Zij bloosde nog erger en zeide: "Nou, wat vindt u er dan van?"

"Hij was bepaald schitterend--neen, wees maar niet bang, het is geen

ironie, hij was werkelijk mooi."

"En hoe vindt u dat hij speelt?"

"Hij is te veel tooneelspeler, om mensch te kunnen zijn. Maar je zult

niettegenstaande dat toch wel verliefd op hem worden, is 't niet waar?"

Zij zweeg en hij ging naar haar toe. Zij zat op de canapé en hield

de handen voor haar gezicht. Zachtjes lichtte hij haar hoofd op en

wilde haar in de oogen zien. Doch dit gelukte hem niet, want haar

oogen stonden vol tranen. Hij kuste ze weg, zoodat zijn lippen er

zout en nat van werden.

"Kaja," zeide hij, "in de liefde mag je je nooit met minder dan het

allerbeste tevreden stellen. Denk daar altijd aan. Je moet in het

leven nooit iets doen zonder innige overtuiging, nooit je geweten

in slaap sussen, in niets, maar vooral niet, waar het liefde geldt,

want die wreekt zich bitter."

Met een glans van nieuwsgierigheid in haar oogen keek zij op: "Heeft

u misschien zelf----?"

"Neen," zeide hij, zich van haar afwendend, "ik ben vroeg gehard,

daarom heb ik mij nooit gebrand."

Plotseling bedacht zij, hoe terughoudend hij altijd tegenover dames

was, en hoe weinig indruk de wierook, dien zij voor hem brandden,

op hem maakte. Zij herinnerde zich hoe de jonge meisjes, die hij

les gaf, een zekeren dag zijn geheele tafel met de fijnste bloemen

beladen hadden en hoe hij de bloemen kalm op zij geschoven en met zijn

beminnelijksten glimlach gezegd had: "Ik dank u hartelijk, dames, en

ik waardeer uw goeden wil, doch als u nog eens iets te geven hebt,

geef 't dan liever aan dien armen, blinden man, die bij mij in de

buurt woont." Ieder ander zou hierdoor zijn gunst verspeeld hebben,

doch oom Frans niet; die kon zich alles veroorloven. En van dien dag

af regende het geldstukken in den hoed van den blinde.

Ze kon eigenlijk ook heel goed begrijpen, dat ze veel van oom Frans

hielden, want niemand was zoo goed, zoo fijn en zoo mooi als hij----

Toen zij zoover met haar beschouwingen gekomen was, haalde zij een vel

beschreven papier uit haar zak en ontvouwde het met een vaag gevoel,

dat zij behoefte had aan een soort rechtvaardiging.

"Wat heb je daar?" zeide hij, terwijl hij naast haar op de canapé

ging zitten.

"Ik kwam eigenlijk hier om u dit te laten zien," zeide zij, terwijl

zij met haar handen het papier glad streek.

Hij keek haastig over haar schouders. "Verzen?" zeide hij,

"Liefdeverzen?"

"Neen, volstrekt niet. Ik vond het verleden in uw gedenkboek, en

toen heb ik het overgeschreven, omdat het mij meer zeide dan al wat

ik tot nu toe gelezen heb--omdat het tot zekere hoogte uitdrukt,

wat ik zelf in het diepst mijner ziel voel, omdat ik er hetzelfde

verlangen in lees, denzelfden drang om iets te beleven, het komt er

niet op aan wat, als 't alleen het leven maar inhoud geeft!"

En toen las zij met haar zielvolle, buigzame stem:

"Ik stond eenmaal

met een open boek--

dat boek was mijn Leven!

Schrijf! schrijf!

smeekte ik een ieder,

en mijn oogen brandden,

terwijl zij smeekten--:

Goed of kwaad,

gering of groot,

schrijf, wat gij wilt!

Ik stel mij open

voor het blijde, het droeve,

doch laat niet ledig

de bladen wit...

En het Leven schreef

met kleuren, die waren

als bloed zoo rood!

Het Leven kwam

en al mijn bladen

scheurde het stuk...

En dagen kwamen

en vlogen voorbij,

snel als een bliksem;

dagen van kracht en warmte,

dagen vol zon...

En dagen kwamen,

en kropen, kropen

als slakken voorbij:

dagen van zorg en verdriet.--

Maar alle, o! alle--

ik had ze geleefd!

O, wat al runen,

diep en krachtig

die dagen ook griften

hier in mijn hart;

runen, als bloed rood,

runen, als vuur heet,

inzet van 's Levens

dobbelspel--

toch bid en smeek ik:

Schrijf meer, schrijf voort!

schrijf, heerlijk Leven!

al wat u lust!

Mij open stel ik

voor het blijde, voor het droeve....

Doch laat niet ledig

de bladen wit!"

Zij knikte en stond op. "Ik kwam alleen maar, om u dat te zeggen,"

zei zij en keerde zich van hem af.

Hij keek naar haar fijne, slanke gestalte, naar haar frissche, jonge

gezicht en zeide toen met verbazing:

"Maar je bent pas negentien jaar, kind--over een maand ben je pas

negentien!"

"Nou, wat zou dat?"

"Hoe kan je nu al zoo vreeselijk verlangen? Hoe heb je er tijd voor

gehad? Je bent nog zoo jong!"

"Dat weet ik niet," zeide zij, terwijl zij reeds bij de deur stond.

"Bij den een is zeker de drang erger dan bij den ander."

Een eigenaardige, zachte glimlach gleed over zijn lippen.

"Zoo, en nu stel je je open?" zeide hij slechts, langzaam en zacht.

Zij knikte: "Voor het blijde, het droeve--doch laat niet ledig de

bladen wit!"

Er was iets, dat plotseling zijn keel toeschroefde en dat hem

verhinderde haar goedendag te zeggen. Hij wenkte slechts met zijn

hand tot afscheid, toen zij de trappen afging. En toch had hij een

gevoel, alsof hij haar achterna moest rennen en haar toeroepen:

"Waarom doe je dat? Waarom gooi je je hals over kop in een leven,

dat maar een half leven is? Waarom wacht je niet tot iets geheels je

aangeboden wordt? Niemand begrijpt je zóó goed als ik. Niemand kan

meer van je houden!"

Doch hij lachte bitter en wierp de deur zóó hard achter zich toe,

dat het heele huis dreunde.

Toen liep hij naar het raam en bleef, met zijn handen diep in zijn

jaszakken, staan uitkijken. Zij zou juist den hoek naar Vesterbro

omdraaien, keerde zich eerst nog even om en groette hem met haar

hand. Het was of hij daarbij haar oogen zag.

Hij herinnerde zich hoe hij, toen hij haar als kind voor 't eerst in

zijn armen nam, reeds gezegd had: "Dat kind heeft al een paar heel

bizondere, wakkere oogen." Later had hij er dikwijls aan gedacht. Haar

grooten, wakkeren blik had hij boven alles in haar lief. Die vrije,

open oogen staan voortdurend op den uitkijk, die zoeken steeds rond,

waar er iets te beleven valt, dacht hij verder. Dààr stond zij dus

met haar levensboek open in haar handen en vol verwachting wendde

zij de witte bladen naar het licht:

Schrijf! schrijf,

heerlijk Leven!

En mijn oogen brandden,

terwijl zij smeekten----

Doch als het Leven niet schrijven wilde, zou zij zelf schrijven,

en de bladen vullen van haar boek, zóó was zij. Zij zou niet kunnen

wachten--de drang naar ondervinding brandde als koorts in haar

aderen. Hij voelde en begreep dit, terwijl hij met zijn gedachten

bij haar was.

Doch dat zij zich zelf zou kunnen vergooien aan dien ellendigen

phrasenmaker, die zich tevreden stelde met anderen het hoofd op hol te

brengen, zonder dat hij er zelf 't minst bij dacht of voelde--daar was

hij van overtuigd--dat was toch al te erg! Die door vrouwen verwende

fantast, die half verliefd was op iedereen, doch slechts geheel op

zich zelf.

Dat zij dat zou kunnen! Oom Frans had voor de meeste acteurs altijd een

groote antipathie gevoeld. Zijn sterk-ware natuur kon het leugenachtige

in hun wezen niet verdragen, dat was hem een doorn in het oog!

Een paar jaar geleden had Kaja hem een vreeselijken schrik op 't lijf

gejaagd, die hem nog lang in de beenen was blijven zitten. Zij nam

zangles bij een bekenden meester en haar orgaan ontwikkelde zich tot

een mooi, krachtig geluid.

Op een zekeren dag kwam zij oom Frans vertellen, dat zij op proef

ging voor de opera. Oom Frans, die haar genoeg kende, om te weten,

dat tegenspraak haar nog meer zou aanzetten, nam geduldig zijn hoed

en ging met haar mee naar den kapelmeester. Onderweg zeide hij geen

woord, maar later was hij overtuigd, dat hij inwendig een dringend

gebed gedaan had, dat zij zou afgewezen worden, en zijn vreugde kende

geen grenzen, toen zij afgewezen werd.

"Dat mankeerde er nog maar aan, dat je in dat wespennest terecht

was gekomen," zeide hij, terwijl hij hoonend met zijn hoofd naar den

schouwburg wees, toen zij samen over Kongens Nijtorv naar huis liepen.

Zij scheen niet bizonder teleurgesteld, doch haar belangstelling in

het tooneel werd er niet minder door--die werd door het fantastische

in haar natuur gevoed. En nu zou het er op uit loopen, dat zij verliefd

werd op een acteur van een tweede-rang's theater!

Hij ging naar zijn schrijftafel en nam het boek op, waarover zij hem

gesproken had. Hij kreeg een groote aanvechting, om het in het vuur

te gooien, als zou hij tegelijk daarmee al haar valsche gevoelens

verbranden kunnen.

"Gedenkboek" had hij het genoemd, maar het waren niet zijn eigen

gedachten en herinneringen, die dat boek inhield--of liever: zij

waren door een ander geschreven. Hij had een goeden vriend gehad,

die jong gestorven was. Dag en nacht had hij bij zijn ziekbed gezeten,

met hem gesproken, voor hem gelezen en hem verpleegd met vrouwelijke

teederheid. De zieke had een sterk bewogen gemoedsleven en een fijn

gevoel voor mooie, welluidende taal. En hij was dol op oom Frans.

Toen hij gestorven was, vond men in zijn nalatenschap een pakje, waarop

met fijne, bevende letters de naam van oom Frans geschreven stond. Dat

was het "Gedenkboek." Oom Frans nam het mee naar huis. Het waren

verschillende gedachten en stemmingen--grootendeels in verzen--door

elkaar opgeschreven, zoodat men voortdurend nieuwe indrukken kreeg.

En toch was er--niet in den vorm, maar in de keuze van materiaal,

een stempel van persoonlijkheid, die den lezer verbazen moest. Oom

Frans las de gedichten zóó dikwijls, dat hij ze op het laatst van

buiten kende. Hij vond dat hij het zijn vriend verplicht was. Het

was als een samenleven met zijn laatste gedachten.

Doch het merkwaardige was, dat toen oom Frans de verzen van buiten

geleerd had, het hem toescheen, dat hij die zelf gemaakt had.

"Het is zonderling," dacht hij. "Ik weet, dat ik geen twee regels op

elkaar kan doen rijmen en toch heb ik die verzen gemaakt."

Zachtjes zeide hij één van de verzen, daar hij 't meest van hield,

voor zich zelf op, tot er plotseling een glimlach over zijn gelaat

gleed. Nu begreep hij het. Gedurende al de lange weken, dat hij

bij 't ziekbed van zijn vriend gezeten had en zijn gedachten en

gevoelens aan den zieke had meegedeeld, had zijn vriend ze tot verzen

omgeschapen. De inhoud der gedichten, der fantasieën was van hem,

de vorm slechts was van een ander. Van dat oogenblik af hoorde het

"Gedenkboek" hem dubbel toe, en de gedachten die het inhield, herkende

hij gaarne voor de zijne.

Nooit had hij een ander een oog in het boek laten slaan dan Kaja,

die van kind af bij hem binnenliep, zoowel in zijn woning, als in

zijn hart.

