"Ik ga er toch naar toe," antwoordde zij; "zoodra ik kan, ga ik
er naar toe. Tot nu toe heb ik niet begrepen, dat ik haar iets
verschuldigd ben, maar deze maanden hebben 't mij geleerd en ik zal
't nooit meer vergeten!"
Hij wilde iets zeggen, doch bedacht zich. In plaats daarvan stak hij
een sigaar aan en sneed haar, door zijn hardnekkig zwijgen, iedere
mogelijkheid tot gedachtenwisseling af.
's Avonds bracht zij hem naar het station en als twee vreemden
spraken zij over de onverschilligste zaken. Toen de trein weg was
en zij alleen naar huis terugkeerde, had zij een grooter gevoel van
leegte dan ooit te voren.
Hoewel 't seizoen reeds lang ten einde en Sint Jan ook reeds voorbij
was, had Peter Dam niet meer dan een paar nietszeggende briefjes
geschreven en haar zelfs nog geen enkele maal bezocht.
Toen overviel haar plotseling een hevig verlangen naar oom Frans,
en wel met zulk een intense kracht, dat zij zich geen oogenblik
bedacht, doch dadelijk naar het postkantoor ging en er het volgende
briefje schreef:
"Kunt u uw vacantie van 't jaar niet hier doorbrengen?
Ik heb zoo'n vreeselijke behoefte om met iemand te kunnen spreken. In
het huis naast het mijne is een kamer open. Er groeien rozen tegen den
muur en het ziet uit op een groot klaverveld--zoo hoog opgeschoten,
dat men er tot de knieën in verdwijnt--en u houdt immers zooveel
van klaver?
Kom dus maar, als u kunt!