Oom Frans stond bij de open deur van de huiskamer en neuriede nog:
hut, hut, paar-re-tje! Hij had haar best eens te hulp kunnen komen
in plaats van daar maar glimlachend, met zijn sigaar in zijn handen,
te blijven neuriën.
Helle wilde nog iets zeggen, doch toen sloot zij zijn mond met een
kus en zeide:
"Nu zal ik je eens iets vertellen. Als we in het kleine huisje te
Höjstrup komen, waarvan ik je zoo dikwijls verteld heb, dan hebben
we meer plaats en dan zal Helle's bedje tusschen dat van vader en
moeder in staan, zoodat we goed op hem kunnen passen."
"Gaat moeder dan niet meer weg?" vroeg Helle twijfelend.
"Neen, nooit meer!" antwoordden zij beiden tegelijk, terwijl zij
lachten om de ongeloovige uitdrukking van Helle's gezichtje.
En op die manier gerustgesteld, liet de jongen zich zoet naar bed
brengen en kroop dadelijk onder de dekens.
Zij bleven samen in de huiskamer zitten en lieten de deur naar de
slaapkamer aanstaan. Zij spraken niet veel, en als zij het deden,
was het op gedempten toon. Het was of zij bang waren hun geluk door
woorden te verstoren. Doch af en toe liet zij haar hand door zijn
dikke haar gaan en volgde met haar oogen de beweging van haar vingers.
"Ja, nu zal je ze wel niet meer kunnen tellen," zeide hij en glimlachte
bij de gedachte aan al de grijze haren tusschen de zwarte.
Zij schudde het hoofd. "Ik ben er wat trotsch op," zeide zij. "Ieder
maal dat ik daarginds naar je liep te verlangen en een gevoel had alsof
ik je eigenlijk volstrekt niet waard was, en alsof het gewoon een
onmogelijkheid was dat je werkelijk van mij zoudt houden, en ik dan
in eens aan je grijze haren dacht, dan was 't of die mij toeriepen:
"Vergeet ons niet! Wij zijn er ook nog! En wij zijn er niet voor
niets!" En als ik half waanzinnig van angst was, dat wij één van beiden
zouden kunnen sterven vóór we ons geluk bereikt hadden, dan waren
't ook al weer de grijze haren die me troostten. Je grijze haren,
die me stilzwijgend vertelden van vasthoudendheid en onwrikbare trouw,
die mij weer in ons geluk deden gelooven."
Zij trok zijn hoofd naar haar toe.
"Lieve, zoete grijze haren!" zeide zij. "Jullie zijn mij meer waard
dan al het andere op aarde!"
"Al het andere?" zeide hij plotseling, terwijl hij haar met zijn
eerlijke blikken aankeek. "Ben je er wel zeker van?"
Zij begreep den twijfel die uit zijn woorden sprak, doch antwoordde
zonder zich een oogenblik te bedenken: "Ja, nu ben ik er zeker van!"
Op dat oogenblik scheen zelfs Helle haar zoo heel ver af. Het was
alsof zij nu slechts plaats had voor dat ééne, alsof de groote
liefde van haar leven nu haar zege-intocht door haar ziel--door al
haar gedachten--door al haar gevoelens--door iedere zenuw van haar
innigste, levende wezen hield.
Hij keek naar haar bewogen aangezicht en hij voelde dat hij haar nu
geheel bezat.
"Het is bijna te veel," stamelde hij. "Het geluk is bijna te groot."
Doch zij lachte.
"Hoe heb je ooit kunnen gelooven dat je met minder tevreden zoudt
kunnen zijn?" zeide zij. "In den grond van je hart heb je het nooit
gewild. Ik weet heel goed, dat ik altijd degeen van ons beiden
geweest ben, die het meest ontving. Ik weet dat ik mij niet geheel
gaf, doch nu is dat anders. Je hebt niet voor niets twaalf jaar
voor Rachel gediend. Nu heb je me geheel en onverdeeld--jij alleen,
en niemand anders."
Hij haalde haar handen naar zich toe en overlaadde ze met
liefkoozingen--toen kuste hij haar hartstochtelijk op wangen en oogen.
"Lieveling! mijn eigen lieveling!" was al wat hij fluisterde.
En zij boog het hoofd en legde het op zijn schouder en fluisterde
terug, innig en zacht:
"Ja--van jou--van jou alleen!"
Langen tijd bleven zij zoo bij elkander zitten zonder te spreken,
en bemerkten niet dat de schemering inviel en zich al dichter en
dichter om hen heen wierp. Doch toen werden zij tot de werkelijkheid
teruggeroepen door Helle's stem, die volkomen wakker, uit de slaapkamer
tot hen doordrong.
"Hallo!" hoorde zij hem roepen: "Hallo! ik ben het, Helle!"
"Wat doet hij toch?" zei Kaja, terwijl zij opsprong.
Doch oom Frans lachte en zeide:
"Hij telefoneert zeker in zijn slaap; je moet weten, dat hij verleden
week met mij in de stad was en mij hoorde telefoneeren. En sinds dat
oogenblik heeft hij niet anders gedaan. Hij maakt een touwtje aan
een spijker in den muur vast en dan begint hij! Laten we maar eens
kijken--neen, de bengel is klaar wakker!"
Zij waren samen naar de deur geslopen en keken zachtjes door de
kier. Zij zagen Helle in zijn nachthemd rechtop in zijn bed staan,
met een touwtje dicht aan zijn ééne kleine, warme oor.
"Hallo!" klonk het opnieuw. "Is God thuis? Ja? Goed! Wel bedankt,
maar--maar vraag hem of hij niet iemand naar mij toe wil sturen,
want ik verveel me zoo vreeselijk!"
Kaja en oom Frans proestten het bijna uit van het lachen maar hielden
zich in en luisterden of er nog meer kwam.
En jawel, een oogenblik later klonk het:
"Hallo!" en toen een weinig verlegen: "Is het Onze Lieve Heer
zelf? Neen? Wees zoo goed hem dan te vragen om een beetje licht,
't is hier zoo griezelig donker!"
Toen konden ze het niet langer uithouden. Zachtjes duwden zij de deur
open en gingen naar binnen. Oom Frans streek een lucifer af en stak
een nachtlichtje aan, dat op een tafeltje bij het bed stond.
Doch Helle liet zich niet uit het veld slaan. "Hallo!" telefoneerde
hij weer met nieuwen moed in zijn stem: "Zeg God dat het goed is,
dat er licht kwam! Wel bedankt. Goeiendag!"
Toen belde hij af, glimlachte gelukkig tegen hen beiden en kroop weer
onder het dek. Een paar minuten later sliep hij gerust, met half
open mond en zijn kleine handjes samengeknepen op zijn borst. Kaja
en oom Frans stonden bij zijn bedje en zooals zoo dikwijls te voren,
sprak er ook nu vreugde over het bezit van het kind uit de blikken,
die zij elkaar toezonden. "Wat zijn we gelukkig, dat we Helle
hebben!" zeiden ze.
Zij, die van de vroege Lente
tot de najaarsbladeren vallen,
te zamen gaan door het leven,
die zullen 't ervaren, vrouw en man,
dat liefde niet veranderen kan!
Die voelen in eigen harteslag,
dat liefde wordt jonger elken dag!
Hergroent het Woud niet ieder jaar?
Het kwam Kaja voor alsof nog nooit een winter zoo lang geduurd had als
deze. De dagen schenen haar weken en de weken maanden. Het was alsof
de sneeuw nooit op de daken smelten zou, hoewel de zon er iederen
dag op scheen.
Zou het dan nooit voorjaar worden? En zou de vierde April dan nooit
aanbreken? Zij hadden niet met elkaar over den trouwdag gesproken,
doch zij wisten beiden dat het den vierden April zou zijn, want dan
was de bij de wet vastgestelde tijd verstreken, en dan zouden alle
papieren in orde zijn.
Eindelijk begon de sneeuw dan los te raken en in kleine lawinen van
de daken te vallen--tot grooten schrik van degenen op wie zij juist
neerkwamen. En een zekeren dag kwam oom Frans thuis met de eerste
krokussen. Hij had één van zijn geheimzinnige uitstapjes naar Höjstrup
gemaakt en de bloemen daar in den tuin gevonden.
Heel stil en aandachtig had hij ze bekeken en haar jonge heerlijkheid
begroet, terwijl de leeuwerik in de lucht zijn teederste tonen
weerklinken deed. Natuurlijk had hij zooveel bloemen geplukt als hij
maar dragen kon--en daar stond hij nu aan de deur met een gezicht
even stralend als de bloemen zelf.
"Heb je ooit zoo'n voorjaar gezien?" zeide hij, terwijl hij
haar de bloemen vóórhield. "Er is geen spoor van sneeuw meer te
ontdekken--en overal ontluikt het groen. Kan men zich heerlijker
kleuren voorstellen? Kijk eens naar die gele en die witte hier en de
blauwe met dien lichtpaarsen weerschijn! Zie eens hoe krachtig ze zijn,
hoe recht en slank! Maar--kind, je kijkt er in het geheel niet naar!"
Kaja antwoordde niet. Zij had haar handen om zijn hals geslagen en
trok zijn hoofd dicht naar zich toe.
"Ik kijk naar het voorjaar in jouw oogen--" zeide zij.----
Oom Frans had het den geheelen winter vreeselijk druk gehad. In
November was het begonnen. Zijn kamers geleken veel op een
uitdragerswinkel, zoo opgehoopt waren zij met oude en nieuwe
zaken. Fijne antieke meubelen--erfstukken uit den boedel van zijn
grootouders en oude snuisterijen uit zijn eigen jonggezellen-leven,
alles was bestoven en oud en veelal in stukken geweest, doch nu
had oom Frans alles zelf gelijmd en bijgewerkt en opgepoetst. Geen
wonder dat Kaja altijd als zij zeide dat zij hem bezoeken wilde, ten
antwoord kreeg: "Nog niet, het ziet er nog zoo ongezellig uit." De
studeerkamer was in een timmermanswerkplaats herschapen. Hij had
spoedig ingezien dat de eenige manier waarop hij zich de antiquiteiten
verschaffen kon, waarmee hij "zijn nestje bouwen wilde" was, ze in
vrijwel gebrekkigen toestand te koopen en dan zelf te zorgen dat ze
gerepareerd werden. Doch de prijs, dien Kopenhaagsche schrijnwerkers
hiervoor verlangden, was zóó overweldigend, dat hij het koude zweet op
het voorhoofd van oom Frans te voorschijn riep. Hij liep een paar uur
voortdurend zijn kamer op en neer--toen had hij zijn besluit genomen.
Den volgenden dag ging hij naar een kleinen meubelmaker in de
buitenwijken van de stad.
"Wil je mij les geven?" vroeg hij.
Hoonend keek de meubelmaker naar zijn witte handen en zeide:
"Waartoe zou dat dienen?"
"Ik zal betalen wat je me vraagt," antwoordde oom Frans kortaf--en
zoo begonnen de leeruren.
Iederen namiddag van vier tot zes uur stond hij zonder ophouden te
schaven en te zagen, te wrijven en te polijsten tot hij er pijn
van in zijn rug kreeg. Doch hij gaf den moed niet op. Na verloop
van twee maanden had hij zooveel geleerd, dat hij op eigen hand
verder durfde gaan. Toen verhuisde hij met al zijn gereedschap van de
timmermanswerkplaats naar zijn eigen kamers, waar het spoedig overal
naar lak en vernis rook en de geheele grond met krullen en splinters
lag, tot groote wanhoop van zijn oude hospita, die de kamers in orde
houden moest.
"Het is de afschuwelijkste oude rommel, dien ik nog ooit gezien
heb!" zeide zij, terwijl zij haar handen in haar zij zette. "En als
een mensch nu nog maar begrijpen kon waarvoor dat dienen moest! Maar
't is God geklaagd zooveel geld aan dat goedje uit te geven. Wat denkt
Meneer wel dat er van die oude, zwarte leeuwerikenkooi daar terecht kan
komen?" En verachtelijk wees zij naar een antiek hangkastje, waarvan de
uitgesneden kanten zoo vermolmd waren, dat zij bijna uit elkaar vielen.
"Wacht eens acht dagen!" zeide oom Frans met een trotschen blik op
het verachte voorwerp. Doch als hij gemeend had de bewondering van het
mensch op te wekken, dan had hij zich ditmaal toch vergist, want toen
hij haar een week later het kunstwerk geheel gereed voorzette, zeide
zij slechts met al overtreffende superioriteit: "Het was waarachtig
wel de moeite waard om daar zooveel tijd aan te verdoen--er waren hier
toch al meer dan genoeg meubelen. Kom, Meneer zit overdag al genoeg
stil, Meneer zou beter doen 's avonds eens wat uit te gaan dan hier
zoo te zitten knoeien tot laat in den nacht toe. En als ik nu nog
maar begrijpen kon waarvoor en waarom Meneer dat eigenlijk doet?"
En toen glimlachte oom Frans zoo vreeselijk geheimzinnig, dat zijn
hospita haast van nieuwsgierigheid uit haar vel sprong.
"Zal ik u dat eens vertellen?" zeide hij toen, terwijl hij met
van vreugde stralende oogen zijn hoofd schudde. "Zal ik 't u eens
vertellen?----Ik dien voor Rachel."
