geluid. 't Was telkens of 't gevaar eensklaps vooruitsprong, met
reuzenschreden.
Er kwam een vage woeling in het dorpje. Iets als een windvlaag, die
er dreigend overheen streek. Iets, dat uit het schemerig verschiet
scheen aan te ruischen en te zwellen; iets, dat de harten deed
kloppen en de beenen deed beven.
Menschen liepen dwars over de straat naar elkander toe, vereenigden
zich tot kleine groepjes, schenen elkander nare dingen mee te
deelen. En plotseling was daar een vrouw, die akelig huilde; een
vrouw, niemand wist waar-vandaan gekomen, halfnaakt in gescheurde
lompen, met een schreiend kind op den arm en die snikte:
--Ze zijn te Leuverghem; z'hèn mijne man vermeurd en ons huis in brand
gesteken! Ze komen noar hier! Ze komen! Ze komen!
Eerst was er een kort oogenblik als van geconsterneerde stilte. Zij
konden dat niet zoo dadelijk bevatten en keken de vrouw aan,
roerloos, met wijd-angstige oogen. Maar eensklaps riep een jongetje:
"'t Es woar! 't Brandt ginder!" en allen keerden, als onder een
schok, zich om en zagen een rossigen, rookenden gloed, over de verre
boomen aan den einder.
Looverghem stond in brand; dat wisten zij terstond aan de richting;
en Looverghem was slechts anderhalf uur verwijderd van hun eigen
dorp! Wat nu te Looverghem gebeurde, zou straks ook te Baevel
gebeuren: hun gansche dorp, met alles wat zij bezaten, zou door den
wreeden, woesten vijand vernield worden!
Met wilde kreten, met wanhoopskreten, stoven zij uit elkaar, elk
naar zijn eigen huis toe. Aan iets te redden door verdediging was
geen denken: alleen de vlucht, de panische vlucht, met wat zij
dadelijk redden konden, was de eenige uitkomst.
Reeds kwamen de eerste vluchtelingen uit Looverghem, uitzinnig van
schrik, in Baevel aan. Doch niet een hield er zich op. Zij
schreeuwden slechts, in 't wild voorbij rennen, wat de huilende
vrouw met het kind had uitgegild: "Ze komen! Zekomen! Ze branden en
vermoorden!" en weg waren ze, met rijwielen, wagens en karren of te
voet: één griezelige stroom van vluchtende, schreeuwende,
strompelende, vallende, schreiende wezens, één vloed van
overweldigende, menschelijke ellende, die in een dikke stofwolk
't gansche dorp als een orkaan doorzweepte en aangezwollen door
reeds meehollende honderden en honderden uit Baevel zelf,
als een apocalyptische horde aan den rooden horizont verdween.
* * * * *
Vosken (Vosken van den Berg, zooals hij in de wandeling werd
genoemd) hoorde dat wild geraas van verre aanbruisen. Hij woonde
daar met vrouw en kinderen op de hoogte, even buiten het dorp, in
een klein huisje, dat alleen stond en vanwaar zich een ruim en
prachtig vergezicht over den ganschen omtrek uitstrekte.
Dat wijd en prachtig vergezicht was zeker niet 't geen Vosken daar
het meest aan zijn woning hechtte. Het is zelfs meer dan
waarschijnlijk, dat hij er nooit anders dan met een verstrooiden of
onverschilligen blik naar keek. Hij had er ook geen tijd voor.
Vosken was marskramer en vellenploter en van den ochtend tot den
avond reed hij meestal met zijn hondenkar over de wegen. Zelfs de
oorlog had hem zijn vermoeiend bedrijf niet doen staken; en hij was
maar zooeven van een urenlangen rit teruggekomen en zat met vrouw en
kinderen aan 't avondmaal, toen hij 't gedruisch hoorde aanzwellen.
