puin en de krakende glasscherven reed, hieven de kerels een dreunend
gejuich aan en zongen zij oorverdoovend iets van 't "Vaderland", dat
mocht "ruhig" zijn, terwijl ze wild zwaaiden met wijnflesschen en
glazen, die ze, als trofeeën, in de hoogte staken. Sommigen schonken
de glazen rood vol en reikten die lachend in de richting van de
menschen langs de huizen toe. Dan dronken zij zelven, met
gulzig-smakkende lippen. Anderen wenkten naar de meisjes en zonden
dikke klapzoenen.
Stil en strak en bleek en bang, bleven de menschen roerloos staan.
Zij keken wel even naar de lawaaiende en drinkende kerels in de
varkenskar, maar eigenlijk hadden zij slechts oogen voor Pierken en
zijn hondje en zijn vader. Zij begrepen niet waarom het knaapje maar
aldoor en aldoor met zijn vlaggetje--een zwart en wit en rood
gestreepte--zwaaide; en zij begrepen ook niet waarom en waarheen
Pierke's vader al die kerels in zijn kar vervoerde. Eindelijk was er
een, die 't waagde dit aan het knaapje te vragen.
--Z' hên 't mij g'heeten; 'k moete," antwoordde Pierken
neerslachtig.
Toen vroegen ze ook aan Pierke's vader waar hij heen moest.
--'K 'n weet het niet; z' hên mijn peird en mijn kerre gepakt," zei
't mannetje met schuwe oogen.
Benauwd en zwijgend staarden de menschen het aftrekkend gespan
achterna. Aldoor wapperde 't vlaggetje, naar rechts, naar links, in
't schelle flitsen van zijn harde driekleur; aldoor stapte Pierke's
vader gebogen naast het sukkelend paardje; en aldoor galmde en
loeide, in 't hossebossen van de wielen, het dreunend brulgezang van
het "Vaterland", dat mocht "ruhig" zijn. Kwispelstaartend liep het
klein, bruin hondje mee, af en toe eens tegen Pierke's knieën
opspringend.
Niemand sprak een woord meer. Gedrukt gingen de menschen in de roode
avondschemering naar binnen. Al hun zoo scherp gevoelde
bevrijdingsvreugd was eensklaps over, enkel door 't zicht van die
twee welbekenden--het kleine Pierken en zijn vader--die zoo maar
door de vreemde kerels waren opgecommandeerd en meegenomen, zonder er
iets van af te weten wat of waar hun naaste toekomst wezen zou.
* * * * *
V.
IN DE VUURLINIE.
Eén uur. Kobeken en zijn vrouw hebben gedaan met eten, en gaan,
evenals elken dag, bij mooi weer, buiten, naast hun deur, op een
stoel, wat zitten "noenstonden".
Het is een prachtige Septemberdag, zacht, stil, sereen, een
atmosfeer vol rust en vrede. Kobeke en zijn vrouw, gezellig tegen
hun wit geveltje achterovergeleund, met rechts en links van zich de
mooie, rijke najaarsbloemen, die geurend tegen het muurtje opranken,
genieten van die zoete heerlijkheid, terwijl daarbinnen, in het
achterhuis, Seelevie, hun dochter, plicht-getrouw en ijverig, reeds
aan 't karnen is. Men hoort de houten karnstang in gelijkmatige
kadans dof heen en weer slaan, terwijl de melk klotst en zuigt, als
waterkolken, die door spuigaten wegborrelen. Kobeken is 'n klein,
schraal ventje, met half-dichtgeknepen loeroogjes; zijn vrouw is
groot en vet en dik en hijgt amechtig, zelfs wanneer ze, zooals nu,
niets anders doet dan zich vadsig in de zon koesteren.
--Heurt ge 't weer? vraagt Kobeken, de lucht inkijkend, nadat ze
daar een poosje roerloos hebben gezeten.
De vrouw kijkt eveneens in 't blauwe van de lucht en knikt dan met
het hoofd toestemmend, dat ze 't heel goed hoort.
--Ze zijn weere bezig, zille! roept Kobeken, door 't opengebleven
deurgat, zijn dochter toe.