Toen had zij dol graag geweten wie Rachel zijn zou--maar er was iets
in de manier, waarop hij het zeide, dat haar plotseling het zwijgen
oplegde--iets feestelijks en tegelijk iets heiligs. Zij had een gevoel
alsof zij in een kerk stond en ging plotseling, zonder een woord meer
te zeggen, weg. Toen Kaja hem een paar dagen later een hand gaf,
zeide zij plotseling: "Wat zijn je handen den laatsten tijd toch
verbazend hard geworden!"
"Vindt je?" antwoordde hij, terwijl hij met verlegen blikken naar
zijn handen staarde. "Maar 't is niet onmogelijk, ik ga van den winter
ook op de slöjdschool."
"Warempel? Maar waarom?"
"Och, zoo maar--voor mijn plezier!"
Zij vroeg niet meer, en hij zette kalm zijn arbeid voort. Doch hoe
langer de dagen werden, des te meer was er dat hij absoluut klaar
moest hebben, en zoo gebeurde er--wat nog nooit gebeurd was--hij
veronachtzaamde Kaja en Helle--hij had geen tijd meer voor hen
over. Als hij kwam, was het slechts om met een onrustigen blik op
de klok te zeggen: "Ja, 't is wel vervelend, maar er wacht mij thuis
zóóveel werk, dat ik heusch niet durf blijven."
Toen hij het voor het eerst zeide, was zij slechts verbaasd, doch
toen hij het een tweede en derde maal herhaalde, werd zij jaloersch
en toen hij het de vierde maal zeide, barstte zij bijna in tranen uit,
doch hield zich in, tot hij weg was.
"Waarom gaat vader weg?" zeide Helle. "En waarom huilt moeder?"
Zij antwoordde niet--doch toen oom Frans de volgende maal met zijn
geheimzinnigste gezicht aan de deur verscheen, kroop Helle tusschen
zijn beenen door en zeide met zijn wijsneuzige gezichtje in de lucht
op een toon van gewicht: "Moeder huilt iederen dag heusche tranen."
Eén, twee, drie--daar had oom Frans hem op zijn arm.
"Wanneer doet moeder dat?"
"Als vader weggaat."
Toen werd Helle weer op den grond gezet en ging oom Frans met een
berouwvol gelaat de kamer in.
Kaja zat bij het raam te naaien. Hij ging regelrecht naar haar toe
en nam haar hand.
"Je mag niet boos op mij zijn," zeide hij. "Je kunt toch wel begrijpen
dat het voor jou is dat ik werk. Ik wou je verrassen----"
"Och, ja," zeide zij, terwijl zij trachtte haar tranen die onder de
lange oogharen dreigden neer te vallen, te verbergen, "maar ik vind
het zonde iets van onze dagen af te nemen--en ik--verlang zoo naar je,"
viel zij plotseling uit.
En hij zag er op eens zoo wonderlijk berouwvol en tevens zoo vreeselijk
onvoldaan uit, dat zij er hard om lachen moest en haar lachen deed
Helle meelachen, hoewel hij volstrekt niet begreep waarom.
En eindelijk lachte oom Frans ook mee.
Het was of plotseling de geheele kamer door zonlicht bestraald
werd--van de oude Venetiaansche kaarsenkroon aan het plafond, die
hij haar gegeven had, en waar het licht altijd in duizend kleuren
door de kleine prisma's gebroken werd, af, tot in de verste hoeken
van de kamer, waar anders nooit zon kwam, toe.
En dien namiddag bleef hij zooals vroeger bij haar, en 's avonds zong
zij zijn lievelingsliedje, terwijl hij achter haar stond en zachtjes
mee floot:
"Lieve, roode roosmarijn
Allerzoetste liefje mijn!"
. . . . . . . .
En er klonk zoo'n feestvreugde in haar stem, dat hij haar hoofd naar
achteren haalde, terwijl zij zong, om haar diep in de warm-stralende
oogen te kunnen zien.
Nu was het April, de avond vóór het huwelijk. Die wonderlijke
avond, zoo rijk aan zachte stemmingen, zoo doortrokken van lichten
weemoed--waar men later altijd aan terugdenkt als aan iets schuchter
bevends, dat eindigde in een grooten, schitterenden lichttoon.
De zon had den geheelen dag verwarmend in de kamer geschenen--nu was
zij achter de groote boomen van het park in de verte aan het ondergaan,
en een stralenveld van geel, rood en oranje spreidde zich voor Kaja's
oogen uit.
Helle lag rustig in zijn bedje te slapen.
Oom Frans kwam thans Kaja halen om de "verrassing" te komen zien en
nu liepen zij gearmd de trap naar hun toekomstige woning op.
Toen hij vóór de deur stil hield om den sleutel uit zijn zak te
krijgen, keken zij elkaar plotseling aan en dachten beiden aan dien
avond toen zij het huis voor hem gesloten had, dat in waarheid het
zijne was. En daarmee kwamen allerlei herinneringen uit vroeger dagen
hun voor den geest. Toen sloeg hij zijn arm om haar schouders en zeide:
"Wij zullen al wat achter ons ligt, vergeten en alleen maar denken
aan hetgeen ons wacht!"
"Hij draaide den sleutel in het slot om. En toen zij nog draalde en
niet binnen durfde gaan, zeide hij: "Kom, stap over den drempel van
je eigen heiligdom! Liefste! Liefste!"
En met gloeiende wangen ging zij binnen.
Voordat hij van huis ging, had hij overal het licht aangestoken. In
de gezellige, kleine vestibule brandde een geel lantaarntje en in de
zitkamer brandden er kaarsen in oude koperen kandelaars.
Kaja kon een kreet van bewondering niet onderdrukken toen zij "de
verrassing" zag. Haar stralende oogen gleden van het eene oude,
uitgesneden meubel, naar het andere.
"Nou, heb ik mijn tijd goed besteed?" zeide hij. "Zie je wel dat ik
zoo'n slechte schrijnwerker nog niet ben?"
"Slechte? Je bent een volmaakte meester in de kunst!" riep zij
stralend uit, terwijl zij hem glimlachend in de oogen zag. "Ik wist
wel, dat je veel kon, maar zóó iets had ik toch niet verwacht, hoor!"
"Nou, zoo zie je al weer...."
"En de heele kamer is op en top jou!--Trouwens, mij zelf vind ik er
ook in terug."--
"Dat zou ik meenen! Je bent geen minuut uit mijn gedachten geweest,
terwijl ik die in orde maakte."
"En de eetkamer dan! O, die oude rekken voor porcelein langs de muren
en die aardige, kogelvormige snelkoker op de tafel!"
Zij keerde zich om en zeide met plotselingen angst in haar stem:
"Zijn wij het heusch die hier in dit zalige huisje samen wonen
zullen? Zijn wij niet al te gelukkig, Frans? Geloof je heusch dat het
duren kan?" En hij voelde haar schouders onder zijn handen trillen,
terwijl hij antwoordde:
"Nu mag je alleen maar gelukkig zijn, hoor, gelukkig en tevreden."
Een glimlach vloog als een vluchtige zonnestraal over haar aangezicht,
toen zij zeide: "Arm moedertje, zij kreeg den prins nooit. En nu sta ik
hier met mijn Prins, midden in mijn koninkrijk! Het is bijna te goed
voor mij. Ik verdien het niet. Herinner je je dat ik jou opofferen
wilde toen Helle ziek was?" Een pijnlijke uitdrukking gleed over
zijn gelaat.
"Waarom kom je daar nu weer op terug?" zeide hij. "Je hebt mij beloofd
er nooit meer over te denken."
"Niet boos zijn," smeekte zij. "Het is alleen maar omdat ik niet in
mijn geluk gelooven kan. Het is te groot voor mij. Het is alsof er
een heel leven voor noodig is om het te kunnen omvatten."
"Zoo moet het ook juist zijn. Je bent jong en je hebt een heel leven
vóór je," zeide hij schertsend, terwijl hij wijn in de glazen, die
op tafel stonden, schonk. "Mag ik mijn vrouw met dit glas welkom
wenschen?"
En toen klonken zij samen en kusten elkaar over de glazen heen en
klonken nog eens en gingen toen gearmd de heele woning door. Zij
bevoelden en probeerden alles. Zij gingen samen op de sofa zitten
"om te voelen hoe zacht die was" en zij gingen over elkaar aan de
tafel in de eetkamer zitten "om te weten wat voor een gevoel het
was om je beenen onder je eigen tafel uit te strekken." Zij deden
alsof zij bij elkaar op visite waren en staken alle mogelijke lichten
aan. Hun gedachten vlogen elkaar tegemoet, hun harten lachten en hun
oogen straalden.
Doch op het laatst zaten zij zwijgend hand aan hand op het kleine
bankje voor de kachel en toen overviel hun de wonderlijke weemoed,
de stille hoop, de krachtige, groote, glansrijke plechtigheid, die
die avond met zich voerde.
"Wilt ge in het werkelijk leven,
het levende Leven uw deel,
zoo wil dan en neem dan de zorgen
zoowel als de vreugde--geheel!"
De vierde April was daar. De voorjaarszon gleed met overvloed van
licht het venster binnen, verguldde Helle's hobbelpaard en deed
al diens tekortkomingen sterk uitkomen, sloop in de hoeken waar de
tinnen soldaten op wacht stonden, en straalde in lichtende strepen
over het vloerkleed.
Kaja's reiscostuum--dat tegelijkertijd haar bruidskleed was--was
gekomen en gelijk daarmee een groot bouquet van viooltjes en fijn
Venushaar. Zij behoefde niet te vragen, van wien dat kwam.
Zij had het met zij gevoerde, donkerblauwe costuum, dat haar slanke
vormen zoo fijn omsloot, aangetrokken, en hechtte nu de bloemen op
haar borst. Helle liep heen en weer met een gezicht dat van vreugde
straalde. "Vandaag houden wij bruiloft!" juichte hij. "Vader, moeder
en Helle houden bruiloft!"
Hij was zoo gewend zichzelf altijd overal bij te rekenen, dat het
absoluut van zelf sprak dat ook deze gebeurtenis zonder hem niet
plaats kon grijpen.----
Oom Frans kwam hen in een gesloten landauer halen. Zelfs de
voorjaarszon was mat, vergeleken bij het licht dat uit zijn oogen
straalde. Nooit waren de lijnen om den fijnen mond zoo zacht en vol
uitdrukking geweest als dien morgen, nooit was zijn voorhoofd zóó
helder geweest als toen.
Oom Frans moest eerst in de zitkamer Helle's glimmende laarzen en de
ankerknoopen op zijn blouse bewonderen, doch eindelijk liet de jongen
hem los en kon hij naar Kaja gaan.
Daar stond zij, fijn en slank, de viooltjes op haar borst te
hechten. Hij ging recht op haar af en schoof haar een gouden ring aan
den vinger--en zij glimlachte en gaf er hem een weer. Doch eerst hield
zij beide ringen tegen het licht om te zien, wat er in geschreven
stond, en in beide las zij: "Twaalf jaar voor Rachel." Hun oogen
glinsterden elkaar tegemoet--het was niet de eerste maal dat zij
dezelfde gedachte gehad hadden!
Helle was eerst zeer beleedigd dat hij geen ring kreeg. Doch toen
oom Frans hem in zijn armen het rijtuig indroeg, steeg zijn humeur
weer aanmerkelijk. En toen zij alle drie ingestapt waren, zong hij
luidkeels van louter vreugde.
Zij reden langs groene weiden en naakte bosschen. Overal schoot
het zaad op en de knoppen der boomen stonden op openbarsten. De
kruisbessenstruiken in de tuinen waren reeds geheel lichtgroen,
terwijl de anemonen in het bosch tusschen het verdorde gebladerte
hun zijden kleed aan 't weven waren. Overal glinsterden krokussen en
hyacinthen, leeuweriken zongen en spreeuwen floten--het geheele warme,
heerlijke voorjaar heette hen welkom.
"Kijk!" zeide oom Frans. "Het is alsof de heele natuur een eerestoet
voor je heeft opgesteld! Ik heb nog nooit zoo'n voorjaar gezien! Je
kunt tevreden zijn over je huwelijksreis, hoe kort die ook is."
Kaja genoot met diepe teugen van de frissche voorjaarslucht, die door
het open raampje naar binnen stroomde.
"Ja, wat een zaligheid, hier vijf dagen lang te zullen blijven,"
zeide zij. "Het is dan ook maar toevallig dat het vandaag juist de
Zaterdag vóór Paschen is, hoe zou je anders vrij gekregen hebben?"
Hij glimlachte.
"Je moet niet vergeten dat dit een jubilaeum is, waar alles voor
geschikt wordt," zeide hij.
"Ja, een jubilaeum," herhaalde zij langzaam terwijl zij hem in de
blijde oogen keek, "dat is het woord. Wij zullen nooit meer iets
dergelijks beleven!"
"Staat de trein niet gauw stil?" vroeg Helle. Hij stond met zijn
neus tegen het raampje platgedrukt, alles met aandacht daarbuiten
gade te slaan.
Op hetzelfde oogenblik stak de conducteur zijn hoofd door het raam
en riep met een sterken neusklank:
"Stopt niet vóór Rödvig!"
Geen van beiden begreep waar de drie uren gebleven waren, toen zij
tien minuten later aan het station stil hielden.
Daar wachtte hun een gesloten rijtuig, dat hen naar de kerk brengen
zou. "Om half één worden wij verwacht," zeide oom Frans, "en tegen
twee uur heb ik het eten besteld."