Hij lei zijn vork neer en ging buiten zien. Hij zag die wilde,
vluchtende benden den heuvel oprukken; maar van het hooge punt, waar
hij stond, ontwaardde hij meteen wat zij, die nog beneden waren, veel
minder duidelijk, of zelfs in het geheel niet konden zien: de
gansche, verre, aschgrauw-wordende Oosterkim in brand: een brand,
die zich heel snel naar 't Westen uitzette, opvonkend als het ware uit
honderd plaatsen tegelijk, als een omcirkelende vuurslang, die weldra
alles zou verslinden.
Vosken schonk ternauwernood eenige aandacht aan de voorbij
stormende, angstig verwilderde menigte; hij omvatte met één enkelen
oogopslag het gruwelijk gevaar en holde weer naar binnen.
--Op! gilde hij, tot vrouw en kinderen. Op! Alles brandt af! Geen
menuut te verliezen! Vluchten! Vluchten, zeg ik ulder! En hij begon
te vloeken en te razen, omdat de door schrik verlamde vrouw en
kinderen niet dadelijk begrepen en opvlogen.
Hij rende naar het hok, waar zijn twee sterke trekhonden vastgeketend
lagen en spande ze hijgend vóór 't karretje aan. De vrouw had ijlings
al 't geld uit het laadje gehaald, de dochter scharrelde wat kleeren
bij elkaar, het zoontje nam een zwaar roggebrood en een homp spek
onder den arm. De honden blaften wild en jankten bij het stalletje,
als bezielde wezens, die al het somber-tragische van de gebeurtenis
heel duidelijk begrepen.
In enkele minuten was men klaar. De wanhopige moeder had nog zooveel
meer willen meenemen, doch het kleine karretje was reeds overladen.
Zij konden er nog nauwelijks zelven in. Zij schreiden luid en snikten
om alles wat zij daar nog moesten achterlaten; het scheurde hun door
't hart, maar 't moest, het moést, er was geen oogenblik meer te
verliezen, zij hoorden de vernieling in de verte aanloeien, en zij
werden meegenomen in den wilden stroom der vluchtelingen, terwijl
daar in de diepte de eerste huizen van het dorp reeds brandden...
* * * * *
In volle vaart renden zij het roode Westen in. Wat zag het vreeselijk
bloedrood dien avond! De zon was onder, maar hoog en wijd over de kim
had zij haar langzaam-tanend bloedlicht nagelaten. 't Was als een
tafereel der wreede, oude tijden. Somber, voorovergebogen in hun
vlucht, holden, in roodachtige stofwolk, die duizenden en duizenden
daar wild op in. Want achter hen, den ganschen horizont omlaaiend,
woedde de gruwbare brand der vernieling, en naarmate het roode
hemelsvuur der weggezonken zon tot somberend aschgrauw vervaagde,
zagen zij steeds nieuwe brandpunten opflitsen rechts en links vóór
zich uit nu, zoodat zij steeds onstuimiger moesten vluchten en
vluchten, om niet binnen den afgrijselijken brandcirkel te worden
ingesloten.
Reeds waren er velen, die niet verder mee konden en uitgeput, met
schreiende stemmen en om hulp-smeekend-gevouwen-handen aan den rand
van den weg bleven liggen. In den naderenden vuurgloed der
alom-brandende hoeven en huizen vertoonden zij afschuwelijk
verwrongene wanhoopsgezichten met wijd-opengespalkte schrik-oogen,
waarvan het wit als bloed-doorloopen blikkerde in den felrooden
gloed, die den ganschen hemel scheen in brand te zetten. Doch geen
mensch keek naar hen om, geen helpende hand werd naar hen
uitgestoken. De vijand naderde, men hoorde in het helsch verschiet
't gedreun der hoeven-trappelende paarden en 't was steeds verder
vluchten, vluchten, vluchten, tot men zich ergens in veiligheid
geborgen had of op zijn beurt van afmatting ineenstortte.
* * * * *
Vosken met zijn hondenkar was in het heetste van 't gedrang.
