DE RUSSEN.

In de uitgestrekte middelste streken van het tegenwoordige Rusland,

in de boschrijke bron-gebieden van Don, Wolga, Duna en Dniepr, in het

heuvelachtige en vruchtbare Moskovieten-land, hebben sinds onheugelijke

tijden de Slawische voorvaderen der tegenwoordige Russen den grond

bebouwd, en het land met hunne van hout vervaardigde huizen en dorpen

gevuld. Reeds de vader der geschiedenis wijst waarschijnlijk op hen,

wanneer hij spreekt over "de landbouwende of Koninklijke Skythen,"

en latere schrijvers der Byzantijnen spraken dikwijls over hen onder

den naam "Anten" (of Wanten?) wat wellicht niets anders is dan ons

"Wenden."

Hoe en wanneer zij in die streken kwamen, weten wij niet. Veel echter

(zelfs ook verscheidene der eerste, door de Grieken tot ons gebrachte,

namen der rivieren, die duidelijk van Slawischen oorsprong zijn),

spreekt er voor, dat hier hun oud Europeesch vaderland was. Hunne

stammen, die reeds door tijdgenooten van Constantijn den Groote,

zeer talrijk en volkrijk genoemd werden, vulden het binnenste der

"_immensa spatia_" van het breede oostelijk uiteinde van Europa.

Van de zeebekkens, die de wiegen der Europeesche beschaving geweest

zijn, waren zij door andere, hun voorgeschovene volken en landen

uitgesloten, in het zuiden van de Zwarte Zee door de groote steppen,

die altijd door herdersvolken bewoond waren, in het westen door de,

door Lithauers en Finnen bewoonde, moerassen van de Baltische Zee, en

in het noorden van de Witte- en Pool-Zee door onmetelijke wouden en

de daarin wonende Finsch-Uralische volken. In het oosten hadden zij

het groote Azië der Tartaren en Mongolen. Van het middel-Germaansche

Europa waren zij door andere Slawische volken gescheiden.

De tijd hunner, ons ten eenemale onbekende, kindsheid, zal wel

in ontelbare oorlogen en worstelingen met de hun naburige volken

vervlogen zijn, en naar het schijnt hebben de voorvaderen der Russen

daarbij meer eene lijdelijke dan eene overwinnende rol gespeeld. Als

hun voortijd bijzonder schitterend en roemrijk geweest was, dan zou

hij niet zoo duister zijn.

Reeds het vroegste schemerlicht der geschiedenis toont ons de Russische

Slawen, als zijnde in eene afwisselende afhankelijkheid, aan de _eene_

zijde van de _Germanen_, die van oudsher de Baltische zee beheerschten,

en aan de _andere_ zijde van de _Aziatische Nomaden_. Van beide zijden

werden zij herhaalde malen tot onderwerping en dienstbaarheid gebracht,

hetgeen op hun karakter en hunne wijze van zijn niet zonder invloed

bleef, en deze naar die der overheerschers wijzigde.

Reeds het eerste volk, dat al lang voor Christus geboorte, de oude

Hellenen als het ten Noorden van den Pontus gebiedende, noemden,

"de nomadiseerende Skijthen", bestond vermoedelijk uit dergelijke

Tataarsche herders-stammen, zooals die hier later ook nog dikwijls

verschenen. Hunne heerschappij omvatte een groot deel van het

tegenwoordige Rusland, en de Noord-Oostelijke Slawen zelfs, waren

onder den naam "Skijthen" even goed begrepen, als tegenwoordig

ontelbare volken onder den triomfeerenden naam "Russen" verdwijnen,

ofschoon zij van geheel ander bloed en stam zijn.

In de derde en de vierde eeuw na Christus, kwamen de Germaansche

Gothen over de Oost-zee, en marcheerden veroverend door de groote

landschappen heen tot aan den Pontus. De zich hier met der woon

gevestigd hebbende Slawen, werden nu onderdanen van den, in het

Oosten van Europa eene groote heerschappij hebbenden, Gothen-Koning

Hermarich. Na de overwinning op deze Gothen, ketende weder de Tataren-

of Hunnen-koning Attila de Slawische onderdanen der Gothen aan zijne

zegekar, en voerde hen als zijne rekruten of trawanten ter slachtbank,

op de door hem uitgekozene strijdplaatsen in westelijk Europa. Den

Hunnen volgden uit het Oosten hunne broeders, de Normandische Avaren

en Chazaren, die weder, ten tijde van Karel den Groote, dergelijke

uitgestrekte rijken stichtten ten koste der Russische Slawen, en den

geessel boven hunne hoofden zwaaiden.

Tegen de Chazaren riepen de geplaagde Slawen vervolgens--wederom--de

hulp in van hunne westelijke nationale-vijanden, de Skandinavische

Noormannen, en deze kwamen sedert het midden der 9de eeuw, andermaal

over de Oost-zee, langs denzelfden weg, waarvan in latere tijden de

Zweedsche Koning Karel XII gebruik maakte, Onder hunnen beroemden

aanvoerder Rurik (Roderik?) en zijne strijdgenooten, bevrijdden de

Zweedsche Wäringer of Waräger (d.i. de verbondenen) het Slawenland

van de Aziaten, maar maakten het aan zich zelven onderdanig.

Dezen Germaanschen strijders, die echter ook vele uitstekende

eigenschappen als staatsmannen en wetgevers moeten bezeten hebben,

gelukte het voor de _eerste maal_, de Slawische stammen tot een

duurzaam geheel, tot een staat aaneen te smeden, wat de Slawen, tot

dien tijd toe, uit eigene krachten niet hadden kunnen doen. Daar de

Ruriks en hunne opvolgers zich geheel van hun eigen vaderland los

maakten, eerst in Nowgorod en vervolgens in Kiew hunne residentie

opsloegen, en zich met de overwonnen vreemdelingen assimileerden

en aansloten, even als de Franken het in Gallië, de West-Gothen in

Spanje gedaan hadden, zoo ontstond vervolgens met hunne hulp een

nationaal, groot en machtig Rusland, een eenig Russisch volk, dat

dezen naam--(naar men zegt is die van Germaanschen oorsprong en werd

het eerst langs de kusten van Zweden aangetroffen)--even als zijne

eenheid, zijne vroegste wetten en zijne oudste Vorsten en adellijke

geslachten, van die Noordelijke Germanen kreeg.

Tot in de 11de eeuw kwamen nog dikwijls nieuwe Skandinavische

avonturiers of "Waräger", door de Russische Groot-Vorsten in het

land geroepen, naar Rusland over. Even als in Zweden, waren de

Skandinavische Vorsten ook in Rusland, door eene schaar raadgevende

wapenbroeders, de zoogenaamde "Druschina" omgeven; eveneens deelden

deze veroveraars ook in Rusland, naar een oud Germaansch gebruik,

het volk voor den krijgsdienst in afdeelingen van 10, 100 en 1000

koppen in, die door zoogenaamde "honderdmannen" en "duizendmannen"

gekommandeerd werden. In de Russische dorpen bestaat nog heden ten

dage deze uit Zweden afkomstige volksindeeling. Verscheidene Russische

historici zijn de meening toegedaan, dat ook oude Skandinavische sagen

naar Rusland overgeplant werden, en dat de oudste gedichten der Russen,

even als hunne wetten, uit Skandinavischen bodem opgroeiden. Dit,

b.v. zou ook het geval zijn, met het onlangs in Duitschland door

eene vertaling bekend geworden oudste heldendicht der Russen, het

zoogenaamde lied van den tocht van Igor tegen de Chazaren, een soort

van Russische Iliade. Het is vrij bekend, dat ook nog tegenwoordig

verscheidene der eerste Russische Magnaten-familiën, b.v. de beroemde

vorsten Dolgoruki (d.i. de langhanden) hunnen oorsprong bij Rurik en

zijne Zweden zoeken.

In deze periode der vroegste van de Skandinaviërs uitgaande schepping

van een vasten Russischen staat, valt ook de voor de ontwikkeling van

het volk en zijn karakter zoo gewichtige gebeurtenis, de invoering

van het Christendom, de grondvesting der Grieksche kerk onder de

Russen, voor. Wladimir I, uit het Skandinavische geslacht van Rurik,

wien het oude heidendom verdroot, liet omstreeks het jaar 1000,

Roomsch-Katholieke zoowel als Grieksch-Katholieke priesters voor

zich komen, die hem met de grondstellingen van hun geloof bekend

maakten. Ook de Joden en zelfs de Mohamedanen zou hij aanvankelijk

ten gehoore ontvangen hebben. Het best echter bevielen hem ten slotte

de praal en de ceremoniën der Grieksche kerk, die toen bij andere

verbroederde Slawenstammen, b.v. bij de Bulgaren, reeds ingevoerd was,

en Wladimir, die in zekeren zin als de Karel de Groote der Russen te

beschouwen is, verhief deze tot de nationale kerk der Russen.

De Russen, wier voornaamste landsrivieren naar den Pontus en de

Byzantijnsche provinciën stroomden, hadden reeds van den aanvang af

met Constantinopel, zoowel in oorlogzuchtige als in vredelievende

verbinding gestaan. Goederen, kooplieden, zendelingen, andere gasten,

ook Prinsessen van het Keizerlijke huis, waren hun reeds geruimen

tijd van daar toegezonden geworden. De eindelijke aanneming van den

Griekschen godsdienst, bracht hen nu in nog nauwere betrekking tot

het Grieksche rijk.

De Russen plaatsten zich daardoor dikwijls buiten den kring

der beschaving van westelijk Europa. Zij namen geen deel aan de

enthusiastische pogingen der Roomsch-Katholieke volken ter bevrijding

van het heilige graf, aan de kruistochten, en ook niet aan de andere

veel leven en opwekking verspreidende impulsiën, van de Kerk van Rome

uitgaande, die het geheele Westersche volken-systeem, onder anderen

ook de Polen, de Tschechen en andere West-Slawen doorgedrongen zijn,

en deze in beweging gebracht hebben. Niets heeft nadeeliger op den

nationalen geest der Russen gewerkt, dan de inmenging der Byzantijnsche

beschaving en van het stijve Grieksche dogma. Zij hebben zich daarmede

zoo nauw verbonden en verbroederd, dat men hun even gemakkelijk hunne

nationaliteit, als hunnen Griekschen godsdienst zou kunnen ontnemen. De

eerste bisschoppen der Russen waren geboren Grieken, en Rusland werd

eene kerkelijke provincie van het patriarchaat te Constantinopel. En

zoo ook al niet meer dat patriarchaat, zoo is toch de inrichting der

Grieksche hiërarchie en het Grieksche kerkelijke, recht, tot heden bij

de Russen van kracht. Ook werden de Russische kloosters natuurlijk naar

het model der Grieksche ingericht, en verscheidene der godsdienstige

sekten, die voorheen de Oostersche kerk in Griekenland verdeelden,

ook naar Rusland overgebracht. Het bouwen van kerken en kloosters,

had de invoering van den Byzantijnschen bouwstijl en verscheidene

der daarmede samenhangende kunsten, der Grieksche schilderkunst

en der kerk-muziek ten gevolge. De kerken werden in Rusland, naar

het model van den beroemden Sophia-tempel van Keizer Justinianus in

Constantinopel, versierd. Ook bouwden de Russische Graven in hunne

residentie Kiew, paleizen en "gouden poorten," in den stijl van

de gebouwen der Byzantynsche Keizers. En daar de overige Russische

steden hun heilig Kiew eveneens tot model namen, als deze de Grieksche

hoofdstad, zoo verbreidde zich dit alles over geheel Europa.

