Na de tijden der groote volksverhuizing, die het Romeinsche rijk
verwoestte, toont de geschiedenis ons ten noorden der Karpathen, in het
Weichsel-dal, een Slawisch volk aan, dat daar onder den naam "Lechen"
woonde. Onder den naam "Obotriten" en "Wagriers", waren andere Slawen
tot in de beukenwouden van Mecklenburg en Holstein doorgedrongen. Als
"Wenden," "Pomeranen" "Lusitzer" en onder talrijke andere benamingen,
bewoonden zij de zandige streken die nu tot Pruissen behooren, tot
over de Elbe en tot in de Lüneburgsche heidevelden toe. De Slawische
"Sileziërs" bezaten het geheele gebied van den Boven-Oder, en de
"Tschechen" vulden niet alleen de dalen van Boheme en Moravie, maar
waren van daar uit ook zuidwaarts, onder den naam "Slowaken", de
heuvel-streek van Opper-Hongarije binnengedrongen. Ja! verscheidene
Slawen waren zelfs tot in het Mainland, tot aan Wurzburg en Fulda
gekomen, zooal niet als veroveraars en overheerschers, dan toch als
onderdanen, kolonisten, landbouwers, door Duitsche bisschoppen en
Vorsten daarheen verplant.
Al deze zooeven genoemde Slawen hebben in taal, zeden en geaardheid
veel met elkander gemeen gehad, en hadden in al deze opzichten
van hunne oostelijke en zuidelijke broeders, de Russen, Bulgaren,
Serviërs en Kroaten, een meer of minder wezenlijk verschil. Men heeft
hen daarom in eene groep samengevat, en plaatst ze naast de Russen en
naast de Zuidelijke-Slawen, als derde groote tak der Slawen-familie,
onder den naam "Voorste" of "Westersche Slawen."
Het lot van dezen Slawen-tak, is in den nieuwsten tijd, tot aan
de laatste verdeeling van Polen, zeer treurig geweest. Vele der
tot de "Westersche Slawen" behoorende natiën, zijn geheel van den
aardbodem verdwenen. Geen hunner heeft eene duurzame of blijvende
onafhankelijkheid bewaard of deze terug erlangd, zooals onder de
Oostelijke Slawen de Russen, onder de Zuidelijke Slawen de Serviërs
en Montenegrijnen. De overblijfselen der Westersche Slawen zijn allen
aan vreemde volken en staten onderworpen geworden.
Bij hun eerste optreden in de geschiedenis (in de 5de en 6de eeuw)
verschijnen zij als verschillende, van elkander gescheidene stammen,
die uit het verre Oosten gekomen zijn, en hebben zij, naar het
schijnt zonder veel moeite, zonder veel strijds, het Oostelijk
Germanië, dat in de groote volksverhuizing van Duitschers ontbloot
was, in bezit genomen. De akkers bebouwende, hunne kudden weidende,
voor hunne goden in de bosschen altaren oprichtende, breidden zij
zich uit over de uitgestrekte vlakten van den Weichsel en den Oder,
van een groot deel der Elbe en langs de Oostzee. Zij schijnen eerder
vredelievend dan oorlogzuchtig geweest te zijn. Wij hooren, gedurende
hunne uitbreiding in Duitschland, niets van groote legeraanvoerders en
krijgshelden, niets van zulke ver uitgestrekte verwoestings-tochten,
als bij den inval der Zuidelijke-Slawen in het Byzantynsche rijk,
of zooals later bij het optreden der wilde Avaren en Magyaren.
Het schijnt wel, dat de verspreiding dezer Slawen naar het Westen,
zeer stil in zijn gang gegaan is, terwijl zij den eenen akker achter
den anderen beploegden, en de eene weidestreek na de andere aan hunne
dorpen toevoegden.
Zij hadden geen gemeenschappelijk opperhoofd. Iedere stam had zijn
eenvoudig patriarchaal gemeente-bestuur, maar toch over eenige,
heerschten reeds vroegtijdig kleine Vorsten-geslachten.
Ook door buitenlandsche schrijvers worden zij ons als goedhartige,
vlijtige, gastvrije menschen afgeschilderd, die muziek en
dichtkunst beminden, maar voor het overige zeer sober en barbaarsch
leefden. Wreede zeden, bloedige offers, onmenschelijke gewoonten
schijnen bij hen niet, zooals bij de oude Celten en andere rassen van
harder deeg, bestaan te hebben. Zij woonden overal gezellig in sterk
bewoonde dorpen en buurtschappen bijeen. Zij legden zich toe op den
bergbouw, verstonden de kunst metalen te smelten, maakten linnen,
brouwden mede, en plantten vruchtboomen. Zij bouwden zelfs, waar zij
kwamen, houten steden, waarin, naar de beschrijving van vaderlandsche
kroniekschrijvers, handel en handwerken eene tamelijke hoogte begonnen
te bereiken. Zoo was het in het eerste begin der middeleeuwen, den
gouden tijd dezer Westersche Slawen, waarin zich een Slawische patriot
zoo gaarne terugdroomt, even als de Duitschers zich nog gaarne den
tijd der Germanen, dien Tacitus ons schildert, terug denken.
Met Karel den Groote eindigde deze gelukkige tijd. Onder hem kregen
zij last van de Duitschers. Deze machtige Keizer wendde het gelaat
van Duitschland, dat sedert den tijd der Gothen altijd naar het
zuiden en westen gericht was geweest, weder naar het oosten. Hij
en zijne eerste opvolgers brachten het Christendom op de punt
van het zwaard onder de Westersche Slawen. De invoering van het
Christendom echter is overal in Europa het teeken tot opwekking, tot
vereeniging, tot grondvesting van groote staatkundige en nationale
machten geweest. Zij die het aannamen werden door het Christendom
met een heldhaftigen geest vervuld. De opgerichte bisschoppelijke
en aartsbisschoppelijke zetels waren overal staketsels, waarlangs
de staten der gedoopte heidenen opgroeiden. Ook de stammen en kleine
zee-vorstendommen der Skandinaviërs kristalliseerden zich, onder den
invloed van het Christendom, tot de groote Koningrijken Denemarken,
Noorwegen en Zweden. Ook de Hongaren vormden eerst eenen staat en
eene vaste nationaliteit, door middel van het door de Duitschers in
hun midden geplante kruis.
Zoo ontstonden dan tengevolge hiervan, eveneens onder de Westersche
Slawen langzamerhand meerdere groote rijken. Vooreerst het beroemde
groote Moravische rijk, dat ten tijde der Karolingers tot zeer in de
verte over de westelijke stammen gebood, maar van geen langen duur
was. Vervolgens het Boheemsche rijk, dat een tijdlang onder deze
Slawen het hoogst in aanzien stond. Eindelijk het Poolsche rijk, dat
hen allen in langen duur en glans overtrof, maar ten lange laatste,
even als zij, tot verval komen moest.
De Slawenstammen, bij wie het zaad des Christendoms geen vruchtbaren
bodem vond, maar die hardnekkig hun oud heidendom getrouw bleven,
werden in den doorgezetten strijd der bekeering- en verovering-lustige
Duitschers, in den loop der tijden aan dezen onderworpen en ten
laatste geheel door hen ten ondergebracht. Dit lot trof de "Wagriers"
in Holstein, de "Obotriten" in Mecklenburg, de "Pomeranen" aan de
Oostzee, de "Ukrer" in de Ukermark, de "Hevellers" in de Havelmark,
de "Polaben" aan de Elbe--ja! wie kan al de namen noemen der kleine
heidensche Slawen-volken, die eigenzinnig aan hunne oude heiligdommen,
en aan de vereering hunner "Tschernobogs" en "Bielobogs" vasthoudende,
in den loop der op Karel den Groote volgende eeuwen, ontelbare malen
door de Duitschers verslagen werden en zich even dikwijls weder
oprichtten--zich met elkander verbonden of in twist met elkander
leefden--het nimmer tot eene krachtige nationale vereeniging konden
brengen--de een na den ander in de door de Duitschers opgerichte
grensmarken en bisdommen opgenomen werden--en ten lange laatste allen
in den grooten smeltkroes der germaniseering ten onder gingen. De taal
en de gewoonten dezer westelijkste onder de Westersche Slawen, zijn
onder den machtigen invloed der Duitschers, die in hun land burgen,
steden en kerken bouwden en het met talrijke kolonisten en burgers
binnenrukten, verloren gegaan.
In de meeste plaatsen getuigen alleen nog de namen van dorpen,
bergen, rivieren, van de eens in het oosten van Duitschland bestaande
Slawen-wereld. De namen van verscheidene der grootste Duitsche
steden (Dresden, Leipzig, Breslau) en ook die van verscheidene
Duitsche provinciën (Pommeren, Lausitz, Ukermark, Silezië) zijn van
Slawischen oorsprong. In Saksen en Pruissen is onder de verduitschte
landbewoners, overal nog veel van de Oud-Slawische zeden en van het
Oud-Slawische bijgeloof overgebleven. Daarbij hebben zich ook eenige
overblijfselen hunner taal, bij de Duitsche dialekten in het oosten
gevoegd, en zelfs in de uitspraak der Duitschers heeft men hier en
daar eigenaardigheden der Slawische spraakorganen willen herkennen. Op
enkele plaatsen (b.v. in het Altenburgsche) is bij eene overigens
volkomene verduitsching van taal en gewoonten, de oude Slawische
nationale kleederdracht overgebleven, even alsof men, in plaats van
zooals de slang die zich van hare huid ondoet, hun de huid heeft
laten behouden en hen alleen vleesch en merg heeft doen verruilen.
In physionomie, lichaamsbouw en andere kenteekenen, blinkt ons het
Slawendom onder de Duitsche beschaving, in Pommeren en in andere
gedeelten (aan gene zijde der Elbe) der helft van het Duitsche
vaderland, nog op verschillende plaatsen veel tegen. Zoo onderscheidt
men zelfs nog heden ten dage in Holstein, in gewoonten, lichaamsbouw
en karakter der bewoners, vrij scherp de grenzen der ten tijde van
Karel den Groote door Slawen bewoonde landstreken, van die welke
de Germaansche Saksers in hun bezit hadden. Ja zelfs aan deze zijde
der Elbe in het Koningrijk Hanover, in het zuid-oostelijk gedeelte
der Lüneburgerheide, vindt men nu nog eene landstreek, die men het
"Wendenland" noemt, waarin de Slawische taal eerst onlangs doodgebloed
is, en waarin nu wel plat Duitsch gesproken wordt, maar waar zeden,
kleeding, wijze van bouwen en de geheele physionomie van het land,
nog dikwijls zeer duidelijk den Slawischen stempel draagt.
Het geheele oostelijke Duitschland, het gebied waarover de Westelijke
Slawen zich verspreidden, werd met Duitsche koloniën uit bijna alle
provinciën der Rijn- en Wezerlanden overstroomd. Verscheidene dezer
volkplantingen bleven hier en daar hun volksaard en taal vrij getrouw,
somwijlen echter vermengden zij zich sterker met de Slawen. In menige
streek werden de Slawen geheel vernietigd, in andere bleven zij
compacter bijeen en werden zij tot het Duitschdom, om zoo te zeggen,
omgedoopt. Het laat zich gemakkelijk begrijpen, dat hier, ofschoon
Duitsche taal en gewoonten schier overal gezegevierd hebben, onder
het zoo ontstane Duitschdom nog verscheiden manieren en schakeeringen
van het Slawisme aangetroffen worden.
