Kaja."

Zij begreep zelf niet, wat een votum van vertrouwen zij hem gaf,

toen zij dien brief verzond--doch hij begreep het en stelde haar

vertrouwen niet teleur.

Zoodra de scholen sloten, kwam oom Frans. Heel stil alsof het de

natuurlijkste zaak ter wereld was, gleed hij weer haar leven in. Hij

pakte zijn koffers uit, sloeg zijn boekenplank op en versierde het

kamertje, dat hij gehuurd had, met oude portretten van Kaja. Als zij

in zijn kamer zat, kreeg zij een gevoel, alsof zij weer kind geworden

was en alsof het gelukkige, kinderlijke gevoel van veiligheid weer

over haar gekomen was.

"Maar waar is het gedenkboek?" zeide zij op zekeren dag, toen zij de

boeken op zijn schrijftafel doorbladerde.

"Dat heb ik verbrand," klonk het korte antwoord.

"Verbrand!" riep zij uit. "Hoe zonde! Hoe kon u dat doen?" Bijna

instinctmatig voelde zij, dat hij dat gedaan had om een zeker klein

versje, dat zoo zeker over haar lot beslist had, en toch herhaalde

zij mechanisch: "Hoe kon u dat doen?"

Zij wachtte een oogenblik op antwoord, doch hij bleef zwijgen. En daar

zij gewoon waren elkaars zwijgen te eerbiedigen, doelde zij nooit

in het vervolg meer op het gedenkboek. Slechts eenige dagen later,

toen hij haar een paar van Shelley's gedichten had voorgelezen,

vroeg zij hem: "Zeg me eens eerlijk, oom Frans, heeft u werkelijk

nooit zelf verzen gemaakt?"

"Waarom?"

"Omdat u zoo mooi verzen voorleest."

"Dat is heel iets anders dan er te maken. Ik zou beter op mijn hoofd

kunnen gaan staan dan twee regels poëzie schrijven."

"Dat is toch merkwaardig! Ik dacht dat alle menschen verzen konden

maken--ik meen op enkele oogenblikken van hun leven," voegde zij er

weifelend bij.

"Wel, wel--je praat misschien uit ondervinding?"

"Ja, u hoeft tenminste niet te denken, dat ik soms mijn ziel ook niet

eens in verzen lucht geef!" zeide zij, met een guitig glimlachje.

"Jij?--Wanneer komen ze uit?"

"Ach, u weet heel goed, dat ik 't zoo niet meen. In mijn heele leven

zou ik nog geen honderd bladzijden kunnen vullen--maar dan zijn ze ook

te goed om gedrukt te worden. Begrijp mij wel, niet voor anderen, maar

voor mij zelf. Ik schrijf nooit iets, dat ik niet eerst gezongen heb,

zoodat er dan ook altijd een beetje van mijn hartebloed aan kleeft--en

ik houd er niet van, dat vreemde handen mijn hart beroeren...."

Hij lachte om de grappige manier, waarop zij zich uitdrukte, doch

tegelijkertijd boog hij zich naar haar toe en zeide:

"Maar mijn hand is toch geen vreemde hand."

Zij begreep hem dadelijk.

"U kunt ze toch niet lezen," zeide zij, "want de meeste zijn in

't geheel niet opgeschreven--maar 's avonds zal ik ze voor u zingen."

En zoo gebeurde het. Iederen morgen zaten zij samen onder den ouden

kastanjeboom--zij naaide en hij las haar voor--en iederen avond

zong zij op oude, bekende zangmuziek haar eigen, trillende woorden,

terwijl hij, met zijn zachten, breedgeranden hoed diep over zijn

voorhoofd, zat toe te luisteren. En als de zon aan 't ondergaan

was, liepen zij samen het klaverland door, tusschen glinsterende,

roode papavers en gele paardebloemen, en dan was zij het meestal die

sprak. Dan sprak zij over het kind--haar geheele ziel was één lofzang

voor het kind. Zij wachtte er niet op moeder te zullen worden, zij

was het reeds. Zij leefde en ademde met het kleine hartje, dat zij

onder het hare kloppen voelde, en dat gevoel was haar heilig. En zij

vertelde vol glorie, hoe het kind haar zijn eerste glimlachje geven

en hoe het zijn eerste wankelende schreden wagen zou.

Zij verzekerde oom Frans, dat zij streng in haar eischen wezen zou,

omdat zij zich sterk in haar liefde voelde. Haar kind zou een wonder

van gehoorzaamheid zijn!

En alles nam hij ernstig op, oom Frans, en zij behoefde nooit bang te

wezen verkeerd begrepen te worden. Hij gaf nauwkeurig acht op al haar

afwisselende gemoedsstemmingen--hij verplaatste zich in de fijnste

aandoeningen harer ziel--hij werd het nooit moede. Af en toe kreeg

zij een gevoel, alsof hij haar hart in zijn handen ronddroeg en tot de

geringste trilling er van gewaar werd. En dan dacht zij aan het versje:

"Zijn heele leven streed hij

om het roode goud alleen,

steeds heeft hem 't geluk bedrogen,

dat bedriegen kan als geen.

Eén harte sloeg hem tegen

gestaag in vreugd' en in rouw....

De jaren kwamen en gingen--

onwrikbaar bleef het getrouw.

Toen lei hij zijn hand op dat harte,

--het was hem zoo droef en benauwd--

Daar glimlachte 't vóór zijn oogen

van louter rood-warm goud!"

Op een zekeren dag tegen het einde van de maand kwam Peter Dam. Hij

was in een uitstekend humeur en sprak luid.

Hij kwam 's morgens en vertrok 's avonds weer.

"Je hebt er zeker niets tegen," zeide hij, "dat ik met één van mijn

vrienden eens een tochtje naar Bornholm maak? Jij hebt toch oom Frans."

"Ja," zeide zij, terwijl zij op haar eigenaardig-stille, gelukkige

manier glimlachte, "ik heb oom Frans toch."

En hij werd zóó dankbaar door haar meegaandheid, dat hij voor 't

eerst over 't kind begon te praten. Doch toen zweeg zij plotseling.

En in het beste humeur reisde hij nog denzelfden avond weg.

Toen hij vertrokken was, herademde oom Frans, doch Kaja bleef nog

lang gedrukt en zwijgend. Hoewel zij hem geen oogenblik miste, zag zij

hem toch met een gevoel van bitterheid heengaan;--het was haar, alsof

hij door zijn vertrek iemand onrecht aandeed, niet haarzelf--maar het

kind. Het was toch even goed het zijne. En dat hij er zóó onverschillig

onder bleef, bracht haar geheele gemoed in opstand.

Ondertusschen bleef Peter Dam de geheele vacantie op Bornholm en zoo

gebeurde het, dat oom Frans, geestelijk gesproken, de vader van het

kind werd. Hem sprak zij er over op de warme, stille wijze, die haar

eigen was, met haar stem die zoo geheimzinnig klinken kon en haar

oogen, die zoo wonderlijk nadenkend en bezield konden wezen.

Hem toonde zij het wiegje met de fijne, lichtblauwe, zijden

gordijntjes, die zij met zooveel zwijgenden eerbied opzij wist te

schuiven. Nooit zou zij het aan iemand anders dan aan oom Frans hebben

kunnen toonen.

En hij zou nooit vergeten, hoe zij hem toegefluisterd had: "Kom eens

kijken!" en op haar teenen, hem vóór, de trap was opgegaan.--Hij

merkte, dat hij onwillekeurig hetzelfde deed.

Bij de deur van een klein zolderkamertje bleef zij staan, en deed

die toen heel voorzichtig, o, zoo voorzichtig! open. Toen duwde zij

hem zachtjes vóór haar de kamer in en sloot de deur weer achter zich.

Midden in de kamer stond het wiegje--zacht en lief, fijn en blauw--een

klein koninkrijk, dat op zijn heerscher wachtte! En er naast stond zij

zelf met gevouwen handen en haar hoofdje wat ter zijde, terwijl een

uitdrukking van heilige aandacht over haar gelaat verspreid lag. Het

rood-gouden haar kroesde over haar slapen en het bloed zag men gaan

onder haar doorschijnende, fijne wangen.

Hij had haar nooit meer liefgehad dan op dat oogenblik, toen het

diepste en vrouwelijkste van haar natuur zoo zeer op den voorgrond

trad. Toen voelde hij weer dezelfde wonderlijke gevoelens in zich

opkomen, die hij ook eenige weken vóór het huwelijk gehad had. Zooals

hij zich toen verbeeldde, dat het de woning was van haar en van

hem, die zij samen in gereedheid brachten, zoo verbeeldde hij zich

nu één oogenblik, dat 't haar en zijn kind was, waarop zij samen

wachtten. Zonder dat hij 't zelf wist, streek hij met zijn hand over

het wiegje, en er sprak zooveel teederheid uit deze enkele beweging,

dat zij geheel onwillekeurig zijn hand greep en die kuste.

Toen deed zij zachtjes de deur weer open en ging op haar teenen

naar beneden.

"Zoo lieflijk lonkte al 't weigebloemt ons tegen,

als hadden gras en kruiden duizend oogen.

Als had elk groenend blaadje een stem gekregen,

zoo veêlde en kweelde 't in de looverbogen."

Zij liepen samen door het klaverveld--weelderige, dichte klaver,

hoogopgeschoten, welriekende klaver, die de lucht om hen heen met

een stroom van wellust vervulde.

"Wat verderop was het gras gemaaid en noodigden groote hooihoopen

tot rusten uit. Zij gingen het boschhek door naar de weide.

De oude vrouw bij de bron knikte hen toe en zeide:

"Nu is Mevrouw zeker wel blij dat Mijnheer gekomen is?" terwijl zij

oom Frans met haar gulsten glimlach aanzag. Kaja knikte slechts en

liep door, terwijl het bloed haar naar de wangen steeg. Voor het

eerst voelde zij zich achteruit gezet door het bewustzijn, dat haar

man haar veronachtzaamde.

Zou het Peter Dam niet hebben moeten zijn, die zich gedurende dezen

tijd voor haar opofferde? Was het niet beneden alle kritiek, dat het

oom Frans wezen moest, die deze dagen en weken van verwachting met haar

deelde? Zij zuchtte zoo diep en bitter, dat hij staan bleef en haar

arm door den zijnen haalde. Zooals altijd trok hij de pijnveroorzakende

naald uit de wonde.

