon. Dat bij deze,

door de Romeinen veroorzaakte, geheele verstrooiing der Joden door de

wereld, ook de Joodsche koloniën in het geheele Oosten weder nieuwen

toevoer ontvingen, spreekt van zelf. Voor ons echter is het van meer

gewicht te vernemen, hoe de oude Joodsche factorijen in Macedonië en

Griekenland daardoor aanzienlijk versterkt werden, en dat nu de Joden

met de Romeinen ook in eenige andere landen van Europa, in Italië,

Spanje, Gallië, ja zelfs in de Germaansche Rijnlanden, die zij met de

Grieken en Macedoniërs nog niet hadden kunnen bereiken, binnentrokken.

De heidensche Romeinen bereidden den Joden, die zich in hunne

provinciën met der woon hadden nedergezet, een tamelijk dragelijk

lot. Zij vervolgden hen niet--ten minste niet zoo hardnekkig en tot

op het uiterste toe, als zulks later b v. in het Christelijke Spanje

geschiedde [6]--wegens hun geloof; zij lieten hun hunnen godsdienst,

zij stonden hun zelfs ten laatste het Romeinsche burgerrecht

toe. Verscheidene Joden kwamen bij de Romeinen tot aanzien,

betrekkingen en waardigheden. Een Joodsch dichter, Fucus Aristäus,

is door zijn omgang met Horatius onsterfelijk geworden. Een Romeinsch

stadhouder van Sicilië was een Jood enz. Dat nam echter niet weg, dat

de Joden zich met de Romeinen even weinig versmolten als met andere

volken. Hunne godsdienstige grondstellingen, hunne onveranderlijke

trouw aan den God van Abraham en Mozes, hunne oude gebruiken,

waaraan zij onder alle omstandigheden vasthielden, hunne eigenaardige

voorschriften aangaande spijzen en kleeding, waren oorzaak, dat zij

ook bij de Romeinen, even als overal elders, als eene afzonderlijke

kaste bleven bestaan.--Zij waren daardoor ook reeds in het oog der

Romeinen, die dikwijls het hoofd over hen schudden, eigenzinnige,

altijd gelijkhebben willende, op zich zelf staande en onverbeterlijke

menschen, en werden als zoodanig, even als bij ons, dikwijls het

voorwerp van spot en het onderwerp der geestigheden bij Keizers,

schrijvers en volk.

Toch zouden wellicht de Joden bij de onbeperkte burgerlijke vrijheid,

die zij onder de Romeinen genoten, ten laatste, even als zoo menig

ander Oostersch volks-element, dat door de Romeinen naar hunne

Europeesche bezittingen overgeplant was, in den loop der tijden

geheel in Europa verloren gegaan zijn, en zich met de landskinderen

vermengd hebben, als niet het Christendom tusschen beide gekomen

was. Het Christendom, wiens stichter in den schoot van het Joodsche

volk geboren was, welks gezuiverde ideeën het eerst in de harten van

vrome mannen in Juda weerklank vonden, en welks voorschriften het

eerst door Joodsche apostelen in de kleine, in de Romeinsche wereld

verstrooide, Joden-koloniën verkondigd werd--deze nieuwe godsdienst

verscheen aanvankelijk als eene scheuring onder de Joden zelven,

als een vervormd Jodendom.--Overal streden de oude Mozaïsten met de

aanhangers der nieuwe leer, met de ijverzucht van tegenover elkander

staande secten, en weldra met de verbittering van als vijanden tegen

elkander over staande broeders. Toen het Christendom buiten de enge

grenzen der Joodsche gemeenten trad, werd deze vijandige sectengeest

ook op de bekeerde heidenen, die nu vooral die leer verbreidden,

overgebracht, En toen de geheele beschaafde wereld, en eindelijk de

Romeinsche Keizers zelven, tot de nieuwe leer overgingen, toen kwamen

de Joden daardoor in eene veel gedruktere positie, dan ten tijde

der heerschappij van den ouden heidenschen godendienst.--Pogingen

tot bekeering begonnen, en toen deze mislukten ontstonden hevige

vervolgingen, waardoor de in het nauw gebrachte Joden nog meer

verstrooid en versnipperd werden. Huwelijken tusschen Joden en

Christenen werden verboden en andere beperkende bepalingen werden

ingevoerd, door welke alle vermenging der Joden geheel onmogelijk

gemaakt werd, zoodat zij nog meer van de wereld buiten hen werden

afgesneden, en te vaster beperkt werden in den toestand, waarin zij

zelven tengevolge hunner innerlijke neiging zich gebracht hadden.

Niet lang na de aanneming van het Christendom, ging het rijk der

Romeinen door tweedracht en innerlijke verdeeldheid te gronde,

onder het zwaard der invallende barbaren. De heerschappij over

de wereld werd hun ontnomen. In menige streek, zooals b.v. in het

Grieksch-Byzantynsche rijk, verdwenen zij zelfs nagenoeg geheel. Overal

echter bleven de taaie en volhardende Joden zich aan de uit de

overblijfselen gevormde nieuwe rijken hechten, gelijk de buigzame,

moeielijk te vernietigen en vele loten schietende klimop-rank, aan de

deelen van een in elkander stortend gebouw. Ja, trots onderdrukking

en gebrek, wiessen zij zelfs hier en daar zeer welig op en schoten

zij nieuwe loten, uit duizend wonden bloedende en toch onbeschadigd;

over de geheele wereld verspreid en toch als rotsen aan elkander

bevestigd; verschrikkelijk onderdrukt en als het zwakke vrouwelijke

geslacht getyranniseerd, en toch even als veerkrachtige vrouwen

heerschappij uitoefenende, midden door het vreeselijke gewoel der

volksverhuizing heen.

Het allereerst traden zij in het Pyreneesche schier-eiland, het oude

kolonieland hunner broeders, de Pheniciërs, dat den West-Gothen ten

deel was geworden, als een volk van invloed en gewicht op. Hun aantal

en hun aanzien nam in Spanje toe onder de barbaarsche Koningen der

West-Gothen, wien zij zich door hunne uitgebreide ontwikkeling, door

hunne uitgebreide relatiën, door hunne buigzaamheid en slimheid, nuttig

maakten, en door wie zij dikwijls in den staat en in het burgerlijk

leven voortgeholpen werden. Eerst toen de West-Gothen van de Arianische

[7] leer tot het orthodoxe Katholicisme overgingen, kwamen de Joden

daar in eene meer gedrukte positie en werden vervolgens, tegen het

einde der 7de eeuw, voor de eerste maal in Spanje in den ban gedaan,

vervolgd en door de hardste maatregelen tot eene schijnbare aanname van

het Christendom gedwongen. Het vermogen van alle Joden in Spanje moest

ten voordeele der koninklijke schatkist worden verbeurd verklaard. Zij

zelven moesten als slaven over het land verdeeld worden; maar hunne

kinderen moesten hun worden afgenomen, om in de Christelijke leer te

worden opgevoed.

Van deze katholieke West-Gothische verdrukking, werden zij

bevrijd door de Mooren, die sedert 711 Spanje--gedeeltelijk door

de hulp der Joden--veroverden. Onder de heerschappij der meer

verdraagzame Moorsche Koningen, verspreidden zij zich weldra

weder over het geheele Pyreneesche schier-eiland, en namen toe in

aantal en ontwikkeling. Spanje werd toen in de 9de en 10de eeuw het

toevluchtsoord van vele, in andere rijken onderdrukte Joden. Zij

waren daar welgesteld, hadden hunne zelfstandige gemeente-inrichting,

beslisten zelf hunne burgerlijke en godsdienstige geschilpunten,

stonden niet zelden den Moorschen Koningen als raadgevers ter

zijde, streden in de Arabische legers en beoefenden met de Mooren de

wetenschappen. Vele der zoogenaamde Arabische geleerden en dichters

waren geboren Joden. De grootste der _Arabische_ geleerden in Spanje,

de beroemde Avarroes, en het grootste licht onder de Spaansche _Joden_,

de hooggeprezene en wereldberoemde Maimonides waren tijdgenooten

en persoonlijke vrienden (in het midden der 12de eeuw). Met de door

laatstgenoemden nagelatene werken, houden de denkende Joden zich nu

nog onledig, even als wij met die van Aristoteles.

