den goedigen dikkerd op. Hij zag er werkelijk als goed en eerlijk
mensch uit: een hemel van hoop straalde eensklaps voor haar open. Ook
de generaal was geschokt, als van een pak op zijn hart verlost,
innig-bewegen. Hij keek het aardig meisje aan en zijn witte snorren
beefden en zijn oogen werden vochtig. Zijn hoofd knikte,
onwillekeurig, alsof hij reeds toestemde. Hij stak zijn hand uit naar
den man en drukte die met warmte. Hij drukte ook de hand der dikke
vrouw en 't kleine meisje tilde hij in zijn armen op en zoende het en
vroeg haar of zij werkelijk goed op Rikiki zou passen. Het waren
eensklaps vrienden, of zij elkander reeds jaren kenden. Kaartjes
werden gewisseld, adressen er op gekrabbeld, beloften gedaan en
herdaan, als gold het betuigingen van eeuwigdurende gehechtheid en
trouw. Toen de boot eindelijk in de Hollandsche haven landde, hielden
zij zich als één familie bijeen om in de akelige drukte elkaar niet
te verliezen en het klein Elsatje droeg met moederlijke teederheid en
met stralende oogjes van geluk het mandje van Rikiki, die haar reeds
kende, zeide zij, en die zij voortdurend streelende woordjes tusschen
de reetjes der teenen toefluisterde en af en toe, wanneer de anderen
het niet zagen, dwars door het zorgvuldig gesloten dekseltje,
zoentjes toezond...
* * * * *
Zij hadden anderhalf uur tijd te verliezen vóór de groote mailboot,
die hen naar Engeland zou vervoeren, afreisde en de generaal wilde
die gelegenheid te baat nemen om zijn nieuwe vrienden, uit
dankbaarheid, in de restauratie-zaal van het vlakbij gelegen
spoorwegstation, op een maaltijd te trakteeren.
De dikkerd en zijn vrouw namen dat gretig aan. Zij vonden met moeite
plaats in de geweldige drukte van in-en uitkomende reizigers aan een
tamelijk bemorst tafeltje, waarop de kellner een schoon servet
uitspreidde en de generaal zette zijn bril op en raadpleegde met
gespannen aandacht de etenslijst. Bizonder veel variatie was er niet
en zij vestigden maar na onderlinge goedkeuring, hun keus op gebakken
tong met sla en beafsteak met aardappelen. Terwijl dat werd klaar
gemaakt herhaalden de generaal en de dames nog eens met nadruk hun
nauwkeurige instructies nopens het voedingsregiem van Rikiki.
's Ochtends een schaaltje met brood geweekt in zoete melk. Daar was
hij dol op. Om twaalf uur een gemengd schoteltje van aardappels en
stukjes vleesch, overgoten met een beetje jus. Daar was hij zóó aan
gewend dat hij geregeld om de tafel heen kwam dansen om zijn bordje
te krijgen. 's Avonds, eindelijk, nog eens een schaaltje geweekt
brood in melk, en last not least, een been, een bot met nog een
ietsje vleesch er aan, waaraan hij dan kon zitten kluiven dat 't een
lust was. Daar was hij zóó op gesteld dat hij als een bezetene kon
blaffen als het hem niet bijtijds gegeven werd en meestal nam hij het
mee in zijn mandje en lag er daar aan te trekken en te knagen tot hij
er bij in slaap viel. Zouden ze dat alles wel goed onthouden? Wilde
generaal het soms op een stukje papier schrijven, opdat ze 't niet
zouden vergeten? De gezondheid van het dierbaar hondje hing er
beslist van af.
--Neen, neen, niet noodig, verzekerden de goedmoedige dikkerd en zijn
vrouw, en ook het kleine meisje zei dat het niet noodig was en dat
zij er voor zorgen zou, dat alles net precies gebeuren zou zooals
meneer en de dames het wenschten. Zij had naar de instructies
geluisterd met intelligente oogjes, die schitterden van aandachtige
gretigheid en goed-begrijpen, en de oude generaal was zóó verteederd
dat hij even van tafel opstond en voor het kind aan het buffet een
mooie doos met bonbons ging koopen. De moeder sloeg van emotie haar
handen in elkaar en Elsa moest meneer den generaal zoenen, met haar
twee armpjes om zijn hals op beide wangen.
De kellner kwam met het eten op. Hij kwakte schotel en borden vrij
ruw op het tafeltje neer. De generaal boog voorover en fronste zijn
wenkbrauwen. Tong! Was dat gebakken tong, zoo hard, zoo zwart! De
dieren lagen opgekrompen in een donker, vettig nat te zwemmen, alsof
zij zich in laatste stuiptrekkingen tegen het barbaarsch proces
gerevolteerd hadden. De generaal meende excuses te moeten maken,
hoopte maar dat zijn gasten, gezien de buitengewone omstandigheden,
het wel voor lief zouden willen nemen. Dat zouden zij zeker. De
dikkerd stopte alvast zijn servet in zijn halsboord en bekeek de
zwarte verkrimpelingen met oogen die blonken, terwijl de vrouw van
haar kant ernstig hoofdknikte, dat het toch wel heel goed zou zijn.
