met mevrouw naar 't hoofdkwartier bij den majoor: die heeft de
voltallige lijsten en zal mevrouw misschien wel nauwkeurig kunnen
inlichten.
* * * * *
Ik heb ze samen zien vertrekken. De jonge, zachte luitenant had een
electrisch handlampje en lichtte haar voor. Als een voorkomende,
zorgvolle zoon stapte hij aan haar linkerzijde onder de zwiepende en
klagende boomgin. De regen had opgehouden, maar de wind loeide nog
vervaarlijker in 't holle van den duisteren nacht.
Wij stonden op den drempel van 't huis en zagen ze gaan. Zij spraken
geen woord. Ook wij spraken geen enkel woord. Haar donkere
rouwgestalte werd heel gauw onzichtbaar. Van hem zagen we nog even
het doffe glimmen van twee vergulde knoopen op den rug van zijn
uniformjas. Met dansenden glans flitste 't schijnsel van het lampje
op de grijze boomstammen. In de vagelijk verlichte oranjerie was
alles nu heel stil geworden.
Zoo gingen zij, als een moeder met haar zoon... Zij gingen samen, de
een wetend, de andere nog hopend, naar het wreede der
onverbiddelijke werkelijkheid.
En 't was van een stille tragiek die aangreep, afschuwelijk,
onvergetelijk...
* * * * *
X.
SINGEN... SINGEN!...
Het was geen mooie troep, die nu in het dorp gecantonneerd lag...
Het waren meestal mannen van middelbaren leeftijd, landweer en
landstorm.
Gedurende de eerste weken der invasie waren daar ontelbare horden
voorbijgetrokken, allen flinke jonge kerels in de volle frischheid
van het leven, veerkrachtig loopend met dreunenden stap, als één
compacte massa in geweldig-forschen rythmus; maar 't werd al minder
en minder, 't nam af van dag tot dag, tot men eindelijk die ouderen
kreeg, die loomen en die dikken, sommigen met wit haar en grijzen
baard, als afgedankte kolonels en generaals, die tot straf, van voor
af aan, hun militaire loopbaan weer zouden moeten beginnen.
De eersten trokken vlug door of toefden in het dorp slechts enkele
uren; maar de laatsten: de dikken, de loomen, de ouden, lagen er nu
al weken en weken en men kreeg den indruk of er nooit een eind aan
hun verblijf zou komen.
De menschen van het dorp waren er langzamerhand aan gewend geraakt.
Men had ze in de beide scholen en verder bij enkele burgers en
boeren ingekwartierd en zij gedroegen zich fatsoenlijk. Zij gingen
gemoedelijk met de dorpelingen om en er was zelfs een soort van
verbroedering ontstaan. Zij hadden zich zonder veel moeite iets van
het locaal dialekt eigen gemaakt en ook de burgers en de boeren
verstonden reeds hier en daar enkele woorden Duitsch. Het was geen
zeldzaamheid hen onder elkaar in de herbergen met een glas bier in
de hand te zien zitten en in de gezinnen der menschen vertelden
zij graag van hun eigen gezin en hun land en lieten dikwijls foto's
van hun vrouw en kinderen zien.
Dat verwekte wederkeerige ontroering en ontboezeming. De Vlaamsche
moeders dachten aan haar zonen in het leger en schreiden. De Duitsche
soldaten dachten aan wat zij thuis vol zorg en kommer hadden
achtergelaten en schreiden insgelijks. En samen zuchtten zij over
dien schrikkelijken oorlog en al de ellende en verwoestingen, die hij
had meegebracht. En de Duitschers zeiden dat zij en de Vlamen
broeders waren, die elkander best zouden verstaan, maar dat de gehate
Engelschen door allerhande kuiperijen de argelooze Vlamen in den
strijd hadden meegesleept. En de arme Vlamen zwegen dan, hoewel zij
wisten dat de waarheid anders was, omdat zij bang waren voor de wraak
der Duitschers, indien zij durfden tegenspreken. En beiden leefden in
stille hoop en afwachting: de Duitschers dat zij daar nog zouden
mogen blijven zonder naar het front te worden opgeroepen; de Vlamen
dat de vijanden, ofschoon zich fatsoenlijk gedragend, toch maar zoo
spoedig mogelijk zouden vertrekken.