In flinken draf reden zij den landweg op, terwijl de zon voortdurend
voor hen uit danste, de leeuweriken boven hun hoofden zongen, alsof
zij een heel orgel in hun fijne, kleine kelen hadden, en de musschen
langs den weg tjilpten.
De spreeuw schudde zijn staalgrauwe vleugels op de daken van de
kleine boerenwoningen en de ooievaar wandelde statig op en neer in
de ploegvoren van den akker, terwijl zijn wijze hoofd voortdurend op
zijn langen hals in beweging was.
Toen hielden zij stil vóór de kleine, witgeverfde kerk, die in de zon
schitterde. Zij gingen met Helle tusschen hen in, de kerk binnen. Onder
het eerste gezang zat hij hen met open mond en gevouwen handen aan te
staren, en toen zij samen vóór het altaar traden, stond hij achter hen
en deed alles wat zij deden met zoo'n ijver na, dat hij tweemaal "amen"
zeide. Daarna mocht hij weer tusschen hen in zitten en met zijn kleine,
warme handjes vast in de hunne geklemd, verliet hij trotsch de kerk.
Toen reden zij samen naar het huisje te Höjstrup, waaraan oom Frans
het laatste half jaar zijn beste krachten besteed had, om het met
weinig middelen zoo goed mogelijk in orde te krijgen.
Hij wist hoeveel Kaja van bloemen hield. Het wemelde van krokussen
en hyacinthen in de vensters, en in den eenen hoek van de kamer stond
een kolossale waaierpalm.
In de slaapkamer hingen blauwe draperieën om de bedden en aan het
voeteneind stond een klein, geheel nieuw, ijzeren ledikantje voor
Helle.
Voor de vensters hingen schoone katoenen gordijnen en voor de deur
was fijn wit zand gestrooid, terwijl de visscher, aan wien het huisje
hoorde, een krans boven de deur gebonden had, waarop in het midden
met groote letters "welkom" te lezen stond.
Het was meer vriendelijk dan wel mooi, doch Kaja en oom Frans waren
zóó in verrukking over al het heerlijke dat zij zagen en genoten,
dat zij den visscher zoo hartelijk de hand drukten, dat het lang er
na nog pijn deed.
Toen traden zij samen het kleine huisje binnen, dat het eerst
getuige zou wezen van hun onuitsprekelijk geluk. Zij gingen aan de
feestelijk gedekte tafel zitten om te eten, doch zij waren in zulk
een eigenaardige, plechtige stemming, dat de ware eetlust er niet
was. Helle alleen deed den maaltijd alle eer aan--hij at, zooals zij
hem nog nooit hadden zien eten.
Toen het gebraden vleesch opgebracht werd, stond oom Frans op en
tikte aan zijn glas.
Het was voor het eerst van zijn leven, dat hij een toast moest drinken,
doch ditmaal kon hij er niet af.
"Jacob diende twaalf jaar voor Rachel," zeide hij. "Ik heb maar drie
jaar voor jou gediend, maar die jaren zijn even lang geweest als
twaalf andere.
Een vermogen kan ik je niet aanbieden--geen gouden horens, niets dan
mijn jarenlange, trouwe liefde kan ik voor je voeten leggen en die
zal de jouwe zijn tot aan den dood--neen, ook dan nog, lang, lang,
daarna...."
Maar jij! Jij bent zoo rijk als het voorjaar zelf! Je hebt zooveel
te geven van je jongen, heerlijken overvloed, je wilt je heele eigen
geven, je wilt de mijne zijn! Mijne! en Helle heb je....
Toen Helle zijn naam hoorde, stond hij oogenblikkelijk op en probeerde
met het weinigje wijn, dat hij in zijn glas had te klinken, doch
bracht het niet verder dan dat hij 't op 't tafelkleed morste,
vóórdat hij met iemand aangestooten had; maar dat schrikte hem niet af:
"Helle hoort ook bij de bruiloft!" juichte hij opgewonden.
"Of hij, hoor! Kom Helle, laten we klinken!"
En vroolijk klonken zij met hem.
"Daar gaat de kleine schattebol," zeide oom Frans en dronk een teug
uit zijn glas.
"En daar het kleinste prinsje uit het tooverland," en hij nam een
tweede teug.
"En daar de allerliefste, kleine morsebel, de schattigste bruine
krullebol!" zeide Kaja en zij klonken weer.
"En daar de kleine amor aan den ingang van het paradijs!" zeide
oom Frans.
En tegelijkertijd keek hij Kaja met zulke blikken aan, dat zelfs
Helle er een beetje jaloersch van begon te worden. Kaja had haar glas
opgenomen en hield haar oogen onafgewend op oom Frans. Toen zeide zij:
"Wij vrouwen gelooven af en toe dat wij iets te geven hebben, doch
wel beschouwd krijgen wij zelf alles eerst van dengeen, dien wij
liefhebben."--
Toen Helle in slaap was--de zon onder en de dorpskerkklokken in de
verte begonnen te luiden, gingen zij samen het kreupelbosch in.
Het was of zij bang waren alles wat leefde aan te raken, zóó zacht
en licht betraden hun voeten het bosch. Tusschen groene meibloempjes
vertoonden zich blauwe en witte anemonen aan hun voeten. Hij plukte
er een paar en stak ze op haar borst--op haar warme, golvende
borst, die de groene, koude steeltjes zoo moederlijk beschutte:
"Een huwelijkscadeau van het voorjaar!" zeide hij schertsend.
De ondergaande zon wierp haar laatste rood-oranjeachtige stralen
over de blanke oppervlakte der zee, de lucht was doordrongen
van ontspruitend groen en vruchtbare aarde--de spreeuwen floten
goedennacht, en uit het diepe kreupelbosch antwoordden de meerlen
met lange, teedere fluittonen.
"Toe, zing nu ook wat," zeide hij, "jouw stem is de eenige die aan
het heele voorjaarskoor ontbreekt!"
En toen zong zij juichend, bijna uitgelaten, het versje dat zoo droef
begint, zoo ernstig:
"Wilt ge, in het werkelijk Leven,
het levende Leven uw deel,
zoo wil dan en neem dan de zorgen
zoowel als de vreugde geheel!"
doch dat eindigt in een vroolijken jubelzang.
"Het is wonderlijk," zeide zij, toen zij eindelijk voor de deur
stonden om binnen te gaan, "maar ik heb een gevoel alsof ik nog nooit
te voren jong getrouwd geweest ben, en eigenlijk ben ik dat ook niet,
want een vrouw is toch nooit getrouwd, voordat zij tegenover den man
staat, dien zij liefheeft."
Hij antwoordde niet, maar hij nam haar in zijn armen, zoo gemakkelijk
alsof zij een klein schoolmeisje was, terwijl zijn oogen de hare
zochten.
"Kijk!" zeiden zijn oogen. "Kijk, dit is mijn koninkrijk!" En hij
floot--zacht als de spreeuw die zijn wijfje lokt, roepend als de
meerle, die zijn nest gereed maakt.----
En zóó droeg hij haar voorzichtig de kamer in---- Jacob, die twaalf
jaar voor Rachel gediend had!
Toen oom Frans den volgenden morgen wakker werd en Kaja in een blauwen
kapmantel aan het venster haar lang, rood-gulden haar zag kammen,
haar "Maria Stuart-haar," zooals hij het schertsend noemde, en zij
zich met haar warme, roode wangen en schalkachtig stralende oogen naar
hem toewendde--kon hij bijna niet gelooven dat het werkelijkheid was.
Hij richtte zich op éénen elleboog op en hijgde naar adem, terwijl
hij haar voortdurend met zijn oogen volgde.
"Wat zullen we een heerlijken dag hebben!" zeide zij.
"Ja dat denk ik ook," antwoordde hij en zweeg toen weer.
"Kom, zeg eens wat!" zeide zij glimlachend, terwijl zij haar dikke
haar om haar vingers wond.
"Ik kan niet." "Waarom niet?" "Van geluk!" "O! jou!" zeide zij en
vloog naar hem toe. Zij ging op haar knieën voor zijn bed liggen en
sloeg haar armen om zijn hals, terwijl hij haar hartstochtelijk tegen
zich aan drukte. Toen hij haar losliet, legde hij haar hoofd naast het
zijne op het kussen en terwijl haar haar bij de slapen met het zijne
inéénvloeide, keken zij elkaar zóó diep in de oogen, alsof zij elkaars
innigste wezen in zich wilden opnemen en hun lippen vereenigden zich
tot een langen, brandenden kus. Als een vreemde hen op dat oogenblik
gezien had, zou hij zich zeker over de sterke gelijkenis tusschen
deze twee aangezichten verbaasd hebben. Een gelijkenis zooals men
die aantreft bij getrouwde lieden, die een lang, gelukkig leven samen
geleefd hebben en nu hetzelfde denken, hetzelfde glimlachen.
"Ik weet zelf niet hoe ik 't moet uitleggen," zeide oom Frans zacht,
"maar het was alsof het geluk mij den adem benam. Het doet iedere
zenuw van vreugde trillen en iederen droppel bloed in mijn lichaam
zingen--maar het is bijna alsof het mijn hartebloed opzuigt!"
Plotseling begonnen haar oogen te schitteren--zij wilde iets zeggen,
doch werd door Helle daarin verhinderd, die juist in zijn ijzeren
traliebedje wakker werd. Hij vond het een heerlijk grapje dat Oom
Frans hier ook in bed lag.
"Helle bij je komen!" zeide hij, terwijl hij naar het groote bed
overstapte. Doch Kaja greep hem in zijn rug vast en danste met hem
de kamer rond, totdat zij hem, buiten adem, aan het voeteneind van
het bed neerzette. Toen klauterde hij over oom Frans heen, trapte op
zijn beenen, zijn buik en zijn borst alsof het niets was, en ging
toen triomfantelijk boven zijn hoofd op het kussen zitten en trok
hem aan zijn haren.
"Wil je wel eens loslaten, jou wildebras!"
"Helle, Helle, kijk eens naar de spreeuwen!"
Kaja had de gordijnen op zij getrokken en wees naar twee zwarte
spreeuwen, die in den hollen stam van een ouden appelboom uit volle
borst zaten te zingen.
"Haast je, dat je aangekleed komt en naar buiten kunt gaan!"
Dadelijk was Helle het bed uit en stond op een stoel bij het raam. Hij
drukte zijn neus plat tegen de ruiten om beter te kunnen zien--en
lachend en pretmakend kleedde zij hem aan, terwijl de duiven buiten
kirden en de spreeuwen hem met hun heldere, zwarte oogen zaten aan
te kijken.
Een half uur later kwamen zij alle drie het huis uit, drie
gelukkig-stralende menschen, die de zon bijna wangunstig bescheen!
Een vochtig-zachte lucht sloeg hun tegemoet. Het had juist geregend
en het was alsof zij konden zien, dat het gras 's nachts groener
was geworden.
Drie visschers kwamen met hun manden op den rug van het
strand. Onwillekeurig bleven zij stil staan en hielden de handen
boven hun oogen, zooals men doet voor een sterk zonnelicht.
"Veel geluk," zeiden zij, terwijl zij hun geharde knuisten uitstaken
om hen flink de hand te schudden.
Een van hen tilde Helle in de hoogte en zeide:
"Kijk dat ventje eens gegroeid zijn!"
"Ja, en Mevrouw is zoo mooi en jong alsof zij juist haar belijdenis
gedaan heeft," zeide een ander vol bewondering, terwijl zijn pruim
tabak van den eenen mondhoek naar den anderen verhuisde.
"Ja, ja," zeide de derde, terwijl hij naar oom Frans keek, "hij mag
waarachtig wel blij zijn! Het is geen wonder dat hij van vreugde
buiten adem is!"
Dit laatste zeide hij, omdat hij zag hoe kortademig oom Frans was.
"Nou, veel geluk hoor!" zeiden zij nog eens tot afscheid.
Doch een eind verder keerde één van de drie zich nog eens om en zeide
langzaam, terwijl hij zijn oogen richtte op het huisje, dat geheel
door de zon beschenen werd:
"Dat was een echt gelukkig gezicht" En hij kon zijn blikken niet van
de drie gestalten daar bij de deur afwenden.
"Ja, die man heeft waarachtig wel reden om gelukkig te zijn," zeide
een ander knikkend.
En zij spuwden hun pruimen uit hun mond en liepen door. Zonder dat
zij het zelf wisten, slaakten zij alle drie een lichten zucht.
Oom Frans sloeg zijn arm om Kaja heen en keek haar diep in haar van
geluk stralende oogen. Toen zeide hij:
"In deze laatste vierentwintig uur heb ik zooveel geluk opgedaan,
dat ik nooit van mijn leven meer arm zal kunnen worden."
"Vader!" riep Helle uit, die gehoord had hoe blij zijn stem klonk:
"Is men altijd vroolijk als men trouwt?"
Oom Frans lachte hartelijk en zeide, terwijl hij Kaja mee naar binnen
trok: "Ja, natuurlijk, kereltje."
"Dan wil Helle ook trouwen," verklaarde het ventje met onweerstaanbare
waardigheid, terwijl hij met zijn handen in zijn zakken achter hen
aanstapte.
De visschersvrouw had overal in de kamer gele narcissen neergezet. Op
de vensterbanken, op de tafels, kransgewijze op het witte tafellaken
en zelfs om de oleografieën aan den muur.
"De lucht is bijna te sterk," zeide Kaja, terwijl zij met haar mouw
er een paar weg streek. "Ik heb nog nooit zooveel narcissen bij
elkaar gezien."