Toen de nieuw gestichte Christelijke Koningrijken, Castilië en Arragon

om zich henen grepen, en den Mooren langzamerhand de door hen bezette

landstreken, de eene voor de andere na--en daarmede tegelijk ook

eene menigte Joodsche onderdanen die daar veel invloed en grondbezit

hadden--afnamen, waagden hunne Spaansche overheerschers het niet,

deze al dadelijk naar Oud-Gothische wijze te onderdrukken en te

verdringen. Zoolang in Spanje naast het Christelijk element zich

het Moorsche nog deed gelden, zou de onderdrukking tot niets anders

geleid hebben, dan dat de verdrukten zich naar de legerplaats van den

nabijzijnden vijand begeven hadden. Hoe groot het aantal der Joden

in beide legers geweest moet zijn, bewijst het best de omstandigheid,

dat toen eens Spaansche en Moorsche legers op een sabbath op elkander

stieten, de slag uitgesteld werd, omdat de talrijke Joodsche strijders

in beide legers zulks verlangden.

Even als bij de Mooren, zoo bloeiden de Joodsche aangelegenheden

gelijktijdig ook bij de Christelijke Koningen van het schiereiland,

wier finantiën gewoonlijk in de handen der Joden waren, en die

somwijlen moeielijke wetenschappelijke opgaven (b.v. Koning Alphons

de Wijze van Castilië zijne beroemde astronomische tafels) door

Joodsche geleerden moesten laten oplossen. Vooral echter verhief

het grondbezit, dat hun toegestaan was, de Spaansche Joden overal

tot vaderlandslievende en weerbare zonen van het land. Zelfs van de

ridderlijke oefeningen der Spanjaarden waren zij niet uitgesloten, en

schenen zij in wezen, taal en houding aan de Spanjaarden gelijk. Hoe

verder het gebied der Christelijke Koningen zich uitbreidde, hoe minder

de Mooren te vreezen waren, hoe grootere overwinningen het kruis

behaalde, des te meer ook veranderde dit. Met het aantal van anders

geloovende onderdanen, die men met de nieuwe veroveringen opnemen

moest, nam ook de angst voor en de strengheid tegen hen toe. De

geestelijkheid verlangde hunne bekeering, en toen zij tegenstand

boden, ontstonden reeds tegen het einde der 14de eeuw eenige bloedige

vervolgingen. Wel hebben in zulke omstandigheden de Joden in Spanje

soms, in groot aantal hun geloof verloochend en het Christendom

aangenomen, wat zij in andere landen, zelfs bij het hardste lot,

nagenoeg nooit gedaan hebben: maar dit laat zich daaruit verklaren,

dat zij overigens zoo geheel met de Spanjaarden gelijk gesteld waren

en zij bij eene weigering, in dit hun zoo gunstige vaderland zooveel

te verliezen hadden. Het meerendeel echter bleef ook in Spanje het

geloof hunner vaderen trouw, en tegen dezen slingerde nu, toen de zaken

langzamerhand tot rijpheid gekomen waren--nadat de verschrikkelijke

en snoode inquisitie diepe wortels geschoten had--in hetzelfde jaar,

waarin de laatste Moorsche staat in Granada onderdrukt was (1495),

Koning Ferdinand zijne vreeselijke verbannings-dekreten.

Deze Koning meende dat hij den Schepper zijn dank voor de op de

Mooren behaalde overwinning niet beter bewijzen kon, dan door òf

de Joden te noodzaken het geloof hunner vaderen af te zweren òf

hen uit Spanje te verdrijven. Driemaal honderdduizend Spaansche

Israëlieten verlieten het land, waarin zij langer dan de voorvaderen

van Koning Ferdinand gewoond hadden, en waarin hun leven hoopvoller

en schitterender geweest was dan ergens anders in Europa. Zij

verkochten hunne fraaie bezittingen voor spotprijzen, de een zijn

wijnberg voor een pakpaard, de ander zijn huis voor een reismantel

aan de geldgierige Spanjaarden. Velen vluchtten onder onnoembare

kwellingen over de zee, en zochten in Afrika, in Italië en in het

Oosten een nieuw vaderland. Twintig duizend familiën vonden een

tijdelijk toevluchtsoord in Portugal. Daar echter de Portugeesche

Koningen en geestelijkheid weldra de Spaansche politiek volgden,

doordien ook daar de Spaansche inquisitie ingevoerd was, werden

ook daar de Joden door bekeerings-bevelen en verbannings-decreten

getroffen, en moesten zij weldra hun zwaar kruis weder op zich

nemen, en hunnen met doornen voorzienen wandelstaf weder ter hand

vatten. Verscheidene Joden lieten zich, in Lissabon achterblijvende,

doopen. Maar ook deze verstrooiden zich bij latere verontrustingen,

die hun om hun geloof aangedaan werden (want in het geheim plantten

zij het Jodendom op kinderen en kindskinderen voort) naar Bordeaux

en Bayonne, naar Frankrijk, en vooral naar de tegen de elementen en

tyrannen kampende Nederlanden, waar in de 16de eeuw, de Voorzienigheid

voor alle vervolgden en onderdrukten eene haven geopend had, en later

naar Hamburg en andere Noordsche steden.

Deze sedert de tijden van Karel V en Philips, in het Noorden en het

Oosten verspreide, zoogenaamde Portugeesche Joden, die nu nog overal

hunne Spaansche zeden en taal, als eene herinnering aan het land

hunner vaderen, getrouw blijven, maken een bijzonder geachten tak

van het Joodsche volk uit. Zij munten boven de Duitsche en Poolsche

Joden uit, door hun manlijk en rechtschapen karakter en door eene

edele houding. Men meent het hun te kunnen aanzien, dat zij eens eene

onafhankelijke stelling genoten en eigen grond onder hunne voeten

gehad hebben.

In het land ten noorden van Spanje, in Frankrijk, hebben de Joden

nooit zooveel gewicht in de schaal gelegd als in het Pyreneesche

schier-eiland, ofschoon zij ook daar sedert de tijden der Romeinen,

in de steden woonden. Lyon was een hunner belangrijkste plaatsen. Zij

maakten zich door hunne kennis, waarin zij de toenmalige Christenen

overtroffen, en door hunne uitgebreide relatiën dikwijls zeer nuttig

bij de eerste Koningen der Franken. Karel de Groote zond een Jood als

afgezant naar den Kalif Harun-al-Raschid. Lodewijk de Vrome verzette,

ter wille der Joden, den marktdag in vele plaatsen van Frankrijk

van sabbath op een anderen dag der week. Karel de Kale maakte de

belasting der Joden nagenoeg gelijk aan die der Christenen. Maar hoe

meer het leenstelsel veld won, hoe meer de macht der Bisschoppen en

der Kerk zich uitbreidde, des te meer werd den Joden de bescherming

der Koningen onthouden, en moesten zij voor het geweld van een hen

vervolgenden clerus onderdoen. Zij werden door de in Frankrijk

zeer hierarchische en invloedrijke geestelijkheid bestreden,

en door de somwijlen opflikkerende geestdrijverij der Franschen

zeer in het nauw gebracht. Na de tijden der Karolingers herhaalden

zich de Joden-vervolgingen in alle plaatsen van Frankrijk. Meer dan

eens werd nu ook, door de onder den invloed van den clerus staande

Koningen, het gezamenlijke vermogen hunner Joden verbeurd verklaard;