Ook veel later nog, na de verovering van Constantinopel door de

Turken, is den Russen weder veel Byzantijnsch toegestroomd. Toen

namen de Russische Groot-Vorsten den titel Czaren (_Caesaren_) aan,

welke de Byzantijnsche Keizers reeds lang gevoerd hadden, en nu werd

ook de adelaar met dubbelen kop van het Grieksche Keizerrijk, het

wapen der Russische heerschers, even als vele Byzantijnsche gebruiken

bij het Moskovische hof werden aangenomen. Byzantijnsche pronkzucht,

hof-etikette en hof-waardigheden, bloeiden, onder den Russischen Czar

Johan III, die zich ook met eene Grieksche Koningsdochter in den

echt begaf, in Moskou weder op, nadat zij in Constantinopel zelve,

onder de Turken, reeds lang verloren gegaan waren. De ceremoniën

bij de krooning der Czaren waren navolgsels van het Byzantijnsche

ceremonieel. Ook de vroegste beginselen der Russische literatuur en

geleerdheid zijn spruiten uit Grieksche wortelen. In de Russische

kloosters werden het eerste de Grieksche annalisten en kerkvaders

vertaald, en de beroemde oude Russische kroniekschrijver Nestor, is

uit deze Grieksch-Russische school voortgesproten. Daar op deze wijze

ook wereldsche kundigheden den Russen genaakten, b.v. vertalingen der

geschiedenissen of sagen van Alexander den Groote, zoo zijn daardoor

bij de Russen, ook eigenaardige Russische variatiën op deze en andere

traditiën en sagen ontstaan.

Daar in het Ruriksche Vorstenhuis de grondstelling van de

ondeelbaarheid des rijks niet aangenomen werd, zoo verviel met behulp

der oude, ingewortelde eigenaardigheden der verschillende stammen,

het geheel door Rurik en Wladimir gestichte en vereenigde rijk, zeer

spoedig weder in eene menigte kleine Vorstendommen, en deze moesten

later in de 13de en 14de eeuw, nog eens het onderspit delven, zooals

het dezen Oostelijken Slawen in vroegere tijden reeds herhaaldelijk

gebeurd was, voor een inval der Nomaden uit Azië.

De Mongolen verspreidden zich, even als hunne voorgangers de Skythen,

de Hunnen, de Avaren, de Chazaren zulks vroeger ook deden, over het

geheele Oosten van Europa. Zij kwamen niet zooals de Skandinavische

Waräger, alleen als hulpvolken, volksleiders en veldheeren. Zij

rukten met den geheelen tros hunner karavanen en herdersstammen

Rusland binnen. Zij vormden zich daar een vaderland, waarin zij de

eenige meesters bleven. Daardoor is ook, behalve de aanneming van het

Oostersche of Grieksche Christendom, geene gebeurtenis, met betrekking

tot de ontwikkeling van den Russischen nationalen geest, van meer

belang geweest, dan deze laatste, van langen duur zijnde en diep in

het volksleven ingrijpende, heerschappij der Tataren of Mongolen.

Zij deden het land hier en daar in eene woestenij verkeeren, om

weiden voor hunne kudden te verkrijgen. Zij zonden hunne beambten

en inners der belastingen naar alle buurtschappen en hutten. Zij

dwongen de Russische Vorsten en grooten, in de legerplaats hunner

"gouden horde" aan de monding der Wolga te komen, daar te leven, daar

hunne vrouwen te nemen en zich daar in onderdanigheid en Aziatische

heeren-diensten te oefenen. Daardoor komt het, dat de Russen zoo

dikwijls verschijnen als kweekelingen der Mongolen, wier opvolgers

in het in bezit nemen van het Oosten zij slechts worden konden,

door zich zelven de, sedert het begin der wereld daar toegepaste en

in gebruik gebrachte ruwe regeeringskunsten, het Oostersch bestuur

en eene Tataarsche discipline eigen te maken.

De Groot-Vorsten van Moskou zamelden de schatting eerst in, in naam

van hunne overheden de Tataarsche Chans. Zoo lang zij zich nog zwak

gevoelden, stonden zij de schatting ook aan de Tataren af, maar

toen zij sterker werden, behielden zij ze voor zich. De Tataarsche

manier van schatting-innen en het eischen van gehoorzaamheid bleef

bij hen in zwang. Het oude, door Germanen bestuurde Rusland van de

kinderen Ruriks, had Vorsten gehad, die bijgestaan werden door eene

"Duma" (raad der Grooten), overigens een zelfstandig bestuur en eene

persoonlijk vrije grondbevolking. Zelfs machtige republieken, zooals

Nowgorod en Pleskow hadden zich uit zijn schoot ontwikkeld. Het nieuwe,

door de Mongolen veranderde Rusland, schafte bij de pogingen die

het in het werk stelde, om eene wedergeboorte tot stand te brengen,

dit alles af. Om kracht en eenheid te herstellen, kweekte het

onbeperkte autokraten, die een einde maakten aan die republieken,

en de vrijheden der gemeenten onderdrukten. En, toen de pogingen

naar eene wedergeboorte weldra in ver uitgestrekte veroveringen

ontaardden, toen verviel langzamerhand het geheele volk in eene

strenge afhankelijkheid en lijfeigenschap.

Zelfs in hunne kerkelijke gewoonten, en in de manier en de wijze

hunner godsdienstige gebruiken, schijnen de Russen veel, ofschoon in

Christelijken vorm, van de Oosterlingen overgenomen te hebben. Hun

geheele wezen schijnt, evenals dat der Oosterlingen, van godsdienstigen

ernst doordrongen te zijn. Zij nemen hunne vasten, kruisslagen en

kniebuigingen even nauwlettend in acht, als de muzelmannen hunne

afwasschingen en gebeden. Het "_Slawa Bogu_" (roem bij God), dat den

Rus dagelijks honderd maal bij vele gelegenheden over de lippen komt,

klinkt in hunnen mond dikwijls niet anders, dan als eene vertaling

van het Turksche "Allah is groot." En de Rus toont eene nauwelijks

mindere mate van (dikwijls zeer prijzenswaardige) berusting in den

wil van God en het noodlot, dan de Mohamedaansche fatalist.

Evenals in hunne godsdienstige en staatkundige zeden, hebben de Russen

ook in hunne taal veel van de Nomaden en Aziaten behouden. Menige

tak van den boom der Russische taal, is, om zoo te zeggen, geheel

met Mongoolsche woorden behangen, zoo b.v. is dit het geval met

uitdrukkingen voor zaken en kunsten, die den Nomaden eigen waren,

b.v. met veel, wat op de veeteelt en met bijna alles, wat op

locomotie, reizen, rijden, vervoer, rijtuigen, paarden, paardentuig

enz. betrekking heeft. Ook het eigenaardige Russische post- en

koerierwezen is afkomstig van de heerschappij der Mongolen.--Met de

Mongolen kwamen ook Turksche en andere Aziatische volken onder de

Russen, en over het geheel werd door hen het gansche Slawische rijk,

om zoo te zeggen, ten vollen in de Aziatische wijze van verkeer en

leven, ingesponnen. Het is derhalve niet te verwonderen, dat ook

vele Turksche, Perzische en andere Aziatische taal-elementen, zeden,

kunsten en takken van industrie, onder de Russen achtergebleven en

nog ten huidigen dage over geheel Rusland verspreid zijn.

Alle bij de Russen gebruikelijke namen der edelgesteenten zijn

van Oosterschen oorsprong, wat bij ons slechts ten deele het geval

is. Verscheidene tuinplanten, b.v. de nu zelfs in de Oostzee-provinciën

groeiende water-meloenen, hebben zich met de Aziaten over geheel

Rusland verspreid, en eveneens de Aziatische naam er van, "_Arbusi_";

zoo ook de Aziatische namen van verscheidene Oostersche dieren,

b.v. van den kameel (_Werblud_). Daarentegen zijn omgekeerd eenige

Slawische namen voor Noordsche dieren, b.v. voor den bever, het

sabeldier enz., tot naar Arabië en Perzië doorgedrongen.

In den handel, de handwerken en bij de Russische industrie, zijn

verscheidene zaken en uitdrukkingen van Aziatischen oorsprong. Zoo

b.v. de naam en de inrichting der Russische bazars. Niet alleen

de kaftan van den Russischen koopman, ook zijn lichte pels

(_Tulup_), zijn gordel (_Kuschak_), zijn geldbuidel (_Kése_), zijn

reiskoffer (_Sundúk_), zijn magazijn (_Anbár_), hebben Persischen

of Turkschen vorm en naam. Evenzoo ook het potlood (_Karandasch_),

het lak (_Surgutsch_). Zelfs de algemeene Russische benaming voor

"handelswaren" (_Tawar_) is Mongoolsch. Ook het beroemde rekenbord,

zonder't welk geen Russisch koopman zaken doet, en dat men zoo

gemakkelijk vond om het rekenen te onderwijzen, dat men ook getracht

heeft het in eenige onzer scholen in te voeren, is van Mongoolschen

oorsprong. In denzelfden vorm als men het bij de Russen aantreft,

is het zelfs bij de Chineezen algemeen in zwang.

Vele in Rusland bloeiende en daar algemeen verspreide takken

van industrie, zijn van dien zelfden (Mongoolschen, Turkschen,

Buchaarschen of Perzischen) oorsprong. Zoo b.v. de beroemde fabrieken

der met goud geborduurde marokijn-pantoffels en laarzen van Torjok,

en de vervaardiging van het gedamasceerde staal van Slatouft. De

tuin- en wijnbouw in Zuid-Rusland, zijn daar waarschijnlijk door de

Oosterlingen het eerst ingevoerd geworden. Door hunne, in vroegere

tijden daar aangebrachte, kunstmatige bevochtiging, maakten zij daar

menige landstreek vruchtbaar, die het nu niet meer is. Men noemt ook

de fabrikatie van zeep en lak als een tak van industrie, die door

de Aziaten naar Rusland overgebracht is. Men kan het aanbrengen van

zulke erfstukken uit het Oosten, aan de eene zijde over Afrika naar

Andalusië, aan de andere zijde over den Kaukasus tot in de streken

van Moskou en verder Europa in, volgen.

Ook onze West-Europeesche legerinrichtingen wijzen dergelijke

erfstukken uit Tataarschen tijd aan. Wij hebben b.v. de huzaren van

de Hongaren, de Uhlanen van de Tataren gekregen. "_Ulan_" (Turksch:

"_Oglan_" d.i. knapen, jongelingen) heetten bij de Tataren bij

voorkeur de jonge ridders der horde, welke de garde van den Chan

vormden en leengoederen en ambten van hem kregen. Hun naam en hunne

lichte bewapening gingen van de Tataren op de Russen en Polen over,

en kwamen van de Polen naar de andere volken van Europa.

Eindelijk herinnert ook de tegenwoordige nationaal-physionomie der

Russen, levendig aan het Tataarsche of Mongoolsche type; hun laag

voorhoofd, hunne sterk uitstekende wangbeenderen, hunne kleine oogen,

hun ingedrukte en eenigszins opgewipte neus, die minder overeenkomst

heeft met den arendsneus der Romeinen of met den rechten neus der

Grieken, dan die van eenig ander volk. Wanneer ook bij de Slawen

van nature iets oorspronkelijks ten grondslag ligt, wat wij het

Aziatische type en karakter noemen, dan heeft zulks bij de Russen,

ten gevolge van de heerschappij der Mongolen, zich meer bevestigd.