"Ik houd er veel van," zeide oom Frans, terwijl hij er een paar
opnam. "Zij doen mij denken aan een eigenaardig klein kerkhof, dat
ik als jongen eens gezien heb. Heel in het Noorden van Jutland, waar
ik toen mijn vacantie doorbracht. Het was een arm en kaal kerkhof,
doch de inwoners van het plaatsje hadden er iets op bedacht en gele
narcissen op alle graven geplant. Het wemelde er van. Ieder jaar
met Paschen schitterden al de graven van de gele bloemen en steeg
er uit duizenden bloemkelken een wolk van zoete lucht naar boven. Al
die bloemen zongen van opstanding! Ik verzeker je, dat ik nooit een
schooner opstandingsgezang gehoord heb."
"Ja, maar wat hoor jij al niet!" zeide Kaja met een verstrooiden
glimlach. Zij wist niet waarom, doch zij voelde zich plotseling
onaangenaam aangedaan. Onwillekeurig nam zij hem de bloemen uit de
handen. En daarna stond zij op en legde al de bloemen die op het
tafellaken uitgespreid lagen, op de vensterbank. "Waarom doe je
dat?" zeide hij verbaasd.
"Ach, ik weet het zelf niet," antwoordde zij, "ik deed het in
gedachten."
Toen zij ontbeten hadden, wilde Kaja dadelijk naar het strand, maar
oom Frans zeide, dat hij eerst een brief moest schrijven, dus dat
zij maar met Helle vooruit moest gaan, dan kwam hij wel na.
Toen ze weg zou gaan, gaf hij haar een kus op haar hand juist daar,
waar haar ring zat, en lachend kuste zij hetzelfde plaatsje.
Toen hij hen aan de deur stond na te kijken en zag, hoe zij samen
wegdansten--want loopen was het niet, het was werkelijk dansen, zij
met lichte, vroolijke, de jongen met kleine, korte sprongetjes--en toen
bedacht dat die twee hem nu voor het heele verdere leven toebehoorden,
werd hij zóó door zijn groot geluk overweldigd, dat hij onwillekeurig
zijn hart vasthield. Evenals er verdriet is, dat zóó hevige pijnen
veroorzaken kan, zóó geheel tot wanhoop kan drijven, dat het een
genade wezen zou als het dadelijk doodelijk werkte, zoo ook is er
een vreugde, die de borst bijna uit elkaar doet springen. Oom Frans
was langzamerhand zoo gewend aan teleurstellingen, dat, als op dit
oogenblik een groot verdriet hem getroffen had, hij het zijn geheele
leven zonder morren op zijn schouders gedragen zou hebben--doch
het geluk dat hem hier aangeboden werd, was zóó groot en zóó nieuw,
dat het hem volkomen overweldigde.
Zachtjes ging hij de kamer binnen. Die brief was eigenlijk maar een
uitvlucht, omdat hij voelde, dat hij behoefte had aan rust. Hij ging
in een hoek van het kamertje zitten aan den lessenaar, die voor
schrijftafel dienst deed. En zonder er bij te denken, haalde hij
een oud spaarbankboekje uit zijn borstzak en begon er verstrooid in
te bladeren.
"Het is goed, dat ik den jongen iets verzekerd heb," scheen hij
te denken, "want in de jaren die komen, zal er geen sprake van
overleggen zijn."
Hij glimlachte en bladerde door, maar dacht tegelijkertijd aan iets
heel anders,--het boekje stond op Helle's naam.
Vele jaren lang had hij trouw iets voor Kaja ter zijde gelegd--doch
van Helle's geboorte af, had hij het op den jongen overgebracht. En
het boekje was gedateerd van den dag, dat zij voor het eerst met hem
over het kind sprak.
Hij legde het op den lessenaar voor zich neer en stond op. Hij begon
het koud te krijgen en liep naar het raam. In een lange, warme streep
viel de zon over hem heen.
"Heerlijke zon!" zeide hij onwillekeurig.
Hij hoorde iets tegen de ruiten fladderen, en zag dat het een vlinder
was. Daarop hoorde hij de spreeuwen fluiten. En een regel uit een
oud morgengezang kwam hem in de gedachten, waar:
"De vogels fluitend danken voor licht en leven."
"Als ik zelf eenmaal vleugels heb," dacht hij, "dan zal mijn eerste
vlucht zijn naar Gods troon om fluitend te danken voor haar en den
jongen!"
En een wonderlijke glimlach gleed over zijn gelaat. Hij wist zelf
niet, hoe hij zoo plotseling aan dit alles dacht, doch zoo was het
nu eenmaal.
Het was of er iets dat op zweetdroppels geleek, op zijn
voorhoofd uitbrak, en hij wilde zijn zakdoek nemen, om ze af te
vegen. Tegelijkertijd haalde hij een stukje papier mee uit zijn
zak. Het was een brief, dien hij een jaar geleden aan Kaja geschreven
had en sinds dien altijd bij zich had gedragen. "Ik zal hem nu meteen
verscheuren," dacht hij, "nu kan ik het haar immers allemaal zelf
zeggen." Maar plotseling bedacht hij zich en legde den brief tusschen
de bladen van het spaarbankboekje.
Het was of hij op hetzelfde oogenblik Kaja's stem, zooals den avond
te voren, in zijn oor hoorde fluisteren: "O, wat heb ik je lief,
wat heb ik je lief, oneindig lief, Frans!" En alsof hij haar met
Helle aan de hand een smal boschpad af zag gaan, en haar steeds weer
hoorde herhalen met dien gloedvollen klank en dat diepe, innige gevoel,
dat haar stem eigen was: "O, wat heb ik je lief, wat heb ik je lief,
oneindig lief--!" En bij de gedachte daaraan voelde hij zich zóó
gelukkig--zóó oneindig, zalig, volmaakt gelukkig....
Het was of hij haar hoorde roepen, en hij stond op om haar te
gemoet te gaan. Doch op hetzelfde oogenblik weigerden zijn beenen
hun dienst. Hij viel achterover en sloeg met zijn hoofd hard tegen
den lessenaar aan, voordat hij op den grond zwaar ineenzakte. Even
vloeide er bloed uit een kleine wond aan zijn nek--doch hij merkte
het niet--zijn ziel was reeds lang weg--hoog boven alle paden--ver,
ver weg van de wijde wereld--!
Als een stomme getuige van het rijke geluk dat hij genoten had,
lag een glimlach verstijfd om zijn mond....
Geen mensch op deze heerlijke, droeve aarde stierf gelukkiger dan
oom Frans:
Zijn hart was van geluk gebroken!
Kaja en Helle plukten in het bosch een grooten ruiker
voorjaarsbloemen. Zij zocht vooral naar blauwe anemonen want "daar
houdt vader zooveel van," zeide zij.
"Jawel, maar vader houdt ook van die!" zeide Helle terwijl hij een
paar groote, gele boterbloemen in de hoogte stak.
"Ja zeker--pluk maar al wat je wilt!"
En met glinsterende oogen en warme, roode wangen plukten zij door.
Zij traden op het dikke, zachte mos en in het fijne, groene gras
zonder zich er om te bekommeren, hoe nat het was. Zij staken hun
neuzen bij elkaar over de lichte zegeltjes en lachten als zij
naar dezelfde bloem grepen. Helle plukte voortdurend kleine, korte
steeltjes en zelfs heel dikwijls bloemen zonder steel, en als hij ze
dan bij elkaar wilde doen, vielen ze weer even gauw door zijn kleine,
dikke vingertjes heen als hij ze opraapte. Ondertusschen werd Kaja's
bouquet al grooter en grooter.
"Die zal bij zijn plaats op tafel staan en naar het voorjaar in zijn
oogen kijken," dacht zij. En zij plukte door met ijverige vingers en
al plukkend zong zij:
Op heel deze aard, zoo groot, zoo wijd,
één ziel slechts, in wie ik vertrouwe!
Heel diep in de aard, heel diep en koud,
één ziel slechts, bij wie ik wil wonen!
Wanneer en waar,
alom, altijd
één ziel slechts, met wie ik wil leven!
Doch plotseling hield zij op, hield haar hand boven haar oogen voor de
zon en keek eens vóór zich uit. Wat moest dat een lange brief zijn,
dat hij nu nog niet in het zicht was! Plotseling werd zij door een
onverklaarbaren angst aangegrepen--doch zij legde dien zelf uit als
een gevolg van haar groot verlangen.
"Vader schrijft veel te lang," zeide zij tegen Helle. "Nu schijnt
de zon bij hem het venster in. Ik begin jaloersch te worden op de
zon. We zullen naar huis gaan en eens op de ruiten tikken."
En met Helle aan de hand ging zij op een draf naar huis. Zij hield
voor het venster van het kleine zitkamertje stil. Het eene raam was
dicht, het andere stond een eindje open. De kiezelsteenen knarsten
onder haar voeten, daarom liep zij zoo zacht zij kon en gaf Helle
ook een teeken dat hij op de teenen loopen moest.
Eerst ging zij guitig op haar hurken zitten en tikte met haar parasol
tegen de ruiten--toen stak zij haar grooten hoed, geheel gevuld met
al de bloeiende heerlijkheid van het voorjaar, door het openstaande
raam naar binnen.
"Ik bestrooi je pad met rozen," zong zij vroolijk.
Doch daar niemand antwoordde, ging zij voorzichtig op haar teenen
staan om door het venster naar binnen te kijken... Nooit van zijn
leven zou Helle den doordringenden, wilden kreet vergeten, dien zij
toen uitstiet! Lang daarna weerklonk die nog in zijn ooren--hij hoorde
dien na jaren nog.
"Moeder!" riep hij en greep haar angstig bij haar rok.
"Wat is er, moeder?"
Doch zij kon niet antwoorden. Tot aan haar lippen toe wit, ging zij
hem voorbij het huis in, en zij liep hem omver op de trap, toen hij
haar rok niet wilde loslaten, zoo heftig stormde zij naar boven.
Helle begon vreeselijk te huilen, niet zoozeer van pijn als wel van
angst--doch zij gaf er geen acht op. Snikkend wierp zij zich over
het lijk in het kleine kamertje en riep steeds woester en woester:
"Frans! Frans! Hoor je mij niet? Antwoord me, Frans! Je kunt niet
dood zijn, nu dat we juist zouden beginnen te leven! Ik kan je niet
missen--Ik wil je niet missen--ik wil niet!
Maar als je heengegaan bent--neem mij dan tenminste mee! Toon me
tenminste die barmhartigheid, dat je me meeneemt!"
Maar niemand antwoordde.
"Alleen! Alleen!" snikte het in haar. "Alleen voor het heele
leven! Nooit meer gelukkig, nooit meer!"
Helle kwam door de open deur aangeloopen en wilde naar haar toe gaan,
doch bleef plotseling met de handen op zijn rug staan en liep toen
achteruit de levenlooze gedaante op den grond voorbij.
"Bang!" was al wat hij zeide--"bang!"
Doch toen verloor zij haar zelfbeheersching en keerde zich met
vlammende oogen naar het kind toe:
"Waar ben je bang voor, kind?" fluisterde zij. "Ben je bang voor hem,
die je meer dan een moeder heeft liefgehad? Ga dan maar weg! Ga weg!"
En Helle kroop in den versten hoek in elkaar en huilde bitter. Doch
kort er op waagde hij zich weer naar haar toe, bleef bij haar staan
en fluisterde: "Helle niet bang meer."--
Al wat leeft, heeft een aangeboren angst voor den dood, en zonder
het te begrijpen had het kind zoo iets gevoeld, toen hij de kamer
binnenkwam, doch nu was alle vrees verdwenen.
Hij stond dicht bij het lijk en herhaalde met zijn kinderstemmetje
vol vertrouwen: "Helle niet bang meer!" En ten laatste legde hij
zijn dikke knuistjes op de hand van oom Frans, maar schrikte, toen
hij voelde hoe koud die was.
Kaja bemerkte zijn tegenwoordigheid volstrekt niet. Zij lag met haar
hoofd op de borst van den doode te luisteren naar het hart, dat niet
meer sloeg.
Het was of zij voortdurend hardop gilde, doch in werkelijkheid had
zij haar lippen vast op elkaar geperst. Geen geluid kwam uit haar keel.
"Moeder," zeide Helle bevend, terwijl hij haar bij haar rok trok,
"roep vader eens!"
Doch toen begon zij zoo luid en wild te lachen, dat Helle angstig naar
de deur vloog, en de visschersvrouw met al haar verschrikte kinderen
achter haar aan kwam aangeloopen.
"God beware ons!" zeide zij, terwijl zij onwillekeurig een kruis sloeg,
"dat was een korte huwelijksvreugde."
Op hetzelfde oogenblik weerklonken zware, regelmatige voetstappen door
het venster. Dat waren de drie visschers, die weer voorbijkwamen. "Komt
eens een handje helpen!" riep de visschersvrouw, terwijl zij naar
het venster liep en hen toewenkte.
Langzaam kwamen zij binnen en bleven zwijgend bij de deur staan. Stil
wreven zij de tranen weg, die over hun gebruinde wangen liepen, en
lichtten toen voorzichtig het lijk op, zóó zacht en zóó behoedzaam,
alsof het een klein kind was. Maar de derde nam Kaja zelf op, droeg
haar naar de slaapkamer en legde haar voorzichtig op het bed naast
den doode. Toen slopen zij weer zwijgend heen. Hier was ieder woord
te veel.