* * * * *
Opgeroepen worden en vertrekken, dat beteekende naar het front aan
den Yser gezonden te worden. En bij dat enkel woord "de Yser"
gruwden de Duitschers.
Slechts vagelijk wisten zij wat daar gebeurde. De verhalen klonken
verward, maar schrikwekkend. Alleen dit wisten zij duidelijk: dat er
steeds duizenden en duizenden van hun makkers werden heengezonden en
dat de legers er toch geen voet verder kwamen. Zij vielen er, die
duizenden en duizenden! De Yser was een afgrijselijke, nooit
verzadigde Moloch!
In de stilte van de lange winteravonden spraken zij met de lui bij
wie zij waren ingekwartierd over dat geducht gewest. Zij haalden hun
stafkaarten uit en luisterden in angstige roerloosheid naar de
verhalen van sommige menschen welke die streken kenden en bezocht
hadden. Het was een land van schoone, groene weiden vol met grazend
vee, een vette streek doortrokken van kleine kanaaltjes en rivieren
en waarin de oude stadjes en de witte dorpjes lagen te glinsteren,
als zooveel eilandjes van weelde in een smaragden zee. Het was een
pastoraal, idyllisch land, 't was niets geen land van oorlog, het
was een land om zacht te kuieren en te mijmeren en te droomen;
niemand begreep er iets van, dat dáár zoo lang en wreed-verbitterd
kon gevochten worden; niemand begreep dat dit zachte Paradijs
eensklaps een sombere hel van dood en van vernieling was geworden.
Zij luisterden, die ouden, die loomen en die dikken; zij luisterden
in doods-benauwde stilte en hun strakke oogen somberden, vol
afschuw-visioenen. Zij voelden het kontrast en griezelden.
Het was de dood die hen daar lokte, de kille, sombere, afschuwelijke
dood, onder het verleidend masker van een idyllischen glimlach. Die
schoone, malsche, groene streek vol vreedzaamheid, 't was een
verraderlijk moeras waarin zij zich voelden meeslepen en wegzinken,
zooals hun duizenden en duizenden makkers waren meegesleept en
weggezonken, machteloos, brullend van wanhoop, onder onmenschelijke
folteringen, tot het fataal onverbiddelijk einde.
De Yser! De Yser! Velen konden dien naam niet hooren zonder te
verbleeken en te huiveren. Velen waren er, die er in hun slaap als
onder den greep eener nachtmerrie, van wakker schrikten; en enkelen
waren weggevlucht, gedeserteerd, op een avond toen 't gerucht de
ronde deed, dat zij er den volgenden ochtend heen moesten.
* * * * *
Toen was het echter maar een loos alarm geweest. De doodsmare was
rondgestrooid, niemand wist hoe, niemand wist door wie; althans dien
ochtend gingen ze nog niet. Zij gingen ook den daarop volgenden
ochtend niet, en ook nog niet den derden dag, doch 's avonds van den
vierden dag kwam eensklaps het bevel:
--Morgen naar den Yser!
Zij wilden 't eerst nog niet gelooven. Angstig-gejaagd schoolden
zij samen op de dorpsplaats rond de kerk. Er waren diepbedroefde en
gedrukte gezichten, er waren strak-ernstige gezichten en er waren
gezichten vol wrok en haat en stug-geconcentreerde woede.
De menschen van het dorp omringden hen, in opgezweepten hartstocht en
nieuwsgierigheid. Ook zij twijfelden nog, wilden, durfden nog niet
gelooven, dat zij van de bezetting bevrijd zouden worden. Maar daar
kwam de burgemeester aan met de twee kapiteins, die bij hem waren
ingekwartierd; en de burgemeester kon met moeite zijn tevredenheid
verbergen; zijn vet gezicht glimlachte en zijn oogen blonken en hij
bevestigde de verblijdende tijding hier en daar met stille stem.