Heden ten dage vindt men midden in Duitschland hoofdzakelijk
nog slechts twee streken, waarin het Slawendom, als twee taal- en
volks-oasen of eilanden, is blijven bestaan. Namelijk ten eerste aan de
Oostzee tusschen Stolpen en Dantzig, westelijk van den Beneden-Weichsel
in West-Pruissen, eene streek, waarin de "Kassüben" en de aan hen
verwante Slawen wonen, en ten andere aan weerszijden van de Boven-Spree
in de Lausitz, onder Pruissische en Saksische heerschappij, het land
en het volk der zoogenaamde "Sorben-Wenden".--Deze nu nog Slawisch
sprekende, denkende en gevoelende Sorben-Wenden, liggen daar, gerukt
uit den samenhang met hunne andere stambroeders, van alle zijden
door Duitschers omgeven, als hadden de Duitschers vergeten hen te
vernietigen, en zij zelven zich te redden. Hunne zwakke nationaliteit,
waarmede wij ons hier niet verder behoeven bezig te houden, schijnt
ook, even als die der andere Westelijke Slawen, aan een reddeloozen
ondergang gewijd te zijn en veroordeeld te wezen langzamerhand dood
te bloeden.
De eenige der Westelijke Slawen, die tot op den huidigen dag den
aandrang der Duitschers en andere naburige staten weerstaan hebben, en
die nu nog, ofschoon zonder politieke onafhankelijkheid en nationale
zelfstandigheid twee compacte volken vormen--bij wie ook nog altijd
de hoop op eene wedergeboorte niet verloren is--en waarvan wij dus
hier als van twee invloedrijke en gewichtige deelen der bevolking
van Europa moeten melding maken, zijn de _Tschechen_ en de _Polen_.
Het merkwaardige land, dat de Tschechen nu reeds sedert langer
dan duizend jaren bewonen, is van zoo eigenaardige natuurlijke
gesteldheid, als men nauwelijks een tweede in Europa aantreft. Vier
lange bergketenen sluiten onder bijna rechte hoeken aan elkander, en
vormen een vrij regelmatigen en ruimen vierhoek, die een gedeeltelijk
vlak, gedeeltelijk golvend terrein omsluit. Van alle zijden stroomen
van de hoogten rivieren af, en vereenigen zich in het midden in
de Elbe, die den bergmuur doorboort en in de Noord-Duitsche vlakte
ontvliedt. Men zou het land gevoegelijk kunnen vergelijken met een vat
dat slechts één spondgat heeft. Het geheel heeft al het uiterlijk van
eene midden in Duitschland geplaatste groote bergvesting. Door dichte
bosschen en onherbergzame streken aan de hoogten van den grenswal,
wordt deze geïsoleerdheid nog grooter.
Het vruchtbare centraal-gebied, de vriendelijke dalen, de aan
mineraliën en andere schatten rijke heuvels, die deze ketel in zijn
binnenste bevat, werden vermoedelijk reeds eeuwen voor Christus
geboorte, door Uralische- of Finsche oude Europeanen ontdekt, en
hier even als elders zijn vele geslachten uitgestorven, waarover de
geschiedenis zwijgt. Het eerste volk, dat ons in het Boven-Elbe-bekken
genoemd wordt, de "Bojers", zou van Celtische afkomst geweest
zijn en van hen zou het land zijne namen "Bojenheim", "Boheim"
"Boheme" ontvangen hebben. Ten tijde van Christus geboorte, werd
dat bekken door een volk van Duitschen stam, door de "Markomannen"
in bezit genomen. Zij behielden het nu 400 jaren, en bedreigden of
verschrikten van hunne bergvesting uit, onder hunne Marbods, zelfs
de Romeinsche keizers.
De inval der Hunnen onder Attila brak ook de kracht dezer Duitschers
in Boheme, en voerde de bloem van het volk ter slachtbank op
de Katalaunische velden, en op de andere slagvelden der door de
volksverhuizing in rep en roer gebrachte volken. Tegen het einde der
5de eeuw trokken nu afstammelingen van de derde groote familie der
Slawen, den ontvolkten Boheemschen ketel binnen. Natuurlijk vonden
zij daar nog veel Duitschers, zooals vroeger ook ongetwijfeld de
Germanen er nog vele Celten aangetroffen en aan zich onderworpen
hadden. De Slawen kwamen in onderscheidene stammen uit de Sarmatische
vlakte. Maar onder hen was een hoofdgeslacht, en de aanvoerder daarvan
moet "Tschech" geheeten hebben; deze nestelde zich in het midden des
lands vast en nam eene gebiedende houding aan; in den loop der tijden
smolten de andere met hem gekomene Slawenstammen, en misschien ook
de in vroegere tijden in het land achtergeblevene overblijfselen der
Celten en Duitschers, tot een volk samen, onder den naam "Tschechen",
welke naam de overhand verkregen heeft.
Even als de Magyaren in het Hongaarsche bekken, zoo namen
ook de Tschechen van den beginne af, bij de verovering van den
Boheemschen ketel, bij voorkeur de vlakste vette dreven en de fraaie
heuvellandschappen in bezit; vele der door hem in het nauw gebrachte
Duitschers, namen de vlucht naar de bosschen en schuilplaatsen
der bergen die het land omgeven, waar zij wel langzamerhand aan de
Tschechen onderworpen geraakten, maar toch in het onbenijde grondbezit
der rotsdalen en bergachtige streken bleven, en daar ook hunne taal
en zeden behielden, even als de Celtische Hoog-Schotten in Caledonië,
toen de Anglo-Saksen en Noormannen in hunne Lowlands binnenrukten. Toen
later overal, om Boheme heen, het Duitsche element zegevierde op
het Slawische, toen Duitsche bergwerkers en Duitsche industrieelen
door de Tschechische Vorsten zelven naar de bergen geroepen werden,
om de in den grond bevatte schatten op te delven, of zich van hen
te bedienen tot het vervaardigen van molens of van andere werken,
die door de bergstroomen in beweging konden worden gebracht, toen
vermeerderde zich de aanvankelijk kleine stam der Duitsche bergvolken
aanzienlijk, greep hij om zich, verdrong of verduitschte de Slawen
weder, ook daar, waar zij aanvankelijk in de dalen der gebergten de
overhand verkregen hadden, en namen de woongebieden dezer stammen
langzamerhand dien vorm aan, zooals zij heden bestaan. De Slawen
behielden het binnenste gedeelte van het land, terwijl een kring van
Duitsche gehuchten, dorpen, steden en landschappen hen aan alle zijden,
door den geheelen vierhoek van gebergten en wouden heen, omringde.
Onder alle Westelijke Slawen hebben zich de Tschechen van den beginne
af gekenmerkt, door hunne manhaftigheid en door hunnen politieken
zin. Van oude tijden her, heeft men hen, de "ontoegevendste onder
de Slawen" genoemd, zij hebben zich in staatszaken bekwaamd,
toonden zich in zaken hun vaderland betreffende eensgezind, en
hebben een onbuigzamen nationalen geest bewaard. Misschien is dit
alles iets wat eigen was aan hunnen oorspronkelijken stand en aan hun
bloed. Waarschijnlijk echter, viel hun veel daarvan eerst, ten gevolge
van de geographische ligging van het land dat zij binnenrukten, ten
deel. In dien fraaien bergketel, waarin alle wateren in één stroom
zamenliepen, _moesten_ de landskinderen zich wel nauwer bij elkander
aansluiten. Daar moest zich weldra een enkel domineerend levenspunt,
een politiek centrum, eene stad als Praag, verheffen. Er moest
eene krachtige eenheid van staat, een eensgezind staats-organisme
ontstaan. Achter hunne bergen verschanst, door deze beschermd, waren
de Tschechen, in de merkwaardige stelling die zij ingenomen hadden,
beter dan hunne Slawische broeders in de noordelijke vlakten, in
staat het toestroomende Duitschdom tegenstand te bieden.
Deze krachtige politieke zin, die de gesteldheid van hun land den
Tschechen inboezemde, is gedurende het duizendjarige bestaan dier
natie, bij verschillende gelegenheden duidelijk gebleken. Herhaalde
malen--eerst onder hunnen machtigen beheerscher Samo in de 7de
eeuw--later onder hunnen Hertog Boleslaus in de 10de eeuw--nog later
onder hunnen koning Ottokar in de 13de eeuw, en wederom eene eeuw
later onder keizer Karel IV, vormden het Tschechische bergketel-land
en volk de kiem van een machtigen staat. Praag, de hoofdstad des
lands, gaf in dit laatste tijdperk, in pracht en beschaving, de
belangrijkste steden van het vasteland niets toe. Hare universiteit
telde de beroemdste professoren en in het begin der 15de eeuw 20,000
studenten, waarvan Slawen, Tschechen, Moraviërs, Polen, het grootste
gedeelte uitmaakten. Praag was toen voor de Katholieke Slawen-wereld,
wat Kiew voor de Grieksch-Russische was, een helder licht verspreidend
voorbeeld en model, eene heilige tempel- en muzenstad.
Herhaalde malen geraakten de Tschechen in verval, even dikwijls
echter verhieven en vereenigden zij zich weder, joegen de vijanden
van hunne grenzen terug, trokken over hunne bergen de daarbuiten
gelegen landen binnen en annexeerden ze: Moravië in het zuiden,
Silezië in het oosten, de Lausitszen in het noorden, Franken in het
westen, voegden zij als nevenlanden bij het gesloten hoofdlichaam
van hun rijk. De Tschechen voerden om zoo te zeggen, al het land en
volk, dat zich aan den buitensten voet van hunnen bergketel bevond,
meermalen in triumf met zich mede. Somwijlen heerschten hunne Koningen
tot diep in Hongarije en tot aan de grenzen van Italië, even als de
Markoman Marbod dit, van uit ditzelfde land, ook eens gedaan had. Maar
steeds werden hun die zoogenaamde "nevenlanden" weder afgenomen en
als te welig uitgewassene takken afgehakt. Zij beheerschten ze niet
lang genoeg om ook hunne Slawische nationaliteit, ras en taal daar
blijvend te doen zijn. Met deze bleven zij steeds tot hunne vesting,
het Boven-Elbe-bekken, beperkt.
Maar ook in het binnenste hunner bergvesting werden zij in den loop
der tijden, meermalen met Duitsche elementen overstroomd, vermengd
en doortrokken. Daar hunne geestelijke leiders en kerkleeraars
meermalen uit Duitschland kwamen--daar hunne Koningen tot Keurvorsten
en grootwaardigheid-bekleeders van het Duitsche rijk verheven
werden--daar zij, vooral na de germaniseering van Silezië in de
13de eeuw, steeds meer in het Duitsche rijk ingeweefd werden,--daar
Duitsch recht, Duitsche wetten meermalen bij hen van kracht waren--daar
eindelijk na het uitsterven van het oude Slawische Koningsgeslacht der
"Przemysliden" in het begin der 14de eeuw, Duitsche Vorsten en Keizers
in de hoofdstad van Boheme resideerden,--zoo vulden zich ook de hoven
der Vorsten, de kloosters, de bisschoppelijke zetels, de steden steeds
meer en meer met Duitschers. De steden der Tschechen werden, even
als die van Hongarije en Polen, bijna allen door Duitschers gebouwd
en aanvankelijk door Duitsche burgers bewoond, die echter te midden
van de oude, echte Bohemers, dikwijls weder tot Slawen verbasterden.