Hij, die van nature zóó menschenschuw en zóó bang was, anderen

te toonen, wat hij dacht, had zich voor dat kind volkomen bloot

gelegd. Dat kind had al zijn liefde, vóór zij zelfs nog volwassen

was. En dat zij het nooit gemerkt had! Dat zij hem nooit anders

beschouwd had dan als "oom" Frans!

Het was dom van hem, dat hij nooit getracht had haar op het spoor

te brengen. Doch als zij hem op haar kinderlijke, onstuimige manier

om den hals vloog, of op zijn schoot zat en haar handen door zijn

haar haalde, durfde hij haar nooit wegjagen met iets, waarvan hij de

gevolgen niet kende.

De gedachte alleen, dat haar vertrouwen daardoor misschien verminderen

zou, deed hem zwijgen. Want haar vertrouwen wilde hij hebben--daar

was hij gierig op--want hij wist immers dat zij 't nooit aan anderen

gegeven had. Zij waren niet voor niets familie van elkaar.

Hij lachte heimelijk in zichzelf. "De zebra's" had de familie hen

genoemd en hij vond zelf, dat dit een geschikte naam was. Zij hadden

hetzelfde fijne, kleine hoofd, met golvend haar, dat over het voorhoofd

neerviel--alleen met dit verschil, dat zijn haar zwart en het hare

lichtend roodbruin was; zij hadden beiden een langen, rechten hals,

beiden denzelfden haastigen, licht voorovergebogen gang, dien lange,

slanke menschen dikwijls hebben.

Hij ging naar de tafel en bleef vóór een portretje van Kaja als kind

stil staan. Het was een heele galerij van Kaja's, tot nu toe van

ieder jaar één. Hij nam het allereerste fotografietje in zijn handen

en bleef er lang naar staren.

"Hoe is 't mogelijk, dat er werkelijk een oogenblik was, dat ik niet

van haar hield," zeide hij, "omdat zij zoo vreeselijk schreeuwen kon!"

Kaja had namelijk haar eerste levensjaren schreeuwend

doorgebracht. Eerst schreeuwde zij, zonder dat iemand ooit eenige

oorzaak er voor ontdekken kon--toen schreeuwde zij door het tanden

krijgen, en toen zij die had, schreeuwde zij door de mazelen. En toen

de mazelen over waren, kreeg zij kinkhoest en toen schreeuwde ze,

of haar leven er mee gemoeid was.

Toen oom Frans als jong student daar in huis kwam, vroeg hij altijd

of er niet één enkele kamer in het heele huis was, waar men dat kind

niet kon hooren schreeuwen, en hij vermeed altijd haar kant uit te

zien. Doch toen ging hij voor een half jaar weg en toen hij terugkwam,

was zij een gezond, mooi kind geworden met dezelfde notenbruine huid,

die zij nu had en een paar oogen, die iedereen deden stilstaan. Eerst

bleef zij, met haar hoofdje op zij en den eenen vinger in haar mond,

hem standvastig met haar groote oogen aankijken--toen ging zij moedig

op hem af en vroeg hem ronduit: "Hebt u iets voor me meegebracht?" En

toen het antwoord ontkennend luidde, wist zij eerst niet goed, wat

zij doen zou, doch kwam toen naast hem staan en zeide:

"Kaja wil u een zoentje geven."

Verlegen had hij haar opgetild en toen hij voor 't eerst haar

zachte armpjes om zijn hals voelde, had hij zich op genade af

overgegeven. Sinds dat oogenblik waren zij vrienden. Kaja was eenig

kind, de moeder was zwak, af en toe niet wel bij 't hoofd en lag

meestal te bed--de vader ging geheel in zijn zaken op. Daardoor

werd het oom Frans, die haar eigenlijk opvoedde. Iederen dag haalde

hij haar af voor een wandeling. En als zij dan naast hem liep te

springen en hem, als alle kinderen, met vragen overstelpte, was

hij even vroolijk als zij. En hoe grooter zij werd, des te grooter

werd ook zijn vreugde. En de laatste vijf jaren, dat zij niet alleen

vertrouwen gaf, maar ook vertrouwen deelen kon, was hun samenzijn een

bron van waar geluk voor oom Frans geworden. Nu voelde hij eerst, hoe

rijk het bewustzijn, dat hij alleen haar gedachten kende evenals zij

alleen de zijne, hem gemaakt had. Zij had nooit "vriendinnen" gehad

en was daardoor gelukkig de klip van allerlei jongemeisjesdwaasheden

ontgaan, waarop zoovele jonge Kopenhaagsche dames stranden, en had

zich geen kinderachtige woorden eigen gemaakt, zooals alleen een

Kopenhaagsch jongmeisje gebruikt, en die haar langer bijblijven dan

zij zelf vermoedt. Gebeurde het een enkele maal, dat zij met zoo iets

aan kwam, dan hield oom Frans haar zoo vreeselijk voor den mal, dat

het geen tweede maal voorviel. Hoe duidelijk herinnerde hij zich haar

nog den dag na haar aanneming! Zij kwam in een lange, zwarte japon,

die haar jonge lichaam stijf omspande, naar hem toe en zeide:

"Het is onverdragelijk om volwassen te zijn."

"Waarom?"

"Omdat je als kind veel vrijer bent."

Toen verviel hij in gedachten: Zij zou toch niet bedoelen, dat er

verandering in hun verhouding komen zou?

"Wat bedoel je?" vroeg hij en keek haar vlak in 't gezicht.

"Wel, je kunt je met korte rokken toch veel gemakkelijker bewegen,"

zeide zij, terwijl zij op haar hielen ronddraaide.

Toen was hij gerust gesteld. Hij bemerkte aldra, dat zij hun

dagelijksche wandelingen als van-zelf-sprekend bleef beschouwen,

en als hij haar een dag lang eens niet gezien had, vloog zij hem,

evenals vroeger, altijd om den hals. En juist dit soort vreugde waagde

hij niet, ooit in haar te verstoren. Daarom hield hij streng over

zichzelf de wacht en zeide nooit iets van hetgeen zijn hart steeds

meer vervulde. Als hij nu terugdacht, wist hij zelf niet meer, wanneer

hij begonnen was, haar lief te hebben. Hij kon zich de overgang van

een puur vaderlijk gevoel, waarmee hij haar in den beginne altijd

tegemoet trad, tot het groote, alles overweldigende gevoel, dat hem

nu beheerschte, niet meer herinneren. Doch hij was er van overtuigd,

dat het vele jaren geleden was, dat hij tot de ontdekking kwam,

dat zij op de heele aarde de eenige vrouw was, aan wie hij zich met

lichaam en ziel zou kunnen geven.

En op dit oogenblik noemde hij zichzelf een armen stakker en een

ellendigen idioot, omdat hij 't haar nooit had laten merken. Dan zou

alles nu misschien heel anders geweest zijn.

Doch een oogenblik daarna schudde hij weer droevig het hoofd.

"Neen, wij kennen elkaar te goed," zei hij. "Omdat we familie van

elkaar zijn, denkt zij aan geen liefde. En als 't geen volmaakte

liefde wezen kan, dan heb ik maar liever in 't geheel niets."

Oom Frans had tot motto: "Eisch alles! Geef alles!" En hij nam nooit

iets aan zonder innige overtuiging, suste nooit zijn geweten in slaap,

noch voor zichzelf noch als het op anderen aankwam. Langzaam liep

hij de kamer door, bleef toen vóór het raam staan en keek naar buiten.

Wat verlangde hij naar haar--bijna reeds voordat zij nog weg was! Hoe

voelde hij, dat zij met alle kracht van lichaam en ziel aan hem

gebonden was!

Hij ging aan zijn schrijftafel zitten en beproefde te schrijven,

doch den geheelen dag vervolgden hem de regels:

En het Leven schreef

met kleuren, die waren

als bloed zoo rood!

Het Leven kwam

en al mijn bladen

scheurde het stuk!

"To be, or not to be--

that is the question."

Peter Dam stond in de kleedkamer van het theater de laatste sporen

van het poeder van zijn mooi gezicht af te vegen. Toen goot hij wat

brillantine over zijn krullend haar, trok een lok over zijn voorhoofd

en wierp een laatsten blik in den spiegel. Een beeldhouwer had geen

beter model voor een Hamlet kunnen wenschen.

Haastig zette hij zijn hoed op, deed zijn jas aan en ging de trap

af. Buiten wachtte Kaja hem in een rijtuig op.

En zoodra het portier gesloten was, zeide hij: "Nou, hoe heb ik

gespeeld?"

"Heerlijk mooi!" fluisterde zij, terwijl zij zich dicht tegen hem

aandrukte.

En in het licht van de lantaarn, zag hij hoe haar oogen vol geestdrift

straalden. Hij kuste haar op de wangen--die fijn behaard en zacht

waren en hem altijd aan een perzik deden denken.

"De menschen klapten ook erg," zeide hij, met duidelijke

zelfvoldoening.

"O ja? Daar heb ik niet op gelet. Ik was heelemaal in het stuk. En

wat er aan ontbrak, fantaseerde ik er bij."

"Ja, jij fantaseert ook altijd," zeide hij een weinig stuursch.

"Mag ik dat dan niet?" Glimlachend keek zij naar hem op.

"--Ja--wel--maar 't is in ieder geval een gevaarlijk iets," zeide hij,

zonder te weten hoeveel waarheid hij sprak. Want als zij niet het

noodige er bij gefantaseerd had, zou zij nu nooit op dat oogenblik

als zijn verloofde in het rijtuig naast hem zitten.

Zij hielden vóór een café stil en gingen er samen binnen.

"Het is toch zoo vervelend, dat moeder altijd ziek is en dat we niet

thuis kunnen soupeeren," zeide zij, bijna verontschuldigend.

"Ik vind 't hier heel gezellig," zeide hij, terwijl hij zich koesterde

in al de warme vrouwenblikken, die hem toegeworpen werden, terwijl

zij de eetzaal door liepen.

Zij gingen samen aan een tafeltje zitten. Vlak over hen zat één

der actrices van het theater. Vertrouwelijk knikte zij Peter Dam

goedendag. Kaja zag het en een onaangenaam gevoel ging haar door

de leden.

"Ken je haar intiem?" zeide zij.

"Neen--waarom?"

"Omdat zij zoo familiaar groette."

"Kom, onder kameraden! Je weet wel, dat de omgang achter de schermen

heel anders is dan er vóór."

"Ja, maar ik begrijp niet waarom," zeide zij vrijmoedig.

"Een acteur moet toch even goed waar zijn.--To be, or not to be--that

is the question!"

Hij lachte om haar naïeviteit en dronk er eens op, dat zij met de

jaren meer ervaren worden zou, doch toen hij zag, hoe ernstig zij 't

opnam, veranderde hij plotseling van toon en zeide met zijn zachtste,

innemendste stem,--waardoor hij haar altijd weer won:

"Jij zult me leeren eerlijk zijn. Als ik jou maar eerst heb zal het

beste in mij tot ontwikkeling komen."

En fluisterend voegde hij er bij:

"Heb je al over het trouwen gesproken?"

Zij knikte.

"Vader denkt met het voorjaar," zeide zij.

Hij greep haar beide handen en overlaadde ze met kussen.

"Ik ben koning van het geluks-tooverland!" zeide hij, zóó luid,

dat zij verschrikt haar hand op zijn mond hield.

Zulke oogenblikken was Peter Dam onwederstaanbaar en hij zag aan haar

glinsterende oogen, hoe verliefd zij was.

Het geluk zong om haar lippen, haar stem werd zacht, haar gang

feestelijk. Hij was trotsch op haar, terwijl zij samen weggingen. Doch

bij de deur keerde hij zich om en zond, achter haar rug, het actricetje

een kushand toe.

Zij namen weer een rijtuig. Hij ging met haar mee tot haar

huis. Onderweg spraken zij over niets anders dan over "het huis der

jonggehuwden," zooals hij schertsend hun toekomstige woning noemde. Zij

had reeds veel inkoopen gedaan. Iederen dag wilde zij meer koopen. Nog

nooit te voren had zij, als nu, het genot gevoeld van als eenig kind

de middelen te hebben, om te kunnen koopen wat zij wenschte.

