In het zuid-oosten van Europa, in het gebied en in de nabijheid van
den grootsten stroom van ons werelddeel, heeft de natuur eene reeks
groote berglanden gevormd, die in physieken zin, eenige gelijkheid met
elkander hebben.--Boheme, Moravië, Hongarije, Walachye (met Bulgarije),
allen gelijken daarin op elkander, dat het uitgestrekte, aan alle
zijden door groote bergketenen omgeven, laaglanden zijn, terwijl men
in het midden effene en meestal bijzonder vruchtbare vlakten vindt,
die in de voortijden vermoedelijk groote binnen-zeeën vormden, wier
wateren nu echter tot groote stroomaderen samengetrokken zijn.
Van al deze merkwaardige bassins is Hongarije het merkwaardigste,
en ook in historischen zin was het het belangrijkste.
In het noorden en oosten wordt het door de Karpathen als door een sterk
slingerenden halven cirkel omgeven; in het westen en zuiden wordt het
door de Alpen en hare vertakkingen begrensd. In het noord-westen,
waar Alpen en Karpathen op elkander stooten, is eene opening, door
welke de Donau bij Presburg in het bassin stroomt, om het als een
groot kanaal in schuine richting te doorsnijden. In het zuid-oosten,
waar de Servische en Zevenburgsche gebergten op elkander stooten,
is eene tweede opening, de sedert oude tijden zoogenaamde "ijzeren
poort," bij welke de Donau zich, door eene verscheidene mijlen lange
galerij van hooge rotswanden, weder een uitgang door het land baant.
Van alle zijden komen de wateren van de bergen afstroomen, om zich,
tot groote stroom-aderen vereenigd, naar het binnenste gedeelte des
lands te begeven en zich met den Donau te vereenigen. Uit het westen
komen de Drave en de Save, uit het oosten de veruiteenloopende takken
van den Theiss, den vischrijksten stroom van Europa.
In het noorden en oosten scheidt het Karpathisch gebergte het land van
de Sarmatische vlakte, en veroorzaakt tusschen Polen en Hongarije een
bijna even scherp afgeteekend verschil in klimaat, als de Alpen zulks
doen tusschen Duitschland en Italië. Wanneer men van uit het noorden de
Karpathen overschrijdt, komt men al ras uit de pijnboomwouden en uit
de, gedurende zes maanden met sneeuw bedekte, moerassen van Polen, in
een vruchtbaar wijnland, en wel in een land, waar, onder veel helderder
en drooger hemel, zuidelijker en vuriger wijnen verbouwd worden. De
talrijke vertakkingen der Karpathen vormen in Noordelijk Hongarije
eene menigte liefelijke heuvelachtige landschappen. De bodem is er
rijk aan allerlei schatten, aan gezondheidsbronnen, mineraalwateren,
ijzer, zilver, koper en zelfs ook aan goud, en tusschen de ertsrijke
bergaderen breidt zich een net vruchtbare, aan elkander verbondene
dalen uit, waaronder ook het zoogenaamde "gouden land van Hongarije,"
het groote eiland Schutt in de armen van den Donau.
De vertakkingen en uitloopers der Alpen zijn in het zuiden en westen
wel armer aan metalen, maar daarentegen vol van de treffendste en
bekoorlijkste landschappen. De gezamenlijke wateren van het land,
dat naar het zuiden afhelt, zijn daar sedert oude tijden opgestuwd
geworden, en hebben, even als in de Delta van den Nijl, ook in Walachye
een vetten slijkbodem doen ontstaan, die over eene uitgestrektheid van
50 mijlen, in de om hunne vruchtbaarheid zoo beroemde landschappen
van het Banaat, de Batschka en het Drave-dal gevonden wordt. Daar
zijn zelfs amandel- en olijfboomen en zelfs de katoenstruik inheemsch
geworden, terwijl de tamme kastanjeboom er in prachtige wouden groeit.
De middelste streken van Hongarije, vormen een groot vlak land,
dat zoo geheel vrij is gebleven van de omwentelingen, die onzen
aardbol doorwroet hebben, dat zijne oppervlakte over geheele streken
gelijk schijnt te zijn aan den vlakken effenen waterspiegel eener
binnenzee. In het geheele bergachtige Europa aan deze zijde der
Russische bergen, treft men geene tweede dergelijke vlakte aan. Overal
waar men, van de grensgebergten komende, deze vlakte betreedt,
meent men een ander werelddeel voor zich te zien. Men zou meenen,
dat Europa midden tusschen zijne bergen een stuk van het Aziatische
steppenland in zich opgenomen heeft. Alles is vrij, open en ruim,
overal is de horizon onbegrensd. Zandheuvels of vroegere duinen
zijn de eenige hoogten. De oppervlakte is in den regel kaal, hout-
en woudloos, voor een groot deel arm aan water, met gras of met
onmetelijke heidevelden bedekt. Enkele gedeelten zijn vruchtbaar
en geschikt ter bebouwing. Beide streken langs den Donau en den
Theiss zijn een groot gedeelte van het jaar met water bedekt en
vormen wijd uitgestrekte moerassen. Andere gedeelten missen geheel
een vruchtbaren bodem en den gras-groei, en gelijken kale, water-,
boom- en schaduwlooze zandwoestijnen. Zij worden van oudsher "Püsten"
(Wüsten, woestijnen) genoemd, onder welken naam echter later ook de
gezamenlijke binnenste vlakten van Hongarije--bouwlanden zoowel als
woestijnen--aangewezen worden. Even als in de Russische steppen, vindt
men ook in deze Hongaarsche "püsten" talrijke zout- en natron-meren
als overblijfselen van eene vroegere binnen-zee. Ook het klimaat
dezer woestijnen heeft in hoofdtrekken veel overeenkomst met die der
Aziatische steppen; het heeft eene in hooge mate drooge temperatuur. In
den zomer brandt de zon boven de Hongaarsche vlakte even gloeiend
als boven de Sahara. Dikwijls is maanden lang aan den hemel geen
wolkje te bespeuren, en de lucht tot stikkens toe heet en stil. In
den winter daarentegen waaien scherpe winden over het vlakke land
heen, maar deze zijn, tengevolge van den tegen het noorden en oosten
beschermenden bergwal, niet zoo ruw en koud, als in de oostelijke
zusterlanden Meestal mag men het wagen zomer en winter de kudden
buiten te laten. Bij uitzondering echter komen uit het Oosten _zeer_
harde winters, en dan komen de runderen, even als in de steppen van
Rusland en Tartarye, bij duizenden om.
Alle algemeene en bijzondere karaktertrekken van natuur en leven in
deze Hongaarsche püsten, harmonieeren in zoo hooge mate met wat men
aan de Kaspische zee en den Pontus waarneemt, dat men meenen zou,
hetzelfde land, denzelfden bodem aan deze zijde der Karpathen weder te
zien, hetzelfde vroeger samenhangende tapijt, waarvan de later uit de
ingewanden der aarde opgestegene Karpathen, slechts toevalligerwijze
een stuk afsneed en insloot. Het valt niet te betwijfelen, of deze
steppen-natuur van het binnenste gedeelte van Hongarije, vormt het
wezenlijke karakter van het land, en heeft een beslissenden invloed op
het geheele land gehad. Ware Hongarije, even als het overige Europa,
door heuvels en bergketenen doorsneden geweest, het zou eene andere
geschiedenis gehad hebben; het zou zich dan meer aan het Westen hebben
aangesloten, maar nu moest het, als eene onmetelijke door bergen
ingeslotene dierenrijke weide, als een door de Karpathen omzoomde
prachtige veeplaats, bij de Aziaten beroemd en door hen als een land
van belofte beschouwd worden.
De Aziatische en Nomadische volks-elementen, die zich van de vroegste
tijden af, in dezen breeden boezem van Hongarije uitstortten, hebben
van daar uit op het land en het volk steeds hun zegel gedrukt en bij
beiden den toon aangegeven. Wij zien nu daar midden in dat weide-land
een volk van Oosterschen oorsprong, dat naar alle zijden heen, over een
ander karakter hebbende bergvolken druk en heerschappij uitoefent. En
zoo is het bijna door de geheele geschiedenis heen geweest.
Reeds in het jaar 50 na Christus geboorte, ten tijde van den
Romeinschen Keizer Claudius, trok uit de Oostelijke steppen aan de
Zwarte Zee, een nomaden-volk, de Jazijgen geheeten; het begaf zich
over de Karpathen naar Hongarije en zette zich in de lage gedeelten
van het binnenste des lands neder. De Romeinen schilderen ons deze
Jazijgen als "een volk van wilde en koene ruiters, die, zonder dorpen
en zonder steden, onafgebroken te paard, in gemakkelijk op te breken
legerplaatsen leefden, en hunne wagens en kudden met zich voerende,
naar mate zij daar lust toe gevoelden of hun zulks noodig scheen, heen
en weer trokken." Zij waren vrije menschen, die hunne onafhankelijkheid
zelfs lang tegen de Romeinen wisten te handhaven. Daarentegen hadden
zij de om hen wonende bergvolken aan zich onderdanig en schatplichtig
gemaakt.
Men meent in deze weinige door de Romeinen medegedeelde gegevens, de
aanduiding van toestanden te herkennen, zooals die nu nog in het land
bestaan. Vele hun gelijkende ruitervolken kwamen _na_ de Jazijgen in
het land, en wie weet hoe dikwijls reeds _voor_ hen, gelijksoortige
stammen op gelijke wijze het land binnen gedrongen waren.