De karn houdt even op met klotsen,
--Wat zegt-e? vraagt Seelevie's stem daarbinnen.
--Da ze weere firm bezig zijn! herhaalt Kobeken. 'k Geleuve zelfs,
dat 't noader komt as gisteren.
Blijkbaar boezemt de mededeeling Seelevie geen buitengewone
belangstelling in. Zij reageert althans niet verder en in doffe
kadans begint de karn weer gelijkmatig te klotsen.
Het is en blijft ook elken dag hetzelfde. Hoe lang zou het nu reeds
duren: twee weken, drie weken, vier weken, dat zij dag aan dag, in de
verte, het kanongebulder hooren? Sinds lang zijn al hun buren. Van
Heule, Bosschaert, Van Lancker, Van Keirsbilke gevlucht, sommigen
met hun vee, anderen hun heele boeltje in den steek latend; maar daar
moet Kobeken om lachen: hij vlucht niet en zàl niet vluchten, wat er
ook gebeure; hij blijft doodkalm waar hij is en bij mooi weer zit hij
met zijn vrouw naar het verre gebulder te luisteren, niet meer
bewogen dan hij door een ververwijderd onweer zou bewogen worden.
Maar, 't is niet te loochenen: vandaag, voor 't eerst, klinkt het
gedonder dichterbij. Vroeger was 't slechts een aanhoudend, dof
geroffel. Vandaag zijn 't slagen, echte slagen, wel heel verre nog,
maar duidelijk hoorbaar: Boemmm!... en dan een korte stilte, en dan
een Rrrannn!... waarbij de ruiten trillen en de aarde dreunt.
--Heurt ge 't, Seelevie? roept Kobeken nog eens naar binnen.
Doch Seelevie hoort blijkbaar niets; zij geeft niet eens antwoord en
de karn blijft maar ongestoord stampen en klotsen.
Eensklaps is 't alsof een licht, grijsachtig-geel, doorschijnend
floers het helder hemelsblauw komt oversluieren. Het lijkt wel vreemd
en eigenaardig, want de zon glinstert en geen enkel wolkje vertoont
zich aan den horizont. Zou het soms ergens branden? Of wat is het
ook? Harder en talrijker vallen intusschen de slagen, met dreunenden
bons, en plots komt in de lucht een dichte vogelzwerm musschen,
duiven, meerlen, allerlei vogels door elkaar, die in één grooten,
wilden trek naar 't Westen schijnen weg te vluchten. En pas zijn ze
verdwenen, of daar verschijnt, hoog in 't azuur, een andere, groote
vogel, een die machtig snort en zoemt, en, langs den onderkant
goud-glinsterend beschenen door de zon, op strak-breed-uitgespreide
vleugels drijft en zwenkt en cirkelt, vlak boven een onzichtbare plek
in het veld, waar het nu dadelijk loeit en rookt en kraakt van uit
elkaar barstende bommen.
--Seelevie, kom ne keer hier, de vliegmachine es doar, heurt-e gij
da niet! roept voor de derde maal Kobeken naar binnen.
Maar Seelevie geeft absoluut geen antwoord en de karn houdt geen
oogenblik op met klotsen.
Kobeken is in 't geheel niet bang; en ook zijn vrouw schijnt niet den
minsten angst te voelen. Misschien zijn ze te oud en te zeer
afgestompt om schrik te hebben: althans, ze blijven rustig zitten en
kijken vol belangstelling naar wat nu om hen heen gebeurt.
In Bosschaert's weiland loopen koeien en twee paarden rond, die de
eigenaar daar, vóór zijn vlucht, heeft losgelaten. De koeien grazen
rustig, alsof er niets gebeurde, maar de paarden zijn wel
zenuwachtig onder het loeien en het donderend geknal en rennen op en
neer in wilde vaart, met hoog-uitslaande, blinkende hoeven. En
plotseling, zonder dat er iets bijzonders schijnt gebeurd te zijn,
stort er een neer en blijft het roerloos op het groene weiland
liggen.
--Kijk ne keer! kijk ne keer! roept Kobeken verbaasd.