Gelukkig, dat hij zulke flinke, sterke dieren had! Zij holden er met
het overladen karretje vandoor, heuvel op, heuvel af, de pooten
gestrekt, de flanken zwoegend, de koppen tegen den grond. Vosken,
zijlings op 't lamoen gezeten, porde ze onophoudend, met de stem en
met een knuppel aan. Voortdurend klonk zijn ruwe stem: "Hue, Baron!
Hue, Duc!" en als 't dan nog niet gauw genoeg ging naar zijn zin, of
als de doodsangst hem op 't lijf zat bij het hooren van't geloei
achter zijn rug of bij het gruwbaar tafereel van den alomlaaienden
horizont, dan viel met een gevloek de knuppel op de beenderige ruggen
neer, hard en kort, als hout op hout. De arme beesten zwoegden, hun
droge, roze tong flapperde scheef uit hun wijd-open bek; zij jankten
even scherp en keerden fluks den kop om, met menschelijke
wanhoops-oogen, alsof zij schreiden: "Ach, meester, slaat ons niet;
gij ziet toch wel, dat wij doen wat we kunnen om u en uw gezin te
redden!" Zij waren afgebeuld reeds vóór ze wegreden; den ganschen
namiddag hadden zij met Vosken omgezworven en nog hun avondeten niet
gehad, toen ze weer aangespannen werden; doch geen van allen dacht
daaraan: het was de vlucht, de wilde, uitzinnige vlucht op leven en
dood!
Eindelijk, na uren en uren, geraakten zij eenigszins uit de
benauwende verwarring. Vóór hen lag nu de vale nacht wijd-donkerend
open, met hier en daar een eenzaam lichtje, dat vredig op de stille
boerderijen pinkte. De verre brand in 't Oosten schemerde nog slechts
heel laag aan den gezichtseinder en geen geloei van vluchtelingen en
vijanden klonk tot hen meer door. Zij voelden zich voorloopig gered
en reden iets langzamer. Zij kwamen weldra in een dorpje, waar
Vosken bekend was en even beraadslaagden zij, of zij daar niet
zouden overnachten. Doch de doodsangstige vrouw en dochter voelden
zich nog niet veilig genoeg en wilden steeds verder en verder, tot
zij geen spoor van het vernielend vuur meer aan den einder zouden
zien. En weer reden zij: "Hue, Baron! Hue, Duc!" met vloeken en met
harde stokslagen, met gezwoeg en gehijg en gejank, tot zij eindelijk
in een tweede dorpje kwamen, waar alles zoo rustig en zoo vreedzaam
was, alsof er nooit een oorlog had gewoed.
Daar hielden zij voor een klein herbergje stil... Er was nog licht
daarbinnen. Vosken klopte op de deur, een man kwamen opendoen en zij
vroegen, of zij daar den nacht mochten doorbrengen.
Na eenig heen en weer gepraat en nadat Vosken in gejaagde woorden
had verteld, waar ze vandaan kwamen en van de gruwelen, die daar
gebeurden, werden zij binnengelaten. De menschen wisten daar nog
niets van al die angstwekkende dingen; zij hoorden Vosken aan met
open mond en van schrik uitgezette oogen; en er kwam geen eind aan
't vragen en verhalen; de gansche wreedheid van den oorlog drong
eensklaps in die rust en stilte door met al den omprangenden angst
van een gruwelijke nachtmerrie, die plotseling een zacht-veiligen
slaap komt storen. Zij vergaten den tijd, zij hadden reeds lang
gegeten en gedronken; en vrouw en dochter, eindelijk van haar schrik
bekomen en nu in stille wanhoop op haar stoelen neergezeten, spraken
van naar bed te gaan, toen Vosken zich opeens herinnerde, dat hij,
in zijn ontsteltenis, kar en honden vóór de deur had laten staan.
Hij nam een homp brood voor zijn beesten en opende de voordeur. De
baas van 't herbergje ging met hem mee, om hem het stalletje te
wijzen, waar de honden konden slapen.
--Hue, Baron! Hue, Duc! riep Vosken aan 't karretje duwend.
Maar 't karretje bood tegenstand; 't was of er iets haperde.