De zoogenaamde Hussiten-oorlogen, die in het begin der 15de eeuw
uitbraken, mogen wel als de laatste groote nationale beweging der
Tschechen, en als hun laatste krachtig optreden in Duitschland,
beschouwd worden. Ofschoon godsdienstige geschillen de naaste
aanleiding tot deze vreeselijke oorlogen waren, zoo namen zij
toch weldra, daar Huss en zijne ideën op ouden Slawischen grond en
bodem stonden, en daar aan de andere zijde het rijk en de Keizer
der Duitschers zich bij de "rechtgeloovige" partij schaarden, eene
_nationale_ wending.
Even als onder Samo, als onder Boleslaus en Ottokar, stroomden daarbij
de Tschechen weder van alle zijden en gedurende meer dan 10 jaren,
uit hunnen bergketel, en verwoestten zij, onder hunne eenoogige en
vreeselijke Ziska's en kaalhoofdige Prokopen, de Duitsche landen,
ten oosten, noorden, westen en zuiden rondom hunnen bergketel gelegen.
Daarentegen mag men den slag aan den Witten Berg, waarin (in het jaar
1620) weder, even als meermalen te voren, Duitschers en Tschechen
tegen elkander over stonden, en de daarop volgende vreeselijke reactie
onder Keizer Ferdinand II, als een zeer bloedigen en op onmenschelijke
wijze benutten triumf der Duitschers op de Tschechen beschouwen.
Deze voor 250 jaren geleverde slag werd langen tijd door de Boheemsche
geschiedschrijvers, als het "_Finis Bohemiae_" beklaagd, even als
de slag op het Amselfeld, die de Zuidelijke-Slawen tegen de Turken
verloren, als het einde van Servië, of als de slag bij Maciejowicz
als de ondergang van Polen. Na dien slag werd de Duitsche taal
met geweld bij de Tschechen ingevoerd. De oude Boheemsche adellijke
geslachten stierven uit en hunne goederen werden onder Duitsche heeren
verdeeld. Verscheidene, gedurende den dertigjarigen oorlog verwoeste,
landstreken werden door Duitsche kolonisten bezet. Verscheidene
duizende Tschechische familiën werden uit het land verdreven, en men
vindt hunne Slawische namen nu nog onder de burgers van Dresden en
andere Saksische en Pruissische steden. Het Tschechisch werd voortaan
eene "boerentaal" genoemd; ook legden toenmaals de Tschechen hunne
oude nationale dracht af.
Het volslagen einde van het volk was dit echter niet. Gedurende de
twee eeuwen, die op den ongelukkigen dertigjarigen oorlog volgden,
hebben de Tschechen zich langzamerhand ook weder vermeerderd
en versterkt. En toen, na den val van den volken-onderdrukkenden
Napoleon, over alle nationaliteiten van dit werelddeel een belevenden
adem woei, toen hebben ook de Tschechen, even als de Hongaren,
de Serviërs, de Walachyers en de Grieken, zich hunnen oorsprong
herinnerd. Vaderlandslievende dichters, geleerde mannen, bekwame
geschiedschrijvers en oudheidkamers zijn onder hen opgestaan, en hebben
de geschiedenis van het volk verheerlijkt, zijne literatuur verrijkt,
zijne oude "boerentaal" gezuiverd en weder in eere gebracht.
Uit alle hoeken van het land, uit de oude sloten en kloosters, zelfs
uit de kerktorens zijn de sporen en getuigen zijner vroegere nationale
grootheid voor den dag gekomen. In den knop van den kerktoren der
Boheemsche stad Köninginhof, hebben zij eene verzameling van oude
Slawische heldenliederen en lyrische gedichten gevonden, die den
Tschechen in den nieuweren tijd even waard geworden zijn, als den
Duitschers hunne Nibelungen-liederen.
Op den ouden grond is nu eene nieuwe bloesemrijke Tschechische
literatuur ontsproten, en deze heeft zich ver buiten de grenzen van het
oude Boheme uitgebreid en aanzien verworven. De Slawische Moraviërs
in Moravië, de Slowaken in Noord-Westelijk Hongarije, die van den
beginne af in stam en taal de naaste verwanten der Tschechen waren,
en zich dikwijls met hen onder dezelfde heerschappij vereenigden,
hebben den Tschechen hunne sympathie weder betuigd, zich aan hunne
literarische onderzoekingen aangesloten, en zich gewend, zich met hen
als één volk te beschouwen. Zij hebben het spraakeigen der Tschechen,
deze ijverige voorvechters der nationaliteit hunner gezamenlijke
volkengroepen, als hunne literatuur-taal aangenomen. En zoo vindt
nu weder alles, wat bij de Bohemers in Praag gesproken, gedacht,
onderzocht en gedrukt wordt, een grooten weerklank bij meer dan
8 millioen Slawen, die elkander als broeders beschouwen en die,
bij de verschillende schokken van den nieuweren tijd, reeds van eene
herstelling van een Groot-Moravisch of Groot-Tschechisch rijk droomen,
zooals dat eens ten tijde van Keizer Arnulphus tusschen den Donau en
de Karpathen, van het Saksische ertsgebergte tot in de nabijheid van
Zevenburgen bestaan heeft.
De Tschechen--en wat men van hen zegt, geldt, ten gevolge van het
zooeven opgemerkte, ook in meerdere of mindere mate van de hun
nabestaande Moraviërs en Slowaken--beschouwt men onder de Slawen
als de representanten van het cholerisch temperament, terwijl men
den Polen en Russen het sanguinische, den Zuidelijken-Slawen en
Serviërs het melancholische temperament toeschrijft. Zij bezitten
niet de ridderlijke manieren en de vroolijke levenslust der
Polen. Zij zijn somberder, achterhoudender en minder beweeglijk
dan de Russen. De Duitschers schelden hen uit voor stijfkoppig,
hardnekkig, sluw en arglistig, somber en wantrouwend. Twistzucht en
de zucht altijd gelijk te willen hebben zou hun erfgebrek zijn. De
"groote ernst en sombere trots", die de Tschechen van de overige,
veel luidruchtiger en lichtzinniger Slawen onderscheiden, zijn
hun wellicht gedeeltelijk, tengevolge van hun verkeer en strijd
met de Duitschers, eigen geworden. De oorzaak daarvan moet niet,
zooals sommigen meenen, in hunne tragische nationale geschiedenis
gezocht worden. Want reeds in de 9de en 10de eeuw, toen de Duitsche
jaarboeken melding van hen begonnen te maken, zien wij in de Tschechen
"ernstige en hardnekkige menschen." Vele vreemde schrijvers hebben,
wat energie en genialiteit betreft, den Polen de eerste plaats onder
de Slawen toegekend. Een uitstekend Pool echter, Maciejowsky, geeft
deze eer aan de Tschechen en stelt deze boven de Polen, waar hij zegt
dat zij, onder alle Slawen, met de levendigste verbeeldingskracht,
met den scherpsten blik begaafd zijn en "het meest vatbaar zijn voor
hooghartige gevoelens en verhevene dichtkunst."
Hun "politiek talent", dat zich vroegtijdig in de schepping van
een eigen, onafhankelijk, en hunnen Duitschen erfvijand lang het
hoofd biedend, koningrijk openbaarde, wordt nog heden ten dage,
veel aangewend in de groote Oostenrijksche monarchie, waartoe zij
behooren. De bestuurs-bureaux van Weenen, Gallicië, van Hongarije
en zijne nevenlanden, zijn met eene menigte bekwame en geschikte
beambten uit Boheme voorzien. Dat zij, van hunne groote Slawen-familie
afgescheurd, zonder nationalen of geographischen zamenhang met een
grooter geheel, toch hunne eigendommelijke wijze van zijn bewaard
hebben, zelfs onder den dikwijls zwaren druk van den Duitschen
schepter, bewijst meer dan iets anders, dat zij van eene krachtige,
vaste grondstof zijn, die eene nog verdere ontwikkeling belooft.
De Tschechen houden, even als alle Slawen, veel van muziek en dans. Er
is geen land ter wereld, waaruit jaarlijks zooveel muzikanten te
voorschijn komen, als uit Boheme. In het Parijsche muzikale Lexicon,
zijn het meerendeel der daarin genoemde virtuozen, Bohemers. Onder
2650 muzikale celebriteiten van Europa, bevinden zich 709 Bohemers,
701 Italianen, 517 Duitschers, slechts 134 Franschen en niet meer
dan 27 Spanjaarden en Portugeezen. Hierbij moet men echter opmerken,
dat Bohème wel virtuoozen maar slechts zelden componisten voortbrengt,
waarom bij al hunne bekwaamheid en vormbaarheid, die den Slawen in het
algemeen eigen is, hun de gave iets uit te vinden, ontzegd wordt. En
dan zeker moet men ook een groot gedeelte van hen, die daar "Bohemers"
genoemd worden, niet tot de Tschechische, maar tot de Duitsche
Bohemers rekenen, die--door den muzikalen geest van hunne Slawische
buren geïnspireerd--overeenkomstig hunnen even ontvankelijken als
vindingrijken geest, die kunst onder zich nog verder ontwikkeld hebben.
In de dorpen der muziekminnende Tschechen en Moraviërs, ziet men
dikwijls iets dergelijks gebeuren als in Rusland, waar somwijlen ook
het zwaarste werk onder muziek verricht wordt. De tot het doen van
heerendiensten verzamelde lieden trekken met violen en hobo's op,
en eenige hunner virtuozen musiceeren onder het werk, dat hun dan
gemakkelijker van de hand gaat; somwijlen laat ook de rentmeester
van het goed, aan de maaiers gedurende hunne rusturen een concert
geven, wat hen niet zelden in den vrijen tijd tot dansen en zingen
verlokt. De menschen beschouwen daarom deze gezellige heerendiensten
niet als een last, maar veeleer als een vroolijk feest, en met het
afschaffen der heerendiensten, neemt men in die streken tevens een
gedeelte der poëzie uit het volksleven weg.
Ook in Hongarije ziet men ieder jaar de Slowaken, deze oostelijke
broeders der Tschechen en Moraviërs, met muziek en zang uit de
dalen der Karpathen naar de rijke Donau-vlakten trekken, om daar de
Magyaarsche grondbezitters bij het oogsten te helpen.
Deze Hongaarsche Slowaken, ofschoon voor het overige in hunne
physionomie, in hunnen stompen neus, hunne kleine diepe oogen,
hunne zware wangbeenderen, op en top Slawen, hebben zich wat hun
lichaamsbouw betreft, in het zuidelijke, weelderige klimaat van
het land, meer volmaakt. De gedrongene vormen der groot-Russen en
Tschechen zijn bij hen geheel verdwenen. Hun lichaam is langer en
welgemaakter geworden. Men vindt onder hen schoone gelaatstrekken,
buitengewoon fraaie mannen-gestalten.
