En ieder maal, als zij ophield, zeide hij: "Nog wat!"

En dan zong zij weer één van zijn lievelingsliederen. En dan volgde

hij de scherp sprekende lijnen van haar mond met zijn oogen, als zij

na het zingen vóór zich uit zat te staren, met haar lippen nog half

geopend, tot hij plotseling zijn oogen toekneep en weer zeide:

"Nog wat! Zing over de blijdschap van het leven en de vreugde van

den dood."

Doch dan zweeg zij.

"Ik begrijp je niet," zeide zij, "alle anderen spreken van angst voor

den dood--van lijden en vrees om te sterven--maar jij praat alleen

maar van de vreugde."

Hij keek haar eens aan.

"Ik geloof ook, dat het een vreugde is," zeide hij. "Jij hebt misschien

nooit een pop zien openbarsten en een vlinder zien uitvliegen--maar

ik heb dat gezien meer dan eens. Urenlang kan ik een pop gadeslaan,

die op de gedaantewisseling wacht--ademloos kan ik het oogenblik staan

te verbeiden, dat het wonder geschieden zal. En zelf voel ik iets

van de vrijheidsvreugde, die de pop bezielen moet, als zij voor het

eerst voelt, dat zij vleugels heeft. Wat bekommert de vlinder zich

om de doode pop! Vleugels heeft zij, óp naar de zon vliegt zij--zij

denkt niet meer aan hetgeen nu stof is! Doch de menschen kunnen niet

nalaten, te denken aan het leeg omhulsel, en dat maakt, dat men den

dood vreest! En dan is het toch ook slechts een pop, die vlinder

wordt! Want wat gebeurt als er een mensch sterft? Niets anders dan

dat de ziel vleugels krijgt! En dat is toch een reden tot vreugde,

zou ik meenen?"

Zij zuchtte diep.

"Och ja," zeide zij, "als jij het op die manier zegt, dan ben ik

het met je eens. Maar als ik den dood zie, dan geeft die mij angst,

een grooten, vreeselijken angst!"

Hij antwoordde niet--hij scheen in gedachten verzonken.

"Ik zou je wel eens willen voorlezen, wat Sören Kirkegaard over den

dood zegt," zeide hij.

Doch zij schudde het hoofd.

"Ik heb nooit de verwantschap tusschen hem en jou begrepen," zeide

zij. "Hij kende slechts de droefheid van het leven.--En jij praat

over de vreugde van te sterven! Zijn natuur was even uit zijn verband

gerukt als de jouwe harmonisch is."

Hij zweeg even, terwijl een zwakke glimlach zich aan zijn mondhoeken

vertoonde. Toen zeide hij:

"Ja, ik ken zijn paradoxen, maar toch staat hij als een reuzeneik

tusschen al het andere jonge groen. Het tegenwoordig geslacht zal

nooit over zijn zeer sterk individualisme heenkomen. Het heeft niet

veel gescheeld of hij heeft zoowel zichzelf als anderen door zijn

eischen, aan een Christen gesteld, ten onder gebracht, maar toch--als

ik er mij een kiezen moest, dan koos ik hem, 't is of er voor anderen

geen plaats is."

"En dagen kwamen

en kropen, kropen

als slakken voorbij,

dagen van zorg en verdriet--

Maar alle, o! alle--

ik had ze geleefd!"

Den morgen, dat zij Rödvig verlaten zouden, kwam er bericht van

den eersten geneesheer van Oringe, dat mevrouw Halling een hevige

zenuwkoorts had gekregen, en hij geloofde niet, dat zij nog vele dagen

te leven had. Als zij komen wilden, om haar nog te zien, moesten zij

dit zoo spoedig mogelijk doen.

Denzelfden morgen gingen zij er heen en namen den jongen mee. Den

geheelen weg over was Kaja zeer stil en het was oom Frans, die Helle

moest bezig houden. Op zijn knie stond hij te trappelen en te lachen

over de "tuf, tuf" en iedere nieuwe reiziger, die instapte, begroette

hij met een kushand. En op zijn schoot viel hij ten laatste in slaap

met het gekrulde, zwarte hoofdje en de samengeknepen knuistjes dicht

tegen zijn borst.

Toen zij aan het gesticht kwamen, lieten zij Helle aan een verpleegster

over en gingen samen naar de ziekenkamer. Buiten de deur bleef Kaja

even stilstaan en haalde diep adem.

"Ik ben bang," zeide zij--"ik ben bang voor den dood."

Op zijn eigenaardige, vertrouwelijke manier nam hij haar hand in de

zijne en als altijd kalmeerde haar dit.

"En ik ben juist blij, dat ik je toonen kan, hoe mooi die is,"

zeide hij.

Zij gingen samen binnen, en dadelijk wendde de zieke het hoofd om.

"Wat voor bericht heb je voor mij van den prins?" zeide zij, terwijl

zij haar van koorts gloeiende oogen op hem vestigde.

Kalm ging hij naast haar zitten. Toen zeide hij:

"De prins laat u weten, dat u nu kunt gaan, waarheen u wilt. De

gevangenis is open!"

De oogen van de zieke glinsterden. Zij streek het zware grijze haar

van haar voorhoofd en richtte zich op haar ellebogen op.

"Het is goed, dat je kwam," zeide zij. "Je begrijpt altijd, wat ik

bedoel. Er is iets hierna--een heel ander leven dan dit--beschrijf

me dat eens."

Oom Frans boog zich naar haar toe en fluisterde haar in het oor:

"Ik weet niet, hoe het is," zeide hij, "ik heb het zelf nooit

ondervonden. Maar als ik er aan denk, is het alsof ik ketens hoor

vallen."

"Juist,--" zeide zij. "Ik ken dat geluid. Altijd als ik hier

binnenkwam, was het alsof ik ketens hoorde rammelen. O, je moest eens

weten, hoe vreeselijk dat was!" Zij rilde. "Ik liep en liep om ze te

ontvluchten, maar altijd rammelden ze achter mij aan. En nu zullen

ze vallen, zeg je? O, wat een groot, onmetelijk geluk!"

Oom Frans keek haar vlak in 't gezicht, waar de dood al zijn kenteekens

gedrukt had.

"Ja," zeide hij met warme stem, "nu zullen we u gelukkig zien."

Kaja lag op haar knieën bij het bed en drukte haar hoofd vast in

de kussens.

"Arm, arm moedertje!" was al wat zij zeide, "arm moedertje!"

De zieke richtte het hoofd op en luisterde. Er was iets in die stem,

dat tot haar doordrong, maar zij kon zich niet verklaren, wat het was.

Zij liet haar moede hand op Kaja's hoofd neerdalen en keek oom

Frans aan.