Ontroerd gingen de menschen langzaam uit elkaar.
* * * * *
Het bataljon stond klaar. Het was een kil-grijze December-ochtend. De
naakte twijgen van de oude linden op de dorpsplaats weenden stille,
groote misttranen, die in kleine plasjes triestig neersijpelden op
den kleverigen grond. Er hing een onuitsprekelijke droefheid in de
gansche atmosfeer. 't Was alles grijs en kleurloos en al dat
kleurloos-grijze zweefde als een nevelige lijkwade omheen de
manschappen, en versmolt zich als 't ware in de neutrale tonaliteit
hunner gezichten in uniformen. Zij lachten niet, zij spraken niet,
zij maakten geen beweging. Zij stonden roerloos, gepakt en beladen,
te wachten. Het gansche dorp omringde hen, in doodsche stilte. Heel
in de verte gromde af en toe, als een sinistere begeleiding, de
zware, doffe stem van het kanon.
Toen zag men dat er velen weenden. Zij weenden in stilte, met
groote, starre oogera en lippen die bibberden. Maar de officieren,
die dat merkten, liepen kwaadaardig-gejaagd heen en weer en
plotseling klonk kort en bar 't bevel:
--Singen!
Een droef gezang steeg aarzelend op. Het weergalmde hier en daar als
een sombere weeklacht en stierf in machteloosheid weer uit. Maar de
officieren liepen vloekend langs de rangen heen en herhaalden 't bevel
en nogmaals galmde 't somber-klagend op en nogmaals stierf het als
in wanhoopsnikken uit, omdat de mannen weenden, weenden...
Toen raasden de trommen en floten de pijpers. De silhouet van een der
kapiteins te paard teekende zich af in 't grijze van den mist met
laag-ontplooiden mantel en met scherpen punthelm en er kwam beweging
in den troep. De stappen dreunden.
--Singen! Singen! herhaalden onophoudend, met woede-blikken naar hun
mannen, de feldwebels en officieren. En de mannen zongen wel even
onder den angel der tucht, maar telkens weer braken de stemmen af en
barstten zij in tranen uit.
Zoo trokken zij door het dorp, de gansche ontroerde bevolking
als 't ware met zich meezuigend. Zij zongen al schreiende, met
wanhoopsblikken in hun lichte oogen; zij zongen en schreiden door
elkaar op den dreunenden maatstap hunner logge, zware zolen, telkens
bevloekt en beraasd door de snauwende stem der officieren zoodra zij
er mee uitscheidden, telkens herbeginnend en weer stokkend, als
tragisch-loeiend vee, als een blatende en kermende kudde, die in
machteloozen weerzin naar het slachthuis wordt gevoerd.
Aldus verlieten zij het dorp... Langzaam aan versmolt hun
log-dreunende, grijze massa in den grijzen, killen nevel van
't beperkt verschiet. Alleen de beide kapiteins te paard, aan
't hoofd en bij de achterhoede, met hun lang-uitgespreide grijze
mantels en ten hemel opgepunte helmen, staken er fiks, en als 't ware
dreigend, boven uit. Aldus verdwenen zij... De sombere, gedrukte
zangen gonsden met hun aftocht mee; en in de verre, verre verte
bromde en bonsde aanhoudend in zwaren ondertoon de stem van het
kanon.
De menschen van het dorp staarden hen na, roerloos, met
strak-ernstige blikken. Zij hadden allen gedacht, dat ze zouden
juichen, jubelen onder de verlossing na de wekenlange bezetting,
doch geen enkel uitte een klank van vreugd: zij waren allen door het
tragische aangegrepen.