"Het was heel lief van je, me hier te willen hebben," zeide hij. "Van

je geboorte af heb ik al zooveel met je gedeeld, dat ik mij niet zou

kunnen voorstellen ook dit niet met je te deelen. En je weet ook heel

goed, dat ik 't liefst mijn vacantie ergens buiten rustig doorbreng,

terwijl je man daarentegen behoefte heeft aan een opfrisschend toertje

met goede vrienden."

Zij was hem dankbaar voor die tactvolle woorden en zeide:

"Ja, de menschen zijn zoo verschillend."

Zij had geen lust, hem te vertellen, dat het dien dag juist drie

weken geleden was, sinds zij bericht van Peter Dam gehad had, en

dat het toen slechts een paar regels op een open briefkaart geweest

waren. Zij miste zijn brieven niet, en toch voelde zij zich door zijn

stilzwijgen gekrenkt.

Zij zelf had drie brieven geschreven, die ieder maal korter en kouder

geweest waren,

"Zullen we hier niet eens wat gaan zitten?" zeide hij, terwijl hij

haar voerde naar een ouden boomstronk, die wonderlijk verlaten aan

den oever van een beekje stond, dat midden door het hooge veldgras

liep. Het beekje stroomde en murmelde tusschen de met mos bedekte

steenen, terwijl de veldbloemen aan den oever stonden toe te luisteren.

De witte boksbaard knikte de gele dotterbloem vriendelijk toe. De

ronde ranonkel kuste den ooievaarsbek. De wilde wikke babbelde met

de witte sterrebloem en de winde kroop van den ouden boomstronk af

en omhelsde het sappige standelkruid, alsof het de natuurlijkste

zaak ter wereld was. De blauwe eerenprijs fluisterde met het bruine

nagelkruid en de groene waterkers waagde een mislukte poging, om

de slanke morgenster te bereiken. Doch boven alles verhief zich het

waterlisch met zijn fijne stengels en sierlijke vormen. Die durfde

niemand kussen of toefluisteren!

Het minste windje blies een bloempje om en wierp het in de beek,

waar het in het zilver-klare water als een roode vlinder schitterde,

en het was alsof er gezang weerklonk uit de lucht, die met het

bloempje henenvlood.

Kaja en oom Frans zaten aan den oever toe te luisteren. Zij dachten

hetzelfde en voelden hetzelfde. De liefde bond hun zielen samen. Het

gezang van de babbelende beek aan hun voeten was hun de schoonste

muziek, die hun innigste gevoelens scheen uit te drukken en waar

zij een weerklank van hun geheelen levensloop in meenden terug te

vinden. En toen dachten zij beiden, hoe het leven hun droomkasteelen

omver had geworpen, als kaartenhuizen omgeblazen, en hoe zij hier als

twee gelukkige menschen bij elkaar hadden kunnen zitten, als één van

hen niet tegen beter weten in gehandeld had...

Doch daarover spraken zij niet--instinctmatig vermeden zij, wat tot

een verklaring had kunnen leiden.

"Oom Frans," zeide zij slechts, "wat zal 't eenzaam zijn, als u

weg is."

Hij antwoordde niet dadelijk. Hij dacht er aan, hoe hij nog slechts

twee dagen bij haar wezen zou, en bij die gedachte kromp zijn hart

inéén. Hij wist niet, hoe hij haar of zichzelf zou kunnen troosten.

"Ik zal Zondags overkomen," zeide hij toen--"als ik mag."

Zij stak hem beide handen toe en antwoordde:

"Dan zal ik iederen dag verlangen, dat het maar Zondag was!"

Hij voelde, dat hij haar niet aan durfde zien, terwijl zij dat zeide,

en boog zich neer, om een kevertje, dat in een spinneweb geraakt was,

te bevrijden.

"Ja," zeide hij toen bij wijze van afleiding, "je hebt behoefte om

eens met iemand te praten--en je weet, dat je oude oom Frans je trouw

is--op hem kan je altijd rekenen."

Zij begreep dadelijk, waarom hij "oude" oom Frans zeide. Vóór alles

wilde hij den voet van vertrouwlijkheid bewaren, waarop zij tot nu toe

gestaan hadden--nooit zou hij haar tegemoet willen treden met woorden,

waarnaar zij niet hooren mocht. Hij zou het wel volhouden! Hij hoorde

tot die menschen, die tot zoo iets in staat zijn. En plotseling

begreep zij, dat de liefde van een man zóó sterk kan wezen, dat die

levenslang zijn paden rein houdt.

En terwijl zij met haar wakkere oogen voor zich uit zat te staren, kwam

opeens alles haar zóó warm en stralend voor, dat een groote blijdschap

zich van haar meester maakte en zij zachtjes begon te zingen:

"Zoo lieflijk lonkte al 't weigebloemt ons tegen,

als hadden gras en kruiden duizend oogen.

Als had elk groenend blaadje een stem gekregen,

zoo veêlde en kweelde 't in de looverbogen."

"Weet u nog wel, oom Frans?"

"Ja, dat heb ik je zelf geleerd, heel lang geleden!" antwoordde hij.

"Heel lang geleden," herhaalde zij.

En aan haar voeten wuifde het schoone waterlisch... De beek kabbelde

en het riet suisde....

De laatste dagen van Augustus ging oom Frans naar de stad terug en

toen bleef Kaja alleen achter.

Zoodra hij weg was, werd zij weer door haar vroegeren angst overvallen,

hoewel nu in anderen vorm. De angst voor het kind ging over in een

angst voor oom Frans. Zij had hetzelfde wanhopende gevoel, dat zij

als kind had, als zij vóór de deur stond te luisteren en niet binnen

durfde gaan, uit vrees hem dood te zullen vinden. En zoodra zij 's

avonds haar oogen sloot, zag zij hem vóór zich, dood, of, liep zij

achter zijn baar.... Zij hoorde de klokken luiden en zij zag zichzelf

langzaam, heel langzaam achter de kist loopen. En zij voelde, hoe

zij door het ontzettend gevoel van verlatenheid, dat haar overviel,

geen voet verzetten kon. Als zij dan ontwaakte, riep zij fluisterend

in het donker uit:

"Arme baby, arme kleine baby, wat moet er van jou worden, als hij

sterft?"

En nu zij hem niet meer dagelijks zag, schreef zij hem. En in haar

brieven sprak zij over het kind, zooals zij er met hem zelf over

gepraat had, en hij antwoordde op dezelfde manier.

Hij vertelde haar, dat hij zich geabonneerd had op de nieuwe uitgave

van de sprookjes van Andersen. Dat zou iets voor het kind zijn.

En zij beschreef hem, hoe zij het kamertje naast de zitkamer thuis

tot kinderkamer zou inrichten, zoodat zij altijd het wiegje zou kunnen

zien. Want niemand anders dan zij zelf zou het kind mogen aanraken. Dag

en nacht zou zij er bij zijn. En hij vroeg schertsend, of hij audiëntie

bij zijn Koninklijke Hoogheid zou moeten vragen, of dat hij gewoon

buiten de deur moest zingen: "O, mijn lieve Augustijn----!"

Als zij zijn handschrift maar zag, was zij reeds gekalmeerd en verliet

de wanhopende angst haar voor een oogenblik.

Zij kreeg een brief van Peter Dam, waarin hij haar vroeg, wanneer zij

thuis dacht te komen. Zijn tijd werd den geheelen dag door repetities

in beslag genomen, schreef hij.

Zij schreef terug, dat zij buiten wilde blijven tot na de geboorte

van het kind en in October terug zou keeren.

Per ommegaande kreeg zij antwoord van hem, dat hij dat een bizonder

verstandig besluit vond, waaraan hij volkomen zijn goedkeuring hechtte.

Tusschen de regels las zij, hoe blij hij was, dat zij weg bleef en

dat deed haar vreeselijk pijn. Eerlijk gezegd had zij in het diepst

van haar ziel wel eens getwijfeld aan zijn trouw, doch zij wilde er

niet aan toegeven, nu vooral niet--haar heele natuur kwam er tegen

in opstand.

Toen las zij op een avond in de courant, dat Peter Dam en de

actrice, Mejuffrouw S...., die de vacantie samen op Bornholm hadden

doorgebracht, nu naar de stad teruggekeerd waren. Toen steeg de

verontwaardiging haar met woeste golven naar het hoofd. Doch het

volgende oogenblik schaamde zij zich over zichzelf; hoe was 't

mogelijk, dat zij, al was 't ook maar gedurende zeer korten tijd

van haar leven, zich zoodanig door de uiterlijke schoonheid van een

man had laten vervoeren, zonder dat zij ooit gevraagd had, wat die

schoone bolster inhield! En hoe had zij zich kunnen verbeelden, dat

zij hem werkelijk liefhad--hoe had zij zich zelf geweld kunnen aandoen,

om hem lief te hebben, hoe had zij haar oogen kunnen sluiten voor het

leege van het samenleven? Tot den dag toe, dat hij haar in haar diepste

gevoelens tegenover het kind kwetste, had zij absoluut willen gelooven,

dat zij hem liefhad. En met pijnlijke klaarheid stond dat oogenblik in

de kerk haar nu voor den geest, toen het haar op eens duidelijk werd,

dat oom Frans iets anders en iets meer voor haar had kunnen worden dan

hij tot nu toe geweest was. Zij boog het hoofd en heete tranen vielen

in haar schoot. Tegenover hem--ja, tegenover hem had zij gezondigd.

De slag, die haar nu trof, was dus niet veel meer dan

rechtvaardig. Langen tijd bleef zij onbeweeglijk zitten met haar

handen vast samengeknepen in haar schoot. En langzaam en vol bitterheid

gingen de volgende regels haar door de ziel:

En het Leven schreef

met kleuren, die waren

als bloed zoo rood!

Het Leven kwam,

en al mijn bladen

scheurde het stuk....

"Zielen zijn er op aarde,

en niemand zal 't ooit veranderen,

wier lot het is, te dienen

te blijven dienen voor anderen."

Een van de laatste dagen van September--toen de leeuweriken zongen

over de geoogste velden en de eerste trekvogels naar het Zuiden

vlogen--toen het bosch geel begon te worden en de meren blauwer, toen

de lucht zoo stil was en de beek zoo zachtjes voortstroomde, dat het

bijna was, alsof zij geheel had opgehouden haar golfjes tusschen het

hooge weidegras voort te stuwen,--kwam haar kleine jongen ter wereld.

Hij had haar bijna het leven gekost. Zij was nog bewusteloos, toen

hij voor 't eerst in zijn badje spartelde en met groote, verbaasde

oogen deze wonderlijke wereld inkeek.