zij overvielen en plunderden ze in het geheele rijk en verdreven

hen. Eens deed dit Philips Augustus in het jaar 1182, en eene andere

keer Philips de Schoone, dezelfde ijdele en hebzuchtige despoot,

die de wreede vervolging der tempelheeren in het jaar 1306 beval. De

Joden spreken over de vervolgingen onder dezen laatsten Koning, als

over de verschrikkelijkste die zij door te staan hadden. Al hunne

synagogen werden in Christelijke kapellen veranderd. De Parijsche

synagoge schonk de Koning aan zijn koetsier Jean Truvin. Na dien

tijd verheugden de Joden zich in Frankrijk, ofschoon zij nog eens

weder teruggeroepen werden, nimmer weder in een rustig bestaan. Het

eigenlijke Koningrijk Frankrijk was toen nog klein, en zij vonden

somwijlen bescherming in de min of meer onafhankelijke, naast Frankrijk

gelegene landen. Maar af en toe werden zij toen ook van het eene

naar het andere Hertogdom verjaagd. In het jaar 1320 hadden zij

in Zuidelijk Frankrijk de groote zoogenaamde herders-vervolging te

verduren. Geïnspireerde schaapherders waren in Zuidelijk Frankrijk

als profeeten opgestaan, en hadden het volk tot een kruistocht naar

het beloofde land opgewekt. Volgens de spreuk: "het hemelrijk behoort

den eenvoudigen," geloofden en stelden zij vast, dat het Heilige land,

dat zoovele Koningen en Keizers vergeefs getracht hadden te veroveren,

slechts door eenvoudige menschen kon teruggewonnen worden. Zij brachten

eene massa herders, boeren, landloopers en boeven op de been, die

zich in beweging stelden, maar niet eens kundigheden en middelen

genoeg bezaten, om uit Frankrijk te kunnen komen. De tocht liep uit

op eene algemeene plundering en gedeeltelijke uitroeiing der Joden,

in de steden van Languedoc en Provence. Karel VI, dezelfde meestal

diepzinnige Koning, die op een beroemd gemaskerd bal als satyr verkleed

in brand geraakte en in levensgevaar verkeerde, tengevolge waarvan

hij zijn verstand verloor, maakte het den Joden eindelijk geheel

onmogelijk in Frankrijk te vertoeven, doordien hij hen in het jaar

1394 voor altijd uit Frankrijk verbande.

Eerst met het verkrijgen der Duitsche provincie Elsasz, onder Lodewijk

XIV, kreeg Frankrijk weder een aanzienlijk getal Joden. Onder

Hendrik II, in het jaar 1550 waren slechts eenige weinige dier

zoogenaamde Portugeesche Joden in Bayonne en Bordeaux opgenomen, en

deze, zooals nog eenige andere sedert dien tijd weder in het land

gekomene Joden, zijn eindelijk ten gevolge der nieuwere Fransche

politieke hervormingen, en voornamelijk door de hulp van hunnen

grooten beschermer Napoleon, hunnen weldoener en bevrijder, geheel

met de overige burgers gelijk gesteld en als Franschen erkend.

Het Engelsche Jodendom was schier altijd een tak van het Fransche,

want uit Frankrijk kreeg Engeland vermoedelijk, tegelijk met het

Christendom, zijne eerste, nog weinig talrijke Joden, en later met de

Noormannen onder Willem den Veroveraar een aanzienlijker aantal. Zij

verwierven zich aanvankelijk onder de Engelschen, door hunne industrie

en voornamelijk, even als overal elders, door hunne geschiktheid tot

het leiden van geldzaken, welstand en rijkdom, werden echter door de

Koningen weldra zoo gebrandschat, en door het volk, ten tijde der

kruistochten, zoo dikwijls geplunderd, mishandeld en gedecimeerd,

dat ook daar hunne zaken in verval kwamen en hunne hardverdrukte

gemeenten verarmden. Koning Eduard I, een groot krijgsman en held, de

veroveraar van Wales en Schotland, beval in het jaar 1290 plotseling,

dat alle ellendige en geheel beroofde Joden het Koningrijk moesten

ruimen; vermoedelijk omdat hij het nut, dat hij van hen trekken kon,

niet groot genoeg vond, om deswege den Jodenhaat zijner Christelijke

onderdanen, en de ophitsingen zijner geestelijkheid nog langer te

wederstaan. Zestien duizend arme vluchtelingen verlieten daarom met

schepen het groene eiland, waarop zij niets dan de oorkonde hunner

ellende, eenige plaatsnamen en hunne grafsteenen achterlieten. Zoo

ontstond er in de 16de en 17de eeuw eene periode, waarin tengevolge

der verbannings-edicten van de Koningen van Spanje, Frankrijk en

Engeland, in het geheele Westen van Europa bijna geene Joden meer

te vinden waren. Cromwell, in wien menige Jood een Messias zag, en

zijne Independenten, die zich geloofsvrijheid wisten te verwerven,

begonnen intusschen de Joden weder naar Engeland terug te voeren,

en sedert dien tijd hebben zij, in het nu gaandeweg verdraagzamer

wordende land, van den fanatieken haat en van de talrijke, in andere

landen nog voortgezette, Jodenkwellerijen minder geleden, en men

heeft daar nu tot op onze dagen, aan hunne steeds grooter wordende

vrijheid en gelijkstelling met de andere staatsburgers, met zeer veel

gevolg gewerkt.

Misschien heeft geen volk zich in de midden-eeuwen minder door bloedige

Joden-vervolgingen bevlekt dan de Italianen, die den Paus zelf in

hun midden hadden, en die zich misschien juist daarom minder schuldig

maakten aan godsdienstige onverdraagzaamheid en fanatisme, dan de meer

verwijderde natiën der Christenheid. De oude Romeinsche geest, de Joden

te dulden, is in Italië nooit geheel verloren gegaan--noch in Sicilië,

zoolang het niet onder Spaansche heerschappij kwam, waar de Joden zich

beroemen Palermo tot eene bloeiende stad gemaakt te hebben,--noch in

Napels, waar zij sedert de tijden van het Romeinsche Keizerrijk in

alle landschappen woonden, waar zij in de middeneeuwen te Bari eene

beroemde hoogeschool hadden, en van waar zij eerst door de Spaansche

heerschappij verdreven werden--noch zelfs in Rome, waar de Joden, even

goed als de Christenen, als er een nieuwe Paus gekozen was, met groote

vreugde, onder het zingen van lofliederen, met hunne vaandeldragers,

schrijvers en rechters--naar het oude gebruik hunne Thora (wetboek)

onder den arm dragende,--het nieuwe opperhoofd der kerk tegemoet

gingen en hem in de Hebreeuwsche taal toespraken, terwijl de Paus hun

in het Latijn genadig antwoordde. Zeker echter verhinderde dit niet,

dat menige Paus zich den Joden ongenadig betoonde, en hen soms bij

geheele scharen verdreef, ja soms zelfs verbrandde.

In de 13de en 14de eeuw stonden de Joden in innigen samenhang met

alle Italiaansche geestes-werkzaamheden, en vooral was Rome de zetel

van een levendig, zelden verhinderd Joodsch gemeente-leven. Toen ten

tijde kregen de Joden in Duitschland, even als die in Frankrijk, hunne

ontwikkeling en hunne letterkundige werken van de Italiaansche Joden,

en de uit Duitschland even als uit Frankrijk voorvluchtige Joden,

werden meermalen in Italië opgenomen. Den uit Spanje verdrevenen

bereidden de Medici een asyl, en voornamelijk door hen, maakten zij

hun Livorno tot eene wereldberoemde zeehandelstad. Livorno was altijd,

even als later Amsterdam, een centraalpunt van het Joodsche leven.

Van het, in de Venetiaansche landen heerschende bedrijvige en

ongestoorde leven der Joden, hebben wij de onloochenbaarste

bewijzen. Er bestonden in Venetië drie klassen van Joden, de

zoogenaamde "Ponentini" (de Westelijke) uit Spanje, de "Levantini"

(de Oostersche) en de Duitsche uit het Noorden, welke laatsten het

armst waren. Zij stonden daar aan het hoofd der geldzaken, hadden

echter somwijlen ook hunne eigene zeeschepen. Zij werden door de

regeering der republiek altijd op dezelfde wijze behandeld, benuttigd

en in hunne--hoewel zeer beperkte--rechten ook tegen de inquisitie

beschermd. De zusterstad Genua toonde zich echter den Joden veel minder

gunstig gezind, en heeft hen ook nooit in grooten getale binnen hare

muren toegelaten.

In latere tijden liet zich Italië, even als in andere zaken, ook met

betrekking op den vooruitgang die de zaak der Joden-bevrijding maakte,

door andere landen overtreffen. Het tegenwoordig _Italia Unita_

zal daar echter ook wel beter voor zorgen.