De visschersvrouw beproefde Kaja's aandacht op den jongen te
vestigen. "Zou Mevrouw hem niet eens willen troosten? Hij is toch
zoo bedroefd." Maar Kaja hoorde haar niet. Op dat oogenblik was
Helle haar geen troost--veeleer een aanklacht. Had zij oom Frans niet
eenmaal voor het kind willen opofferen? Had zij niet tot God geroepen:
"Red mijn kind! Red hem, tot welken prijs ook!" Onwillekeurig wendde
zij ieder maal haar aangezicht van den jongen af, als hij naderbij
kwam. Eindelijk nam de vrouw hem maar mee, en een half uur later
hoorde zij hem met de andere kinderen stoeien.
Den geheelen dag bleef zij op het bed naar het fijne bleeke aangezicht
naast haar staren. Zij zag de trekken al meer en meer verstijven,
de huid al strakker en de lippen al blauwer worden.
Zij wond de zachte haarlok die over zijn slapen viel, om haar vingers,
en drukte herhaaldelijk haar lippen op den kouden mond, dien zij
gisteren zoo warm nog gekust had. Zij was geheel onder den indruk van
de vreeselijke plechtigheid, die de groote stilte des doods met zich
meebrengt--de geheele wereld scheen haar verder gering toe. Zelfs
Helle, die tot nu toe zoo geheel haar leven vervuld had en als een
deel van haar eigen zelf geweest was, zelfs Helle werd klein en
scheen veraf.
Het was of hij haar niet meer aanging, terwijl zij daar zoo naar haar
doode liefde zat te staren.
Er zijn oogenblikken in het leven van de vrouw, dat de kinderen
haar nummer één zijn--voor hen heeft zij geleden, zij hebben haar
noodig gehad, zij hebben haar behoefte aan liefde, aan teederheid en
opoffering gestild--doch als het uur des doods daar is, dan worden zij,
die vóór hen één waren, weer opnieuw één, dan geraakt al het andere
op een afstand, dan voelt zij, aan wien zij haar ziel gegeven heeft.
Kaja had het gevoeld, toen zij zich met moeite oprichtte en beide
deuren afsloot, zoowel de deur naar de gang als die naar de zitkamer,
opdat niemand, zelfs Helle niet, zou binnenkomen.
Maar zij begreep niet het gevoel van berouw, dat haar kwelde, terwijl
zij naar haar lieven doode staarde. Zinneloos hield zij haar oogen
op hem gericht, terwijl zij met het bovenlijf heen en weer wiegde en
zichzelf afvroeg, wàt het wezen kon--en plotseling ging er een licht
voor haar op en zij snikte luid:
"Ik heb je gedood! Ik! Eerst heb ik jou verloochend voor een ander en
toen verkoos ik Helle boven jou. Nu heeft God mij gestraft!" En die
gedachte maakte haar zoo wanhopend, dat zij strak vóór zich uit bleef
staren met haar handen om haar knie gevouwen. Geen tranen vloeiden
meer over haar wangen. Toen begon zij te huiveren en onwillekeurig
stond zij op en begon de kamer op en neer te loopen.
"Moeder, moeder! Doe toch open!" klonk een fijn stemmetje buiten--en
zacht deed zij de deur open, doch draaide het slot weer om, zoodra
hij binnen was.
Aarzelend liep Helle de kamer door. Hij had zijn schortje vol
voorjaarsbloemen. "Vaders bloemen!" zeide hij, terwijl hij haar de
geurige bloemen voorhield. Haastig haalde zij ze uit het schortje
van het kind en legde ze onder het hoofd van den doode.
"Morgen zullen we er nog meer plukken," zeide zij. "Iederen dag zullen
we versche plukken, in een echten lentetuin zal je rusten."
Doch de lucht alleen van de bloemen was reeds genoeg, om haar geheel
te overweldigen--zij verborg haar aangezicht in zijn koude handen en
barstte in tranen uit.
Helle sloop zachtjes naar haar toe. Eerst keek hij angstig naar
"vader". Doch toen hij zag, hoe vriendelijk de doode glimlachte, kreeg
hij moed. Als vader zoo glimlachte, dan moest hij ook wel gelukkig
zijn! En hij knikte hem eens vol verstandhouding toe, éénmaal en
nog éénmaal. Toen trok hij zijn moeder bij den arm, hij was wel een
beetje bang voor haar vandaag, maar hij beproefde het nog maar eens,
net zoo lang tot zij opkeek, en toen zeide hij:
"Kijk eens, vader lacht!"
Zij volgde de richting van zijn blik--en toen zag zij het ook! Zij
zag, hoe een glimlach het geheele aangezicht verlichtte. Zij zag, hoe
die als een protest tegen allen angst en verschrikking voor een doode
om zijn mond speelde. Als een licht schitterde die fijne glimlach in
de duisternis.
"Goddank, dat je gelukkig bent!" fluisterde zij. "Je hebt niet geweten,
wat komen zou! Want nù zou je het niet kunnen dragen--geloof je
wel? Je zoudt 't niet gedragen hebben, als je geweten hadt hoe het
mijn ziel vanéén rijt om van je te moeten scheiden,--langzaam en
zeker vanéén rijt--!"
Er was iets in haar wanhopende stem, dat Helle ontmoedigde.
Waarom antwoordde vader toch niet?
Hij sloop naar het hoofdeneind van het bed en ging op zijn teenen
staan, om vader beter te kunnen bereiken. Hij had zoo'n verlangen
hem weer te hooren praten. "Vader moet met Helle spelen," drong hij
aan. Hij greep naar een van de stijve handen, die over het bed hing,
maar liet die dadelijk weer los. "Vader moet met Helle spelen,"
herhaalde hij met tranen in zijn keel.
Maar Kaja schoof hem driftig op zij. Zijn woorden sneden haar door
het hart. "Het geeft niet of je al roept," zeide zij, "vader kan je
toch niet hooren."
Toen rolden er groote, ronde tranen over zijn wangen. Zoolang hij
zich herinneren kon, was er nooit een oogenblik of een plaats geweest,
waar vader hem niet hooren kon--en nu zeide moeder hem, dat het toch
niets gaf of hij al riep!
"Vader kan me niet hooren!" klaagde zijn kleine hartje, en hij huilde
zóó wanhopend als hij nog nooit gehuild had. Maar toen voelde hij
zich plotseling door moeders armen vastgegrepen en drukte moeder
hem stevig tegen haar borst. "Ach Helle, Helle!" fluisterde zij
hem toe. "Nooit zullen wij over hem uitgehuild zijn!" En hij voelde
haar tranen zonder ophouden in zijn krulhaar vallen, het was of zij
brandden. Helle wist niet wat dood was, hij had er niet het minste
vermoeden van, hoe onbarmhartig die de menschen scheidt, maar hij
huilde, omdat vader zoo onwrikbaar stil lag en niet antwoordde.
Kaja droeg hem naar de aangrenzende kamer.
Op de tafel lag het horloge van oom Frans. Zij keek er terloops naar
en verbaasde er zich over, dat het bij zeven uur was. Waar was de
dag gebleven? Had zij zes volle uren bij den doode doorgebracht?
Zij riep de visschersvrouw en verzocht haar, haar te helpen met het
verzetten van Helle's bedje naar de huiskamer. En toen begon zij hem
langzaam uit te kleeden.
"Waarom mag ik niet bij vader slapen?" vroeg Helle.
"Vader moet rust hebben."
Toen vloog er een stralende glimlach over Helle's gezichtje en hij
vroeg: "Wordt vader morgen dan weer wakker?"
"Neen--neen, vraag nu niet verder, wees nu maar stil," zeide Kaja,
terwijl zij met moeite haar tranen terugdrong.
De visschersvrouw wierp een blik op haar bleeke, pijnlijke aangezicht
en verdween even, om terug te komen met een grooten kop dampende
koffie en een stukje wittebrood.
"Mevrouw moet iets eten," zeide zij, "anders wordt Mevrouw ziek."
Maar Kaja schudde het hoofd en keek het voedsel niet aan.
Toen bloosde de vrouw en zeide driftig met een blik op de deur van de
slaapkamer: "Wat denkt u, dat hij daar wel van zeggen zou? Hij zou
't niet goed vinden, dat u zich ziek maakte van verdriet, zoolang u
hèm heeft om voor te zorgen," en bij dat "hèm" wees zij naar Helle,
die met saamgeknepen handjes zijn nachthemd over zijn borst hij elkaar
trok, en nog snikte na het vele huilen.
Door den driftigen toon van de vrouw ontwaakt, keek Kaja op. Het was
alsof zij door die stem uit een sluimering wakker werd.
"Het mensch heeft gelijk," dacht zij. "Zij heeft gelijk. En dat een
vreemde komen moet, om mij te zeggen wat mijn plicht is!"
Zonder een woord te zeggen, ging zij naar de tafel, nam den grooten
kop tusschen haar handen en spoelde den inhoud door haar keel. Maar
toen schoof zij ook met een gevoel van afschuw het blad van zich
af. "Dank voor uw vriendelijkheid, maar neem de rest nu maar mee,
ik kàn niet meer," zeide zij.
De vrouw begreep, dat aandringen niet zou helpen--en tevreden, dat
zij de koffie tenminste er bij haar had kunnen inkrijgen, sloop zij
zacht weer weg.
Ondertusschen had Kaja Helle in bed gelegd.
"Moeder zingen voor Helle!" zeide hij, terwijl hij als gewoonlijk
zijn handjes voor zijn avondgebedje vouwde.
"Moeder kan van avond niet zingen, Helle."
Toen gleed er een blik over het kindergezichtje, alsof er plotseling
een licht voor hem opging: "Dan wordt vader misschien wakker?"
"Neen, dat niet, maar--" wanhopend keek zij om zich heen naar een
uitweg, om al deze vragen te kunnen ontwijken, die hij met kinderlijke
vasthoudendheid steeds weer herhaalde, en die haar hart zulke diepe
wonden toebrachten--
Zacht fluisterde zij hem zijn avondgebedje voor--dat zij gewoonlijk
voor hem zong--doch Helle was er blijkbaar niet mee tevreden.
"Morgen moet je zingen," zeide hij.
Zij knikte toestemmend. Een uitstel tot morgen was tenminste al
iets. Zacht ging zij op een stoel bij Helle's bedje zitten, maar het
kind kon den slaap niet vatten.
"Wie zal met Helle spelen als vader niet kan?" zeide hij, terwijl hij
weer overeind in het bed ging zitten. "Wie zal paard met me rijden? En
wie zal moeder en Helle helpen, nu vader ons niet meer hoort?"
"Wees nu maar stil!" zeide zij. Morgen zullen we daarover praten."
Onwillig legde Helle zich neer, doch zijn kleine hersentjes werkten
door. "Vader kan Helle toch wel hooren," hoorde zij hem zeggen,
voordat de kleine, zware oogleden eindelijk toevielen.
Nadat zij zich overtuigd had, dat hij vast sliep, stond zij op en
toen vielen haar oogen op het spaarboekje, dat op den lessenaar
lag. "Aan Helle" stond er buiten op, en zij zag, dat het gedateerd
was den dag, waarop zij hem voor het eerst over het kind gesproken
had. Nu wist zij, hoe hij toen geleden moest hebben, nu voelde zij
het met gloeiende tangen door haar eigen borst gaan! En wat was er
op dat lijden gevolgd? Wat was nu het treurige einde van alles?
Zonder eenige vertooning, zonder drukte, fijngevoelig als altijd,
zonder spoor van sentimentaliteit had oom Frans dit offer op zijn
eigen stille wijze gebracht. Nu begreep zij, waarom hij de laatste
jaren zoo mager was geworden, hoewel hij oogenschijnlijk gezond en
wel was--hij had maar van de helft van zijn sober inkomen geleefd!
En plotseling werd zij door een soort afgunst overvallen: Zou hij
werkelijk dat kind, dat niet eens zijn eigen was meer liefgehad hebben
dan zichzelf, meer lief dan haar? Want hij moest wel weten, dat er
voor haar geen grooter verdriet bestond dan hem te moeten missen.
Toen steunde zij hardop, want: had zij hem misschien niet bewezen,
dat, als zij te kiezen had tusschen hem en het kind, dat zij het kind
zou kiezen?
Bittere tranen vielen door haar vingers op het boekje en zij wenschte
niets liever dan ook maar te mogen sterven.
Toen zag zij een geel geworden brief tusschen de bladen uitsteken. "Aan
mijne! Mijne!" stond er buiten op den omslag in het duidelijke, nette
handschrift van oom Frans. En als een drenkeling naar een plank,
strekte zij haar hand naar den brief uit.
Herhaaldelijk las zij dien en steeds rijkelijker vloeiden haar
tranen. Het was, of een zware last haar ontnomen was. Hij had haar
begrepen! Hij had haar vergeven!
"Lieveling!" begon de brief. "Als ik misschien eens heen mocht gaan
vóór jou en je opnieuw die treurige gedachten krijgen zoudt, die
je sinds Helle's ziekte zoo gepijnigd hebben, dan wil ik je hierbij
zeggen, dat je daar nooit aan moet toegeven en dat je je zelf niets te
verwijten hebt. Iedere moeder zou gedaan hebben zooals jij. Of geloof
je, dat ik nu niet zie, dat je liefde voor mij grooter is dan al het
andere? Ik weet wel, dat ik even verdriet had, dat ik mij even gekwetst
voelde, omdat je mij als 't ware voor Helle op zij schoof--maar daarna
heb ik leeren begrijpen, dat jij niet anders handelen kondt. En denk
ook niet, dat jij het gedaan zoudt hebben, want dan zou je niet zijn,
die je bent. Nu weet ik, dat een vrouw eerst waar echtgenoote is als
zij eerst moeder is. En wij beiden zijn het in de innigste zaken immers
altijd eens? En eens zullen wij werkelijk geheel één zijn, zoodat alles
om ons heen nietig en klein wordt, vergeleken bij onze liefde, bij
ons genot te weten dat die liefde leeft en dat die nooit zal sterven!"