Doch toen men hem uit het water tilde, gaf hij een schreeuw, een

kleinen, doordringenden kinderkreet, die haar ontwaken deed. Zij

draaide het hoofd om en keek naar het kind. Toen gleed er een stralende

glimlach over haar aangezicht--doch al spoedig sloot zij de oogen weer

en kwamen er tranen onder de lange wimpers te voorschijn. Niemand

aan wien zij haar vreugde kon uitjubelen! Niemand, om de blijdschap

met haar te deelen!

De dokter keek haar medelijdend aan en zeide: "Zal ik uw man laten

komen?"

Doch zij schudde beslist het hoofd.

"Mijn man kan onmogelijk komen," zeide zij, "hij moet vanavond

spelen." Zij hoorde zelf, hoe belachelijk het klonk en een lichte

blos gleed over haar gelaat.

"Zijn er geen anderen, die--"

"Neen, dank u, vandaag niet." En vermoeid sloot zij de oogen.

Den volgenden dag had zij koorts.

En een jagende angst voer haar door de leden: "Als ik nu eens stierf,

wat moet er dan van het kind worden?" En zij steunde luid. Toen

antwoordden, bijna mechanisch, haar eigen gedachten: "Dan moet oom

Frans voor hem zorgen."

"Doch eerst moet ik weten, dat hij mij al 't verdriet, dat ik

hem aangedaan heb, vergeeft," ging zij verder met haar gedachten

voort. "Vóórdat ik hiervan zeker ben, kan ik niet sterven. Wis en

zeker niet!" En toen lichtte zij haar brandend hoofd van het kussen

op en verzocht, om oom Frans te telegrafeeren.

Een paar uur later was hij er. Heel zacht trad hij de kamer binnen en

zij zag aan zijn bleeke aangezicht, hoe angstig hij geweest was. Zij

zag het aan zijn arm, die beefde, toen hij een stoel nam en dien dicht

bij het bed zette om er op te gaan zitten. Doch zij had geen vermoeden

hoe sterk de spanning geweest was, vóór hij zijn hoofd naast haar op

het kussen legde en in tranen uitbarstte.

Zij had hem nooit van haar leven zien huilen en zij schrikte er zóó

van, dat zij niet wist wat zij doen zou. Zachtjes sloeg zij haar

arm om zijn hals en fluisterde slechts: "Lieve oom Frans! Lieve,

zoete oom Frans!"

Toen hoorde hij aan haar stem, hoe zwak zij was en op hetzelfde

oogenblik had hij zijn zelfbeheersching teruggekregen. Haastig stond

hij op en bleef met haar hand in de zijne bij het bed staan. Toen

zeide hij verontschuldigend: "Het was uit puur genoegen van je weer

te zien! Goddank, dat je nu buiten gevaar bent!"

Doch zij schudde het hoofd.

"Ik ben niet buiten gevaar," zeide zij, "daarom liet ik om u

telegrafeeren. Ik zou niet kunnen sterven, zonder dat u ieder donker

hoekje van mijn hart kent--u, aan wien ik van kind af al mijn gedachten

toevertrouwde. Ik moet weten, dat u mij vergeven hebt."

"Ik heb niets te vergeven," fluisterde hij met bevende lippen.

Met van koorts glinsterende oogen keek zij hem aan, terwijl zij

doorging: "Ja, dat hebt u wel. Ik heb sterk tegen u gezondigd,

en ook--tegen mijzelf. Herinnert u u nog, dat u tegen mij zeide:

Sus je geweten nooit in slaap, waar het liefde aangaat! En--ik heb

het toch gedaan."

"Ja, maar je wist het zelf niet,"--bracht hij haastig in 't midden.

Doch zij spaarde zichzelf niet.

"Ja, ik wist het wél," zeide zij. "Toen ik met Peter Dam voor het

altaar stond, begreep ik plotseling, dat ik jou lief had. Maar ik

legde de stem in mijn binnenste het zwijgen op en deed al mijn best,

om mijzelf iets anders wijs te maken."

Hij kneep haar hand met zoo'n intense kracht, dat zij het van pijn

had kunnen uitschreeuwen.

"God, waarom deedt je dat?" zeide hij en er klonk zoo'n bitter verdriet

in zijn stem, dat het haar door de ziel sneed.

"Ja, waarom deed ik het?" zeide zij, in zich zelven. "Weet ik 't

eigenlijk zelf wel? Het op de proef gestelde, het oude, het echte,

dat was u, dat was jij--hij was het nieuwe, het teleurstellende. Hij

was de ondervinding," voegde zij er bitter bij. "O, maar daarom mag

je nu niet minder van me houden," klonk het toen smeekend als uit

een diep vertwijfelde ziel.

Oom Frans lachte even en zeide toen, vol zelfvertrouwen:

"Eens heb ik je mijn heele liefde gegeven, en ik neem nooit één van

mijn gaven terug."

Zij was niet bij machte, om te antwoorden. Zij legde zijn hand tegen

haar wangen en liet er als toevallig haar lippen over heen glijden.

"Er komt nog iets," fluisterde zij.

Hij boog zich naar haar toe, om beter te kunnen verstaan, wat zij

zeide.

"Als ik sterf, wil jij dan het kind nemen?"

"Je zult niet sterven."

"Maar als ik nu toch sterf?"

Hij knikte.

"Dan neem ik het kind," zei hij, terwijl hij onwillekeurig naar het

kind zocht. "Kom!" zeide zij, terwijl zij probeerde haar hoofd op te

heffen. "Ik zal je hem laten zien. Ik zelf, hoor--ik zelf!"

Hij schoof het wiegje zoo dicht mogelijk bij het bed, zoodat zij er

met haar armen bij kon. En zacht-eerbiedig, alsof zij iets heiligs

aanraakte, schoof zij de lichtblauwe zijden gordijntjes op zij.

"Zie je, hoe hij op je lijkt?" zeide zij.

Hij bukte en kreeg onwillekeurig een schok. Dat was geen gewone

familiegelijkenis, die hij daar zag--neen, dat kleine gezichtje geleek

op hem tot in de kleinste bizonderheden! Die gespleten kin, die vorm

van oogen, die gebogen neus--alles was een getrouwe kopie van hem zelf!

Nooit had hij een grooter bewijs kunnen vinden voor haar groote liefde

voor hem, dan in hetgeen hij dààr vóór zich zag. En onwillekeurig

ging hij op zijn knieën vóór het wiegje liggen van het kind, dat het

zijne niet was, doch dat toch meer verwant met hem was dan met eenig

ander mensch op aarde--het kind, welks geestelijke physionomie hij met

zulk een kracht had gekneed, dat het zich zelfs lichamelijk daarnaar

gevormd had. Nooit had hij zich meer verwant gevoeld met haar dan op

dat oogenblik.

Een groot gevoel van geluk doorstroomde hem--tevens een gevoel van

verwondering, van hoop en van trots, omdat zij hem liefhad--doch

bijna tegelijkertijd veranderde dat gevoel in bitterheid.

Waarom zou hij altijd oom Frans moeten wezen--het heele leven lang

slechts oom Frans?

Waarom zou hij meer ten offer brengen dan alle anderen, pleegvader

zijn in plaats van vader--vriend in plaats van echtgenoot?

Was er iets, dat den menschen het recht gaf een last dien zij zelf niet

torsen konden, op de schouders van anderen te leggen? Was hij zichzelf

dan niets verschuldigd? Konden alle anderen het offer ontwijken--hij

alleen niet?

Het scheelde niet veel, of hij vergat hoe ziek zij was en hij vroeg

zoowel God als de menschen in heftige woorden om rekenschap, zóó kwam

zijn geheele gemoed in opstand. Nu wilde hij zijn recht hebben, zijn

deel van het geluk! En geheel en al zou hij het hebben--met minder

stelde hij zich niet tevreden!

En een paar regels uit het gedenkboek schoten hem in de gedachte en

brachten hem tot kalmte:

"Zielen zijn er op aarde,

en niemand zal 't ooit veranderen,

wier lot het is te dienen,

te blijven dienen voor anderen."

Hij glimlachte weemoedig als tegen een oud bekende--en onder dien

glimlach vond oom Frans zichzelf weer terug.

Kalm wendde hij zich naar Kaja, die angstig al zijn bewegingen gevolgd

en met haar vluggen blik al de gedachten in zijn bewegelijke trekken

gelezen had. Doch tegelijkertijd zag hij aan de veranderde uitdrukking

van haar oogen dat zij het bewustzijn verloren had.

"Hij mag niet binnenkomen!" zeide zij, terwijl zij met strakken blik

naar de deur staarde. "Hij mag het kind niet aanraken! Hij zeide zelf,

dat het er niet veel toe deed of het stierf! Dat vergeet ik nooit!"

Met een diepen zucht viel zij op het kussen neer en haar voorhoofd

en handen werden plotseling ijskoud.

Drie dagen en drie nachten woedde de koorts. Drie dagen en drie

nachten zat hij bij haar bed, hield haar brandende handen in de zijne

en verfrischte de ijscompressen op haar voorhoofd.

Op den morgen van den vierden dag herkreeg zij het bewustzijn. Zij

sloeg haar oogen op en zag hem.

"Hoe goed, dat je kwam!" zeide zij. "Ik geloof, dat ik beter word

als jij hier maar bent."

En zij legde haar hand in de zijne, zooals een kind zijn hand legt

in die van dengeen waarop het vertrouwt. Toen sloot zij opnieuw de

oogen. En met haar aangezicht naar het zijne gewend, sliep zij haar

eersten, gezonden, rustigen slaap.

In de laatste dagen van October, toen de avonden regenachtig en koud

begonnen te worden en zij voortdurend den dichten bladerregen tegen

de ruiten hoorde, keerde Kaja naar huis in de stad terug.

Peter Dam ontving haar met zichtbare verlegenheid, sprak gedwongen

over honderd dingen tegelijk en deed een onhandige poging, om zich

voor het kind te interesseeren.

Doch er was iets in haar blik, dat hem zeide, dat hij doorzien was,

en toen gaf hij het komediespelen in zijn eigen huis op.

Zij zette het wiegje in het kleine kamertje, dat aan de zitkamer

grensde, en week dag noch nacht van de zijde van haar kind. Op

straat reed zij hem in een klein mandenwagentje en dan kreeg zij

een gevoel, alsof zij als een slak haar huis op haar rug ronddroeg,

want voor haar was de jongen haar "huis", haar alles. Als zij hem

's morgens baadde en zijn kleine, ronde hoofdje in haar hand hield,

terwijl hij met zijn zachte lichaampje in 't water rondplaste, voelde

zij zich zóó gelukkig, zooals slechts zij zich gelukkig kunnen voelen,

die zulk een klein kinderkopje, dat voor hen de heele wereld is, in

hun hand gevoeld hebben! Peter Dam was er zelden bij, als zij het

kind verzorgde, en als hij een enkele maal kwam, bleef hij bij de

deur staan en verdween, zoodra het kind begon te schreeuwen.