Welke taal die Jazijgen spraken, tot welke der groote Aziatische
nomaden-stammen zij behoorden, weten wij niet, en evenmin is het ons
bekend, tot welke familie de inboorlingen en bergbewoners die zij er
aantroffen, gerekend moeten worden. Slawische schrijvers echter zijn
van oordeel, dat de laatstgenoemden Slawen waren. En was dit, zooals
waarschijnlijk is, het geval, dan zouden wij dus hier reeds in de
oudste tijden een beeld voor oogen hebben, van den nu nog in Hongarije
voortdurenden strijd tusschen nijvere, akkerbouwende, onderworpene
Slawen, en zich op de veeteelt toeleggende, vrij rondzwervende,
in het inwendige van het land gebiedende, indringers uit het Oosten.
Na de Jazijgen, wier macht, omstreeks het midden der 4de eeuw, door
een algemeenen opstand hunner (Slawische?) onderdanen gebroken
werd, wier naam echter ten huidigen dage in de geographie van
Hongarije, in het district "Jazijgië" aan den Theiss, vereeuwigd
is, vielen de horden der zoogenaamde Hunnen het land binnen, en hun
aanvoerder Attila sloeg, even als voor hem de stam-opperhoofden der
Jazijgen, zijne legerplaats midden in de vlakten van Donau en Theiss
op. Zijne verschijning was niet eene koene en op zich zelf staande
onderneming van een afzonderlijken stam, maar het gevolg van groote
staten-veranderingen en volksbewegingen in het Oosten. Hij kwam aan
het hoofd eener groote volks-lawine, midden in een bruisenden vloed
van natiën. De nationale elementen door dezen vloed over Hongarije
uitgeschud, waren natuurlijk van zeer verschillenden aard. Daaronder
bevonden zich zoowel Mongoolsche als Finsche, Turksche en wellicht
ook Tungusische krijgers, al waren dan al wellicht eerstgenoemden
de aanvoerders.
Ten tijde van Attila, in het midden der 5de eeuw, speelde
Hongarije voor de eerste maal eene groote maar vreeselijke rol in
de wereldgeschiedenis, en van dien tijd af heeft dat land den naam
"Hunnenland" of "Hungarn" (Ungarn--Hongarije) bij de westelijke
Europeanen behouden. Van uit de Hongaarsche püsten, van uit de
ruiter-legerplaatsen aan den Theiss, werden toen de eerste tochten
gedaan die tegen het Romeinsche rijk gericht waren, de Germaansche
wereld in rep en roer brachten, en in geheel Europa de vaan der
revolutie plantten. Van daar uit reden Attila en zijne scharen naar
Duitschland, naar Frankrijk en Italië, en daarheen keerden zij,
de Alpen omtrekkende, met den in het westen opgedanen buit beladen,
ook weder terug. Daar, in zijne legerplaatsen aan den Theiss en den
Donau, ontving Attila de afgezanten van de Keizers uit het Westen en
uit het Oosten en de schatting van vele volkeren.
Na het verval van het rijk der Hunnen, waarvan de oorzaak, deels in
inwendige tweespalt der opvolgers van Attila, deels in den opstand
hunner Slawische en Germaansche onderdanen, moet gezocht worden, kwam
de heerschappij over Hongarije aan Duitsche stammen, aan de Gepiden,
Gothen en Longobarden.--Maar ook deze hielden niet lang Hongarije
onder hunne heerschappij, want schier iedere eeuw deed nieuwe volken
uit het Oosten en het Westen binnenstormen.
Vervolgens, in de 6de eeuw, kwamen de Avaren. Zij volgden het
voetspoor der Hunnen, om het voorbeeld van dezen op nog ergere wijze te
herhalen. Even als Attila, zetten zich hunne Chakans (opperhoofden der
horden) in de vlakten aan den Theiss en den Donau neder, en van daar
uit vielen zij, even als de Hunnen overal verwoesting aanbrengende,
het overige Europa aan. Men toont nu nog in Hongarije overblijfselen
aan der zoogenaamde _Avaren-ringen_, groote ronde verschansingen,
waar binnen zich de Avaren met hunne ruiters en kudden verschansten.
Hunne rooftochten voerden zij, evenals de Hunnen, hoofdzakelijk in
drie richtingen uit: zuidelijk naar Constantinopel, westelijk den
Donau op naar Duitschland, zuidwestelijk tot de Adriatische zee naar
Italië. Zij handhaafden zich nagenoeg 200 jaren in hunne stelling,
tot ten laatste Karel de Groote, tegen het einde der 8ste eeuw,
langs den Donau tegen hen optrok, in een grooten slag aan den Raab
hunne macht brak, en met Duitsche kolonisten zijn "_Avaren-mark_",
Avarengrens, ook wel de "_Oostelijke-mark_" later "_Oostenrijk_"
genoemd, tegen hen oprichtte.
Reeds lang was een ander Finsch-Tartaarsch volk, de _Bulgaren_, van
den Ural af, de Avaren op den voet gevolgd. Terwijl zij, in den rug
hunner steeds voorwaarts trekkende voorgangers, de verlatene provinciën
wegnamen, kwamen zij na de nederlaag der Avaren, ook naar Hongarije,
en beheerschten dit land van af de oostelijke grens tot aan den Donau
bij Pesth. De hoofdmacht dezer Bulgaren had zich intusschen naar den
beneden-Donau en naar Constantinopel gewend, en hunne heerschappij in
Hongarije was noch zeer uitgebreid, noch van langen duur. In hunne
noordelijkste bezittingen aan den Theiss en den Donau, moesten zij
onderdoen voor de Magyaren.
Het einde der 9de eeuw bracht de Magyaren in het land. Even als
hunne voorgangers de Bulgaren, de Avaren, de Hunnen, de Jazygen,
hadden zij zich ook aan de grenzen van Azië en Europa te paard gezet,
en waren zij strijdende, slagen _winnende_ en _verliezende_, nu eens
overwinnende, dan weder door hunne vijanden gedecimeerd en voor
hen vluchtende, lang aan de Chazaren onderdanig, langs denzelfden
grooten volkeren-weg in het noorden van den Pontus, waarlangs al hunne
voorgangers gekomen waren, westwaarts getrokken; waren in dezelfde
bergpassen der Karpathen, in het noorden van Zevenburgen, de gebergten
overgetrokken, en maakten eindelijk, even als hunne voorgangers,
in de goede weiden langs den Theiss en den Donau, halt. Daar,
midden in de vlakten sloegen, even als eens Attila, hunne eerste
legeraanvoerders en hertogen, Almus en Arpard, hunne legerplaatsen op,
en zij en hunne opvolgers verspreidden zich van daar op hunne tallooze
kleine paardjes, even als de Hunnen en de Avaren, langs de van ouds
daartoe gebruikelijke wegen over het overige Europa, en doortrokken
plunderend en verwoestend het Byzantijnsche rijk in het zuiden,
Italië bij het begin der Adriatische zee en Duitschland opwaarts
langs den Donau. Wanneer men de gelijkvormigheid dezer gedurende
eeuwen voortgezette marschen en tochten, en hunne overeenstemming
op schier alle punten, zoo met betrekking tot het doel, als tot de
wegen die tot dat doel moesten leiden, beschouwt, dan zou men bijna
geneigd zijn te gelooven, dat de volken volgens afspraak te werk
gingen, of wel als bestond er eene traditie, dat het Hongarenland,
het met bergen omringde weideland aan den Donau, over heel Azië eene
groote vermaardheid had genoten, en als had zich dus van de vroegste
tijden af ieder ruitervolk, met het plan dit doel te bereiken, op
weg begeven. Ten deele moge dit werkelijk zoo geweest zijn, maar ten
deele is ook de gelijkvormigheid en regelmatigheid dezer bewegingen
uit de natuurlijke gesteldheid dier landen te verklaren.
Het geheele _zuiden_ van Rusland is eene met gras bedekte vlakte,
die den Nomaden zeer geriefelijk voor hunne beweging en toenemende
uitbreiding moest zijn. Het ruwe klimaat en de dichte wouden van
_midden_ Rusland, waren hun hinderlijk bij het voorwaarts rukken naar
het noorden, terwijl _zuidwaarts_ de Zwarte Zee hun in den weg lag.
Zij trokken dus het liefst _westwaarts_. In deze richting stieten zij
op de Karpathen, die in Zevenburgen eene hooge, breede en moeilijk
te overwinnen hinderpaal vormden, die echter van de bronnen van den
Dniester en Pruth tot die van den Theiss, lage, smalle bergruggen en
gemakkelijke bergpassen aanbieden. In het noorden dezer landstreek
verheffen de Karpathen zich weder hooger, zoodat zich bij den
Theiss eene kleine verzakking bevindt, een overgangspunt, een zeer
natuurlijk inlatings-station, veel doelmatiger en natuurlijker dan
de reeds bovengenoemde "IJzeren Poort" in het zuiden, waardoor de
Donau binnenstroomt. Nu nog gaat daar door een der voornaamste reis-
en straatwegen van Rusland en de Bukowina naar Hongarije.
De Jazygen, de Avaren, de Magyaren, die, zooals bereids gezegd is,
niet altijd als overwinnaars hunnen weg vervolgden, veelmeer dikwijls
als door andere horden voorwaarts gedrevene vluchtelingen, aan den voet
der Karpathen aankwamen, waagden dan, als zij van de heerlijke streken
aan gene zijde hoorden, de bergen over te trekken. Achter de bergen
konden zij ten minste een tijd lang voor hunne vervolgers zeker zijn,
en in die vlakten, waar zij de rijken hunner Aziatische voorgangers,
of van de aldaar van oudsher inheemsche Slawen, in tweedracht en
verval vonden, konden zij met frisschen nomaden-moed als veroveraars
en gebieders optreden.