Zij liet haar fantasie den vrijen loop. Zijn kamer zou in empirestijl

zijn en de zitkamer in rococo--geen namaak--allemaal echte oude

meubelen, die haar iets zeggen zouden.

Of hij bijvoorbeeld nooit gemerkt had, hoe een oude kast een heele

familiegeschiedenis vertellen kon?--Neen, dat had hij eigenlijk

nooit. Wel, dan zou zij hem dat wel leeren, en zij lachte luid en

vroolijk.

"Wat treft het nu juist ongelukkig," zeide hij, toen zij voor haar

huisdeur stonden, "dat ik het de volgende maand zoo vreeselijk druk heb

met 't instudeeren van een nieuwe rol. We zullen dan maar weinig samen

kunnen zijn!" Doch zij sloeg haar armen om zijn hals en fluisterde:

"Des te heerlijker is 't daarna." Heftig trok hij haar naar zich toe

en zeide: "Ieder uur van den dag zal ik naar je verlangen."--"Dat

mag je," zeide zij, "maar de kunst heeft ook haar recht. Daar zal ik

nooit tusschen komen, integendeel, ik zal die nog voor je trachten

te verhoogen."

"Alsof je dat al niet gedaan hebt! Alsof het niet door jou is, dat

ik van avond zoo goed speelde!"

Zij sloot zijn mond met een kus en ging haastig de voordeur binnen,

doch hij duwde die weer open en fluisterde in het donker: "Waar

trouwen we dus?"

"Natuurlijk in het meest afgelegen dorpskerkje, dat ik vinden kan."

"Waarom dat?" vroeg hij teleurgesteld.

"Omdat jij bent, die je bent. Ons huwelijk zal geen tooneelspel zijn,"

klonk het besliste antwoord.

"Zoo'n dorpskerk met een valsch zingende koster is allesbehalve

indrukwekkend," beproefde hij in 't midden te brengen. "Ik zal trouwen

in den verst verwijderden uithoek," zeide zij, "en er zal niemand

anders bij tegenwoordig zijn dan vader en oom Frans. Maar," vervolgde

zij plagend, terwijl zij op de trap naar de eerste verdieping stond

en zich over de leuning naar beneden boog. "Je mag gerust wegblijven,

als je liever wilt."

Het was, of hij in het donker haar roodbruin haar zag lichten en haar

oogen glinsteren.

En hij fluisterde terug, terwijl hij in drie sprongen de trap op vloog:

"Toovenares! Elf! Zeenimf! die je bent."

Toen hoorde hij de deur achter haar sluiten en ging hij naar huis in

een volmaakten liefderoes.

"Nooit wordt op aarde belofte zoo rijk

verbonden met reine gedachten,

dan waar twee bouwen één zelfde huis,

twee menschen uitwerpen één anker."

Kaja maakte iederen dag met oom Frans hun gewone wandeling. En daar

Peter Dam steeds door repetities in beslag werd genomen, sprak het

ook als 't ware van zelf, dat Kaja en oom Frans de toekomstige woning

gereed maakten.

Peter Dam's geest heerschte nergens in den edelen stijl en de

rechte lijnen der kamers--de familie Halling was het, die er haar

karakteristieken stempel op had gedrukt.

Oom Frans betrapte zichzelf op een wonderlijke vergissing. Het was

hem, alsof hij het toekomstig huis voor Kaja en zichzelf in orde

maakte. Daardoor werd alles--tot in de kleinste bizonderheden--naar

zijn en naar haar smaak ingericht; daardoor ontzag hij geen moeite,

om alles zoo volmaakt mogelijk te doen worden. Hij draafde naar

schrijnwerker en zadelmaker, hij kocht gordijnroeden en nam de maat

voor portières, hij liet practische, kleine hoekkasten maken en hij

was 't, die haar hielp bij het koopen van tapijten en gordijnen. 's

Avonds zaten zij samen in zijn kamer en maakten een teekening van dat

gedeelte van de kamers, waar nog iets ontbrak--en naast elkaar gezeten,

over de teekening heengebogen, verdiepten zij zich zóó geheel in hun

werk dat hun beider lokken over de tafel gleden en hun handen elkaar

aanraakten. En als zij dan weg was, zeide hij in zichzelf:

"Het is niet mogelijk, dat ik haar zal moeten missen, niet mogelijk,

dat zij met Peter Dam trouwt. Wij beiden, wij zijn voor elkaar

geschapen. Als wij samen zijn, bestaat er niets om ons heen. Hoe kan

zij toch zóó blind zijn, dat zij dat niet ziet? Hij begrijpt haar

volstrekt niet, maar ik begrijp haar, ik weet wat zij zeggen zal, vóór

de woorden over haar lippen zijn. Op een zekeren dag zal zij komen

en zeggen: Dit huis was voor ons beiden bestemd, oom Frans! Daarin

kan niemand anders wonen dan u en ik.--En dan zullen wij er samen

intrekken en dan zullen op de geheele wereld geen gelukkiger menschen

zijn dan wij!"

Als oom Frans later aan dezen tijd terug dacht, was het hem, of zij

samen in een tooverland hadden rondgedwaald, waar het wonderlijkste

natuurlijk was en waar de fantasie grooter was dan de werkelijkheid.

En Kaja? Haar gevoelens waren van zóó verschillenden aard,

haar stemmingen zóó veelvoudig, dat zij ze niet uit elkaar kon

houden. Er was niets, dat zij oom Frans niet durfde zeggen, doch

als zij over Peter Dam beginnen wilde, kon zij de woorden niet uit

haar keel krijgen. Doch des te meer dacht zij aan hem. Achter iedere

repliek vond zij hem weer; ieder levenloos meubelstuk van de woning,

die zij met zooveel ijver gereed maakte, sprak haar van hem. Maar

over hem praten deed zij zoo goed als nooit. Dit bracht oom Frans op

een dwaalspoor: niet dat hij meende, dat zij zich vrij en ongebonden

voelde, maar het was hem alsof er iets wonderlijks gebeuren zou. Hij

wachtte op wat komen zou--en uit zijn geheele wezen straalden zulk

een jeugdige kracht en frischheid, zulk een blijde verwachting dat

Kaja er verbaasd over was.

"Lieve, oude oom Frans," zeide zij, terwijl zij haar hand door

zijn haren streek: "Het is, alsof u twintig jaar jonger bent! En uw

sprookjesstem is onweerstaanbaar."

Zij zeide altijd, dat oom Frans een sprookjesstem had. Reeds toen zij

als kind op zijn knie zat, luisterde zij meer naar zijn stem dan naar

de woorden. En later verklaarde zij haar voelen op de volgende manier:

"Sprookjesstemmen, oom Frans, zijn stemmen, waar zooveel meer achter

zit dan ze ooit uitspreken. Men moet er naar luisteren, of men wil

of niet. Het is, alsof ze altijd weer iets nieuws vertellen----"

Gewoonlijk maakte hij er een gekheidje van, maar heden avond legde

hij plotseling zijn arm op haar schouders en zeide: "Jij bent het

sprookje, jij----"

Zoo naderde de dag vóór het huwelijk.

Peter Dam speelde één van zijne voornaamste rollen en zij zou

hem niet voor den volgenden dag bij het trouwen zien. Hij was 's

morgens bij haar gekomen en was overweldigend in zijn liefde en in

zijn omhelzingen geweest. En hij had er zich hevig over beklaagd,

dat het tooneel hem de laatste maanden bijna geen tijd gegeven had,

om met haar samen te zijn, die altijd in zijn gedachten was geweest.

Hij schilderde haar in warme kleuren, hoe hij op het tooneel altijd

naar haar verlangde en hoe zijn geheele spel slechts werd tot één

hulde aan haar. Hij vond het gewoon onrechtvaardig, dat zij hun geluk

niet ongestoord genieten mochten. Zij dachten er geen van beiden aan,

dat juist het niet voortdurend samen zijn vóór hun huwelijk voor beiden

zoowel gevaarlijk als gelukkig was. Voor haar gevaarlijk--zij kende den

man niet, aan wien zij zich gegeven had;--voor hem gelukkig, nu bleef

hij voor haar de openbaring van schoonheid en jeugd, de altijd even

nieuwe en frissche. Zij hadden nooit tijd voor een ernstig gesprek,

zij zag nooit wat bij hem waarheid en wat verdichtsel was. Zij leefde

geheel in haar liefdedroomen, waar alles licht en kleuren was.

Oom Frans en zij gingen een laatste maal naar de nieuwe woning, om

nog eens te overzien of alles in orde was. Zij vloog over de zachte

tapijten en onderzocht met trotsche oogen de gezellige kamers. Neuriënd

liep zij van de eene plaats naar de andere en scheen ieder voorwerp

met haar blikken te liefkoozen.

"Het is, of alles op ons staat te wachten," zeide zij. "Het is,

alsof alles luistert naar de voetstappen, die komen zullen--!"

"En kijk!" riep zij plotseling uit. "Hier staan rozen! Groote,

gele! Die zijn van u, oom Frans!"

Hij knikte.

"Ik heb ze van morgen hier gebracht," zeide hij. "Ik wist, dat je er

zooveel van hieldt."

Zij kuste de geurende bloemen; toen nam zij het glas in haar beide

handen en zette het op een tafeltje dicht bij de deur.

"Die zullen de eerste zijn, die ons begroeten," zeide zij.

Oom Frans zat op de canapé en volgde haar met de oogen. Als hij

later aan dat oogenblik terugdacht, geloofde hij, dat hij aan

oogenblikkelijke verstandsverbijstering geleden had. Zóó zeker was

hij geweest, dat zij naar hem toe zou komen, haar wang tegen de zijne

leggen en met haar innigste stem zeggen zou: "Dit alles is voor u en

voor mij alleen. Onze geest heerscht over deze kleine wereld--daarom

zullen wij er in wonen en er heerschen."

En hij betrapte er zich op, dat hij zeide:

"Die deur zullen we verbergen. Wij houden geen van beiden van veel

deuren."

En zij ging er dadelijk op in en zeide:

"U hebt gelijk. We zullen er een portière vóór hangen!"

En in een oogenblik had zij het kleine trapje gehaald, dat zij gewoon

waren te gebruiken, en begon zij aan den arbeid.

Trouw als altijd stond hij haar ter zijde, en toen het gereed was,

gingen zij samen op de sofa zitten. Zij drukte de gevouwen handen in

haar schoot en keek verrukt om zich heen.

"Wat is 't hier keurig!" zeide zij. "Gelooft u, dat iemand het netter

kan hebben dan wij?" Doch plotseling vulden haar oogen zich met tranen.

"Arm moedertje, dat in 't donker zitten moet en nooit iets van al de

heerlijkheid hier zal kunnen zien," zeide zij. "Wat zou ik zonder u

alleen zijn, oom Frans!"

En zij greep met beide handen zijn hand, zoodat hem een electrische

stroom door de leden voer.

"Nu komt het!" dacht hij.

Toen wierp zij zich aan zijn borst en slingerde haar armen om zijn

hals en fluisterde:

"Ik ben zoo blij, dat u er morgen bij zult zijn, u bent alles tegelijk,

mijn moeder en mijn vader, mijn vriend en mijn broer. Ik kan mij geen

geluk voorstellen, dat u niet deelen zoudt."

Hij werd plotseling duizelig. Het was, alsof er iets voor zijn voeten

in stukken viel en hij voelde zelf, hoe ijskoud en bleek zijn gezicht

werd. Hij bemerkte duidelijk aan de wijze, waarop zij hem liefkoosde

en aanhaalde en aan het ongedwongene van haar heele zijn, dat er geen

sprake van liefde voor hem bij haar was. Voor haar was hij "oom"

Frans, die al groot was, toen zij klein was, en die in haar oogen

altijd oud zou zijn, omdat hij zeventien jaar ouder was dan zij.

Zij merkte de verandering in hem en riep angstig uit:

"U wordt toch niet ziek! Er is toch niets met uw hart?"