Het viel haar op, zoo veranderd als hij de laatste maanden was. Zijn

haar was dun geworden, zijn blik ontwijkend en zijn gang moeilijk. Zij

behoefde niets te vragen en deed dit ook niet--zij hield zich slechts

op een afstand. Hij zou wijs gedaan hebben, indien hij de koele

verhouding, bijna als van twee vreemden, waarin zij nu tot elkaar

stonden, kalm verdragen had, doch hij eischte daarentegen dat zij

wat meer voor hem zou leven en de kindermeid voor het kind liet zorgen.

"Ik heb het eerste recht op je," zeide hij.

Toen stond zij krachtig tegen hem op en zeide:

"Je hebt geen recht meer, je hebt je recht verspeeld."

"Je hebt al een heel wonderlijke wijze van spreken," zeide hij met

een poging tot superioriteit, doch hij zag, dat die niet opging,

bloosde en keek op zij.

Toen keek zij hem vlak in de oogen en vroeg hem:

"Ben je misschien vergeten, waar jij je tijd doorbracht, toen ik het

kind verwachtte?"

"Ik--?" Hij zocht naar zijn woorden en stamelde--"Ja, ìk--"

"Je ging op reis met een andere vrouw. Je was het met haar eens

toen, en al lang daarvóór ook. Heb je ooit wel goed begrepen, wat

een grenzenlooze bespotting van het huwelijk er in dat feit schuilt?"

Zij sprak zóó beslist, dat hij de onmogelijkheid van een

zelfverdediging inzag; in plaats daarvan zocht hij een uitweg en zeide:

"Je hebt je toch zeker gauw getroost, want jij hadt immers oom Frans?"

Zij had hem op dat oogenblik een klap in zijn gezicht kunnen geven,

zóó verachtelijk vond ze hem, doch tegelijkertijd werd ze als verlamd

door zijn grove, lage gedachten.

Hij nam haar zwijgen verkeerd op en zeide met een zijdelingschen blik

op den jongen in de wieg:

"Je maakt mij niet wijs, dat de gelijkenis dààr alleen maar toevallig

is?"

Toen balde zij haar vuisten vóór zijn aangezicht en werd bleek

van woede.

"Als je het nog eens waagt, op die manier over hem te spreken, jij,

die niet waard bent, zijn voetzolen te kussen--dan verlaat ik het

huis," zeide zij. "Versta je 't? Geen minuut langer blijf ik dan!"

Hij werd bang voor haar heftigheid, bang voor den ijskouden klank

van haar stem. En plotseling werd hij angstig, dat zij gevolg aan

haar bedreiging geven en hem verlaten zou.

En hij sloot zijn oogen niet voor de voordeelen, die zijn huwelijk

met haar hem geschonken had. Deftige, oude families hadden door haar

hem in hun midden ontvangen en zijn geheele maatschappelijke positie

was daardoor verbeterd. Wel is waar had hij reeds meer dan de helft

van haar vermogen opgemaakt, doch er was toch altijd nog wat over en

daarbij hield hij ook nog wel van haar, op zijn manier altijd. Hij had

wel lust, om zich met anderen te amuseeren, maar niet om met anderen

te trouwen. Tot vrouw begeerde hij haar alleen. En plotseling werd

hij ootmoedig en zeide:

"Ik vraag je duizendmaal vergiffenis! Ik weet, dat ik slecht

tegenover je gehandeld heb en ik wil niet eens beproeven, mij te

verontschuldigen. Je hebt het recht, boos te zijn--maar je moet

dan ook toegeven, dat je je het laatste half jaar niet veel om mij

bekommerd hebt!"

"Dat geef ik toe," zeide zij eerlijk--"ik hoef niet bang te zijn, om

oprecht tegenover je te wezen. Ik zocht eerst bescherming bij jou, maar

jij stootte mij van je af. Je kwetste mij op de gevoeligste plaats,

die ik had. Ik voelde me angstig en ellendig--en het was oom Frans, die

mij troostte. Daarna was ik vol hoop en vreugde, en het was oom Frans,

die de blijdschap met mij deelde. Onze gedachten toefden altijd bij het

kind, vóór het geboren was. Wij spraken over het kind, schreven elkaar

over het kind. Geen vrouw zou mij met meer fijn gevoel en teederder

zachtheid tegemoet hebben kunnen treden dan hij dat deed. Het was

dus wel niet te verwonderen, dat het kind op hem ging lijken."

Haar wangen waren rood van ontroering en er was zoo iets reins en

trotsch in haar blik, terwijl zij sprak, dat hij onwillekeurig zijn

oogen neersloeg.

"Maar hoe zou jij dat kunnen begrijpen!" zeide zij. "Hoe zou jij

kunnen begrijpen, dat twee menschen elkaar lief kunnen hebben zonder

te zondigen? Want oom Frans en ik hebben elkaar lief--nu weet je

het. En toch hebben wij er geen van beiden aan gedacht, om jou te

bedriegen. Zelfs toen ik ontdekte, hoe vreeselijk trouweloos je waart,

dacht ik er geen oogenblik aan, je huis te verlaten. Uit volmaakten,

vrijen wil, deed ik den stap, die ons leven samen moest voeren;

nu zal ik zelf ook de gevolgen van dien stap moeten dragen."

"Doch één ding voeg ik er bij--" zeide zij, terwijl zij zich in

haar volle lengte oprichtte en haar hoofd trotsch achterover wierp:

"Ik wil mijzelf als vrouw kunnen blijven achten. Ik zal je huishouden

waarnemen, en je kind verzorgen, maar ik wil niet leven als je vrouw,

terwijl ik 't in werkelijkheid niet ben. En ik herhaal, wat ik zooeven

zeide: als je het nog eens waagt op die manier over oom Frans te

praten, dan verlaat ik, zonder dat ik mij een oogenblik bedenk,

het huis."

Zij was mooi, terwijl zij zóó voor hem stond en al de vroegere liefde

ontwaakte met nieuwe kracht in zijn borst--en gelijk hiermee zijn

jaloezie.

"Er zit iets achter!" viel hij plotseling uit.

"Er zit volstrekt niets achter," antwoordde zij volkomen kalm.

"Je weet heel goed, dat ik de waarheid spreek."

Ja, dat wist hij en zijn stem werd weer zacht en aangedaan, toen hij

zeide: "Ik beloof je, dat het de laatste maal zal zijn, dat je over

mij te klagen hebt. Wil je het dan nog eens met mij probeeren?"

"Ja," zeide zij. "Dat wil ik."

Maar nu hij éénmaal bang gemaakt was, greep hij ook naar al de wapens,

die hij tot zijn beschikking had, en voegde er bij: "Daarenboven moeten

er voor een scheiding twee menschen zijn, evenals voor een huwelijk,

dat weet je toch? En daarvoor zal ik mijn stem nooit geven. Verlaat

je me dan toch, dan houd ik het kind, daar heb ik 't recht toe."

Hij zag, hoe zij tot haar lippen toe wit werd. Doch zij antwoordde

niets anders dan: "Ik vind, dat degeen die zijn leven voor het kind

op het spel gezet heeft, het eerste recht heeft."

"Dan vergis je je toch. Als 't een jongen is, kan de man hem

opeischen. Je bent volkomen vrij natuurlijk--maar dan zal je ook weten,

dat je te kiezen hebt tusschen hem en mij--of geen van ons beiden."

Hij ging driftig heen en zij hoorde hem de voordeur hard achter zich

toeslaan. Toen bleef zij achter, met een ongelukkig gevoel voor haar

geheele leven gebonden te zijn, en met haar hoofd in 't wiegekussentje

gedrukt, barstte zij in tranen uit.

"De Prinses in het betooverde slot!"

De volgende dagen liep zij gejaagd heen en weer, zonder ergens rust

te kunnen vinden. En het verlangen naar de moeder, die ze in zoovele

jaren niet gezien had, werd weer in haar wakker.

Het bleeke aangezicht achter het rijtuigraampje doemde weer vóór

haar op en knoopte den band tusschen hen dubbel vast, nu zij zelf

moeder was.

Zij gaf de meid alle mogelijke inlichtingen voor het kind, drukte haar

op het hart dat zij voortdurend een oogje op de wieg moest houden,

terwijl zij weg was, en vertrok toen met den morgensneltrein naar

Vordingborg.

Toen zij te Oringe aankwam, vroeg zij den eersten geneesheer te

spreken.

"Waarom wilt u eigenlijk nu uw moeder zien--na zooveel jaren?" zeide

hij, terwijl hij haar scherp aanzag.

"Omdat"--en een oogenblik zocht zij naar haar woorden, doch kon

per slot niet anders dan volkomen oprecht antwoorden--"omdat ik zoo

vreeselijk naar haar verlang."

Hij wierp een haastigen blik op haar bleek, ernstig aangezicht--en

schudde toen het hoofd, terwijl hij zeide: "U zult er niet het

minste plezier van hebben. Want u weet toch, dat zij nu volkomen

ongeneeslijk is?"

Zij knikte zonder te antwoorden.

"En weet u ook, dat zij het laatste jaar heelemaal in de war is en

haar omgeving zelfs niet herkent?" zeide hij.

"Neen, dat wist ik niet."

"Zou het dan maar niet beter zijn, als u haar niet zag?" waagde hij

nog eens in het midden te brengen.

"O, neen, alsjeblieft, toe alsjeblieft, laat mij bij haar," smeekte

zij.

"Wel, zooals u wilt, Mevrouw. Doch dan is het 't best, als ik u eerst

wat inlicht--want het is absoluut noodzakelijk, dat u op haar ideeën

ingaat. Tegenspreken doet haar maar lijden. Ziet u, zij heeft het idee,

dat zij de prinses is van het betooverde slot--zij wacht slechts op

den prins! Ik heb ondertusschen bemerkt, dat zij altijd kalmer wordt,

als zij bezoek van huis krijgt. Vele dagen daarna is zij dan vroolijk

en tevreden, doch dan begint de onrust weer. Daarom schreef ik ongeveer

een jaar geleden aan uw vader, of het niet mogelijk wezen kon, dat

hij éénmaal in de week hierheen kwam--maar hij antwoordde, dat zijn

zaken beslag legden op zijn tijd en dat het hem onmogelijk was."