Vóór zijn vrouw den tijd heeft om te antwoorden, liggen ook twee
koeien neer en staat Bosschaert's schuur in lichte laaie.
--Seelevie, Seelevie, Bosschaert's schure brandt! roept Kobeken.
Maar eensklaps dreunt de grond als onder een aardbeving en, over den
grintweg, langs Kobeke's huisje heen, stormt als 't ware een orkaan
voorbij. 't Zijn paarden en ruiters, en automobielen en kanonnen,
één zwoegend geraas in verblindende stofwolk, dat bliksemsnel om een
scherpe bocht van den landweg verdwijnt.
De glinsterende vlieger inde hooge lucht schijnt hun vluchtende
beweging mee te maken. Hij snort en zweeft, als door hen
meegetrokken, maar weldra blijft hij nog eens cirkelen en hangen en
meteen kraakt en bonst alweer het boemm... boemm... boemm... en
schijnt de lucht vol onzichtbare, schril loeiende en gierende
monsters, die met razend en fluitend en stoomend en sissend geweld op
de aarde neerbarsten.
Kobeken en zijn vrouw zijn opgestaan. Bang zijn ze nog steeds niet,
maar wel sterk opgezweept en zelven als het ware in de vlucht
meegetrokken. Wat is dat alles gauw gegaan! Waar zijn ze nu, die
daar straks als een orkaan voorbijstormden? En wat komt er nog meer?
Is 't niet alsof zij droomden? Alsof ze 'n nachtmerrie beleefden?
De stem van Seelevie in 't achterhuis roept hen eensklaps tot de
werkelijkheid terug:
--Moeder! Moeder!...
De stem klinkt boos, kwaadaardig. En, daar Kobeken noch zijn vrouw
dadelijk antwoorden, verschijnt de meid, hijgend en bezweet, met
verhit gelaat en slordige haren, op den drempel en herhaalt:
--Ala, toe, moeder, help mij ne keer: de kirn es af!
--Heurt-e da niet! Zie-je da niet! gilt Kobeken, naar het
aftrekkend gedonder en geloei in 't Westen wijzend.
Maar reeds is de bezorgde meid weer binnen en moeder volgt haar
haastig en amechtig, bang voor standjes.
Alleen blijft Kobeken daar nog even staan. Hij ziet den
glinsterenden vlieger cirkelend in de hooge lucht; hij hoort de
steeds verdere donderslagen der kanonnen en het suizen en het
barsten der granaten, in den grijsachtig-gelen sluier, die zich nu
naar het ander einde van den horizont uitspreidt.
Dan loost hij een zucht en zijn blik valt weer op Bosschaert's
afbrandende hoeve.
't Is ook al bijna over. Het dak der schuur is geheel ingestort en
alleen dichte rookzuilen, met spattende vonken doorflitst, als van
een geweldig vuurwerk, stijgen nog ten blauwen hemel op. In
't groene weiland liggen de lijken van het paard en de twee koeien
onbewegelijk. Het tweede paard en de overige koeien zijn reeds
rustig, op het verste hoekje, weer aan 't grazen...
--Kom, voader, 'n potse káffee drijnken, verzoekt Kobeken's vrouw
van op den drempel.
Kobeken kijkt nog eens even in het verre, bruisend Westen en gaat
binnen. En, terwijl ze met hun drieën om het tafeltje zitten te
slurpen, hooren zij weer, evenals al die andere dagen, niets meer dan
een aanhoudend ver en dof geroffel, maar nu aan 't ander einde van
den horizont...
--Wel, sakkerdeeke, 'k 'n wist toch niet, dat da zeu gauwe ging!
merkte Kobeken nog even op.
Doch de oude moeder zuchtte maar eens even en de nurksche, plompe
dochter zeide niets; en al spoedig was Kobeken weer buiten om naar
Bosschaert's afgebrande schuur en naar de doode beesten te gaan
kijken.
* * * * *
VI.
BURGERWACHT-IDYLLE.
Marchons sans bruit,
Voici voici la nuit.
Halte-là, on ne passe pas!
La garde-civique est là!
Acht uur. 't Is stil en donker...
De loopgraven strekken zich uit langs het kanaal, in een diepte,
achter den berm van het begrinte jaagpad.