Een zeer treurig schouwspel biedt ons de geschiedenis der Joden in

Duitschland aan, waar zij zich ook reeds sedert de tijden der Romeinen

in de Rijn- en Donausteden nedergezet, en zelfs hunnen handel op

schepen langs deze rivieren gedreven hadden. Bij het ontstaan van

een op zich zelf staand Duitsch rijk, na Karel den Groote, werden

zij onder dezelfde omstandigheden en door dezelfde middelen, als

eens ten tijde der Assyrische Koningen, namelijk door vervolgingen

en door gewelddadige verplaatsingen verder naar het Noorden en het

Oosten verbreid. Gedurende de middeneeuwen zijn zij nu eens in deze,

dan weder in gene Duitsche stad, waarin zij wortel geschoten hadden,

uitgeroeid, nu hier dan daar, werden zij uit het land gezet en in

gevangenschap weggevoerd. Zij begaven zich dan naar meer afgelegene

landschappen, en daar, naar den wankelmoedigen geest der Vorsten en der

volksstemming, op een verbannings-edict (zooals onder Nebukadnezar)

meermalen weder eene terugroeping (zooals onder Cyrus) volgde, en

daarbij ook altijd, zooals bij Esra en zijnen terugkeer, een gedeelte

in den vreemde achterbleef, zoo gevoelden zij zich langzamerhand in

alle kreitsen en marken van Duitschland te huis.

Den verschrikkelijksten en voor hunne verspreiding de grootste

gevolgen hebbenden tijd, beleefden zij in Duitschland, even als elders,

gedurende de kruistochten, toen de geheele bodem van Midden-Europa,

en vooral het zeer godsdienstige en zeer opgewondene Duitschland,

van Christelijken ijver gloeide. De kruisridders meenden hunne

buitenlandsche roeping tegelijk met het werk eener binnenlandsche

roeping, tegen de niet-Christenen in het vaderland te moeten

beginnen. Men verdacht de Joden, (deels omdat zij Christenvijanden,

deels ook omdat zij Aziaten waren) van met het Oosten te heulen. Zij

waren beschuldigd geworden de Mooren naar Spanje geroepen te hebben,

zij werden aangeklaagd het met de ongeloovige Saracenen te houden,

zij zouden zelfs later ook de Mongolen naar Spanje gelokt hebben. De

kruisvaarders begonnen daarom de verovering van Jeruzalem reeds aan

den Rijn en aan den Donau, waar wreedheden tegen de arme kinderen

Israëls werden uitgeoefend, zooals hunne voorvaderen die nauwelijks van

Salmanassar geleden hadden, en bij welke gelegenheid de vertwijfelde

Israëlieten, bij de verdediging van hunne Jodenkwartieren, van hunne

synagogen en van hun geloof, een heldenmoed en eene gelatenheid aan

den dag legden, als vroeger de Makkabeën bij de verdediging hunner

heilige oorspronkelijke woonplaatsen. Sedert den tijd der kruistochten

waren bloedige vervolgingen der Joden in Duitschland eene zeer gewone

verschijning, en zij keerden in den loop der tijden zoo dikwijls terug,

als onweder en hagelslag in den loop van het jaar.

Het gewichtigste gevolg van al het lijden, dat met de kruistochten

in Duitschland over de Joden kwam, en hun gedurende de 12de, 13de

en 14de eeuw bleef drukken, was ongetwijfeld de gedurige beweging

der Duitsche Joden naar het Oosten, naar de Slawische landen, naar

Moravië, Silezië en Polen, waar, onder de daar aanvankelijk zeer

gunstige verhoudingen, hunne gemeenten beduidend vermeerderden. Reeds

vroeger met de eerste overwinningen der Duitschers op de Slawen, en met

het binnendringen van Duitsche burgers, waren ook Joden in Slawische

steden gekomen. Duitschland was eene groote Joden-kweekschool voor

de Oostelijk gelegene landen, en daaruit laat het zich verklaren,

dat nu nog, in bijna alle Joden-koloniën in Hongarije en Polen,

overal de Duitsche taal heerscht.

Maar ook Duitschland zelf moest een der voornaamste Joden-landen

van Europa blijven, want het ontving steeds nieuwen toevoer uit het

Westen, waar zooals reeds gezegd is, de inquisitie en de machtig

gewordene monarchen de Joden geheel verdreven. In Duitschland, waar

noch de inquisitie, noch den doortastende wil van eenigen erfelijken

souverein zoo veel vermocht, waar zich, zoo zij uit de eene plaats

verdreven werden, eene andere plaats hun weder een toevluchts-oord

was, kon men de Joden niet, zooals in Frankrijk, Engeland en Spanje,

door één enkele pennestreek verdrijven. Dien ten gevolge zien wij nog

altijd verreweg het grootste gedeelte der Joden van het christelijk

Europa, onder de Duitschers en Slawen verstrooid. Voornamelijk echter,

zooals reeds opgemerkt is, bij de laatsten en bij voorkeur in al de

uitgebreide provinciën, die eens tot het Koningrijk Polen behoorden.

Nagenoeg de helft der Joden van ons werelddeel wonen onder de Polen

aan den Weichsel, aan de Duna en aan den Dniepr, even als vroeger het

grootste gedeelte van alle Aziatische landverhuizers uit Palestina, aan

den Euphraat en den Tigris. Naast de reeds vermelde aanleidingen van

buiten, hebben ook de innerlijke omstandigheden der Polen en van eenige

hunner naburige volken er het hunne toe bijgedragen, de Joden bij

hen in zoo groote massa bij elkander te brengen. Noch het Christendom

zelf, noch de macht der Christelijke hiërarchie, vierde bij deze laat

bekeerde volken zulke zegepralen, als het Romanische en het Germaansche

Westen gezien had, en de antipathie tegen het Joodsche wezen had daar

haren oorsprong meer in de eigenaardige nationale verscheidenheden,

dan in het verschil van geloof. Godsdienstig fanatisme heeft zelden

in Polen geheerscht. Van kruisridders en consorten hebben de Joden in

Polen minder te lijden gehad, ofschoon zij ook in dit hun paradijs,

niet van enkele op zich zelf staande vervolging en van verachting

vrij gebleven zijn. De maatschappelijke en staatkundige verhoudingen

van Polen waren den Joden bijzonder gunstig. Daar bestond geen derde

stand, en de industrieele en werkzame Joden konden de plaats van dezen

in zekeren zin innemen. Zij zijn de kooplieden, handwerkslieden en

kunstenaars der Polen geworden, en hebben zich overal als klissen aan

hen vastgehecht. Zeer spoedig kwam Polen daardoor in een toestand,

die het dit land onmogelijk maakte de Joden te verdrijven, wilde het

zich zelf niet verwoesten.

De hoogere Poolsche standen vormden eene soort republikeinsche

adels-aristokratie. Ieder edelman kon tot Koning gekozen worden,

en ieder leefde, ook zonder gekozen te zijn, op zijne bezittingen

zoo onafhankelijk als een Koning, en even als de Spaansche Monarchen

eens het liefst de Joden tot hunne ministers van finantiën maakten,

deels omdat zij voor de behandeling der moeielijke en gecompliceerde

geld-zaken de fijnste vingers hadden, deels omdat zij als vreemdelingen

geene partijen of standen behoefden te ontzien, en tegenover de

onderdanen trouwe aanhangers hunner Heeren waren, zoo hebben, om

dezelfde redenen, de Poolsche edellieden dit ook altijd gedaan,

en hunne Joden dikwijls met nadruk tegen hunne boeren, tegen de

geestelijkheid, tegen de regeering in bescherming genomen.

Naar Hongarije kwamen de Joden reeds vroegtijdig met het Christendom

uit Italië en Duitschland. Koning Lodewijk de Groote, wilde hen eens

allen weder verdrijven. Maar over het geheel genomen, zijn zij ook

daar niet zoo stelselmatig en hardnekkig vervolgd en geplaagd geworden,

als in de Westelijke Europeesche landen. In de vele politieke stormen

van het land hebben zij zich meestal aan de zijde van het Oostersche

element der bewoners geschaard. Zij streden dapper aan de zijde der

Turken, toen deze uit Ofen verdreven werden. En gewoonlijk voegden

zij zich bij de Magyaren tegen de Duitschers.