Kaja sloeg haar oogen neer--zij had een blik uit de oogen achter de

brilleglazen vóór haar opgevangen, waarin zij ongeveer hetzelfde las,

als zij nu voelde. Zij schaamde zich over haar eigen vader. "Is--hij

dan--in 't geheel niet hier geweest?" stamelde zij.

"Neen--maar hij zendt zijn broer," klonk het korte antwoord. "Mijnheer

Frans Halling vroeg mij op zekeren dag, of hij niet voor zijn broer

kon doorgaan--hun stem is zoowat hetzelfde, dat is dan ook trouwens

de eenige gelijkenis, die ik heb kunnen ontdekken," voegde hij er

kalm bij. "En nu komt hij bijna iederen Zondag en ik verzeker u,

dat hij een bizonder geschikte manier heeft, om met de zieke om

te gaan. Hij heeft een merkwaardig scherp psychologisch oog en is

daarbij van een fijne natuur. Den laatsten tijd verbeeldt zij zich,

dat hij de adjudant van den prins is, die haar iedere week gewichtige

mededeelingen komt doen, en hij heeft een merkwaardig kalmeerenden

invloed op haar. Hij had dokter moeten zijn, die man, dokter voor

krankzinnigen--en geen leeraar."

Terwijl hij sprak, steeg het bloed haar al meer en meer naar de wangen.

Oom Frans! Ja, natuurlijk. Wie anders dan hij zou dit hebben kunnen

doen? Zijn vrijen tijd opofferen voor een krankzinnige, zonder er

ooit het minste van te gewagen!

Alsof oom Frans zijn aalmoezen niet altijd in stilte gaf--alsof hij

niet altijd zijn gaven aan de armen anoniem zond, zonder er hoegenaamd

eenigen dank voor te krijgen!

En terwijl zij daar zat, vond zij zichzelf zoo klein en hem zoo

groot. Een warme stroom van dankbaarheid voer haar door de leden. Het

deed haar goed, aan hem te denken. Zij was trotsch op hem. "Ja,

hij is niet als iedereen--" zeide zij en bemerkte niet, dat zij haar

gedachten hardop dacht.

De geneesheer keek haar aan en glimlachte. "Ja, dat is ook juist wat

ik bedoel," zeide hij. Toen keek hij vluchtig naar de klok. "Wilt u,

dat ik met u mee naar haar toe ga?" vroeg hij.

"Neen, dank u, ik wil liefst alleen gaan." Zij stond op, doch bleef

met de hand aan den deurknop even staan en zeide: "Geef me alleen

antwoord op één vraag: was er niet een tijd, lang geleden, dat zij

thuis had moeten komen om te kunnen herstellen?"

Zij zag, dat hij met antwoorden aarzelde. Toen trok hij zijn schouders

wat achteruit en zeide: "Ik durf niets met zekerheid zeggen, doch

in ieder geval is er door de huisgenooten niet de minste poging

toe gedaan."

Het was, of zij bij die woorden in elkaar zou zinken, zoo wonderlijk

en pijnlijk voelde zij zich aangedaan. De dokter zag het en kreeg

medelijden met haar. "Ik merk, dat de situatie u niet heelemaal

bekend was," zeide hij--"doch hoe alles nu ook staat, één ding is

nu tenminste zeker: dat zij nergens beter wezen kon dan hier. En ik

geloof, dat zelfs gedurende den tijd, waarop u doelt, zij hier minder

leed dan zij thuis zou geleden hebben. Het zou zeer de vraag geweest

zijn, of een thuiskomst toenmaals een verbetering in den toestand

gebracht zou hebben. Zij is de eerste vrouw niet, die lijden moet

door de schuld van den man."

Hij duwde haar zachtjes de deur uit en gaf een verpleegster bevel,

haar naar de zieke toe te brengen. Het was of haar voeten onder haar

trilden, toen zij op den drempel stond, en toen zij binnen gekomen

was, verborg zij het aangezicht in haar handen. De zieke stond vóór

den spiegel en was druk bezig met een sieraad in het haar te steken.

Bij het geluid van de deur, keerde zij zich om en schreed met groote

waardigheid het vertrek door. "Wie ben je?" vroeg zij, terwijl ze de

in elkaar gedoken gestalte bij de deur gadesloeg.

"O, een bedelaarster!" antwoordde zij zelf. "Wacht, ik zal je wat

geld geven, de prins voorziet mij altijd rijkelijk."

Zij haalde een beurs met oude koperen munten te voorschijn en zocht

er in, tot zij de grootste gevonden had.

"Daar," zeide zij, "de beste is nog niet goed genoeg voor je."

Doch Kaja's oogen stonden zóó vol tranen, dat zij niets zag.

"Moeder! Arm, lief moedertje!" was alles, wat zij kon uitbrengen.

De zieke was dicht naar haar toe gekomen en zeide toen, plotseling

wantrouwend:

"Want je bent toch wel een bedelaarster, zeg?"

Kaja greep haar magere handen en bedekte ze met kussen.

"Ja," zeide zei snikkend, "ik ben een bedelaarster. Ik bedel om de

liefde, die het leven mij onthouden heeft. En ik vind het leven zoo

moeilijk, o, zoo moeilijk!"

Onwillekeurig legde zij haar hoofd tegen de borst van de zieke en

sloeg de armen om haar hals. Het was, of zij op eens al de teederheid

geven wilde, die zij gedurende zoovele jaren had opgespaard.

De zieke begreep, dat zij troosten moest en streelde zachtjes haar

wang.

"Ik houd van je," fluisterde zij; "ik had eens een klein meisje,

dat op je leek. Maar zij was veel schooner, versta je--want zij was

een vorstenkind. Zij kon mij net zoo kussen als jij, met haar armen

zoo om mijn hals gekneld----"

Kaja durfde nauwelijks ademen en nog veel minder opzien.

"Herinnert u zich haar nog?" zeide zij met een stem, die van aandoening

trilde. "Toe, vertel me iets van haar."

De zieke bracht haar hand aan haar voorhoofd en zeide toen:

"Neen, ik herinner mij niets meer--het is zoo lang geleden."

Zij liep een paar maal de kamer op en neer en bleef toen weer

stilstaan.

"Haar vader was niet goed tegen mij," zeide zij--"en toen werd

ik ziek. Ik droomde zoo akelig, maar toen ik wakker werd, was ik

veranderd. En nu ben ik prinses in het betooverde slot--ik wacht alleen

maar op den prins. Iederen Zondag komt zijn adjudant met groeten en

berichten. Gisteren was hij hier ook en toen zeide hij, dat ik den

prins iederen dag verwachten kon--daarom maak ik mij mooi. Kom, ga mee,

dan zal ik je eens laten zien, wat de prins mij gezonden heeft."

Zij ging weer naar den spiegel en haalde een nieuw versiersel voor

den dag.

"Vindt je niet, dat het mij goed staat?" zeide zij, terwijl zij het

op haar borst hield. "Kom eens kijken!"

Maar Kaja verroerde zich niet. Zij was op een stoel bij de deur

neergezonken en bleef daar vóór zich uit zitten staren. Zij zag

plotseling den modernen tijd met al zijn wondeplekken vóór zich:

het grenzenloos egoïsme, al de bandelooze liefde, en het volkomen

gebrek aan lust tot opoffering.

En toen scheen 't haar, alsof het alleen maar kwam, doordat de

menschen hun eigen geweten in slaap sussen. De vrouw, waar het haar

idealen gold, de man, waar het zijn eer betrof--en zij zelf dan? O,

als zij haar geweten niet in slaap gesust had, als zij niet tegen

beter weten in gehandeld had--dan zou zij er nu niet haar heele

verdere leven voor behoeven te boeten!

Alles scheen haar zoo droef en hopeloos, slechts één lichtpunt

verscheen er aan haar horizont, en dat was oom Frans. Aan hem te

denken was plotseling voet op rotsgrond krijgen, na lang in stuifzand

rondgedwaald te hebben.

Zij had zich het laatste uur zoo wonderlijk terneergeslagen gevoeld,

bijna gebroken;--nu was zij weer getroost. Zoo lang er mannen waren als

oom Frans, zoo lang ook zouden er krachtige menschen staan tegenover

de zwakken, sterke willen, die zich niet buigen lieten,--dat slag

van lieden, waaraan de maatschappij het meest behoefte had: mannen

uit één stuk.

Zij werd uit haar gedachten gewekt, doordat de zieke, die druk aan

het passen en probeeren was geweest, weer naar haar toe kwam.

"Ken je mijn adjudant?" zeide zij. "Hij is op en top een

gentleman. Zijn geheele wezen is zoo fijn en eerbiedig--en zijn stem

is zóó zacht, ja, zijn stem zou ik niet kunnen beschrijven."

Kaja glimlachte.

"Neen," zeide zij, "dat kan niemand. Want hij heeft een sprookjesstem."

De zieke keek haar verwonderd aan.

"Je hebt hem misschien aan de poort ontmoet," zeide zij--"en toen

heeft hij je zeker iets gegeven?"

Kaja knikte.

"Ja," zeide zij toen zacht en innig, "hij heeft mij alles gegeven,

wat hij bezat."

"Ik begrijp je niet--." De zieke werd plotseling onrustig en zag

verward en angstig uit haar oogen. "Ik weet niet, wie je bent!" zeide

zij. "Je zegt, dat je een bedelaarster bent, maar je handen zijn smal

en fijn. En je kent mijn adjudant, die je aalmoezen geeft! Je zult

me zeggen wie je bent, hoor, versta je me?"

Zij bleef vóór Kaja staan en keek haar met krankzinnige blikken

aan. Toen begreep Kaja, dat zij op den gedachtengang van de zieke

moest ingaan en dat het er hier eerst en vooral op aan kwam, haar

te kalmeeren.

"Ik ben bij den prins in dienst," zeide zij--"en ik kom u zijn

groeten brengen."

Toen gleed er een straal van blijdschap over het gelaat van de zieke

en haar geheele gestalte nam een waardige kalmte aan.

"Dat dacht ik wel," zeide zij en richtte zich op; "hij weet wat hij

mij verschuldigd is. Verzocht hij je anders nog iets te zeggen?"

Kaja bedacht zich even, vóór zij antwoordde:

"Hij verzocht mij u te zeggen, dat u gelukkig en tevreden moest zijn

tot hij komt."