Langzaam liet zij den brief in haar zak glijden, terwijl zij de
haastige slagen van haar eigen hart telde. Toen voelde zij, dat, als
zij dien brief niet gelezen had, juist op dit oogenblik niet gelezen,
dat haar gemoed en zinnen dan zieker geworden zouden zijn dan zij
had kunnen dragen....
Zoo had hij haar dus gevrijwaard voor al het kwade--ook voor
krankzinnigheid.
Toen ging zij weer naar hem toe. Zij verlangde er naar zijn aangezicht
weer te zien. Zij knielde bij het bed neer en verborg haar hoofd aan
zijn koude borst. Zóó lief had zij hem, dat geen spoor van angst voor
den dood haar terughield.
Toen zij de klokken hoorde luiden, vloog zij op. En plotseling schoot
het haar te binnen, dat het Paschen was. Tusschen het getjilp der
musschen en het gefluit van de spreeuwen, drong, door het halfopen
venster, het klokgelui tot haar ooren door. Gisteren luidden zij het
huwelijk in en heden verkondigden zij den dood...
Zij keerde zich om en keek naar den glimlach om zijn lippen.
En op eens scheen het haar zoo natuurlijk, dat oom Frans juist op
Paschen sterven moest. Lang bleef zij met zijn hand in de hare
zitten. Toen ging zij aangekleed op het bed naast hem liggen
en viel in een zwaren, diepen slaap. Eerst toen de dag aanbrak,
ontwaakte zij met dat verlammende, gebroken gevoel, dat een groot
verdriet meebrengt. Zij stond op. Toen zag zij de verandering in
het aangezicht van hem, dien zij boven alle anderen had liefgehad,
en haastig spreidde zij er het laken over heen. Zij bedacht hoe
hij zelf gezegd had, toen zij bij het lijk van haar moeder stond:
"Waarom wil je meer zien? Wat er nu over is, is niet mooi."
Neen, zij wilde hem niet meer zien--zijn hand alleen wilde zij
vasthouden, zijn groote, stevige en toch zoo zachte hand, waarin zij
zoo veilig de hare gelegd had.
Ook nu legde zij die veilig in de zijne,--zonder angst voor de koude
des doods--en zoo viel zij weer in slaap, terwijl de spreeuwen buiten
ontwaakten en de musschen hun nesten gereed maakten en het eerste
morgenrood de kleine ruitjes van de visschershut begon te kleuren.
"Met week geluid
van zoete, stille wijzen
heb ik verheven
der Liefste lof....
't Gezang is uit....
Mijn hart moet ijzen, ijzen....
Mijn lieve leven
ligt... dood... in 't stof..."
Drie dagen later zette een kleine stoet van Höjstrup zich langzaam in
beweging naar Rödvig. Voorop de kist, bedekt met voorjaarsbloemen en
wintergroen, daarachter een oud dorpsrijtuig, waarin een jonge vrouw
en een kleine jongen. Stapvoets vervolgde de stoet zijn weg--moeilijk
zooals lange uren die men in verdriet doorleeft--langzaam zooals
tranen, die nooit ophouden te vloeien. Kaja zat in het rijtuig
ineengedoken en dacht aan hun huwelijkstocht.
Hier--op denzelfden weg--hadden zij een paar dagen geleden samen
gereden--samen--samen naar het beloofde land! Hier bij dezen grijzen
mijlpaal had hij haar in zijn armen genomen en gefluisterd: "Nu zijn
wij de grenzen over!" En daar, waar het hek naar het bosch voerde,
had hij zich voorover gebogen en met zijn lichtsten glimlach gevraagd:
"Geloof je, dat er in de heele wereld twee menschen zijn, die zich
zoo gelukkig voelen als wij?"
Neen, neen! Dat geloofde zij niet!
En nu keerde zij alleen terug naar het tehuis, dat hij met zooveel zorg
voor haar bereid had. Neen, niet alleen, hij ging immers mee--zij
kon zijn kist niet zien, als zij zich uit het rijtuig boog--zij
kon de anemonen zien bewegen en de blauwe viooltjes sidderen en de
hyacinthen hoorde zij op hun korte, dikke stelen knarsen. Zij wist,
dat hij daar glimlachend, te midden van al het heerlijke voorjaarsleven
voor altijd stil ter neder lag.
"Waar is vader?" zeide Helle plotseling. Den geheelen weg had hij geen
woord gezegd en stil naast haar gezeten met zijn kleine handjes vast in
de hare--en nu keek hij haar op éénmaal vorschend aan en vroeg opnieuw:
"Moeder! Waar is vader?"
"Vader is ons voorgegaan," antwoordde zij met afgewend gelaat. Zij
wilde zijn kinderfantasie niet door de kist verschrikken. Zij had er
hem vandaan gehouden en de visschersvrouw verzocht, hem er niets van
te vertellen.
Maar Helle had een trouw hartje en den geheelen tijd had hij in
zichzelf zitten denken, dat het leelijk was om van vader weg te gaan,
die daar nu zoo alleen in de visschershut achter bleef. Hij begreep
niet, dat moeder zoo iets doen kon--en al kon moeder het ook, hij
kon het niet en hij wilde het niet, want vader had Helle nooit ergens
alleen achtergelaten.
"Helle wil niet van vader weg," zeide hij beslist.
"Dat behoef je ook niet, vader is ons voorgegaan, hoor je?"
"Waar naar toe?"
Wanhopend keek zij naar het kindergezichtje naast haar en vroeg zich
zelf af, of hij dan nooit ophouden zou haar met vragen te pijnigen,
maar zijn blikken waren zóó ernstig op haar gevestigd en eischten zoo
duidelijk een antwoord, dat zij zag dat het niet geven zou, of ze er
al om heen draaide.
"Waar naar toe?" herhaalde zij langzaam en met tegenzin. "Ja, hoe zou
ik dat weten! Hoog, daar waar de zon schijnt--ver, ver de wereld uit."
"Ver--ver--" herhaalde Helle. Het klonk zoo mooi, vond hij, net als
een sprookje, zooals vader vertellen kon, en voorloopig stelde hij er
zich mede tevreden. Maar kort er na trok hij haar weer bij de hand
en zeide hij, gejaagd ademhalend: "Zoo ademde vader, toen we in den
trein zaten."
Zonder te antwoorden staarde Kaja hem aan. Was het mogelijk, dat het
kind opgemerkt had, wat zij in het geheel niet gezien had? Was zij
zóó verdiept in haar huwelijksgeluk en zóó vervuld van haar eigen
vreugde geweest, dat zij niets gezien of vermoed had? Zij, die een
halfjaar geleden heele nachten angstig wakker lag, uit vrees dat hij
zou kunnen sterven? Hoe had zij den laatsten tijd zóó volkomen gerust
kunnen zijn? Zij had niet het allergeringste vermoeden gehad, dat
iemand van geluk zou kunnen sterven! Van verdriet en verlangen--dat
kon zij begrijpen--maar van geluk! Van geluk zou men toch onmogelijk
kunnen sterven.
En plotseling dacht zij aan het gedichtje:
En het Leven schreef
met kleuren, die waren
als bloed zoo rood----
Zij bedacht, hoe zij eenmaal snakte naar ondervindingen--blijde, of
droeve--als zij de witte bladen van haar levensboek maar vulden! En
gevuld waren zij! Zij zag ze alle vóór zich--de laatste van verdriet
en teleurstelling te midden van hoop en stralende vreugde--en de
voorgaande van bittere tranen en stom klagen!
Wat voor waarde had het leven nu nog voor haar? Zou het niet veel
beter geweest zijn, als zij met hem daar in de kist gelegen had,
tusschen de voorjaarsbloemen, die zij nu niet meer zien of luchten kon!
Was zijn verlangen naar haar niet zóó sterk, dat het Gods wil kon
buigen en Hij haar ook liet sterven? Jawel! Het was alsof hij om haar
riep. Hij wist immers dat al haar vreugde gestorven was--waarom zou
hij haar dus niet roepen?
"Vader houdt van Helle!" zeide een klein kinderstemmetje naast haar
langzaam en plechtig--en zij schrok op, want deze woorden gaven zoo
wonderlijk antwoord op haar gedachten. Zij trok den jongen naar zich
toe en kuste hem hevig.
"Ja--ja," fluisterde zij. "Vader houdt van Helle--daarom roept hij
niet, hij weet dat het vreeselijk voor Helle wezen zou, als hij
moeder riep!"
Maar Helle keek haar niet-begrijpend aan. Hij had zijn eigen
kinderlijken gedachtengang gevolgd en was steeds weer tot dezelfde
gevolgtrekking gekomen, dat het leelijk was om van vader weg te
reizen. Toen had hij hardop tegen zich zelf gezegd: "Vader houdt
van Helle--" om hierdoor de trouw van zijn eigen gevoelens te
verontschuldigen. De woorden omschreven als 't ware zijn eigen
kinderlijke, begeerige liefde--en hij begreep niet, waarom moeder
hem er zou innig voor kuste. Maar tegelijkertijd kwamen zij aan het
station, en had hij druk werk met naar de kist te kijken, die in een
goederenwagen gezet werd--en naar zijn moeder die met stijf-starende
oogen achteraan kwam.
Instinctmatig en half bewust, dat hij te doen had met iets dat hij niet
recht begreep, bracht hij al die bloemen in verband met vader. En hij
nam zich voor, om zoodra als moeder er wat minder bedroefd uitzag en
hem niet meer zoo vreeselijk bij zijn handen vasthield, er haar eens
naar te vragen.
In den trein viel hij in slaap, en door het vele denken vermoeid, sliep
hij door, totdat hij in het rijtuig zat, dat achter den lijkwagen aan,
naar de kerk reed. Toen zij stilhielden, wilde hij er uit, maar moeder
zeide dat hij heel zoet moest blijven zitten, totdat zij terug kwam,
en zij zeide het zoo beslist, dat hij niet durfde tegenspreken.
Het scheen hem eindeloos lang toe, voordat zij terugkeerde, hoewel
het slechts weinige minuten duurde. De koetsier keerde zich om en
vroeg waar hij naar toe moest.
"Ja, waar naar toe?" ging het haar door de ziel. Zij beefde terug
voor de vreeselijke aandoening, die zij hebben zou als zij zonder
hém naar 't nieuwe huis terugkeerde! Maar tegelijkertijd voelde zij,
dat het de eenige plaats was, waar zij nu zou kunnen verblijven. Haar
eigen tehuis kon zij opruimen, maar het zijne nooit. Daar, waar hij
al die jaren gewoond had--daar, waar zelfs de geringste zaken door
zijn liefderijke hand in orde waren gebracht en waar alles op haar
stond te wachten--daar, waar zij voelde dat hij was, daar moest zij
ook heen. En haastig antwoordde zij: "Naar de Studiestræde!" en het
rijtuig reed door.
"Gaan we niet naar huis?" vroeg Helle teleurgesteld toen zij door
straten reden, die hij niet kende. Zij knikte, maar antwoordde
niet. In haar gedachten reed zij met oom Frans naar hun nieuwe huis,
en doorleefde zij al de smarten die een arm menschenkind in enkele
van de vreeselijkste uren des levens doorleven kan.
Toen zij voor de deur stilhielden, zag zij dat het huis feestelijk
verlicht was en één oogenblik geloofde zij, dat alles slechts een
kwade droom was geweest. Maar toen bedacht zij, dat zij ook dien
avond gemeend hadden terug te komen, en dat hij natuurlijk zijn
hospita orde had gegeven de lichten aan te steken.
"O, als zij 't maar vergeten had!" jammerde het in haar. "Als ze maar
opgebrand geweest waren, vóór we hier aankwamen!"
Maar met onbarmhartige helderheid schenen de kaarsen door de
vensterruiten. Zij betaalde den koetsier en sleepte zich met Helle
aan de hand, de trap op.
"Is vader al thuis?" juichte de jongen, toen zij bij de welbekende
deur stilhielden. Zij schudde het hoofd, maar antwoorden kon zij
niet--het was of de woorden in haar keel bleven steken.
"De huissleutel!" vroeg zij zichzelf angstig af. "Heb ik dien wel?"
Maar tegelijkertijd werd de deur van binnen opengedaan en de oude
hospita--dezelfde, die oom Frans twintig jaar lang gehad had--verscheen
aan de deur met een kolossaal bouquet rozen in haar hand.
"Welkom!" zeide zij, diep nijgend; maar toen zij de versteende
uitdrukking op Kaja's aangezicht zag, schrok zij zoo hevig, dat zij
de bloemen op den grond liet vallen.
"Heere God, waar is Meneer!" zeide zij.
"Ik heb hem juist naar de kerk gebracht," antwoordde Kaja met een
stem, die zóó vreemd en zoo afgrijselijk toonloos klonk, dat zij het
zelf hoorde.