Geheel anders was dit alles weder bij de Oostelijke naburen der Polen,

de Russen. De Joden hebben ook eens op den bodem van het tegenwoordige

Russische rijk, eene gouden eeuw Beleefd. In het, gedurende de 9de en

10de eeuw, bloeiende rijk der Chazaren aan de Wolga, waren de het land

binnengetrokkene Joden, eens tot zoo groot aanzien gekomen, dat zij

zelfs den Koning van het land tot het Mozaïsme bekeerd hadden. Uit het

Joodsche Chazarenrijk in Rusland, verschenen zelfs in het jaar 1000,

afgezanten, voor Wladimir, den heidenschen Groot-Vorst der Russen,

en beproefden hem eveneens voor het Jodendom te winnen. Maar Wladimir

verwierp hunne voorstellen, even als die der voor hem verschenen

Mahomedaansche en Katholieke zendelingen, en verklaarde zich voor de

Grieksche Kerk, die vervolgens de nationale Kerk der Russen werd. Deze

oude Grieksche Kerk echter is van oudsher, zoowel in Byzantium als

in Rusland, de gewone vijandin der Joden geweest. De eerste strijden

der Grieksch gewordene Russen, hadden met de Joodsche Chazaren, en

later met de den Joden vriendschappelijk gezinde Polen plaats. De

Joden drongen altijd met de Polen Rusland binnen; zoover deze,

met het zwaard in de hand, Rusland binnengetrokken zijn, zoo ver

hebben gene er zich met hunne kunsten en handwerken genesteld. Maar

de eigenlijke Kern-Moskowieten hebben, terwijl zij hunnen Polen-haat

ook op de met dezen verbondene Joden overdroegen, de laatsten steeds

van zich gestooten. Daarbij hadden de edellieden en Vorsten, die de

Joden noodig hadden, in Rusland nooit zooveel vrijheid als in Polen

en Duitschland. Er heerschte daar altijd een onbeperkte autokraat,

die vervolgens tegelijk het hoofd der kerk werd. De monarchale en

kerkelijke eenheid van den Staat, moest derhalve den Joden even

verderfelijk en hinderlijk worden, als in Spanje ten tijde van

Ferdinand en Isabella.

De Russische Kozakken vervolgden, in hunnen beroemden opstand tegen

hun Poolschen gebieder in de 17de eeuw, de Joden met dezelfde

verbittering als de Polen, daar de Poolsche Koningen Joden als

inners der belastingen aangesteld hadden; ook eenige der Russische

landschappen, die toen ten tijde den Polen afgenomen werden,

gingen tegelijkertijd ook voor de Joden verloren, die nu, naar Polen

teruggeworpen, daar nog meer samengedrongen werden. Daardoor is het

gekomen, dat de kern van het Moskowitische land van Joden vrijgebleven

is, waartoe zeker ook nog, hetgeen eens te Amsterdam door Peter den

Groote tegen de Joden gezegd is, het zijne zal bijgedragen hebben,

dat namelijk de Groot-Russen in alle handwerken en handelszaken,

waarin de Joden uitmuntten, eene even groote bekwaamheid als dezen

bezitten, en zij dus de Joden niet zoo noodig hadden, als de zich

voornamelijk op den landbouw toeleggende Polen. Zelfs de vrijheden,

die in lateren tijd Keizer Alexander den Joden in geheel Rusland gaf,

hebben weinig tot de vermeerdering van hun aantal bijgedragen.

In Zuidelijk Rusland echter heeft zich met de Tataren eene zeer

merkwaardige, ofschoon helaas! weinig talrijke sekte der Joden,

namelijk de zoogenaamde "Karaër" of "Karaïten" verbreid. Een zekere

"Anan," moet omstreeks het midden der achtste eeuw, dus kort na het

optreden van Mohamed, deze sekte gesticht hebben. Zij hebben zich

ook, naar het schijnt, te gelijk met en door het Mahomedanisme in de

wereld verspreid, zijn met de Muzelmannen naar Egypte, naar Spanje,

naar Turkije en, zooals gezegd is, ook naar Rusland gekomen. Op

Europeeschen bodem treft men ze in beduidend aantal alleen nog aan in

Constantinopel en in Zuidelijk Rusland, voornamelijk in de Krim. Deze

Karaïten zijn onder de Joden, wat de Protestanten zijn onder de

Christenen. Want zij verwerpen de toevoegsels en overleveringen van

den Talmud, en beroepen zich, even als de Protestanten, alleen op

den letter en den geest der Schrift. Daarom hebben zij ook aan een

Semitisch woord, dat zooveel als "Schrift" beteekent, en waarvan ook

het Arabische woord "Koran" afstamt, hunnen naam "Karaïm", dat is

"de getrouwen aan de Schrift," te danken. Zij zijn dientengevolge vrij

van de opeenstapeling van stellingen en van de geheimzinnigheden der

talmudistische of rabbinistische Joden, eenvoudig in hun geloof en

wezen. Dit was het wellicht, wat hen achtingswaardig maakte in de

oogen der Mahomedanen, en hun daarom bij dezen overal eene hoogere

mate van burgerlijke vrijheid verschafte. Dientengevolge toonen zich

de Karaïtische Joden overal, in tegenstelling met de andere Joden,

zeer gezellig, eerlijk, ordelijk en zindelijk, en hebben zij een

afkeer van den woekerhandel en den handel in oude kleeren hunner

broederen. Slechts zeer zelden zou het voorkomen, dat een Karaït

wegens diefstal of bedrog een lijfstraffelijk vonnis opliep. Armen

en bedelaars treft men bij hen niet aan, zij komen allen op eerlijke

en fatsoenlijke wijze aan den kost. Zij staan in zekeren zin tegen

de talmudistische Joden over, als de Protestantsche Ieren tegenover

de Katholieke, en zij schijnen te bewijzen, dat vele der onaangename

eigenschappen, die wij den Joden als aangeboren toeschrijven, hun

slechts door hunne wet en hunne gedrukte stelling eigen geworden zijn,

en dat deze door hervormingen het best kunnen weggenomen of ten minste

verzacht worden.

Naast Groot Rusland heeft geen Christelijk rijk in Europa zich zoo

vrij van de Joden gehouden als Skandinavië. Enkele uit Duitschland

gevluchte, of om handels- of andere belangen daar heentrekkende

Joden, zijn daar natuurlijk ook altijd geweest. Zelfs hebben soms

Zweedsche Monarchen (b.v. Koningin Christina) geschikte Joden in hunnen

dienst gehad en hen tot diplomatieke doeleinden gebezigd. Maar eene

eigenlijke geschiedenis der Skandinavische Joden begint eerst daar,

waar de geschiedenis der Joden in het Westen, in Spanje en Portugal,

eindigt. Even als de Nederlanden, Engeland en Hamburg, zoo is ook

_Denemarken_ voor de voortvluchtige zoogenaamde Portugeesche Joden eene

schuilplaats geworden, en hebben zij daar, van Hamburg uit, in eenige

steden van Jutland verspreid, altijd vele vrijheden genoten, maar

zijn zij toch altijd weinig in getal gebleven. _Zweden_ heeft--eerst

sedert korten tijd--slechts een gering aantal Joden in Stokholm en

Gothenburg opgenomen. Verder moet ook nog _Zwitserland_ genoemd worden

als een land; waarin de Joden van oudsher slechts weinig geluk gehad

hebben. Ook in alle Helvetische staten vindt men slechts zeer weinig

Joden. Noorwegen durfde echter tot nu toe een Jood niet betreden.

Over het geheel kan men zeggen, dat het geheele Noorden van Europa

door de Joden slechts weinig geëxploteerd is geworden. Misschien ook

gevoelden zij, als een Zuidelijk volk, zich daarheen slechts zeer

weinig getrokken.

In Griekenland, dat eens ten tijde der apostelen, de eerste talrijke

Joden-koloniën ontvangen had, waren bij slot van rekening toch niet

vele overgebleven. De "rechtgeloovige" Byzantynsche Keizers en de

Grieksche Patriarchen zijn hun daar even weinig genegen geweest,

als de Czaren-Pausen in Rusland. Nieuwe krachten verkreeg daar het

ingesluimerde leven der Joden, door het ontstaan van het _Rijk der

Osmanen_.