Zacht lachend ging zij naar den spiegel en bekeek haar eigen beeld,

en herhaalde toen, terwijl zij zich zelf in het glas toeknikte:

"Ja, gelukkig en tevreden. Zeg hem, dat ik dit altijd ben."

Kaja had een gevoel in haar keel, alsof zij stikken zou--zij wilde

iets zeggen, doch op hetzelfde oogenblik kwam de verpleegster zachtjes

aan de deur en wenkte haar met den vinger op den mond om stil heen

te gaan. Kaja begreep, dat zij gaan moest zonder afscheid te nemen,

en vertrok zoo zacht mogelijk.

Het laatste, wat zij van haar moeder zag, terwijl zij achteruit naar

de deur ging, was de trotsche, hoopvolle glimlach waarmee zij een

nieuw sieraad in het dikke haar stak, terwijl zij steeds tegen het

beeld in den spiegel knikte en met zachte stem herhaalde--"gelukkig

en tevreden--gelukkig en tevreden--"

Toen Kaja thuis kwam stond oom Frans met groote belangstelling naar

den jongen te kijken, die in zijn badkuip rondspartelde. Hij hield

hem een glinsterenden rammelaar vóór, wierp hem water in zijn gezicht

en lokte hem het eerste glimlachje van zijn lippen.

Zij bleef op den drempel staan en sloeg hen beiden gade. Zij voelde

zich op dat oogenblik zoo oneindig rijk--rijk in haar moederliefde--en

rijk in het bewustzijn, dat zij een vriend had, waarop zij te allen

tijde rekenen kon.

Doch tegelijkertijd sneed de tegenstelling tusschen hetgeen zij gezien

had en deze idylle, haar zóó scherp door de ziel, dat de tranen haar

uit de oogen sprongen.

Zij deed de deur achter zich toe. Op het geluid wendde oom Frans

zich plotseling om, en toen hij haar bewogen trekken zag, vroeg hij

angstig vorschend:

"Maar Kaja! waar ben je geweest?"

Zij schudde zonder antwoorden het hoofd en zond de meid naar de keuken

om een warmen handdoek. Voorzichtig tilde zij het kind uit het bad,

droogde zorgvuldig zijn kleine, warme lichaampje af en kuste zijn

mollige beentjes en armpjes.

"Wat ben ik gelukkig, dat ik jou heb--en dat jij je moeder nooit zult

behoeven te missen!" zeide zij met tranen in haar stem.

Hij keek haar droevig aan.

"Je bent daarginds geweest," zeide hij dadelijk.

Zij knikte.

"Waarom nam je mij niet mee? Ik zou je graag het ergste bespaard

hebben," zeide hij.

Met een eigenaardigen glans in haar oogen, keek zij op en zeide:

"Je hebt me al genoeg bespaard. Ik zou bijna willen zeggen, dat je

me te veel bespaard hebt. Maar ik zal je nooit genoeg kunnen danken."

Hij keerde zijn gelaat van haar af.

"Je hoeft me niet te danken," zeide hij, "ik deed het alleen voor haar,

die ik liefheb!"

"Jawel, ik doe 't toch!----En hemel, als ik dan bedenk, hoe ik je

beloond heb!" ging zij opgewonden door. "Alles heb je me bespaard,

zelfs hetgeen er in huis omging. Want dat er iets gebeurd is, dat weet

ik nu. Als zij in tijds teruggekomen was, zou zij gered zijn--geloof

je dat ook niet?"

Hij keerde zich om en zeide langzaam:

"Niet zooals de verhouding toen was."

Zij had het kind in de wieg gelegd--keek nog even of het wel sliep

en ging toen op de sofa naast oom Frans zitten.

"Vertel me wat van haar. Leg me alles eens uit," zeide zei.

Hij knikte.

"Het is niet voor niets, dat zij steeds over den prins praat,"

zei hij. "Zij hoort tot die vrouwen, die hun heele leven op hem

wachten. De meeste wachten misschien, meer of minder onbewust, op

den "man", maar het soort, dat ik hier op het oog heb, wacht op den

"prins". Geestelijk gesproken, moet hij van koninklijken bloede zijn,

versta je? Hun gedachtenweefsel is zóó dun, hun droomen zijn zóó

fijn en daarmee omweven zij hem, dien zij wachten----. Dit soort

vrouwen heeft altijd iets eigenaardigs, dat zich verraadt door een

nadenkenden blik en door een glans van jeugd, die over hun geheele

wezen uitgespreid schijnt, zelfs al is de eerste jeugd voorbij.

"Zij heeft dezen glans--zij heeft dien nog. Toen zij met mijn broer

trouwde, meende zij, dat hij de prins was, doch zij vergiste zich. Hij

schoof haar, voor zijn eigen belangen, op zij--hij veronachtzaamde haar

en bekommerde er zich niet om, toen hij zag, dat zij er onder leed. Na

jouw geboorte was zij jarenlang ziek en lag meest te bed. Vergeet niet,

dat 't niet gemakkelijk is voor een man, een vrouw te hebben die altijd

ziek is. Probeer of je hem niet een beetje te verontschuldigen vindt--"

Zij legde haar hand op zijn mond.

"Moet ik 't misschien ook verontschuldigen, dat hij haar ontrouw

was?" zeide zij.

"Neen--dat zeker niet!"

"Want, dat was hetgeen haar brak," ging zij door. "Hemel, als ik

bedenk, dat vader ook zoo geweest is," zeide zij en knelde haar tanden

samen, vergetende dat zij door dat ééne "ook" zichzelf aan oom Frans

bloot gaf.

Tot nu toe had hij er aan getwijfeld, of zij haar mans levenswijze

kende--nu had hij plotseling zekerheid en het was een verlichting

voor hem. Doch met die fijngevoeligheid, die zijn innerlijk wezen

kenmerkte, begreep hij, dat zij het liefst den strijd alleen ten

einde voeren wilde, en bracht het gesprek weer op de zieke.

"Zij is nu gelukkiger dan zij in vele jaren geweest is," zeide hij.

Zij zweeg even--en vroeg toen:

"Waar praat je met haar over als je er heen gaat?"

"Natuurlijk over den prins. Ik tracht mij te verbeelden, hoe goed,

hoe jong en hoe mooi hij zou kunnen zijn, en dan vertel ik haar kleine

trekjes van zijn fijne natuur en dan geef ik haar groote bewijzen

van zijn goed hart."

Zij keek hem aan en glimlachte.

"Ja, dat is wel iets, dat jij zult kunnen," zeide zij met groote

bewondering in haar stem.

Zij nam den kleinen rammelaar, die nog op zijn knie lag en begon er

mee te spelen.

"En hoe wonderlijk, dat jij 't ook weer zijn moet, die hem zijn eerste

speelgoed geeft!" zeide zij, toen hij opstond, om heen te gaan.

Hij stak haar de hand toe en zeide:

"Als je er een volgend maal weer heen wilt, dan neem je mij mee,

hé? Beloof je mij dat?"

"Dat beloof ik je." Toen legde zij haar beide handen op zijn schouders,

keek hem trouwhartig in de oogen en zeide:

"Dag, oom Frans--dank voor alles!"

Toen hij weg was, bleef zij nog lang naar den rammelaar in haar hand

staan staren. Toen bracht zij dien hartstochtelijk aan haar lippen

en kuste hem ééns en nog ééns en nog ééns--en stopte hem toen in het

wiegje aan de voetjes van den kleinen jongen.

"Leven is lijden--

willen is strijden!"

De volgende maanden ontweken Peter Dam en Kaja elkaar zooveel

mogelijk. Zij ging op in de zorg voor haar kind en schoof met geweld

alle andere gedachten op zij.

Eén van de eerste, echte vorstdagen in Januari keerde zij van een

flinke wandeling langs de meren naar huis terug. Plotseling bleef zij

in gedachten bij de ijsbaan stil staan. Zij kòn niet begrijpen, dat

het slechts twee jaar geleden was, dat zij ook zoo jong en vroolijk

daar had schaatsen gereden en toen zoo van ganscher harte gezongen had:

"Schrijf meer, schrijf voort!

Schrijf, heerlijk Leven,

al wat u lust."

Zij bleef, met haar armen tegen een van de oude boomen aan den oever

geleund, stilstaan, en volgde de voorbijgangers met haar oogen.

Daar kwam een jongmensch sierlijk over de baan gezwierd. Zijn korte

jas spande stijf om zijn slanke leden en zijn lange zijden das wapperde

in den wind. Het was of een verfrisschend windje iemand tegenstroomde

en allen keken hem vol bewondering na.

Zóó was hij haar twee jaar geleden ook tegemoet gereden, toen zij

haar schaatsen aan 't vastbinden was, en zóó had hij haar hand in

de zijne genomen en waren zij samen over de blanke vlakte gegleden

van de ijsbaan naar de lange, hobbelige levensbaan, waar men zoowel

kleine en onaangename als groote, aangename tochten samen aflegt, en

waar men niet alleen elkaar de hand geeft, doch waar men elkaar bij

't hart moet vasthouden, als men samen den weg vervolgen wil.

Peter Dam was op dit oogenblik even mooi als twee jaar geleden. De

frissche wind had zijn wangen hooger gekleurd en zijn muts zat zóó

ver op zijn voorhoofd, dat men niet zag hoe dun zijn haar geworden was.

Hij deed een paar mooie streken op het ijs en ging toen af op een

jonge, blonde dame in blauw wandelcostuum.--Kaja kende haar goed. Het

was één van haar oude schoolvriendinnen. Vrijmoedig slingerde hij

zijn arm om haar middel en Kaja hoorde hen zacht lachen, toen zij

haar voorbij gleden. Fluisterend keken de menschen hen na.

Zij verborg zich achter den boom, waartegen zij leunde, en wachtte,

tot zij terugkwamen. Zij deed dit machinaal weg, niet omdat zij

't eigenlijk wilde, maar omdat iets haar dwong te blijven.

Daar kwamen zij aangesuisd en bleven een paar ellen van Kaja af, met

hun rug naar haar toe, stilstaan. Zij hoorde hem duidelijk zeggen:

"Dus van avond om elf uur kom ik je halen!" En haar antwoorden:

"Maar wees voorzichtig, als je komt, hoor!"

Toen keerde zij zich plotseling om en ging door de stad terug. Onderweg

stond zij een paar maal stil en haalde eens diep adem, als wilde

zij haar longen met versche lucht vullen. Zij was ernstig en diep

vertoornd. Toen liep zij weer haastig en vastberaden door, als iemand

die een vast besluit genomen heeft. Zij ging regelrecht naar oom Frans.