--Hue dan! herhaalde Vosken, harder duwend.
Het karretje draaide half om zijn as en bleef staan.
--Wa scheelt er dan! bromde Vosken bij 't lamoen komend.
Hij voelde Duc, die, hijgend nog, overeind stond tusschen de boomen;
maar Baron voelde hij niet. Daar waar Baron moest staan gaapte een
donkere, leege ruimte.
--Wacht, zei de baas, 'k zal 'n lanteernken hoalen.
Hij verdween in 't duister deurgat en na een poosje, was hij daar
met een pover-lichtend lantaarntje terug. Hij hield het bij
't lamoen en kreeg als 't ware een klein schokje, dat even het
lantaarntje in zijn hand deed beven.
Een bruine massa lag daar op den grond, zijlings uitgestrekt, de
pooten van zich af, den kop, met open bek, die scheen te grijnzen,
in het zand.
--Ien van ou honden es deud! riep de man tot Vosken.
Een heele poos stond Vosken strak en roerloos, alsof hij niet
begreep. Toen kwam hij bij, bevoelde 't beest, schudde zijn hoofd,
met tranen in de oogen.
--Alle ongelukken eens! jammerde hij eindelijk. Azeu ne scheunen hond!
Hij was wel honderd frank weird!
--Hij es 't hert afgereên, zei de baas, het slachtoffer monsterend met
kennersoogen.
Duc stond naast zijn dooden makker en jankte zachtjes, klagelijk, met
rillingen over zijn huid.
De vrouw, de dochter en het zoontje kwamen buiten. En ook zij
jammerden luid over 't verlies van den mooien hond, die zooveel geld
waard was. Vosken vloekte.
--Allemaal de schuld van die bandieten! raasde hij, zijn vuisten
naar 't Oosten ballend.
Maar een kreet van angst verkropte in zijn keel en zijn oogen, star
van schrik, bleven op den vagen horizont gevestigd.
Daar glom en schemerde, gansch in de verte, gansch in de verre,
verre, verte, iets als het flauwe schijnsel van een opkomenden
dageraad. Een oogenblik verkeerde Vosken in de zonderlinge illusie,
dat de ochtend werkelijk aan 't komen was. Maar meteen loeide iets
aan als het dof geraas van een naderend onweer en plotseling begreep
hij en gilde 't uit van gruwel en van woede.
De vijand! De brandende vernieling!
Zijn vrouw en kinderen hadden 't ook gezien en dadelijk begrepen.
Zij schreeuwden en huilden en snikten en sprongen weer in
't karretje: Vosken rukte den dooden hond, die hem 't leven had
gered, uit zijn harnas en gooide hem als een hoop vuil op zij; en
met Duc alleen nu, met den armen, afgebeulden Duc, die nog niet
gerust en niet gegeten had, met Duc, die evenals zijn droeven
makker, tot het alleruiterste zou afgejakkerd worden, vervolgden
zij, in de verwilderde paniek, die reeds het dorp aantastte, hun
vreeselijken martelaars-en vluchtelingentocht, naar het onzekere,
naar 't onbekende, naar de redding... of den dood...
* * * * *
IX.
DE MOEDER.
De drie officieren zaten met mij aan tafel.
Sinds een paar weken waren zij met hun manschappen bij mij ingekwartierd.
Het waren drie flinke, aardige kerels: twee kapiteins bij de
karabiniers en een luitenant van de grenadiers.
Wij waren laat aan tafel gegaan. De dag was zwaar-vermoeiend
geweest.
Het was vier dagen na den slag te M. waar de Belgen, als altijd, na
heldhaftigen tegenstand, ten slotte voor een overtalrijken vijand
hadden moeten wijken.
Mijn officieren waren ernstig, doch geenszins moedeloos gestemd. Zij
hadden hun plicht gedaan; zij hadden gedaan wat ze konden en wat hen
ernstig stemde, was het geleden verlies aan manschappen en
kameraden.