"O, onze lieve, jonge Meneer! Onze goede, beste Meneer!" zeide de
oude vrouw, haar hoofd schuddend, terwijl de tranen haar over de
gerimpelde wangen liepen. Toen sloeg Kaja de armen om haar hals en
barstte in een wanhopend huilen uit.
De oude vrouw deed zachtjes de deur achter haar dicht en streek
met haar hand over Helle's krulhaar--toen deed zij de deur van de
zitkamer open. "Ja, mevrouw moet nu niet boos op mij zijn," zeide
zij verontschuldigend, terwijl zij deelnemend Kaja's hand streelde,
"maar Meneer heeft het allemaal zoo besteld--bloemen en kaarsen en
champagne--alles."
Kaja antwoordde niet. Als een slaapwandelaarster stapte zij over den
drempel. Feestelijke lichten en een fijne bloemenlucht straalden
haar tegemoet. Alles was in volmaakte feeststemming en dan die
bloemengeur! Rozen en viooltjes--veel viooltjes, want daar hield
zij het meest van--overal waren zij tusschen gestoken, waar zij ook
keek--maar hij die haar binnengevoerd zou hebben, naar het Tooverland,
hij lag daarginds in de kapel--koud en dood! Neen, niet dood--haar
heele ziel kwam er tegen in opstand. Zijn geest was hier, in deze
kamers. Zij zonk op een stoel neer, naast een mooi, oud tafeltje. Daar
lag een groot bouquet van mooie, gele rozen, viooltjes en myrthen,
omwonden met een smal, wit zijden lintje: "Aan Rachel", stond er met
kleine, gouden letters op. Overweldigd door smart, verborg zij het
gezicht in haar handen. Zij had een gevoel, alsof zij haar oogen vast
toe zou moeten drukken, om niet meer te zien, anders zou haar hart
breken. Op hetzelfde oogenblik klonken korte, haastige voetstappen
uit de aangrenzende kamer en kwam Helle aangeloopen.
"Vader is nergens," zeide hij, en zijn stem beefde van de tranen. Hij
was overal geweest--steeds in de gedachte, vader wel ergens te zullen
vinden, maar toen hij in de slaapkamer kwam, waar de lamp brandde boven
twee ledige bedden, verloor hij den moed en liep naar zijn moeder.
"Gaan we nu nog niet naar huis?" zeide hij, terwijl hij haar schuw
aankeek. Maar toen bedwong zij zich met vreeselijke inspanning en
beproefde te glimlachen. Met zijn handje in de hare stond zij op en
zeide: "Wij zijn thuis! Wij zijn, waar vader gewoond heeft en waar
hij wilde, dat wij ook zouden wonen. Kijk maar eens, hoe hij alles
voor je in orde heeft gemaakt. Daar hangt je zweep en je hoepel! En
hier in de eetkamer staat je eigen kleine tafeltje met een groote,
nieuwe trom er op." Helle nam de trom op, maar zette die dadelijk weer
neer. "Helle heeft geen lust om te spelen, als vader niet meedoet,"
zeide hij verdrietig, "jij wel?"
"Neen, ik ook niet!" En zij wierp een wanhopenden blik in de kamers,
waar alles om hèm riep, die weg was, en waar alles in stilte zijn naam
scheen uit te spreken. Zij ging naar een hoek in de kamer en haalde
één van zijn lange meerschuimen pijpen voor den dag--die, waar hij
gewoonlijk uit rookte, als hij zat te werken--liefkoozend streek zij
er mee tegen haar wang en bleef er in gedachten heel stil mee in haar
hand staan, tot een moe stemmetje zeide: "Helle heeft slaap. Helle wil
naar bed." Toen ging zij met hem naar de slaapkamer, gaf hem wat te
eten en kleedde hem uit. Zij legde hem in zijn eigen ijzeren bedje,
dat den dag dat zij vertrokken, hierheen gebracht was. Hij lag haar
met zijn groote oogen vragend aan te kijken. "Waar is vader?" vroeg
hij opnieuw, toen zij hem goeden nacht kuste.
"Ik weet het niet, Helle--misschien is hij in den hemel!"
"Ja maar, waarom zijn wij dan ook niet in den hemel?"
"Omdat--omdat niemand ons binnen laat."
"Maar waarom doen ze dat niet? Kunnen zij ons dan niet hooren?"
"Neen."
"Je mag mijn groote zweep wel even leenen, klap er mee, dan hoort
Onze lieve Heer ons wel!"
"Neen, Helle!"
"Mijn trom dan! Vaders nieuwe trom. Geloof je, dat Onze lieve Heer
die ook niet hoort?"
"Ik ben bang van neen."
Helle slaakte een diepen zucht en viel in slaap met de overtuiging,
dat de hemel iets was dat vreeselijk ver af moest zijn, veel verder
dan Höjstrup.
Kaja keerde naar de zitkamer terug. De hospita kwam weer binnen en
presenteerde haar taartjes.
"Och ja! Och ja!" zeide zij. "Dit heeft Meneer allemaal voor Mevrouw
in orde gemaakt. Mevrouw had eens moeten zien, hoe de meubelen er
uitzagen, toen ze hier kwamen!--Maar kom, Mevrouw moet toch iets
eten," zeide zij, toen Kaja het hoofd schudde. "Kom, een klein
glaasje champagne?"
En met haar oude, gerimpelde hand omvatte zij reeds de flesch,
doch Kaja zeide: "Neen, laat die staan. Die zullen we voor Helle
bewaren. Als hij groot is, en hij mij niet meer noodig heeft, dan zal
hij daar mijn begrafenismaal mee vieren. Maar, juffrouw Rasmussen,
het zal geen echt begrafenismaal zijn, hoor, maar een bruiloftsdisch
zooals u er nog nooit één gezien zult hebben!"
Juffrouw Rasmussen sloeg haar oogen neer voor den onnatuurlijk
stralenden blik, dien haar jonge meesteres op haar richtte, terwijl
zij in zich zelf dacht: "De hemel beware haar voor krankzinnigheid!"
Ondertusschen had Kaja den bouquet van de tafel in haar handen genomen,
en geheel vergetend dat er anderen tegenwoordig waren, zeide zij in
zich zelf: "Dat heeft hij zelf uitgekozen."
"Ja, lieve God, dat heeft hij. Den allerlaatsten avond ging hij
zelf naar den bloemist en bestelde precies welke bloemen hij hebben
moest. Veel rozen en veel myrthen, zeide hij, maar toch vooral
viooltjes, heel veel viooltjes, want van viooltjes houdt Rachel
het meest."
Zij glimlachte. 't Was alsof zij zijn stem "Rachel" hoorde zeggen.
"En Mevrouw, kijk eens even hier, dat koperen bakje daar in de eetkamer
heeft Meneer warempel zelf zitten oppoetsen den morgen vóór hij op
reis ging. Hij hield het mij vóór en zeide: "Kijk eens, denkt u niet,
dat zij er zich nu in zal kunnen spiegelen?" "Dat zou ik meenen," zeide
ik, "het is haast al te mooi;" maar toen had u hem eens moeten hooren
lachen, toen hij zeide: "Ja, ja, u weet niet wat een lief gezichtje
zich daar in zal moeten kunnen spiegelen."--Kaja stond op. Zij kon het
niet langer uithouden, kon juffrouw Rasmussen niet langer aanhooren.
Een oogenblik heerschte er volkomen stilte, alleen het tikken van de
klokken hoorde men. Zij dacht aan de koude, donkere kapel, waar zijn
kist nu stond, en een hevige lust beving haar om hem terug te gaan
halen en hem dien avond nog in de gezellige kamer hier neer te zetten,
waar hij alles voor hun tehuiskomst in orde had gemaakt. "Denkt u,
dat ik de kist hier een paar dagen zou kunnen laten staan?" zeide zij
plotseling. De hospita sloeg van schrik haar handen in elkaar. "Lieve
God, Mevrouw, u wilt toch niet zoo met dat lijk rondsleepen? Laat hem
toch rustig liggen, waar hij ligt. En wat zouden de andere huurders
wel zeggen? Hier in de stad draagt men de dooden het huis uit, maar
men draagt ze er niet in."
Kaja keerde haar den rug toe en dacht: Allemaal flauwe lafaards
zijn jullie, vreeselijk bang voor den dood--en toch is men van niets
zekerder dan daarvan." Zij liep naar de deur en zeide: "Goed, heel
goed, maar ga nu maar naar bed. Goeienacht en dank voor uw zorgen."
"Goeienacht, maar belooft Mevrouw mij te roepen als zij iets noodig
mocht hebben?"
"Ja, dat zal ik, dank u."
Zij liet het praatzieke ouwetje uit en draaide den sleutel om. Toen
ging zij de kaarsen uitblazen.
"Mijn rijke droomen--!" dacht zij, bij de eerste die zij uitblies.
"Het oneindige geluk van ons samenzijn--" bij de tweede die zij
uitblies.
"Al mijn wenschen en verwachtingen--" bij de derde.
"En al mijn zoete hoop op zacht schommelende wiegen!" sneed het haar
door de ziel bij de vierde en laatste.
Maar toen barstte zij in tranen uit en weende zooals slechts vrouwen
weenen kunnen, die weten dat zij van het rijkste geluk op aarde
afstand hebben moeten doen.
"In de schemering zitten wij samen,
stil--jij en ik,
en denken aan hem, die weg is
elk oogenblik.
Wij leunen de hoofden te zamen,
wang tegen wang heel dicht...
en glinstrende tranen schittren
in den glans van het helle licht----"
Gedurende de dagen, die op de begrafenis volgden, liep zij als een
slaapwandelaarster rond. Zij sprak met niemand--dacht ook aan niets
anders dan aan haar eigen diep verdriet.
Urenlang liep zij in de verlaten kamers heen en weer, waar alles met
zijn stem tot haar sprak.
"Wat heb ik het leven voor ons beiden toch vergooid!" jammerde het
soms in haar, en dan hamerde haar hart met woeste slagen, zoodat het
haar bijna pijn deed....
En het bloed steeg haar naar de wangen, als zij dacht aan den dag,
dat zij zich gegeven had aan een man dien zij niet liefhad, terwijl
hij die haar diepste gedachten kende, aan haar zijde zat en er getuige
van was! En dan was het altijd, of zij kleine kinderstemmetjes hoorde,
die om haar huilden, die op verren afstand om haar riepen.... En dan
strekte zij haar armen naar hen uit, maar liet ze in doffe, stomme
wanhoop weer neerzinken--want nu kon zij immers niet meer tot hen
komen! 's Avonds zat zij bij zijn schrijftafel, maar miste de kracht
om die open te doen. Zij was bang, door haar verterend verlangen
overweldigd te worden, bang zijn schrift te zien.
Maar op een zekeren avond nam zij zijn pen en zocht één van zijn
oude collegeschriften op. Toen zette zij zich op zijn stoel vóór
de schrijftafel en schreef heel langzaam het volgende versje in
het schrift:
"Als een gouden droom,
tusschen heester en boom
hangt en glanst een laatste straal
van de gloeiende schijf,
die haar nachtverblijf
reeds hervond in het zeekristaal.
In mijn oogen zweeft,
door mijn ziele weeft
zoo Herinnering immervoort,
Wie ik minde is heên...
Lust en heil verdween,
doch uw beeld leeft onverstoord,
door mijn Liefde gebeurd, door mijn Smart geschoord,
als een hooggouden Muze op een zegepoort,
immervoort,
immervoort,
in mijn hart, o mijn Liefste, in mijn harte!"
En toen zij dit geschreven had, deed zij haastig, zonder het
geschrevene over te lezen, het schrift toe.
Iederen dag ging zij met Helle naar het kerkhof. Als een marmeren beeld
bleef zij in elkaar gedoken op het graf zitten, terwijl Helle rondliep
en speelde, en zij verroerde zich niet, voordat de jongen naar haar
toe kwam en luid verklaarde, dat hij honger begon te krijgen. Dan stond
zij op en ging even automatisch met hem naar huis, als zij gekomen was.
Helle kreeg al meer en meer het gevoel, dat zij niet meer bij hem
was. Hij wist niet juist hoe, maar het was alsof moeder niet thuis
was, en hij verlangde naar haar even erg, als toen zij in Noorwegen
was, eigenlijk nog meer, want toen had hij vader tenminste nog. En
uit den grond van zijn hart kon hij zitten zuchten en begon hij er
over te filosofeeren, hoe hij moeder weer terug kon krijgen. Vader
zou hem wel kunnen helpen, daar was hij zeker van--maar moeder zeide
nu eenmaal, dat vader hem toch niet hoorde, of hij al riep, en hij
wist dat de hemel zoo vreeselijk ver af was.--Ja--maar als hij eens
telefoneerde? bedacht hij plotseling. Hij herinnerde zich nog heel
goed hoe hij eens om licht getelefoneerd had aan God--en toen had
hij het ook dadelijk gekregen.
Maar het zekerste was wel, eerst God op te roepen, want anders zou
hij vader misschien niet kunnen bereiken--en anders zou God ook nog
kunnen denken, dat hij hem vergeten had. Nu zou je zien, dat hij
moeder wel terug zou krijgen! Als 't nu maar gauw avond werd. Want
's avonds was het het beste oogenblik, om met God te telefoneeren,
als het donker was, meende hij. En den geheelen dag liep hij rond met
een gezichtje, dat straalde van hoop en stille verwachting. Hij kon
haast niet wachten, tot hij in bed was en moeder de kamer verlaten had,
na de kaars uitgeblazen te hebben.