Daarin liggen de burgerwachten...
Sinds den vroegen middag liggen zij er verscholen, wachtend op den
vijand.
Den ganschen dag heeft in de verte het kanon gebulderd. Met den
avond zweeg het, maar het leger trekt terug en even vóór duister is,
met een gedreun als van een aardbeving, de kanaalbrug door de
aftrekkende troepen opgeblazen.
't Is nog de eerste maal, dat de burgerwacht niet vóór het leger
wijkt. Totnogtoe, in alle plaatsen, zoodra eenig gevaar dreigde,
werd de burgerwacht veilig verder opgezonden. Er werd zelfs den spot
mee gedreven en de menschen zeiden:
"Daar, waar zich de burgerwacht bevindt, hoeft men voor den vijand
niet bevreesd te zijn."
Maar nu is 't anders. Nu is het leger geweken en de burgerwacht
gebleven. Voor 't eerst werd haar een eerepost toevertrouwd. Nu
zullen zij eindelijk den vijand zien: den beduchten, wreeden vijand,
voor wien alles vlucht!
De commandant der burgerwacht sluipt met zijn adjudant in stilte
langs de loopgraven en deelt nog eens met nadruk zijn bevelen uit:
"Niet zingen, niet lachen, niet praten, want ieder oogenblik kan de
vijand aan de overzijde van 't kanaal verschijnen. Kleine
patroeljes uhlanen werden reeds, vóór duisternis, in den omtrek
gesignaleerd. En ook niet rooken, streng verbod te rooken, want de
vijand zou van verre het licht der aangestreken lucifers of den
rooden gloed der brandende sigaren kunnen zien."
Als stille, donkere schimmen en gestalten zitten de burgerwachten in
de lange loopgraven. De geweren, op den anderen oever gemikt, liggen
onzichtbaar tusschen graszoden, klaar om afgevuurd te worden. De
mitrailleuses en ook twee electrische zoeklichten staan achteraan op
zij, onder en achter takkenbos verdekt.
De burgerwachten zijn niet bang. Zij zullen moedig hun plicht doen.
Wel kloppen hamerend de harten, want het is toch de eerste maal, en
het is nacht, en 't is een zenuwspannend wachten op een vijand, die
maar niet verschijnt, maar die toch ieder oogenblik, gansch
onverwacht en bliksemsnel, kan opduiken. De oogen van de
burgerwachten peilen strak de duisternis en hun gespitste ooren
luisteren naar elk verwijderd rumoer, naar ieder vaag geluid. Doch
zij zien alleen het vage, vale blikkeren van 't donker water in
't kanaal en zij hooren slechts het zuchten van den wind, die zachtjes
door het oeverriet suist.
Dat duurt zoo, langen, langen tijd. De moeheid van het vruchteloos
wachten verslapt weldra de stramheid der overspannen zenuwen en de
oogleden vallen van verveling en afmatting dicht. Het zal alweer een
loos alarm zijn. Enkelen rekken hun verkleumde ledematen uit en
geeuwen, en anderen wagen zich reeds aan een gefluisterd praatje, als
eensklaps een gesmoord bevel door de loopgraven ruischt:
"Opgepast! Ze zijn daar!"
Bliksemsnel omknellen alle handen loop en kolf der geweren. De adem
wordt opgehouden, de oogen schitteren in den nacht, de ooren
vernemen het zwakste geluid.
Jawel, daar zijn ze, aan den overkant van 't donker water! Men
ziet ze nog niet, maar men hoort ze, heel duidelijk. Het zijn
uhlanen; zonder twijfel de vlak vóór duisternis daar in de buurt
gesignaleerde uhlanen! Men hoort het hoevengetrappel der paarden
en het gekletter der sabels tegen de zadels. Zijn er veel? Zijn er
weinig? 't Is moeilijk te onderscheiden. Te oordeelen naar het
geluid zou men, hoe eigenaardig!, zeggen: weinig paarden en toch
heel veel sabels. Hoe kan dat?
De commandant, ineengebukt, loopt als een gejaagde schaduw heen en
weer. Alle man klaar? Opgepast! Straks zullen, bliksemsnel, de
lichten der electrische projecteurs even opflikkeren, om den vijand
te ontdekken, en dan maar vuur! De volle laag!