In vele kleine industriën zijn zij zeer bedreven. Als kramers,
daglooners, handwerkers, zijn zij over geheel Hongarije verspreid,
en waar zij in groote massa's binnensluipen en zich vastnestelen,
verdringen zij spoedig de oorspronkelijke nationaliteit. Er zijn
verscheidene, vroeger Duitsche en ook Magyaarsche plaatsen, die nu,
ofschoon zij nog hunne oude Duitsche en Magyaarsche namen dragen,
door de steeds voortwoekerende en om zich heen grijpende Slowaken
geheel geslawiseerd zijn. Het is eene opmerkenswaardige ethnographische
bijzonderheid, dat zij in het overig Europa het meest door den oorlog
bekend zijn geworden, dien zij ijverig tegen zekere kleine plaaggeesten
der Duitsche Vorstenhuizen geleverd hebben. Als vroolijke gasten, die
zich weinig bekreunen om behoefte en gemak, en zich onledig houden met
het verdelgen van mollen, ratten en muizen, en het vervaardigen van
allerlei zaken uit gebogen of gevlochten ijzerdraad, als muizenvallen,
vleeschdeksels, lampglazen-borstels, pijpendoorhaalders, van waar
zij, onder verschillende andere namen, "draad-Slawen" genoemd worden,
trekken de Slowaken niet alleen geheel Duitschland door, maar ook het
Noorden en Westen van ons werelddeel en zelfs Azië. Zij zijn in deze
kunst reeds eeuwen lang beroemd. Vreemd genoeg is het, dat zoo geheel
speciale talenten zich naar de nationaliteiten verdeeld hebben, en
dat ook zulke geringe rollen en bezigheden, in de Europeesche familie
zoo geheel in het bezit van een bijzonderen volksstam konden komen.
De Slowaken en Tschechen sluiten zich aan dat andere groote
West-Slawische volk aan, dat als het eerste onder alle Slawen-volken
beschouwd wordt, en dat in de wereld even beroemd is geworden door
zijne schitterende daden en zijn heldhaftig karakter, als door de
groote nationale ramp die het getroffen heeft, aan de Polen, die wij
nu tot het onderwerp onzer beschouwing zullen maken.
Van het land, dat de Polen bewonen, heeft men, om een denkbeeld zijner
eentoonigheid te geven, meermalen gezegd, dat hij die één akker er
van gezien heeft, het geheele rijk kent. "Allerwegen," zegt men,
"dezelfde treurige kleur in de natuur en in de menschenwereld, overal
dezelfde zeden, taal en levenswijze der bewoners, overal dezelfde
grondgesteldheid, bebouwing en vruchtbaarheid. De natuur is in het
geheele land even hard, den menschen gaat het overal even slecht. Het
is een onmetelijk moeras, met steenen en granietblokken bezaaid en met
dichte bosschen bezet, waartusschen hier en daar ellendige woningen
en ongezellige woonplaatsen verstrooid liggen." Deze schildering
hebben, zeg ik, eenigen van het door de Polen bewoonde land gegeven,
en zij dachten daarmede alles gezegd te hebben. Ja! de Franschen zelfs,
opperden, toen zij dit land eens binnenrukten, de beroemde vraag: "_Est
ce, qu'on appelle ça une patrie_?" "Noemt men dat een vaderland?" Maar
zulke algemeene opvattingen, doen de scheppende natuur dikwijls onrecht
aan, doen het patriotisme der menschen zeer. De eerste heeft zich zelfs
in Polen niet onbetuigd gelaten, en ook daar heeft het andere vrij wat
aangetroffen, dat liefde en bewondering verdient. Het poëtische sombere
der eeuwenoude donkere Sarmatische wouden, heeft den Byron der Polen,
den dichter Mezkiewitsch stof geleverd tot vele fraaie sonnetten. En de
dikwijls lachende velden langs de oevers der rivieren, waren daartoe
niet minder in staat. In het zuiden sluit Polen zich aan een der
grootste Europeesche bergruggen, de Karpathen, aan, die door enkelen
als de oudste oorspronkelijke woonplaats der Slawen beschouwd wordt,
wien het waarlijk niet aan het romantische in geschiedenis en natuur
ontbreekt. In het noorden slingert zich in de richting der Oostzee,
in Polen evenals in Pruissen, een kring kleinere en grootere meren,
aan wier oevers bosschen, weiden en begroeide heuvelen menig lieflijk
natuurbeeld vormen.
Zelfs de uitgebreide steppen, waarin Polen zich in het
zuid-oosten in de nabijheid van Rusland verliest, zijn niet zonder
bekoorlijkheid. Daar in Volhijnië en Podolië, neemt men, zoover
het oog reikt, onafzienbare weidevelden waar, die in de lente met
de kleurenpracht van verscheidene bloemsoorten versierd zijn. In
den dorren zomer en stormachtigen winter echter zijn zij woest
genoeg. Maar hoe verrassend is niet midden in deze woeste vlakten de
aanblik der, door de tallooze zijrivieren van den Dniepr, Dniestr,
in het weideachtige plateau ingesnedene dalen. Deze rivieren-dalen
der steppen, door de Polen "_jary_" genaamd, door de natuur als breede
kanalen uitgegraven, doorsnijden het woeste land als een net van lang
uitgestrekte, vriendelijke oasen.
In deze dal-kanalen, die dikwijls eene mijl breed zijn en die even
als souterrains, bescherming tegen het onweder of de droogte, die op
het steppen-plateau heerschen, geven, concentreert zich alle leven
en alle natuurpracht dier streek. Zij bevatten boschjes en wouden
van allerlei soort boomen, hebben bijzonder veel zangvogels, en zijn
zoowel door wilde dieren, als door tamme kudden bewoond. Daarin liggen,
zooals het merg in de beenderen, alle plaatsen en steden van het land,
en in de diepte midden tusschen dat alles in, stroomen de wateren van
helder vlietende beken en rustig stroomende rivieren. Zulke beelden
grijpen de phantasie des te meer aan, daar zij in het uitgestrekte,
eentoonige steppenland slechts als gouddraden verschijnen, en daar
zij nog daarenboven,--van verre niet zichtbaar--zonder dat men het
te voren weet en als onaangemeld, voor het betooverd oog van den
reiziger plotseling verschijnen. Kortom, ook een Pool, die van jongs
af aan al deze verschillende bekoorlijkheden en vormen, waaronder
de natuur zich in zijn groot vaderland vertoont, in zijne ziel en
phantasie opgenomen heeft, zal niet verlegen staan op bovengenoemde,
onhoffelijke vraag der Franschen te antwoorden.
Welk ras het eerst het groote land tusschen de Karpathen en de Oostzee
bezet en bewoond heeft, en ten gevolge van welke veranderingen en
gebeurtenissen de Slawen er zich eindelijk in uitgebreid hebben,
dit alles ligt in een diep duister begraven.
Volgens Tacitus hebben, ten tijde der Romeinen, Duitsche volken,
hier oostelijk zelfs tot over den Weichsel geregeerd. Of wij echter
die Duitschers ons moeten voorstellen als grondbevolking, die de
geheele streek in bezit hadden, of dat zij veeleer slechts de heeren
en veroveraars, zooals nu nog de Pruissen en Oostenrijkers, over die
landen en de toen wellicht reeds Slawische grondbevolking heerschten en
regeerden, blijft onzeker. Ook "Skijthen" en "Sarmaten," nomadische
volken uit Azië, zijn waarschijnlijk ten tijde der Romeinen van
uit het Oosten, evenals de Germanen van uit het Westen, deze landen
binnengedrongen, op gelijke wijze als wij zulke nomadische volken
van Tartaarschen oorsprong, ook nog later onder Attila, en nog later
onder Dschingis-Chan en Batu-Chan, hier zien verschijnen. De Slawen
van dien tijd, waarvan wij nauwelijks met zekerheid in deze streken
eenig spoor kunnen aanwijzen, ofschoon zij daar zeker reeds lang voor
Christus geboorte bestonden, hebben waarschijnlijk reeds voor die
actieve en gebiedende rassen, slechts eene lijdelijke rol gespeeld,
en zijn daardoor aan de oudste berichtgevers ontgaan.
Eerst na de volksverhuizing, die het rijk der Romeinen verwoestte
en de Germanen noodzaakte west- en zuidwaarts te gaan, schijnt het
Slawisch element hier ontwaakt te zijn, en na de tijden van den
uittocht der Germanen, zien wij alras, even als de oostelijke helft
van Duitschland, zoo ook het Weichsel-land door eene menigte vrij
gewordene Slawen-stammen bevolkt. Zij leefden eeuwen lang zonder
nationale eenheid en zonder een gemeenschappelijken naam, in kleine
Vorstendommen of in kleine gemeenten met een patriarchaal bestuur,
maar zullen ook wel toen reeds die eigenaardige zeden en taal met
zich rondgedragen hebben, waardoor zij later, eerst onder den naam
"Lächen" en later onder dien van "Polen," zich vereenigden en boven
de Russen, boven de Tschechen en de andere Slawen, uitmuntten.
De wieg van den Poolschen naam en de wortels van het onder dezen naam
opgegroeide volk en staat, liggen dicht aan de grenzen van Duitschland,
in het nu door het Koningrijk Pruissen geannexeerde Posen. Daar is
de schouwplaats der oudste konings-sagen der Polen, der sagen van de
Piasten. Daar was ook hunne oudste vorstelijke residentie, Gnesen
(Gnesna), hunne oudste stad. Even als de Magyaren, even als ook de
Skandinaviërs, waarvan eveneens het oudste en eerste Koningrijk, het
zich noordwaarts uitbreidende Denemarken, aan Duitschland grensde,
zoo schijnen ook de Polen in den samenhang met de Duitschers, den
eersten spoorslag tot nationale en staatsontwikkeling, even als het
Christendom, ontvangen te hebben. Weldra echter gingen zij uit hunne
westelijke wieg verder oostwaarts, evenals de Denen noordwaarts en
de Hongaren zuidwaarts. Naar het westen heen, waar Duitschland de
overige West-Slawen in zich opnam, waar het later den Polen en hunnen
Piasten het geheele Oder-gebied afnam, en de Silezische provinciën
germaniseerde, werden den Polen vroegtijdig en in den loop der eeuwen
altijd _weder_ en altijd _meer_ de wegen versperd. Zij hebben zich
daardoor, uit hunne aan de Warthe gelegene wortelen, van den beginne
af, bij voorkeur in de richting van het verre Oosten uitgebreid. Daar
hadden zij het ruimste veld en daarheen hebben zij van oudsher hun
gelaat gekeerd.
In die richting hun gebied verder uit te breiden, daarheen de uit het
Westen verkregene beschaving en christelijke leer over te brengen,
Europa tegen de van daar dreigende barbaarschheid te beschermen,
dat was om zoo te zeggen, de zending der Polen. Ten allen tijde
zijn zij aan het Westen meer vriendschappelijk verbonden geweest,
het eerst als vazallen der Duitsche Keizers, altijd als medeleden der
Roomsch-Katholieke kerk, bijna altijd als leerlingen van het Duitsche
volk in kunsten en wetenschappen, later meermalen als onderdanen
van daaruit, uit Hongarije of Zweden, uit Frankrijk of uit Saksen
afkomstige Prinsen en Koningen, _het meest_ echter als bondgenooten
tegen Mongolen, Tartaren, Russen of als redders uit den Turken-nood.