Dat zij meest allen ten slotte aan den Donau halt hielden, als
hadden zij nu hun doel bereikt, als waren zij in het beloofde land
aangekomen, verklaart zich even natuurlijk uit de verdere gesteldheid
van Westelijk Europa. Had men verder op ook nog eindelooze vlakten,
weiden, rijbanen gevonden, dan waren de Nomaden tot aan het einde der
wereld doorgedrongen. Op hunne onderzoekings- en rooftochten van de
kale püsten uit, ontdekten zij echter steeds, dat men aan de andere
zijde niets dan bosch- en berglanden vond, vol menschen, steden, muren
en doorsneden door zeeboezems. Zij werden daar dikwijls met bebloede
koppen teruggeworpen, en bleven daarom in hunne püstenstreek waar
niemand hen opzocht, en dat het laatste stukje van het werelddeel
was, dat op hun Aziatisch vaderland geleek. Nog heden ten dage
is de Magyaar, als men hem eene beschrijving van bergen en enge
dalen geeft, gewoon met een soort afschuw te zeggen: "maar dat is
verschrikkelijk! Daar moet een Hongaar _stikken_."
Even als met betrekking tot de wegen waarlangs zij het Donauland
binnentrokken, en tot de omstandigheden waaronder zij zich daar
vestigden, gelijken deze volken, tot de Magyaren toe, ook allen op
elkander wat ten slotte hunne nationale geschiedenis was. Onder heinde
en ver gevreesde legeraanvoerders en ruwe machthebbers legerden zij
allen, de een na den ander als sombere onweerswolken, aan den Donau,
en deden zij van daar uit een tijd lang hunne verwoestende tochten naar
alle zijden heen. Maar geen vast beginsel, geen erfelijkheid van den
vorstelijken troon, geene neiging tot beschaving of vooruitgang schoot
bij hen wortel, en daardoor kwam het, dat al die onweerswolken zich in
nevels oplosten. De onstuimige ondernemingsgeest verminderde. Zulke
groote en talentvolle aanvoerders als Attila keerden niet weder. De
horden kregen oneenigheid en raakten verdeeld, en zoo werden zij altijd
weder de buit van eene andere, nieuw aangekomene horde, die nog bezield
was met dien frisschen moed en die jeugdige eensgezindheid, die den
roovers bij den aanvang hunner expeditiën zoo eigen pleegt te zijn.
De Magyaren _waren de eersten_ en _bleven de eenigen_, die het talent
of het geluk hadden, dit gewone lot van alle politieke stichtingen
der Aziaten in Europa te ontkomen. Zij alleen zijn niet als stof
vervlogen, zij alleen zijn midden onder ons blijven bestaan, en
hebben zich als een vast lid aan den krans der andere Europeesche
volken aangesloten. Nauwelijks aan deze zijde der Karpathen gekomen,
stichtten zij eene monarchie met een erfelijk vorstenhuis, en kwamen
uit hen verscheidene heldhaftige vorsten voort. Kort nadat zij, even
als de Hunnen en de Avaren, door de westelijke volken voor hunne
rooftochten in bloedige slagen bestraft en teruggeworpen waren,
gaven zij niet zooals de genoemde volken, op Aziatische wijze door
eene overhaaste vlucht het in bezit genomene land op, maar kwamen zij
veeleer spoedig tot bezinning, en besloten, terwijl zij de Westersche
beschaving en het Christendom--en wel het Westersche en niet zooals
de Russen, het Oostersche Christendom--aannamen, als Europeanen in
Europa te _blijven_, daar zij als Aziaten zich niet inheemsch konden
maken. Zij trokken de zware wapenrusting der westersche volken aan,
riepen Duitschers en Italianen in het land, stichtten met behulp van
dezen steden en vestingen, grepen naar den ploeg en leerden van de
Duitschers en Slawen den landbouw.
Het onuitputtelijke Azië ging intusschen voort, even als te voren,
nieuwe ruitervolken naar het Westen te zenden. Het eerst in de 10de
eeuw de Petschenegen, die de Hongaren altijd op den voet gevolgd
waren, vervolgens in de 12de eeuw de wilde Kumanen of Polowzers,
beide van Turksche afkomst en eindelijk in de 13de eeuw de Tataren van
Dschingis-Chan. Even als hunne voorgangers klopten ook zij allen aan
dezen Karpathen-muur, ja zij klommen dien zelfs ten deele over. Maar
de sterk geblevene en nog sterker gewordene Magyaren boden hun een
even degelijken als machtigen tegenstand. De Turksche Petschenegen en
Kumanen kwam slechts bij afzonderlijke troepen in Hongarije, en ook
dezen slechts als trawanten en onderdanen der Hongaarsche koningen,
en verdwenen weldra in de massa van het Hongaarsche volk, waarmede
zij zich vermengden. Zelfs de Tataren van de 13de eeuw, werden
in Hongarije, nadat zij het geheele land eerst verwoest hadden,
ten slotte overwonnen, en moesten zich met de heerschappij over
de uitgestrekte landen ten oosten der Karpathen tevreden stellen,
en eerst veel later was het krachtig gewordene Rusland in staat,
deze Aziatische landverhuizing bij den Ural een grens te stellen,
even als voor hen de Magyaren het reeds bij de Karpathen gedaan hadden.
Van _Duitschland_ uit, dat na den tijd van Karel den Groote en Hendrik
den Vogelaar zich vast aaneen sloot, zich met steden en muren wapende,
door Hongarije en Rusland heen, kan men in den loop der eeuwen een
langzaam kristallisatie- en consolideerings-proces der Europeesche
volken opmerken, dat met landbouw, beschaving, het bouwen van steden,
met militaire grenzen, kozakken-liniën enz., langzamerhand verder
naar het Oosten rukt, even als het indijkings-systeem der Duitsche
Marsch-boeren, de Aziatische volken-zee tot steeds engere grenzen
beperkt, en aan de van Azië uitgaande politieke schokken steeds minder
vergunt, zich aan ons vasteland mede te deelen.
Aanvankelijk zullen de Magyaren, toen zij over de Karpathen het land
binnentrokken, niet meer dan 300.000 koppen bedragen hebben. Zij
vermeerderden zich aan den Donau tot eenige millioenen, zonder dat
zij zich, even als de Franken en de Gothen in Spanje en Gallië,
in de oorspronkelijke bevolking oplosten. Terwijl zij veel meer dan
deze beide volken, de taal en de eigenaardigheden hunner voorvaderen
getrouw bleven, en deze ten deele zelfs nog aan anderen opdrongen,
stichtten zij zelven daar een rijk, dat lang bestond, en ten tijde van
zijn grootsten bloei in de 14de en 15de eeuw, bijna alle midden- en
beneden-Donau-landschappen, van af de Karpathen tot aan de Adriatische
Zee, en onder Lodewijk den Groote zelfs ook Polen tot aan de Oost-Zee
omvatte.
Onder dezen Lodewijk uit het huis van Anjou, en vervolgens onder
hunnen gevierden Mathias Corvinus, die niet alleen op de slagvelden
uitblonk, maar ook wetenschappen en kunsten beoefende, die eene zoo
groote en kostbare bibliotheek bezat als geen ander Europeesch Vorst
van zijn tijd, en dien de Hongaarsche boeren nu nog prijzen, wanneer
zij spreekwoordelijk zeggen: "Koning Mathias en de gerechtigheid zijn
dood," bereikten de Hongaren de hoogste trap van nationalen roem en
aanzien. Het geluk en de vooruitgang van dit volk zouden wellicht
bestendiger geweest zijn, als zich niet een nieuwe en vreeselijke
afgrond geopend had; een afgrond, die zoovele bloeiende Europeesche
volken verslonden heeft. Terwijl de Hongaren het toppunt hunner macht
bereikt hadden, hadden de Turken alle voormuren der christenheid
in het zuiden ter neder geworpen, en stonden zij eindelijk aan de
Donau-grenzen.
Die groote Hongaarsche Koningen, die een tijd lang de heldhaftige
voorvechters der christenheid tegen de Muzelmannen waren, hadden
onwaardige opvolgers, die kroon, rijk en leven in de ongelukkige
gevechten tegen de Turken verloren. Met de belangrijke slagen bij Varna
(1444), waar Koning Wladislaus met zijne helden verslagen werd, en bij
Mohacz (1526), waar Koning Lodewijk II met de zijnen in een moeras
verzonk, eindigde de nationale grootheid en de onafhankelijkheid
der Magyaren. Als onderdanen of verbondenen der Turken, verzonken de
_Hongaren_ zelf in een poel van machteloosheid en verwildering.
De Turken hebben van Hongarije nagenoeg 200 jaren lang, de eigenlijke
Magyaarsche kern van het binnenste püstenland bezeten. De Slawische
nabuurlanden der Karpathen zijn nooit blijvend in hunne handen
gekomen. De Magyaren verturkten zich onder de halve maan op merkbare
wijze; zij begonnen zich even als de Turken het hoofd te scheren,
bedienden zich van Oostersche baden, bouwden in hunne steden
moskeeën, en namen ook in taal, zeden en gewoonten veel van de
Osmanen over. Velen hunner gingen zelfs tot den Islam over, dienden
de Muzelmannen als vasallen, borduurden op hunne vaandels de halve
maan, en schreven daaronder: "Voor Allah en het vaderland." Dat het
hun niet _geheel_ zoo ging als de Albaneezen en de Bosniërs, en dat
bij slot van rekening, zij ook uit _dit_ gevaar de hoofdtrekken
hunner nationale-eigendommelijkheid redden, "dat zij" zooals een
hunner geschiedschrijvers zich uitdrukte "langzamerhand weder een
behoorlijk christen-gelaat toonen konden," hebben zij grootendeels
te danken aan de overwinningen van een Karel van Lotharingen, van
een Prins Eugenius, en aan hunne verbinding met het Oostenrijksche
Keizers-huis, met wier hulp zij zich in den loop van drie eeuwen van
gemeenschappelijken strijd en van worsteling, tot nieuwe hoop en tot
nieuwe ontvouwing hunner nationaliteit verhieven.
Waaruit deze Magyaarsche eigendommelijkheid en krachtige nationaliteit
eigenlijk ontsproten, wat zij geweest zijn en welke grootere
volksstammen tot de Magyaren moeten gerekend worden, daarover heeft
men tot den huidigen dag veel gestreden.