Ofschoon de Joden bij de Turken, in maatschappelijken zin, niet

in hoogere achting stonden dan bij de Christenen, zoo bleven zij

toch, als zij slechts de hun opgelegde schatting betaalden en de

hun bevolene blauwe kleederdracht droegen, voor het overige, in

zaken hunne gemeente rakende, tamelijk onafhankelijk. Wel voerde de

nationale antipathie meermalen tot het plegen van gewelddadigheden

jegens hen, maar nooit heeft onder de Turken de doos van Pandora,

het in haar bevatte lijden en zorgen, zoo geheel over de Joden

geledigd en uitgeschud, als in het overig Europa tijdens de

kruistochten. Nooit zijn zij door de Turken zoo geplaagd, gebrandschat,

getergd en mishandeld geworden, als bij wijlen in Duitschland, in

Spanje en door de Byzantynsche Keizers.--"De geheele geschiedenis

van het Osmanische rijk in Europa" zegt een Joodsch schrijver,

"is, in vergelijking met de midden-eeuwen van het Christendom,

eene bloeiende oase in de Joodsche herinneringen." Verscheidene

Turksche Sultans bedienden zich in staatszaken bij voorkeur van de

Joden. Hunne ambtenaren bij de munt waren gewoonlijk Joden, even als

ook bijna altijd hunne lijfartsen. Sultan Selim benoemde een Jood

tot Hertog der Cykladische eilanden. En de groote Joden-gemeenten

in de steden van het rijk, waren, wat hun innerlijk bestuur aanging,

in hoogen graad onafhankelijk. De halve maan, die het overige Europa

een onheilspellend meteoor toescheen, ging derhalve boven de Joden als

eene verwarmende zon op. Van vele zijden stroomden, na de verovering

van Constantinopel door de Turken, rabbijnen naar de groote steden

van het Turksche rijk. Zij vluchtten uit de Christelijke landen,

voor de Spaansche inquisitie, voor het uitjouwend "Hepp-Hepp"

der Duitschers, voor de piek der Russische Kozakken naar Turkije,

waar zij zich nu nog naar de landen, waaruit zij afkomstig zijn,

in zoogenaamde "Aschkenaren" of Duitsch sprekende Joden, in Spaansch

sprekende, in Hongaarsche, Italiaansche, Poolsche en oud-Grieksche

Joden verdeelen. Joodsche drukkerijen werden reeds vroegtijdig in

Konstantinopel, Salonika, Damaskus aangelegd, in een tijd toen den

Mahomedaanschen Turken zelven het drukken nog verboden was.

Bij den strijd van het Christendom tegen het Mahomedanisme, vinden wij

dan ook de Joden gewoonlijk aan de zijde der Turken en Saracenen. Zij

stonden b.v. met de Muzelmannen op de muren van Jeruzalem, toen de

kruisridders die stad aanvielen, en werden door dezen tegelijk met

de Muzelmannen afgemaakt. Ook in het jaar 1686 bij de belegering van

Ofen door de Duitschers, streden de Joden naast de Turken en leden met

hen. Ook zijn in den _nieuwen_ tijd de in Turksche steden opgehoopte

Joden zeer achterlijk gebleven, als men de toenemende ontwikkeling

hunner Westersche broeders, en de wijze waarop deze zich van oude

vooroordeelen vrij maakten, in aanmerking neemt, terwijl dat gedeelte

der Joden, dat onder Turksche Pascha's in het beloofde land hunner

vaderen woont, tot de ongelukkigste Joden van den aardbol behoort.

Het overig Europa ontwaakte eindelijk uit zijn langen, middeneeuwschen

nacht, en zijn geest begon zich langzamerhand van de oude knellende

banden te bevrijden. Het ondermijnde de macht zijner ruwe ridders en

leenvorsten; het riep de wetenschappen en de beschaving uit de graven

der Grieken en Romeinen weder op; het verwerkte de staatsregelingen;

het arbeidde aan de hervorming der kerk en eindelijk ook aan de

_emancipatie der Joden_, een vraagstuk, dat echter eerst sedert

de Fransche omwenteling overal eene bevredigende oplossing nabij

gebracht is.--De grootste zwarigheden, de grofste vooroordeelen, de

diepst ingewortelde antipathieën moesten daarbij overwonnen worden,

oude wetten moesten worden afgeschaft, de tegenstrijdigste belangen

vereffend en de sedert de oudste tijden bestaande gewoonten afgelegd

worden. Eeuwen lang was men gewoon geweest de Joden als de moordenaars

van den Heiland, als de doodsvijanden der Christenen te beschouwen

en te behandelen.--Sedert den tijd der kerkvaders, op wie men zich

beriep, had men hen van misdaden beschuldigd, die zij denkelijk _nooit_

begaan hadden.

Opdat iedereen zich reeds in de verte voor hen hoeden kon, had men

hen overal genoodzaakt, zekere kenteekenen te dragen, zoo b.v. in

Duitschland puntig toeloopende hoeden, in Spanje en Italië gele vlekken

op het overkleed. Op andere plaatsen, moesten het groene, of ook wel

blauwe vlekken zijn. Een oud-Egyptisch tyran (Ptolomäus Philopator)

had eens bevolen, alle Joden, de figuur van het aan Bacchus gewijde

klimopblad, voor het voorhoofd te branden. Een ander Oostersch despoot,

had hen eens allen in de hand laten brandmerken. Weder een ander had

bevolen, dat zij allen het beeld van een kalfskop, ter herinnering

van het gouden kalf, om den hals moesten dragen. Slechts door groote

geldsommen, konden de Joden zich deze hun opgedrongene schandteekenen

afkoopen. Even als den vreeselijken inval der Mongolen in de 13de

eeuw, zoo schreef men ook iedere ramp die de Christenheid trof, aan de

Joden toe en strafte hen daarvoor, als waren zij er inderdaad schuldig

aan. Sedert de kruistochten, werd bijna iedere gebeurtenis, die allen

met schrik vervulde of enkelen schade berokkende, epidemiën, branden

enz. op de Joden door roof en moord gewroken. Toen de pest uit het

Oosten ons werelddeel binnentrok, schreeuwde men, dat de Joden de melk

der aarde, de bronnen, vergiftigd hadden. Uit hostie en christenbloed,

zoo zeide men, wisten zij een vreeselijk elixer te bereiden. Als ergens

een hevig onweder, gepaard met hagelslag en wolkbreuk losbarstte, dan

heette het, dat de Joden gedurende dien tijd een wassen beeld van den

Verlosser in hunne synagogen gekruisigd hadden, en met een vreeselijk

Hepp-Hepp-geroep viel dan het razende gepeupel op de Joden-kwartieren

aan. Eene Konings-krooning of eenige andere plechtigheid, die vele

Christenen te samen bracht, ging gewoonlijk met een "Joden-spektakel"

gepaard, als behoorde dit mede tot de Christelijke feesten. Als

zelfs Koningen in hunne, in het parlement gehoudene redevoeringen,

over de Joden als over een "verpestend, volk" spraken, waardoor zij

hun land bevlekt beschouwden; dan was het geen wonder, dat buiten het

parlement en de residentiën der Koningen, zulke mannen als de beruchte

ridder Rindfleisch in het jaar 1290, zich verhieven, en terwijl zij

verklaarden, door God gezonden te zijn om den aardbodem van de pest

dezer christenvijanden te zuiveren, de landen aan het hoofd van woeste

horden doortrokken, de Joden als wilde dieren doodden en hen op de

marktpleinen bij groote hoopen verbrandden.

Afschuwelijke misdaden zijn daarbij, door hen die zich Christenen

noemden, gepleegd. De geest der kinderen Israëls echter ontvlamde zich

tot roerende, bewonderingswaardige en heldhaftige daden.--Men zette

hun het mes op de keel en riep hun toe: "zweer uw geloof af, Jood,

of sterf!" Zij riepen uit: "Hoor ons, God Israëls!" en stierven als

vrome martelaars. Om hun geloof te redden gaven zij dikwijls zelf zich

den dood. Vaders stieten hunne dochters neder, en deze bliezen haren

laatsten adem uit, terwijl zij zuchtten: "goed gedaan, vader!" "Zulke

den dood verachtende menschen," roept een christen-geschiedschrijver

van den toenmaligen tijd uit, "kan men met recht met de meest geprezene

helden der geschiedenis vergelijken."