Met het Oosten daarentegen, met de Russen, waarmede zij reeds in de
11de eeuw onder hunnen eersten grooten Hertog Boleslaus, wien Keizer
Otto III den Koningstitel zou verleend hebben, in oorlog geraakten;
met de Lithauers, die zij tot het Christendom bekeerden, met de
Tartaren, aan wie zij meer slagen geleverd hebben dan eenige andere
West-Europeesche mogendheid, hebben zij van dien tijd af tot op den
nieuweren tijd toe, een 800 jarigen strijd volgehouden.
Het eerst en vóór alles namen de Polen, op dezen weg naar het Oosten,
nadat zij uit hunne enge wieg aan de Warthe waren voorwaarts gerukt,
bezit van den geheelen Weichsel, die van de Karpathen naar de
Baltische zee stroomt. In het gebied van dezen stroom zetten zich
de Polen en hun wordend Koningrijk, nu bij voorkeur vast. Zij gingen
naar die streek over, als ware het hunne tweede wieg, of als ware het
de eigenlijke groote geographische kern en het centraal-kanaal van
hunne staatkundige en nationale ontwikkeling. De Weichsel is voor de
Polen hetzelfde geworden, wat voor Duitschers en ons Nederlanders de
Rijn, voor de Groot-Russen de Wolga, voor de Klein-Russen de Dniepr,
voor de Hongaren en Zuidelijke-Slawen de midden- en beneden Donau
steeds geweest zijn,--hun voornaamste levensweg, de hoofd-ader
van hun nationaal lichaam, de uitgangs-linie hunner veroveringen,
en ook hunne verdedigings-linie in tijd van nood. In dichte massa's
en als domineerende grond-bevolking, hebben zij zich ook niet ver
over het stroomgebied van den Weichsel uitgebreid. Daarentegen heeft
hun geslacht _deze_ rivier van de bron af tot aan de monding toe
en schier al hare nevenrivieren, geheel bewoond.--Weichsel-land en
Polen zijn dientengevolge twee namen, die men in aardrijkskundigen en
geschiedkundigen zin, als woorden van gelijke beteekenis beschouwen
mag.
In het Weichsel-dal, van hare bronnen uit het Tatra-gebergte
tot aan de monding, liggen de beroemdste plaatsen, oude en
nieuwere Koningssteden, talrijke burgten van edelen, de beroemdste
strijdplaatsen en parlementsvelden der Polen. Aan deze knoopen zich
hunne dierbaarste herinneringen vast. Ter plaatse, waar de Weichsel
de bergen verlaat, en waar zijne laatste vertakkingen in de vlakte
uitsteken, blikt van een der uiterste bergtoppen, "Wawel" genaamd,
het schouwtooneel van eeuwen oude sagen, het eens zoo prachtige,
nu eenzame, vervallen Koninklijk slot der Jagellonen, op de beroemde
stad neder, die het langst de hoofd- en krooningsstad van het Poolsche
rijk en zijner Koningen geweest is. Met talrijke torens, prachtige
kerken, ouderwetsche gebouwen die rijk aan monumenten zijn, strekt
Krakau zich langs den voet der bergen in het Weichsel-dal uit. Oude
grafheuvels, hoog als de pyramiden, liggen als stomme getuigen van een
groot verleden in het landschap verstrooid, en onder deze den heuvel
welken men den laatsten Pool (Kosziusko) oprichtte, tot welks bouw
ieder patriot een hoopje aarde bijdroeg. Eens rijke en beroemde abdijen
versieren den achtergrond van dit oude Persepolis der Polen. Ruïnen van
talrijke burgten, deels de stamsloten van edele en beroemde geslachten,
deels door de vorsten ter verdediging des lands gebouwd, stijgen in
de bosschen op rotsen omhoog, en vormen een schilderachtigen krans
langs den voet der Karpathen en langs de zijrivieren van den Weichsel,
westwaarts tot naar Silezië en oostwaarts tot aan de Russische grenzen.
Verder beneden Krakau, stroomt de Weichsel nog door menig fraai dal tot
naar Sandomir, de hoofdstad van het oude Wojewodschap van den zelfden
naam. Daar besproeit hij de vruchtbaarste velden van het land. De
stamhuizen der doorluchtige familiën der Ossolinskij, der eens machtige
Zborowsky, en vele oude Benediktyner en Cisterzienser-abdijen versieren
den stroom, die op zijn linker-oever nog overal door schilderachtige
rotswanden versierd is. Niet minder vruchtbaar zijn de, van Sandomir
rivier-afwaarts liggende heuvelvlakten van het vroegere Wojewodschap
Lublin, waar de tarwe den rijksten oogst geeft, en waarin, aan een der
zijrivieren van den Weichsel, de oude eens volkrijke hoofdstad van
gelijken naam, met vele paleizen van beroemde adellijke geslachten,
kerken en kloosters versierd, ligt. Aan den Weichsel zelf volgt verder
Kazimierz, met de ruïnen van het door Kasimir den Groote gebouwde
slot, en verder benedenwaarts het door de edele Czartoryski's rijk
versierde, door Poolsche en Fransche dichters bezongene en door de
Russen verwoeste, wereldberoemde Pulawy; en zijwaarts aan de oevers
eener zijrivier "Sobieska Wola", de zetel van Johan Sobiesky, den
bevrijder van Weenen. Oostwaarts krijgt het landschap een ander
karakter; in plaats van de heuvels ziet men groote vlakten, die
zich verderop in de eindelooze moerassen van Volhynië verliezen. De
Weichsel zelf treedt eerst bij de monding der Pilica, ongeveer in
het midden van zijnen loop, geheel uit de zuidelijke hoogten des
lands te voorschijn. Nu eerst verdwijnen zijne tot nu toe hooge,
met bosschen omkranste, dikwijls romantische oevers, en nu vliet zij
in een breed dal rustig naar het noorden. Op zijn westelijken oever
verschijnt nu, op aangename hoogten gelegen, de residentie der latere
Poolsche koningen, het prachtige en ongelukkige Warschau, dat altijd,
als geheel Polen zelf, zijn voorhoofd (het bruggenhoofd Praga) naar
het Oosten keerde, en in welks stadsgebied den ouden oostelijken
erfvijand zoo veel schitterende slagen geleverd werden.
Er zijn niet veel landen en volken, wier geheele geschiedenis en
ontwikkeling, zich zoo om ééne rivier heen beweegt, zoo als het
leven der Polen om hunne "Wisla". Van haar uit, die hun bij al
hunne bewegingen tot operatie-basis diende, verbreidden de Polen
zich hoofdzakelijk in drie richtingen, in welke zij hunnen invloed
verder uitbreidden. Het eerste naar het zuid-oosten in de richting
van den Dniepr, waar zij zich, in Volhynië en in de vruchtbare
heuvelachtige streken van Podolië, verscheidene klein-Russische
stammen en Vorstendommen onderwierpen, waar zij het oude Russische
Kiew veroverden en beheerschten, en den Ruthenischen adel van het
land poloniseerden.--Vervolgens naar het noord-oosten--naar de
bosschen en moerassen aan den Niemen en aan de Duna, waar zij op
de nog langen tijd barbaarsche en Heidensche Lithauers stieten,
die hun eerst, door tallooze verwoestende invallen, verderfelijk
waren, maar die zij sedert de 14de eeuw steeds meer en meer binnen
den kring van hun nationaal-leven trokken. De Polen verwierven zich
naast de Duitsche ridders de verdienste, deze streken en volken
van Europa het Christendom te brengen en hen te vereenigen met de
Roomsch-Katholieke Kerk. De Groot-Vorsten van Lithauen, de Jagellonen,
die door huwelijk met de laatste Piastin Hedwig, de Poolsche kroon
verwierven, werden daarbij zelven Polen. Ook nam ten lange laatste,
in den loop der tijden, de geheele Lithauïsche adel de taal der Polen,
die meer beschaafde natie aan, en daar hij eindelijk in alle opzichten
gepoloniseerd werd, zoo deelt hij ook nu nog de Poolsche sympathiën. In
direct oostelijke richting eindelijk, stieten de Polen op de eigenlijke
Russische kern-landen. Hierheen zijn zij langs de zijrivieren van den
Dniepr, langs den zelfden door de natuur aangegeven weg, waarlangs
ook de grootste veroveraar onzer eeuw, Napoleon, het Oosten aanviel,
ontelbare malen gemarcheerd en hebben zij, onder de Jagellonen en
onder hunne heldhaftige koningen Stephanus Bathory en Johan Sobiesky,
vele schitterende overwinningen op de Russen behaald.
In het midden en tot na het einde der 16de eeuw had de heerschappij
der Polen hare grootste uitbreiding gekregen. Toen waren zij, wat nu
de Russen zijn, het machtigste volk in het Oosten van Europa. Toen
hadden zij zelfs de geheele Duna- en Dnieprlinie in hun bezit. De
witte Poolsche adelaar breidde zijne vleugels van de Oostzee tot aan
de Zwarte Zee uit. Toen handelde de Poolsche partij en het leger,
zelfs in Moskau, herhaalde malen naar goeddunken, en meer dan de
helft der Russische volkeren stonden onder Poolschen invloed.
De uitbreiding der Roomsch-Katholieke kerk, waarmede ook vele
Russisch-Grieksche volken onder de heerschappij der Polen vereenigd
werden, en met welke deze--zelfs na de slechts gedeeltelijk gelukte
terugvoering der vereenigden, tot de Grieksch-Russische nationale kerk
door keizer Nikolaas--nog heden ten dage vereenigd zijn, mag als een
nu nog bestaand gevolg der uitgebreide Poolsche heerschappij beschouwd
worden, en evenzoo de groote uitbreiding van Poolsche taal en zeden
op Russischen ondergrond. In het vroeger door Russische Groot-Vorsten
beheerschte Gallicië, in Volhynië en Podolië tot aan "het heilige
Russische Kiew", in de geheele westelijke helft van Klein-Rusland
of het Russinnen-land, is de Russische nationaliteit in hoogen graad
uitgewischt. Van de familiën der Russische vorsten, de nakomelingen en
opvolgers van Wladimir den Groote, die het rijk onder elkander verdeeld
hadden, is niets meer over gebleven. Poolsche taal en Poolsche zeden
hebben hier eene merkwaardige, beslissende en blijvende overwinning
op het oudere Russendom behaald, en zijn langzamerhand tot in alle
hoogere standen en klassen der maatschappij doorgedrongen. Zelfs
de Grieksch-Slawische priesterschap heeft daar hare Russische taal
vergeten. Zelfs in de vertrouwelijkste, alledaagsche gesprekken
bedient men zich van de Poolsche taal, en het Russische dialekt is
slechts aan het onbeschaafde landvolk eigen gebleven.