Hij lachte bitter.

"Ja--" zeide hij, "het was iets met mijn hart, maar--je behoeft niet

bang te zijn--nu is het over."

Hij herinnerde zich hoe zij als half volwassen meisje dikwijls zoo stil

als een muis bevend van angst vóór zijn deur gestaan had, omdat zij

wist, dat hij aan een hartkwaal leed. Als hij dan zijn deur uitkwam

en vroeg, wat zij daar deed, drukte zij zich tegen hem aan en zeide

met bevende stem:

"Ik kreeg plotseling zoo'n angst, dat u dood zoudt zijn. Want ze zeggen

op school, dat men met een hartkwaal soms op eens kan sterven. En u

mag niet vóór mij sterven, hoor oom Frans, verstaat u, u mag niet!"

Nu was er iets van dezelfde vrees in haar stem, toen zij zich over

hem neerboog.

"Denk er om, wat u mij beloofd heeft," zeide zij, met een mislukte

poging om te glimlachen, "u mag niet sterven vóór mij."

"Nu komt het er minder op aan," zeide hij bitter. "Nu heb je immers

Peter Dam?"

"Ik heb niemand dan u!" liet zij zich onwillekeurig

ontvallen. "Niemand, die ik moeilijker missen kan dan u!"

Een glans van vreugde straalde even in zijn oogen, doch niet dan om

straks weer te verdooven. Snel keerde hij zich naar haar toe en vroeg

haar kortaf:

"Weet je zeker, dat je genoeg van hem houdt?"

"Genoeg--ja, hoe meent u?" zeide zij aarzelend.

"Weet je zeker, dat je niet je eigen wat wijs maakt?"

"Ja, dat weet ik zeker," antwoordde zij haastig--doch haar stem

klonk onzeker--zij hoorde het zelf en kon het niet verklaren. "Men

kan ook wel te veel verlangen," zeide zij als slot voor een gedachte,

die zij niet uitgesproken had.

"Niet waar het liefde betreft!" viel hij uit. "In de liefde is het

beste nog niet goed genoeg! Kijk eens, hier!"

Hij haalde een ring van zijn horlogeketting af.

"Dien ring heeft mijn moeder altijd gedragen," zeide hij, "toen

zij in de kist lag, nam ik dien van haar gerimpelde hand. Daarin

staat geschreven: Eisch alles! Geef alles! Sinds dat oogenblik heb

ik dat motto tot het mijne gemaakt. Het heft iemand op. Wees nooit

tevreden met minder dan het beste in de innigste verhoudingen. Wees

nooit tevreden waar het het dierbaarste offer geldt, met minder dan

het allerhoogste!"

Toen boog hij zich over haar heen en schoof den ring aan haar vinger.

"Ik geef je dien ter herinnering aan dezen avond," zeide hij. Zij

wist niet waarom, maar in deze woorden klonk haar een soort vaarwel

en één voor één begonnen haar tranen in haar schoot neer te vallen.

"Oom Frans," fluisterde zij. "Wij zullen elkaar toch wel iederen dag

zien zooals gewoonlijk?"

"Dat weet ik niet," zeide hij, terwijl hij op wilde staan, maar

toen zij haar met tranen gevulde oogen naar hem toekeerde, drukte

hij haar innig tegen zijn borst en voegde er bij: "Natuurlijk--wij

tweeën kunnen elkaar immers niet missen?"

Even bleven zij zonder een woord te spreken, zoo samen zitten--toen

stonden zij, als onder een stilzwijgende overeenkomst, tegelijk op,

deden het licht uit en verlieten samen het huis. Toen de deur achter

hen dicht sloeg, kreeg hij een gevoel alsof hij plotseling zijn te

huis verloren had. Alsof hij, met zijn hart vol liefde, buitengesloten

was dààr, waar het geluk huisde en waar een ander zijn plaats had

ingenomen, hoewel die altijd de zijne geweest was, de zijne nog was

en in aller eeuwigheid de zijne blijven zou!

Waar klokjes klein

voor 't huwelijk luiden

van twee, die elkaar beminnen,

daar is het, als nooden

die klokjes klein,

op bedden van louter rozen,

tot spelen, dansen, koozen....

Doch luister goed,

en in 't hel gelui

hoort plechtigen ernst gij klinken,

den ernst van het Leven,

zóó diep en zóó groot

als nooit te voren feest u bood....

In het kleine, afgelegen dorpskerkje in het Zuidwesten van Sjælland,

dat Kaja voor haar huwelijksplechtigheid had uitgekozen, scheen de

zon vreedzaam op de witgekalkte muren en tusschen de reten van de

oude grafsteenen, die er in gemetseld waren.

Het was één van die weinige voorjaarsachtige dagen, die Maart te

genieten geeft. De eerste leeuweriken wedijverden in hun gezang met

het gelui der kerkklokken, en het zaad op de vlakke velden schitterde

reeds vettig groen, terwijl langs de slootkanten hier en daar nog wat

sneeuw te zien was.--De oude predikant stond buiten de sakristie op

het bruidspaar dat komen zou, te wachten en leunde met zijn arm op

de altaartafel. In een breeden, warmen straal viel de zon boven door

het koorvenster op zijn witte haar.

Hij ook had zijn wederwaardigheden gehad. Van een drukke, krachtige

bevolking in Jutland, waar men hem liefgehad en begrepen had, waar zijn

kerk tot de laatste plaats toe bezet was, en waar de menschen mijlen

ver uit den omtrek kwamen, om hem te hooren, was hij naar een kalme,

Sjællandsche gemeente gekomen, waar zijn eenige vaste toehoorders

bestonden in de apothekersvrouw met twee dochters en drie oude vrouwen

uit het armenhuis.

"Ja, moeder, ik had zeker behoefte aan een onderdompeling," zeide

hij tot zijn kleine, bleeke vrouw. "Ik was daar ginds te veel in de

mode gekomen. Het loopt altijd mis als een predikant trotsch op het

aantal zijner toehoorders begint te worden."

"Ja, op deze hier zal je niet trotsch behoeven te worden," zeide

zij, terwijl zij aan de leêge stoelen en de zes menschen dacht. Maar

langzaam en zeker, na veertien jaar onafgebroken arbeiden, was het

aantal van zes tot honderd gestegen.

Eén van de eerste Zondagen, dat de predikant naar de kerk ging,

zag hij op het land buiten de pastorie een boer aan 't ploegen.

"Zoo, ben je vandaag aan het ploegen?" zeide hij.

"Ja, ik ploeg, zooals u ziet," was het lakonieke antwoord.

De predikant schudde, als in gedachten, een paar maal het hoofd en

zeide toen:

"Ja, het is beter op het land te loopen en aan Onzen Lieven Heer te

denken dan in de kerk te zitten en aan zijn land te denken."

Toen hij wegging, keek de boer hem na, doch den volgenden Zondag zat

hij in de kerk en langzamerhand kwamen er meer. Het grootste opzien

wekte het, toen op zekeren dag ook de dokter zijn plaats onder den

preekstoel innam. De predikant had hem bij een ziekenbezoek ontmoet,

waar de dokter met zijn gewone openhartigheid verklaarde, dat het

er niet veel op aankwam of de zieke al met den predikant sprak,

ja of neen, want het ware Christendom konden de menschen toch maar

alleen van het leven zelf leeren. Daarop had de oude predikant een

oogenblik gezwegen, doch toen had hij zijn handen op de schouders van

den dokter gelegd, en gezegd: "Kan het leven den menschen ook leeren,

blijmoedig te sterven?"

"Neen, dat is te veel gevraagd," gaf de dokter glimlachend ten

antwoord.

"Wel, dàt kan het Christendom."

De dokter had niet geantwoord. Hij had slechts de deur naar de

ziekenkamer geopend, wijd geopend. Doch den volgende Zondag zat hij

in de kerk--en kort er op zat hij er weer.

Een gesloten rijtuig hield voor den ingang van het kerkje stil, en

de klokkeluider hield op met bellen en keek van uit zijn kijkgat

nieuwsgierig op de aangekomenen neer. De bruid, in reiscostuum,

liep gearmd met haar vader. Achter haar kwamen twee heeren, die

niets met elkaar schenen uit te staan te hebben, maar die toch mee

de kerk ingingen. Dit waren Peter Dam en oom Frans. Een armoedig,

klein serafienorgel begon te spelen, toen zij binnenkwamen, en bij

het altaar stond de oude predikant hen op te wachten. Peter Dam was

aangedaan. Dit werd hij reeds bij de eerste tonen van het orgel, en

ieder keer, als hij naar Kaja keek, vulde zijn oogen zich met tranen.

De plaats, de omgeving en de ernst van 't oogenblik waren er de

oorzaak van. Hij was gauw geroerd--dat lag in zijn temperament. Hij

had dat met de meeste acteurs gemeen, dat zij niet alleen anderen

kunnen ontroeren, doch zelf ook spoedig ontroerd zijn. En het stond

hem goed aangedaan te zijn.

Kaja keek naar oom Frans met een blik, die zeggen wilde: "Ziet u wel,

hoe mooi hij is en hoe goed!" Maar oom Frans keek alle kanten op,

behalve dien van Kaja. Hij bestudeerde de afkalking van de witte muren

en het beeldhouwwerk van het doopfont. Hij geraakte geheel verdiept

in de beschouwing van twee grafsteenen aan zijn voet en wijdde toen

al zijn aandacht aan den predikant. Toen hij hem een tijdlang had

gadegeslagen, knikte hij langzaam met zijn hoofd, als wilde hij

daarmee zeggen: "Hem mag ik wel lijden." Oom Frans gaf anders niet

veel om dominees. Hij was de leer van Kirkegaard toegedaan en had

een bepaalden angst voor een algemeen Christendom.

Nooit of zelden zette hij een voet in een kerk, doch thuis boven de

schrijftafel in zijn kamer hing een groot crucifix en daaronder stonden

alle werken van Sören Kirkegaard in stijve, bruinlinnen banden. Daar

oefende hij zijn godsdienst uit. De psalm was uit en het paar trad

vóór het altaar. De oude predikant stond achter de altaarstafel en

keek hen met zijn zachte oogen aan.

Hij kon de oogen van de bruid niet goed zien. Toen deed hij even

zijn bril af en veegde de glazen met zijn zakdoek af, om helderder

te kunnen kijken.

Doch Kaja keek niet naar hem, haar oogen zochten oom Frans, die een

paar ellen van haar af aan den anderen kant zat. Waarom keek hij toch

niet eens op! Dat hij nu geen enkelen blik voor haar over had!

Zij had lust, het een of ander te doen, dat hem noodzaken zou

op te kijken. Doch oom Frans had, zoodra de psalm uit was, zich

voorovergebogen en zat nu met zijn ellebogen op de knieën en zijn

gezicht tusschen zijn handen toe te hooren. Geen enkel maal zag hij

onder de toespraak op. Toen werd zij plotseling getroffen door het

waas van verlatenheid en verdriet, dat er over zijn heele wezen was

uitgespreid, en toen ging het als vuur door haar leden, dat het om

haar was, dat hij leed! Het verschil van zeventien jaar, dat tot

nu toe hun verhouding zoo volmaakt vriendschappelijk gemaakt had,

was op éénmaal weggevaagd--en zij zag slechts in hem den man, wien

zij haar volkomen vertrouwen gegeven en wiens vertrouwen zij terug

gekregen had. Wat had zij tot nu toe Peter Dam gegeven en wat van

hem terugontvangen? Slechts vluchtige woorden en verliefde gedachten!

Zij kreeg een gevoel, alsof zij hem eigenlijk in het geheel niet

kende, en alsof zij trouweloos tegenover oom Frans geweest was. En

allerlei herinneringen schoten in haar op, herinneringen van een

liefde, die van jaar tot jaar voor haar was opgespaard en dag aan

dag zich geuit had in duizenderlei kleinigheden, die slechts hij

en zij kenden--gedurende lange wandelingen, die zij samen gemaakt,

in fijne, kleine opmerkingen, die zij samen gedaan en in diepe,

ernstige gesprekken, die zij samen gehouden hadden.