De straatbengels, die het aftrekkend bataljon tot buiten het dorp
hadden begeleid, keerden terug. Zij joelden wat onder elkaar en
bootsten de commando's, den marcheerpas, en ook de somber-droevige
gezangen na. Er waren er die deden of ze zingend schreiden en
anderen imiteerden de razende, snauwende stem der officieren.
--Singen! Singen!
En een kleine kerel van een tiental jaren, een blonde krullekop met
helderblauwe vergeet-mijnietjes-oogen kwam naar een vrouw uit het
volk toegeloopen en zei:
--Ze 'n hên moar moete zingen tot aan 't Kapelleken, moeder. Achter
't Kapelleken mochten ze weere beginnen schriemen.
Een ieder ging langzaam naar huis en de grijze mist dekte als
't ware het dorpje onder een stillen, killen, natten sluier van
rouwende triestigheid toe.
In de verre verte bleven de kanonnen bonzen en grommen, aanhoudend,
eentonig, gansch den langen, droeven winterdag.
* * * * *
XI.
DE TERUGKEER.
Toen Laura tot den grond haar huisje had zien afbranden--het huisje
waar zij zoo gelukkig had geleefd--toen zij het had zien in vlam en
rook opgaan en droevig in elkaar storten, als al de andere huizen van
de stad; toen zij wist, dat haar man en haar veertienjarig zoontje
samen gefusilleerd waren,--haar man gefusilleerd, omdat hij zijn land
en zijn volk had verdedigd op een wijze, die de vijanden "verraad"
noemden; en haar zoontje gefusilleerd, omdat het zijn vader, waarvan
het zielsveel hield, niet wilde verlaten en zich schreiend en gillend
aan hem vastklampte toen men het met geweld van zijn vader wilde
scheiden; toen dat alles was gebeurd en haar niets meer overbleef dan
haar eigen leven en het leven van haar negenjarig dochtertje, dat bij
haar was gebleven; toen keerde Laura zich bleek in haar rouwkleeren
om en machinaal verliet zij de vernielde stad in de richting van het
avondglanzend Westen.
Paulientje schreide nog, maar zij, Laura, kón niet meer schreien: zij
was sinds dagen uitgeschreid.
't Was dof, en moe, en stil in haar. Was ze nu thuis geweest, of had
ze nog een onderdak gevonden, dan zou ze waarschijnlijk op een stoel
of bed ineengezakt en in een diepen slaap van uitputting verzonken
zijn.
Maar zij had niets meer; zij had niets meer dan haar eigen droevig
leven en het leven van Paulientje; en die beide levens moesten
verder leven, omdat zij nog niet dood waren; en zoo ging zij dof en
machinaal, met een valiesje aan de hand, tusschen de brandende
huizen, tusschen de neerstortende puinen, midden in de vlucht van
nog veel andere bewoners, midden in 't geloei, en geschreeuw, en
geraas van iets, dat was als een demonische verwoesting.
Zij zag de verhitte gezichten en de grijze uniformen der
afschuwelijke vijanden, de vernielers van haar huis, de beulen van
haar man en kind. Zij zag ze hun baldadig werk uitvoeren, steeds
verder plunderend, brandend en verwoestend, zij zag ze drinken en
hoorde ze brullen en juichen en zingen, en 't liet haar alles stom en
dof, alsof het haar niet aanging, alsof het iets was dat zoo moest en
niet anders meer kon. Zij beschermde slechts instinktmatig haar
gezicht en het hoofd van het huilend Paulientje tegen het brandende
stof en de zengende hitte, en toen zij eindelijk buiten die
afgrijselijke hel waren geraakt, voelde zij geen de minste opbeuring,
noch verlichting: zij ademde alleen wat vrijer, omdat het niet meer
stikkend en benauwd was om haar heen en omdat zij haar vermoeiden arm
van Paulientje los kon laten.
Zij wist waarheen. Zij ging naar de verre, groote stad, bij haar
schoonzuster een toevlucht zoeken. Zij mocht er komen en zou er
welkom zijn, dat wist zij; zij werd er verwacht.
