"Ben jij niet bang, dat je geduld ten einde raken zal?" zeide zij.
Hij schudde het hoofd en lachte, evenals zij. "Jacob diende wel twaalf
jaar voor Rachel," zeide hij, "dan kan ik zeker drie jaar voor jou
dienen----drie jaar, die ons twintig jaren zullen schijnen," voegde
hij er bij.
Zij stond hem met haar verleidelijken glimlach aan te kijken en zeide:
"O, wat zal 't heerlijk zijn om met jou samen te leven! En wat zullen
we Helle om 't hardst liefhebben!"
En alsof hij zijn naam had hooren noemen, begon Helle op hetzelfde
oogenblik duchtig in zijn wieg te trappelen en gaf door een paar korte,
besliste kreten, zijn wensch te kennen om er ook bij te zijn--en
Kaja haastte zich hem op te nemen. Zij tilde hem op haar schouders
en danste met hem de kamer rond. De namiddagzon viel gedeeltelijk
over haar kleed, streelde de fijne huid van den jongen en straalde
verwarmend over haar gelukkig, jong aangezicht.
Hij stond hen aan te zien en het was alsof zij beiden al de zijnen
waren--zoo'n overweldigend gevoel van rijkdom doorstraalde hem.
"Stel je voor!" zeide hij zacht tot zichzelf, "dat het werkelijk
nog maar drie jaar is vóór we het beloofde land bereiken zullen! Het
tooverland van ons geluk!"
Zij bleef staan en keek hem aan.
Dat hij nu ook juist dezelfde gedachten had--en ze in dezelfde
woorden uitte!
Hij ging naar haar toe en met het kind op haar schouders, drukte zij
zich tegen hem aan.
"Mijn eigen kleine wereld!" zeide zij zacht en innig, terwijl zij
haar oogen van het kind naar hem, en van hem weer naar het kind
liet glijden. "Neen!" zeide zij plotseling, terwijl zij haar hoofd
weer tegen zijn borst drukte: "Mijn eigen groote, heerlijk zalige
wereld----!"
"En dagen kwamen
en vlogen voorbij,
snel als de bliksem:
dagen van kracht en warmte,
dagen vol zon....
Als een jaar later iemand hun één van beiden gevraagd had, waar de tijd
gebleven was, zouden zij het noch voor zichzelf, noch voor anderen
hebben kunnen verklaren, zoo waren uren, dagen, weken en maanden
voor hen voorbijgevlogen. Lichter dan de eerste blauwe vlinder een
eersten warmen voorjaarsdag over het jonge groen vliegt, vlugger dan
de eerste zwaluw zingend langs de eerste, witte zomerwolken zweeft.
Geen van beiden wist, waar de tijd gebleven was, doch af en toe zeide
zij: "Waar blijven de dagen, oom Frans? Het is, alsof ik ze vast moet
houden, alsof ze anders geheel in het niet zinken; het leven wordt àl
te kort voor ons, als we er met zulke reuzenstappen doorheen vliegen."
Doch hij lachte slechts en zeide: "Ja, ja, zoo moet het zijn. Denk
er maar aan, dat het beter is, kort en rijk te leven dan lang en arm."
Oom Frans was jonger dan ooit te voren. De guitige uitdrukking was in
zijn oogen teruggekomen en hij liep weer even recht en veerkrachtig
als voorheen. Op straat neuriede hij meestal zacht in zichzelf,
af en toe betrapte hij er zich zelfs op, dat hij hardop zong!
Het was of er altijd een lach speelde om de fijne, beweeglijke lijnen
van den mond, niet bepaald een glimlach maar zulk een blij gelukkige
trek, dat men de oogen niet van zijn mond kon afhouden.
Kaja was slanker en bleeker dan gewoonlijk, maar zij straalde van
vreugde als zij over het correctiewerk gebogen zat, dat oom Frans
haar verschaft had, en waarmee zij ongeveer de vijfhonderd kronen
verdiende, die zij noodig had, om er met de rente van haar klein
kapitaal van te kunnen leven.