"Tegen haar moet je goed zijn," zeide zij; "zij lijkt op een klein

meisje dat ik eens gehad heb."

Kaja barstte in tranen uit--lang en hevig weende zij met de handen

vóór haar aangezicht--tot de zieke onrustig begon te worden en zeide:

"Ik kan je niet troosten, al mijn troost is weg."

Toen legde oom Frans zijn hand krachtig op Kaja's schouder en zeide:

"Houd je nu in! Laat haar nu gelukkig sterven!"

En oogenblikkelijk stond Kaja op, droogde haar oogen en ging op een

stoel naast het bed zitten. Oom Frans zat aan den anderen kant en

over het doodsleger staken zij elkaar de handen toe. Zoo zaten zij

zwijgend, de verandering die komen zou, af te wachten. Ieder maal

dat Kaja haar hoofd wilde afwenden, fluisterde hij: "Neen, blijf

haar aanzien, je moet haar gezicht zien als de ketens vallen." En

met tegenzin gehoorzaamde zij hem.

Doch bij het eerste rochelend geluid uit de keel der zieke kromp zij

in elkaar en wendde zich af. "Neen, het is te vreeselijk. Ik wil het

niet zien!"

En met zijn blik dwong hij haar naar haar plaats terug en zeide:

"Het is laf om het te ontloopen. Als je den dood niet krachtig in de

oogen ziet, zal je er altijd bang voor blijven."

En toen begon zij de zieke aan te staren--zij volgde de wisselende

uitdrukking van de dwalende oogen en zag, hoe de moede handen het

dek bevoelden en vastgrepen, en toen zij het koude zweet over de

bleeke wangen vóór haar zag neerdruppelen, was het of zij het voelde

op haar eigen voorhoofd. Doch plotseling werd zij achter al het

vreeselijke iets anders gewaar. Zij begon achter de gebroken oogen

de hoop op vrijheid van een gevangen ziel te zien... een geest,

die zich zingend een weg baande door het lichamelijk omhulsel... En

langzamerhand kreeg zij hetzelfde gevoel als oom Frans, wanneer

hij over de pop stond heengebogen en wachtte op het oogenblik, dat

de vlinder zou uitvliegen. Zachtjes aan begon zij het gevoel van

juichende feestvreugde te begrijpen, dat een ziel doortrillen moet,

als zij gewaar wordt, dat zij vleugels krijgt!

Zij begreep, dat, na de geboorte, dit het gewichtigste oogenblik

in het menschelijk leven is. Het eerste, groote oogenblik is dat,

wanneer de ziel den drempel naar haar bestaan op aarde overschrijdt,

het tweede en laatste, wanneer de ketens vallen!

De zieke had haar oogen wijd open. "Ach neen!" zeide zij plotseling

smeekend. "Trap er niet op! Het is maar een klein wormpje, maar het

heeft toch ook een ziel!"

Oom Frans glimlachte. "Het is wonderlijk," zeide hij, "ik dacht juist

hoe goed zij altijd geweest was. Als zij vóór God's rechterstoel

stond en haar gevraagd werd: "Wat hebt gij gedaan?" dan zou zij kunnen

antwoorden: "Ik heb nooit iets dat leefde, met voeten getreden." En

er zijn er niet veel onder ons die hetzelfde zeggen kunnen."

Kaja keek hem aan, met tranen aan haar lange oogwimpers. "Ja jij kunt

hetzelfde zeggen," zeide zij. "Er is niemand zoo goed en fijn als

jij. Ik ben overtuigd, dat zij gedurende al deze jaren gevoeld heeft,

dat jij de harmonie in haar ongelukkig, uit elkaar gerukt bestaan

hersteld hebt. Daarom hadt je die wonderlijke macht over haar."

"Neen, neen!" riep de zieke plotseling luid, terwijl zij zich

oprichtte, "Mijn prins zal anders zijn! Op hem zou hij moeten gelijken,

die dáár zit. Zijn oogen zouden even sterk moeten zijn, zijn handen

even zacht, zijn gemoed even trouw en nooit zou een offer hem te

groot moeten wezen. In één ding slechts in één, zou hij op de vrouw

moeten gelijken: hij zou voor haar die hij liefhad, alles moeten kunnen

opofferen. Maar hij, aan wien ik denk," en zij lachte hard en bitter,

"iederen dag van mijn leven trapte hij mij en het deed hem genoegen

te zien, hoe ik leed. En zijn handen," zij rilde, "zijn handen waren

zoo groot en zoo hard."

Oom Frans boog zich voorover en legde zijn hand op het koortsheete

voorhoofd der zieke. Toen wendde zij haar verwilderden blik naar

hem toe.

"Zeg het aan niemand," fluisterde zij. "Als ik iets gezegd heb,

verberg het in je eigen hart. Alle vrouwen, die het diepst lijden,

lijden in stilte.--Wij durven er niet over spreken, zoolang wij

leven--wij durven het niet fluisteren in ons stervensuur. Het grootste

en zwaarste raadsel van ons leven hier op aarde nemen wij mee in den

schoot van de aarde----"

Hij nam haar hand, die onrustig aan de deken plukte, in de zijne en

zeide: "Dat is goed, de vrouw moet ook in stilte lijden."

En onder den invloed van zijn diepe, kalme stem sloot zij de oogen

en werd rustig. Doch een half uur later rees zij weer op.

"Zie!" zeide zij, terwijl zij met glinsterende oogen vóór zich

uit staarde. "De deuren staan wijd open! Ik wil er uit! Ik wil

vliegen!----Maar ik kan niet," klonk het klagend, "want ik heb geen

vleugels--"

"Blijf stil liggen," zeide oom Frans, "dan zult u de vleugels voelen

groeien."

En onbewegelijk bleef de zieke liggen. Haar geheele aangezicht was

één enkele, hoopvolle glimlach.

"Kijk eens, hoe mooi!" zeide oom Frans. Hij nam Kaja's hand en bracht

haar nader bij de zieke. Zij had haar hoofd in het kussen verborgen,

als was zij bang om den dood in de oogen te zien; nu richtte zij zich

op en volgde de richting van zijn blik. Doch de stervende zag haar

niet meer--haar oogen barstten onder de warmte van een stralend, ver

verwijderd licht, en zij hadden een uitdrukking van iemand die lang

gevangen gezeten heeft, en nu plotseling loskomt. "De vleugels--"

was al wat zij fluisterden--"de vleugels----!"

"Nu heeft zij ze," zeide oom Frans en spreidde stil het laken over

haar aangezicht.

"Laat mij haar nog éénmaal zien!" smeekte Kaja, en kuste snikkend

de koude handen, die een oogenblik te voren nog tastend de hare

zochten. Doch oom Frans nam haar hand in de zijne en ging met haar

naar de aangrenzende kamer.