De Russische schrijvers, bij wie wij de eerste berichten aangaande
de Hongaren vinden, leidden haar af uit het land "Ugrien," het oude
stamland der Finnen aan den Ural. Een Hongaarsch geleerde, Sainovicz,
die in het jaar 1769 met de beroemde wetenschappelijke expeditie, tot
hoog in het noorden van het land der Lappen trok, om den doorgang van
de planeet Venus waar te nemen, deelde deze zienswijze, en schreef
een boek waarin hij bewees, dat de Lapsche en de Finsche taal in
wezen dezelfde waren als die der Magyaren. En het is ook nu nog het
oordeel der meeste geleerden, dat de Magyaren oorspronkelijk de naaste
verwanten geweest zijn der Finsche Oostjäcken, Wokulen en Baschkiren,
wier land in de middeneeuwen langen tijd "Groot-Hongarije" genoemd
werd. De beroemde Fransche reiziger en gezant Rubruquis verzekert,
dat in zijn tijd, in de 13de eeuw, de taal der bewoners van dit
"Groot-Hongarije," der Baschkiren, nog geheel dezelfde was als die
der Magyaren aan den Donau.
Ook de oude tradities der Hongaren zelven, wijzen naar het gebied van
den midden Wolga en de Kama, als het oord, vanwaar hunne tochten naar
Westelijk Europa uitgegaan zijn. Daar leeft nog heden ten dage een
Finsche volksstam, die bijna denzelfden naam draagt als de Magyaren,
namentlijk de "Metscher-jakers." En eindelijk bevinden zich zuidelijk
van genoemde streken en zuidelijk van de Wolga, aan de rivier Kama,
de ruïnen eener stad die nog heden "Madschar" genoemd wordt, en die
men voor de oorspronkelijke woonplaats der Magyaren houdt.
De bij alle verwantschap bestaande groote verscheidenheid, der
tegenwoordige Hongaarsche taal met die der overige Finsche dialecten,
zoo ook het wezenlijk onderscheid naar lichaam en geest van beide
volken, hebben daarentegen anderen bewogen, den oorsprong der Hongaren
ergens anders te zoeken, en de genoemde overeenkomsten te verklaren uit
hun meer of minder lang _verblijf_ onder de Finnen. De Bijzantynsche
schrijvers noemden de Hongaren van de vroegste tijden af, gewoonlijk
"Tourkoi" (Turken). En daar nu de Hongaarsche taal niet alleen vele
woorden, maar ook menige eigenaardigheid in bouw en mechanisme, met
de talen der talrijke Turksche stammen gemeen heeft; daar ook verder
de lichaamsbouw van het Hongaarsche volk eerder iets Zuid-Aziatisch
dan iets Lapsch of Finsch verraadt, zoo hebben vele geleerden hen tot
de Turk-Tataren gerekend. Anderen wederom rekenden hen tot de oude
Hunnen en Mongolen. Wijl er eindelijk echter nog zeer veel, zoowel
in de taal als ook in het geheele wezen der Magyaren overblijft, dat
noch Turksch, noch Finsch, noch Mongoolsch is, en daar voornamelijk
de Hongaarsche patriotten zelven, wien eene verwantschap met de
Oostjäcken of Lappen--de Keizer van Rusland loofde orden uit,
om dit op wetenschappelijke gronden te bewijzen--niet vleiend
genoeg of misschien zelfs wel gevaarlijk toescheen, zich altijd het
liefst hielden aan dit hun eigenaardigst, dit iets, wat zij "Mag"
d.i. kern van het volk (vandaar "Magyaren") noemden, zoo is in den
nieuwsten tijd eindelijk een hunner, de jonge, enthusiaste Czoma
von Körös, midden tusschen Finnen, Turken en Mongolen door, naar den
oorspronkelijken zetel van het geheele Europeesche menschengeslacht,
naar de Indische hooggebergten gereisd, om daar aan de bronnen van
alle Aziatisch-Europeesche volks-stroomen, de dalen te ontdekken,
waaruit de kern van het Magyarendom ontsproten mag zijn. Maar de
onderneming van dezen geleerden Hongaarschen patriot, die daarbij zijn
leven verloor, heeft weinig tot beslissing dezer vraag bijgedragen,
ofschoon hij zelf persoonlijk overtuigd was, dat het stamland der
Hongaren aan gene zijde van den Himalaya bij Tibet te zoeken is.
Het waarschijnlijkste resultaat, waartoe men intusschen, ten minste
behalve in Hongarije, vrij algemeen gekomen is, en dat zooals gezegd
is, voornamelijk op de oorspronkelijke verwantschap der Magyaarsche
en Finsche taal berust, is en blijft dit, dat de Magyaren in hun
eerste begin als een Finsch heldengeslacht moeten beschouwd worden,
dat zich later met vele vreemde bestanddeelen vermengde, en waarin
zich vervolgens gelijktijdig als door chemische vermenging en oplossing
der elementen, even als in het tegenwoordige gemengde Engelsche volk,
een zeer eigenaardige geest vormde, en waaruit een zelfstandig en
zijn eigen kracht bewust organisme ontstond, dat wij in geene der
bijmengingen, waarvan het een produkt is, terugvinden en door geen
er van _geheel_ oplossen en verklaren kunnen.
Zonder twijfel hebben zij, reeds voor zij over de Karpathen klommen,
op hunne lange wandeling en gedurende hun ongeregeld en met tijdperken
van rust afgewisseld voorwaarts gaan, van den Ural door de steppen van
Rusland, veel vreemds in zich opgenomen; Turksche, Slawische stammen
lagen op den weg van dit hoopje strijders. In de dienstbaarheid der
Chazaren en in de oorlogen met de vreemdelingen, vereenigden zij zich
met deze en trokken zij velen hunner met zich voort. In Hongarije
zelve zette zich dit proces nog verder voort, want daar vonden zij
overal zoowel Slawische volken als overblijfselen van Aziatische
stammen. Van de Avaren, van de oude Hunnen, van de nog oudere Jazijgen
waren, bij de afdaling in het binnenste der Hongaarsche püsten, altijd
eenige overblijfselen overgebleven, die, onder al de omwentelingen
en de verwisselingen van heerschers in het land, een nomadische kern
der bevolking bewaard hadden. De Magyaren namen dezen, hun het meest
passenden, Aziatischen zuurdeesem aan. Toen zij van de groote daden
der Hunnen en Avaren hoorden, en toen zij zelven later dergelijke
groote daden uitvoerden, toen versmolt in het volksbewustzijn der
Magyaren, de voortijd geheel met het daar zooveel overeenkomst mede
hebbend tegenwoordige.
Zij eigenden zichzelven, om zoo te zeggen, den geheelen vroegeren
roem van het door hen bezette land toe. Zij namen de tradities der
Avaren en Hunnen als de hunne aan. Zij vereenzelvigden zich met alles,
wat van oudsher veroverend en verwoestend, van uit het oosten in hun
Donau-bekken verschenen en daar weder uitgegaan was. Zoo werd Attila
een Hongaarsch nationaalheld, wiens daden de Magyaarsche schrijvers
nog met grooter voorliefde en met meer toevoegsels van hunne vinding
opgesierd hebben, dan de Duitschers en Franken de daden van hunnen
grooten Karel. Attila en zijne Hunnen, Bajan en zijne Avaren,
waren naar hun idée in zekeren zin slechts de voorhoede geweest van
dezelfde groote en langdurige volksverhuizing, waarvan nu de Magyaren
de achterhoede en den staart vormden, terwijl zij het geheele werk
de kroon opzetten, door dien zij ten slotte de onderdrukking en
consolideering van het land voltooiden.
Maar verreweg het meerendeel der bewoners van het land, dat de
Hongaren als hun vadererf binnentrokken, bestond uit Slawen, die,
zooals reeds gezegd is, overal in de rondte, in het zuiden zoowel
als in het noorden, in het oosten zoowel als in het westen, te
vinden waren. Grootendeels ten koste dezer Slawen, groeide de nieuwe
spruit uit het Oosten tot een grooten boom op. Het kon niet missen,
dat hij daarbij veel _ook van dit element_, te midden waarvan hij
zich verplaatst zag, aannam: bijna een derde gedeelte der woorden
in de taal der Hongaren is van Slawischen oorsprong, even als ook
vele hunner familie-namen, (zoo zelfs de naam van den beroemdsten
Magyaar van den nieuweren tijd, Lodewijk Kossut), en eveneens kwamen
vele hunner politieke instellingen, b.v. hunne landverdeelingen of
comitaten, hunne koninklijke hof-ambten, hunne boersche betrekkingen
uit den Slawischen ondergrond te voorschijn.
De Duitschers eindelijk vormden een derde element, dat wijzigend op het
karakter der Magyaren gewerkt heeft. De oude Germaansche heerschers
van Pannonië, de Longobarden, Gothen, Gepiden waren spoedig weder
verdwenen, maar reeds met de kolonisten van Karel den Groote in zijn
Avarische mark, schoot Duitsche bevolking in Hongarije vasten wortel.