Kaja zat in de zitkamer met dien stijven, verstrooiden blik vóór zich
uit te staren, die haar den laatsten tijd eigen was geworden. Toen
hoorde zij plotseling Helle's stem in de kamer ernaast en stond zij
op, om te luisteren.
"Hallo!" hoorde zij hem roepen--eerst een weinig bedeesd,
maar langzamerhand wat moediger en luider: "Hallo! Is God
thuis?--Ja? Dank--Ach, lieve Heer, kunt u me niet zeggen, waar vader
is? Moeder zegt, dat hij bij u is--Hallo! Vader ben jij het? Ach
vader, help me, om moeder weer terug te krijgen! Moeder is niet meer
bij Helle----"
Ademloos stond zij toe te luisteren. Toen maakte de versteende
uitdrukking op haar gezicht plaats voor een uitdrukking van diepen
weemoed. "Het kind heeft gelijk," dacht zij. "Sinds zijn vader stierf,
ben ik niet meer bij hem. Mijn ziel was ver hier vandaan. Ik heb de
levenden vergeten voor den doode. Maar nu zal het anders worden--het
moet!"
En zij vloog de slaapkamer binnen. "Moeder zal komen," zeide zij,
terwijl zij op haar knieën vóór het bedje neerzonk.
"Moeder zal bij Helle terugkomen en nooit, nooit meer van hem weggaan!"
Met een vreugdekreet vloog de jongen haar om den hals en riep juichend:
"Vader kan Helle tòch hooren, moeder!"
Van dien avond af werd het haar levenstaak haar verdriet voor den
jongen te verbergen, om hem niet al de vreugde van zijn kinderjaren
te ontnemen. Zij dwong zichzelf om menig uur op den dag met hem
te spelen, en de rest van den dag werkte zij met koortsachtigen
ijver. In de schemeruren, als de lantaarns hun lichtstralen in
de kleine kamer wierpen, zaten zij samen op de oude sofa van oom
Frans--dicht ineengestrengeld, wang tegen wang, doordrongen van het
gevoel, dat zij nu slechts elkaar hadden.
Meestal vertelde zij dan van vader--en met zijn vaste kindergeheugen
vulde hij dan aan met "Weet je nog wel toen?" En "toen?" Maar af en
toe zaten zij ook zwijgend bij elkaar en dan drukte zij hem steeds
dichter tegen zich aan, terwijl de tranen langzaam over haar wangen
rolden. En dan werd Helle zóó ernstig, dat zonder dat hij 't wist zijn
tranen zich met de hare vermengden. En niet voordat de lamp aangestoken
en zij weer opgestaan was, werd hij weer het vroolijke, drukke kind
van tevoren. Maar dan kon zij ook zichzelf volmaakt geweld aandoen en
geheel met hem in zijn spel opgaan. Als hij in bed was, zat zij tot
laat in den nacht over haar correctiewerk gebogen--over de vochtige
bladen, die nog naar inkt roken--en dan dwong zij al haar gedachten
bij haar arbeid. Maar als zij klaar was, liet zij haar armen moede
vóór zich op tafel vallen, liet het hoofd zinken en gaf haar groot
verdriet in tranen lucht. Dan haalde zij het oude collegeschrift voor
den dag, dat na den dood van oom Frans haar eenige vertrouwde vriend
geworden was, en waarin zij haar gedachten in verzen opschreef. Eén
avond schreef zij:
In de schemering zitten wij samen,
stil--jij en ik,
en denken aan hem die weg is,
elk oogenblik.
Wij leunen de hoofden te zamen
wang tegen wang heel dicht...
en glinstrende tranen schittren
in den glans van het helle licht.
En duizend gedachten komen
met treden zacht, zóó zacht...
Zij banen zich duizend wegen
door dag en nacht...
En iedre gedacht' is verlangen
en ieder verlangen is smart!
En al die verlangens kent slechts
één enkel hart...
Zóó hoog en zóó diep is 't verlangen,
dat in aller eeuwigheid
de grenzen niet zijn te weten--
't verlangen is eindloosheid.
In de schemering zitten wij samen
stil--ik en jij,
en kinderoogen hechten
zich vol vertrouwen op mij.
En kindergedachten herdenken,
wat vader eens heeft geleerd,
en kinderlippen verraden,
wat met die herinnering keert.
En kinderarmpjes en -beentjes
drukken zich tegen mij aan--
en kinderdroomen volgen
mijn ziel op haar verre baan.
Wij leunen de hoofden te zamen
wang tegen wang, heel dicht,
en glinstrende tranen schitteren
in den glans van het helle licht.
"Het verdriet is een heiligdom,
waar men niet met anderen binnentreedt.
Het is een toevluchtsoord van
hen, die eenzaam zijn----"
Kaja bemerkte, dat, als zij in dien tijd met iemand sprak er altijd één
zin was, die bijna allen, zonder onderscheid, voor haar herhaalden:
"Je hebt toch je herinneringen om op te leven!" Begrepen ze dan
niet, al die menschen, dat juist de troost der herinneringen een
tantaluskwelling is voor dengeen, die ontbeert en verlangt! Begrijpen
ze dan niet, weten ze dan niet, dat het knagend verlangen der ziel
er slechts grooter door wordt?
Zij moest lachen, als zij hen hoorde spreken--want zij wist beter! Zij
wist, dat het zoogenaamde leven op herinneringen niets meer dan een
phrase is. Liefde kan er door aangevuurd, trouw er door versterkt
worden--maar een mensch zelf kan niet op herinneringen leven. Een
mensch eischt iets meer positiefs. Die heeft behoefte aan de zekerheid
van een vereeniging, daar waar de horizon grooter en het gezicht
ruimer is.
Af en toe was het, alsof zij van verlangen sterven zou, maar zij bleef
leven, want een mensch sterft niet, zoolang er hoop op wederzien
is. Maar soms was het alsof het verdriet, dat zij voor Helle zoo
moedig verkropte, haar zou doen stikken en alsof zij het tot iederen
prijs moest luchten. Dan hield zij een ouden bekende op straat staande,
alleen om even te kunnen uitspreken. Maar slechts zoo lang het verdriet
jong is, vindt men sympathie bij degenen, die er buiten staan; daarna
gaat het zooals in het versje staat:
"Als een sterveling sterft,
dan is 't als een schip dat verzinkt in de zee.
De golven sluiten zich over den mast,
de zee klotst en zwalpt als te voren."
Toen zij voor het eerst die holle phrases aanhoorde en die koele,
gereserveerde blikken ontmoette, die een volmaakt niet-begrijpen
uitdrukten, trok zij zich als een slak in haar huisje terug--en toen
begon zij te begrijpen, dat het verdriet een heiligdom is, waar
men niet met anderen binnen treedt. Dat het een toevluchtsoord is
voor hen die eenzaam zijn, waar zij in alle geheimzinnigheid alleen
vertoeven moeten.
Als zij met Helle aan de hand op straat liep en de een of ander
haar staande hield, om een woordje met haar te wisselen, was haar
aangezicht even kalm als vroeger en waren haar oogen niet vochtig meer
van tranen, die toch ieder oogenblik op uitbarsten stonden. Een zware
kring vertoonde zich onder haar diepliggende oogen en een smartelijke
trek lag om haar lippen. Het verdriet zoog voortdurend aan haar ziel,
maar niemand bemerkte het; als zij goedendag gezegd had, hield zij
Helle's handje nog vaster in de hare en vervolgde flink en recht
haar weg door de straten, even als zij flink en recht haar levensweg
aflegde. Maar die zielekracht dankte zij oorspronkelijk aan iets dat
haar onlangs diep getroffen had:
Op een zekeren avond, laat in het voorjaar, was zij naar het graf
gegaan. Een vriendje was Helle komen halen, om te spelen, en voor
't eerst ging zij alleen naar het kerkhof.
Toen overviel haar groot verdriet haar dieper en zwaarder dan ooit
tevoren. Het was alsof zij iets in zich voelde bevriezen. Daar hoorde
zij plotseling een scherp-fijn, zacht en innig, voorjaarsverkondend
fluiten door de lucht weerklinken.
Vóór haar in de treuresch, die het graf naast haar overschaduwde,
zat een spreeuw zijn liefdelied te zingen. Wijd sperde hij zijn gelen
snavel in de avondzon open, en de tonen weerklonken zonder ophouden
uit zijn keel, terwijl zijn vleugels van trillende vreugde heen en
weer gingen. Die spreeuw deed haar denken aan den morgen, toen hij
achter haar aan de deur van de visschershut had gestaan en plotseling
zijn armen om haar schouders geslagen en met zijn diepe, trillende
stem gezegd had: "De laatste vierentwintig uren heb ik zooveel geluk
genoten, dat ik nooit van mijn leven meer arm worden kan."
Gold dit misschien ook niet voor haar? Had zij niet hetzelfde
geluk genoten als hij? En was dit niet rijk genoeg geweest, om
een heel, arm leven verder te vullen--? Had zij niet het toppunt
van menschelijk geluk bereikt dien dag, toen zij met oom Frans het
tooverland binnentrad? En al had het land daarna ook zijn poorten voor
haar weer gesloten--zij was er toch met hem samen in geweest en zij zou
weer met hem samen komen, dat wist zij, even zeker als dat de spreeuw
daar in waanzinnige gelukzaligheid om zijn wijfje zat te roepen.
Zou zij misschien willen ruilen met één enkelen van die menschen,
die zij zoo dikwijls tegenkwam, die zich nooit gedragen hadden
gevoeld op den rug van de allerhoogste golven--en zich nooit in
wanhoop op den diepen bodem der zee hadden voelen neergeworpen? Was
zij niet rijk, schatrijk in het bewustzijn, dat zij bezeten had en
nog bezat en eeuwig bezitten zou: een groote, heele liefde? Zij had
altijd gemeend, dat zij miste wat oom Frans noemde: "dat wat meer
karakter geeft aan de persoonlijkheid." Zij had de uitéénloopende
kanten van haar natuur gevoeld--nu werden die door de droeve hand van
het verdriet bijééngebracht--de hand die het menschenhart kneedt,
zooals de beeldhouwer zijn klei, en diepe groeven trekt, waar de
vreugde niet meer dan een dunne streep achter laat.
Sinds de dood van oom Frans had zij het voorjaar niet kunnen
uitstaan. Zij wenschte, dat het altijd winter wezen zou, koude,
donkere winter zonder zon. Al het ontluikend leven, dat in de lucht om
haar heen zong, scheen haar slechts een bespotting van haar eigen,
dood geluk. Zij die daar alleen ronddoolde, zij moest het juichend
bruiloftslied der natuur aanhooren! Haar vingers had zij in haar
ooren gestopt als zij een vogel hoorde zingen--de gordijnen had
zij neergelaten zoolang de zon scheen. Al het licht dat van den
vroegen morgen tot den laten avond bij haar binnenstroomde, zij was
het ontvlucht! En nu keerde zij plotseling haar aangezicht naar de
zon. Had zij zelf niet gezegd:
Schrijf, heerlijk Leven
al wat u lust!
Mij open stel ik
voor het blijde, voor het droeve...
Doch laat niet ledig,
de bladen wit!
Zij mocht de heerlijke, warme dagen vol zon niet vergeten, omdat zij
nu voorbij waren.
De dagen, die er na kwamen, waren geweest:
dagen van zorg en verdriet----
Maar alle, o! alle--
ik had ze geleefd!
Zij moest zoowel het verdriet als de vreugde geheel nemen. Het gaf
niet, of zij al duizendmaal per dag tot zichzelf zeide, dat zij niet
alleen kon zijn--zij moest--moest. En daarbij nog heel gelukkig zijn,
dat zij Helle had.
Zij stond op. Zij liet al de duizenden voorjaarsstemmen haar ziel
doordringen, tot zij geen pijn meer veroorzaakten. En toen trad zij de
groote eenzaamheid binnen--die wel de vreugde, maar niet den rijkdom
aan het leven ontneemt--die langzaam een ziel voorbereidt tot de
laatste eenzaamheid, vóór de deur geopend wordt naar de plaats waar
haar een eeuwig juichend samenleven wacht!
Al de kleine verdrietelijkheden en de kleine genoegens, de groote
verwachtingen en de groote teleurstellingen van het leven, werden
zandkorrels, die tusschen haar vingers weggleden. En zij wist het
zoover te brengen, dat zij slechts één vreugde kende: vooruitzien
naar het beloofde land, en één verdriet: dat de dagen zoo lang waren.
Zóó zag ik haar den stillen Juni-avond, die bijna onmerkbaar in den
lichten nacht overging.
De muziek was reeds lang opgehouden, de lichten waren uit,--maar zij
zat er nog.
Wat kon het haar schelen, of ieder geluid om haar heen al
verstomde, terwijl de vuurtoren daarginds in den eenzamen
nacht werd aangestoken--en dat de stilte levenden menschen
wonderlijke fantasieën gaf over een spookschip, dat met slappe
zeilen onhoorbaar over de golven vlood! Haar schrikte de dood
niet af. Luisterend--voorovergebogen--zat zij daar. Zij zag als
voorbij--door alles heen. Met brandende oogen staarde zij in het
verloren tooverland van haar jeugd----!
Met toestemming van de schrijfster gaf ik, een enkele maal, in
plaats van een getrouwe vertaling der door haar geschreven verzen,
een citaat uit Nederlandsche gedichten, die mij volkomen de stemming
van het origineel schenen weer te geven.
De Vertaalster.