Zij had een gevoel, alsof zij zijn naam hardop door de kerk zou

moeten uitroepen, om hem deze daad ongedaan te laten maken, vóór het

te laat was. Doch het was, alsof zij haar lippen niet van elkaar kon

krijgen. En hij verroerde zich geen enkele maal onder haar blik--zij

kon zelfs niet de minste beweging in de vast gesloten vingers gewaar

worden.

"--Aldus vraag ik u--Kaja Halling--"

Zij rilde en voelde, hoe zij tot haar lippen toe wit werd. De oogen

van den ouden dominee keken haar vragend aan en zij bemerkte, dat hij

even wachtte om haar tijd tot antwoorden te geven. Machinaalweg bijna,

richtte zij haar oogen van oom Frans naar Peter Dam, wiens schoon,

ontroerd aangezicht juist door de zon beschenen werd. En toen was

het haar, of alles, wat zij zooeven doordacht had, niets was dan

een kwade droom. Peter Dam was jong, Peter Dam was schoon! Of hij

nu juist dát was, waaraan oom Frans dacht, toen hij zeide: "In de

liefde mag je je nooit vergenoegen dan met het allerbeste," dat wist

zij niet--doch dat hoopte zij.

En zij deed, wat zoo vele vrouwen vóór haar deden en wat zoo vele

vrouwen nog na haar zullen doen. Zij zondigde tegen haar eigen,

ware zelf--zij gaf toe, en suste haar geweten in slaap.

Na de plechtigheid kwam de oude predikant gelukwenschen. Deelnemend

vroeg hij naar de gezondheid van oom Frans. Hij zag, hoe bleek hij was,

en hij meende, dat hij onder de toespraak ziek geworden was. Beleefd

drukte hij den vader van de jonggetrouwde vrouw de hand en hij groette

haar zelf zoo vriendelijk mogelijk. Peter Dam's handen echter hield

hij lang tusschen de zijne en gaf hem vele heilwenschen mede voor de

kunst en voor het leven. Het was duidelijk, dat hij zijn oude hart

gewonnen had.

Oom Frans stond achter hen en sloeg beiden met zijn klein, ironisch

glimlachje gade. Hij hoorde Peter Dam verzekeren, dat hij nooit

dezen dag, noch de woorden die hij gesproken had, vergeten zou. En

hij hoorde, hoe de predikant zijn warme vreugde uitsprak, zooveel

waar gevoel en ernstig begrijpen te ontmoeten in een jongmensch,

wiens leven zoo veelzijdig was als het zijne. Peter Dam geloofde

op dat oogenblik oprecht in zijn aandoening--die was dan ook waar,

in zoover die gevoeld was--hij garandeerde echter niet, hoe lang die

duren zou. En steeds herhaalde hij met zijn warmste stem: "Ik dank

u, waarde Heer, ik dank u hartelijk!" Oom Frans schraapte zijn keel

op een manier, die Peter Dam plotseling deed zwijgen; toen gaf oom

Frans den ouden predikant vriendelijk een hand. Hij zeide niets,

maar dacht in zich zelf: "U bevalt mij door uw kinderlijkheid, uw

beminnelijke onschuld en uw aandoenlijk groot vertrouwen!"

De organist sloot het orgel en liep haastig de kerk door. In de open

kerkdeur bleef hij het jonge paar staan nakijken dat juist in een

rijtuig steeg, dat hen naar het station zou voeren.

De oude predikant stond groetend, met zijn hoed in de hand,

bij het portier. De zon scheen op zijn witte haren en de klokken

luidden--die wonderlijke klokken, die vreugde en verdriet, lijden en

hoop, en zooveel zon en tevens zooveel bittere teleurstelling in het

menschenleven verkondigen....

"Waar twee elkander vonden,

daar bouwt men op veilig strand;

twee glijden al zingend de zee in,

--één duwt de boot van land."

Denzelfden avond trokken de jonggehuwden naar hun huis in de stad en

brachten daar hun wittebroodsweken door.

Peter Dam had zich nooit van een voordeeliger kant laten kennen dan

in dien tijd, toen zijn aangezicht louter zon was. Het meest ware

in zijn natuur--het kinderlijk naïeve--was voor korten tijd op den

voorgrond getreden. Het was, of hij in reiner lucht herleefde. Die

rustige kamers, die hij met Kaja samen bewoonde, dat, volgens zijn

omstandigheden, volmaakt weelderige tehuis dat hij het recht had

het zijne te noemen, dat alles oefende tijdelijk een verzachtenden

invloed op zijn karakter. En hij was tot over de ooren verliefd op

zijn jonge vrouw.

Hij overlaadde haar met de kostbaarste bloemen, en de mooiste en

liefste woordjes voegde hij haar toe. Als zij samen over elkaar aan

tafel zaten, kon hij soms plotseling zijn vork en mes neerleggen,

om haar aan te staren.

's Avonds moest zij urenlang voor hem zingen, doch dan luisterde hij

niet naar de muziek, maar keek slechts naar haar gezicht, terwijl zij

zong. Hij droeg altijd zorg, dat er een roode kap over het licht was.

"Ik zie zoo graag je hals onder dat licht," zeide hij--"dat is gewoon

een volmaakt kunstgenot."

Als deze bewondering en aanbidding geen indruk op haar gemaakt hadden,

zou zij geen vrouw geweest zijn. Zij geloofde dan ook de eerste maanden

volkomen aan haar geluk en verwarmde zich aan de zonnestralen, die

hij op haar neer liet vallen.

Als Peter Dam in het theater was, was zij thuis met de bloemen bezig,

of nam het stof af. Zij dacht er nooit over dan uit te gaan--kalm

en rustig ging zij haar gang, in de kamers die de zijne en de hare

waren, en waar zij ieder meubel zoo liefhad, hoewel zij er zich

op betrapte, dat zij meer aan hun gezamenlijke bezittingen dacht,

dan aan hem zelf. Zij had haar tehuis bijna hartstochtelijk lief

gekregen. Als zij de plooien van een of andere portière gladstreek,

die haar en oom Frans bij 't ophangen bizondere moeite had gegeven,

kon zij soms door een plotselinge onrust overvallen worden, een angst

om te denken,--denken, wat ze zoo goed als nooit deed in dien tijd,

dat voelde zij wel.

"Leven! leven! Alleen maar leven! Niet denken!" zooals Peter

Dam zeide. Dat was het leven, dat zij nu leidde. Als zij zich de

aanvechtingen herinnerde, die zij vóór het altaar in zich had voelen

opkomen, glimlachte zij. Oom Frans had daar immers volmaakt rustig

zitten toezien, terwijl zij bijna van angst stikte! Met oom Frans

trouwen zou slechts een voortzetting geweest zijn van het leven,

dat zij tot nu toe geleid had--maar dit leven was iets nieuws, dit

was een ondervinding, waarnaar zij altijd zoo verlangd had!

"Schrijf, schrijf! Heerlijk leven!" neuriede zij, terwijl zij van de

eene kamer naar de andere ging.

Zonder dat zij zelf verklaren kon waarom, hield zij zich dien tijd

op een afstand van oom Frans. Zij bloosde altijd, als zij zijn blik

ontmoette--en dat ergerde haar, want zij had zich toch over niets

te schamen.

Een maand na hun huwelijk had zij hem ten eten gevraagd. Zij vloog

hem niet om den hals, zooals vroeger--en zij zag, dat het hem pijn

deed, zij zag het aan het trekken van zijn mondhoeken--maar hij zeide

niets. Kalm volgde hij haar naar de zitkamer, waar hij bij een venster

plaats nam.

Het viel haar op, dat hij in 't geheel de kamers niet eens rondkeek,

doch alleen zijn blikken richtte op dengeen, waarmee hij sprak, of

anders het raam uitkeek. Zij zou zoo graag gezegd hebben: "Is dat niet

mooi? En dat dan? En dat daar?" Maar er was iets, dat haar terughield.

Aan tafel had hij op de gezondheid van de jonggetrouwden gedronken en

had hij haar met zijn ouden glimlach eens toegeknikt--en toen had zij

plotseling tranen in haar oogen gekregen en zich diep over haar bord

moeten heenbuigen, opdat niemand ze zien zou. 's Avonds wilde Peter

Dam haar volgens gewoonte laten zingen. Doch toen had zij de roode

kap van het licht afgedaan, onder voorwendsel dat die haar hinderde,

en dat zij beter in het halfdonker spelen kon. Daarna was het haar

nooit recht duidelijk, waarom het haar op dat oogenblik zoo wonderlijk

droef te moede was geworden--misschien was het wel, omdat oom Frans,

met de handen vóór zijn oogen, achter haar zat, zij had het wel niet

gezien, zij durfde niet omkijken, maar zij voelde het.

Eerst had zij één van de liederen opgeslagen, die zij het meest

neuriede:

"Waar twee elkander vonden,

daar bouwt men op veilig strand;

Twee glijden al zingend de zee in,

één duwt de boot van land."

Doch toen had zij plotseling de muziek uit haar handen laten glijden

en was in gedachten vervallen.

Ja, gelukkig had zij zich gevoeld al deze weken, en iedere dag was als

een nieuw feest geweest voor haar en Peter Dam, doch niettegenstaande

alles had zij het gezang in de boot gemist en had zij af en toe een

gevoel gehad alsof zij alleen de zee ingleed--nu meer dan ooit. En

op dat oogenblik werd dat gevoel haar zóó machtig, dat zij er zich

met geweld aan onttrekken moest. Toen was zij plotseling één van haar

vroolijkste liederen gaan zingen. Doch toen zij op wilde staan en de

piano dicht doen, had oom Frans met zijn zachte stem gezegd--en het

was, alsof de woorden uit de diepste duisternis tot haar kwamen--:

"Nu heb je zooveel voor anderen gezongen, wil je nu tot slot niet

één heel klein liedje voor mij zingen?" En zij had toegegeven en zong:

"Wat is voor de meesten het Leven?

Alleen verdriet!

De grondtoon van alles in 't Leven?

Alleen verdriet!"

. . . . . . . . . . . .

Maar toen het uit was, had zij zichzelf plechtig beloofd, dat het

lang duren zou, vóór zij oom Frans weer ten eten vroeg.

Zoolang zij hem niet zag, was zij gelukkig, maar zoodra hij kwam,

werd zij door een onverklaarbaren angst overvallen en was het alsof

de zon achter de wolken verdween.

Op een zekeren dag gaf Peter Dam haar onbewust een verklaring van

dien angst, doordat hij zeide: "Die oom Frans is een wonderlijk heer;

het is alsof hij iemand tot nadenken dwingt."

"Daar heb je gelijk in," antwoordde zij, terwijl hij aan haar gezicht

zag, hoe diep zij haar woorden voelde. En haastig vervolgde hij:

"'t Is dom; als men jong is, moet men leven en niet denken! Wij

bijvoorbeeld, wij denken ook niet,--wat zeg jij?"

Maar dat had hij liever vóór zich moeten houden. Kaja maakte zich

zachtjes uit zijn omhelzing los en antwoordde: "Ja, wij denken

ook niet, wij leven als twee groote kinderen. Als jij niet over het

theater vertelt, dan praten we over liefde, en als we niet over liefde

praten--vertel jij van het theater."

"Alsof het leven van kinderen niet het gelukkigste is!" zeide hij--om

toch iets te zeggen. Maar zij kreeg er een angstig voorgevoel van,

dat dàt leven het eenige was, dat hij leven kon.

Als oom Frans hen een enkele maal bezocht, zat Kaja hem in stilte

gade te slaan. Het was, alsof hij nu in haar oogen nog edeler was dan

vroeger. Ook hij had zijn deel van het Leven gekregen, geleden had

hij, en er is niets, dat den mensch meer adelt dan verdriet. Het was,

of dàt zijn stempel op zijn aangezicht gedrukt had, of dàt hem in

Kaja's oogen "edeler" schijnen deed. Zij dacht er aan, hoe eenvoudig

hij was. Hij had zichzelf nooit hoog gesteld en altijd het uiterste

van zijn krachten gevergd.