"Waarom zou je meer willen zien," zeide hij, "wat nu over is, is

niet mooi."

En rillend drukte zij zich tegen hem aan.

"De dood is in ieder geval vreeselijk," zeide zij.

"Maar een bevrijding--" voegde hij er bij. "Denk eens wat een

bevrijding voor een ziel als de hare!"

"Maar een bevrijding die scheidt--die duizenden mijlen tusschen ons in

legt," zeide zij, terwijl zij over zijn schouders naar het bed keek,

waar de doode lag.

"Dat vind ik niet," zeide hij op zijn kalme, zachte manier. "Wat zijn

tijd en ruimte voor een ziel, die vleugels heeft--?"

Doch zij kon een gevoel van afkeer niet van zich afzetten en

onwillekeurig nam zij den jongen in haar armen, die geheel onbewust,

dat de dood hem een oogenblik geleden voorbij was gegaan, op den

grond zat te spelen.

Zij drukte het kind vast tegen zich aan en zeide, met de oogen stijf

op oom Frans gericht:

"Ik hoop, dat ik het eerst van ons drieën sterf, want ik zou noch jou,

noch den jongen kunnen missen. Neen, neen, ik zou niet kunnen!"

Haar oogen stonden zóó angstig en haar stem klonk zóó bevend, dat hij

niets beters te doen wist, dan haar bange hoofdje aan zijn borst te

drukken en haar rood-gouden haren zacht te streelen en haar zachte

wangen, met de bijna kinderlijke ronding, liefkoozend te aaien....

Dagen en weken lang daarna werd zij door iets vervolgd, dat haar dag

noch nacht rust liet.

Het was, of zij een stem hoorde vragen, wien zij liever missen zou,

hem of den jongen, hem of den jongen--?

En wien zij ook koos, altijd was het alsof haar hart breken zou. Zij

voelde het met koortsheete, pijnlijke, harde slagen naar haar keel

slaan. En plotseling kreeg zij een vreeselijken angst, dat zij de

ziekte van haar moeder had overgeërfd.

Op het laatst kon zij het niet langer uithouden en vertelde alles

aan oom Frans.

Een avond sprak zij er hem over, terwijl zij samen wandelden. Zij had

haar arm in den zijnen gestoken, terwijl hij de parapluie voor haar

ophield tegen de korte, hevige buien, die af en toe op eens neervielen.

Zij verborg hem niets. Tot in de kleinste bizonderheden vertelde zij

hem haar pijnlijken angst en haar vrees, dat zij de ziekte van haar

moeder zou overgeërfd hebben.

Onder haar spreken drukte hij verscheidene malen haar arm tegen zich

aan, maar hij zeide niets. Zij zag alleen, hoe bleek hij was.

Toen Kaja nog een kind was en later als heel jong meisje, had hij

soms zelf denzelfden angst gehad; daarom had hij haar met opzet van

den omgang met haar moeder teruggehouden. Voorzichtig en zorgvuldig

had hij haar alle pijnlijke indrukken bespaard, totdat zijzelf beslist

verlangde, hem naar Oringe te volgen.

Tot nu toe had zij ondertusschen al wat zij daar gezien had, volkomen

kalm opgenomen, zoodat hij langzamerhand zijn angst vergat. Doch nu

verweet hij zichzelf bitter, dat hij er haar niet vandaan had gehouden.

"Mijn eigen lieveling!" zeide hij, terwijl hij haar hand, die op zijn

arm lag, liefkoosde. "Het is allemaal mijn schuld. Waarom heb ik je

ook meegenomen?"

"Maar oom Frans, hoe kun je nu zoo iets zeggen!" Zij keerde zich

heftig naar hem toe. "Of," en zij wierp hem een haastigen blik toe,

"ben je misschien zelf bang--?"

Even bedacht hij zich, maar hij was zoo gewend altijd volkomen eerlijk

tegenover haar te zijn, dat hij kort er op antwoordde:

"Vele jaren geleden ben ik werkelijk op sommige oogenblikken bang

geweest, maar nu ben ik het niet meer. Zoolang je er zelf over spreken

kunt, is er geen gevaar. Je hadt alleen je gedachten niet zóó lang

voor mij verborgen moeten houden."

Droevig keek zij hem aan.

"Ik was bang, dat ze je pijn zouden doen," zeide zij zacht.

Hij bleef staan en nam haar beide handen in de zijne, terwijl hij

zeide:

"Er is maar één ding, dat me pijn zou kunnen doen, en dat is, dat je

een gedachte hebben zoudt, die ik niet zou kennen."

Toen glimlachte zij gelukkig.

"Ik beloof je, dat ik er geen enkele voor mij zelf zal houden,"

zeide zij.

"Dat is goed, kom maar met den kwelgeest voor den dag, zoodra je zijn

nabijheid gewaar wordt, dan hakken we hem dadelijk den kop af."

Zij lachte. 't Was of ze hem al zag verdwijnen--en zij voelde, hoe

de lucht haar wangen reeds deed blozen.

Toen hij de verandering zag, zwaaide hij van vreugde met zijn stok

in de lucht.

"We zullen den kwelgeest er wel onder krijgen," zeide hij. "Wacht

maar, en als hij zijn kop weer in de hoogte steekt, dan sturen wij

je naar de bergen; daar sterven alle mogelijke geesten."

Zij schrikte.

"Voor Helle behoef je niet bang te zijn, op hem zal ik wel passen."

"Ja, maar--ik kan volstrekt niet buiten jullie," zeide zij, met een

poging om te verbergen, dat haar oogen vol tranen stonden.

"Ja, dat kan je wel. Je zult me een jonge, gezonde vrouw willen geven

het volgend voorjaar, dat weet ik."

Toen liet zij haar hoofd weer op zijn schouder zinken, en zeide zonder

zich een oogenblik te bedenken: "Ja, dat wil ik," terwijl zij bij

zichzelf dacht dat er niets was, wat zij niet met vreugde voor hem

doen wilde.

Vele dagen daarna nog was zij vroolijk en zong, zooals zij gewoon

was, deed haar werk en speelde met Helle, die nu al meer en meer haar

leven vulde.

Hij sloeg haar in stilte gade, en het was alsof hem een zware last

van de schouders viel.

De gedachte, dat zij haar moeders ziekte geërfd kon hebben, was

't eenige wat hem kon neerdrukken; vergeleken daarmee was alle

droefheid vreugde.

Doch nu was zij weer haar oude zelf, en de dagen vlogen met juichende

snelheid voor hen voorbij. Hoe meer het oogenblik naderde, waarnaar zij

zoo zeer verlangden, des te gauwer ging de tijd--en dikwijls scheen

het hun toe alsof het nog maar een paar dagen waren. Oom Frans was

begonnen "het nestje te bouwen", zooals zij het noemden.