* * * * *
De avond daalde langzaam in een schoonen vrede over 't glanzend
Westen. Ware 't niet geweest van de hopelooze vluchtelingen, die in
tragischen optocht met haar medeliepen, die rust zou misschien als
een stillende balsem in haar zijn neergedaald; want waar het
lijdensvermogen in haar geest door overmaat van ramp verstompt en als
't ware vernield was, daar bleef het lijdend lichaam trillen, het
afgematte, afgebeulde, doodmoede lichaam, dat rusten, soezen, slapen
en vergeten wilde.
Zij wist waarheen en kende den weg. 't Was uren verre, maar zij zou
er komen. En de aanduisterende nacht en eenzaamheid boezemden haar
geen angst in; de stille nacht zou welkom wezen als een groote
rouwsluier over haar zwaar verdriet, waarin de mooie sterren als
vastgestolde tranen zouden tintelen.
Zij ging, met 't kleine meisje aan de hand, en voelde, dat zij ging
voor altijd. Er is geen hoop meer op terugkomst, naar wat niet meer
bestaat. En niets bestond er meer van wat eenmaal geweest was, niets
bleef er over van het schoon en zoo gelukkig-zacht verleden.
Zij wilde 't nog een laatste maal herdenken en in zijn puinhoopen
aanschouwen. Zij beklom met het kind den hoogen dijk, waarachter de
rivier lag en van daar uit staarde zij het schouwspel aan.
Tegen het aschgrauw-wordend Oosten lag de stad nog steeds te branden.
't Was als een rooken-vlammenzee, die er in alles-overweldigende
dwarse deining overheen streek. Soms gloeide een enkel punt even
schel op en vonken spatten waaiervormig open als van een
overweldigend vuurwerk, terwijl schoorsteenen en muren zich scherp
tegen de roodlikkende vlammen uitkanteelden, maar 't oogenblik daarna
vloeide de stuwende rook-en-brandzee er weer over uit en doofde
meteen den schellen gloed, alsof in dien Titanenstrijd der elementen
het vuur slechts door het vuur vernield kon worden.
Zij keek naar de breede rivier. Het water leek op gloeiend, vloeiend
staal en midden op dien vaalrooden stroom, waarover paarse en oranje
kabbelingen zweefden als rillingen van rauw-opengereten, lillend en
bloedend vleesch, lag onbewegelijk een bruinzwart schip geankerd, in
schijn reusachtig groot, als een arke Noach's op een zondvloed van
verdelging.
Dáár, op die kade, dicht bij het tragische schip, had haar huisje
gestaan. Dáár waren haar man en haar zoontje met geweld vandaan
gehaald, om gefusilleerd te worden. Dááruit was ze met Paulientje
gevlucht, zinneloos van schrik en gruwel, tot ze, na dagen en dagen
zwerven en smeeken en zoeken naar wie ze niet meer vinden zou, in
wanhoop vóór haar brandend huisje neerzakte.
Daar lag nu 't schoon en zacht verleden! Zij keek er nog even naar
om, met een laatsten, langen, starren, doffen blik van eeuwig
afscheid, en toen daalde zij met het kind, dat weer bang werd en
schreide, langs den dijk af.
* * * * *
Nu zaten zij veilig in het huis van haar schoonzuster geborgen.
't Was een bovenhuis, in een drukke straat der groote stad en van
uit de heldere ramen zag Laura de woeling en de drukte daar buiten.
Uren en uren, met de handen in haar schoot, naast haar meisje dat
zoet speelde, zat zij er doelloos op te staren. Het wiegde haar in
doffe soezing weg, in droomen en bespiegelingen. Het wiegde haar weg
naar 't verleden, naar al het zachte en gelukkige dat geweest was en
nooit, nooit meer terug zou komen.
Zij hoefde hun portretten niet te bekijken, die altijd vóór haar op
het tafeltje stonden: zij zag hen in verbeelding, haar man en haar
zoontje, zooals ze die voor 't laatst gezien had, toen de wreede
vijanden hen kwamen weghalen.