Toen de Magyaren zelven met de Duitschers oorlog voerden, en vervolgens
door dezen overwonnen en tot het christendom bekeerd werden, toen na
het jaar 1000--door den gedoopten Koning Stephanus geroepen--Duitsche
zendelingen en apostelen, en kort na hen Duitsche ridders, hovelingen,
kolonisten en stedelingen bij menigte in het land kwamen, en toen
dit in het land komen van Duitschers, van af het jaar 1000 tot op
den huidigen dag, bijna onafgebroken voortduurde, toen moest ook wel
veel Duitsch bloed, even als Duitsche denkwijze, taal en zeden in
het Magyaarsche overgaan. Koning Stephanus had de, op den eersten
blik wat vreemde, maar voor de geschiedenis van Hongarije zeer
karakteristieke, grondstelling aangenomen: _Unius linguae uniusque
moris regnum fragile est_ (een rijk van _eene_ taal en van _dezelfde_
zeden is bouwvallig). Zijne opvolgers beschouwden deze grondstelling
als een heilig voorschrift, en daarom hebben de Hongaren allerlei
volken gastvrij bij zich toegelaten. Daardoor is het wel een wonder
te noemen, dat dit kleine hoopje Magyaren, midden onder zoovele op
hen inwerkende en door hen bijgeroepene vreemdsoortige invloeden, in
weerwil van de Slawische meerderheid, het Duitsch moreel overwicht
en de Turksche overheersching, toch nog tot op dezen tijd zooveel
eigendommelijks in de kern van zijnen nationalen geest, dat hen op den
eersten blik van alle andere volken onderscheidt, bewaard heeft. Zeer
begrijpelijk daarentegen is het, dat zich daarbij tegelijkertijd in
hun ras en in hunne manier van zijn zooveel veranderde, dat wij in de
ons van de oude Urmagyaren overgeleverde portretten, de tegenwoordige
ter nauwernood herkennen.
De kroniekschrijvers der Duitschers, Slawen en Byzantijnen schijnen het
daarover eens, dat die voorouders der Hongaren, zoowel naar lichaam
als naar geest, ware wangestalten geweest zijn. "Wat het uiterlijk
betreft," zegt een dier ouden, "zijn de Hongaren afschuwelijk,
zij hebben diep liggende, kleine oogen, hoekige en scherpe trekken,
zij gelijken op met de bijl behouwene schanspalen. Zij zijn klein en
nietig, en hebben in hun gedrag en zeden veel van wilde dieren." "Men
moet" voegt een ander hier nog bij "het geduld en de inschikkelijkheid
der Goddelijke Voorzienigheid bewonderen, die het toegelaten heeft,
dat dit zoo walgelijke geslacht een zoo paradijsachtig land voor zich
mocht nemen."
Merkwaardig verschillen met deze berichten der ouden, de uitspraken
en ondervindingen der hedendaagsche reizigers. Onder de hun land
bewonende rassen, daarin zijn bijna alle nieuwere reizigers het eens,
munten nu de echte Magyaren--de _Kern_mannen--vooral uit, en nemen zij
door hunne lichamelijke en zedelijke eigenschappen, eene gebiedende
en indrukwekkende plaats in. Hun lichaam is in den regel welgemaakt,
hunne spierkracht groot. Zij hebben bijna altijd een stevigen en
lenigen lichaamsbouw. Hunne houding is manhaftig. Vastberadenheid
en oorlogzuchtige trots spreekt uit iedere beweging en uit hunnen
gang. Hun gelaat is edel, hun oog groot, donker en vol vuur,
en wordt bedekt door zware, borstelige wenkbrauwen; een gevulde
knevel, dien zij als een, hun bijzonder eigen, nationaal attribuut
beschouwen, versiert de bovenlip, en onder deze is eene rij groote
sneeuwwitte tanden zichtbaar. Men zal moeielijk ergens anders
eene schilderachtiger vereeniging van manlijk schoone krijgshaftige
physionomiën vol uitdrukking, en welgemaakte gestalten aantreffen, dan
men in de Hongaarsche regimenten bijeen vindt. Onder het vrouwelijke
geslacht ontdekt men, zoowel bij de lagere als bij de hoogere klassen,
niet zelden even zooveel bekoorlijkheid en schoonheid. De vrouwen
der hoogere standen der Hongaren hebben zich beroemd gemaakt door
hunne betooverende gratie, door hunne natuurlijke en ongedwongene
lieftalligheid. Keizer Alexander van Rusland moet, toen hij zich
eenmaal door een kring van zulke Magyaarsche vrouwen omgeven zag,
gezegd hebben dat hij meende zich te midden van een gezelschap
Koninginnen te bevinden. De groote schrik, dien de ruwe voorvaderen
dezer zoo fijn gevormde schoonen, als soldaten en landverwoesters
inboezemden, zal waarschijnlijk die vroegere portretschilders alles
wel eenigzins met een donker oog hebben doen beschouwen. Velen echter
hebben eene verklaring van dit verschil gezocht in de veranderingen
der zeden, die in den loop der eeuwen plaats gegrepen hebben,
zoo mede in den invloed, dien een zachter klimaat op het ras moet
hebben uitgeoefend. De Hongaren verwisselden hunne oorspronkelijke
woonplaatsen in het ruwste klimaat van het oude vasteland, tegen eene
woonplaats in het zuiden van Europa, op vruchtbare vlakten waar koren
en wijn in massa groeit. Zij legden de gewoonten van wilde, armoedige
jagers af en namen eene beschaafde levenswijze aan. Daardoor werden
zij, zegt men, in den loop van duizend jaren van een leelijk, een
schoon volk met regelmatige Kaukasische gelaatstrekken, en bezitten
zij nu ook, in plaats van de geelachtige Noord-Aziatische kleur, de
liefelijke, roodachtig witte tint, die den volken van Europa eigen
is. Misschien bracht hiertoe de vermenging van rassen, even als bij de
Britten en Amerikanen, ook het hare bij. Dat de Magyaren aanvankelijk
vele vrouwen van Finschen stam met zich zouden medegevoerd hebben, is
weinig waarschijnlijk. Gedurende langen tijd huwden zij met Slawische
en Duitsche vrouwen. Men heeft in Siberië de opmerking gemaakt, dat
ook de echt van Russen met Mongoolsche vrouwen, die beiden niet door
schoonheid uitmunten, met opvallend schoone kinderen gezegend wordt.
In zedelijken zin schijnt de ommekeer van het Magyaarsche volk niet
zoo volledig geweest te zijn. In dit opzicht komen de oude berichten
wat meer overeen met hetgeen wij later, en ten deele zelfs heden, nog
zien. Ruwheid, barschheid en een wilde, moeielijk te temmen zin, heeft
men den Magyaren van oudsher verweten. De trekken van onbarmhartige
wreedheid, die de geschiedenis der binnenlandsche bewegingen onder
de Magyaren, zelfs die der omwentelingen van onzen tijd aanbiedt,
zijn dikwijls verschrikkelijk, en zelfs alledaagsche gebeurtenissen
zijn bij hen maar al te dikwijls daarmede in overeenstemming. Ook
in het vreeselijke straf-wetboek, dat zij ontwierpen en dat lang
bij hen toegepast werd, openbaart zich eene zekere hun aangeborene
hardheid en eene groote, misschien echt Aziatische, geringschatting
van eens menschen leven. In den oorlog is rooflust altijd een in het
oog springende karaktertrek van hen geweest, en zelfs in vredestijd
is rooverij letterlijk een handwerk bij hen, 't is zeggen zij, "wel
een gevaarlijk handwerk, maar het is niet onteerend," want moed,
kracht en dapperheid, zoo zeggen zij nog heden, betaamt den man meer
dan pijnlijke zedelijkheid. De beroemde roover-hoofdlieden worden,
door den gemeenen man in Hongarije, in liederen en platen bijna
evenzeer geprezen als de helden huns lands, en als de aan het hoofd
daarvan staande Koning Etzel.
Met de heldhaftige vastheid van hun karakter, gaat eene groote mate
van hardheid gepaard. Zij zijn over de geheele wereld beroemd geworden
door hunne spreekwoordelijk gewordene vloeken, "waarmede een Magyaar
in een dag meer tegen de goede vormen zondigt, dan een Franschman
gedurende zijn geheele leven." De Hongaren zelven leiden deze en andere
zwakheden, of als men wil deze overmaat van kracht hunner landslieden,
"uit het edele, vurige, opbruisende temperament" af, dat zij zich,
vooral in vergelijking met de door hen als flegmatisch en flauw
uitgescholdene Duitschers, toeschrijven. Zij vergelijken de Duitschers,
of zooals zij hen noemen "de Schwaben," met hunnen kouden, zuren wijn;
zich zelven echter met den vurigen tokaijer. Als bovenmate krachtige,
uiterst zinnelijke naturen, houden zij zoowel bij hunne dranken als
in hunne keuken, veel van het gepeperde, het gekruide, het vaste
en scherpe, wat geen buitenlandsch verhemelte verdragen kan. Daarin
heeft hunne keuken eenige gelijkenis met die der krachtige Engelschen.
Als maar niet met dat vuur, dat bij sommige gelegenheden zoo
gemakkelijk in hen ontbrandt, weder in een ander opzicht eene moeilijk
in beweging te brengen loomheid, een zoo diep ingewortelde weerzin
tegen alle nieuwigheden en verbeteringen verbonden was! Een oud
Duitsch spreekwoord zegt reeds van hen: "de Hongaar doet geene schrede
buiten zijne Hongaarsche zeden." Daarin verraden zij het meest hunne
oostersche natuur en herinneren zij ons aan den Osman. Even als de
Oosterlingen, worden ook zij van oudsher als zeer afgemeten in hunne
uitingen, als zeer stilzwijgend beschouwd. Reeds de abt Regino van
het klooster St. Prüm, de eerste Duitscher, die eene beschrijving van
hen gaf, noemt hen: "_natura taciti_". "Men sla den Magyaarschen boer
gade, wanneer hij voor zijne deur zit te rooken. Hij droomt en rookt
en zwijgt. Hij zou meenen iets van zijne waardigheid te verliezen,
als hij veel sprak. Slechts met lange tusschenpoozen opent hij den
mond, en alleen als hij zijn buurman iets noodzakelijks te zeggen
heeft." De bewegelijkheid van den mededeelzamen, spraakzamen Duitscher,
schijnt den Magyaar het aanhoudend gebabbel van een zwetser toe,
wien het aan waardigheid ontbreekt, en de Slawe schijnt den Magyaar
een waar potsenmaker.