En Helle? Ja, Helle maakte het misschien wel het allerbest. Hij was
begonnen op zijn kleine, korte, dikke beentjes de kamer rond te zeilen
en hij deed dit met een gewichtigheid, alsof hij heer en meester
was van 't heelal. Oom Frans noemde hem "De Czaar", als hij bij zijn
moeders stoel stil bleef staan en met een echte commandostem riep:
"Helle op!" Doch zoodra hij op haar schoot zat, veranderde de
uitdrukking van zijn gezichtje en stonden zijn oogjes weer schelmsch en
zacht, en dan verborg hij met een gelukzaligen zucht zijn hoofdje aan
haar borst. Zijn zwarte krulhaar viel, evenals dat van oom Frans, over
zijn voorhoofd, en zijn oogen waren even veranderlijk van kleur als de
zijne, maar mond en kin geleken meer op die van Kaja. Het eenige, wat
Helle van Peter Dam geërfd scheen te hebben, was zijn sterk gebouwde,
krachtige gestalte en de bizonder schoongevormde, kleine ooren.
Het was of Peter Dam zijn bestaan vergeten was.
Den dag, dat Kaja met het kind op de armen de trap af ging, om weg te
rijden, stond hij hen aan de deur met vochtige oogen na te kijken,
en had hij een gevoel of met deze twee, het beste wat hij had, hem
verliet. Doch een paar uur later was er geen spoor van verdriet meer
op zijn aangezicht waar te nemen.
Een week later kwam hij naar Helle hooren en toen hij wegging, liet
zij hem vriendelijk uit en verzocht hem zoo dikwijls te komen, als
hij behoefte voelde om het kind te zien.
Doch sinds dien had zij hem niet meer gezien. Zij hoorde dat hij
koninklijke toestemming aangevraagd had, om te trouwen vóór den bij de
wet bepaalden tijd, en zij hoopte oprecht voor hem, dat hij die krijgen
zou. Over 't geheel dacht zij aan hem als aan een volmaakt vreemde.
Oom Frans bracht onder een zwijgende overeenkomst al zijn avonden
bij haar door. Hij kwam vroeg in den namiddag. Dan lazen zij eerst
samen of maakten een wandeling.
Helle mocht verdiept zijn in zijn meest geliefde spelen, huizen bouwen
die altijd invielen, zoodra hij ze met de grootste moeite had opgezet,
of water pompen uit een pomp, die nooit leeg werd--zoodra hij de
voetstappen van oom Frans hoorde, stond hij dadelijk op en liep naar de
deur. Er was niets ter wereld zoo heerlijk dan op de schouders van oom
Frans te zitten en hem duchtig aan zijn haar te trekken, of paard te
rijden op zijn knie, terwijl oom Frans er de vroolijkste wijsjes bij
floot. Dan was het: "Helle iets vertellen", en oom Frans werd nooit
moe in 't verzinnen van nieuwe verhalen. Al de liefkoozingen, die hij
haar niet geven durfde, verdeed hij aan den jongen. Zij glimlachte,
als zij het zag. Hij sprak nooit tegen haar over liefde, maar hij
verstond de kunst, haar op duizenderlei wijzen met zijn teederheid
te omringen en er haar altijd weer van te overtuigen.
Op een goeden dag kwam hij thuis met een groot hobbelpaard. "Dat
is voor Helle," zei hij, als antwoord op haar vragenden blik. Een
ander maal was het een ganglamp. "Want ik heb gemerkt, dat je je
tegen de kast in den hoek stoot, als je me uitlaat," klonk het bijna
verontschuldigend. En op een zekeren dag kwam hij onverwacht met een
met bont gevoerden mantel. "Je mag er niet boos om zijn, maar ik ben
bang, dat je het te koud hebt in den ouden," zeide hij en hing den
mantel zonder verdere complimenten om haar schouders.
Het gevoel dat zij altijd in zijn gedachten was, maakte haar oneindig
gelukkig.... en als zij alle drie, even verdiept in 't spel, op den
grond lagen, dan ontbrak er slechts één ding, om hun geluk volmaakt
te doen zijn.
Zij hadden het tot een vasten regel gemaakt, iederen Zondag naar
Oringe te gaan. Zij hadden de rollen op zich genomen van adjudant
van den prins en van hofdame van de prinses, en oefenden een sterk
kalmeerenden invloed op de zieke. Als zij eens oversloegen, werd
zij dadelijk onrustig en woelig, en zoo werd het gewoonte, dat zij
altijd kwamen.
Kaja had een gevoel, alsof zij nooit haar schuld tegenover haar
moeder vereffenen kon, de schuld van al die jaren, dat zij zich niet
om haar bekommerd had en zij als dood voor haar geweest was! En het
was alsof zij zich ook verantwoordelijk gevoelde voor haar vader,
die zijn schuld tegenover zijn vrouw vergrootte, iederen dag, die
verliep, zonder dat hij naar haar omkeek. En Kaja wist nauwelijks,
hoe zij dit alles goed kon maken.