Van de christelijke scholen waren de Joden natuurlijk in den regel

uitgesloten. Eveneens waren hun sedert de kruistochten de gilden

gesloten en hun alle ambten, iedere eereplaats in den staat, ja! bijna

ieder fatsoenlijk handwerk ontzegd. Zij behoorden bijna niet meer tot

de maatschappij. Midden onder de burgers, leefden zij als paria's,

als bannelingen. Onroerend goed mochten zij in bijna geen een land

bezitten, en het roerende liet men hun slechts een tijd lang, om

het hun ter gelegener tijd te kunnen ontrooven. In de meeste landen

hadden de Joden geen ander grondbezit, dan _het plekje grond_, waarop

zij hunne dooden begroeven, hunne _begraafplaats_. Bij de wreedheid

voegde men nog de ergste hoon en bespotting. Overal waren oude, als

wetten heilig gehoudene misbruiken, om de Joden te vernederen. In de

rijksstad Worms in Duitschland was het de gewoonte, dat ieder jaar

op zekere dagen een aantal Joden als muilezels opgetuigd, voor een

rosmolen gespannen en door drijvers voortgezweept werden, en zoo lang

de machine bewegen moesten tot er 8 malder tarwe gemalen was; hiervan

liet de Christelijke overheid zich koeken bakken, om ze terwijl zij

zich tevens aan wijn te goed deden, intusschen te verorberen. In

de stad Toulouse in Frankrijk heeft een geruimen tijd de gewoonte

bestaan, dat op zekere Christelijke feestdagen de syndicus der Joden,

op het marktplein moest verschijnen, om eene plechtige oorvijg te

ontvangen. En deze gewoonte werd dikwijls met zooveel barbaarschheid

nageleefd, dat eens bij een dergelijke plechtigheid, de kapelaan

der Christenen den hoogsten magistraatspersoon der Joden tegen den

grond sloeg. Toch waren de vrome Joden bij zulk eene plechtigheid in

grooten getale aanwezig om als martelaars in deze beleediging--die

zij als eene eer beschouwden--te kunnen deelen.

Als schapen dreef men deze gesmade, gehate, geschandvlekte Joden,

overal in nauwe, sombere, van de Christenen afgescheidene wijken

der stad, samen, die men in Duitschland "Jodenstraten," in Italië

"_Ghettis_," in Spanje "_Juderias_" noemde, die op Christelijke Zon-

en feestdagen en ook verder iederen avond, met grendels en ketens

gesloten werden. Even als het slachtvee moesten de Joden bij de

poort van iedere Christelijke plaats, per hoofd tol betalen, welke

vernederende tol hier en daar zelfs in Duitschland, naast vele

andere drukkende misbruiken, tot op den nieuwsten tijd bestaan

heeft. In die _Ghettis_, in de Jodenbuurten, waarin zij slechts

onder elkander leefden, slechts onder elkander huwden, waarin zij

met hunne steeds in angst verkeerende familiën ingesloten waren,

en waarin zij gemeenschappelijke en stille wraakgebeden ten hemel

zonden, moesten natuurlijk de Joden dat worden wat zij geworden

zijn; zij moesten versuffen en verstompen. Zelfzucht, verstoktheid,

christen- en menschenhaat moesten zich van hen meester maken. "Strenge

afzondering even als groote mate van in zich zelve gekeerd zijn," zoo

zegt een Duitsch schrijver, "schijnt een hoofdkaraktertrek der Joden

in het algemeen te zijn. Nooit ziet men hen vroolijk en onbevangen de

genoegens des levens genieten of die rondom zich verspreiden. Nooit

ontleenen zij liefelijke woorden aan de phantasie, nooit maken zij al

stoeiende kunstige verzen, nooit geven zij zich vroolijk en juichend

over aan dans en spel. Alleen het beredeneerde verstand meent men

bij hen aan te treffen. Een diepe ernst, een sombere angst ligt over

hun geheele zijn uitgespreid." _Misschien zeer waar, mijnheer! maar

zeker zeer natuurlijk_!--Want als dit alles al niet reeds van oudsher

zoo bij de Oostersche Joden geweest is, hoe zou het bij de Joden der

midden-eeuwen anders hebben kunnen zijn! Daar zij zich in den omgang

met hunne medemenschen niet konden verheugen, daar zij zich met geene,

ook niet met den laagsten stand der Christenen op gelijken voet konden

bewegen, daar zij om zoo te zeggen, de paria's van Europa waren,

was het gewis niet wèl mogelijk, dat zij anders dan verdrietig en

bekrompen van geest werden?

Het _Jodendom_ zelf en zijne voorschriften moesten wel de voornaamste

onderwerpen der studie worden, waarin zij zich verdiepten, waarover

zij steeds redekavelden, uit wier bronnen zij hun geestelijk voedsel

putten. Daardoor kwam het, dat zooveel geleerde rabbijnen en leerlingen

van rabbijnen, zich op zoo verwonderlijk veel onnutte wetenschappen

toelegden, zulke groote woordenzifters en spitsvondige uitleggers

voortbrachten. Grootsche vrij denkende menschen, die òf door verstand

òf door kunst uitblonken, konden zich, zoo als gemakkelijk te begrijpen

is, uit die _Ghettis_ niet ontwikkelen, hoeveel talenten ook in hen

sluimeren of telken jare afsterven of vernietigd worden mochten. Daar

hun honderd andere wegen, waarlangs de Christen zich verdienstelijk of

beroemd kon maken, afgesloten waren, zoo moesten zij zich wel met het

_eenige_ bezig houden wat hun nog over bleef, en waarop de Christenen

zich niet _mochten_ toeleggen, op de geringste en verachtelijkste

handwerken, op geldwisselarij, woekerhandel, en op vele andere, winst

beloovende en het lieve leven rekkende kruis- en dwarswegen. Door nood

gedrongen moesten zij wel, kramers, oud-kleerenkoopers en schacheraars

van het werelddeel worden of blijven.

Daar zij gedwongen werden, hoon en smaad te verdragen, gewenden zij

er zich aan, zich daaraan zonder tegenspraak te onderwerpen en konden

zij niet anders dan ongevoelig worden voor de eischen der eer. Daar zij

zich overal voor de overmacht moesten terugtrekken, daar zij reeds als

kinderen zagen hoe hunne vaders al het hunne verborgen, en zich zelven

eene schuilplaats zochten, zoo werden ook deze afstammelingen der

heldhaftige Makkabeën angstig en lafhartig, gedrukt en kruipend. Zij

maakten zich al die talenten eigen, waarmede de zwakke en dienstbare

zich alleen verdedigen of wreken kan, listige veinzerij, geslepene

welbespraaktheid, voorzichtig en spitsvondig verstand, en een hun in

hooge mate eigen sarcasme en satyrieken zin, die hen in staat gesteld

heeft op het gebied van literatuur en kunst zeer pikant voor den dag

te komen. Het is dien ten gevolge zeer natuurlijk, dat de Joden,

wanneer zij ook al van den beginne af reeds eenigzins zoo waren,

toch niet anders _worden_ konden dan zooals zij zijn.