Zoodra zijn lessen op school ten einde waren, had hij allerlei zaken

te beredderen.

Hij kon wel een half uur voor den winkel van een antiquaar blijven

staan uitrekenen, of hij dit of dat hoekkastje niet zou kunnen koopen,

of dat hij liever die oud Hollandsche klok zou nemen, die hij wist dat

goed in de kamer zou passen. En hij had geen rust vóór hij ze beide

had. Hij had zichzelf beloofd, dat al was de kamer ook nog zoo klein,

zij dan toch bevatten zou waar zij 't meest van hield--en iederen

nacht droomde hij van harde eikenhouten meubelen, die hij zelf naar

teekeningen van het slot Rozenburg restaureerde. Zijn hospita had

hem nog een kamer ingeruimd behalve de drie, die hij reeds had,

en Kaja en hij waren het er over eens, dat zij zijn oude woning

betrekken zouden. De nieuwe kamer, die daarbij ook de grootste was,

vulde hij iederen dag meer met nieuwe inkoopen.

Alle groote stukken zette hij daar, doch al het oude porcelein en

de kleine koperen voorwerpen van waarde, waarvan hij wist dat zij

veel hield, bracht hij naar haar, opdat zij ook het genot zou kennen

allerlei voor hun eigen huis bij elkaar te zamelen.

En als hij zoo iederen dag opnieuw met allerlei verrassingen kwam

aangeloopen, had hij veel van een van die groote, slanke vogels,

van die zwarte meerlen die nooit moe worden strootjes en takjes voor

hun nestjes aan te dragen....

"Ik heb een gevoel alsof ik reeds een geheel leven voor Rachel gediend

heb," kon hij zeggen, als hij stond toe te zien hoe verrukt zij alles

inpakte. "Maar als we dan eindelijk samen leven mogen, zal ook niemands

geluk zoo groot zijn als het onze."

"Dat is zeker," juichte zij. "En er zal geen tweede nestje zijn als

het onze! Geen dat zoo fijn en zoo zacht is, en geen dat reeds zooveel

inhoud heeft!"

"Als jonge menschen een huis inrichten, moeten ze 't eerst nog inhoud

geven--maar hier bij ons is ieder ding als een stuk leven dat al

geleefd is--hier vertelt alles ons van dagen van gemis en dagen van

vreugde en dagen van hoopvolle verwachting!"

"En," voegde zij er bij, "het wonderlijkste van alles is dat we elkaar

steeds hebben lief gehad en dat onze liefde toch altijd nieuw is--!"

Hij lachte.

"Ja, maar dat hebben we elkaar ook juist beloofd. Zoo zou het moeten

zijn," antwoordde hij slechts.

Voor Helle was het feest, ieder maal dat oom Frans met een nieuw

pak onder den arm thuis kwam. Hij beschouwde alles dadelijk als zijn

rechtmatig eigendom en zeide altijd: "Dat is voor Helle!"

En als men hem dan maar niet tegensprak, nam hij er altijd heel

goed vrede mee, dat de voorwerpen weggezet werden, of tenminste zóó

geplaatst dat hij er niet bij kon. Doch zoodra ze in zijn bereik waren,

dan deed hij er mee wat hij wilde.

"Nu heeft Helle zeker weer moeder's koperen bakje met de drie glimmende

pootjes weggenomen?"

"Neen--niet weggenomen--alleen maar in de kamer gezet, anders

Helle er mee wegloopen!" verklaarde de bengel, trotsch dat hij al

voorzorgsmaatregelen tegenover zichzelf kon nemen.

Gezond en vlug--altijd in het beste humeur en vol guitige streken,

voelde hij zich gelukkig en veilig onder het warme toezicht van

twee paar oogen, die vol vreugde elkaar boven zijn krullenkopje

tegenstraalden. Geen enkelen dag in zijn korte leven nog was hij ziek

geweest, toen hij kort na nieuwjaar vreeselijk de kinkhoest kreeg,

die hem zóó aanpakte, dat in een paar weken zijn dikke wangetjes

geheel mager en bleek werden.

De aanvallen werden hoe langer hoe heviger en zijn oogen glinsterden

van angst, als hij ze voelde aankomen.

Overdag zat hij wel met zijn speelgoed op, doch hij had er geen plezier

in. Kaja kon hem het beste dat zij maar bedenken kon, voorhouden,

geen hand strekte hij er naar uit, en oom Frans kon zich inspannen

zooveel hij wilde, voor hond of kat spelen, of als een kikvorsch om

de tafel springen, geen enkelen glimlach kon hij van de dunne lipjes

te voorschijn roepen.

Op zekeren dag, toen hij van school kwam, vond hij Kaja met angstig

starende oogen bij Helle's bedje gezeten.

"Hij heeft hooge koorts," zeide zij.

Zonder te antwoorden greep oom Frans zijn hoed en liep naar den

dokter. Binnen een half uur was hij met hem terug en werd het kind

nauwkeurig onderzocht. Toen het onderzoek was afgeloopen, nam Kaja

den dokter ter zijde.

"Het is toch niet gevaarlijk?" fluisterde zij met droge lippen.

"Jawel, Mevrouw, het is kroep."

Het was alsof zij een slag op haar borst kreeg, die haar hart deed

stilstaan. Zij greep den dokter hard bij den arm en haar oogen dwaalden

angstig van hem naar oom Frans en van oom Frans weer naar den dokter.

"En dus?" fluisterde zij nauw hoorbaar.--"Dus sterft hij?" De dokter

wendde zich onwillekeurig af om haar oogen te ontwijken.

"Volstrekt niet," zeide hij, "er is alle hoop, als we dadelijk tot

een operatie overgaan."

"Maar dat is een levenskwestie!" gilde zij bijna.

De dokter keek naar het bedje en zeide slechts: "Ja, maar hier geldt

't ook een levenskwestie!"

De jongen lag hen met van koorts brandende oogen aan te staren. Hij

kon niet spreken, doch steunde zonder ophouden. Het was of het schor,

rochelend geluid met messen door haar hart woelde, en het in duizend

kleine stukjes sneed.

Oom Frans hield de hand van het ventje in de zijne--oogenschijnlijk

was hij volmaakt kalm, doch zij zag aan de uitdrukking van zijn oogen,

hoe hij leed. En overweldigd door lichamelijk en geestelijk lijden,

wierp zij zich plotseling aan zijn borst.