Toen, ook gedurende de geheele 16de eeuw, in den glorierijken tijd
der Sigismunden, der laatste Jagellonen, bereikten taal, literatuur
en ontwikkeling der Polen hun toppunt, en deze tijd wordt dan ook
hun "gouden tijd" genoemd. De wetenschappen verheugden zich in
eene ongewone beoefening en gunst. Koningen en Magnaten stichtten
akademiën. De naar het model van Praag ingerichte universiteit te
Krakau, waarvan Copernicus lid was, telde niet minder dan over de 50
drukpersen. Daar en ook buitenslands, in Duitschland, Frankrijk en
Italië, bezochten de Polen de hoogescholen. Ook de Poolsche dames
hadden hare bloeiende scholen in de kloosters, waarin zij zelfs
de Grieksche en Romeinsche dichters lazen. De Polen wijdden zich
met evenveel liefde aan de literatuur en de dichtkunst, als aan
de wapens. En toen na het midden der 16de eeuw, eenige dezer goed
ontwikkelde Polen in Parijs verschenen, om den door hen gekozen
Koning Hendrik van Anjou te begroeten, schilderde een beroemd
Fransch geschiedschrijver van dien tijd hen op de volgende wijze:
"het geheele Parijsche volk," zegt de Thou, "stond verbaasd over
de verschijning dezer Poolsche gezanten; over hunne fijne pelzen,
hunne elegante en met edelgesteenten bezaaide kleederen, over hunne
waardige en manhafte wijze van zich voor te doen, en vooral over de
gemakkelijkheid, waarmede zij zich in het Fransch, Duitsch, Latijn
en Italiaansch uitdrukten. Deze vreemde talen spraken zij, als hunne
eigene. Zij spraken onze Fransche taal zoo zuiver en zoo juist, dat
men zou kunnen gelooven, dat zij niet aan den Weichsel, maar aan de
oevers der Seine geboren waren. Onze Fransche hovelingen schaamden
zich voor hen, als onwetenden, en de meesten hunner antwoordden, als
hunne Poolsche gasten met hen over wetenschappelijke zaken begonnen
te spreken, slechts door teekens, en bleven blozend zwijgen. Aan het
geheele Fransche hof vond men slechts twee mannen, die in staat waren
die Polen in het Latijn te antwoorden."
Een even vleiend getuigenis geeft Muretus, een der grootste geleerden
der 16de eeuw, die door Koning Stephanus Bathory uit Italië naar
Krakau beroepen werd, aan de Polen. "Onder onze Italianen," dus
zegt deze beroemde man, "is nauwlijks één onder de honderd, die
het Latijn verstaat of smaak voor de wetenschappen heeft. Onder de
Polen daarentegen vindt men eene groote menigte mannen, die beide
talen volkomen verstaan, en die eene zoo groote voorliefde voor de
wetenschappen hebben, dat zij haar hun gansche bestaan wijden."
Ook de aangelegenheden der steden en harer burgers, verkeerden toen
in een betrekkelijk bloeienden en geregelden toestand, beschermd als
zij waren door de stedelijke privilegiën. En zelfs de arme landman
was nog ver van de vernedering, armoede en slavernij, waartoe hij
later vervallen is. De tijd van den grooten Kasimir, die zich (in
de 14de eeuw) den eeretitel van "den boerenkoning" verwierf, lag
nog niet ver. Velen hebben zelfs beweerd dat, in de 14de, 15de en
tot in de 16de eeuw, alle eeren en waardigheden in Polen, voor den
wedijver en de deelneming van alle klassen ruimer waren opengesteld,
dan in andere Europeesche landen. Verscheidene der beroemdste Poolsche
mannen uit dien tijd behoorden oorspronkelijk tot den boerenstand.
Sedert het uitsterven van den erfelijken koningsstam der Jagellonen (in
het laatst der 16de eeuw), verminderden de bloei en de macht van het
Poolsche volk, en gedurende de 17de eeuw gingen de zaken een snel en
steeds sneller verval te gemoet. De monarchie werd een kiesrijk. Het
kiezen der koningen begon hevige oneenigheden te veroorzaken, en
duizende edellieden verzamelden zich daartoe gewapend op het veld bij
Warschau, en kampeerden daar, in op elkander verbitterde partijen
gescheiden, dikwijls zelfs als vijanden des lands, in tegenover
elkander liggende legerplaatsen. De wijze waarop de verkiezing van
een Koning plaats had, en de den koningen voorgelegde voorwaarden,
werden telkens veranderd. De eene nieuwigheid volgde op de andere. En
bij iedere schrede verder werden de, voor het geheel en de eenheid
zoo weldadige, prerogatieven der kroon, verzwakt; terwijl intusschen
de macht en de overmoed van den adel steeds toenam, zonken de lagere
volksklassen, door den adel in het stof vertreden, in steeds dieper
ellende en werden zij hoe langer zoo minder beschermd.
De adel matigde zich zulke groote persoonlijke privilegiën en vrijheden
aan, dat hij ten laatste niet meer in staat was een politiek geheel
te vormen. Ieder dezer Poolsche edellieden bezat op zijn grond en
bodem de rechten van een souverein, daar was hij als het ware, een
onafhankelijk koning. De wetgeving van het volk en den staat betrof
slechts zijn stand. Tegenover zijne vazallen, ondergeschikten en
lijfeigenen, regelde hij zelf de wetgeving, was hij zelf rechter en
onbeperkt souverein. De Poolsche staat, dien men eene republiek noemde,
was ten laatste niets anders dan een bondgenootschap van ontelbare
kleine despoten. En deze despoten verbonden zich onder elkander niet
alleen tegen hunne lijfeigenen, tegen den koning en het rijk, maar
ten laatste ook tegen de hun vijandige fractiën hunner eigene kaste.
De merkwaardigste en verderfelijkste politieke instelling van geheel
eigenaardige Poolsche vinding, is echter het beruchte "vrije veto",
treuriger nagedachtenis, geweest. De voorstellingen van het ideaal
van persoonlijke vrijheid en individueele onbeperktheid van macht
van den edelman, ontaardden bij de Polen zoover, dat zij de, in geen
anderen beschaafden staat ooit gehoorde bepaling vaststelden: een lid
der republiek, d.i. een edelman, mag onder geene voorwaarde, zelfs
niet door de meerderheid der natie gedwongen worden, eenig besluit,
eenige wet of eenige keuze aan te nemen, als hij niet zijne vrije
persoonlijke toestemming geven wil. Men gaf aan ieder afzonderlijk
het recht zijn "_Nie pozwalam_" (ik _wil_ het niet) tegen den wil
van de meerderheid te stellen, en een enkel stijfhoofdig of door
vreemde invloeden gewonnen individu, kon daardoor de meerderheid
machteloos maken. De geschiedenis levert ons geen tweede voorbeeld
van eene dergelijke staats-instelling. Door de steeds toenemende
ontwikkeling en doorzetting van deze onzinnige grondstelling,
ontnamen de Polen aan hunnen staat alle stabiliteit, maakten dien
en het volk, om zoo te zeggen _onmogelijk_. Een volk met zulke
allerdolste aristokratische idealen in het hoofd, _moest_ weldra den
ondergang gewijd zijn. Daardoor werd aan de partijschappen van binnen,
en aan het ingrijpen van vreemde machten van buiten, deur en poort
geopend. Polen werd een nimmer rustende vulkaan, die zich zelven
vernietigde, de vreemdelingen in het land lokte en ten slotte onder
zijne eigene ruïnen begraven werd.
De dubbelgangers der Polen, hunne mededingers en naburen, de Russen,
die zich sedert het begin der 16de eeuw onder het Vorstenhuis
der Romanows, tot een steeds machtiger en steeds verder om zich
heengrijpenden staat gevormd hadden, begonnen nu zich van den invloed
der Polen, die hen eens overweldigd hadden, vrij te maken, en hun de
eene oostelijke provincie voor, de andere na te ontnemen.
Kort na het midden der 17de eeuw, kregen zij de zuidelijke helft,
van de sedert langen tijd aan de Polen behoord hebbende provinciën,
oostelijk van den Dniepr, de Ukraine, het geheele land der Kozakken en
voor de tweede maal Smolensko, dat zij reeds eenmaal, in het jaar 1500
veroverd hadden--in den loop der 18de eeuw door de reeks zoogenaamde
verdeelingen van het snel verzinkende Polen, die elkander slag op slag
volgden, het eerst in het jaar 1772, de rest van het land oostelijk
van den Dniepr, het vorstendom Witepsk; vervolgens in 1793 het land
westwaarts langs den Dniepr, Podolië en de rest van Klein-Rusland, twee
jaren later in 1795 het voornaamste gedeelte van Lithauen, benevens
Koerland en Volhynië. Het Weichsel-land kwam bij deze deelingen ook
gedurende korten tijd onder Oostenrijk en Pruissen. Maar sedert 1815
heeft Rusland ook dit voorname stuk, het geheele middenste gedeelte
van het oude nationale Poolsche Weichsel-land in bezit genomen,
en nu zijn sedert dien tijd, verreweg de meeste der eens door de
Polen bevolkte of bezette landstreken, hunnen vijandigen broeders,
den Russen, onderworpen. Aan Pruissen is slechts de kleine oude
Poolsche wieg aan de Warthe en den zoom der Oostzee-kusten, en aan
Oostenrijk de fraaie Poolsche landschappen aan den noordelijken rand
van den Karpathen-muur ten deel gevallen.
Bij hun uitstekenden aanleg, niettegenstaande hunnen moed en
ridderlijken zin, schijnen aan de natuurlijke geaardheid der Polen,
van den aanvang af, en meer dan ooit in de laatste tijden van
hun staatkundig bestaan, vele eigenschappen ontbroken te hebben,
die bijzonder geschikt zijn het geluk van staten en volken te
grondvesten. Men heeft hen de genialen maar buitensporigen, en ook
wel den "verloren zoon" van moeder Europa genoemd. Vooral schijnt hun
niets van den spaarzamen, huishoudelijken, industrieelen en nijveren
zin, die onder vele andere goede hoedanigheden de Germaansche volken
kenmerkt, eigen geweest te zijn. Van hen is het spreekwoord afkomstig:
"op de jacht een haan dooden en aan den maaltijd een os eten." En
de uitdrukking "'t ziet er Poolsch uit," is ook bij ons, in de
beteekenis van een verward staatsbestuur en ongeregelde huishouding,
spreekwoordelijk geworden.
Ofschoon groote beminnaars van poëzie en muziek, hebben zij zich
nooit met goed gevolg op handel, handwerken en kunsten toegelegd,
en worden bij hen niet de geduldige, werkzame, zeer te waardeeren
middenklassen gevonden, die voor iedere menschelijke maatschappij zoo
weldadig en noodzakelijk zijn, en die haar eerst volkomen maken. Zij
waren altijd de uitersten toegedaan. Daar oorlogsroem, heerschappij,
een schitterend, teugelloos en ongebonden leven, voor hen de hoogst
mogelijke bekoorlijkheid bezat, zoo moesten, opdat dit alles aan
_eenigen_ ten deel zou vallen, _velen_ tot afhankelijkheid en tot
harden slaafschen arbeid gedoemd worden. De bescheidene idealen van
een vrijen, nijveren boer, of van een eerzamen, vlijtigen burger, zijn
dingen, waarvan de Polen zich nooit een goed denkbeeld hebben kunnen
vormen. De adel was de spil, waarom bij hen alles draaide. Wie slechts
het geringste grondbezit machtig was, wilde bij hen stedelijk edelman
en magnaat worden. Scheppende handels- en nijverheids-koloniën zijn
nooit van de Polen uitgegaan, alleen adellijke- en militaire koloniën.