Intusschen zijn er omstandigheden, waarin ook de Hongaar zeer
spraakzaam wordt, b.v. als er sprake is van processen. Even als alle
krijgshaftige natiën, is hij nergens minder bang voor dan voor een
gerechtelijken strijd. Zelfs bij de Romeinen waren rechts-kwestiën
niet talrijker dan in Hongarije, waar de rechtsgeleerdheid een
der onderwerpen der gewone opvoeding is, en waar bijna iedereen
advokaatje speelt.
Stilzwijgendheid is eene eigenschap van trotsche karakters. En
inderdaad ziet de Magyaar, op alle in zijn land nevens hem wonende
rassen, met een gevoel van eigenwaarde neder, dat niet zelden in
laatdunkendheid en somwijlen in vrij belachelijken eigenwaan ontaardt.
In zijn trotschen moed maakt hij zich dikwijls aan de grootste
hardheden schuldig. Van zijn Slawischen landsman is hij zelfs
spreekwoordelijk gewoon te zeggen: "De Slawe is geen man." Eene
critiek zijner nationaliteit en van zijn land verdraagt hij niet. Een
bewonderaar daarvan echter maakt hij spoedig tot zijn vriend. "Die
zijne ijdelheid vleit, wordt gemakkelijk zijn meester en zijn
heer. Sluwe vreemdelingen weten met deze zwakheid, terwijl zij hem
door vleierijen verblinden, gemakkelijk hun voordeel te doen." Zij
leiden de trotschen Magyaar daarbij als den stier bij de hoorns. Meer
dan eens werd juist door zijn nationalen trots, het geheele volk
afhankelijk gemaakt. Maria Theresia zette hen, met eenige vleierijen,
geheel naar hare hand. De arme Keizer Jozef daarentegen, die de
Hongaren gelukkig wilde maken, hen wilde verrijken en beschaven,
maar die hunne nationaliteit kwetste, leed in zijne plannen bij hen
schipbreuk, en de man, die hun grootste weldoener wenschte te zijn,
schelden zij nu nog uit als hun ergsten vijand. "Buiten Hongarije",
zeggen zij spreekwoordelijk "is geen leven ("_extra Hungariam non est
vita et si est vita non est ita_"), en bestaat daar al leven, dan is
het daar toch niet zooals hier." Zij zijn daarom als kolonisten schier
nooit uit hun, door de Karpathen omgeven, beloofde land gekomen. Zij
hebben zich in hunne Püsten samengedrongen, in eene zeer compacte
massa bij elkander gehouden.
Alleen de Szeklers, in de zuidelijkste dalen van Zevenburgen, maken
daarop eene uitzondering. Deze afdeeling der Magyaren heeft zich
altijd, door eene eigenaardige staatsregeling, van de hoofdkern van
het volk meer of min afgezonderd gehouden. Over den oorsprong van dit
merkwaardige Szekler-volk, dat tot de Magyaren van Hongarije ongeveer
in dezelfde verhouding staat, als de Kozakken tot de Russen, is men
het niet eens. Sommigen gelooven, dat zij van de Turksche Cumanen, die
naar de gebergten verplaatst en gemagyariseerd werden, afstammen. De
Szeklers zelven beweren, dat zij rechtstreeks van Attila en de Hunnen
afstammen, en meenen dat een der afstammelingen van het geslacht van
Attila, die zich bij den ondergang van zijn rijk met een overblijfsel
der Hunnen in de Dacische bergen nestelde en wist te handhaven, de
stichter van hun volk geweest is. Anderen echter beweren, dat voor nog
het hoofdleger der Magyaren onder Arpad nagekomen was, eene verstrooide
en voor hunne vijanden vluchtende troep Magyaren, zich in de bergen
gered en daar zijne zelfstandigheid bewaard heeft. De omstandigheid,
dat hun naam "Szekler", in het Hongaarsch zooveel als vluchteling
beteekent, schijnt deze laatste meening te steunen. Even zoo ook, dat
de Szekler zich in type en gewoonten als echte Magyaren voordoen. Zij
spreken eene geheel onvermengde Hongaarsche taal, en hebben ook de
oude Magyaarsche gebruiken en staatsregeling bijzonder zuiver bewaard.
Buiten hunne "Püsten" en Karpathen, vindt men de Hongaren
nergens anders in Europa verstrooid of woonachtig. Slechts enkele
uitzonderingen hierop, maken verscheidene merkwaardige koloniën
van Magyaarsche landverhuizers in Moldavië en Bess-Arabië, waarheen
zij door de Hussitische onrusten gedreven werden, en waarheen ook
bij verscheidene andere gelegenheden weder Magyaren zich begaven;
in de laatste tijden ook weder Szeklers, die daar boven de indolente
Walachijers, door werkzaamheid, zindelijkheid en verstand uitmunten.
Zelfs de geringste Magyaar beschouwt zich zelven, vol grandezza,
tegenover een Walachijer, een Slawe en een eenvoudigen Duitscher,
als een edelman. De Koningen volgden dezen karaktertrek hunner natie,
verhieven somwijlen bij de geringste aanleiding en bij dikwijls zeer
twijfelachtige verdiensten, geheele dorpen, ja geheele landsdistrikten,
met alle daarop wonende boeren, in den adelstand, en schonken hun
al de privilegiën van een Hongaarsch edelman, vrijdom van belasting,
persoonlijke onschendbaarheid en eene dien tengevolge bijna geheele
straffeloosheid. Zij gaven daardoor aan de laatdunkende inbeelding van
het volk en alle daarmede samengaande gebreken, een nog ruimer veld,
waarop gemakzucht en hare zusteren welig voortgewoekerd hebben. Men
kan nagaan welke hinderpalen de ontwikkeling van een volk in den weg
moesten staan, waar tot op onze dagen geheele gemeenten, uit schaap- en
koeleiders, uit voerlieden en heiducken bestaande, aan groote rechten
eene even groote onwetendheid paarden en adellijke rechten bezaten.
Tegenover deze zeer in het oog vallende gebreken, staan bij de
Hongaren zeer prijzenswaardige hoedanigheden. Is de Magyaar lomp en
hardvochtig, hij is tevens rechtschapen en eerlijk. Arglistigheid is
bij hem niet, zooals bij de Slawen, een opvallende karaktertrek. Is
hij stilzwijgend en ernstig, geen vroolijk mensch in gezelschap,
maar vastberaden en geneigd tot droefgeestigheid en zwaarmoedigheid,
zoo is hij daarbij toch niet indringend, niet nieuwsgierig, zeer
terughoudend, geen schreeuwer, geen raisonneur, eigenschappen waarin
zijn buurman, de Walachijer, uitmunt. Zijn nationale _trots_ komt
overeen met zijne _vrijheidsliefde_. Even als hij een vijand is van
nieuwe verbeteringen, zoo is hij ook een vriend van de oude wet en
gebruiken. Met groote vasthoudendheid, met veel weerstandskracht,
sloot hij zich steeds aan bij de eerwaardige staatsregeling van zijn
land, bij het historisch verleden van zijn volk. Getrouw bewaarde hij,
trots alle inmengingen en invloeden van buiten, die hij altijd weder
de baas werd, alles wat de physionomie, wat het eigenaardige kenmerk
van het volks-karakter uitmaakte. Als een granietrots is hij van den
beginne af, midden in de door volken-stormen bewogene Donau-landen,
blijven staan. Even als tot den grootsten hoogmoed is hij ook in staat
tot _groot_moedigheid. Hij speelt gaarne den groote, maar laat ook
anderen daaraan deelnemen. Gastvrijheid is bij de Hongaren een der
meest algemeen verbreide deugden, die door den rijkdom van het land
ondersteund wordt. Niet alleen in de sloten wordt het bezoek van den
reiziger met _dank_ aangenomen, ook aan de hut van den arbeider klopt
de pelgrim en de arme niet te vergeefs aast, en als men hunne _betaald
wordende_ logementhouders, van wie men gewoonlijk op de vraag "wat
kunnen wij krijgen?" als antwoord de tegenvraag krijgt: "wat hebt gij
medegebracht?" als weinig dienstvaardig en voorkomend gelaakt heeft,
zoo toonen zij zich als gastheeren, _die zelf de kosten bestrijden_,
des te voorkomender, des te meer in hun element. Hunne onbevangene
vertrouwelijkheid, hunne argelooze en naïve openhartigheid is, als zij
zich eenmaal geopend hebben, zoo groot, dat zij hem, die hun de eer
aandoet hen op te zoeken en een glas wijn met hen te drinken, hunne
geheele levensgeschiedenis en hunne grootste hartsgeheimen openbaren.
Bij vele gelegenheden heeft zich een edelmoedige en ridderlijke zin van
het Volk, in hunne geschiedenis geopenbaard. Als eene Maria Theresia
met haar zoontje op den arm, om hulp smeekende de vergadering der
Hongaarsche Magnaten binnen treedt, dan vergeten en vergeven deze alle
vroegere vijandschap met Oostenrijk, en roepen zij vol geestdrift
uit: "leve onze Koning!" en redden zij door hunne dapperheid en
zelfopoffering het in het nauwgebrachte Vorstengeslacht, dat zij toch
eigenlijk niet anders dan als een buitenlandsch beschouwen.
Ook de plaats, die de Hongaar het zwakkere geslacht aanwijst, bewijst
dat de grootmoedigheid van den sterke in hem woont. Hij beschouwt
zich wel als onbeperkt gebieder in zijn huis en familie; "Uram"
(mijn heer) noemt hem zijne vrouw, zij zal hem nimmer met "jij" of
"jou" aanspreken; maar nooit zal hij, als de Slawe, zijne vrouw, die
hij dikwijls zijne "roos", zijne "ster" noemt, en die zeker is in hem
een vriend, een steun, een beschermer te hebben, mishandelen. Zij,
die hij "zijne lieden" d.i. zijne familie noemt, behandelt hij met
welwillendheid en goedheid.