"Als hij sterft, heeft 't leven geen waarde meer voor mij!" steunde zij

radeloos, zonder te bedenken hoe haar woorden hem smarten moesten. Doch

bijna tegelijkertijd bezon zij zich en had zij berouw van hetgeen

zij gezegd had.

"O, wees niet boos," snikte zij,--"ik weet zelf niet, wat ik zeg. Maar

wat zullen we doen? Wat zullen we doen?"

Toen boog hij zich naar haar toe en zeide met wonderlijke kracht:

"God zal raad schaffen."

En zij was zoo weinig gewoon, dat hij iets openbaarde van hetgeen hij

zelf "zijn eigen innigste mensch" noemde, zóó verborg hij gewoonlijk,

zelfs tegenover haar, zijn eigen, persoonlijke godsdienstige begrippen,

dat deze vier woorden haar bijna als een bevel tot onderwerping

toeklonken.

Zij wist zelf niet, hoe zij naar de andere kamer gekomen was, doch

zij wist dat oom Frans de deur achter haar op slot had gedaan en dat

het op dit oogenblik het leven of dood gold voor haar eenig kind. Zij

wist ook, dat als het kind stierf, zij niet met oom Frans zou trouwen,

doch dat zij dan terecht zou komen op dezelfde plaats waar zij haar

moeder had zien sterven. Een groot verdriet kon zij niet dragen,

daar was zij niet sterk genoeg voor.

Zij volgde den secondewijzer op de klok boven de schrijftafel, ze zag

dien rond gaan en weer rond gaan, terwijl het daar binnen beslist werd:

leven of dood, leven of dood!

En plotseling was het alsof zij een stem hoorde zeggen: "Als ge

nu één van beiden missen moet, hem of den jongen, wien kiest gij

dan--?----Wien kiest ge dan----?"

Het was of zij verlamd werd van schrik.

"Ik kan niet,"--dacht zij--"o, neen ik kan niet, ik kan niet!"

En zonder dat zij het gewaar werd, stroomden de tranen haar zonder

ophouden langs de wangen. Toen hoorde zij plotseling iets dat klonk

als een half verstikte kreet uit de slaapkamer--toen hief zij haar

samengeknepen handen in de hoogte en gilde luid: "God, neen, het kind

niet! O, het kind niet! Red mijn kind!" Toen zonk zij met de handen

vóór haar aangezicht op de sofa neer.

Zij wist niet hoe lang zij zoo gezeten had, toen zij de stem van

oom Frans weer hoorde en hem met al de teedere zorg, die zij zoo

goed kende van dat zij een kind was, over haar heengebogen zag. En

evenals vroeger, ging hij ook nu naast haar zitten en streelde haar

koude handen, en evenals toen drukte zij ook nu zich tegen hem aan

en verborg haar beweende gezichtje aan zijn borst.

"Kom, kom," zeide hij, terwijl hij haar zachtjes over het haar streek,

"nu moet mijn klein meisje kalm zijn. De operatie is goed gelukt. Wij

hopen dat hij nu buiten gevaar is."

Zij wilde haar lippen openen, doch zij kon niet. Eindelijk bracht

zij er uit: "Is het zeker?"

Hij knikte. "De dokter gelooft het. Doch zeker durft hij nog niets

zeggen vóór morgen. Kom nu mee! Helle verlangt naar je." En hij nam

haar bij de hand en ging met haar de ziekenkamer binnen.

De dokter stond bij het raam zijn instrumenten in te pakken, terwijl

Helle's oogen met jagenden angst al zijn bewegingen volgden. Nooit

zou zij die oogen vergeten--die herinnerden haar plotseling aan die

van haar moeder.

Uit het open buisje bij de keel vloeide een dun, geelachtig vocht,

met bloed vermengd, op het witte laken dat in vele lagen over zijn

borst lag, en zijn kleine, dunne handjes hielden het ijzer van het

bedje krampachtig omklemd.

Toen Kaja op haar knieën naast zijn bedje lag, en zijn handjes kuste,

scheen het haar een onmogelijkheid dat hij zou kunnen blijven leven. En

plotseling keerde zij zich naar oom Frans en zeide:

"Wil je me een dienst doen?"

Zonder te antwoorden knikte hij.

"Ik vind, dat nu 't oogenblik daar is, dat zijn vader komen moet,"

zeide zij. "Ik verlang er naar, ik vind dat hij hem zien moet vóór

hij--voor----"

En haastig vloog zij op en schreef op een visitekaartje: "Helle is

ziek. Als je hem nog eens zien wilt, kom dan dadelijk."

Kaja.

Oom Frans liep met het kaartje in de hand de straten door. Bij een

lantaarn bleef hij even staan om het handschrift te bekijken. En hij

glimlachte bitter bij de gedachte aan de wonderlijk groote macht,

die de band des bloeds heet.

Hij had Kaja's heele liefde, hij had die gewonnen door duizend kleine

offers, waar hij zelf nooit bij gedacht had, doch die hij zich nu

herinnerde! Peter Dam had zijn zoon geen enkelen dag van zijn leven

geofferd.

En toch--nu de dood voor de deur stond, was 't aan hem dat zij dacht,

om hem dat zij zond.

En onwillekeurig kwamen de volgende regels hem weer voor den geest:

Zielen zijn er op aarde,

en niemand zal 't ooit veranderen,

wier lot het is, te dienen,

te blijven dienen voor anderen.

Kaja had den dokter uitgelaten. Nu zat zij bij Helle's bedje en telde

de minuten, die nog verloopen moesten, vóór zij Peter Dam verwachten

kon. Het was voor haar een gewetenskwestie geworden, dat hij het kind

nog levend vinden zou, als hij kwam, "want het is toch ook zijn kind,"

zeide zij tot zichzelf. En op dat oogenblik bedacht zij in het geheel

niet, hoe onverschillig hij altijd tegenover den jongen geweest was,

zij vergat wat er tusschen hen lag, zij wist slechts, dat de dood van

nacht nog komen kon en het kind wegnemen dat het hunne was--en het

was alsof Peter Dam haar nooit nader geweest was dan nu. Zij merkte

dat zij naar hem zat te verlangen; niemand toch zou haar wanhoop meer

voelen en begrijpen kunnen dan hij, nu de dood hun gemeenschappelijk

eigendom bedreigde.

Zij kromp inéén toen zij de voordeur hoorde, en een minuut later

stond Peter Dam in de kamer. Doch van het oogenblik dat hij den

drempel overschreed, voelde zij, dat het een vreemde man was om wien

zij gezonden had, en het berouwde haar, dat zij het gedaan had. Hier

zaten zij nu, tegenover elkaar aan het bed van het kind, waarvan zij

geen enkele herinnering samen konden deelen! Zij hadden het nooit

samen bezeten. En juist dàt legde zulk een diepen afgrond tusschen

hen. Zij zaten daar en voelden zich zoo wonderlijk gedrukt door

elkaars nabijheid--en zoodra Peter Dam maar naar het kind keek, draaide

Helle zijn hoofdje om. Dat deed hem oogenschijnlijk onaangenaam aan,

hij werd verlegen en om dit te verbergen, zeide hij op zijn gewone,

oppervlakkige wijze: "Arm schaap! Het is geen cent meer waard!"