Hij hoorde tot de sterk persoonlijke menschen, die den moed hebben, er

idealen op na te houden. En dat soort menschen zijn het, die den top

bereiken--het laatste en hoogste doel! Peter Dam had nooit ingezien,

hoe klein hij was--daarom bereikte hij nooit den top.

"Glück auf!"

Toen het tooneelseizoen uit was, vertrokken de jonggehuwden naar

buiten. Zij huurden een klein huisje in Espergærde, waar zij den

geheelen zomer bleven.

Ondertusschen voerde oom Frans een sinds lang gekoesterd plan uit--hij

reisde naar Tyrol en Noord-Italië en bracht daar zijn geheele vacantie

door. Hij deed het niet, omdat hij ook maar één oogenblik meende,

zijn gedachten te kunnen ontvlieden, doch om op die manier ten minste

bevrijd te zijn van de kwelling, Kaja met Peter Dam samen te zien. Want

het werd hem steeds ondragelijker op te merken, hoe kwajongensachtig

en ongegeneerd Peter Dam haar behandelde. Hij wist niet, of het was

doordat zij dat zag, dat haar vroolijkheid altijd meer gekunsteld werd

en haar woorden meer geforceerd klonken, doch hij kende haar te goed,

om zich hierdoor te laten misleiden. Den geringsten wanklank in haar

stem vingen zijn ooren op.

De voortdurende strijd om zijn gevoelens te verbergen pakte hem geducht

aan--zijn gezicht werd smaller en zijn oogen werden grooter. Zij vroeg

hem, of hij niet wel was. Hij antwoordde, dat hem niets scheelde,

doch dat hij meende, dat een reisje hem toch geen kwaad zou doen. Zij

herademde, toen hij dat zeide. Hij zag het en het deed hem pijn. Hij

begreep niet, dat ook voor haar de strijd begonnen was, de zwaarste

strijd, dien een mensch op aarde voeren kan--de strijd weg van hen,

die men liefheeft. Hij vertrok zonder haar goedendag te zeggen,

hij zond haar slechts een paar woordjes op een briefkaart.

Zijn afwezigheid gaf haar een groot gevoel van verlichting. Zij wilde

niet toegeven aan het knagend verlangen dat haar kwelde; zij wilde

gelukkig zijn met Peter Dam. Al haar teederheid, al haar toewijding

schonk zij hem en hèm alleen. Zij sloot haar oogen voor de leegte

van zijn zieleleven, voor zijn vluchtige gevoelens. Met ongelooflijke

wilskracht trachtte zij te voelen en te denken, zooals zij voelde en

dacht in haar eerste verliefdheid, toen zij zijn knappe gestalte en

mooi, veranderlijk gezicht voor het eerst gezien had. Iedere indruk

van schoonheid, dien zij zich van hem herinnerde, haalde zij zich met

geweld vóór den geest en zij voorkwam zijn wenschen met een overdreven

geestdrift, die ieder psycholoog zou verbaasd hebben,--alleen niet

Peter Dam.

Peter Dam zelf maakte het best onder den invloed van al deze

teederheid, hoewel die niet zijn beste hoedanigheden te voorschijn

riep; integendeel, hij had niet de minste consideratie voor haar. Hij

verbeeldde zich, dat zijn macht over haar grenzenloos was en hij zich

daardoor alles veroorloven kon, wat hij wilde. Hij ging uit en kwam

thuis, wanneer het hem goeddocht. Soms was het laat in den nacht,

vóór hij huiswaarts keerde. Nooit vroeg zij dan, waar hij geweest

was. Zij was doodsbang, haar laatste houvast te missen.

Zij streed uit al haar macht, om zichzelf te dwingen hem lief te

hebben, zooals hij nu eenmaal was, met zijn goedkoope phrases en

zijn Deensche goedigheid, met zijn oppervlakkig gevoelsleven en zijn

weinig ontwikkeld verstand--altijd met zichzelf ingenomen, maar ook

zelf innemend af en toe, als hij wilde. Doch op het laatst werden

de phrases haar toch te onbeduidend en zijn veronachtzaming haar

te kwetsend, en toen oom Frans haar in het najaar terug zag, viel

't hem op, wat een verandering er in haar had plaats gegrepen. Het

was alsof een strijd haar al haar krachten ontnomen had.

In den winter werd het wat beter. Peter Dam speelde een groote rol,

die hem geheel vervulde. Verscheidene keeren per dag repeteerde hij die

voor haar en hij kon altijd rekenen op een levendige belangstelling

van haar kant. Zij verbeterde en wees hem den weg, vormde hem en

probeerde zijn spel inhoud te geven, en moedigde hem aan. En zij ging

er zoo volkomen in op, dat zij al het andere om zich heen vergat. En

er waren oogenblikken dat zijn spel haar zóó betooverde, dat hij zijn

vroegere macht over haar geheel terugwon.

Bij de eerste opvoering zat zij dicht bij het tooneel en volgde hem,

van het oogenblik af dat hij binnenkwam, ingespannen met haar oogen.

Er was--ook voor haar--iets betooverends in den storm van toejuiching,

die na zijn eerste groote repliek losbrak.

Doch op éénmaal, toen zij zich vooroverboog en hem met aandacht

gadesloeg, gingen haar oogen weer open. Toen bemerkte zij iederen

wanklank in zijn stem en hoorde het leege pathos van zijn woorden.

En toen hij thuis kwam met een grooten lauwerkrans over zijn arm

en van voldane ijdelheid straalde, kon zij niet nalaten te zeggen:

"Hier bij mij speelde je beter, toen was je meer waar."

Doch Peter Dam was niet toegankelijk voor kritiek--en wel het

allerminst den avond, dat hij zoo van alle kanten bewierookt was. Hij

sprak haar op onaangenamen toon met harde woorden, die juist niet

altijd even kiesch gekozen waren, tegen, en nam ten slotte zijn hoed

en verliet zonder goedendag te zeggen het huis.

Toen hij weg was, voelde zij zich wonderlijk verlaten en verweet zij

zichzelf, dat zij hem maar niet genomen had, zooals hij nu eenmaal was:

als een groot kind.

"Waarom verlang ik altijd meer van hem, dan hij geven kan?" dacht zij,

terwijl zij haar saamgeknepen handen in haar schoot drukte. "Ik wist

toch wel, dat ik met een kind trouwde."

En zij glimlachte op een wijze, die haar op dat oogenblik sterk op

oom Frans deed gelijken.

Terzelfdertijd werd er gebeld. Zij stond op en deed open. Oom Frans

stond vóór haar met een prachtig bouquet gele rozen.

"Ik wou komen feliciteeren," zeide hij, terwijl hij haar de bloemen

gaf. "Je man heeft van avond een groote overwinning behaald."

"Ja, niet waar?" zeide zij, terwijl zij haar gezicht in de rozen

verborg.

"Maar waar is hij?" zeide oom Frans, terwijl hij door de openstaande

deur de zitkamer inkeek.

"Hij werd boos en ging weg," antwoordde Kaja.

En met een lichten glimlach bukte zij, om den lauwerkrans op te rapen,

dien hij op den grond geworpen had.

"Peter kan zoo slecht kritiek verdragen," voegde zij er vergoelijkend

bij.

"En jij was misschien een beetje te streng voor hem, toen hij duizelig

van al den wierook thuis kwam?" zeide oom Frans schertsend.

Zij kreeg tranen in haar oogen, toen zij zijn goedig glimlachje

opmerkte.

"Ja, dat was ik zeker wel," antwoordde zij--"maar nu is het te laat."

"Volstrekt niet," zeide oom Frans haastig, "ik zal hem gaan

opzoeken." En vóór dat zij iets in het midden kon brengen, was hij

al de trap af. Zij bleef een oogenblik met den lauwerkrans in de eene

hand en de rozen in de andere, staan, toen legde zij den krans op de

vleugelpiano en haalde een vaas met water om er de rozen één voor één

in te zetten. Langzaam en voorzichtig liet zij de bloemen door haar

vingers glijden. Toen ging zij op den stoel zitten, die het dichtst

bij de deur stond, en luisterde aandachtig naar ieder geluid op de

trappen. De vaas met bloemen hield zij in haar hand en zij boog er

zich gedurig over heen en liet de zijzachte bloempjes haar wangen

streelen. Zij dacht er aan, hoe zij vroeger, als zij oom Frans eens

echt wilde aanhalen, haar wang tegen de zijne streelde. Of hij nu

haar liefkoozingen missen zou?--Toen zette zij plotseling de vaas

hard op de tafel neer en sprong op. Zij had voetstappen op de trap

gehoord. Voordat men belde, had zij al opengedaan.

Peter Dam kwam met oom Frans gearmd binnen. Beiden zagen er vroolijk

uit.

"Dank," zeide Kaja zacht en innig.

"Ja, als hij," en met dat woord sloeg Peter Dam oom Frans eens

duchtig op de schouders, "met eerbetoon aan komt zetten, dan moet

men wel toegeven. Hij overlaadt me anders nu juist niet met lof,

maar van avond is hij onuitputtelijk!"

Kaja's oogen straalden.

"Je speelde ook uitstekend," zeide zij.

"Kom, zoo is 't goed, nou beval je mij," lachte hij vergenoegd,

terwijl hij haar om haar middel vastgreep, "nu kan ik zien, dat je

verstandig begint te worden."

In de vroolijkste stemming gingen zij alle drie de eetkamer in, waar

Kaja wijn en bloemen op de gedekte tafel gereed had gezet. Peter

Dam was verder op den avond het liefste kind, dat er op aarde

rondwandelt. Hij was nooit beminnelijker dan wanneer zijn ijdelheid

voldaan was en hij had genoeg artistenbloed in zich, om zijn ijdelheid

niet belachelijk te doen schijnen.

Oom Frans stond dien avond op het punt zijn hart aan hem te

verliezen--en Kaja keek hem aan met oogen, die gelukkiger stonden dan

zij in vele maanden gestaan hadden. Het verhief hem in haar oogen,

dat oom Frans hem als artist erkende--zij had nooit gedacht, dat hij

dat zoo onbewimpeld doen zou als nu. Zij hief haar glas op en keek

naar Peter Dam.

"Glück auf!" zeide zij zacht--meer tegen zichzelf dan tegen hem.

En oom Frans--niet Peter Dam--antwoordde op dezelfde zachte, innige

wijze:

"Glück auf--!"

"Nog houd ik wel trotsch, ja, trotsch houd ik

't hoofd,

hoog boven de worstlende stroomen,

doch iederen dag, dat zorg en verdriet

omhangen mijn woon met hun rouwsomber kleed,

dan, wakend, leef ik van droomen."

Een maand later zat Kaja in het donker vóór de piano. Peter Dam lag

schommelend, met een sigaar in den mond, in een gemakkelijken stoel

dicht achter haar. Plotseling hield zij midden onder het zingen op,

ging naar hem toe en fluisterde hem, terwijl zij zich over zijn stoel

heenboog, geheimzinnig in het oor:

"Zeg, over een half jaar, dan zijn we niet meer alleen, dan zijn we

met ons drieën. Verbeeld je dat er heusch twee kleine voetjes hier

door de kamer zullen trippelen, die we de onze kunnen noemen. Is het

niet heerlijk, zeg?"

Zij sloeg haar armen achter om haar hals, zoodat haar fijne hoofdje

in haar handen rustte. In het duister glinsterden haar oogen met

een wonderlijken blik, die veraf scheen, doch tevens straalde er een

warmte uit, die slechts een groot geluk veroorzaken kan. "Is het niet

wonderlijk heerlijk?" herhaalde zij in zichzelf.

"Heerlijk?" zeide hij, terwijl hij rechtop in zijn stoel ging

zitten. "O ja, maar het geeft toch ook allerlei moeilijkheden."

"Gewoonlijk zijn het nu juist de mannen niet, die daar aan denken,"

gaf zij kortweg ten antwoord. "Maar je bent zeker bang voor je

vrijheid? Want als er kinderen zijn, moet er rekenschap gehouden

worden met wat hun toekomt."