Zij trokken de getallen samen op een klein boekje, zooals men in
't gewone leven zijn dagelijksche uitgaven zou opsommen. Er was een
klein verschil in de samenstelling. Kapitein L. telde één man meer
aan verliezen dan kapitein J. Zij voerden daarover 'n korte
discussie.
Nr. 1271, beweerde kapitein J. was wel als vermist, doch niet als
gesneuveld aangegeven: hij kon dus krijgsgevangen zijn.
--Pardon, antwoordde dadelijk kapitein L., hij is wel degelijk
gesneuveld; men heeft dezen namiddag zijn lijk op het slagveld
gevonden, in een boschje, dicht bij de rivier. De majoor heeft het
mij daar pas gezegd.
Zij zwegen alle drie een oogenblik en keken elkander ernstig aan.
Toen haalde kapitein J. even zijn schouders op en verbeterde de
aanteekening op zijn boekje, zoodat het met het lijstje van zijn
makker klopte.
--Weet jij ook wie dat was, die 1271? vroeg nog kapitein J. aan
kapitein L.
Kapitein L. wist het niet. Maar de jonge luitenant K. van de
grenadiers, haalde nu ook een boekje uit den binnenzak van zijn
tuniek, bladerde er in en las:
--Numéro matricule 1271, baron de B., 1e grenadiers, 1e bataljon,
3e compagnie. Vrijwilliger.
De beide anderen knikten langzaam met het hoofd, zwijgend naar hun
makker starend.
--Twee-en-twintig jaar, voegde deze er nog als toelichting bij,
meteen zijn boekje dichtflappend en het weer in zijn binnenzak
verstoppend.
De maaltijd die even onder het gesprek was opgeschorst, ging verder
door.
* * * * *
Het was een wilde, stormachtige najaarsavond. Daarbuiten gierde de
wind in de schommelende kruinen der boomen, die van regen afdropen.
Binnen, in de ruime eetkamer was het gezellig. Frissche bloemen
versierden de tafel, de lampen gloeiden zacht onder warmkleurige
kappen en een groot houtvuur brandde flikkerend en knappend in den
breeden haard.
Soms hoorden wij vaag geluid en gestommel in den donkeren nacht. Dat
kwam uit de oranjerie, vlak bij het huis, waar de manschappen op
stroo ter ruste lagen. Vijftig lagen er. Vijftig jonge kerels, allen
vrijwilligers, spontaan en moedig opgekomen tot verdediging van het
bedreigde vaderland. Alle maatschappelijke standen waren er
vertegenwoordigd. Er lagen barons en graven, en zonen van ministers,
naast boerenzoons en dokwerkers. Het "couvre-feu" had reeds
geklonken, maar zij waren jong en opgewekt en levenslustig en
sommigen neurieden nog liedjes, of maakten grapjes en hielden
praatjes, bij 't zwakke schijnsel van het nachtpitje, dat daar in een
hoek bleef branden. Zij hadden dapper gestreden te M.; zij hadden
enkele dagen getreurd en gerouwd om hun gevallen kameraden, doch dat
was nu reeds een beetje vergeten en zij verlangden allen maar om zoo
spoedig mogelijk weer naar 't front te mogen gaan.
Daarachter lag, in najaarsduisternis, de groote tuin en verder
't eenzaam dorpje. Het was er stil, doodstil. De bange menschen
gingen er vroeg naar bed. Maar af en toe raasde er toch een woest
gesnor doorheen en 't oogenblik daarna zagen wij, door de heldere
ramen der eetkamer, een groot, schel licht op ons afkomen.
Dat was dan een estafette op een motorrijwiel. 'n Tikje op de glazen
deur, 'n kort "entrez" van een der officieren en de deur werd
geopend, windgeloei en kille regenlucht binnenlatend, terwijl de
boodschapper, aanslaande, drijfnat op den drempel verscheen.