Kaja antwoordde niet. Zij zat naar de voetstappen van oom Frans in de

andere kamer te luisteren. En toen glimlachte zij. Het leven van toen

en nu, was zóó opvallend verschillend, dat zij zelfs op dit oogenblik,

dat haar gemoed overliep van verdriet, glimlachen moest.

Op hetzelfde oogenblik begon Helle vreeselijk te hoesten en vloog

zij op om hem te helpen.

Verlamd van schrik stond Peter Dam naast haar het kleine, verwrongen

gezichtje gade te slaan.

En terwijl hij met den rug van zijn hand een traan wegveegde, zeide

hij: "Lieve God, dat hij niet eens rustig sterven kan." Het was of zij

ter wille van dien enkelen traan toch nog van hem houden moest. Doch

toen herinnerde zij zich hoe bang hij altijd geweest was om anderen

te zien lijden, en toen hij zijn hand voor zijn oogen hield en niets

anders deed dan herhalen: "God, was 't toch maar uit! Was 't toch

maar uit!" toen kon zij het niet langer uithouden.

"Ga maar liever heen," zeide zij, na verscheidene malen getracht te

hebben hem het stilzwijgen op te leggen. "Ik verzoek je vriendelijk

om nu weg te gaan."

"Heb je me misschien zelf niet laten halen?" zeide hij plotseling

stijfhoofdig.

--"Ja--maar op 't oogenblik kan ik je niet gebruiken--ik kan je nu

niet zien," fluisterde zij, terwijl zij het kind weer op het kussen

legde. Het koude zweet parelde van angst op haar voorhoofd en haar

oogen weken niet van het kindergezichtje vóór haar.

Helle begon een beetje vrijer adem te halen, doch voortdurend bewoog

hij zijn lippen, alsof hij spreken wilde, maar niet kon. Wanhopend

staarde zij hem enkele oogenblikken aan, en spande vergeefs al haar

krachten in om zijn gedachten te raden.

Toen, plotseling, begreep zij hem.

"Zal vader komen?" vroeg zij, en de blijde glimlach in de oogen van

het kind bewees haar dadelijk dat zij goed geraden had.

"Ik ben hier," zeide Peter Dam, terwijl hij zich over het bedje boog.

Doch toen schoof zij hem op zij.

"Het kind bedoelt jou niet," zeide zij. "Hij bedoelt dengeen die het

in jouw plaats geweest is, van dat hij geboren is af--ja van veel

vroeger al. De laatste dagen is hij hem juist vader gaan noemen,

ik vond dat het voor het kind ook beter paste dan "oom" Frans."

En met deze woorden deed zij de deur van de aangrenzende kamer open,

waar oom Frans nog steeds heen en weer liep.

"Waarom kom je niet binnen?" zeide zij. "Helle verlangt naar je. En

ik ook!"

Oom Frans kwam naar de deur. Een lichte blos bedekte zijn slapen,

toen zijn blik over Peter Dam heen gleed.

Helle wendde zijn hoofdje naar hem om en tegelijkertijd gleed er iets

als een glimlach over zijn gezichtje. En in dezen nauw merkbaren

glimlach lag een stilzwijgende belofte, die zoowel gezondheid als

leven over de bleeke, jeugdige trekken scheen uit te spreiden.

"Zag je dat?" riep Kaja jubelend uit, terwijl zij zijn hand

greep. "Helle glimlachte! Hij glimlachte tegen jou!"

En de luidste lofzang zou haar liefde niet inniger hebben kunnen

uitdrukken, ook haar dankbaarheid niet en haar trots niet, dan deze

ééne uitroep: "Hij glimlachte tegen jou!"

Peter Dam voelde zich plotseling overbodig.

Toen hij die twee daar op die manier bij het bed van het kind zag

staan, bemerkte hij opeens de oppervlakkigheid van zijn eigen gevoel,

de leegte van zijn eigen leven;--en toen begon hij er een denkbeeld

van te krijgen wat een samenleven eigenlijk zijn kon.

Haastig nam hij afscheid en zeide dat hij den volgenden dag terug

zou komen.

Terwijl hij naar huis ging, was hij ten prooi aan de meest

tegenstrijdige gevoelens--liefde en haat, wangunst en bewondering,

diepe ontmoediging en onmachtige trots. Door zijn schoonvader had hij

juist de koninklijke toestemming gekregen om te trouwen, vóórdat de

bij de wet voorgeschreven tijd na de scheiding verstreken was, en het

huwelijk zou de volgende maand plaats hebben. Maar nu, dat hij Kaja

terug gezien had, vond hij plotseling dat al de rest er niet toe deed,

als hij haar maar weer bij zich kon krijgen.

"Zij zal 't nooit doen!" herhaalde hij steeds weer tot zich zelf, maar

voegde er toch bij "of misschien--als ik 't kind voor mij win." En

hij nam zich voor, dat als Helle bleef leven, hij niets onbeproefd

zou laten om de gunst van het kind te winnen.

"De weg naar het moederhart voert door het kind," zeide hij met een

theatrale uitdrukking, en in zijn oude liefde voor klinkende phrasen

kon hij niet nalaten, het hardop te herhalen.

Ondertusschen zaten Kaja en Oom Frans samen bij Helle's bedje. Den

geheelen, langen nacht wisselden zij in angst en spanning, en slechts

af en toe, fluisterend een paar woorden. Het kind sliep onrustig. Af

en toe opende het zijn oogen--en als het hen daar zoo stil en trouw

op wacht zag zitten, glimlachte het gerust, zooals slechts een kind

glimlachen kan, en sluimerde dan weer in.

Tegen den morgen begon er evenwel een heel zacht blosje over zijn

wangen te komen.

"Ik geloof, dat we hem behouden," zeide oom Frans, terwijl hij Kaja

troostend toeknikte.

"Ik geloof het ook," fluisterde zij verrukt terug.

Toen bleven zij weer eenige uren zwijgend zitten--hij stond slechts

af en toe eens op om iets op de kachel te doen--en toen zij met haar

hoofd op het bed van het kind in slaap viel, haalde hij een deken en

spreidde die over haar uit.