Een... twee... drie!...
Twee schelle,verblindende lichtbundels doorboren den donkeren nacht!
Hun felle gloed valt volop op den vijand en... even is er een stilte,
door een plotselingen, langen schaterlach gevolgd!
Wat daar aan den overkant van 't water langs het jaagpad rijdt, is
een gewone bierkar!
Een bierkar, bespannen met twee paarden; een bierkar, groengeverfd,
met groote, gele advertentie-letters, en volgeladen met tegen elkaar
aanrammelende en kletterende, volle en leege flesschen!
De burgerwachten schateren en proesten, terwijl het helle zoeklicht,
plots uitgedoofd en weer ontvlamd, met zijn fellen, witten
stralenbundel, het aftrekkend gerammel en gekletter achtervolgt. En
bij dat zicht voelen de burgerwachten, die daar nu al zoo veel uren
liggen, eensklaps folterenden dorst en een bevel weerklinkt, van den
eenen oever naar den anderen:
"Halt!"
Het karretje houdt stil. De lichten wemelen en spelen op de
flikkerende flesschen en het verschrikte gezicht van den voerman
kijkt eventjes uit van onder de kap.
"Hoeveel flasschen bier het-e nog!" roept een stem.
Niet dadelijk komt het antwoord.
"Hoeveel flasschen bier het-e nog?" klinkt het voor de tweede maal,
en nu op een toon van dreigenden toorn.
"Misschien nog 'n honderd, meniere!" antwoordt schuw en aarzelend de
man van over 't water.
"Goed. Afleveren!" galmt het kort bevel.
Twee schuitjes, waarmee de burgerwachten kunnen overzetten, liggen
daar bij den oever vastgemeerd. Een wordt er losgemaakt en drie
mannen varen er mee naar de overzijde.
't Gaat gauw genoeg. De flesschen zitten in bakjes van twaalf en
acht van die bakjes worden in het schuitje neergelaten. Bij 't licht
der schijnwerpers wordt even een bonnetje afgeteekend, het schuitje
vaart weer over en de benauwde voerman mag verder.
De burgerwachten voelen zich heerlijk opgemonterd. Jammer, dat er
nog niet een stuk of dertig meer van die fleschjes waren!
Dan had ieder het zijne gehad. Zou die kerel hen niet bedot hebben?
Zou men nog niet eens het zoeklicht laten spelen?
Voor de grap laten zij het nog eens spelen. Onmiddellijk houdt de man
zijn paarden aan den overkant weer in en het angstig gezicht komt
spookachtig-wit van onder de kap te voorschijn.
"Es 't zeker da g' ons álles gegeven hèt?" roept een autoritaire stem.
"Joa 't meniere, joa 't meniere! Op mijn woord van iere!" antwoordt
de man.
"Prosit! Prosit!" lachen de burgerwachten van verre, enkele
flesschen in de hoogte houdend.
Het licht gaat uit en het karretje verdwijnt met het geklikklak
zijner leege lading in de duisternis.
Andere vijanden hebben de burgerwachten dien nacht niet gezien...
* * * * *
VII.
DE VRIJWILLIGER.
Voor mijn heldhaftige jonge
vrienden Henri Rolin en Pierre
Waelbroeck.
Het oogenblik is gekomen...
Uren lang hebben de kanonnen over 't veld gedonderd, door het verre
geschut van den vijand beantwoord. En uren lang heeft de
vrijwilliger met de reserves daar gestaan achter de bulderende
vuurmonden. Voor 't eerst, in dien geweldigen strijd, heeft hij, van
dichtbij, 't kanon zien en hooren léven. Hij heeft het zien laden en
richten en op het degen-bevel van den officier zien afvuren!
Het kanon, dat wordt afgevuurd, is geen strakke, holle, bronzen pijp
op wielen meer: het is een beest, een monster, dat plotseling, met
overweldigend geweld, kortstondig en afschuwelijk leeft.