Nagenoeg 200 jaren had Rusland onder het Tataarsche juk gezucht,

en wat de Mongolen niet weggenomen hadden, dat hadden in dezen tijd

in het Westen de Lithauers en Polen veroverd, en met hun rijk, dat

destijds van de hulpeloosheid van hunnen Russischen nabuur partij

trok, verbonden. Alleen in het Noorden, aan het Ilmen-meer, was een

zelfstandige Russische staat, de in de 14de en 15de eeuw bloeiende

republiek Nowgorod, blijven bestaan.

Toen zij het diepst gezonken waren en de nakomelingen van Tamerlan

onderling in oneenigheid geraakten, vermanden de Russen zich eindelijk,

en nu voor den eersten keer uit eigene nationale kracht, zonder hulp

der Germanen of van andere vreemden. Sedert zijn eersten triumf op

de Tataren, op het beroemde Kulikow'sche veld aan den Don, in het

jaar 1380, begon Rusland van uit zijn hart (Moskou) langzamerhand

alle landen, die vroeger tot het rijk behoorden, weder aan zich

te trekken. Het meest droeg daar toe bij, dat in dit Moskou, van

den beginne af, de grondstelling der ondeelbaarheid van het rijk en

der eenheid van het volk, vastgehouden was. In eene reeks gelukkige

overwinningen en veroveringen, onder zijne energieke Czaren Iwan den

Groote en Iwan den Verschrikkelijke, dreef het de Aziaten over den

Don en de Wolga terug, vereenigde het oude, lang afgescheiden geweest

zijnde Nowgorod weder met zich, nam onder aanvoering zijner gelukkige

Czaren uit het Romanow'sche huis, ook in het westen den Lithauers

en Polen hunnen buit stuksgewijze af, en onder zijn grooten Peter

den Eerste, den voltooier der Russische nationale macht, sloeg het

ook den laatsten inval der Skandinaviërs onder Karel XII, die als de

Waräger Rurik over de Oostzee gekomen was, af.

En sedert dien tijd is de politieke macht van het Russische volk, tot

op den nieuwsten tijd voortdurend vooruitgegaan en ontwikkeld. Sedert

dien tijd is het uit zijne wouden als een reus te voorschijn getreden,

en heeft zijn weg genomen naar al de zeeën, die als vensters of

poorten in het lichaam van den staat geplaatst zijn, in het Noorden

naar de Witte- en Baltische Zee, in het Zuiden naar de Zwarte- en

de Kaspische Zee. Ja! terwijl het zijne oude plagers in het Oosten

geheel terneder wierp, en de bronnen der Nomadische volksverhuizingen

voor eeuwig verstopte, heeft het zich daar zelfs door Siberië heen,

den weg naar de kusten van den grooten Oceaan gebaand. In het Westen

heeft het zich zijne broeder-stammen de Lithauers en Polen, die

vroeger hem zelven de wet hadden voorgeschreven, ten slotte geheel

onderworpen, en is het op deze wijze ook midden in het centrum van

Europa binnengerukt. Toen (voor 400 jaren) de Czar Johan III aan

de regeering kwam, heerschte hij over een gebied, dat niet veel

grooter was, dan het tegenwoordige Pruissen. Maar Peter de Groote

reeds heerschte over een rijk, dat meer dan zes maal zoo groot was

als Duitschland, en het rijk van de Keizers Nikolaas en Alexander is,

zooals Alexander von Humboldt berekend heeft, in vlakte-inhoud gelijk

aan het gedeelte der Maan, dat naar ons toegekeerd is.

Even als de Russen, gedurende den langen duur hunner ondergeschiktheid

aan de over hen heerschende volken, veel vreemds ontvingen, zoo hebben

zij ook later weder op de baan hunner overwinningen verscheidene

vreemde volken gevonden, die zij wel ten deele assimileerden, die

zij om zoo te zeggen in hunne eigene massa opnamen maar van wie zij

ook gedurende dat proces weder zelve inwerkingen ondervonden.

Bijna alle eens onafhankelijke Finsch-Uralische volken zijn in het

Russische nationale-lichaam opgegaan. Kalmuksche, Baschkirische,

Samojeedsche stammen zijn hun toegevoegd of aan hen onderworpen

geworden, eveneens talrijke volken van den Kaukasus, Grusiërs,

Tscherkessen en Armeniërs. Verder hebben zij de landen der Lithauers,

Polen en Walachyers en ook menige Duitsche provincie geannexeerd. En

al deze vermengingen en annexaties zijn niet zonder terugwerking op de

Russen gebleven. De belangrijkste en merkwaardigste aanrakingen hebben

echter met de Duitschers plaats gegrepen. Want _na_ de Grieken en na de

Tataren heeft geen volk meer invloed op de Russen uitgeoefend, dan de

Duitschers; wel is waar had die invloed minder betrekking op het ras,

bloed, temperament en hunnen natuurlijken aanleg, maar des te meer op

hunne beschaving en verstandelijke ontwikkeling, even als op staatkunde

en wetenschap. Vele Duitsche kunstenaars en handwerkslieden trokken,

met de Hanzeatische kooplieden in de 13de eeuw, de Westelijke gedeelten

van Rusland binnen. In het groote Nowgorod schijnen zij langen tijd de

voornaamste kunstenaars geweest te zijn. Zelfs de beroemde, kunstvol

bewerkte deuren der kathedraal van Nowgorod, die men tegenwoordig

bewondert en die men de "Cherson'sche deuren" placht te noemen,

omdat men ze langen tijd voor een Grieksch kunstprodukt uit Cherson

hield, stammen, zooals men later ontdekt heeft, uit Duitschland af,

en toonen ons onder anderen het portret van een Duitschen werkmeester,

Wikmann uit Maagdenburg. Een Russisch kroniekschrijver uit dien tijd,

noemt het, bij gelegenheid dat er in Rusland eene groote kerk gebouwd

werd, iets bijzonders, dat zij alleen door Russen "zonder de hulp

van Duitsche bouwmeesters" tot stand gebracht is. De nadruk, waarmede

hij deze omstandigheid vermeldt, bewijst, hoe gewoon men in die dagen

aan de hulp van Duitsche bouwkundigen moet geweest zijn.

Toen de Groot-Vorsten van Moskou opkwamen, zochten zij ook weder

door Duitsche hulp hun volk te ontwikkelen. De meeste gezantschappen

der eerste Moskovische Groot-Vorsten aan Duitsche Vorsten-hoven,

hadden nevens hun politiek doel, vooral ook tot taak, door fraaie

beloften Duitsche handwerkslieden, kunstenaars en geleerden over te

halen naar hun land te gaan. Reeds in de 15de eeuw was in Moskou

eene afzonderlijke wijk, waar deze in het land geroepene Duitsche

kolonisten bij elkander woonden.

Sedert den tijd van Peter den Groote en Katharina II, stroomden

Duitsche bevolking en Duitsche gewoonten nog in veel grootere mate het

land toe. Geheele Duitsche provinciën, Koerland, Lijfland, Esthland,

werden met het rijk vereenigd, wier Duitsche adel sedert, Rusland van

veldheeren en diplomaten voorzien heeft. De midden in deze Baltische

provinciën opkomende nieuwe Keizerlijke residentie, Petersburg, werd

half en half eene Duitsche stad. Ook aan het hof werd sedert dien

tijd eene Duitsche partij steeds machtiger. Menige landstreek in het

binnenste van het rijk werd door Duitsche kolonisten bezet, die den

Russen als model en prikkel dienden, en nagenoeg alle Russische steden,

tot aan Irkutzk in Siberië toe, hebben van lieverlede iets Duitsch, het

uiterlijk eener meer of minder aanzienlijke Duitsche kolonie gekregen.

Het innerlijk bestuur dezer Russische steden, hunne gilden-besturen,

hunne magistratuur, als mede de stadsverordeningen, door Peter den

Groote en Katharina II ingevoerd, waren naar het Duitsche model

genomen. Van 179 tijdschriften en couranten, die in het jaar 1858 in

Rusland uitkwamen, waren niet minder dan 30, dus het 1/6 gedeelte,

in het Duitsch geschreven. Ook in de inrichting van het leger, in

alle militaire instellingen heeft Rusland steeds van Duitschland

geleerd. Zelfs het heerschende Vorsten-huis is oorspronkelijk van

Duitsche afkomst, en heeft door gestadige aanhuwelijking met Duitsche

Vorsten-huizen, steeds het Duitsche bloed behouden. [3]

Men moet hierbij echter opmerken, dat Rusland bijna alles wat het van

Duitschland overnam, naar zijne gebruiken en naar zijne behoeften

wijzigde. En ook de Duitsche individuen, die Rusland toegevallen

zijn, te beginnen met het souvereine Vorsten-huis, hebben zich maar

al te gemakkelijk en spoedig Russen laten worden. "De energie en de

assimilatie-kracht van dezen verwonderlijken tak van den Slawischen

menschenstam"--zegt een Russisch schrijver--"zijn zoo sterk, dat

het in zijne aanraking met de, het meer of minder verwante volken,

dezen steeds _zijn_ tongval, _zijn_ geest en _zijne_ gebruiken

mededeelt". Als de Russen dus ook, zoo als boven gezegd is, veel van

anderen hebben overgenomen, zoo hebben zij toch in hoofdzaak hun oud

Slawisch nationaal-karakter bewaard, en is dit altijd, te midden van al

het aangenomene, boven blijven drijven.--Ja! de grootte van het land,

de roem en ten slotte het geluk van het volk, nu de eenige Slawenstam,

die zelfstandig en den toon aangevend in een groot rijk bestaat,

hebben uitgewerkt dat bij hen, aan menige Slawische nationale- en

stam-eigenaardigheid en oorspronkelijken aanleg, bij hunne minder

begunstigde en nu nog niet zelfstandige broeders moesten sluimeren,

een ruimer veld tot ontwikkeling en eene grootere energie gegeven werd.

Ook door hunne taal plaatsen zij zich aan de spits der Slawen. De

Russische taal is onder de Slawische talen de fraaiste, de meest

ontwikkelde en de krachtigste. Zij is eene der merkwaardigste en

rijkste talen van Europa. Zij heeft meer klinkers, een grooter

alphabet dan de andere talen van ons werelddeel. Men heeft daarom

ook gezegd, dat met geen ander alphabet, zich de vele toonen

en toon-samenstellingen van andere talen zoo gemakkelijk laten

uitdrukken en nederschrijven dan met het, in aantal en bepaaldheid

der karakters, zoo rijke alphabet der Russen. En de, in de juiste

behandeling dezer lange toon-ladder geoefende Russische tong,

is derhalve tegelijkertijd even goed voorbereid als geschikt, de

geluiden van iederen tongval na te bootsen, waarin de Rus niet spoedig

het eene of andere tong-kunststuk zal vinden, dat zijne moedertaal

hem niet alreeds geleerd heeft. Hunne spraakkunst is zeer rijk aan

vormen, hun woordenboek in het bijzonder vol stof tot onomatopoeische

natuurschildering. De fijnste nuancen in het rijk der kleuren en der

klanken, heeft de Rus met uiterst scherpen blik waargenomen. Even zoo

heeft hij eene menigte uitdrukkingen, om de aandoeningen der ziel en

de indrukken van het menschelijk hart en gemoed zuiver uit te drukken.