Langen tijd stond hij haar fijne profiel en haar kleine, roze ooren,

die half door het kroezende haar bedekt waren, gade te slaan, en het

bewustzijn van haar liefde doorstraalde hem met een gevoel van oneindig

geluk. Het was of zij in dezen enkelen nacht, waarin zij hun angst voor

het kind samen gedeeld hadden, een heel leven samen hadden geleefd.

Hij zag, hoe zij na de sterke spanning thans diep ademhaalde en hoe

de lange, zwarte wimpers door met geweld bedwongen tranen tegen haar

zachte wangen trilden.

"Mijn eigen lieveling!" fluisterde hij zacht. "O, mijn eigen

lieveling! Wat zou ik je graag alle verdriet besparen!"

En als had zij zijn stem gehoord, schrikte zij plotseling op en boog

zich over het kind dat rustig sliep.

"Goddank! Ik geloof dat hij gered is," zeide zij met bevende stem. En

plotseling slingerde zij haar armen om zijn hals. "Wat ben je toch

goed, om dit allemaal met mij te deelen!" zeide zij.

Om zeven uur kwam de dokter. Hij constateerde, dat het kind buiten

gevaar was, en raadde Kaja aan wat rust te nemen.

"U kunt tenminste een paar uur daarbinnen op de sofa rusten, totdat

Mijnheer Halling weg gaat," zeide hij, "want hij is vertrouwd

genoeg--aan hem durft u het kind toch wel een paar uur overlaten?"

Zij knikte oom Frans toe, terwijl zij zeide:

"Een paar uur? Het heele leven wel!" doch zóó zacht, dat slechts hij

het hooren kon.

Toen zij den dokter uitgelaten had, ging zij plotseling naar oom

Frans en zeide, terwijl zij bevend haar hand op zijn arm legde:

"Ik wil je eerlijk wat opbiechten. Er zal geen hoekje in mijn ziel

zijn, dat jij niet kent. En je zult nooit beter over mij denken,

dan ik in waarheid ben."

Hij lachte zachtjes.

"Men denkt nooit over degene die men liefheeft," zeide hij, "men weet

gewoon dat zij de liefste op de wereld is. En dat is genoeg."

Doch zij lachte niet. Zij zag hem recht in de oogen--en opnieuw viel

het hem op, hoe wakker haar blik was. Het was of haar oogen zich diep

in zichzelf weerspiegelden.

"Je zult weten," zeide zij, "dat op hetzelfde oogenblik dat de

operatie plaats greep, het mij was of ik een stem hoorde vragen:

"Als één van beiden sterven moet--hij of het kind--wien kies je

dan?" En toen koos ik het kind. Dat is juist het vreeselijke, dat ik

overtuigd ben, dat ieder maal dat mij de keus gelaten wordt, dat ik

dan het kind zou willen houden."

Op eens voelde oom Frans zich wonderlijk arm worden. Het was of zijn

lippen droog werden en hij met moeite zijn woorden kon uitbrengen.

"Waarom heb je me dat gezegd?" zeide hij. "Ik zou het liever niet

geweten hebben."

Toen begonnen langzaam de tranen onder haar neergeslagen oogleden

voor den dag te komen.

"Frans!" zeide zij. "Je moogt mijn liefde niet beoordeelen na dezen

nacht--o! neen je moogt niet!"

Doch hij schudde het hoofd.

"Die is voor jou nooit het allereerste geweest," zeide hij, "daarom

was die nooit volkomen. Nooit kwam jij voor mij in de tweede of

derde plaats, jij was mijn alles en met minder ben ik zelf ook niet

tevreden."

Smeekend legde zij haar handen op zijn borst.

"Toe, zeg dat niet!" bad zij. "Je weet niet wat het zegt moeder te

zijn. Geen man kan begrijpen wat dit zeggen wil. Geef dat mijn hart

ten minste toe!"

"Ik kan niet," zeide hij plotseling bitter. "Ik geef nooit toe tegen

beter weten in, sus mijn geweten nooit in slaap--allerminst waar het

liefde geldt, je weet dat."

Toen liet zij haar handen zinken en wendde zij zich af. Zij voelde,

dat zij zonder het te willen, hem een groot verdriet gedaan had,

en het was alsof zij hem nooit meer gelukkig zou kunnen maken. Alsof

zij zijn trouw met bedrog vergolden had en haar liefde de zijne nooit

in sterkte evenaren zou.

Er was zooveel, dat zij hem zeggen wilde, doch zij kon niet. Toen

hij weg ging, volgde zij hem slechts droevig met haar oogen. En den

heelen dag zat zij bij Helle's bedje, met het knagende gevoel van

iets in hem gedood te hebben, en het bewustzijn, dat hij nooit zoo

onvoorwaardelijk meer in haar zou kunnen gelooven als vroeger.

Om vier uur in den namiddag kwam hij weer.

Hij ging dadelijk naar Helle met een groote doos tinnen soldaten,

die hij op het dek voor hem opzette. De jongen straalde van vreugde

en klapte voortdurend van geluk in zijn handjes. Toen barstte zij in

hevig snikken uit. En op hetzelfde oogenblik stond hij naast haar.

"Mijn eigen lieveling!" fluisterde hij met zijn teederste stem. "Wees

niet boos! Ik was van morgen te hard tegen je!"

Zij sloeg haar armen om zijn hals en drukte zich steeds vaster en

dichter tegen hem aan.

"Neen," zeide zij, "jij hadt gelijk. Nu begrijp ik het. Aan een heele,

onverdeelde liefde heb je behoefte. Jij die zelf zoo'n heel mensch

bent! Hoe zou jij met minder tevreden kunnen zijn! En mijn arme liefde

is gedurende vele maanden maar half geweest,--maar nu beloof ik je:

heel zal die worden!"

"Hut, hut paardje!

Met je vlassen staartje!

Met je koperen voetjes!"

Helle was voor 't eerst op. Oom Frans droeg hem in de zitkamer en

zette hem daar op een bonten kleedje op den grond. De zon scheen op

zijn kleine, dunne handjes en het was feest in huis. Zijn speelgoed had

stil en onaangeroerd in den hoek gestaan, doch toen Helle binnenkwam

begon alles te herleven. De trekpop moest voor den dag komen en

kunsten maken, de zweep moest klappen, de tol moest draaien en de

speeldoos werd opgewonden.

"Helle teruggekomen!" zeide de kleine baas, terwijl hij stralend om

zich heen zag.

"Ja, Helle teruggekomen!" herhaalden de twee gelukkige menschen,

die naast hem stonden en in wier oogen het een geheel koninkrijk was,

dat daar op den grond zat en de zon over zich heen liet stralen.

"We hebben allemaal naar Helle verlangd," zeiden zij. "De bloemen in

het venster lieten hun kopjes hangen en dachten, waarom komt Helle

ons niet toeknikken zooals gewoonlijk? En de kleine, grijze poes

heeft iederen dag gevraagd: waar blijft Helle toch?"