De Polen vormden in deze hunne neigingen, een groot kontrast met de
naburige Duitschers, die in alle takken van het menschelijke kunnen en
volbrengen, een zoo ernstigen, volhardenden en werkzamen zin bezaten,
en hoofdzakelijk daardoor op de Polen zulke merkwaardige overwinningen
behaalden. Als nijvere en ondernemende kooplieden, hebben de Duitschers
namelijk den Polen de lange kuststreek langs de Oostzee weggenomen,
en hier, van Dantzig over Koningsbergen, Memel en Libau tot aan Riga,
langs de geheele kust van het oude Poolsche rijk, eene reeks bloeiende
Duitsche handels-koloniën gesticht. De Polen hebben zich door hen
overal van den levenwekkenden adem der zee laten afsluiten. Eens (in
het laatste der 15de eeuw) hebben zij deze streek Duitsche koloniën
wel voor eenigen tijd heroverd, hebben zij hunne grenzen weder tot
de zee uitgebreid, en, naar men zegt, toen zij destijds de Baltische
zee zagen, van blijdschap gedanst. De Polen dansten en zongen wel,
maar zij verstonden de kunst niet, zich de zee ten nutte te maken. De
Duitschers gingen, zelfs onder Poolsche opperheerschappij, voort, van
de zee gebruik te maken, en bleven daardoor de eigenlijke bezitters en
voordeeltrekkenden van het strand. Na eenigen tijd maakten zij zich ook
in politieken zin weder onafhankelijk van de Polen, sneden dezen weder
geheel van de zee af, terwijl zij langs de kust alles germaniseerden,
en de Polen noodzaakten zich tevreden te stellen met de moerassen en
wouden van het binnenland. Ook in vele gedeelten van dit binnenland
drongen de bedrijvige Duitschers binnen, en vormden zij bij de Polen,
even als bij de Tschechen en Magyaren, het wezenlijk element der
bevolking van de steden.
Met de Duitschers, maar in veel grooter aantal dan deze, kwamen
de Joden in het land en namen bij voorkeur de uitoefening op zich,
van verscheidene der burgerlijke bedrijven, waarvoor de Polen geen
aanleg of lust hadden. Zij, de kinderen Israëls, vonden bij de Polen
een zoo gunstig terrein, dat zij in alle steden, dorpen en gehuchten,
waar Polen woonden en heerschten, als handwerkslieden, kunstenaars
en kramers, de ledige ruimte binnendrongen die zij in het Poolsche
nationale-zijn vonden, en hier weliger tierden dan in eenig ander land
van Europa. Zij vormden een surrogaat voor de den Polen ontbrekende
midden-klasse, en als 't ware den derden stand van het volk, daar zij
het midden hielden tusschen de overmoedige heeren en de ellendige
onwetende lijfeigenen. Terwijl echter in andere landen "de derde
stand" eene weldaad is, zijn deze Joodsche burger-gemeenten in Polen
dikwijls eene plaag voor het land geweest, en toch eene onontbeerlijke
toevoeging. Zooals de Duitschers door hunne meerdere beschaving, en de
Joden door hunne rustige industrie, zoo hebben de nationale vijanden
der Polen, de Russen, in den loop der tijden de overwinning op hen
behaald door de enkele hoedanigheid: gehoorzaam en ondergeschikt te
zijn aan een leidenden wil, welke hoedanigheid de Russen in hooge
mate bewaard of zich eigen gemaakt hebben, ofschoon zij overigens,
in hunnen geheelen verstandelijken en lichamelijken aanleg, vooral
niet boven de Polen staan.
Men heeft meermalen de Polen de Franschen van het Noorden
genoemd. Even als deze zijn zij levendig, vlug en bevattelijk, maar
tegelijkertijd ook even als deze onbestendig. Altijd zijn zij bij
dans- en vechtpartijen en bij drinkgelagen vooraan. Zelfs de ouderen
van dagen bij de Polen, wier hoofden reeds grijs zijn, hebben nog
iets van het vlugge der vechtersbazen der universiteiten. Evenals
de Franschen bezitten de Polen eene elasticiteit, die hen zich in
alle omstandigheden doet schikken, alle indrukken doet volgen en
geene blijvend aanneemt. Hun doen en hun denken zijn eeuwigdurend met
elkander in strijd. Evenals het de menschelijke ziel in het algemeen
eigen is, de sterkste tegenstellingen in zich op te nemen, zoo weet
zulks de Pool in hooge mate te doen.
Jaren lang leven zij onbezorgd, vroolijk daarhenen, maar plotseling
rapen zij alle krachten samen tot het bereiken van een of ander
doel, dat hunne geestdrift heeft opgewekt, en weten zij een tijdlang
met veel energie te handelen. Onverschillig, oppervlakkig en alles
veroordeelende, beschouwen en bespreken zij menschen en zaken, maar
vatten vervolgens op eens haat of liefde voor een persoon of eene
zaak op. Heden vieren zij een feestdag met boete en gebed, morgen
een luidruchtig carneval in vroolijkheid en brooddronkenheid. Het
eene uur spreken zij vol geestdrift over vrijheid en menschenrechten,
en in het volgende zondigen zij, misschien hoogst ondoordacht, daar
tegen, in de behandeling hunner bedienden en ondergeschikten.
Geestdrift en apathie, ijver en nalatigheid, toegeving en tegenstand,
verkwisting en gierigheid, al deze tegenovergestelde eigenschappen
treden in de geschiedenis der Polen, even als in hun dagelijksch
leven, duidelijk te voorschijn. En evenzoo ook de grootst mogelijke
trotschheid naast de vernederendste onderworpenheid. Een duidelijk
bewijs hiervan geeft het reeds vermelde "_Nie pozwalam_," dat een
Poolsch edelman, in het gevoel zijner souvereine grootheid, tegenover
de besluiten stelde van het parlement en den wil van het geheele volk,
alsmede de in Polen zoo gebruikelijke phrasen, "ik kus uwe voeten" of
"ik val onder uwe voeten," uitdrukkingen, die bij alle klassen van
Polen, eene even gewone uitdrukking van dank is, als in Weenen het
welbekende maar veel gematigder, "ik kus u de hand"--"Maar"--zegt
eene talentvolle schrijfster, die over de Polen schreef--"al deze
verschillende, afwisselende, in elkander overgaande, dikwijls moeielijk
van elkander te onderscheiden eigenschappen van het Poolsche nationaal
karakter te schilderen, is bijna even moeielijk als eene poging om
de kleuren van den vleugel eener kapel te analiseeren. Reeds door
het aanraken wischt men het teere en bonte email weg."
Een hoogst elastische zin, die zich over alles heen zet, niet
bevreesd is voor de toekomst, het verledene niet betreurt, eene
krenking--trouwens ook dikwijls eene weldaad--spoedig vergeet, onder
alle omstandigheden een goed gelaat bij een slecht spel tracht te
zetten, lachend alles verdraagt, zoo een zin is het erfdeel van
alle Polen.--Met verwondering ziet de vreemdeling, zelfs de meest
verwenden onder hen zich schikken in de ongemakken eener reis, de
onaangenaamheden eener slechte tijdelijke woning, de misgrepen hunner
boersche bedienden, het lastig indringen van Joodsche handelaars--dit
alles ziet hij met de beminnelijkste luim verdragen.
Zij lachen met het moeielijke en vermaken zich over hetgeen anderen,
namelijk de met hen vergeleken, weekelijke of zwaartillende Duitschers,
vertoornen, althans wrevelig maken zou.
"Poolsche edellieden en vorsten, die in hunne eigene huizen door
alle mogelijke luxe omgeven zijn, die meestal veel gereisd hebben en
met al de genietingen van groote hoofdsteden bekend zijn, kan men
_con amore_ in de kleine, vuile Joodsche stadjes van hun land zien
rondwandelen--in de onzuivere logementen hun intrek zien nemen,
in de nauwe, donkere winkels hunne inkoopen zien doen, zich zien
amuseeren met de, in de rookerige schouwburgen der groote steden,
gegevene ellendige opvoeringen van deze of gene reizende troep, of
met het oorverscheurend spel van dezen of genen reizenden virtuoos,
of wèl dagenlang in harde britschen op hobbelige wegen zien rijden,
om eene wolf- of rendier-jacht bij te wonen. En dit alles ziet men hen
met zoo veel beminnelijke vroolijkheid en natuurlijkheid doen, dat men
hen, die genoegens vinden waar anderen niets dan moeielijkheden zien,
moet bewonderen."
Met deze, den Polen eigene, elasticiteit gaat hunne rusteloosheid--die
hen van de stad naar het land, van het eene slot naar het andere
doet gaan, die hun eene aanhoudende reislust als ingeënt heeft,
ja hen in hunne huizen onophoudelijk de bestemming en de inrichting
hunner kamers en de plaatsing hunner meubels doet veranderen, en dus
eeuwig aan de in het Oosten van Europa ingewortelde nomaden-natuur
doet herinneren--hand aan hand. Men zou meenen, in eene Poolsche
huishouding eene afbeelding in het klein voor zich te hebben, van
hunne vroegere huishouding van staat, waarin ook, even als in een
kaleidoskoop, alles door elkander gewerkt werd.
Ook de hartstocht voor het spel, behoort tot de schaduwzijden in
het karakter van den Pool, die samenhangen met zijn lichtzinnigen,
vluchtigen, onstandvastigen, avontuurlijken, naar opwekkingen
verlangenden zin. Deze hartstocht schijnt nu nog, even als ten tijde
van Tacitus de Duitschers, alle klassen der Polen te beheerschen. Niet
alleen de heeren in de zaal, maar ook de bedienden in de voorzaal,
de soldaten in de kazerne, de boeren voor hunne hutten ziet men zich
met kaart- en dobbelspel bezig houden. Somwijlen echter behaalt eene
andere edeler zucht, de overwinning op dezen hartstocht voor het
onzalige en het geluk van vele familiën verwoestende spel, namelijk
hunne voorliefde voor den dans. Ook deze is den Polen, evenals allen
Slawen, aangeboren. Zij geven zich daaraan, zoowel op hoogen ouderdom
als in de jeugd over, en de dans vermag zelfs levensmoede voeten
nog op te wekken tot eene mazurka, dezen levendigen, sierlijken,
afwisselenden, alle ledematen elektriseerenden, half militairen
nationalen dans, die zoo juist de uitdrukking der opgewekte, schielijk
tot hartstochtelijkheid overslaande Polen-natuur schijnt te zijn.
De gastvrijheid der Polen is, even als die van alle Slawen, van
oudsher beroemd geweest. Zij oefenen die op de grootst mogelijke wijze
uit. Niet alleen hun lust tot verkwisting en opschik, hun genot om
pracht en luxe te kunnen ontwikkelen, hunne begeerte zich in het midden
van een door hen beschermden en hen daarvoor huldigenden kring te zien,
maar ook eene natuurlijke goedhartigheid en mededeelzaamheid drijft
hen daartoe aan. Men treft daarom deze nationale deugd in het geheele
land aan, zoowel bij de geringen als bij de grooten, ieder naar zijne
krachten en omstandigheden, ja zelfs te midden der tegenwoordige zoo
afhankelijke, gedrukte en verwarde omstandigheden van het volk.