"Ja juist," zeide hij, en de gedachte, dat zij hem misschien beter

begreep dan hij eerst vermoedde, deed hem goed. "Ik vind, dat we het

nu zoo goed hebben."

"Vindt je? Je bent au fond al heel bescheiden in je eischen," zeide

zij op snijdend ironischen toon.

Slechts de woorden drongen tot hem door, niet de toon van haar stem.

"Ik weet eigenlijk niet, wat je nog meer verlangt," zeide hij, zonder

te voelen, hoe zijn woorden haar kwetsen moesten. "We hebben immers

alles, wat ons hart begeert."

"Behalve samenleven," zeide zij. "Is het je nooit opgevallen, dat

wij zoo goed als nooit samen praten? Jij kunt er misschien buiten,

jij hebt geen behoefte, om van gedachten te wisselen, jij praat genoeg

in het theater en met je vrienden daar, maar ik niet. Ik mis het en

zóó erg, dat ik het soms niet kan uithouden."

Vol verbazing keek hij haar aan. Een oogenblik kreeg hij een gevoel,

alsof hetgeen zij van hem eischte, iets was, dat hij haar nooit zou

kunnen geven--doch met een gemak, dat hem in 't bloed scheen te zitten,

schoof hij dadelijk die gedachte van zich af, vond een uitweg en zeide:

"Nu krijg je dan gezelschap. Voor jou is het dus uitstekend, dat er

een kind komt."

Zij stond nog in dezelfde houding met haar armen achter om haar

hals geslagen, en zij keek hem aan met een paar oogen, die hem

de zijne neer deden slaan; toen keerde zij hem plotseling den rug

toe en verdween in de aangrenzende kamer. De volgende dagen was zij

zeer stil en lusteloos zoolang hij bij haar was, doch zoodra als hij

verdween, herleefde zij. Dan zat zij bij het raam sokjes te haken of

roze kousjes te breien of miniatuur hempjes te naaien, of belachelijk

kleine, sneeuwwitte, wollen manteltjes in elkaar te zetten.

Voor het eerst had haar ziel den drempel overschreden naar het groote

mysterie, dat voor iedere nadenkende vrouw zoowel een heiligdom als

de bron van veel lijden is. Zij leefde haar eigen kleine wereld alleen

met haar kind.

Als zij in 't donker zat en haar voorhoofd tegen het hout van

het venster drukte, dan dacht zij kindergedachten en droomde zij

kinderdroomen--weeke, kleine gedachtetjes, bijna zonder vorm,

vluchtige, korte droomen, die op wonderlijke wijze haar ziel

vereenigden met de ziel van het wezentje, dat het licht nog niet

aanschouwd had.

Zij had een gevoel, alsof zij plotseling oneindig rijk geworden was,

doch tegelijkertijd voelde zij een steeds aangroeiende behoefte, om

dien rijkdom met iemand te deelen. Peter Dam zou haar voor altijd voor

zich gewonnen hebben, indien hij haar gedurende dien tijd slechts het

tiende gedeelte van de sympathie gegeven had, waar haar natuur behoefte

aan had. Nu sprak zij nooit met hem over haar innigste gewaarwordingen,

zij verborg ze, integendeel, zooveel mogelijk. Slechts als zij wist,

dat zij geheel alleen in huis was, zeker dat noch hij noch de meid

haar hooren kon, zong zij met halve stem--altijd weer opnieuw--doch

steeds heel zacht, alsof zij bang was iemand wakker te maken, het

kleine, bekende wiegeliedje:

"Thou art my first born, whose sweet smile

brings joy unto my loving heart,

The dearest treasure God can send;

my purest gem, dear child, thou art!

Sleep, oh Sleep! Sleep, oh Sleep!"

Den vreeselijken angst, die haar soms bekruipen kon, verborg zij

dapper.--Peter Dam ging dien tijd meer dan ooit op in zijn theaterwerk

en was slechts weinig thuis. Een zekeren avond viel het hem echter

toch op, hoe bleek en lijdend zij er uitzag.

"Scheelt er iets aan, lieve?" zeide hij met iets van de oude

teederheid. Toen slingerde zij plotseling de armen om zijn hals en gaf,

zonder weerstand, haar gepijnigde ziel lucht. "O, ik ben zoo bang, zoo

vreeselijk bang," zeide zij. "Nacht en dag word ik er door vervolgd!"

Een koud gevoel van onbehagen voer hem door de leden. "Ben je bang,

dat je dood zult gaan?" fluisterde hij. Een hoonende glimlach gleed

over haar lippen, terwijl zij antwoordde: "Ik niet, maar het kind! Ik

geloof, dat ik heelemaal niet mag durven hopen, dat het levend ter

wereld zal komen!"

"De duivel hale 't kind als jijzelf er maar door komt!" zeide

hij--hij wilde op dat oogenblik volstrekt niet iets ruws zeggen,

hij voelde alleen maar, dat hij op de een of andere manier troosten

moest en maakte gebruik van wat er in zijn natuur het dichtst bij

de hand lag. "Weet je," zeide hij, terwijl hij zichzelf hoe langer

hoe meer opwond, "hoe meer ik er aan denk, des te minder vind ik,

dat een kind hier in huis passen zou. Ik verzeker je--dat ik het

volstrekt niet mis."

Zij keek hem met een paar wonderlijk glasachtige oogen aan en zeide

niets anders dan: "Maar ik dan!" Hij zag de diepe teleurstelling niet,

die er in die woorden verborgen lag, hij begreep niet hoezeer die het

gevoel van leegte in haar huwelijk openbaarden. "Kom, daar geraak je

wel over heen," zeide hij op zijn gewone, lichtvaardige manier. "Als

alles voorbij is, ga je een beetje op reis, en als je thuis komt, is

alles weer vergeten." En bemoedigend streelde hij haar koude handen,

die samengeknepen in haar schoot lagen, met een voldaan gevoel,

dat hij zijn zaakjes ditmaal goed verricht had. "Daarenboven heb je

mij toch"--voegde hij er bij en wachtte een oogenblik op antwoord;

doch toen dit uitbleef, stond hij op, kuste haar vluchtig en zeide:

"Ik ga van avond met één van mijn vrienden een beetje uit. Dat vindt

je wel goed?"

"Zeker, ga jij maar," zeide zij onverschillig, zonder op te zien.

Zij had plotseling een gevoel, alsof 't een wildvreemde man was, die

daar bij haar in de kamer stond. Hij knikte en vertrok. Hij dacht er

geen oogenblik aan, toen hij met een sigaar in zijn mond de drukst

bezochte straten doorslenterde, dat hij dien avond een mijlenlangen

afstand tusschen hen had gelegd. Zachtjes liep hij vóór zich uit

te fluiten. "Het is een verduiveld vervelende toestand waarin zij

is," zeide hij in zich zelf. "En dan daarbij nog zoo afschuwelijk

onesthetisch."

Hij drentelde een café in, en daar vond hij het kleine actricetje

van het theater. Zij schoof haar stoel dadelijk naar den zijnen toe

en zij brachten een geanimeerd avondje samen door.

Thuis zat Kaja onbeweeglijk op dezelfde plaats. Zij wist niet, wanneer

hij heengegaan was, of hoe lang zij reeds zoo gezeten had--zij wist

slechts dat hij haar in haar beste en diepste gevoelens gekwetst

had. Een vrouw wordt nu eenmaal nooit dieper gekrenkt dan in haar

gevoel van moeder. Dat is niet alleen haar duizend-ringig pantser,

maar ook haar duizenden malen te kwetsen Achilleshiel. Laat het ter

wereld brengen van een nieuw menschenkind voor een ieder nog zoo

alledaagsch en gewoon zijn--voor de vrouw, die het aangaat, is het

ieder maal een even groot wonder en ieder maal zal zij tenminste van

den man een weinig medegevoel eischen.

Gebrek aan medegevoel, juist dan, is al dikwijls de klip geweest,

waarop het geluk van menig huwelijk strandde.

Kaja voelde dien avond, toen zij alleen in de koude kamer zat, waar

het vuur langzamerhand was uitgestorven, dat er iets in haar was, dat

schipbreuk had geleden--en zij wist ook, dat, of het kind zou leven

of sterven, de man die het diepste met haar niet had kunnen deelen,

haar voor altijd vreemd zou blijven.

O, gelukkig zij, die een moeder hebben om mee te praten!" liet zij

zich plotseling ontsnappen en barstte toen in tranen uit.

Zij was slechts negen jaar oud, toen haar moeder naar Oringe gebracht

werd, en zij had niet veel begrepen van het lijden, dat er aan vooraf

was gegaan. Zij herinnerde zich alleen maar, dat haar moeder zwak

was en meest te bed lag, en dat zij als heel klein kind graag in de

ziekenkamer aan het bed van haar moeder zat, en het heerlijk vond de

zachte hand van de zieke door haar haar te voelen gaan.

Nog zag zij de kamer zoo duidelijk vóór zich--het bed waarin haar

moeder lag met een bleek aangezicht en diepe, onrustige, donkere

oogen--het zonnelicht, dat langzaam door de neergelaten jaloezieën

naar binnen gleed--en de drukkende stilte; zelfs de schaduwen schenen

in de hoeken ingeslapen te zijn.

Later was zij bang voor haar moeder geworden, omdat zij haar eens

dicht bij zich had geroepen en haar toen zóó onstuimig tegen zich

aangedrukt had, dat de ziekenverpleegster haar van haar moeder had los

moeten rukken. Sinds dat oogenblik ging zij altijd met haar stoeltje

een eind verder van het bed af zitten.

Toen haar moeder weggebracht zou worden, was oom Frans haar voor

een wandeling komen halen--hij wilde haar een treurige herinnering

besparen--maar zij had toch door het raam iets van haar moeders

gezicht gezien, toen zij het rijtuig instapte, en zij kon den angst,

dien zij toen in die oogen gelezen had, nooit vergeten. Daarna had

zij altijd slechts met een gevoel van afschuw aan haar kunnen denken,

doch nu herinnerde zij zich slechts de zachte hand, die haar haar

gestreeld had, en een hevig verlangen welde in haar op, om haar armen

om den hals van de zieke te slaan en haar liefdenaampjes in het oor

te fluisteren en te zien in hoeverre het tot haar doordrong. Haar

samenzijn met haar eigen kind gaf de niet tot haar recht gekomen

liefde voor haar moeder nieuwe kracht en nieuw voedsel.

Den volgenden morgen stond zij vroeg op. Zij wilde met den

ochtend-sneltrein naar Vordingborg. Met een klein reistaschje in

de hand liep zij haastig de straten door; uit angst van te laat

te komen holde zij op het laatst bijna. Op korten afstand van het

station ontmoette zij oom Frans, die van zijn morgenwandeling in het

park terugkeerde.

Zij had hem sinds lang niet gezien. Hij kwam slechts zelden bij hen

nu. Ieder maal, dat hij haar gezien had, had hij zulk een harden

strijd te strijden, dat hij de noodzakelijkheid er van inzag, om zich

op een afstand te houden. Daarbij waande hij haar nu gelukkig. Zij

verborg altijd haar ontstemdheid als hij kwam, en als hij er was,

spreidde zijn tegenwoordigheid zulk een glans over den dag, dat het

haar gemakkelijk viel zoowel hem als zichzelf een rad voor oogen te

draaien. Doch heden moest hij wel de pijnlijke uitdrukking van haar

gelaat zien, en hij hield haar oogenblikkelijk staande.

"Waar ga je naar toe?" vroeg hij zonder inleiding.

"Naar Oringe," zeide zij ademloos. "Houd me niet op, het is hoog tijd."

Doch hij ging haar vlak in den weg staan.

"Naar Oringe?" herhaalde hij. "Dat kan je niet meenen."

"Zeker meen ik het," zeide zij ongeduldig en wilde hem op zijde duwen.

Doch toen greep hij met beide handen haar polsen vast en zeide:

"Waar denk je aan? Je zoudt je kind immers voor altijd ongelukkig

kunnen maken!"