De overwinningen der natie, hare grootheid en veroveringen, hebben

meermalen eene gelukkige inwerking op hunne taal gehad. In den loop

hunner politieke loopbaan door zulke ver afgelegene landen, werden den

Russen verscheidene zaken ter bespreking voorgelegd, en hunne taal werd

daardoor in staat gebracht, zeer verschillende en menigvuldige zaken te

behandelen. Even als de Russen zelven, zoo heeft dien ten gevolge ook

hunne taal eene groote gemakkelijkheid verkregen om zich het vreemde

eigen te maken en dit te verwerken. Hunne groote buigzaamheid stelt hen

in staat, de vreemde woorden geheel als hunne eigene te behandelen,

ze te behouden en op eigenaardig Russische wijze zoo te veranderen,

dat uit de aangenomene schatten, even als de eigene oorspronkelijke

bron, weder nieuwe takken en woorden ontstaan.

Tot op Peter den Groote, bestonden in Rusland verschillende tongvallen

nevens elkander, en heerschte als schrijftaal, in de literatuur,

de oud-Slawische kerktaal. Hij eerst gaf aan het Groot-Russische

dialekt een bepaald overwicht, verhief het tot landtaal, regelde

eigenhandig zijn alphabet en liet de eerste boeken in dit dialekt

drukken. Sedert heeft Rusland, met uitzondering _der_ theologie

en philosophie, bijna in alle takken der literatuur, niet weinig

uitstekende, talentvolle schrijvers in proza en poëzie, historici,

lyrische-, dramatische- en epische-dichters voortgebracht, meer dan

in nieuweren tijd alle andere Slawen te zamen. En deze hebben de

oorspronkelijk zoo vormbare taalstof, in alle richtingen nog verder

ontwikkeld. De Russische taal is dien ten gevolge even geëigend voor

het triviale, als voor het verhevene, voor het luimige en komische,

als voor het ernstige en tragische genre. Zij bezit nu even veel kracht

en ernstigen nadruk voor de behandeling der geschiedenis, als fijne

gratie en snijdende scherpte voor fabelen en epigrammen; zij munt,

naar het oordeel der kenners, vooral uit door hare natuurlijkheid. Aan

rijkdom en buigzaamheid komt zij het Grieksch zeer na. Homerische

composita, als b.v. "de wereld-omspoelende zee", "schoongelokte" of

"rozenvingerige Godinnen", heeft men even gemakkelijk in het Russisch

als in het Duitsch of Nederlandsch kunnen overzetten.

Verscheidene der in nieuweren tijd in Rusland opgetredene dichters

zijn echt nationaal, zoo geheel uit de psyche der natie geboren. De

geniale en oorspronkelijke Dershawin, de Schiller der Russen, die de

beroemde Ode aan God dichtte, is een echt Russisch dichter. Krylow,

de Russische Boileau, heeft zijnen landgenooten op zoo klassieke

wijze fabelen en verhalen verteld, dat zij bij hen algemeen populair

geworden zijn. Puschkin, de Russische Byron, wiens gedichten de

vreugde, de smart, de roem der natie met warmte behandelen en levendig

afspiegelen, heeft zich onder het volk grooten invloed verschaft. De

Klein-Rus Gogel, een tweede Goldoni, heeft het Russische leven met

veel luimigheid ten tooneele gevoerd. En vele andere, uit wier werken

de volksgeest tot ons spreekt, zouden hier nog bij genoemd kunnen

worden. Over het geheel moet men echter zeggen, dat de kunst-poëzie der

Russen, hunne hoogere literatuur, niet of toch nog niet zoo nationaal

is, als b.v. die der Spanjaarden of Franschen. Zij is in het meerendeel

harer voortbrengselen slechts iets dat tot haar overgebracht, van

buiten overgeplant is. Zij leeft gedeeltelijk als eene kasplant,

een van de massa der natie afgezonderd leven. Zij ontvangt van deze

niet zooveel, en werkt ook niet door zoovele kanalen op haar terug,

als de literatuur in andere langer ontwikkelde landen van het Westen.

Veel karakteristieker en van veel meer gewicht voor onze

ethnographische schildering, is daarentegen de Russische _volks

poëzie_, wier talrijke, levendige geestesbloemen, de eigenlijke

openbaring van het nationaal-karakter bevatten. Sedert onheugelijke

tijden zijn de Russen, als alle Slawen, groote liefhebbers van muziek

en zang geweest, waarvoor hunne welluidende taal in zoo hooge mate

geëigend is. Reeds in de 6de eeuw na Christus verhaalden, volgens

de getuigenis der Byzantijnsche kroniekschrijvers, eenige afgezanten

der Noordelijke Slawen aan een Keizer van Constantinopel, dat rijm,

vers en zang de liefste opvroolijkingen voor hun volle waren, en dat

zij overal hunne met snaren bespannen citers met zich medevoerden,

waarmede zij hunne in koor gezongene liederen begeleidden.--Deze oude

citers door hen "Gusli" of ook wel "Balaleiken" genoemd, bezitten de

Russen nog heden ten dage, alsmede nog menig ander, zeer eigenaardig

muziek-instrument.

Over het geheel echter zijn zij minder instrumentalisten dan

vocalisten, en daarbij is hun het zingen even gewoon, even natuurlijk

als den vogelen. Met gezang begeleiden zij, om zoo te zeggen, alle

verrichtingen van het leven, niet alleen hunne dansen, feesten

en gezellige bijeenkomsten, maar ook zelfs hunne vermoeiendste

werkzaamheden. De Russische voerman zingt, terwijl hij met zijn

driespan geheel alleen door de steppe jaagt, al maar door, ook

wanneer een koude nachtwind hem langs den mond strijkt; de Russische

houthakker, wanneer hij geheel alleen midden in het woud bezig is

boomen te vellen en tot balken te verwerken--neuriet of prevelt

daarbij een eindeloos lied. Het is als ware dit gezang het in zich

zelf spreken dezer menschen.

In het zingen in koren zijn de Russen nagenoeg allen geoefend; niet

alleen de poëtische herders, boeren en boschbewoners, maar ook de

kramers en handelaars in de steden. De jonge kooplieden, zelfs op de

kleine, in het binnenland gelegene marktplaatsen, hebben onder elkander

zangvereenigingen, waar zij hunne talenten oefenen en aan hunnen lust

tot muziek voldoen. De troepen landlieden trekken met koorgezang

naar het veld en met koorgezang keeren zij weer huiswaarts. Ja

zelfs de maaiers hoort men, wanneer zij al maaiende zich in lange

reien door de afgemaaide aren bewegen, in weerwil van den invloed der

Zuid-Russische verzengende middaghitte, met stof, zonnegloed en zweet

bedekt,--toch, zeg ik, hoort men hen de zwoele lucht met liefelijke

koorgezangen vervullen. Datzelfde doen met lust de arme, geplaagde

soldaten gedurende hunne lange marschen. Datzelfde de timmerlieden,

die een huis bouwen en zoo ook de in Rusland om hunne grofheid, in

zoo'n slechten naam staande zoogenaamde "Burlaken", d.i. de schippers

en schuitentrekkers, die bij duizenden langs de stroomen van het rijk

verdeeld zijn, en als galeislaven een vermoeiend werk doen, daar zij

de zware rivierschepen op- en afwaarts moeten sleepen. In troepen

van 50 en 100 man aan een touw gespannen, gaan deze sterke menschen,

stap voor stap, dag aan dag, de zware Wolga-schepen trekkende, langs

de groote rivieren. Bijna onophoudelijk klinken bij dit eentoonig

en moeielijk werk hunne liederen, die bijna even langdradig zijn

als de rivieren zelve, en waardoor zij elkander opvroolijken. Soms,

bij bijzonder slecht weer, of wanneer het schip bijna niet tegen den

stroom op kan, worden de arme "Burlaken" zoo vermoeid, dat zij geen

pas meer voorwaarts kunnen doen. Hun schip begint terug te drijven

en de sterk aangespannen lijn, trekt de sterke mannen mede. Deze

laten zich echter niet overweldigen en wijken niet. Spoedig leggen

zij hunne gordels van hunne borst over den rug, draaien zich om,

zetten of leggen zich tegen den zandigen oever vast, en trachten zoo

met geweld het verder afdrijven van het schip tegen te gaan. Op deze

wijze rusten zij een weinig uit, en tot zijne verwondering hoort de

reiziger zelfs dan nog, die onvermoeide zangers een gezang--nu wel

een droefgeestig--neuriën, dat echter weldra, als het weder op nieuw

voorwaarts gaat, in eene vroolijke melodie overgaat.

Gaat gij eene Russische kloosterkerk binnen, waar men bezig is eenige

reparatiën te doen, dan ziet gij op hooge stellages eenige schilders

zitten, die den koepel der kerk met kleuren en vergulde beelden

versieren. Hun vlijtig penseel gunt zich den geheelen dag geen rust en

evenmin hunne onvermoeide lippen, waarover de fraaiste koraalgezangen,

als engelenstemmen uit den koepel der kerk nederdalen. Als men iets

dergelijks gehoord heeft, dan begrijpt men de Grieksche mythe, die

vertelt, dat de steenen der stadsmuren van Sardes op de maat der

muziek en bij fluitspel opgebouwd werden. Alle Russische kerken en

kloosters stellen prijs op een uitstekend koorpersoneel, en dat der

Keizerlijke kapel in St. Petersburg is het fraaiste en beste van dat

soort, dat in de geheele wereld gevonden wordt.

Zelfs de arme, oude, witgebaarde bedelaars, die voor de Russische

kerken zitten, smeeken niet met prozaïsche woorden om eene

gift. Zingend zitten zij ter neder, en trekken de opmerkzaamheid

der voorbijgangers tot zich, door de voordracht van een vroom oud

kerk-koraal.

Onder de Russen zelven echter, is geen stam zanglustiger en rijker aan

liederen dan de stam der Zuidelijke Malorossianen of Klein-Russen. Vele

Klein-Russische gezangen zijn in hunne diep melancholische melodiën

van eene verrassende schoonheid en oorspronkelijkheid. De inhoud

van sommige dezer gezangen is, naar men zegt, van hoogen ouderdom

en heeft eene historische beteekenis. Er worden er onder gevonden,

waarin heldendaden bezongen worden, die door de oude kroniekschrijvers

zelfs niet opgeteekend zijn, en andere, waarin zelfs nog heidensche

godheden figureeren of die ten minste van een overoud bijgeloof de

onmiskenbare sporen dragen. Verreweg de meesten zijn echter, zoowel

bij de Klein-Russen en Kozakken als bij de Russen over het geheel

niet van historischen of epischen maar van lyrischen inhoud. Het Epos

heeft onder de Slawen alleen bij de oorlogszuchtige Serviërs eenig

geluk had. Bij de Russen had de poëzie van het gevoel veel meer den

boventoon. Zij schijnen in hunne volks-poëzie als van eene uiterst

vreedzame, stille, men zou haast zeggen, zachte en sentimenteele

natuur. En dit is zelfs bij de Russische Kozakken, een volk, dat toch

uit den oorlog ontstond en geheel en al voor den oorlog georganiseerd

werd, het geval.

Zij toonen zich in hunne liederen altijd vol gevoel voor de hen

omringende natuur, en zij ontleenen meermalen hunne verzen aan

hetgeen bosch en veld hun toonen. De lindeboom, de vlier, de ahorn,

de jeneverboom, de salie, de wijnruit en andere planten spelen daarin

eene groote rol. Zelfs ons kleine, "vergeet-mij-niet" wordt door deze

Kozakken niet over het hoofd gezien.

Toen ik treurig, weemoedig, gedrukt,

Doolde door 't woud en de weide,

Vergeetmijnietjes had tot een ruiker geplukt,

Weende ik bitter en zeide:

Vergeet mij toch nooit, o! geliefde!