In het oude Polen heerschte de gewoonte, dat de rijke Magnaten of
"Pake," in hunne huizen eenige edellieden, aanverwanten of vazallen
met hunne vrouwen en kinderen bij zich opnamen, die zij "residenten"
noemden, en die geene andere verplichting hadden, dan den geheelen
trein van het slotleven mede te maken, en zooveel in hun vermogen was,
tot den glans der familie bij te dragen. Toen vond men in de Poolsche
wouden zulke groote paleizen, zooals b.v. dat der beroemde familie Pac
er een was, dat het trotsche, reeds in de verte zichtbare opschrift
droeg: "dit paleis behoort aan Pac, en dit paleis is Pac waardig,"
en waarin somwijlen behalve de hoofdfamilie en de, aan het paleis
geattacheerde "residenten" en de soldaten, die vroeger de Poolsche
souvereine magnaten gewoon waren om zich te verzamelen, wel duizende
menschen samen huisden.
Zoo iets ziet men tegenwoordig niet meer, maar wel is men thans nog,
en niet alleen bij de Pac's en de Branitzky's, Potozky's en Sapreha's,
maar ook op de kleiner adellijke goederen, er op ingericht, geheele
familiën met hunnen trein van bedienden, paarden en rijtuigen op
te nemen, en daarbij ontzegt men zichzelven dikwijls, ten gerieve
der vreemdelingen, de gewone gemakken. Op den middagdisch staan
couverts voor onverwachte gasten gereed, en gaarne bespaart men
zelfs aan doortrekkende reizigers, die men ter nauwernood kent,
het onaangename rusten in ongemakkelijke logementen. En zoo ziet
zich zulk een doortrekkend reiziger, tot zijne groote verwondering,
dikwijls midden in de Poolsche heiden en steppen, plotseling als door
een tooverslag in hoogst aangename kringen verplaatst, waarin hij
zich gedurende eenigen tijd aan al de gezellige genoegens van het
slotleven, aan jacht, renpartijen, dans en spel, aan het tooneelspel,
aan levende beelden, aangename conversatie en andere genoegens,
op Poolsche wijze kan vergasten. De Polen zijn aan deze gezellige
manier van leven zoo gewend, dat zij er niet meer buiten kunnen. En
wanneer men hun vertelt, dat in Engeland en in Nederland b.v.,
dikwijls de heer des huizes alleen met zijne vrouw en kinderen
aan den middagdisch of aan de theetafel zit, dan roepen zij uit:
"_Ah! que c'est triste_!" en vergeten geheel, dat dit toch ook eene
zeer prijzenswaardige huiselijkheid is.
De Polen worden om zoo te zeggen midden in de drukten en de genoegens
van het "gezellig samenzijn" geboren, en van de wieg af, in en voor
hetzelve opgevoed. Zoodra een jong Poolsch edelmannetje alleen op
zijn stoel zitten en op zijne voeten staan kan, tafelt en danst hij,
converseert hij en maakt hij pret met de grooten, vermoedelijk niet
ten voordeele zijner lichamelijke en verstandelijke gezondheid,
ofschoon daardoor de in Polen zoo onontbeerlijke gehechtheid aan
het gezellige, wel in de hand gewerkt wordt. De Polen sterven ook
niet gaarne in de eenzaamheid, liefst zoo mogelijk te midden eener
talrijke omgeving. Daarvan zal ik een merkwaardig geval, dat ik zelf
ten deele mede beleefde, mededeelen: eene voorname Poolsche dame,
die tachtig jaren te midden van den maalstroom van haren grooten
huiselijken kring geleefd had, kon ten laatste niet meer in persoon
bij de feesten van haar huis verschijnen. Zij liet haar ziekbed daarom
dicht bij de prachtige zaal, waar hare gasten zich iederen avond aan
allerlei genoegens overgaven, overbrengen. Men ging nu en dan achter
het beschot, dat de beide vertrekken van elkander scheidde, naar haar
toe, om haar te vertellen: wie met de schoone Gravin T. de mazurka
danste, wie met mejufvrouw P.; en toen zij geen dans of muziek meer
verdragen kon: welke whistpartijen er gemaakt waren, wie gewonnen
en wie verloren had en verder wat er al zoowat in de zaal gepraat
was. Eens op een avond, toen de gasten weder als naar gewoonte een
tijd lang bij elkander gezeten hadden, werd plotseling iets van tafel
tot tafel gefluisterd. De elegante heeren legden de kaarten neder,
stonden op en gingen zacht heen. De bedienden bliezen de lichten
uit.--Hunne oude vriendin en meesteres was zooeven, gedurende de
soirée, zacht ontslapen.
Men behoeft slechts korten tijd in zulk een Poolsch huis doorgebracht
te hebben, om te weten welken grooten invloed de vrouwen in Polen
uitoefenen. Over het algemeen munten zij uit door lieftalligheid
en gratie, zij deelen den levendigen, lichtzinnigen en ook den
ridderlijken geest van het andere geslacht. Daarbij hebben zij
meermalen eene grootere mate van ontwikkeling, en dikwijls zelfs eene
grootere wilskracht en vastheid van karakter, dan de mannen. Zij zijn
de eigenlijke gebiedsters der gezellige samenleving, en zijn steeds
ingewijd in de belangrijkste plannen der mannen. Ja! zij leiden deze
dikwijls met groote behendigheid en voorzichtigheid, iets wat tot op
den laatsten tijd door de politieke en bloedige gebeurtenissen in dit
land bewezen is, daar de Poolsche vrouwen niet alleen ruimschoots voor
het vaderland offerden, maar ook aan den strijd voor het vaderland
deel namen en geen gevaar ontzagen. Algemeen bewonderd en om haar
droevig uiteinde betreurd, werd in lateren tijd eene dezer schoone en
edele kampvechtsters voor het vaderland, de heldhaftige Gravin Helena,
uit het vaderlandslievende geslacht der Graven Plater. Maar men zou
een boek kunnen vullen met de levensgeschiedenis van teedere Poolsche
vrouwen, die, even als de maagd van Orleans, hare borst ten dienste
van het vaderland gepantserd hebben en de uhlanen-lans tegen de Russen
en andere vijanden hanteerden. In onbaatzuchtigheid en opoffering
hebben deze Poolsche vrouwen meermalen de partij- en ijverzuchtige
mannen overtroffen, en een Fransch geschiedschrijver heeft daarom
niet geheel ten onrechte gezegd, de kreet: "_Finis Poloniae_" zou
nooit weerklonken hebben, als men de Poolsche vrouwen gevolgd was.
Dit "_Finis Poloniae_" is een treurkreet die dikwijls herhaald werd,
maar die alleen waarheid behelst en van gewicht is, met betrekking
tot het oude politieke staatsgebouw van Polen. Dit is inderdaad in
elkander gestort en dood, maar als volk zijn de Polen nog volstrekt
niet opgelost of gestorven. Hun ras is, als zoodanig, niets minder
dan wegkwijnend of ziekelijk. Veeleer worden bij hen overal, even als
vroeger, de krachtigste vrouwen en mannen geboren, en deze hebben ook
weder in den loop dezer eeuw, zoowel buiten hun vaderland, in Italië,
Spanje en andere landen, met hun ouden, hun eigenen moed gestreden,
als binnen de grenzen van het Weichselland wonderen van dapperheid
tegen de Russen en Kozakken verricht. Evenmin als met het oog op
hun bloed en hun ras, kunnen de Polen, wat hunne moreele toestanden
betreft--eenigzins zooals de bandelooze Romeinen tijdens de oplossing
van hun rijk--als geheel ontaard of vervallen worden beschouwd. De
godsdienst, het gewichtigst element van ieder "vaderland" is nog
altijd een heilig goed voor het volk. In vele oude vrome gebruiken
en gewoonten openbaart zich hun godsdienstzin. Onder het uiterlijke
van een vroolijken wereldzin, bemerkt men, zelfs bij hunne hoogere
standen, eene opvallende neiging tot dweepzucht en geestdrijverij. Men
ontwaart bij hen een jeugdig gevoel voor het verhevene, geheimzinnige,
wonderbaarlijke, waarin zij zich gaarne verdiepen. Zelfs de grijsaards
bij de Polen dweepen nog dikwijls als jongelingen, terwijl bij andere
volken, b.v. bij de Franschen, dikwijls jongelingen als grijsaards
keuvelen.
Het allerminst echter vindt men bewijzen van kwijning in de taal
en literatuur der Polen. Te midden van hunnen politieken winter is
veeleer voor hunne taal en literatuur eene nieuwe lente ontstaan. In
het laatst der vorige eeuw was in geheel Polen weinig verstandelijke
beweging. Ja! verscheidene gedeelten van Polen, b.v. Gallicië,
werden nog in het begin der tegenwoordige eeuw als een literarisch
China beschouwd. In geheel Polen verscheen nauwelijks eene courant,
nauwelijks een periodiek blad, om de wereld te bewijzen, dat daar
eens een Sigismundische tijd bestaan had.
Sedert de tijden van Napoleon, later sedert het jaar 1830 en nog
later sedert 1848, is dit echter aanzienlijk veranderd. Ofschoon ook
in deze jaren, bij vergeefsche pogingen, nieuwe politieke ongelukken
de Polen troffen, hebben zij toch op nieuw de lier gegrepen, en is
uit de oude, nog niet opgedroogde bron der poëzie een frissche stroom
ontsprongen. Hunne taal heeft zich aanhoudend verrijkt en veredeld. Wat
zij niet in Polen zelf, in deze hunne oorspronkelijke en van nature
krachtige taal, denken, schrijven en drukken durfden, dat hebben zij
in Parijs, Londen, Duitschland, Amerika en andere landen in het licht
gegeven. Er zijn weinige plaatsen, die door hunne drukkerijen bekend
zijn, in de wereld, waar ook geene Poolsche boeken gedrukt worden. En
zooveel beroemde dichters als de Polen nu hebben, hadden zij vroeger
bijna nooit. Al die dichters, wel verre van aan een voortbestaan
van hun volk te twijfelen, verkondigen veeleer op profetischen toon,
de heerlijkheid, de weder opstanding en den krachtigen roem van hun
ongelukkig vaderland. Ja! de eerste dichter der Polen, hun Byron
Mickiewitz, een echte zoon van het land, noemt zijn volk zelfs:
"het toekomstige middelpunt, het leven wekkende brandpunt van het
geheele Slawendom."
Dit alles zijn zeker geene kenteekenen van een inwendig verval van
den geest des volks, en eener oplossing van zijn bloed en ras. Veeleer
geeft dit alles ons het recht, trots het treurige "_Finis Poloniae_"
van Kosziusko, aan het populaire "_nog is Polen niet verloren_"
te gelooven, als wij ook al niet kunnen zeggen, hoe hetgeen men met
eenig recht meent te mogen voorzien, werkelijkheid zal worden.