Hij moest juist van school zijn thuis gekomen, want hij stond nog

bij de voordeur en was zijn goed aan 't ophangen.

"Oom Frans," zeide zij zonder de minste inleiding: "Ik wil geen

dag langer onder zijn dak blijven; het is een beleediging hetzelfde

huis met hem te deelen. Ik wil van hem af--hoor je--wat 't ook kost,

ik wil van hem af."

Oom Frans had haar hand in de zijne genomen en trok haar mee de kamer

in. Daar liet hij haar op de sofa zitten en bleef, zonder spreken,

voor haar staan. Dit was hem zóó onverwacht overvallen, dat hij zijn

gewone zelfbeheersching miste. Bliksemsnel doorkruisten allerlei

gedachten zijn brein. Wat was dat voor een stralend geluksland dat

hij plotseling vóór zijn oogen zag? Wat was dat voor een gevoel van

jubelende vrijheid, dat zich op dat oogenblik van hem meester maakte?--

Hij keek haar eens aan, zooals zij daar vóór hem zat, blozend door

haar vluggen gang en door de sterke gemoedsbeweging.

"Van hem af, wat het ook kost!" herhaalde zij heftig.

Hij keek haar vorschend aan, terwijl hij haar vroeg: "En als hij nu

't kind opeischt?"

"Ik weet, dat hij 't doen zal," zeide zij bitter, "dat heeft hij

mij vooruit al gezegd. Maar hij kan me niet weigeren het te zien

zoo dikwijls als ik wil. Hoe 't ook zij, ik kan 't nu niet langer

uithouden! Ik wil niet méér verdragen, dan ik al verdragen heb. Ik moet

het toch niet zóó ver laten komen, dat ik ook mijzelve ga verachten,

omdat ik den moed mis van hem af te gaan?"

Hij had haar nog nooit te voren in zoo hevigen opstand gezien. Haar

handen lagen saamgeknepen op haar knie--zij ademde gejaagd en een

uitdrukking van onwrikbare standvastigheid lag over haar gezicht.

Hij was op het punt, haar in zijn armen te nemen, haar tegen zijn

hart te drukken en tot haar te zeggen: "Blijf nu meteen! Je weet,

dat je hier altijd een thuis hebt!" Doch tegelijkertijd was het,

alsof uit de verte een noodkreet tot hem doordrong. Alsof dat kleine

kind, waar hij zich op zoo wonderlijke wijze aan verwant gevoelde,

plotseling zijn kleine, dikke armpjes uitstrekte en om hulp rìep. Hij

zag zoo duidelijk voor zijn oogen, hoe het zijn kleine handjes aan den

rand van het bad vastklemde om zich op te kunnen houden, en hoe het

hem met zijn groote, ronde oogen aankeek, alsof 't al zijn heil van

hem verwachtte. Ja, al zijn heil, alles! Geen kleine aalmoes--maar

alles, alles! Zou hij doen alsof hij het niet begreep----alsof hij

het niet wist, dat het er op dit oogenblik juist op aankwam, zich

staande te houden?"

Hij streek herhaalde malen met zijn hand door zijn dikke haar, als

wilde hij op die manier zijn gedachten in het reine brengen.

Toen ging hij stil naast haar zitten. Nooit had hij een heviger

storm te doorworstelen gehad. En 't was, of die zijn ziel aan stukken

scheurde.

Een heel voorjaarsleven zong in zijn bloed en deed zijn hart

ontvlammen. De jonge vrouw, die daar vóór hem stond, was de zijne,

haar wilde hij bezitten--zij zelf wilde immers den muur omverwerpen,

die hen scheidde?

En dan eischte een klein kind in de wieg, dat hij haar op zij

zou schuiven! Opnieuw kwam zijn geheele ziel in opstand tegen dat

offer--en opnieuw legden de woorden: "Eisch alles! Geef alles!" ieder

ander gevoel het zwijgen op.

"Ben je vergeten, wat je zeide, dien dag dat je van het bezoek aan

je moeder thuis kwam?" klonk het gedempt, doch beslist.

Zij schrok op en keek hem met een bijna versteende uitdrukking op

haar gelaat aan. Het was goed, dat hij haar blik niet opving.

"Je zei tegen je jongen: Wat ben ik gelukkig, dat ik jou heb--en dat

jij je moeder nooit zult missen!" Terwijl hij sprak, durfde hij haar

niet aanzien. Hij voelde, hoe zijn woorden doodend over hun geluk

heenvielen...

Eenige minuten verliepen onder een volmaakt stilzwijgen. Al wat men

hoorde was het langzaam, regelmatig tikken van de oude klok boven de

sofa en een straatjongen, die op zijn vingers floot.

Toen stond zij langzaam op.

"Je hebt gelijk, oom Frans!" zeide zij. "Je hebt altijd gelijk."

Zij keerde zich om en ging zwijgend naar de deur.

"Je bent toch niet boos op mij?" Hij veegde het zweet van zijn

voorhoofd en deed een mislukte poging om te glimlachen.

Zij draaide zich om en legde haar beide handen op zijn schouders,

zooals zij gewoon was.

"Boos!" zeide zij. "Ach, oom Frans, je weet heel goed, dat ik op jou

niet boos kan zijn!"

Toen liep zij haastig de trappen af. Doch bij het eerste portaaltje

hield zij stil en riep zonder opkijken naar boven: "Je mag vooreerst

niet bij me komen! Ik geloof--ik geloof, dat ik 't leven beter dragen

kan, als ik je niet zie."

Hij kon niet antwoorden--hij boog zich slechts over de leuning naar

beneden en zag haar met zijn oogen na, terwijl zij wegging. Hij hoorde

de deur achter haar toeslaan en hij kreeg een gevoel alsof hij haar

voor altijd weggejaagd had.

Toen zag hij haar door het venster langzaam--o, zoo langzaam, de

straat doorgaan. En hij wist, dat zij nooit terug zou keeren. Toen

werd het haar van oom Frans in één nacht geheel grijs.

"Als zwanen, zwart,

over donkere meren

uitspannend haar veeren

met snerpend geklag,

zoo drijven van smart

mijn uren henen....

In weenen, stenen

kwijnt heel mijn dag."

Indien Kaja de kracht gekend had van haar eigen verlangen en zich

bewust was geweest, hoe pijnlijk dat in haar binnenste zou rondwoelen,

dan zou zij zeker zichzelf het genoegen van de korte bezoeken van oom

Frans niet ontzegd hebben. Als lichtpuntjes hadden zijn schaarsche

visites over haar eenzamen levensweg gestraald. Nu ontwaakte zij

altijd met een gevoel van gemis. Slechts de zorgen, die zij aan het

kind besteedde, konden haar een oogenblik doen vergeten. Maar ieder

maal als het kind sliep, ontwaakte haar verlangen met nieuwe kracht

en dan wist zij met zichzelf geen raad. Zij kon opvliegen, als zij

voetstappen op de trap hoorde--in de hoop, dat hij 't wezen zou--maar

dadelijk daarna schudde zij het hoofd over haar eigen dwaasheid. Alsof

het oom Frans ooit zou invallen tóch te komen, terwijl zij hem zelf

verzocht had weg te blijven!

Overdag beproefde zij moedig vol te houden, doch iederen avond

als zij het kind ter ruste had gelegd en slechts het zacht roode

lantaarntje boven zijn wieg de kamer flauw verlichtte, was het alsof

haar verlangen haar vanéén zou rijten. Dan wist zij niets beters

te doen dan in de zitkamer aan den vleugel te gaan zitten en haar

vertwijfeling in liederen lucht te geven.

Er was toch niemand die haar hooren kon. Slechts een straal van het

lantaarnlicht op straat gleed over haar voeten en verdween in de vouwen

van haar zwarte kleed. En die lichtstraal zweeg. Die lag slechts op

den grond vóór haar de tonen in zich op te nemen, die alleen hoorde

haar zingen, hoorde al haar droeve liederen.

En als zij dan gezongen had haar droeve liederen en ook haar gedwongen

vroolijke liederen, dan kon zij soms zwijgend bij het klavier blijven

zitten, met de lippen nog half geopend, als luisterde zij diep, diep

inwendig naar gedachten, die zij de hare voelde tegemoet treden----

Het ontging Kaja niet dat Peter Dam den laatsten tijd wonderlijk

veranderd was. Soms zag zij, hoe hij haar met bijna schuwen eerbied

zat gade te slaan. Doch het meest verbaasde het haar, dat hij af en

toe naar de wieg ging en naar het kind keek, en ieder keer als hij

dat deed, zag zij tranen in zijn oogen.

Op zekeren avond bleef hij tegen zijn gewoonte thuis. Hij stond toe

te kijken, terwijl zij het kind ter ruste legde en toen hij haar het

oude wiegeliedje: slaap kindje, slaap! hoorde zingen, barstte hij

plotseling in tranen uit.

Zij hechtte anders niet veel gewicht aan zijn verschillende

gemoedsstemmingen--daarvoor hadden zij haar te dikwijls

teleurgesteld--doch nu onderscheidde zij zeer goed een toon van

waarheid in zijn wanhopend weenen. Zoodra het kind in slaap gevallen

was, ging zij naar hem toe en legde vriendelijk haar hand op zijn arm.

"Waarom wil je toch zoo'n treurig leven blijven leiden?" zeide

zij. "Waarom wil je niet beproeven, de achting voor je zelf terug

te winnen?"

"Het is te laat," zeide hij.

"Waarom te laat?"

"Omdat--ach, je kunt het even goed dadelijk weten--omdat de kapitein

wil dat ik met haar trouw."

"Over wien heb je 't?"

"Over kapitein Ström."

"O, is het zijn dochter, waarmee je schaatsen rijdt?"

"Hoe weet jij dat...."

"Ik heb je op een avond bij het meer gezien," zeide zij koud.

Plotseling zweeg hij. Hoe was 't mogelijk, dat zij nooit met een

enkel woord op deze verhouding gedoeld had!

Op eens begreep hij, wat een afgrond er tusschen hen in gekomen

was--een afgrond zóó diep, als die tusschen twee menschen die op

verschillende manier denken, op verschillende manier handelen en die

een verschillende levensopvatting hebben, maar wezen kan. En toen hij

bedacht, hoe licht en vertrouwelijk zij hem eens tegemoet was gekomen,

ging er een steek door zijn hart.

"Dat is dan ook wel het eenige, wat je nu te doen staat," zeide zij

op denzelfden vreemden toon als zooeven.

"Wat?"

"Haar te trouwen."