Het is veeleer zeer te verwonderen, dat bij den onmenschelijken druk,

waaronder zij eeuwen lang zuchtten, zij niet ten prooi zijn geworden

aan volslagen ongodsdienstigheid, verwildering en zedeloosheid. Maar

zoo zeer was de oude eerwaardige wet van Abraham en Mozes dit volk

ingeprent, dat zij even als in Egypte en Babylon, zoo ook in hun

duizendjarig martelaarschap aan den Rijn en aan den Weichsel, hun

vromen zin, hun geloof aan eene verlossing, aan hunnen God nooit

verloren.--Bijna alle volken van den aardbodem zijn sedert de tijden

van Abraham, eens of meermalen van godsdienst veranderd,--heidenen

zijn Christenen of Mahomedanen geworden; geheele groote en schitterende

godsdienststelsels, zooals dat der vuuraanbidders, die der Grieken en

Romeinen, zijn binnen die tijdruimte onder de geesten der menschheid

opgekomen en weder verdwenen. _Het geloof der Joden_ alleen, heeft zich

onder onnoembare verwoestingen, stuiptrekkingen en rampen onveranderd

en ongedeerd, even als de piramiden van Egypte, weten staande te

houden. En even onverwoestelijk zijn onder hen de oude patriarchale

zeden gebleven, die hun door die begenadigde, persoonlijk met God en

de engelen omgaande menschen, gegeven waren. Ouderliefde, kinderlijke

eerbied, kuischheid en reinheid van omgang, innig familie-verband,

verder barmhartigheid en hulpvaardigheid, zijn zoovele prijzenswaardige

eigenschappen, die de Joden onder alle omstandigheden hebben weten

te bewaren. Overal, waarheen zij getrokken zijn of waarheen het

noodlot hen slingerde, hebben zij alles wat hen naar lichaam en geest

kenmerkte, verwonderlijk goed weten te bewaren.

Ik zeg: "ook wat hen naar het lichaam kenmerkte", want niet zonder

verwondering kan men de Joden-physionomiën beschouwen, die vele

eeuwen voor de geboorte van Christus, Egyptische kunstenaars op hunne

monumenten afbeeldden, en die in vorm, uitdrukking en alle détails

volkomen gelijken op die der Joden, die wij dagelijks om ons henen

zien. Men zou de Joden in hunne oude ommuurde _Ghettis_, met de Prinses

onzer vertelseltjes kunnen vergelijken. Als rozen bloeiden zij in die

schuilhoeken, als in een bosch van allerlei struikgewas en onkruid. Als

door een tooverslag leven om zich verspreidende, zijn de ridders van

den nieuweren tijd, de voorstanders der Joden-emancipatie, eerst de

Nederlanders en Engelschen, bij wie alle bevrijding der Europeanen

uit de hen kwellende politieke banden een aanvang nam, daarna Frederik

II en Jozef de Goede, vervolgens de Fransche revolutie en Napoleon,

deze schuilplaatsen bevrijdend binnengedrongen, hebben op den geest der

Joden ingewerkt, en hebben verstomptheid en dofheid plaats doen maken,

voor leven en levendige deelname in hetgeen rondom hen gebeurde. Als

nieuwgeboren is het onverwoestbaar Israël opgetreden, en talenten

en krachten hebben zich onder hen ontwikkeld, wier ongedachte macht

ons nu schier overweldigt. En thans, nu dit werk in alle landen reeds

groote vorderingen gemaakt heeft, kan men slechts weinige takken van

het menschelijke weten noemen, aan welke dit merkwaardige volk geene

uitstekende vernuften geleverd heeft.

Aan de philosophische wetenschappen hebben zij mannen als Spinoza,

de groote denker van Amsterdam, en Mendelsohn, de welwillende,

zoo vast van karakter zijnde philosoof van Berlijn, gegeven, wier

onsterfelijke namen naast die van een Des Cartes en Kant genoemd

worden. De mathematische wetenschappen ontvingen van hen vele heldere

en scherpzinnige koppen, en als rechtsgeleerden hebben onder hen een

Asser in Nederland, Cremieux in Frankrijk en vele in Duitschland

geschitterd. De artsenijkunde was van oudsher het erfdeel der

Joden, en men zou eene eindelooze lijst kunnen maken, als wij al

hunne Esculapen van ouderen en nieuweren tijd wilden opnoemen. De

Israëliet Block is als natuurvorscher algemeen bekend. Friedländer

is de naam eener Israëlitische familie, waarvan zich vele leden als

geneesheeren, philosofen en schrijvers beroemd hebben gemaakt. Voor

staatslieden en diplomaten hebben de Joden ten allen tijde getoond

groote geschiktheid te bezitten, zoodra men hen daartoe maar wilde

gebruiken. Zelfs toen zij zeer onderdrukt werden, hebben, in het Oosten

zoowel als in het Westen, altijd eenige Joden, van uit de kabinetten

der Koningen de lotgevallen der volken bestuurd en hunne betrekkingen

geregeld. Joodsche Groot-Vizieren, die even als Jozef in Egypte, de

rechterhand van machtige heerschers waren, wijst de oude geschiedenis

ons in menigte aan. In den nieuweren tijd, sedert den vooruitgang der

emancipatie, hebben wij de spreekgestoelten, de presidents-zetels onzer

parlementen, ja! zelfs de minister-zetels in Engeland, even als in

Frankrijk en Duitschland, door welsprekende, behendige, voorzichtige,

vaderlandslievende afstammelingen van den stam Israëls bezet gezien.

Even als de pen, zoo hebben zij ook met ijver en goed gevolg de

lier ter hand genomen, en wij behoeven ons slechts te herinneren,

dat de dichter Michael Beer in Berlijn, dat Heinrich Heine, dat de

componisten Meijerbeer en Moscheles, die de harten van het volk wisten

te treffen, van dien stam waren, om ons van het talent te overtuigen,

waarmede zij de Muzen wisten te dienen. Voornamelijk de muziek

behoorde, sedert de tijden van den ouden Koninklijken harpspeler,

tot de kunsten, waarvan de Joden hartstochtelijk veel hielden; en nu,

sedert hunne banden geslaakt zijn, is er letterlijk geen instrument

te vinden, waarop Israëlieten ons niet, even als David eens Saul deed,

in verrukking hebben gebracht.

Minder hebben de Joden, even als al de Oosterlingen, op het gebied

der _beeldende_ kunsten gepresteerd. Er is in Duitschland een tijd

geweest--en het is nog niet lang geleden--toen slechts ééne _beeldende_

kunst, namelijk het graveeren, bij voorkeur door de Joden beoefend

werd. Schilders en beeldhouwers hebben zij bijna niet voortgebracht,

maar ook hierin bracht de nieuwere tijd verandering. Ik behoef onder

anderen slechts aan een Bendemann, wiens "treurende Joden" en andere

werken algemeen bekend zijn, te herinneren. Met goed gevolg hebben

de Joden ook het tooneel betreden, en eenige acteurs en actrices,

die in den laatsten tijd in Frankrijk en Duitschland het meest

bewonderd werden, b.v. Rachel, Dawison, zijn uit de geopende poorten

der Joden-wijken van de Duitsche steden te voorschijn getreden.

Wat in de toekomst nog voor gelukkige talenten en vreugde verspreidende

gaven, uit deze aan genie en geest rijke wijken verder moge opbloeien,

laat zich niet bepalen. Verscheidene volken van Europa zijn, om zoo te

zeggen, pas begonnen de oude banden te slaken, waarin hunne voorvaderen

de Joden sloegen; de diepe duisternis, waarin men hen liet versmachten,

weg te nemen.

Het zou te ver voeren, wanneer wij wilden beproeven den graad

van bevrijding en den stand der vorderingen van de zoogenaamde

Joden-emancipatie, met andere woorden, der wettelijke bepalingen,

waardoor zij tot de uitoefening van burgerlijke rechten en

plichten, tot deelneming aan het algemeene recht en tot het bezit

van een vaderland toegelaten zullen worden, in _ieder_ land aan te

geven. Wanneer wij een blik terugslaan op het weinige dat hier boven

gezegd is, en ons oog laten weiden over de weldadige resultaten, die

dat werk van den nieuweren tijd reeds hier en daar verkregen heeft,

dan mogen wij hoop koesteren, dat het langzamerhand overal gelukken

zal, de moeielijke kwestie in het belang van beide partijen, zoowel der

Christenen als der Joden op te lossen. In ieder geval echter is, naar

het ons toeschijnt, niets meer geschikt ons met liefde te vervullen

voor onzen grootmoedigen nieuwen tijd, die zich tot taak gesteld

heeft de Joden en naast hen nog andere dienstbaren uit Babylonische

slavernij te verlossen, dan een terugblik op de schandelijke en wreede

onderdrukking, die de Joden in de harde, door menigeen nog zoozeer

bewonderde midden-eeuwen, te verduren hadden.

Geschiedenis der Europeesche Volken · 第 18 / 62 题