Dat zag ze en hoorde ze nog steeds, alsof 't voortdurend weer
gebeurde. Doch wat er verder was gebeurd versmolt voor haar als in
een verren, droeven nevel. Waar waren ze heen gebracht? Hoe en waar
werden ze veroordeeld? Hoe en waar werd het afgrijselijk vonnis
voltrokken? Dat was een obsedante kwelling van elk oogenblik, iets
waarin haar doffe geest verwarde en verdwaalde, iets dat ze zich in
zijn gruwbare werkelijkheid niet kon voorstellen en dat ze daarom
ook bijna niet kon gelooven. En weer keerden haar kwel-gedachten
steeds terug tot het verleden dat zij kende, tot de lange, vele
jaren van geluk en vrede, die ze samen hadden doorgebracht en
daaraan hield ze zich krampachtig vast, als aan het eenige, dat
werkelijk nog voor haar bestond. Zij zag hem 's ochtends
blijmoedig-opgewekt naar zijn werk vertrekken, zij wist waar hij
was, zij kende zijn bezigheid, zij was steeds bij hem in gedachte;
en 's avonds, elken avond, als hij thuis kwam, floot hij voor de
deur een eigenaardig deuntje, om haar te waarschuwen, dat hij daar
was.
O, dat deuntje, dat deuntje, die enkele tonen als van een verren
jachthoorn, hoe kende zij die, hoe klonken zij nog steeds
verleidend-folterend in haar ooren! Het was zijn ziel, zijn blik,
zijn glimlach, de frissche vreugde van 't gelukkig elkaar wederzien
na elke korte afwezigheid, en zij sloot zalig haar oogen en bewoog
haar lippen om zijn zoen te ontvangen, en 's nachts in haar droomen
hoorde zij 't dan weer en zag zij hem glimlachend vóór haar staan, met
zijn zoontje, met haar en zijn dierbaar zoontje aan de hand. Dan werd
zij wakker en schreide wanhopig...
* * * * *
Zoo lag zij eens, een nacht, na zwaar en kwellend droomen,
half-slapend, half-wakker, in haar bed. 't Was zóó intens geweest,
zij had zoo vast en zeker gemeend hem te zien, hem te hooren, dat
haar hart er nog van bonsde en hamerde en dat haar hoofdkussen
doorweekt was van tranen. Aan de klamme, kille natheid van 't kussen
voelde zij hoezeer zij had geschreid; en meteen voelde zij hoe
somber-ongelukkig zij toch wezen moest om zoo te schreien, zelfs in
haar droom, zelfs in haar slaap.
Zij opende flauwtjes haar droevige oogen en zag een vage
schemerklaarte achter de neergelaten gordijnen. Werd het reeds dag
of was dat nog het vale licht van enkele straatlantarens? Zij wilde
weten hoe laat het was. Zij streek een lucifer aan en keek op haar
horloge. Twee uur! Och, God! Twee uur slechts! De lange foltering van
den verderen slapeloozen nacht lag als een somberen afgrond van
ellende voor haar open. Waarom toch had ze zoo afschuwelijk naar
gedroomd! Was het door al die troepen, die duizenden en duizenden,
met paarden en kanonnen, welke den ganschen dag en tot laat in den
avond, de stad hadden doortrokken? Misschien wel. Zij luisterde even
naar 't zachte ademhalen van Paulientje in haar ledikant, keerde zich
met een zucht op de linkerzij om en sloot weer haar oogen.
Zoo lag zij een kort poosje, roerloos. Toen kwam het haar voor alsof
zij buiten onder haar ramen, vaag gestommel hoorde. Zij luisterde er
even naar, verstrooid, onverschillig, gedachteloos. Toen dacht zij
weer aan hem, aan hem en aan haar kind, aan haar gewoon,
rusteloos-knagend en kwellend wee. Een doezeling van slaap kwam
triestig over haar...
Toen rukte ze zich plots in haar bed overeind, de van afschuw
uitgezette oogen wijd-schrikstarend in de halve duisternis, de beide
handen aan den mond, als om er een gruwelkreet te smoren.
Had ze gehoord? Had ze nog eens gedroomd? Was het een zinsverbijstering?
Zij sprong eensklaps op, uit haar bed, en, terwijl ze daar een paar
seconden onbewegelijk stond, hoorde ze 't weer, maar nu geen droom,
geen hersenschim, geen zinsverbijstering: zij hoorde duidelijk het
gefloten deuntje, daarbuiten, in de stille straat, onder haar ramen,
zijn deuntje, het oude, welbekende jachthorendeuntje, waarmee hij
destijds elken avond zijn terugkeer aankondigde.
--Paulientje! Paulientje! Paulientje! gilde zij, als waanzinnig.
Het kind schrikte wakker en Laura's schoonzuster, die in de kamer
daarnaast sliep, rukte de binnendeur open en kwam in verwildering
binnengehold.
Daar klonk opnieuw het deuntje, heel helder, heel duidelijk, als een
opwekkende zang van troost en liefde.
--'t Is Paul! riep de schoonzuster, naar het raam toesnellend.
--Dat kan niet! Dat kàn niet! Paul is dood! Paul is vermoord,
gefusilleerd! kreet Laura schor, met hikken in de stem. 'k Ben bang!
'k Ben bang! snikte zij eensklaps, van angst ineenkrimpend.
De schoonzuster trok 't venster open, keek in de schaarsch verlichte
straat.
--Hij is het! Hij is het! En Paultje is met hem! riep ze juichend en
vloog beneên, de trappen af.
Laura stak helder 't gaslicht op. Zij sprak geen woord meer, maar
drong bevend, met groote, zwarte oogen, in den versten hoek der
kamer terug. Beschermend hield zij haar beide sidderende handen op
de schrale schoudertjes van het schreiend Paulientje.
Daar kwamen vlugge schreden de trappen opgerend. De deur vloog open
en hij stond vóór haar, als een verschijning uit een andere wereld,
met zijn zoontje naast zich.
--Neen! neen! neen! gilde zij, als in een waanzinnig
verdedigingsgebaar afwerend de handen uitstrekkend.
Zijn mond, die glimlachte, werd eensklaps ernstig, droef.
--Laura! Laura! zei hij verwijtend.
Toen zag ze, toen wist ze, toen geloofde ze...
Het licht des levens, dat al sinds maanden in haar dood was, straalde
eensklaps verblindend naar haar toe en zij kon den glans van haar
geluk niet uitstaan: zij zakte, als gebroken, in elkaar.
* * * * *
Toen ze weer bijkwam lag zij in haar bed en hij zat naast haar op de
sponde, met hun beide kinderen om zich heen.
En hij vertelde, en zij luisterde, in zoete verrukking, glimlachend,
en begreep.
Hij vertelde hoe hij met Paultje in de gevangenis was gesleept, hoe
hij tot de doodstraf werd veroordeeld, hoe telkens hem gezegd werd,
dat het oogenblik gekomen was, het tragisch oogenblik, dat echter
telkens weer werd uitgesteld. Paultje bleef bij hem, wilde niet van
hem weg, ondanks al zijn smeekingen. Paultje klampte zich wanhopig
gillend en schreiend aan hem vast zoodra de wreede vijanden hen van
elkander wilden scheiden, en zoo waren zij samen gebleven en samen
naar Duitschland vervoerd en samen in een gevangenenkamp opgesloten.
Maandenlang hadden zij daar gezeten. Herhaaldelijk nog hadden de
vijanden gepoogd hen van elkander te verwijderen, maar eindelijk,
toen zij begrepen, dat niets helpen zou en dat Paultje vastbesloten
was met zijn vader te sterven, hadden zij hen beiden in vrijheid
gesteld: Paultje, die met en voor zijn vader sterven wilde, had zijn
vader het leven gered!