Vergeet mij toch nimmer, mijn leven!

Dierbare! beloon steeds mijn liefde,

Doch niet door geschenken te geven.

Want wat zal uw goud mij ook helpen!

Wat uw rijkdom, die een ieder verrukt?

Dan eerst zult ge mij overstelpen,

Wanneer gij mij aan uw harte drukt

En uitroept: "Nooit vergeet ik U, getrouwe!

De koekkoek, die de lente verkondigt, de vroolijke kleine leeuwrik,

die den menschen "waarom zoo treurig?" vraagt, de blauwe duif, waarmede

een meisje, de witte valk, waarmede een jongeling vergeleken wordt,

en vele andere schepselen uit de dierenwereld, spelen in de liederen

der Kozakken eene even groote rol, als de liefelijke planten.

Even als diep en innig gevoel voor de natuur, zoo spreekt ook een

geest der hartelijkste liefde voor zijne geboorteplaats en voor zijne

onderhoorigen, uit deze Russische volksliederen:

Van verre, langs berg en dal en meer,

Kwam eenmaal een koekoek gevlogen.

In den Donau, geraakte een veer

Uit zijn staart, zoo sierlijk gebogen.

Aan die bonte veder gelijk,

Die door den stroom wordt gedreven,

Zoo verkwijn ik in 't vreemde rijk,

Eenzaam, verlaten in 't leven.

De band tusschen moeder en zoon, tusschen broeder en zuster wordt

in die liederen, waarin de Russische Kozak, als met een soort van

voorgevoel, zijn dood op het slagveld bezingt, als een dikwijls

wederkeerend onderwerp, zeer treffend geschilderd:

Toen stormen loeiden en 't gras zich bewoog,

Lag stervend en bleek een Kozak op den grond,

Met zijn hoofd geleund op een struikje, dat boog,

Met zijn oog gericht op de heide in 't rond.

Zijn groot blank zwaard lag naast hem ter neêr,

Geduldig toefde het paard bij zijn voet,

Een vogeltje, schittrend door dosch en door veêr,

Zat boven zijn hoofd, enz. enz.

Bijna altijd eindigen die liederen daarmede, dat de klagende ruiter

in zijn stervensuur zijne moeder of zijne zuster een brief of eene

teedere boodschap, zoo hij niemand anders tot zijne dispositie heeft,

door zijn "zwart ros" of den "duizendkleurigen vogel", toezendt. Een

dezer eindigt met het volgende algemeene gezegde:

Der ouderen gebed beveiligt in gevaren,

Maakt onze zielen rein, zelfs van de zwaarste zonde,

Zal ons op land en zee steeds veilig goed bewaren.

Even als in hunne liederen, zoo doen zich deze baardige Russen ook

in het dagelijksche leven en in den omgang, veel hartelijker en

levendiger voor dan wij.--Vriendschap en liefde worden bij hen veel

levendiger uitgedrukt dan bij ons. Iedereen kust en omarmt voor en na

iedere scheiding. Zelfs mannen en grijsaards kussen elkander rechts

en links naar voorgeschrevene regels. Ook worden zij licht tot tranen

toe geroerd.

Het gebeurt niet zelden, dat men een ouden, grijsbaardigen Rus van

Herkulischen lichaamsbouw, ziet schreien en luide hoort jammeren,

dat hij alleen staat in de wereld zonder vader en moeder, of wèl

over eenig ander ongeluk. "Waar treft men", vraagt de schrijver,

die dit mededeelt, "in Engeland of Duitschland, of in eenig ander

land der weinig teergevoelige Germanen, iets dergelijks aan?"

Deze zachte en teedere geaardheid der Russen en der Slawen in het

algemeen, verklaart ook hunne gelatene onderwerping aan de macht van

den Czaar en de Kerk. Geen volk van Germaansch bloed, zou eeuwen

lang het juk der dienstbaarheid zoo geduldig gedragen hebben, als

deze zanglustige, lichtzinnige, lyrisch-poëtische Russen.

Andere eigenschappen en eigenaardigheden van de Russische

volks-geaardheid, ontdekt men in den rijken schat van spreekwoorden,

die in den loop der tijden in hunne taal opgenomen zijn en bij hen

het burgerrecht verkregen hebben. Zij getuigen van een scherpen

waarnemingszin en fijne menschenkennis, en zijn vol treffende

vergelijkingen en pikante uitdrukkingen. Daar zij deels oude, ook bij

ons in spreekwoorden vervatte lessen, op eene ons nieuwe en verrassende

wijze inkleeden, en deels eigenaardigheden van het Russische leven

en hart zeer levendig uitdrukken, zoo zij het mij vergund, eenige

preciosa uit die schatkamer hier uit te kramen. Ik wil ze den lezer

zonder veel commentariën mededeelen. Hij zelf zal de beteekenis en

het gebruik gemakkelijk beseffen.

In verscheidene Russische spreekwoorden, wordt, om zoo te zeggen,

met een paar woorden eene geheele fabel verteld, b.v.:

"Toen men de stem van den nachtegaal prees, begon het karrepaard

te hinneken."

Of: "een onnoozel schaapje weende van aandoening, toen de herder den

wolf met zijne knots doodde."

Zeer scherp wordt het dwaze egoïsme der menschen in de volgende

lakonische woorden gehekeld:

"Hoe jammer van mijn mooie schip, riep de schipper, toen hij met

al zijne manschappen zonk."--En hoe treffend worden de gedachten en

verborgene daden van den gierigaard verraden in het:

"Nadat de hebzuchtige het geheele bosch verkocht had, wilde hij ook

nog ieder boom afzonderlijk verkoopen."

"De bijen verzamelden was en honing, maar de gierigaard zou willen,

dat zij ook nog de mede brouwden."

"Schenk den eenbeenigen gierigaard eene kruk, hij zal haar als

brandhout in de kachel steken."

Hem, die moedeloos de hem getroffene onheilen bejammert, roept het

Russische boeren-spreekwoord toe:

"Zie de gaten in uw wambuis toch niet zoo bedroefd aan, maar zet er

een paar lappen op."--En hem, die 's levens lusten en lasten niet in

den waren zin opneemt:

"Eet den honig, vadertje, dien gij kunt, en drink den alsem, dien

gij moet gebruiken."--Den al te strengen berisper waarschuwt het:

"Als gij zelfs de sneeuw vuil noemt, hoe wilt gij dan het roet noemen?"

Met betrekking tot het gevaarlijke van het prijzen, zegt het:

"Ook den verstandigsten groeien eindelijk ezels-ooren aan, als men

hem te zeer prijst."--En van de behendigheid der menschen om hunne

fouten te bedekken en hunne baan schoon te vegen:

"De domste is verstandig genoeg, zich te verontschuldigen."

De tegenzin, dien wij gevoelen als men ons het geluk opdringen wil,

wordt uitgedrukt door:

"Sluit een wolf in eene volle schaapskooi op, en hij zal nergens aan

denken, dan hoe hij het best weder naar het bosch ontvluchten zal."

Het Engelsche _love in a cottage_, heet bij de Russen:

"Geene liefde brandt zoo heet, dat het de kachel verhit."

In aanprijzingen van die deugd, waarin de Slawen sedert onheugelijke

tijden uitmunten, de gastvrijheid en weldadigheid, is het Russische

spreekwoord onuitputtelijk:

"Zooals men het zijnen gasten geeft, zoo geeft men het God."

"Wie den musch het kruimeltje niet gunt, dien zal de lieve God het

brood niet gunnen."

"Willig het verzoek van uwen gast in, nog voor hij het uitspreekt."

"Bespaar uwe laatste snede honig voor een laten gast."

"Voeder eerst het vette paard van uwen gast, vervolgens uwe magere

koe."

Het: "is uw deken lang, strek dan vrij uwe beenen uit; is uw deken

kort, behelp u er mede, en trek uwe beenen naar u toe," luidt bij hen:

"Spin vlas, broertje, als gij geen zijde weven kunt."

Ons "zoo heer, zoo knecht" is bij hen:

"Aan de kat van het kind kunt gij zien, hoeveel slaag het van zijne

ouders krijgt."

Van de echte innerlijke waarde en van uiterlijken schijn zeggen zij:

"Het vuile zilver wordt hooger geschat dan het blanke tin," of:

"messing! hadt gij slechts de waarde van het goud, daar gij den

trots er van toch bezit," of "de augurk wil voor eene dochter van

den meloen doorgaan."

Recht uit het leven en uit de zinnelijke wereld gegrepen is ook,

wat de Russen zeggen van de wijsneuzigheid der jonge lafbekken:

"Geen trotscher koper, dan wat juist uit het hamerwerk komt."

Eveneens, wat zij bij den omgang met hartstochtelijke menschen

aanraden:

"Als uw vriend opvliegend is als buskruit, zet hem dan niet bij

het vuur!"

Of wat zij aangaande de liefde opmerken:

"De plasregen, die de minnenden treft, bestaat slechts uit

dauwdruppels,"--en wat zij den opvliegenden mensch herinneren:

"brandnetel, waarom brandt gij, als gij toch niet gaar koken kunt?"

De macht der vooroordeelen hebben zij zeer goed begrepen; want zij

zeggen er van:

"Men raakt eerder zijne jicht kwijt, dan zijne vooroordeelen."

Het Lithauische: "maak u tot een schaap en de wolf zal ras bij u zijn,"

heet bij de Russen:

"Wie zich tot paard maakt, dien wil iedereen den zadel opleggen."

En ons: "het ei wil wijzer zijn dan de hen," drukken zij uit door hun:

"de paddestoel zou het woud wel een lesje willen geven."

De machteloosheid van onze opvoedingsmiddelen tegenover eigenzinnige

naturen, drukken zij door het volgende beeld uit: "uit eendeneieren

kan zelfs een zwaan niet dan eenden broeden."

Hij, die iets tracht te bewijzen, wat van zelf spreekt, roepen zij

zeer verstandig toe: "ja, zeer juist, mijn vriend, in de vlakte hebben

de bergen een einde."

Deze kleine bloemlezing uit een overrijk veld zal wel voldoende zijn;

ik ga derhalve nu tot een ander onderwerp over.

Waar, naar hetgeen boven aangevoerd werd, bij een volk Kalliope zoo

ijverig gehuldigd werd als bij de Russen, daar kon onmogelijk hare

zuster Terpsichore in minachting zijn, vooral niet bij de Slawische

volken, bij wie de beiden Musen, zooals het overal zijn moest,

als de twee intiemste tweelingzusters verschijnen, bij wie poëzie,

gezang en dans, veel meer dan bij ons, op eene allerbevalligste

wijze saamverbonden werden. De dans was van oudsher bij de Russen,

even als bij alle Slawische volken, eene volksuitspanning. "_Slavus

saltans_" (de dansende Slawe) was reeds bij de Latijnsche schrijvers

der middeneeuwen spreekwoordelijk. Hun beweeglijk temperament, hunne

vlugheid, bracht hen op zeer natuurlijke wijze tot de beoefening

dezer kunst. Het Germaansche en Romaansche Europa heeft immers de

polonaise, de polka, de mazurka en meer andere zijner lievelingsdansen

aan de Slawen ontleend, ofschoon het die op eene wijze uitvoert, die

den Slawen zelven zeer weinig voldoet. Zij daarentegen hebben ook

onze dansen aangenomen, en op hunne tallooze dans-partijen, die in

den winter in alle steden, tot aan het uiteinde van Siberië plaats

hebben, voeren zij die uit op eene wijze, die veel bevalliger is,

dan die waarop de uitvinders zelven ze uitoefenen.