Een dreunende slag, die de aarde doet beven, een wreede vuurtong, een
terugsprong, alsof het beest schrikte van zijn eigen woestheid, en in
de lucht een snerpend noodgegil, als het gebriesch van een
wegstormend paard! Het is, alsof het kanon schreeuwde: ik ben de Dood
en mijn vraatzuchtige woede is afgrijselijk: ik hol, ik vlieg, ik
grijns, ik scheur en ik vernietig en niets kan mij weerhouden!
Dat geeft den mannen moed. Het is niet denkelijk, dat iets aan zulk
geweld kan weerstand bieden. Het kanon is de geweldige stem der
victorie en zoolang het spreekt moet alles zwijgen.
Maar nu zwijgt het zelf. Het heeft zijn taak volbracht. Het heeft het
geschut van den vijand verstomd en zijn loopgraven stukgeschoten. Wat
nu nog moet gebeuren is het werk der manschappen.
* * * * *
Met de andere reserves is de vrijwilliger vooruitgerukt. Wie zijn
ze, die anderen? Hij weet het niet, hij kent ze niet. Een maand
geleden allen onbekenden, onverschilligen; nu allen broeders...
Broeders in 't doodsgevaar en in de vaderlandsche liefde; strijders
voor eenzelfde doel, voor iets, dat zich niet duidelijk tot een
beeld van concretie vormt, maar dat schoon en hoog en nobel is:
strijders voor een ideaal!
Wat hij zelf was vóór den oorlog, is de vrijwilliger bijna vergeten.
Zijn jong studentenleven, zijn vroolijkheid, zijn frisch gemoed,
zijn werk-en-toekomstplannen, 't ligt alles nu zoo ver en vreemd
reeds achter hem! Er kwam ineens als 'n schok in zijn leven: fier en
razend stond hij op tegen schandelijk onrecht en verdrukking en
kende alleen nog zijn plicht, één enkelen plicht: vechten tot den
dood tegen dat onrecht!
* * * * *
Daar kruipt hij nu over den grond naast al die anderen...
De avond daalt. Een bleeke, rose streep ligt laag en lang over den
grijzen einder, als een teere, zachte blos van stillen weemoed. 't Is
of de avond zei: ga rusten, ik rust ook; 't is nu geen uur van
strijden meer. Maar ginds, op eenigen afstand, knettert aanhoudend
een krakend geluid en vlak over zijn hoofd heen hoort de vrijwilliger
een voortdurend gezoem, als van ontelbare, vliegende en zwermende
bijen. Soms is het of er duizenden en duizenden zwermden en zoemden;
soms is het of er slechts enkele meer waren en dan rukt de
vrijwilliger naast zijn kameraden met een korten sprong voorwaarts,
om dadelijk weer neer te ploffen, en de bijen, bij honderden en
honderden, boven zijn hoofd te hooren zoemen.
Hij weet maar al te goed wat dat gezoem beteekent! Het is 't luguber
doodsdeuntje der vliegende geweerkogels! Soms gaat een korten kreet
op en een der makkers blijft roerloos op het akkerveld liggen. Dat
maakt de anderen niet bang. Dat maakt ze woedend, razend, en zij
klemmen de tanden op elkaar, terwijl ze, op hun beurt en onverpoosd,
naar den onzichtbaren vijand vuren. De stemmen van hun officieren
klinken kort en krachtig achter hen: "En avant! Vooruit! En avant!
Vooruit!" En onder dien aandrang gaat het, in stuggen nijd steeds
verder en verder, ondanks de verliezen, tot zij eindelijk, in de
schemering, de schansen van den vijand vóór zich zien, en, niet meer
te weerhouden, wild er op losstormen.
Wat geeft het nog of ze bij tientallen nu vallen? Wie kent nog
gevaar en wie voelt er nog pijn! Het zijn geen menschen meer; 't is
een orkaan van wilde beesten en brullend storten zij op en in de
loopgraven neer!
Een ruk, een vloek, een stoot en mannen vallen achterover, het lijf
door bajonetsteken doorboord. 't Gaat bliksemsnel. Wie even mist of
wankelt, wordt zelf ter dood getroffen. De kelen zwoegen, de monden
hijgen, de voeten struikelen over lijken en glijden uit op slijk en
bloed. De vlugge oogenblikken hebben een beteekenis van eeuwen. Tijd
geldt niet meer; 't moment is alles!