Even als de Magyaren zelven, zoo vloeit ook hunne taal over van
énergie en kracht. Zij is zeer duidelijk, zeer scherp en stellig. Zij
is rijk aan spreuken en beelden en uiterst aanschouwelijk, en bezit
naar het oordeel van kenners een fraaien en mannelijken klank. Een
harer merkwaardigste eigenschappen, die zeer kenmerkend is voor de
eenheid van de kern der Hongaarsche nationaliteit, bestaat daarin,
dat zij geene dialekten of patois bezit. De boer spreekt even zuiver
en goed als de Magnaat, of nog zuiverder, want hij gebruikt in zijn
spreken niet zooveel Latijnsche en Duitsche uitdrukkingen, en verandert
niets aan haar beeldrijk en poëtisch karakter. Het Magyaarsch is nu
de ontwikkeldste van alle talen van Finschen stam. Door verscheidene
schrijvers, dichters en geleerden is, sedert den tijd van Lodewijk den
Groote, hare stof in alle richtingen gevormd en beschaafd geworden. De
geschiedenis der Hongaarsche literatuur wijst eene menigte namen
aan, die echter buiten de grenzen van hun vaderland weinig bekend
zijn. Van oudsher hebben zij--en daarin hebben zij veel overeenkomst
met de Romeinen en met bijna alle veroverende volken--een bijzonder
grooten overvloed aan redenaars, rechtsgeleerden en geschiedschrijvers
gehad. Het strekt aan de geheele Hongaarsche natie tot groote eer,
dat het haar nooit aan mannen ontbroken heeft, die het geheel en de
onderdeelen hunner vaderlandsche geschiedenis, door het herstellen
van historische monumenten en door kritische onderzoekingen, wisten te
bewijzen en het gebied van historische waarheid te verrijken. De heer
von Engel, de Duitsche geschiedschrijver van Hongarije, noemt eene
lange reeks Magyaarsche namen, die hem in dit opzicht eerbiedwaardig
toeschijnen.
De omstandigheid, dat het Hongaarsche volk een zoo merkwaardigen en
zoo rijk aan afwisselingen zijnden heldentocht uitvoerde, gedurende
welken het als een komeet uit Azië naar Europa overvloog, om zich
bij den Donau vast te nestelen, schijnt het reeds vroeg een prikkel
tot het epische, eene voorliefde voor de heldensage gegeven te
hebben. Duitsche en Hongaarsche kroniekschrijvers vermelden liederen,
waarin de Magyaren hunne oude Arpadische Vorsten verheerlijkten, en
de herinnering aan de nationale heldendaden wakker hielden. In deze
liederen worden de zeven horden-aanvoerders, onder wie het volk het
land binnenrukte, en de eerste wilde en heldhaftige strooptochten
van hunne "Lehel" en "Botonds" naar Konstantinopel, Italië en zelfs
naar Spanje, bezongen. De Attila-sage is eveneens een onderwerp der
oude Hongaarsche poëzie geweest. Eigenlijke groote, over de geheele
wereld bekende dichters, invloedrijke voorlichters der wereld,
hebben de Hongaren echter tot nu toe niet opgeleverd. De lier van
slechts weinige hunner moderne zangers klonk sterk genoeg, om ook
somwijlen aan deze zijde der Karpathen, in Westelijk Europa vernomen
te worden. De namen der beide broeders Kisfaludy en van den genialen
Alexander Petösi hebben meer algemeene bekendheid verkregen.
Van andere Muzen-zonen, b.v. van menschen die zeggen durven: "_anch
ioson' pittore_", is bij de Hongaren zelden sprake geweest. Zij
hebben ook _dat_ met de Romeinen gemeen, dat zij de muziek en andere
kunsten bij zich door vreemden laten uitoefenen; zooals de Romeinen
de Grieken bij zich als fluitspelers in dienst namen, zoo hadden de
Hongaren van oudsher de Zigeuners als barden en muzikanten bij hunne
veldslagen en dansen.
Ja zelfs de kleine kunsten van het dagelijksche leven beoefenen de
Magyaren noch met voorliefde, noch met handigheid. Nagenoeg altijd
worden de technische handwerken bij hen door Duitschers of Slawen
uitgeoefend. Voor den handel gevoelt de Magyaar volstrekt geen lust, en
hij liet dien van oudsher aan de Duitschers, Italianen en Israëlieten
over. Op nijverheid en op hen die zich op de industrie toeleggen, ziet
hij nagenoeg met dezelfde minachting neder, die den kweekelingen van
Mars dikwijls zoo eigen is, als er van handel en industrie sprake is.
Het eenige burgerlijke bedrijf, dat bij hem in groot aanzien staat,
is de landbouw, terwijl hij met _aangeborene_ voorliefde zich op
de veeteelt toelegt. Maar ook zijne bebouwing van het land is het
duidelijk aan te zien, dat hij die eerst in Europa leerde. Zijne
uitdrukkingen voor alle landbouwgereedschappen zijn van Duitschen of
Slawischen oorsprong. Daarbij heeft hij uit den hoorn van overvloed
van Ceres, slechts het allernoodzakelijkste, de verbouwing van
graan genomen. Het verbouwen van groenten, vruchten en de tuinbouw
zijn hem nog min of meer vreemd gebleven. Zijne dorpen liggen kaal
en onaangenaam midden in het bouwland, zonder dat zij vriendelijk
afgewisseld worden door vruchtboomen, sierboomen of planten, of zonder
dat men er bloem- en groenteperken aantreft. Waar men in Hongarije
zulke kleine oasen met alle versierselen en toestellen, noodig om van
den grond op allerlei wijze partij te trekken, aantreft, daar vindt men
ook altijd te midden der bloeiende heesters, de Duitsche kolonisten,
die de zeden aangenomen hebben van het land, waar onder vlijtige
handen de bosschen nedervallen, de moerassen uitgedroogd worden,
de kale vlakten in wijngaarden veranderen, en die ook overal het
eerst, de in de bergen verborgen schatten voor den dag haalden. De
Magyaarsche dorpen vormen met die der overal onder hen verstrooide
"Schwaben" een scherp kontrast, en zien er nog tegenwoordig uit als
zooeven op het vlakke veld opgeslagen soldaten-kampen.
Nog lang na hunne aankomst in Europa woonden de Hongaren in
tenten. Eerst langzamerhand verwisselden zij hunne tenten tegen
kleine houten, wit geverwde huizen, waarvoor zij den naam, hun door
de Duitsche bouwmeesters geleerd, "hàsz" (huizen) aannamen. Daarbij
bleef echter het plan van een legerplaats bewaard--de bijzonder
breede, elkander onder rechte hoeken snijdende straten, als voor
binnentrekkende cavalerie gemaakt, en in het midden, waar vroeger de
hoofdtent, die van den ritmeester stond, staat nu het kerkje. Het is
spreekwoordelijk geworden dat de Magyaar, even als ieder ruiter, veel
van eene ruime woonplaats en eene nauw sluitende kleeding houdt. Met
uitzondering van deze kleeding, wil hij gaarne alles gemakkelijk,
ruim en rijkelijk hebben. Al wat eng en beperkt is, stuit hem tegen
de borst, en hij verstaat volstrekt de kunst niet zich te behelpen.
Volgens dezelfde ruime plannen waar naar hunne dorpen gebouwd
zijn, zijn ook hunne grootere plaatsen, hunne zoogenaamde steden
aangelegd, in wier losse en op zich zelf staande huizen, geene vaste
aaneensluiting der "_polgars_" (burgers), geen gemeenschappelijk
en organisch samenleven merkbaar is. Stevige steenen steden, met
architectonische versieringen en met aan elkander sluitende woningen,
zooals de huizen van nauw verbondene stadgenooten, hebben de Duitschers
het eerst in Hongarije gebouwd, en deze zijn bij den eersten oogopslag
duidelijk te onderscheiden, van de Magyaarsche scheppingen van dat
soort. De hoofstad Ofen-Pesth, die reeds in de 13de eeuw door de
kroniekschrijvers eene "_magna et ditissima Teutonica villa_" genoemd
werd, en nu onder de fraaiste steden van Europa gerekend mag worden,
kan als een grootsch gedenkteeken van Duitsche vlijt en Duitsche
nijverheid, in het midden van het Magyarenland, beschouwd worden.
Het meubilair in de kleine woningen der Magyaarsche boeren is in den
regel meer dan eenvoudig. Ten tijde der Turken vond de oostersche
gewoonte, om verscheidene meubelen door tapijten en kussens te
vervangen, weder ingang.
En toen (het is nauwelijks 200 jaren geleden) bepaalde zich somwijlen
het roerend goed, zelfs der Magnaten, tot eenige kostbare tapijten,
waarmede zij hunne kamers en eetzalen, in plaats van met behangsels
en beelden versierden, een paar kleinoodiën, eenige edelgesteenten en
_vele_ kleeren en wapens. Hoe gebrekkig en armoedig het meubilair ook
moge zijn, zoo zien toch deze Magyaarsche dorpen, in vergelijking met
die der Walachyers, er zeer gegoed en net uit; trouwens zindelijkheid
in huis is eene zeer gewone deugd bij de Magyaarsche boeren. In
alle, zelfs in de grootste Hongaarsche plaatsen, heeft men gebrek
aan handwerks- en ambachtslieden. Alleen kleer- en schoenmakers, die
een Hongaarsch kostuum weten te maken, en smeden die een paard kunnen
beslaan, zijn altijd in een groot aantal onder hen aanwezig; daardoor
zijn de inwoners, zelfs de edellieden die op hunne goederen leven,
genoodzaakt ieder jaar eens de groote markten en steden van het land
te bezoeken, om daar, als moesten zij eene reis door de woestijn doen,
den noodigen voorraad voor den geheelen winter te koopen.