Zij antwoordde niet, doch zij voelde het bloed naar haar wangen

vloeien en plotseling lachte zij kort en bitter.

Het geheele geval kwam haar zoo tragi-komisch voor. Nacht en dag was

zij bezorgd voor het kind dat komen zou, en nu zou zij het plotseling

blootstellen aan de vreeselijkste aller ziekten! Oom Frans moest het

zijn, die haar tot rede bracht en haar leerde, welke haar plichten

waren tegenover haar eigen kind--! Hij zou het zijn, die het voor

haar redde----!

Volgens zijn oude, intieme manier had hij zijn arm in den haren

gestoken, en zij ging, met hetzelfde gevoel van veiligheid dat zij als

kind had, zonder tegenwerping met hem mee. Hij keerde met haar naar

het park terug, en dicht bij den ingang gingen zij op een bank zitten.

"Is 't nu beter?" zeide hij--en aan den toon van zijn stem voelde zij,

hoe lief hij haar had.

En meer was er niet noodig, om haar in een hevig snikken te doen

losbarsten. Zij had hem te lang gemist.

Verschrikt sprong oom Frans op en zeide troostend: "Mijn lieve,

zoete Kaja! Mijn eigen, lieve Kaja!"

Hij kon 't bijna niet meer uithouden, die tranen zoo zonder ophouden

door haar vingers te zien neervallen en één oogenblik kwam de gedachte

in hem op: zij is toch niet gelukkig, doch hij schoof die weer van

zich af en weet de schuld aan haar toestand.

"Mijn eigen, lieve kleine, waar wou je met je moeder over praten?"

Zij lichtte even haar hoofd op, doch liet het dadelijk weer zinken.

"Ik.... Och, ik wou alleen maar met haar over het kind praten. Ik

wou haar zeggen, dat ik zoo bang ben, dat het sterven zal--en dat ik

't niet meer uithouden kan, dien angst alleen te moeten dragen!"

Oogenblikkelijk begreep hij haar, doch hij vroeg naar niets. Hij ging

slechts zachtjes door met haar te troosten.

"Zoo'n angst is heel gewoon," zeide hij, "daar moet je je niet om

bekommeren. Je zult een flinken, gezonden jongen krijgen, dat zal je

zien, en een wonder van schoonheid zal hij ook zijn!"

"Denkt u?"

Zij keek op en lachte door haar tranen heen.

"Ja, voor mij zal hij dat zeker zijn," ging hij door, "en ik zal hem

op alle mogelijke manieren verwennen."

Zij stonden op en liepen samen langzaam het park door.

De Aprilzon viel verwarmend neer over de groene hellingen en de dichte

heesters, waarvan de laatste blaadjes onder een pasgevallen regenbui

juist uitgekomen waren.

Hij zag met genoegen, hoe haar wangen weer kleur en haar oogen

weer glans kregen. Het was of zij vrijer ademde en zich opgelucht

voelde. Maar toen werd zij plotseling weer ernstig en zeide:

"Oom Frans, ik zou willen, dat ik uw hart had."

"Waarom?"

"Ten eerste, omdat het zoo warm en zoo groot is, en ten tweede

omdat.... omdat het zoo spoedig kan ophouden te kloppen."

Hij wierp haar een haastigen, vragenden blik toe, dien zij met

een weemoedig glimlachje beantwoordde. Dit was voor het eerst, dat

zij toonde, hoe wanhopend zij wezen kon. Een oogenblik liepen zij

zwijgend naast elkander door. Zij zag aan de heftige wijze, waarop

hij zijn stok vasthield en af en toe er hard mee op de steenen sloeg,

dat hij met zichzelf streed, doch langzamerhand werd de uitdrukking

van zijn gezicht kalmer en zag zij weer den vasten trek om den mond,

dien zij zoo goed kende.

"Waar dacht u aan?" zeide zij, toen zij hem haar hand tot afscheid

toestak.

"Ik dacht aan een gezegde van Browning, dat je misschien wel kent:

"If happiness comes, life will be sweet, if it does not

come, life will be bitter--bitter--and not sweet--but yet to

be born."

Zij keek hem recht in de oogen.

"But yet to be born," hernam zij toen mechanisch, terwijl zij langzaam

met het hoofd knikte.... "yet to be born...."

"Zijn heele leven streed hij

om het roode goud alleen,

steeds heeft hem 't geluk bedrogen,

dat bedriegen kan als geen."

Half Mei vertrok Kaja naar buiten. Peter Dam kon niet vóór het einde

van Juni komen, doch hij vond, dat zij behoefte had aan buitenlucht en

drong er op aan, dat zij zoo gauw mogelijk met de meid vertrok. Hij kon

gedurende dien tijd uitstekend "en garçon" leven. Zijn zelfopoffering

deed haar aan, en niet dan na veel tegenstreven, gaf zij toe en begon

te pakken.

Zij zou zeker minder moeilijkheden gemaakt hebben, indien zij gehoord

had, hoe Peter Dam zong en floot, den dag dat zij vertrokken was. Hij

was precies een schooljongen, die vacantie had gekregen.

"Ben je weduwnaar?" zeide het kleine actricetje en zette groote

oogen op. "Hoe heerlijk! Dan zullen we 't eerst echt gezellig hebben,

hè?" En ondertusschen keek zij hem met een paar betooverende oogen aan.

Als antwoord gaf hij haar een kus op den mond en verklaarde, dat

hij even veel lust had om zich te amuseeren als zij. Aldus was de

vriendschapsbond gesloten en nam het vroolijk leventje een aanvang.

Ondertusschen zat Kaja buiten in de kleine boerenwoning, waar zij

dezelfde kamers gehuurd had van het vorige jaar. Vóór had zij het

uitzicht op een groot, vruchtbaar klaverveld en achter lag het bosch,

dat aan één kant op een groote weide uitliep, waar vroolijke kleine

beekjes kabbelden tusschen glibberige steenen.

Als zij 's morgens wakker lag, luisterde zij naar het zacht kirren van

de woudduiven, en overdag zat zij in het klaverveld naar het gezang

van een leeuwerik te hooren, terwijl zij om het hardst arbeidde met de

zwaluw, die dons voor haar nestje bijéén verzamelde. Haar gemoed was in

dien tijd week en bizonder vatbaar voor indrukken; het was alsof zij

alles om zich heen in zich op wilde nemen, van de vrouw aan de bron

bij het boschhek af, tot de sprinkhanen die op haar rok sprongen, toe.

"Die Mevrouw heeft toch een prachtig gezicht!" zeide de vrouw aan de

bron, als Kaja glimlachend en groetend voorbij kwam met haar hoed aan

den arm schommelend, terwijl haar roodgulden haar in de zon schitterde.

Er lag zulk een stralende hoop over haar fijne gestalte, haar zachte

bewegingen en haar wiegelenden gang, dat het was, alsof een weerschijn

ervan zich over haar geheele omgeving verspreidde.

's Avonds zat zij òf vóór het huisje te lezen, òf op een houten

bankje bij het wiegje, dat zij zelf met lichtblauwe stof en breede,

witte kanten in orde had gemaakt. Urenlang kon zij er naar zitten

staren en zich verbeelden, dat zij een klein, zacht kinderwangetje

op het kussentje zag rusten. Doch, dan werd zij plotseling onrustig

en angstig, omdat zij zoo alleen was en verlangde zij naar gezelschap.

Op een zekeren dag schreef zij haar vader, dat zij hem gaarne

wilde zien. En hij kwam dan ook dadelijk--maar zóó armzalig was hun

samenleven geweest en zóó weinig gemeenschap hadden zij, dat zij

weldra zwijgend tegenover elkaar zaten en niet wisten, waar ze over

spreken zouden. Haar vader was koopman en een zeer gesloten, vrijwel

in weinig belangstellend mensch. Hij ging geheel in zijn zaken op,

die hij met het grootste verstand leidde. Daardoor had Mijnheer

Halling zijn vrouw veronachtzaamd. Als hij aan zijn vrouw dacht,

deed hij dat altijd met de rustige overtuiging, dat zij het 't best

had, waar zij nu was--zonder eenigen bepaalden wensch om verandering

in den tegenwoordigen toestand te zien--en als hij aan Kaja dacht,

was het met dezelfde kalme overtuiging, dat hij gedaan had, wat hij

kon, door haar een goeden bruidschat mede te geven, en dat hij nu de

verantwoording rustig aan een ander kon overlaten.

Zij zaten samen te eten aan een klein tafeltje, dat Kaja naar den

tuin onder den ouden kastanjeboom gebracht had.

Langen tijd hadden zij gezwegen, tot Kaja plotseling de stilte verbrak

en zeide: "Is het niet wonderlijk, dat wij samen geen conversatie

hebben? Is het toch eigenlijk niet opvallend, hoe vreemd we elkaar

zijn?"

"Vreemd?" herhaalde hij met onzekeren blik. "Ik heb ook nooit veel

tijd over gehad."

Zij lachte flauwtjes.

Toen zeide zij bitter: "Ik heb geen moeder gehad en tot zekere hoogte

ook geen vader."

"Je hebt misschien wel gelijk," antwoordde hij ontwijkend----"Maar je

hadt in ieder geval oom Frans," voegde hij er toen verontschuldigend

bij.

Zij keek hem vlak in het gezicht, op een manier, die hem 't bloed

naar de kaken riep.

"Dat is heel waar," zeide zij, "op oom Frans kan men vertrouwen. Mijn

vriend zou hij hebben moeten zijn en alleen mijn vriend--in plaats

daarvan werd hij zoowel mijn vader als mijn moeder, mijn vriend en

mijn broer! Hij schuift de verantwoording niet van zich af.--Maar

het was jammer voor hem," voegde zij er droevig bij, "jammer voor

ons beiden. Wat is er intusschen van zijn jeugd geworden?"

Verlegen keek haar vader opzij.

"Ik begrijp niet, waarom je daar nu over praat," zeide hij toen,

"vroeger heb je er blijkbaar nooit over gedacht."

Toen boog zij zich zóó ver voorover, dat haar aangezicht het zijne

aanraakte en zeide:

"Neen, maar nu dat ik een wezen in mij omdraag, waarvoor ik

verantwoordelijk wezen zal, nu begin ik te begrijpen, wat u mij te

kort hebt gedaan. Over moeder spreek ik niet, die ziel was ziek,

maar over u wel--want u was toch mijn vader!"

Onrustig stond hij op.

"Ik geloof niet, dat het goed voor je is, nu over zulke dingen te

spreken," zeide hij. Doch zij hoorde hem niet.

Toen zeide zij, met een stem, waarin zoo'n ernstige aanklacht lag, dat

hij die wel voelen moest: "Als u mij niet in die verhouding tegenover

oom Frans geplaatst had, zou alles nu geheel anders wezen. En,"--voegde

zij er na een oogenblik bij--"ik heb er dikwijls over gedacht, of u

au fond niet de oorzaak van moeder's ziekte was."

"Maar Kaja!"

Hij was doodsbleek geworden en veegde het zweet van zijn voorhoofd.

"Ja," zeide zij, "ik heb er over nagedacht en vind, dat, als een man

trouwt met zijn zaak in plaats van met zijn vrouw, het dan niet te

verwonderen is, dat zijn vrouw gek wordt."

Hij kromp inéén onder haar vorschenden blik, die hem geen oogenblik

ontweek.

"Je weet bepaald niet, wat je zegt," beproefde hij aarzelend in

't midden te brengen.

"Ja, ik weet heel goed wat ik zeg," zeide zij, "zoodra ik weer gewoon

ben, ga ik naar moeder, om eens met haar te praten--lang met haar te

praten--dan zal ik zien of ik onrechtvaardig veroordeeld heb. Weet u,

dat ik al onderweg geweest ben?"

"Waarachtig?" riep hij verschrikt uit.

"Ja, verbaast u dat zoo erg? Het zou u eerder moeten verbazen, dat

ik sinds mijn negende jaar nooit permissie gevraagd heb om haar te

bezoeken--en dat u er mij nooit toe aangemoedigd heeft."

Het Verloren Tooverland · 第 9 / 16 题