Wel dansen ook onze boeren overal, bij hunne bruiloften, op hooge

feestdagen en in hunne danszalen. Maar dit bewijst niet, dat bij hen

de dans even populair en inheemsch is als bij de Slawen, en vooral

als bij de Russen, bij wie aanleg en lust daarvoor zoo algemeen en

altijd zoo groot is, dat er geene voorafgaande afspraken, deftige

uitnoodigingen, bijzondere lokalen enz. noodig zijn, om de menschen

tot eene symmetrische groepeering, tot gracieuse bewegingen, tot

eigenaardige mimiek, tot vroolijke spier-beweging uit te noodigen. De

Rus danst zooals hij zingt, als hij er den tijd voor heeft en

als hij de ruimte kan vinden, om zijne voeten behoorlijk te kunnen

bewegen. Midden in de woeste steppen wordt de reiziger verrast door den

aanblik van een Zuid-Russischen schaapherder, die geheel alleen daar

in de wildernis, onder den vrijen hemel--_danst_. De jonge langharige

knaap heeft zijn opgeblazen doedelzak voor zich in het gras geworpen

en er een steen opgelegd, zoodat het instrument van zelf geluid maakt,

en op deze muziek beweegt hij zich met dien vluggen en sierlijken

pas, die hem in zoo hooge mate eigen is, door niemand van dichtbij

opgemerkt, dan door zijn in den omtrek weidend vee. In de landhuizen

der Russische Graven heeft men soms gelegenheid, de bedienden in een

nauw hok onder de trap, dikwijls het eenige vrije plekje, dat deze arme

duivels ter hunner beschikking hebben, te beloeren en te zien, hoe zij

hunne balaleiken slaan en hoe zij in deze, slechts weinige vierkante

voeten groote en zwak verlichte ruimte, hunne dansen uitvoeren.

Ook ziet men--en zeker, zeer tot zijne verwondering,--hoe de Russische

soldaten, wanneer zij een vermoeienden marsch hebben afgelegd, weldra

zingen en dansen en op hunne balaleiken slaan. Het is middag, zij

hebben 's morgens met pak en zak vijf uren door bosschen en moerassen

gemarcheerd. Hunne officieren geven hun een uurtje rust. De welwillende

goedsbezitter en eigenaar van het slot, in welks nabijheid zij rust

hielden, heeft ieder man van het regiment een glaasje brandewijn en

een stukje brood met kaas laten geven. Met wellust hebben zij deze

weldaad genoten. Kort daarna is het geheele regiment, even als het

woud na een frisschen regen, verkwikt, heeft het alle ongemakken

en vermoeienissen vergeten en, in verschillende groepen verdeeld

bewegen zij zich juichende, zingende en op de maat dansende, rondom het

bivouac-vuur en de aan rotten geplaatste geweren en zware ransels, die

zij binnen weinige minuten weder dragen en omhangen moeten. Zoo iets

moet men gezien hebben, in zulke omstandigheden moet men de menschen

verrast hebben, om te kunnen beoordeelen, dat het dansen hun werkelijk

aangeboren is en hoe zeer het eene nationale behoefte is geworden.

Treedt men een Russisch dorp binnen, dan kan men nog idyllischer

tooneelen opmerken. Daar vindt men wel geen herberg of danshuis,

maar het geheele dorp is als het ware ééne danszaal. Daar ontmoeten

u, om het even of het tegen Paschen of tegen Pinksteren loopt, lange

reien jonge, met bloemen versierde meisjes. Het is een "Wesnänka"

(een lentedans), dien zij uitvoeren. Zij hebben de handen in elkander

geslagen. Het fraaiste meisje voert de anderen aan en bepaalt de

figuren en wendingen, die de krans van maagden maken zal. Nu eens

vormen zij eene rechte, vooruithuppelende linie, dan weder sluiten zij

den kring en blijven, terwijl zij in rondte draaien, een oogenblik

op dezelfde plaats. Dan weder vermengt zich de dansende troep tot

een knoop, dien zij vroolijk zingende, weder tot een geregelde

keten ontvouwen. Het is het poëtische oorspronkelijke type van de

zoogenaamde polonaise onzer salons. Het geheele dorp komt op de

been. De oude menschen gaan op de banken voor hunne huizen zitten,

en verheugen zich in de bevalligheid hunner dochters. Steeds meer

en meer jonge meisjes komen lachende uit hare huizen en sluiten

zich zingende bij de vorige aan. Ook de kinderen, die in de reien

der ouderen geen plaats hebben kunnen vinden, vormen afzonderlijke

groepen, en trekken onder gelach en geschreeuw achter de grooteren aan,

terwijl zij de bewegingen van deze trachten na te doen. Gewoonlijk

voert het vrouwelijke geslacht deze liefelijke tooneelen alleen uit,

maar somwijlen komen haar ook van de andere zijde van het dorp,

de knapen der plaats in even lange reien te gemoet. Ook zij dansen,

zingen en voegen aan de dansenden nog soms iemand toe, die al dansende

viool speelt of op de hobo blaast. Vereenigen zij zich ten laatste,

dan ontstaat de grootste vroolijkheid, en het vormen van figuren

neemt eerst bij het maanlicht een einde.

Even als overal, zoo ontwikkelen de Russen ook bij hunne dansen een

niet gering talent tot mimiek, en menige hunner dansen zijn tegelijker

tijd kleine dramatische voorstellingen.

Zoo b.v. de zoogenaamde "kosatschka" die zijnen naam aan de Kozakken

ontleend heeft, maar over geheel Rusland verspreid is. Deze dans

wordt door een jong paar uitgevoerd. De knaap speelt daarbij de

rol van vurigen minnaar die om de hand der schoone, zijne danseres,

werft. Hij nadert haar al dansende. Op de maat der muziek maakt hij

allerlei gracieuse bewegingen, om haren bijval te winnen, en geraakt,

al naar mate hem dit al dan niet gelukt, in poëtische verrukking

of, op de maat der muziek, in vertwijfeling.--De danseres speelt

de preutsche die hem lang afwijst, hem wel eens koketteerend wenkt

maar schertsend--spottend--hem steeds dansende weder ontglipt, maar

zich toch eindelijk veroveren laat en ten slotte eene omarming en een

zachten kus--op de maat der muziek--ontvangt, waarop zich vervolgens

het vereenigde paar met snelle, huppelende achterwaartsche passen,

terug trekt.

Het verlangen en de pogingen van den minnaar, het schuchtere en

twijfelachtige van de geliefde, de ingeweefde episodes van gehuichelden

afkeer en allerlei kleine twisten, zooals die tusschen geliefden

voorkomen, worden door de dansers dikwijls met bewonderingswaardig

talent uitgedrukt. Natuurlijk dansen daarbij niet alleen beenen en

voeten--handen en armen, oogen en gelaats-zenuwen spelen ook mede en

bewegen zich ook op de maat der muziek.

Dit alles kan men echter beter bij de Russische solo-dansers

waarnemen. Solodansers komen bij ons in het alledaagsche leven niet

voor, men ziet ze bij ons niet anders dan op het tooneel. Bij de Russen

neemt echter dikwijls één enkele het op zich, een geheel gezelschap

te vermaken. Wie zich verveelt, mag zijn Russischen kamerdienaar,

zijn loopjongen, den soldaat, dien hij bij zich in kwartier

heeft, verzoeken hem dien avond door een solo-dans te amuseeren;

deze verschijnt zonder lang te aarzelen, versierd, beschilderd,

phantastisch opgetooid met de bonte doeken en lappen die hij bij de

hand had, en de viool in den arm--want hij is ook zelf zijn eigen

orkest. En als er tusschen stoel en tafel zooveel ruimte is, als

een vogel in zijn kooi heeft om te springen, dan krijgt gij zeker

wat te zien, wat het zien en ook het nadenken er over waard is. De

akteur begint zijne voeten in alle bedenkelijke posities te brengen,

op de maat der muziek te bewegen, te kruisen, uit elkander te brengen

en bij elkander te voegen. Daaronder zijn passen, zooals een Fransch

dansmeester zijnen leerlingen nooit geleerd heeft. Hij smijt zijne

beenen vooruit, als wilde hij ze wegwerpen. Hij trekt ze terug en

slaat ze weder in elkander. Somwijlen knikt hij plotseling tot op

den grond toe, in zijne knieën door. Men meent, dat hij op den grond

gevallen is, maar spoedig springt hij juichende weder op. En bij al

deze hevige lichaams-bewegingen verlaat hem noch zijne zingende stem,

noch het accompagneerende gekras op zijne viool. Alle andere deelen

van het lichaam nemen ook aan deze op de maat uitgevoerde beweging

deel. De schouders worden op en neder getrokken, het hoofd wordt op

zij en achterover geworpen; eene zenuwtrekking gaat door het geheele

lichaam. Het is, alsof iedere spier afzonderlijk geoefend moest

worden, als voerde de danser op bevel van den dokter gijmnastische

toeren uit. Ook het gezicht wordt daarbij niet vergeten--de mond wordt

heen en weer, de oogleden op en neder getrokken, de baard kromt en

spitst zich als eene levende slang. Het geheel eindigt ten laatste met

nogmaals op te springen, met de voeten te stampen, juichen, fluiten,

ten slotte een streek over alle snaren der viool, en dan staat de

danser voor een oogenblik recht op en stil als een standbeeld, in zich

zelven zeer tevreden lachende en uwe bijvals-betuigingen afwachtende.

Dergelijke zaken in hunne details gade te slaan, is voor den etnograaf

niet van belang ontbloot. Men leert daarin zeer duidelijk den geheelen,

er zich in afspiegelenden geest kennen, van dit vlugge, behendige,

naar omstandigheden onvermoeide, dichterlijke, tooneelkunstige, in

woord en daad welbespraakte Russische volk, de levenslustigsten onder

de Slawen, die vroolijk blijven onder de grootste ontberingen, en zich

in de neteligste toestanden weten te helpen. Men begrijpt gemakkelijk,

dat men uit zulke duizendkunstenaars, uit zulke gom-elastieke mannen,

zonder veel moeite alles maken kan, wat men wil: infanteristen,

kavalleristen, trompetters, paukenslagers, of wat ook hunne overheid

hun op den rug schuift--sjouwerlieden, handwerkslieden, kooplieden of

wat het toeval van hen maken wil,--lakeien, kamerdienaars, en door

hunne betrekking van kamerdienaar ook staatsbeamten, en ten laatste

zelfs grands-seigneurs, waartoe zoowel geest als fortuin helpen,

en waartoe de wil van een rijken groote of van den Czaar zelven hen

roepen wil.

Want de Rus van licht, week en taai hout, gevoelt zich, (in

tegenstelling met de veel eigenzinniger eikenhoutachtige stof

der Germanen) zeer spoedig in alle omstandigheden en kringen te

huis. Tallooze Russen hebben zich van den laagsten tot den hoogsten

trap der maatschappelijke ladder opgewerkt. Menig met ridderordes

versierd en met eerbewijzen overladen generaal, zag het daglicht in de

hut zijner ouders, die lijfeigenen waren. Menig uitstekend Russisch

dichter werd als boerenzoon onder een rietendak geboren. Lomonosoff

was de zoon van een visscher aan de Witte Zee, Koslow de zoon eens

herders, en Karamsin het kind van een Tataar aan den Ural.

Gelukt het hem, dan speelt de boeren jongen den edelman, den hoveling,

den grooten heer, als had Noach reeds zijne brieven van adeldom gered;

en verbant de Czaar een der grooten van zijn hof, of steekt hij hem

met geschoren hoofd als gewoon soldaat bij een zijner Kaukasische

regimenten, dan weet ook deze afstammeling van Rurik, die rol met eene

zelfverloochening en gehoorzaamheid te spelen, die men zou moeten

bewonderen, als in zulke zaken niet juist het omgekeerde te prijzen

en te wenschen was.

Het is zeer waarschijnlijk, dat deze, allen Russen meer of minder

eigene eigenschap, zich overal en onder alle omstandigheden te huis

te gevoelen, een gevolg hunner volksopvoeding en geschiedenis,

die hen in de zwaarste diensten oefende, geweest is--het geweld

hunner lijfheeren, die gewoon zijn alles van hen te verlangen--de

hardheid hunner despotische heerschers, naar wier luimen zij leven

en zich gedragen moeten.--Aan de andere zijde was hun karakter

ook zeker iets van dergelijke Proteus-natuur aangeboren, en deze

oorspronkelijke aanleg moest dan ook juist dat alles: heerschappij

der Mongolen, lijfeigenschap, Czaren-despotisme, weder in het leven

roepen, bevorderen en lichter doen dragen. Autokraten kunnen zich

geen beter volk wenschen, dan menschen waaruit men alles maken kan,

die niets te moeielijk of voor onmogelijk houden, die bij alle, zelfs

de grootste hun in den weg komende hinderpalen, hun lievelingswoord:

"Nitschewo!" (het is niets) in den mond hebben, die iedere rol weten

te spelen, en bij wie men (men moge naar goedvinden een uit hun midden

nemen) altijd nagenoeg denzelfden aanleg en dezelfde talenten vindt,

of verwachten kan ze te kunnen opwekken.

Eene dergelijke algemeene begaafdheid is dikwijls, een ongeluk voor

een volk, Waar allen evenveel verstand hebben, daar komen, schijnt

het, uitstekende talenten, hoogere en grootere genieën niet zoo

dikwijls voor. Ofschoon de Russen in den regel geboren mimici zijn,

hebben zij toch geen Talma Garrick of Schroder aan het Europeesche

tooneel geschonken. Ofschoon zij in den regel meer geschikt zijn

voor den dans dan wij, zoo is toch nog eerder onder de Duitschers

dan onder hen eene Elszler gevonden. Wanneer ook al ieder van hen een

tamelijk handwerksman is, die met bijl en beitel, met de naald en met

de draaibank weet om te gaan, zoo is nog nooit van hen eene belangrijke

mechanische uitvinding uitgegaan. Wel schijnt de minste onder hen meer

algemeene oorspronkelijke scherpzinnigheid, meer dichterlijk talent

te bezitten, dan het meerendeel onzer prozaïsche landgenooten, en

toch hebben zich deze gaven bij hen niet zoo in scheppende vernuften

geconcentreerd, die zich boven de massa verheffende, de wereld

geïmponeerd hebben. Het schijnt dat zij de eerste moeielijkheden

gemakkelijk, al te gemakkelijk overwinnen, maar zich dan geene moeite

meer geven, en het eens begonnene laten loopen. Even als in hunne door

de zon nooit ticheel verlatene zomernachten, even als in hunne door het

noorderlicht beschenene winteravonden, rust ook op de landschappen van

hunnen geest eene alom verspreide schemering, maar treft men er weinige

krachtige schaduwen en heiderstralende lichtpunten aan. Zelden verdicht

zich de lichtstof tot diamanten, zelden verzamelt zich het water

tot diepe meren. Overal heeft men eene even groote overstrooming. In

Rusland zijnde, verbeeldt men zich soms, dat deze geheele massa van

vele millioenen menschen, in denzelfden trog gebakken en gelijkmatig

gekneed en gevormd is. Het Russische volk schijnt het grootste

aantal gelijksoortige, gelijk begaafde, gelijk gestemde en gelijk

gezinde menschen, dat in Europa aangetroffen wordt. Deze groote een-

en gelijkvormigheid van de Russische volksstof, toont zich in hunne

lichamelijke ontwikkeling--(dezelfde physionomieën ontmoet men zoowel

in de eeuwenoude wouden als aan het hof van den Keizer, hier slechts

geschoren en met van goud blinkende uniformen versierd), evenals in

hunne oorspronkelijke scherpzinnigheid,--(dezelfde sarkastische,

bijtende, scherpzinnige en luimige soort van gevatheid, merkt men

zoowel in de hut van den boer, als in Petersburg op, alleen is zij

hier in het Fransch vertaald)--zoo ook in hunne maatschappelijke

toestanden. Want aangeborene en uit de geschiedenis ontstane standen

en scherp verschil van maatschappelijke klissen, bestaan eigenlijk

niet in een land, waar een Kalmuck even gemakkelijk tot geheimraad

en tot edelman van den eersten rang verheven kan worden, als een

vorstenzoon tot een naamloozen Siberischen kolonist gedegradeerd

worden kan--waar burgervrijheid nooit ontstond--waar hij, dien de

lijfeigene zijn heer noemt, in het rijk slechts weder een knecht

is,--waar het maatschappelijk gebouw niet, naar het model eener

Gothische kerk, met vele afdeelingen, trappen en spitsen gebouwd is,

maar waar veeleer alles op een populier of denneboom gelijkt, een top,

een stam en voor de rest niets anders dan kleine korte takjes.

Dit gebrek aan groepeering, aan hoogte en diepte dezer gelijke kleur,

die eene in het Russische wezen diep ingewortelde natuurlijke aanleg

en oorspronkelijke neiging schijnt te zijn, toont zich eindelijk

ook daarin, dat de Russen als natie en ras, reeds van den beginne

af, in zoo weinig onderdeden verbrokkeld zijn, zich zoo weinig in

zelfstandige, scherp afgeteekende neventakken gesplitst en afgescheiden

hebben. In het groote vaderland van het Russische volk, bestaat

lang zoo veel onderscheid in op zich zelf staande stammen niet, noch

zooveel nuancen in het dialect, als in de andere Europeesche landen.

Welke contrasten zouden wij niet in het zooveel kleinere Duitschland

vinden, binnen de grenzen van dezelfde taal en van denzelfden

stam. Men plaatse slechts den langen Oost-Fries naast den kleinen

bewoner van het Erz-gebergte, den prozaïschen Neder-Duitscher naast

den poëtischen Schwaab, den lompen Beier naast den welgemanierden

Sakser, den gemoedelijken Oostenrijker naast den phlegmatischen

Pommeraan. Welke groote verscheidenheden treft men niet in alle onze

provinciën, steden en stadjes aan! alle zijn het variaties op hetzelfde

thema, maar toch variaties, die zeer van elkander afwijken. Vergelijkt

men de Russen daarmede, dan schijnt bij hen altijd hetzelfde thema,

of ten minste slechts nauw merkbare variaties er op te bestaan.

Onderscheid bestaat echter bij hen wel; Russische ethnographen, meer

echter de vroegere dan de tegenwoordige, onderscheiden de Rood- Wit-

en Zwart-, de Klein- en Groot-Russen, de Nowgoroder- de Kriwitscher-

en de Susdaler-Russen en meer dergelijke.--Slechts ten deele waren

deze dialect- en stamnuancen, als wijd uitgestrekte heidevelden over

groote gebieden, in lange liniën uitgestrekt, deels was er zoo weinig

onderscheid tusschen hen, dat, als men ze door kleuren op de kaart

wilde aanduiden, men, om niet te overdrijven, grijs op grijs zou moeten

kleuren, en nu en dan slechts eene verschillende nuance van grijs zou

moeten kiezen, terwijl men de vertakkingen van andere volken door alle

kleuren van den regenboog zou kunnen aangeven. Eindelijk zijn ook die

kleine verschillen nu gedeeltelijk geheel verdwenen. Het eenige, wat in

deze eenvormige massa, van oude tijden heen en ook nu nog, eenigzins

sterk in het oog valt, is het onderscheid tusschen de zoogenaamde

Ruthenen of Klein-Russen en de Moskoviters of Groot-Russen. Dit

onderscheid kan men het best vergelijken met het verschil tusschen

de Noord-Duitschers en Zuid-Duitschers.

De Klein-Russen treft men aan in het geheele zuidelijk gedeelte van

Europeesch Rusland, van de Karpathen tot aan den Don. De Groot-Russen

vindt men in het geheele grootere midden der noordelijke en oostelijke

helft van het rijk, tot aan de IJszee. De eerst genoemden sluiten zich

meer bij de Westelijke en Zuidelijke Slawen van Oostenrijk en Turkije

aan, en hebben in hunne taal vele oud-Slawische vormen en beelden

bewaard, die bij de Groot-: Russen verloren gingen. Hun taaleigen is

meer verwant met de oude Russisch-Slawische Kerktaal. De Groot-Russen

werden door de Ruthenen als een nieuw ontstaan, gemengd volk beschouwd,

en hunne geleerden mochten zij slechts voor geslawiseerde Finnen

uitgeven. De Klein-Russen stichtten het heilige Kiew, de oudste wieg

van de Russischen Staat, de Groot-Russen het nieuwere Moskou, waar

nu de hoofdwortelen van het land liggen. Zoo is dan ook de Klein-Rus

over het geheel wat ouderwetscher en stijver dan de Groot-Rus, op

wien hetgeen ik boven aanmerkte, aangaande de vlugheid der Russen in

het algemeen, inzonderheid betrekking heeft: De Klein-Rus houdt meer

van den landbouw. Hij verlaat niet gemakkelijk zijne geboorteplaats,

hem ontbreken handelsgeest en industrieele talenten. Het reizen

en trekken bevalt, hem niet. Heiden onderscheiden zich ook zeer

door hun uiterlijk voorkomen. De Klein-Russen hebben iets meer

Zuidelijks, donkere oogen, bruinachtige gezichten en zwart haar. De

Groot-Russen daarentegen hebben eene frisschere gelaatskleur, meestal

blauwe of grijze oogen en even als de Finnen; blond haan Hoe sterk de

verwijdering en de ongenegenheid dezer twee, met elkander in contrast

staande hoofdstammen is, bewijzen de Klein-Russische spreekwoorden, die

zij dikwijls gebruiken, wanneer er over een Groot-Rus gesproken wordt:

"Ja! hij mag een goed mensch zijn, maar hij is toch een Moskoviet." Met

het oog op dezen, zeggen zij ook: "Sluit als gij wilt, vriendschap

met een Moskoviet, maar houd een steen bij de hand."

Over het algemeen genomen geeft de bijzonder werkzame en levendige

Groot-Rus in het rijk den toon aan. Zij vormen in Rusland den

hoofdstam Zij hebben hunne Klein-Russische broeders onderworpen, en

zij overstroomen het land en de steden van deze, niet hunne overal

welig voortwoekerende koloniën. Hun adel behoort bij voorkeur tot

de grooten van het rijk. Terwijl het Klein-Russisch de taal der

boeren geworden is, is de taal der Groot-Russen die der literatuur,

wetgeving en van gezelligen omgang geworden.

In geheel Europa bestaat wel geen volkstam, die in de laatste eeuw

zich zoo uitgebreid heeft, in aantal en macht zoo toegenomen is,

als de Groot-Russische. Eene nauwkeurige bekendheid zijner numerieke

sterkte op verschillende tijden, zou van groot belang zijn voor

de philosophie der geschiedenis. Toen in 1722 Peter de Groote eene

volkstelling in zijn rijk liet houden, telde het geheele toenmalige

Europeesch Rusland slechts 12 millioen zielen. De Russische statisticus

Arseniew, berekent de getalsterkte van den Groot-Russischen stam in

het jaar 1850 op 35 millioen.