Hij gaf zijn boodschap af en wachtte. Een van de officieren las, met
gefronste wenkbrauwen. De anderen staarden den lezende aan. De even
schelverlichte takken van de in den storm gezwiepte boomen,
wuifden nattigglanzend in de duisternis heen en weer en uit de nog
vaag-verlichte oranjerie klonk even iets duidelijker het gegons en
gepraat en geneurie en gedempt gelach der op hun stroobed gelegerde
manschappen tot ons door.
Dat duurde zoo enkele oogenblikken. Dan deelde de officier de
boodschap aan zijn makkers mede, een antwoord werd met potlood op
een stuk papier gekrabbeld en overhandigd aan de estafette, die
nogmaals aansloeg en weldra weer met zijn snorrend, ploffend,
hitsend motorwiel, in de natte, kille duisternis van den stormnacht
tusschen de druipende boomen van het park verdween.
* * * * *
Wij waren aan het nagerecht gekomen. Het kon zoowat half tien zijn.
De officieren, nu niet meer verwachtend, dat zij op dit late uur nog
gestoord zouden worden, maakten het zich gezellig. De koffie dampte
geurig in de kopjes, de sigaren waren aangestoken, de likeurglaasjes
gevuld. Eenige versche blokken werden nog op het haardvuur gegooid,
dat lustig opknetterde; en men strekte de vermoeide beenen naar de
roode vlammen uit.
Wij spraken over den oorlog. Waarover zouden wij ook anders wel
gesproken hebben? De twee kapiteins waren reserve-officieren; de
jonge luitenant behoorde tot het actieve leger. En 't leek wel
vreemd, dat de twee reserve-mannen, die reeds jaren lang uit den
dienst getreden waren, verreweg het meest-militaire voorkomen
vertoonden, terwijl de jonge luitenant van het actieve leger niets
geen krijgshaftig uiterlijk had. Lang en slank was hij en ietwat
voorovergebogen, met een heel zachte en droomerige, bijna
meisjesachtige expressie in zijn groote, blauwe oogen en zijn
frisch-roze gelaat.
Toen wij daar een tijd gezeten hadden, vroeg de jonge man mij, op
een stillen, haast bedeesden toon, of hij soms een beetje op de
piano mocht spelen.
Hij speelde... Het klonk zacht, in ordertoon, een beetje
melancholisch. Hij scheen zijn eigen, innige gewaarwordingen te
vertolken en nogmaals voelde ik in hem het schril kontrast tusschen
die zachtheid en het harde en barre van zijn levenstaak in dezen
wreeden oorlogstijd. Hij speelde voor zich zelf en de anderen
luisterden niet naar hem. Zij warmden hun voeten bij het vuur, dat
lustig vonkte en knetterde en gingen door met hun gesprek. Buiten
hoorde men nog steeds het loeien van den wind en het aanslaan van den
regen tegen de luiken, die het dienstmeisje gesloten had. Uit de
oranjerie klonk nog vagelijk een deuntje op, een eigenaardig wijsje,
dat een der jongens daar op zijn stroobed lag te fluiten.
Toen werd er binnen op de deur geklopt.
--Ja, antwoordde ik, ietwat verwonderd. Het dienstmeisje verscheen en
reikte mij een visitekaartje op een presenteerblad.
Nu nog bezoek, zoo laat!
Ik keek en las: "Baronne de B."
De jonge luitenant had zijn piano-spel gestaakt; de beide kapiteins
zagen mij ondervragend aan. Het meisje wachtte.
--Baronne de B... Is het niet een baron de B. de vermiste, die
vandaag nog op het slagveld werd gevonden? vroeg ik aan kapitein L.
Hij haalde vlug zijn boekje uit en keek. Jawel, die was het. En de
jonge luitenant, die insgelijks zijn boekje raadpleegde, bevestigde
't gezegde.
--Het zal zijn moeder zijn! zei halfluid kapitein L. Is die dame
daar?
--Jawel, meneer, antwoordde 't meisje.
Er was een oogenblik volkomen, doodsche stilte. Wij waren allen
opgestaan en keken als radeloos elkander aan. Buiten tokkelde de
wind, als met houten knokkels, tegen de gesloten luiken en in de
oranjerie weergalmde nog steeds, tergend en irriteerend in dit
tragisch oogenblik, het fijn, gefloten deuntje.