Hoog staat de vrijwilliger even op den berm der loopgraaf en ziet
zijn vijand in de diepte.
Zijn vijand, want rechts en links zijn het de vijanden der kameraden.
Zijn vijand, want de man mikt en schiet op hem en het schot vliegt
hem, brandend, rakelings, naast de linkerwang. Dan stort de
vrijwilliger op zijn vijand neer en met een rauw gekrijsch van woede
boort hij zijn bajonet tot aan den loop van het geweer, dwars door
zijn lijf!
* * * * *
De vrijwilliger is een mensch. Daarstraks, in 't felle van
't gevecht, was hij een dol, wild beest; maar nu, nu hij voor
't eerst een man onder zijn slag ziet vallen, nu is hij plotseling
weer een mensch! Hij ziet een gruwelijken weemoed in die dof
brekende oogen, een wereld van rouw en lijden en verdriet; en
't snikt hem eensklaps naar de keel, het barst ontembaar in hem uit
van menschelijk medelijden; hij smeekt "Pardon!" Pardon! met
saâmgevouwen handen en de tranen breken uit zijn oogen, en hij valt
sidderend en biddend op zijn knieën...
Maar 't is reeds afgeloopen. De zuiver-menschlijke tragedie duurde
slechts een oogenblik; de doode vijand is nog maar een roerloos
hoopje vuil en bloed, en om hem heen weergalmt luid-bulderend
hoezee-geschreeuw. Hij staart met waanzinnige oogen en ziet zijn
makkers vreugde-dansen en hoog zwaaien met hun képi's en geweren.
Zij hebben de loopgraaf genomen; zij hebben overwonnen en jubelen
wild hun trotsche blijdschap uit.
Stil bukt de vrijwilliger het hoofd en jubelt niet mee. Zijn korte
adem zwoegt en hijgt, zijn handen beven, zijn zwakke beenen weifelen
en knikken onder hem. In doodsche stilte gaat hij een eind verder op
den rand der loopgraaf zitten en staart over den langzaam-aan
wegsomberenden horizont.
Het lange, lage, rose schijnsel aan den einder is slechts een vale
lichtstreep meer. Het droeve slagveld donkert weg met de vage hoopjes
der gevallen lijken en de rust, die over 't eenzaam landschap daalt
is van een eindelooze triestigheid. Ergens rijdt, onder dof en
langgerekt gedreun, een trein op een metalen brug en in de verte
blaft een hond, met hol en klagelijk-droef geluid.
De vrijwilliger haakt zijn veldflesch los en drinkt met lange,
gulzige slokken. Gelukkig, dat hij die nog heeft! Hij bezwijkt van
den dorst! Als hij op dit oogenblik niets te drinken had, dan zou hij
stikken, of weer in akelig huilen losbarsten.
Een stem, in het reeds vallend duister, roept zijn naam
uit. Hij hoort het wel, doch antwoordt niet onmiddellijk. Hij kán
nog niet antwoorden. Zijn schor-hikkende keel kan nog geen klanken
doorlaten. Dan klinkt de stern opnieuw, dringend, met harderen klem;
en eindelijk antwoordt hij...
Ja, hij is nog van de levenden, hij behoort tot de overwinnaars!...
* * * * *
VIII.
DE VLUCHT.
Alweer, den ganschen dag, had, in de verte, het kanon gegromd...
Dat was echter geen nieuws meer; sinds lang waren zij daaraan
gewend. Doch, met den avond scheen het gedonder dichterbij te komen
en dat verwekte angstigheid.
Het was een zachte, schoonte, stille, gouden avond. De menschen van
het dorpje kwamen buiten op hun drempel staan. Alle gezichten waren
naar 't Oosten gekeerd en aller oogen staarden schrik-starend, en
aller ooren luisterden, met ingespannen aandacht, om ieder geluid op
te vangen.
Het roffelde aanhoudend, als een verwijderd onweer, maar af en toe
met zwaar-bonzende slagen, die eventjes de ruiten deden rinkelen.