Van deze Moskovitische of Groot-Russische centraal-massa van het

geheele volkslichaam, ging en gaat nog voortdurend, de merkwaardige

volken-beweging vooral, uit, die binnen de grenzen van het Russische

rijk circuleert, die het geheele Noordelijk Azië met Russische

steden en koloniën bezaaid heeft, die ook iedere Duitsche stad van

de Oostzee, en eiken stam, elk dorp der talrijke Finsche volken,

Russische kolonisten bezorgd heeft, en die eindelijk ook bewerkt

heelt, dat zoo menige streek en vreemde natie binnen de grenzen van

het groote rijk, in zoo korten tijd geheel Russisch geworden zijn.

De merkwaardige, vooral den Groot-Russen eigene neiging tot reizen

en trekken, wordt nog in de hand gewerkt deels door de regeering,

die nu hier, dan daar, in eene afgelegene streek van het rijk,

militaire- of strafkoloniën sticht of nieuwe steden bouwt; deels

door de grondbezitters en grooten, die nu hier, dan daar, nieuw

land ontginnen, nieuwe bergwerken exploiteeren of industrieele

etablissementen oprichten willen, en op wier bevel de Groot-Russische

boeren hunne dorpen verlaten, en op honderde mijlen van hunne oude

woonplaats zich gaan nederzetten. Eindelijk wordt of werd deze

bewegelijkheid der Groot-Russen, door het zoogenaamde "Obrok"

(erfcijns) bevorderd of eerst mogelijk gemaakt. Dat wil zeggen

daardoor, dat de grondheeren de gewoonte aannamen, hunne Glebae

adscriptis tegen eene kleine, jaarlijksch in te zenden geldsom, de

vergunning te geven de wijde wereld in te gaan, te doen wat zij goed

vonden, en in hun onderhoud te voorzien waar en hoe zij dat konden.

De werkzame Groot-Russen, die spreekwoordelijk van zich zelven zeggen:

"zet mij, als gij wilt, in de steppe op een steen; geef mij bovendien

een paar centen in den zak, dan zal ik mijn weg door de wereld

wel weten te vinden," maken gretig van deze vergunning gebruik,

om zich aan wat zij "promysl" noemen over te geven. Met het echt

Russische woord "promysl," dat even onvertaalbaar is, als onder

anderen ook het Engelsche "sport," worden alle mogelijke soorten

van handwerken en bedrijven bedoeld, voornamelijk echter kramerij,

warenvervoer en kleinhandel. Zij, die zich op deze "promysl" toeleggen,

de "promyslenniks" maken eene den Groot-Russen geheel eigenaardige

klasse van industrieelen uit, die, verlangende iets te verdienen,

de wijde wereld ingaan, om zich met hunne bijl, geweer, net of spade

hier of daar werk en een verder vooruitkomen te verschaffen. Dikwijls

zouden zij dit zeer goed bij zich te huis kunnen vinden, als zij voor

hunne tuinen en landerijen behoorlijk zorg droegen, maar de vermoeiende

tuin- en landbouw valt niet in den smaak der Groot-Russen. De "promysl"

is hun hartstocht.--Zij beginnen eerst in het klein, verhuren zich

als bedienden of koetsiers, of als knechten bij timmerlieden of andere

bazen, van wier werk zij eenig verstand hebben, of dat zij zich spoedig

weten eigen te maken. Hebben zij zich zoo een kapitaaltje verworven,

dan richten zij een winkeltje van allerlei snuisternijen op, dat

zij spoedig nu in deze, dan in gene provincie opslaan, of begeven

zich met hunne waren naar de uiterste einden van Siberië. Hun geluk

met en hunne geschiktheid voor den handel, zijn meestal even groot

als die der Joden, wien Peter de Groote daarom ook aanbeval zich

niet onder zijne Groot-Russen te vermengen, daar zij in deze hunne

meesters zouden vinden. En zulke Russische kramer-nomaden eindigen niet

zelden daarmede, dat zij zich ten slotte als millionairs in Moskou,

Petersburg, Nowgorod of Kasan voor goed vestigen.

Anderen van hen, verliezen hun leven in het oosten, in de

Siberische wouden, of in het zuiden in de Kirgisische steppen,

waar deze "Promyslenniks" even zulke pionniers of voorloopers der

Russische macht zijn, als de strikken-spanners en bevervangers der

Vereenigde-Staten. Door rustelooze begeerte om te verdienen, en door

avontuurlijke lust om te reizen gedreven, begeven zij zich ook in het

hooge Noorden des rijks op zeer slechte booten, en wagen zij zich

tot diep in de IJszee, terwijl zij de witte beeren en pelsdieren

tot aan Spitsbergen en Nova-Zembla vervolgen.--Deze Promyslenniks,

die ook de kostbare zeeotters in de Zuidzee opsporen, hebben voor

Rusland, Kamschatka en het Noord-Westelijk uiteinde van Amerika

ontdekt, en hebben ook de grenzen van den Russischen invloed tot

in China uitgebreid. Het is, alsof daarbij nog iets van den ouden

Skandinavischen Wikinger-geest [4] bij de Russen nawerkt.

Het opmerkelijkst heeft zich deze oude Wikinger-geest bij de Russische

Kozakken geopenbaard, en in de omstandigheden die de ontwikkeling

van dezen volkstam der Russen vergezelden. Het schijnt daarbij

op dezelfde wijze toegegaan te zijn, als bij de afstamming van de

IJslandsche, Engelsche, Fransche en Italiaansche Noormannen van den

ouden Skandinavischen grondstam. Evenals in Skandinavië de Wikinger

of zeekoningen de zee doorkruisten, zoo trokken de ondernemende

jonge ruiters der Russen de steppen door, vereenigden zich daar,

onder den naam Kozakken (d.i. "ongeregelden") tot oorlogzuchtige,

dikwijls slechts roofzuchtige ondernemingen tegen de Tataren en

andere naburige volken, en maakten ook strooptochten tot zelfs aan

de andere zijde van de Zwarte Zee, geheel op dezelfde wijze, als de

oude Skandinavische Wikinger die vóór hen gemaakt hebben. Daar zij met

den val der heerschappij van de Tataren, in aantal en invloed wonnen,

zoo werden zij, onder door hen zelve gekozen Hetmans, voor al hunne

naburen gevaarlijk. Zelfs vele Tataren en overloopers van andere

volken verbonden zich met hen, en uit deze vermenging ontstond weder,

een in velerlei opzicht eigenaardig volk. Daar de Kozakken echter

de taal en den godsdienst der Russen, behielden, zoo bleven zij in

hoofdzaak een volk van Slawische en vooral van Russische type.

Zoowel de Klein- als de Groot-Russen hebben hunne Kozakken gehad. De

zoogenaamde Saporogische of Waterval-Kozakken, ontstonden uit het

hart van Klein-Rusland, aan den Dniepr. Op gelijke wijze ontsproten

de zoogenaamde Donsche Kozakken uit het hart van Groot Rusland,

aan den Don. In den loop der tijden werden deze laatsten, even

als de Groot-Russen zelven de voornaamsten. Van hen verspreidden

zich naar het Oosten weder verscheidene andere eigenaardige

Kozakken-stammen. Vooreerst reeds omstreeks het einde der 16de eeuw,

als eene roover-kolonie, de _Uralische Kozakken_ die nu, vermengd met

Tscherkessen, Tataren, Perzen, een schoon en krachtig slag van menschen

en een klein gegoed volkje vormen, dat geene bedelaars bezit, maar

daarentegen menschen onder zich telt, die 10 à 20,000 schapen bezitten

en den Czaar trouw dienen.--Vervolgens de _Siberische Kozakken_, die

als gewapende Promyslenniks, onder hunnen aanvoerder Yermak, het eerst

Siberië binnendrongen en, daar zij over de geheele uitgestrektheid,

van den Don tot aan den Amur in Mandschoerije, zich met vele volken

vermengden, velerlei nuancen in zeden en gewoonten vertoonen.

Zeer merkwaardig echter is het, dat die lust tot reizen, die binnen

de grenzen van het Russische rijk de kramers en boeren, de visschers,

jagers en kozakken, als de sappen in een boom, zoo levendig heen-

en weergedreven heeft en nog drijft, dat deze overal nomadiseerende

volksverhuizing bijna nooit de grenzen van het Russische rijk

overgetrokken is. Bijna nergens vindt men Russen dan in hun eigen

land. Even als de Romein, koloniseert hij slechts de Aarde, zoover

hij haar veroverd heeft. Overal, waar de adelaars van zijnen Keizer

heerschen, al ware het ook aan de grenzen van China, gevoelt hij zich

te huis. Maar buiten dit zijn groote Keizerlijke vaderland gaat hij

niet. Slechts enkele, door fanatieke vervolgingen verstrooide sekten

maken daarop eene uitzondering. Eenige weinige Russische "Raskolniks"

of sektenmakers, hebben zich bij tijden ook in Turkije, Zweden en

eenige andere naburige landen gevestigd.

Voor het overige vertoont zich, zoowel in de nieuwe wereld, waar anders

toch alle volken van Europa elkander ontmoeten, als in de talrijke

staten van West-Europa, de Rus nergens als kolonist; in onze steden

baart de Oostersche tulband of kaftan en zelfs de neger, minder opzien

dan het Russische nationale kostuum, dat bij ons iets geheel ongewoons

is, doen zou.--De oorzaken dezer verschijning zijn menigvuldig. Deels

staat den Rus in zijn eigen land, dat de halve wereld omspant,

nog voor langen tijd een ruim veld voor nieuwe ondernemingen open;

deels zouden hunne autokraten en grondheeren, even zeer als zij de

beweging hunner ondergeschikten binnen de grenzen toestaan, den lust

deze te overschrijden spoedig tegengaan; deels zijn alle handwerken,

kunsten en talenten der Russen, zoo geëigend als die voor hun eigen

land zijn, ergens anders van weinig waarde.

De Russen en hun vaderland maken in groote mate eene wereld op zich

zelve uit, en hangen deze hunne vaderlandsche wereld, met eene groote

liefde en met patriotisme aan.--Zij noemen hun Moskovitisch vaderland,

dat even goed in politieken en nationalen, als in godsdienstigen

zin, eene zoo groote eenheid vormt als er geen tweede bestaat, het

"heilige Rusland."--Zij beminnen dit heilige Rusland met al zijne

eigenaardigheden, voordeelen en gebreken. Zij zijn zelfs verliefd

op zijn klimaat, en zij hebben medelijden met de landen, waar niet

evenals bij hen, sneeuw en winter aangetroffen worden. Even zoo zijn

zij schier hartstochtelijk ingenomen met de grootheid en de onbeperkte

heerschappij van hunnen Czaar, en zij gevoelen zich zelven groot in

hunnen grootschen heerscher.--Eene constitutie, die de macht zijner

Czaren beperkte, zou den echten Moskoviter een vermindering van zijn

eigen gewicht toeschijnen.

En deze vaderlandsliefde, deze zucht in het vaderland te blijven,

dit sterke nationale gevoel, doordringt in Rusland alle standen

der maatschappij in zoo hooge mate, als men wel bij gelijke rechten

bezittende Romeinsche burgers verwacht te vinden, maar als men bij

den eersten blik op zulk een volk, bij zoo despotisch geregeerde

onderdanen, zeer zelden zal aantreffen.

Geschiedenis der Europeesche Volken · 第 15 / 62 题