--Wij moeten haar ontvangen; wij moeten haar... althans iets zeggen,
sprak kapitein L. met aarzelende stem.
Kapitein J. knikte beamend. De jonge luitenant lei zachtjes de piano
dicht. Door een teeken deed ik aan 't dienstmeisje verstaan, dat
zij de bezoekster mocht binnen laten.
* * * * *
Ik heb alles wat er toen gebeurde, goed en duidelijk onthouden. Het
heeft zich in mijn geest geprent met forsche kleuren, die niet meer
uit te wisschen zijn.
--Lieutenant, dites dons à cet animal de siffleur qu'il se taise
là-bas, sinon je lui f... des arrèts! riep eensklaps toornig
kapitein L. tot luitenant K., terwijl hij dreigend zijn hand uitstak
naar de oranjerie, waar het irriteerend fluitdeuntje bleef dreunen.
De jonge luitenant haastte zich buiten en meteen ging de binnendeur
open en een zwarte verschijning kwam langzaam binnen.
Het was een dame van middelbaren leeftijd. Zij was in rouwkleeren.
Het gezicht zag doodsbleek en de oogen hadden geschreid. Het moet
een mooie vrouw geweest zijn. De gelaatstrekken, van smart
doorgroefd en vroeg verouderd, getuigden daar duidelijk van.
Zij groette stil, met haast onhoorbare stem, en kwam naar ons toe.
Ik schoof haar een stoel bij het vuur, maar zij schudde moedeloos
het hoofd en bedankte. Zij poogde te spreken, maar kon blijkbaar
niet; een overweldigende ontroering verstomde haar stem.
Wist zij het reeds? Wist zij 't nog niet? Dat was de angstige,
schrijnende vraag, die ons geheel vervulde.
Zij sloeg haar rouwsluier om en uit een zwart-lederen tasch haalde
zij een zwart-lederen boekje. Haar handen beefden, terwijl ze
't openbladerde. Strak keken wij haar aan. Regendroppels hingen als
pareltranen in 't krip van haar sluier en haar grijs-beslijkte
schoenen en de onderrand van haar kleed, waren drijvend-nat. Zoo was
ze dus te voet, alleen wellicht, door storm en duisternis gekomen.
Zij keek naar ons op met haar droevige ooggin en zei, met een
gebroken stem:
--Messieurs, je cherche mon file, mon fls unique, le baron Roger
de B. volontaire au 1e grenadiers, 1e bataillon, 3e compagnie,
numéro matricule 1271. Il droit s'étre battu à M. il y a quatre
jours et je suis sans nouvelles de lui. Pouvez-vous m'en donner?
Pouvez-vous me dire ou il est? Je suis affolée, je me meurs
d'anxiété et de douleur!"
Geen enkel van ons sprak een woord. Kapitein L. keek naar kapitein
J., die aarzelend naar mij opkeek. De buitendeur ging open en de
jonge luitenant, die den fluiter in de oranjerie doen zwijgen had,
kwam ook weer binnen. Dat gaf een korte afleiding. Maar toen de dame
't uniform der grenadiers herkende, kreeg zij een plotselinge
tranencrisis en herhaalde met smeekende, wringende handen voor den
jongen man haar wanhopige vraag.
Daar stonden wij nu met ons vieren, die het akelig geheim kenden en
het niet durfden uitspreken. Ik heb zelden iets knellenders en
tragischers gevoeld. 't Was als een levend tafereel uit Maeterlinck's
aangrijpend "Intérieur". Men hoorde de vlammen in het haardvuur
knetteren, men hoorde 't klokje tikken tegen den wand en men hoorde
het loeiend gebeuk van den stormwind daarbuiten. Men hoorde ook als
't ware het angst-benauwend kloppen van de harten.
Toen eindelijk sprak de oudste der twee kapiteins tot luitenant K: