Ja, ik geloof, dat ik het word als ik jullie niet terugkrijg."

Plotseling werd haar stem koud als ijs, toen zij zeide:

"Als je dáár voor komt, dan sluit ik in 't vervolg mijn huis voor je."'

"Je kunt mij den toegang tot mijn kind niet ontzeggen," zeide hij

plagend.

"O, het is volstrekt niet om het kind, dat je hier komt. Je wilt

ons hinderen, dat is het. Vóór dat jij ons kwam verstoren, hadden we

't zoo gelukkig en vreedzaam--en nu--."

Hij lachte, toen zij ophield.

"En nu is er een slang in het paradijs verschenen, hè?" zeide hij.

In het vervolg liet Kaja hem met Helle alleen, als hij kwam, en sloot

zich zelf in de kamer er naast op. Doch die oogenblikken werden haar

al meer en meer ondragelijk. Zij hoorde voortdurend zijn stem, en

af en toe maakte hij het kind met opzet aan 't huilen, in de hoop,

dat door zijn luid om "moeder" roepen, Kaja wel voor den dag zou

komen. Zij werd nog zenuwachtiger dan vroeger en voelde hoe het haar

krachten ondermijnde.

Helle's ziekte had een heilzamen invloed op haar geoefend. Haar

energie was gesterkt, zij had leeren volharden en op weldadige wijze

waren haar gedachten van zichzelf afgeleid geworden. Doch nu kwamen

de oude angst en de vroegere slapeloosheid weer terug.

Oom Frans bemerkte de verandering en vroeg haar dadelijk, wat er gaande

was. Zij wierp het op een grapje. Doch op zekeren dag, toen hij in de

gang zijn goed ophing, kwam Helle naar hem toegeloopen--schijnbaar

geheel vervuld van iets, en zeide, met zijn kleinen krullebol

schuddend:

"Leelijke man bij Helle geweest, leelijke man--moeder huilen--"

En toen was het geduld van oom Frans ten einde. Regelrecht ging hij

naar Peter Dam.

"Als je 't nog eens waagt, haar te bezoeken," zeide hij, "dan smijt

ik je gewoon de trappen af! Denk er om! Of ze hoog zijn of laag,

er af zal je, versta je?"

Sinds dien dag bleef Peter Dam weer onzichtbaar en een paar weken later

lazen zij in de krant, dat hij getrouwd was. Kaja kreeg een gevoel van

verlossing, maar toch was zij er niet zoo verheugd over als zij vroeger

zou geweest zijn. Zij had weer het oude gevoel, de oude vrees, dat

zij oom Frans zou moeten missen, en leefde in één voortdurenden angst.

"Het is of het geluk, dat we weldra bereiken zullen, al te groot

voor mij is," zeide zij. "Het is alsof ik er niet heelemaal op mag

vertrouwen."

Vol bekommering keek hij naar de donkere randen om haar oogen en wist

niet wat te antwoorden. Doch op een zekeren dag in het begin van Mei,

kwam hij met een grooten brief in zijn hand bij haar.

"Ik heb naar Modum geschreven en er een kamer voor je besteld. Nu

moet je eens lief en gedwee zijn en van den zomer naar Noorwegen

gaan. Terwijl jij weg bent, zullen Helle en ik goed op elkaar

passen--en dan kom je terug met frissche, roode wangen--terug naar

ons huis. Wat zullen we het druk hebben om het samen in orde te maken!"

Zij sprak hem niet tegen, doch bij de gedachte, dat zij van hem en

van het kind afscheid zou moeten nemen, sloeg de kou haar om het

hart. En toen het avond werd en zij alleen was, legde zij haar armen

op de vensterbank, boog haar hoofd en huilde en snikte zonder ophouden.

"Ik wil niet van hem weg," zeide zij in zich zelf. "Dat krijgt hij

niet van mij gedaan. Dat wil zeggen, zooveel dagen en weken weg van

ons geluk, en dat kunnen we ons niet veroorloven, dat kunnen we geen

van drieën."

Doch in den nacht werd zij door een droom gekweld, die haar den

laatsten tijd voortdurend vervolgde. Zij droomde dat zij weer te kiezen

had: den jongen of hem, en zij koos weer den jongen. Zij ontwaakte

met vochtige, bange oogen en voelde hoe het koude zweet haar op het

voorhoofd uitbrak. Het was of zij hem op hetzelfde oogenblik ter

dood veroordeeld had--alsof zijn dood er een natuurlijk gevolg van

zijn zou, nu, dat zij hem op 't beslissende oogenblik ontrouw was

geworden. En toen zij 's morgens opstond, voelde zij zich zoo zwak

als na een hevige koorts.

"Hij had toch gelijk," zeide zij in zichzelf, "het is noodzakelijk,

dat ik vertrek."

Doch toen zij drie weken later op het dek van de stoomboot stond en

naar den wal staarde, waar oom Frans met Helle aan de hand stond--en

de brug weldra ingetrokken zou worden, had zij al haar zelfbeheersching

noodig om niet op het laatste oogenblik terug te springen.

Oom Frans had zijn uiterste best gedaan zoo vroolijk mogelijk te

zijn, om daardoor ook haar op te wekken, doch het was hem maar half

gelukt. Bij de laatste omhelzing had hij haar nauwelijks los kunnen

laten. En nu gleed de boot langzaam de haven uit. Met vochtige oogen

volgde zij de groote en de kleine gedaante daar aan den wal--de

twee menschen, die voor haar de geheele wereld waren. Helle zwaaide

met zijn roode muts en zond kushanden, zoolang hij de boot met zijn

oogjes volgen kon. Doch het laatst wat zij zag, was de groote zachte

hoed van oom Frans, dien hij zonder ophouden groetend en wuivend door

de lucht zwaaide.

De frissche, zuivere berglucht van Modum oefende een uitstekende

geneeskracht op haar geschokt zenuwgestel uit. In minder dan twee

maanden werd zij als een ander mensch. Zij sliep rustig zonder droomen,

haar wangen kregen hun oude kleur terug, haar gang werd weer elastisch

en haar stem weer vroolijk. Maar zij was het liefst alleen. Haar

verlangen was haar liefste en trouwste compagnon. Zij leefde in

werkelijkheid haar leven met die twee, die nooit uit haar gedachten

waren. Zij maakte lange wandelingen alleen--doch oom Frans en Helle

gingen mee--af en toe bemerkte zij op eens dat zij luid met hen sprak!

"Ik kom gauw bij jullie terug," zeide zij, "vóórdat je het weet,

sta ik vóór je."

's Avonds zat zij laat op om brieven te schrijven, of om de zijne

over te lezen--niet omdat zij iets vergeten had van hetgeen er in

stond--zij kende ze allen van buiten--maar zij had steeds behoefte om

zijn schrift te zien zijn regelmatig, duidelijk schrift, een flinken,

eerlijken handdruk gelijk.

"Ieder uur van den dag verlang ik naar je," schreef hij, "doch er

is zooveel heerlijks in mijn verlangen en mijn hoop is zoo licht

en rijk! Nu heb ik weldra twaalf jaar voor Rachel gediend! Nu zijn

het geen jaren meer, maar slechts een paar maanden vóór je de mijne

bent! Als de spreeuw in het voorjaar begint te zingen, dan zal het

huisje klaar zijn--en dan zal je de mijne zijn, heel de mijne!"

Zij wist, wat hij meende met "dan zal het huisje klaar zijn." Zij wist

dat hij van den zomer twee kamers gehuurd had in een klein huisje

te Höjstrup "voor een paar lentedagen--voor een paar gelukkige

menschen, die geen geld hebben om een huwelijksreis te maken,"

had hij onder het huurcontract geschreven, dat in een groot, blauw

couvert op zijn schrijftafel lag. En zij wist dat hij af en toe het

een en ander naar het kleine, primitieve huisje toezond, dat hun

eerste geluk zou herbergen. Het trof haar, hoe jong hij in den grond

was, niettegenstaande zijn grijze haar--veel jonger dan zij zelf,

meende zij!

Zij wist ook wel wat hij bedoelde met: "de mijne, heel de mijne!" Zij

had het in zijn oogen gelezen en in zijn stem gehoord en in zijn

omhelzing gevoeld, toen hij afscheid van haar nam.

En een bijna waanzinnige angst overviel haar plotseling, dat hij

sterven kon, vóórdat zij dat wezen zou. Het was of het leven haar,

zonder dat, volkomen doelloos wezen moest.

En toen schreef zij terug:

"Je eigen, heel je eigen, denkt nu aan niets anders dan aan het

oogenblik dat het huisje klaar zal zijn! Midden in al de heerlijkheid

der lichte nachten verlangt zij naar donkere, koude dagen--zij zou

willen dat zij de koude sneeuw reeds in haar handen hield, omdat

duisternis en koude haar nader brengen tot den dag, dat de spreeuw

zingend zijn nestje bouwt!

Hij antwoordde door haar een teekening te zenden van het bosch te

Höjstrup--hij kon er zelf niet langer naar kijken, schreef hij, want

't was alsof hij dan vuur onder de vleugels kreeg....

En zij borg de teekening dadelijk in haar koffer--"want, als ik

er nog langer naar kijk, vertrek ik morgen aan den dag," zeide zij

tot zichzelf.

Het was alsof het verlangen hen nog meer bij elkaar bracht dan

vroeger. Zij leefden niet meer in het tegenwoordige, zij leefden beiden

in de toekomst, die hun de vervulling van hun rijkste verwachtingen

brengen zou, waarmee zij drie lange jaren altijd rekenschap hadden

gehouden en die nooit uit hun gedachten was geweest.

Doch tegelijkertijd leefden zij ook met Helle.

Als altijd bracht hij allerlei berichten van den een naar den ander

over. Helle dicteerde en oom Frans hield zijn kleine, dikke handje

vast en schreef:

"Helle wordt nu groot--heel groot. Helle zit iederen dag op vaders

schoot en vader vertelt geschiedenissen. Maar Helle wil moeder terug

hebben--want alle geschiedenissen zijn altijd over moeder."

Zij legde den brief onder haar kussen en ontwaakte herhaaldelijk

gedurende den nacht en kuste hem. Den volgenden dag schreef zij:

"Zoete Helle! Moeders eigen, lieve jongen!

Iederen morgen vraag ik de zon, die door mijn venster komt kijken;

"Heb je Helle gezien?" "Ja, dat zou ik meenen!" zegt de zon dan. "Een

oogenblik geleden heb ik juist bij hem door de ruiten gekeken. Hij

zat in zijn bedje liedjes te zingen en toen verstopte ik mij in zijn

krullebol en gleed zachtjes tusschen zijn kleine, bloote voetjes

door. Of ik hem gezien heb!" En als ik de spreeuw, die vlak onder

mijn venster fluit, vraag: "Heb jij Helle ook gezien?" dan fluit

de spreeuw: "Zeker heb ik hem gezien! Hij liep in het park paardje

te spelen! En zijn wangen waren zoo rood en zijn oogen stonden zoo

helder! En ik ging op een struik zitten zingen, terwijl hij voorbij

liep. En ik vertelde hem hoe heerlijk 't wezen zal als moeder weer

terugkomt bij de twee menschen, die ze 't allerliefst heeft op de

heele wereld. Zeker heb ik hem gezien--!"

"Wanneer komt moeder?" vroeg Helle herhaalde malen op den dag en dan

antwoordde oom Frans: "Als 't bosch geel begint te worden." "Dan moet

het maar dadelijk geel worden," zeide Helle. "Neen, wij moeten wachten

tot het najaar wordt," zeide oom Frans met een lichten zucht--en Helle

begon te begrijpen dat het najaar iets was, dat nog heel ver af was.

Doch Kaja hield hen beiden voor den mal.

Op zekeren nacht werd zij zoo vreeselijk door haar verlangen

overweldigd, dat zij den volgenden morgen dadelijk haar koffers pakte.

"Geen halven dag van mijn leven wil ik meer zonder hem zijn," zeide

zij tot zichzelf.

En zij reisde den geheelen avond en nacht door. Tegen zes uur in den

namiddag kwam zij te Kopenhagen aan, nam dadelijk een rijtuig en reed

naar huis. Iedere lantaarn die zij voorbij reed, begroette zij, en

toen zij de laatste genaderd was, barstte haar hart bijna van vreugde.

Den huissleutel had zij in haar zak en heel zachtjes draaide zij

dien in het slot om. Niemand hoorde haar binnen komen. Onhoorbaar

deed zij haar goed af. De deur naar de zitkamer stond open en zij

bleef een oogenblik op den drempel staan. Oom Frans zat met Helle

op zijn schoot met zijn rug naar de deur toe. Hij zat op haar oude

plaatsje bij het raam en zij zag, dat hij al haar portretten om zich

heen had. Sommige hingen aan den muur vlak bij hem, andere stonden

op het schrijftafeltje en op de vensterbank.

Helle stak juist zijn handjes naar een portret uit--een fotografie in

kabinetformaat in een lijstje--en zij zag hoe voorzichtig oom Frans

het opnam en het den jongen voorhield.

"Geef moeder een zoentje!" zeide hij, "maar voorzichtig, hoor!"

En toen de jongen het gedaan had, drukte hij zelf hartstochtelijk

zijn lippen op het koude glas--eens--twee maal--drie maal--!

Toen maakte zij een onwillekeurige beweging--en keerde hij zich

om. Met een kreet van vreugde lag zij vóór zijn voeten en bedekte

zijn handen met kussen.

Helle viel dadelijk om haar hals.

"Moeder, moeder!" juichte hij. "Is 't bosch nu geel?"

Doch oom Frans zeide geen woord. Zwijgend drukte hij haar hoofd dicht

tegen zijn borst. Aan de bijna pijnlijk hevige slagen van zijn hart,

bemerkte zij hoe groot zijn vreugde was--en toen hij eindelijk

uitbracht: "Welkom, mijne, mijne!" was het alsof zijn stem zong

van geluk.

"Beloof mij," zeide zij, terwijl zij haar hoofd achterover boog, zoodat

zij hem in de oogen zien kon: "beloof mij, dat je me nooit meer weg

zult zenden! Het is een bloedige zonde tegenover ons beiden. Het is de

zon uit ons beider leven wegsluiten. Beloof mij, dat, of het leven lang

of kort is, we ieder uurtje er van met elkander zullen deelen! Iedere

dag, die ons vergund wordt om samen te leven, is immers een groote,

dierbare schat voor jou en voor mij! Daar zullen wij mee woekeren,

dien zullen we op interest zetten, zoodat we er tot onzen ouden dag

genoeg aan hebben!"

Hij nam haar kleine, krachtig saamgeperste handen in de zijne en kuste

ze hartstochtelijk. Toen maakte hij ze los en legde ze op zijn oogen.

"Jou, lieve, gierige ziel! Ja, tot de eeuwigheid zullen we er genoeg

aan hebben!" zeide hij.

Zij stond op en liep met lichte, blijmoedige passen de kamer rond,

terwijl zij zachtjes neuriede. Helle kwam op haar af, gaf haar een

handje en ging naast haar loopen.

Zij keek alles met nieuwsgierige blikken aan en voortdurend lag er

een gelukkige glimlach om haar mond.

"Het is alsof je uit een tooverland komt," zeide hij, terwijl hij

haar met zijn oogen volgde.

Zij keerde zich om en keek hem aan.

"Dat doe ik ook," zeide zij. "Ik kom uit het tooverland van mijn

liefde. Het is of men al wat men daar aanraakt, hoort zingen. En dat

heeft het gedaan zoolang ik mij herinneren kan. Als ik je maar hoorde

spreken, was het alsof de lucht om mij heen zong. Je moest eens weten,

hoe dikwijls ik in de schemering heb zitten kijken naar je zuiver

profiel, dat zich op het venster afteekende, en hoe ik dan luisterde

naar de heerlijke muziek, die er van scheen uit te stralen--muziek,

zooals deze bijvoorbeeld..." En toen liep zij naar de piano en speelde

de eerste maten van een fantasie van Chopin. Daarna zong zij:

"En woondet gij duizend mijlen van mij

en stond heel het land in de vlammen,

op mijn knieën kroop ik tot vóór je voet

en baande me een weg door de vlammen.

En zoo je ziek werdt, ik legde mij neer

zoo zacht en zoo trouw aan je zijde,

en al de smarten, die jij leedt,

die zou ik met je lijden!

Doch moest je bezwijken en liggen heel koud

in de sombere aard, vol rouw,

'k gunde God in zijn hemel geen stondeken rust,

vóór ik er je volgen zou!"

"Wat zong je daar?" vroeg hij, plotseling opmerkzaam.

"Niets anders dan één van mijn eigen liedjes."

"Maak je zelf liedjes?"

"O ja! En allemaal over jou."

"Heb ik van mijn leven! Je bent onbetaalbaar! Je geeft me niet alleen

je zelf, je geeft me een heel liederenboek op den koop toe."

"Wie zegt, dat jij het krijgen zal?"

"Wel, als de liedjes over mij zijn, dan--"

"Ja, juist daarom. Ik zou over niets anders kunnen dichten, het zou

zelfs niet in mij opkomen, dan over jou. Als ik maar aan je denk,

worden mijn gedachten van zelf liederen. Zoo is het altijd geweest. In

mijn verzen had ik jou. Daarom, als jij niet bij me was, dan had ik

in ieder geval mijn verzen en dus jou."

"Je moet mij dat liederenboek geven, hoor!"

"Neen."

"Je hebt me al je gedachten beloofd--"

Hij zeide het schertsend, maar zonder dat hij 't zelf wist kwam er

een licht weemoedige toon in zijn stem. Dat was voldoende--zij had

er reeds berouw van. En met haar warme lippen dicht tegen zijn oor,

fluisterde zij:

"Ik beloof je, dat je ze op onze zilveren bruiloft allemaal hebben

zult."

En zij neuriede:

"Eens, in den Herfst van het Leven,

gebroken, oud en grijs,

zingen wij de oude woorden

op de oude bekende wijs."

"Ken je dat?"

"Ja, maar ken jij dàt?" En hij floot een ander wijsje.

Maar toen moest Helle er ook het zijne van hebben.

"Moeder voor Helle ook zingen!" zeide hij.

En toen zong zij alle mogelijke liedjes, die zij zich maar

herinnerde. Van "klein, klein kleutertje" en van "hut, hut paardje!" en

vele andere.

En Helle juichte en vroeg steeds om meer, totdat zij een vast besluit

nam, hem de slaapkamer indroeg en hem begon uit te kleeden.

"Zal je van nacht bij Helle slapen?" vroeg hij met veel belangstelling.

"Nou, of ik, hoor! Wil je misschien liever dat ik weg blijf?"

"Neen--maar vader moet ook komen! Vader sliep altijd bij Helle toen

moeder weg was!"

"Ja, maar nu is er geen plaats voor vader, dat zie je wel."

"Pachtig plaats!" zei de jongen verrukt. "Vader kan bij Helle liggen."

Het Verloren Tooverland · 第 14 / 16 题