"Ja, ik weet heel goed, dat jij bereid bent," klonk het ruw.

"Slechts op één voorwaarde."

Verbaasd keek hij op.

Had zij werkelijk voorwaarden? Vatte zij niet met blijdschap de

gelegenheid aan, die haar vrij zou maken?

"Ik begrijp je niet," zeide hij, hoewel hij haar op hetzelfde oogenblik

goed begreep.

Zij keek hem recht in de oogen en zeide onverschrokken:

"Als jij je niet al het recht op het kind ontzegt, dan eisch ik mijn

recht en blijf hier als jouw vrouw."

Hij antwoordde niet. Hij zat haar aan te staren. Het was of het nu voor

hem opging wat hij verloor, toen hij deze vrouw van zich afschoof,

die liever haar eigen hart in stukken liet scheuren dan zich van het

kind, waaraan zij het leven gegeven had, te laten wegrukken. En hij

was op het punt zijn recht te doen gelden, om haar op die manier vast

te houden. Doch toen kwam het gezicht van den kapitein hem weer voor

den geest, toen hij gezegd had: "Ik eisch van u, dat u haar trouwt!"

Dat gezicht kon hij niet vergeten; het stond in zijn geheugen

vastgegrift, zoo doodsbleek was het geweest en zulk een hevige

bedreiging had er uit gesproken. En daarbij had hij Henny beloofd,

te scheiden.

Henny en hij waren het er over eens, dat zij elkander volmaakt vrij

zouden laten, als hun verhouding voor het oog van de wereld maar

zuiver was. Zij zou nooit zoo tegen hem opstaan als Kaja dat gedaan

had. Hij zou het bij haar veel gemakkelijker hebben. Wel beschouwd,

viel er niet veel meer te overdenken....

Ondertusschen stond zij, met haar armen over haar borst gekruist,

vóór hem. Haar gelaat kenteekende een groote spanning. Het was

bijna onnoodig, dat zij streed om haar aandoening te verbergen,

haar gejaagde ademhaling verraadde haar toch--en plotseling kreeg

hij lust, haar nog wat te pijnigen. "Ja, dan is het maar het best,

dat alles blijft zooals het is," zeide hij.

Het was alsof zij door een onzichtbaren slag getroffen was, alsof

zij in elkaar zonk. Doch zij redeneerde niet verder met hem, keerde

hem slechts den rug toe en ging naar de deur.

Met één sprong stond hij naast haar.

"Ik wou je alleen maar een beetje pijnigen," zeide hij. "Je zult je

zin hebben. Ik geef je het volle recht over het kind."

Met een ruk wendde zij zich naar hem toe. Zij antwoordde niet, doch hij

zag aan de wijze, waarop zij plotseling het hoofd oprichtte, flink en

onvervaard, hoe bevrijd zij zich voelde. En toen hij haar blik opving,

moest hij onwillekeurig de hand over zijn oogen strijken, zooals men

dat doet voor een al te sterk zonlicht. Zóó straalden en lichtten

haar blikken, zóó glinsterde en schitterde ook alles om haar heen.

Want op dat oogenblik staarde zij in "het beloofde land" en was zij

zijn tegenwoordigheid nauw gewaar. Hij voelde weer denzelfden steek

in zijn hart en keerde zich van haar af. "Ik mag het kind toch wel

komen zien?" zeide hij.

"Zoo vaak je wilt," zeide zij met plotselinge warmte in haar

stem. "Maar," en vol verbazing keek zij hem aan, "houdt je dan

heusch van het kind?... O, als je van 't kind houdt, dan doet het me

vreeselijk pijn voor je," voegde zij er bij.

En den heelen nacht lag zij er aan te denken, hoe vreeselijk het voor

hem wezen moest, om het kind te missen. Zij ging zoover, dat zij het

bijna zonde vond, hem er van te scheiden.

Doch Peter Dam sliep even rustig als gewoonlijk. Overdag moest hij al

genoeg vermoeienissen doormaken, 's nachts moest hij een ongestoorde

rust genieten, anders hield hij 't niet vol.

Den volgenden morgen sprak hij er met het grootste gemak en volkomen

natuurlijk over, hoe zij alles zouden regelen, en zij kon niet nalaten

te glimlachen bij de gedachte, wat een angstigen nacht zij voor hem

had doorgemaakt.

Een vierde van haar fortuin stond vast. Met de rente daarvan en een

toelage van vijfhonderd kronen 's jaars kon zij zonder moeite met

het kind leven. Hij stelde voor, haar de vijfhonderd kronen uit te

keeren, doch zij verklaarde beslist, dat zij zelf voor den jongen

zorgen wilde;--voor hem te werken, zou haar een geluk zijn.

Hij keek haar eens aan, haalde zijn schouders op en vond haar ijver

vrijwel overdreven--doch hij beproefde niet lang haar over te halen.

Wilde zij absoluut die vijfhonderd kronen niet hebben--enfin, dan

zou hij ze wel gebruiken. En fluitend liep hij de trap af.

Kaja had een paar regels aan oom Frans geschreven, waarin zij hem

in weinige woorden het voorgevallene vertelde en hem verzocht, een

kleine woning voor haar en het kind te huren.

"Zoo gauw als je maar iets vindt, dat geschikt is," stond er in haar

briefje, "want ik wil hier liefst dadelijk vandaan."

Vijf uur geleden moest hij dien brief reeds ontvangen hebben en nog was

hij niet gekomen. Nog zat zij in elkaar gedoken bij de open deur vlak

bij den gang, naar de bekende voetstappen op de trap te luisteren. De

oude angst had haar weer bevangen en haar hart bonsde in haar borst.

Als hij nu eens dood was! Als hij het nooit beleven zou dat zij vrij

was! Als zij hem nooit zou kunnen zeggen:

"Over drie jaar, over drie jaar gaan we samen naar het beloofde land!"

Een heel uur lang had zij de kamer al op en neer geloopen--zij had

den jongen uit de wieg genomen, hem er weer in gelegd--alles zonder te

weten, wat zij eigenlijk deed--nu lag het kind met den rammelaar van

oom Frans te spelen en keek haar aan met een paar oogen, die zóó op

de zijne geleken, dat zij ze ieder keer weer kussen moest. Het kind

liet den rammelaar vallen, en terwijl zij bukte om hem op te rapen,

hoorde zij de bel en snel als de wind was zij bij de deur.

Zoo pijnlijk was haar angst geweest, en zoo ontzettend was haar vreugde

nu, dat zij deed, wat zij zoo lang zij getrouwd was niet gedaan had,

zij vloog hem om den hals.

En hij hield haar in zijn armen, als een jong vogeltje verborg hij haar

dicht aan zijn borst--het was of zij geheel in zijn omhelzing verdween.

Als een lofzang zonder woorden was die omhelzing!

Doch toen zij merkte, hoe zijn handen beefden, toen hij telkens weer

haar hoofd aan zijn borst drukte en haar op de oogen kuste, wist zij,

hoe ook hij geleden had.

Eindelijk liet hij haar los en gingen zij samen de zitkamer in. Zij

deed hem op den stoel met den hoogen rug bij het raam neerzitten en

nam hem zijn hoed en stok af.

"Ga je nu ook niet zitten?" zeide hij, terwijl hij naar een stoel

naast zich wees.

"Nog niet," zeide zij, "ik moet je eerst eens goed aankijken."

Zoodra het licht op zijn gezicht gevallen was, bemerkte zij, dat er een

verandering met hem had plaats gegrepen, sinds zij elkaar het laatst

gezien hadden. Eerst dacht zij dat het kwam door de fijne rimpeltjes

bij de ooghoeken, doch toen ontdekte zij, dat zijn grijze haar er de

oorzaak van was.

"Ach," zeide zij, en er klonk een eerlijke droefheid in haar diepe

stem, "je mooie, zwarte haar! Dat ik dat nu ook al grijs heb moeten

maken!"

"Dat heb jij volstrekt niet gedaan," zeide hij, ontwijkend, "dat is

al lang zoo geweest!"

"Een beetje bij de slapen en achter in je hals, ja--maar niet

zooals nu!"

"Ja, wat zal men er aan doen?" zeide hij, terwijl hij met een schelmsch

glimlachje de hand door zijn haren streek. "Je ziet, ik begin oud

te worden."

Toen boog zij zich voorzichtig over hem heen, als wilde zij ieder

grijs haartje dat zij zag, tellen.

"Weet je wel," zeide zij, "dat ik ieder grijs haartje beschouw als

voor mij gewonnen?"

Hij keek haar aan en knikte:

"Daar kan je zeker van zijn, hoor, en daar kan je tevreden over zijn

ook--gelukkig en tevreden."

Zij glimlachte.

"Gelukkig en tevreden--" herhaalde zij en bedacht, hoe zij zelf eens

dezelfde woorden gebruikt had.

"Maar waarom kwam je zoo laat?" vroeg zij plotseling. "Ik begon bang

te worden, dat je ziek was."

Hij lachte om de angstige uitdrukking, die zich reeds op haar gelaat

vertoonde, toen zij er slechts over sprak.

"Ik keek onderweg naar woningen," zeide hij. "En toevallig zag ik er

één, die voor je geschikt is, en ik durfde de gelegenheid niet voorbij

laten gaan. Het is ver buiten de stad--lichte, mooie kamers--niet te

groot--maar jij en het kind hebben zooveel plaats ook niet noodig."

"Neen, we kunnen ons met weinig tevreden stellen. En dan te weten dat

het ons heele eigen is--van Helle en van mij! Verbeeld je, dat je

dan thee bij ons komt drinken! Juist als vroeger, toen ik thee bij

jou kwam drinken en je me daarna voorlas. Weet je 't nog? We zullen

elkaar nu ook gaan voorlezen," ging zij vol ijver door, "we zullen

't precies zoo hebben als vroeger--elkaar volmaakt vertrouwen en

niets voor elkaar achterhouden."

"Ja, juist," zeide hij. "We moeten elkaar iederen dag zien, zonder

dat we ooit genoeg van elkaar krijgen. Iederen nieuwen dag, dien wij

beleven, zal de vreugde van onze liefde even groot en even heerlijk

zijn--dat eisch ik--met minder ben ik niet tevreden!"

"Daarin ligt juist je kracht," zeide zij, "en dat is het laatste,

wat ik in je missen wil."

"Maar drie jaar is een lange tijd," zeide hij, "een vreeselijk lange

tijd--ben je niet bang dat je liefde het zoo lang niet kan uithouden?"

Het Verloren Tooverland · 第 11 / 16 题