Is echter de zomer in het land, dan eerst merkt men in een Hongaarsch
huishouden, het nomadische wezen waaruit het ontstaan is, recht op. Dan
trekt de Magyaar, dien de wanden van zijn huisje reeds den geheelen
winter gedrukt hebben, met zijn vee naar buiten, naar de püsten,
naar die grenzenlooze vlakten, waar de zon met zoo onvergelijkbare
pracht op- en ondergaat, waar storm en onweêr zich zoo vrij en imposant
ontladen, waar de nachten verhelderd worden door een zoo rein, frisch
en niet te vergelijken helder sterrenlicht. Even sterk als de zeeman
naar de zee, verlangt de Hongaar naar de püsten, die hij in zijne
liederen, even als de Arabier de zandwoestijnen, bezingt. Kan hij
niet naar de püsten trekken, dan verplaatst hij ten minste, om zich
eene illusie te geven, zijne legerstede in de vrije lucht op het
voorplein zijner woning, en slaapt daar met zijne geheele familie,
onder eene galerij, die aan zijne hut aangebracht is.
Alle landelijke werkzaamheden in dienst van Ceres, geschieden eveneens
onder den vrijen hemel. Graanzolders, dorschvloeren, schuren zijn er
niet. Het graan wordt op het land door de ossen uit het stroo getrapt,
en het koren dikwijls alleen in kuilen bewaard. Den ploeg voeren
zij over het veld om, als ware het de processie eener Aziatische
Godheid. Hij is bespannen met 4 of 6 ossen, en voor ieder wagentje
spannen zij een half dozijn moedige paarden. In vollen ren loopen
deze dieren, met den wagen achter zich aan, door dik en dun. Zoo,
zelfs op hunne zwaar beladene wagens nog tegen elkander wedrennende,
komen de Hongaarsche boeren, voorafgegaan door zware stofwolken,
met hunne produkten op de markt aan, als ware het eene plaats, die
zij met hunne ruiterij stormenderhand genomen hadden.
Het liefst echter begeeft zich, zooals reeds gezegd is, de Hongaar
des zomers even als zijne stamgenooten van den Ural, met zijn vee
naar de steppen. Dan denkt hij even als Lenau:
Toen ik trok door het verre Hongaarsche land,
Was de vreugde mijns harten zeer groot.
Als dorp en bosch en boom verdween in 't land
En de heide zoo woest zich ontsloot.
Daar vindt hij nog alles zooals in het Oosten; onbegrensde vlakten,
mijlen ver geene omheining of afschutting van welken aard ook,
eindelooze dreven, tallooze kudden vee en paarden. Zelfs de groote,
ruigharige, witte Hongaarsche herdershonden zijn, naar men beweert,
uit Azië herkomstig en stammen af van die honden, die de oude
Magyaren van daar mede brachten; zij gelijken nog heden op de honden
der Baschkiren. Ook de Hongaarsche paarden zijn van Tartaarsch
ras, klein, mager maar vlug, onvermoeid en flink, "uit louter adem
bestaande." De Magyaarsche herder heeft hen bij al zijne tegenwoordige
vreedzame bezigheden, bij het bewaken en te samen drijven zijner wijd
verstrooide kudden, bij zijn uitrijden naar het ver afgelegene veld,
bij het bezoeken zijner ver van hem af wonende buren, even noodig
als vroeger bij de strooptochten naar Duitschland.
De Hongaar leert van zijne prilste jeugd af het paard besturen. Hij is
een geboren ruiter, een centaur. "De Magyaar komt te paard ter wereld,"
zegt een Hongaarsch spreekwoord. Reeds als hij pas vier jaren oud is,
tilt zijn vader hem op het kleine, langharige ros, dat in zijne manen
nog de doornen, distelknoppen en takjes heeft zitten, van de heesters
waardoor het zwierf, en zegt tegen hem, als hij zonder van het paard
te vallen zijn eersten galop doet: "gij zijt een man!"
"Heerlijk leven, 't ruiterleven,
Dat is leven, dat alleen."
zingt weder Lenau en die woorden zijn uit het hart van den Hongaar
gegrepen. Terwijl, zooals men meent opgemerkt te hebben, de Hongaar
bij het drinken van wijn zwaarmoedig wordt, zoo gevoelt hij zich
vroolijk en moedig als hij op een jolig paard zit. Daardoor komt het,
dat het beste en heldhaftigste troepenkorps der Hongaren, altijd dat
der lichte cavalerie was. Als infanteristen hebben zij minder groote
daden uitgevoerd, terwijl daarentegen hunne vlugge "_huzaren_"--eene
Magyaarsche vinding en een Magyaarsch woord--in alle landen van
Europa beroemd en nageaapt werden. Even als de naam Huzaren, zijn ook
verscheidene andere militaire uitdrukkingen, b.v. de woorden "Schako,"
"Dolman," "Haiduck", en zoo vele andere in alle Europeesche talen
opgenomen. De huzaren-uniform, zooals wij die heden ten dage nog bij
onze legers zien, is de eigenlijke, oude Hongaarsche volksdracht. Zij
is zonder twijfel een der rijkste en fraaiste nationaal-costumes,
die wij in Europa bezitten, en zij stamt vermoedelijk, even als alle
smaakvolle costumes, uit Azië af, dat zich van den vroegsten tijd af,
beter verstond te kleeden dan Europa.
Hoezeer het doen en werken der paarden-beteugelende Magyaren
oorspronkelijk nomadisch is, bewijst ook weder hunne taal. Want terwijl
deze, zooals reeds opgemerkt is, de meeste op landbouw, handwerken en
kunsten betrekking hebbende uitdrukkingen van de Duitschers en Slawen
overgenomen heeft, zijn alle technische uitdrukkingen der _herders_
echt Magyaarsch. Bovendien is deze Magyaarsche herders-terminologie
eene uiterst wijdloopige en volmaakte. Zoo b.v. heeft ieder soort
kudde haren bijzonderen naam, zoo ook ieder soort van herders. Een
ossenherder heet "Gulijas," een zwijnenherder "Kanasz," een
schaapherder, "Juhasz" en de koene paardenherder "Czikos," als waren
het allen bijzondere kasten of standen der maatschappij. En iedere
kaste heeft weder eene ontelbare massa uitdrukkingen, waarvoor bij ons
geene bijzondere woorden bestaan. Ook dit hebben de Hongaren met de
Tartaren, Kozakken, Walachyers en alle andere tegenwoordige bewoners
van het eens nomadisch of Skytische Europa gemeen, bij wie allen,
ook al zijn zij nu landbouwers geworden, het oude lievelings-bedrijf,
de veeteelt, eene ongemeen rijke terminologie bezit.
Het is verwonderlijk, ik moet het herhalen, ja, men heeft het dikwijls
raadselachtig genoemd, dat zulk een oorspronkelijk, alleen voor
de ruwste bezigheden, voor het herdersleven, geschikt Aziatisch
volk, dat zoo weinig aanleg voor andere bezigheden, handwerken
en kunsten van het burgerlijke leven medebracht en ontwikkelde,
dat zoo oneindig veel van andere volken, in wier midden het zich
vestigde, over moest nemen, tot op den huidigen dag zijne nationale
eigendommelijkheid heeft kunnen bewaren en zich in zijne stelling
heeft kunnen handhaven. Meer dan eens waren de Magyaren zoo met
vreemde elementen overstroomd, zoo onder den voet geraakt, dat men
ze bijna al vergeten en uit de Europeesche volkenrij uitgeschrapt
had, en toch zijn zij altijd weder als "Magyaren" uit dien chaos
te voorschijn gekomen. Zelfs op het laatst der vorige eeuw was de
Hongaarsche taal weder zoo in minachting gekomen, dat zij nauwelijks
nog door de laagste volksklasse gebezigd werd, en door alle standen,
die eenigzins op den naam van beschaafd aanspraak wilden maken, het
Latijn bij voorkeur gebruikt werd. Jozef II meende haar gemakkelijk
den genadeslag te kunnen toebrengen, maar van den dag af waarop deze
Keizer decreteerde, dat de Latijnsche taal afgeschaft en binnen drie
jaren het Duitsch in geheel Hongarije ingevoerd, geleerd en verstaan
moest worden, is de volksgeest andermaal zoo wakker geschud, en heeft
hij op nieuw zijne krachten zoo ontwikkeld, dat hij, als werd er een
nieuwe _Arpad_ of een tweede _Mathias Corvinus_ verwacht, de oogen
van geheel Europa tot zich getrokken heeft, en dat de Hongaren in
Oostelijk-Europa--met betrekking tot vrijheidsliefde, manhaftigheid
en andere moreele eigenschappen--als het eerste volk daar staan. In
dezen zin staan zij hoog verheven boven hunne buren, de Walachyers,
de Serviërs, de Bulgaren en Slawen. Zij hebben hunne nationaliteit ook
beter bewaard dan de Polen. Zij behooren niet, zooals de Osmanen, tot
de _ziekelijke_ volken van Europa, van welke men met zekerheid vooruit
kan zeggen, dat zij verdwijnen zullen. Of het hun echter gelukken zal,
te midden der volken van Europa eene _geheel zelfstandige plaats_
in te nemen en weder, zooals zij droomen, het middelpunt van een
machtigen Magyaarschen staat midden in hunne püsten aan den Theiss
te vestigen, daarvoor geeft de geschiedenis der laatste driehonderd
jaren geen waarborg. Want van die geschiedenis heeft men, en terecht,
opgemerkt, dat zij somwijlen met verwonderlijke levenskracht opbruiste,
en dat zij dan als een bergstroom voortrolde, als wilde zij met kracht
iets groots tot stand brengen, "maar spoedig ook weder verdwijnt de
opgewondenheid dezer trotsche, statige, ridderlijke en hooghartige
Magyaren, en loopt zij dood op steenachtige en onvruchtbare gronden."