Doch oom Frans, die zag, dat dit gevoel licht tot ziekelijke
overdrijving kon overslaan, zeide op zekeren dag op zijn gewonen,
kalmen toon:
"Als zij mij goed genoeg vindt, om in de plaats van den prins te komen,
dan vind ik, dat jij er ook wel vrede mee zoudt kunnen hebben en mij
kalm alleen laten gaan."
En toen werd zij een beetje verlegen.
"Je bent veel te goed," zeide zij, blozend, toen zij hem zag
glimlachen. Maar daarna tobde zij er niet meer over.
Den eersten zomer, dat zij met het kind alleen woonde, bleef zij in
de stad, ook gedurende de vacantie, doch den zomer dat de jongen twee
jaar werd, stelde oom Frans voor, dat zij van half Juli tot het einde
van Augustus naar buiten zouden gaan. Het zou zoo goed voor Helle
zijn eens naar hartelust de buitenlucht te genieten.
Vol enthousiasme ging zij op zijn voorstel in.
"Maar waar naar toe?" vroeg zij.
"Ik stel voor naar Rödvig. Daar is 't heerlijk baden en er is een
verrukkelijk kreupelbosch."
"Goed, dan gaan we naar Rödvig!" riep zij stralend uit.
"Hoera, Helle! Nou zal je plezier hebben! Huizen in 't zand bouwen
en de leeuweriken hooren zingen!"
En uitgelaten sprong zij met den jongen in het rond, die haar bij haar
hoofd vast greep en met zijn kleine voetjes tegen haar aantrapte. Oom
Frans volgde hen met zijn gelukkige oogen.
"Wat zullen we 't daar heerlijk hebben," zeide hij.
Zoowel zij als hij beschouwden 't als iets dat van zelf sprak, dat
hij mee zou gaan.
Maar er waren anderen, die 't niet met dezelfde oogen beschouwden,
en Kaja werd op straat dikwijls staande gehouden door kennissen,
die vroegen:
"Is het heusch waar, dat je met oom Frans naar buiten gaat?"
Zij bloosde van verontwaardiging over de insinuatie, maar antwoordde
moedig:
"Ja, waarom zou ik niet?"
"Waarom?" klonk het dan in koor, beleedigd. "Hemel, Kaja, je kent de
wereld. Er is van den winter al genoeg over jullie gesproken, omdat
hij je zooveel bezoekt, maar als je nu op den koop toe nog met hem naar
buiten gaat, dan begrijp je heel goed wat de menschen zeggen zullen!"
Haar vingers jeukten, om de spreekster een paar flinke klappen om haar
ooren te geven, maar zij bedwong zich. Zij wierp het hoofd in den nek,
zooals zij altijd deed, als zij verontwaardigd was, en zeide trotsch:
"Ik geef geen cent om het oordeel der menschen. Ik heb niets te
verbergen--en hij evenmin."
Doch tegenover een bizonder opdringerige, oude vriendin viel zij,
terwijl zij van verontwaardiging met haar voeten op de straatsteenen
stampte, uit: "Kunnen de menschen hier in de stad zich dan in 't
geheel geen denkbeeld vormen van een reine verhouding?"
Doch daar de opmerkingen zich steeds herhaalden en iederen dag nieuwe
toespelingen haar ter oore kwamen, begon het haar op het laatst toch
pijn te doen.
Zooals iedere reine vrouw was ook zij teergevoelig, waar het haar
reputatie aanging. Het deed haar zeer, dat iemand die besmetten
kon. Doch allermeest pijnigde het haar, dat hun innigste private leven,
hun fijne, mooie verhouding, die slechts hij en zij kenden, door
nieuwsgierige vingers bezoedeld en aan de kritiek van kleingeestige
wezens onderworpen werd. Zij kon, zoo dikwijls zij wilde, voor zichzelf
herhalen: "Ik ben aan niemand rekenschap verschuldigd, waar het onze
verhouding aangaat--dat gaat niemand anders aan dan hem en mij,"--toch
vervolgde haar het bewustzijn, dat nieuwsgierige oogen hen gadesloegen
en zij begon er over te denken, of het maar niet het best zou zijn,
als zij, zoo ver mogelijk van elkaar, ergens naar buiten gingen. Doch
aan den anderen kant kwam haar heele gemoed er tegen in opstand,
volmaakt onverschilligen menschen zulk een offer te brengen. Zij,
die zoo gierig was op iedere seconde die zij samen doorbrachten! Zij,
die slechts leefde de uren, dat hij bij haar was! Zij kon noch wilde
dit offer brengen. En de oude angst ontwaakte weer in haar: Als hij
eens plotseling stierf! Wat zou zij zich dan iedere minuut, die zij
niet met hem doorgebracht had, beklagen!
's Nachts lag zij met allerlei verwarde gedachten wakker. Doch zij
kon er niet toe komen, er met hem over te spreken, het was of zij er
zich over schaamde.
Het oordeel der menschen! Wat was dat voor hem? De zoogenaamde
publieke opinie--wat gaf hij er om? Hij ging zijn eigen weg, zooals
hij altijd gedaan had, en zij wist, dat hij met oneindige minachting op
zoogenaamde vormen neerzag. Doch de strijd liet zijn sporen achter. Zij
werd bleek en stil, en toen zij haar koffers voor de reis begon te
pakken, was de vreugde voor de reis verdwenen.
Zij liep rond als iemand die graag vroolijk wilde zijn, maar het
niet kon.
Hij sloeg haar nauwkeurig gade, en zij was er zeker van, dat hij
zag wat zij dacht, maar zeide niets. Het was, of hij haar alleen den
strijd ten einde wilde laten voeren.
De dag vóór zij op reis zouden gaan, brak aan. Oom Frans zat in de
zitkamer met Helle te spelen. Zij liep heen en weer en legde kleeren
in den koffer, die half gepakt bij de deur stond. Plotseling zeide
zij, schijnbaar onverschillig, terwijl zij zich diep in den koffer
neerboog, om haar blozen te verbergen: "Heb je voor ons alle drie
kamers in het hotel besteld?"
"Neen," antwoordde hij kortaf, "ik heb alleen een kamer voor Helle
en jou besteld."
"Waar logeer jij dan?"
Plotseling keerde zij zich geheel naar hem toe.
"Ik weet het nog niet juist--als ik mee ga, neem ik misschien een
kamer bij den een of anderen visscher aan 't strand."
"Als je meegaat?" vroeg zij angstig.
Toen stond hij driftig op en zeide:
"Ja, want ik kom alleen, als we den geheelen dag samen kunnen
zijn. Begrijp je? Niet een paar karig toebedeelde uurtjes per dag,
maar den heelen dag. Ik kom niet, als je van plan bent mij voor wat
"mag" of wat "niet mag" op te offeren--en ik ben bang, dat je daar
de laatste dagen mee bezig bent geweest, nietwaar?"
Zij was vuurrood geworden en haar oogen stonden vol tranen. Toen
zeide zij met bevende stem: "Och, toe, wees niet boos op me."
Met Helle aan de hand ging hij naar haar toe en de jongen stak
oogenblikkelijk zijn andere handje naar zijn moeder uit die het
haastig vast greep.
"Zie je," zeide hij, terwijl hij haar diep in de oogen keek, "zoolang
wij tweeën elkaar vrij in de oogen kunnen zien met dat handje in de
onze, zoolang zijn wij niemand anders rekenschap verschuldigd. We zijn
in 't geheel geen ziel rekenschap verschuldigd," ging hij heftig door,
"dan aan den jongen hier. Tegenover hem zullen we eenmaal kunnen
staan als twee reine menschen. Hij zal zich nooit over ons behoeven
te schamen."
Zij had de hand van den jongen losgelaten en sloeg haar arm om
zijn hals.
"Oom Frans!" zeide zij met vochtige oogen, terwijl zij hem gekscherend
bij den kraag van zijn jas schudde--"ik bezweer je, dat, waar je ook
naar toe trekt in de wereld, daar gaan Helle en ik mee, hoor--je kunt
nooit meer van ons af. En geen minuut van den dag zal ik je onthouden."
"Geen minuut! Beloof je me dat?" vroeg hij stralend.
"Dat beloof ik."
Haar geheele wezen straalde zóó van liefde, dat hij een gevoel kreeg,
alsof hij haar nu in zijn armen nemen moest en haar niet meer loslaten,
vóór zij geheel de zijne was. Doch toen keerde hij zich met een ruk
om, tilde Helle op zijn schouders en sprong met hem de kamer rond.
"Meer, meer!" gilde Helle, en schopte met zijn beentjes oom Frans op
de borst.
En oom Frans sprong en danste, dat het een lust was.
Als Kaja later aan dezen tijd terugdacht, begon haar hart altijd even
snel te kloppen als toen, dat haar geheele ziel juichte van vreugde,
juichte van geluk!
In dien tijd had zij Rödvig's strand en Rödvig's bosch voor eeuwig
liefgekregen. Dáár, waar de wilde rozen zich slingerden om de
kamperfoelie, als wilden zij gezamenlijk den weg naar een tooverslot
verbergen, dáár groeide hun geluk voor altijd op, dáár ontwikkelde
zich hun gedachtenleven in vollen rijkdom, en dáár begonnen zij voor
het eerst samen te spreken over het tehuis, dat zij bouwen zouden,
en ontwerpen en plannen voor de toekomst te maken.
"Nu nog maar anderhalf jaar!" konden zij tegen elkaar zeggen en zij
spraken over die anderhalf jaar of het slechts een week was.
Urenlang konden zij aan het strand zitten luisteren naar de golven,
of zacht samen praten, terwijl Helle om hen heen in het zand speelde
en hen af en toe met zijn helderen kinderlach in de rede viel. Of zij
lieten steentjes over het water keilen of schertsten met de visschers
en verdiepten zich in de kleine genoegens en verdrietelijkheden van
het dagelijksch leven--doch ieder maal dat zij bij 't kreupelbosch
kwamen, was het alsof zij door een toovermacht werden aangegrepen. Dan
bleven zij stilstaan, en, terwijl zij elkaar aanzagen, zeiden zij
soms vragend:
"Vindt je niet, dat het precies is, alsof we hier samen een tooverland
ingaan?"
En geen van beiden dacht er aan, dat hun liefde het tooverland was, dat
zijn draden spon over dagen en jaren, tusschen rozen en kamperfoelie
recht door naar het tooverslot, naar het beloofde land, dat hun in
dien tijd meer nabij scheen dan het bosch, waarin zij liepen, meer
nabij dan de lucht, die zij inademden en het mos, dat zij betraden. O,
heerlijk, heerlijk kreupelbosch! Met uw verrukkelijke paadjes, die
zoo smal zijn, dat men ze nauwelijks ziet, en zóó diep, alsof ze nooit
eindigen--met uw woudduiven die altijd kirren, met uw nachtegalen die
zingen tot lang na Sint Jan--met uw kleine, plotseling te voorschijn
komende watertjes, en uw geur--uw wonderlijk zaligen geur van volle,
gele kamperfoelie! Geen wonder dat gij iemand de ziel betoovert! Geen
wonder, dat de twee menschen, die hun lichtste levensdagen in uw schoot
doorleefden, u nooit meer kunnen vergeten! Hun liefde werd even licht
en harmonisch als overgangskleuren in de toppen van het jonge hout. Het
was of zij inéénvloeide met de zonnenevelen over het blanke water.--
Helle werd daarbuiten door de zon verbrand en flink, zijn geheele
kleine persoontje straalde van gezondheid, en hij danste van
plezier, als hij tusschen hen inliep met zijn kleine, dikke handjes
vertrouwelijk in de hunne. Hij maakte hen menigmaal door zijn grappige
invallen, en door zijn volhardende pogingen, om zich verstaanbaar
uit te drukken, aan het lachen.
Als zij zoo, met den jongen tusschen hen in, door het dorp liepen,
was de familiegelijkenis zóó in 't oogvallend, dat het niemand ontgaan
kon, en tegelijkertijd lag er een glans van geluk over de geheele
groep, die zich in alles om hen heen, zelfs in de aangezichten van
de menschen die zij tegenkwamen, scheen te weerspiegelen.
"De gelukkige familie" noemden de menschen uit het dorp hen en zij
hadden, als zij hen ontmoetten, een vaag gevoel, iets wonderlijks
gezien te hebben.
En voor "de gelukkige familie" was iedere nieuwe dag, dien zij
beleefden, een nieuwe vreugde. Zij wisten niet, waar de dagen en
weken bleven--al wat zij wisten, toen de laatste dag aanbrak, was,
dat het leven heerlijk was geweest.
Geen van beiden vonden zij woorden, die hun geluk konden
uitdrukken--doch zij dachten hetzelfde en hun gedachten kruisten
elkaar, en verkondigden elkaar wat zij beiden voelden. Het eene
oogenblik liep hij te fluiten, het andere zij te zingen, en altijd
sprong de jongen juichend tusschen hen in.
Iederen avond, als zij alleen naar het strand liepen, ging zij op
een hoogen steen aan het water zitten, met haar handen onder de knie
gevouwen, en dan zong zij met haar diepe, warme stem.... en haar
gezang vlood ver weg van de kust, ging ver weg over de golvende,
frissche zee....
Dan lag hij in het zand naast haar en keek haar aan met zijn oogen,
die van kleur veranderden, evenals het water van de zee daar vóór hen.