"Poes om Helle gehuild?" zeide de jongen. "Poes hier komen!"

En poes kwam binnen en spon en miauwde en streek liefkoozend tegen

de beenen van oom Frans. En Helle moest zien, hoe moeder rondliep,

om de bloemen water te geven--en luisterde vol aandacht als de groote

klok sloeg. En op het laatst moest moeder hem op haar schoot nemen

en zingen:

"Hut, hut paardje,

met je vlassen staartje,

met je koperen voetjes!"

Zij zong zóó luid, en zij en oom Frans gingen zóó geheel in het kind

op, dat zij niet hoorden dat er gebeld werd, en er niet aan dachten

dat er een vreemde in de nabijheid wezen kon, voordat Peter Dam

plotseling vóór hen in de kamer stond.

Hij voelde onwillekeurig hoe zijn tegenwoordigheid een schaduw wierp

over de drie gelukkige menschen daar binnen, doch hij deed alsof hij

't niet bemerkte en wendde zich dadelijk tot Kaja, zeggende:

"Je hebt er zeker niets op tegen, dat ik eens naar den jongen kom

zien?"

"Neen, volstrekt niet. Is 't niet heerlijk dat hij weer op is?"

Zij sprak op gedwongen vroolijken toon. Peter Dam strekte zijn armen

naar Helle uit--hij had een gevoel, dat hij iets doen moest--doch Helle

verstopte zijn hoofdje in de mouwen van de jas van oom Frans en zeide:

"Vader op Helle passen!"

Toen vergat Peter Dam op éénmaal al de aan zichzelf afgelegde

beloften, om verstandig en voorzichtig te werk te gaan. De aderen op

zijn voorhoofd zwollen op en zijn stem beefde, toen hij zich tot oom

Frans wendde en heftig uitviel:

"Ik verbied u, u een naam toe te eigenen, die u niet toekomt!"

Doch oom Frans verroerde zich niet. Hij keek slechts Peter Dam aan

met een blik, die hem van het hoofd tot de voeten opnam.

"Hoort u, wat ik zeg?" ging Peter Dam even heftig door. "Ik verbied

het kind, dien naam tegenover u te gebruiken."

Toen kwam Kaja tusschenbeiden.

"Het kind begon mij na te praten en oom Frans te zeggen; die naam

is mij zelf te lief geworden, dan dat ik voor mij er nu nog eenige

verandering in zou kunnen brengen, doch ik vond het voor Helle beter,

hem bij den naam te noemen, die hem van ganscher harte toekomt. Daarom

heb ik hem zelf geleerd, vader te zeggen. Ik zelf, versta je?"

Peter Dam werd bleek van woede.

"Jij!" zeide hij, "met welk recht geef jij een naam weg, die slechts

mij toekomt?"

"Met het recht, dat jij vergooid hebt," antwoordde zij kalm. "En ik

ben er trotsch op, dat mijn kind dien man vader noemen mag," voegde

zij er bij.

"Vader lief!" knikte Helle toestemmend en streelde liefkoozend met zijn

kleine, witte handjes den arm van oom Frans. Doch iedere liefkoozing,

die het kind aan hem gaf, was Peter Dam een klap in zijn gezicht,

en daarbij was hij niet van plan den moed zoo gauw op te geven.

"Je vergist je bepaald in de situatie," zeide hij tegen Kaja met een

poging, om uit de hoogte te spreken. "Ik heb je het kind gelaten,

maar ik heb mijzelf niet het recht ontzegd, zijn vader genoemd te

worden. En dat recht zal ik altijd blijven opeischen."

Zij keek op en haar oogen schoten vlammen.

"Dan zou je dat recht duurder moeten kunnen betalen, dan hij gedaan

heeft," zeide zij. "Wat heb jij er voor willen geven? Misschien een

klein deel van je jaarlijksch inkomen maar hij? Hij? Hij heeft er

nacht en dag met zich zelf om gestreden--met oneindige teederheid en

met oneindige liefde--en met jarenlange, zware opofferingen--!"

Zij was opgestaan en drukte het kind vast tegen zich aan. Oom Frans

wendde zijn oogen niet van haar af. Op dat oogenblik dacht hij

volstrekt niet aan Peter Dam, of aan Helle, die hem steeds bij zijn

mouw hield, hij dacht slechts aan haar! Nooit had hij, zooals nu,

de warmte van haar liefde en de kracht van haar trouw gevoeld! En

hij dronk met volle, gulzige teugen uit den geluksbeker. Het was of

hij volstrekt niet gewaar werd, wat er om hem heen gebeurde.

Doch hij ontwaakte, toen Peter Dam vrij onzacht het kind plotseling

naar zich toehaalde en het met hartstochtelijke kussen overlaadde.

De jongen spartelde met alle kracht tegen en sloeg met armen en beenen.

"Helle wil niet! Helle wil niet!" schreeuwde hij.

"Een volgend maal zal ik je wel leeren willen," zeide Peter Dam,

terwijl hij het kind hard op den grond neerzette, zijn hoed greep en

zonder goedendag zeggen, verdween.

Het kwam oom Frans voor, dat Kaja hem wonderlijk ernstig nazag, doch

hij lette er niet verder op, doordat hij druk werk kreeg met Helle

te troosten, die hevig verschrikt op den grond zat te gillen...

Sinds dien dag kwam Peter Dam meer.

Doch Zondags of in den namiddag verscheen hij nooit. Hij kwam slechts

als hij wist, dat oom Frans op school en Kaja dus alleen met het kind

was. Hij lachte hard als de kleine bengel met de handen op zijn rug

beslist verklaarde: "Helle vindt je niets lief." En hij hield niet

op, vóór hij hem door middel van suikergoed en chocolade een zoentje

had afgedwongen.

Tegenover Kaja was hij óf buitengewoon heftig óf vleiend lief. Hij

bracht haar in een toestand van voortdurende onrust. Zijn herhaald

aandringen, dat het kind hem vader noemen zou, maakte haar zenuwgestel

in de war en zij begon met angst den tijd tegemoet te zien, dat het

kind de treurige verhouding tusschen hen zou beginnen te begrijpen.

"Meer dan twee jaar heb je hem volkomen kunnen missen," zeide zij,

"waarom dring je je nu plotseling op? Wat is eigenlijk je doel met

je bezoeken?"

"Wat mijn doel eigenlijk is? Ik wil jullie terug hebben!" zeide

hij uitdagend.

Zij staarde hem aan en zeide:

"Ben je niet wijs?"

Het Verloren Tooverland · 第 13 / 16 题