De generaal bestelde een flesch rooden wijn en bediende de dames.
--Smaakt het, liefje? glimlachte hij naar het meisje, toen zij een
paar hapjes genomen had.
--O, fijn, meneer, antwoordde zij stralend. En zij vroeg of Rikiki
ook eventjes mocht proeven.
--Ja, maar zeer voorzichtig met de graatjes, niet waar?
Rikiki die reeds ongeduldig aan 't janken en 't rommelen was in zijn
korfje, werd even te voorschijn gehaald.
De anderen aten. De generaal en zijn dames schenen het gerecht
nauwelijks te kunnen verorberen, maar de dikkerd en zijn vrouw
dachten er klaarblijkelijk gansch anders over. De vrouw at vlug en
stil en veel, zonder spreken noch opkijken en de dikkerd verslond
zijn zwartgebakken verkrimpeling als een vraat. 't Was of het beest
geen graten had. Met heele stukken tegelijk ging hij te keer en daar
tusschen door slikte hij breede lappen sla op, als een os. Het leek
wel of hij tevens roofdier en herkauwer was en toen de visch met kop
en staart was opgekraakt, schepte hij met het platte van zijn mes
het vet op dat nog op zijn bord bleef en werkte 't ook maar naar
binnen, zoo vlug en griezelig, dat de generaal en de twee dames
sidderden, of hij elk oogenblik zijn tong dwars-door zou snijden.
Doch hij scheen dat werkje goed te kennen, hij lachte zijn gasten
vriendelijk aan en toen hij klaar was hief hij zijn vol glas wijn in
de hoogte en ledigde het met een gulhartig "prosit" in één teug, op
hun goede gezondheid.
Rikiki was in zijn open mandje op het tafeltje gezet en hij dineerde
mee. Hij zat daar uitgerekt met mager halsje en zijn wakkere oogjes
volgden blinkend ieder brokje dat naar binnen ging. Soms rilde hij
zenuwachtig en neuspiepte, dat men hem asjeblieft toch niet vergeten
zou; en alles wat hij kreeg schrokte hij gulzig op, ineens, zonder
kauwen, alsof hij vliegen hapte. Dat amuseerde en verteederde de twee
families en zij konden niet laten hem voortdurend te streelen en te
aaien, wat Rikiki trouwens scheen te vervelen en te sarren, want
telkens trok hij 't kopje weg, alleen en uitsluitend geboeid als hij
was door wat er op schotels en borden gebeurde. Af en toe echter
kreeg hij plotseling een wilde krabbui, hij krabde zich met
razend-vlugge bewegingen, die het tafeltje deden schudden en zijn
fijn halsbelletje deden rinkinkelen, en de dames zeiden dan met
ernstige bezorgdheid, dat Rikiki onder de narigheid van het
bombardement wel wat verwaarloosd was geweest en dat het wenschelijk
zou zijn als hij eens heel zorgvuldig gebet en gekamd en geborsteld
werd.
De tijd schoot op, het uur van afscheid naderde en de generaal en
zijn dames werden ietwat weemoedig gestemd. Zij hadden heelemaal geen
eetlust en lieten de beafsteak, die overigens hard en taai en blauw
als caoutchouc was, onaangeroerd op hun bord liggen. De dikkerd en
zijn vrouw begrepen daar niets van. Zij overwonnen heldhaftig met
kauwen 't weerspannige vleesch en verklaarden dat het heel lekker
was. Alleen Elsatje vond het wat taai en snoepte maar liever uit haar
bonbondoos.
--Zal je ons dus gauw over het hondje schrijven? vroeg de generaal,
haar zacht blond hoofdje aaiend.
Elsatje, den mond vol met zoetjes, beloofde 't plechtig.
--En als de oorlog voorbij is, vervolgde de generaal, dan kom je bij
ons logeeren en samen gaan we met Rikiki lange, lange wandelingen
maken. Ja?
--O, ja, ja! jubelde 't kleine meisje.
--Gelooft u, meneer, dat de oorlog nog lang duren zal? vroeg de
schoonzuster, met een gezicht van angst en hoop tot den steeds
dooretenden dikkerd.
--Vielleicht... wellicht, verbeterde hij haastig; wellicht nog
enkele maanden.
De beide dames sloegen wanhopig de armen in de hoogte; de generaal
foeterde:
--Konden we ze maar uit ons land krijgen, die ellendelingen!
--Ja... ja... ja... beaamde de dikkerd met nadruk: de Duitschers en
ook de Franschen, en ook de Engelschen, allemaal weg, allemaal weg!
dat we weer de baas zijn in ons eigen huis.
Ietwat bevreemd, vaag wantrouwig, keek de generaal den dikkerd aan.
De man lachte en stak weer zijn vol glas in de hoogte.
--Dan mogen we weer eens plezier maken en een flink glas op elkaar
's gezondheid drinken, lachte hij goedig. En hij boog naar de dames,
En knikte, en dronk.
De koffie en een likeurtje waren gebruikt, de dikkerd dampte
genoeglijk aan een stevige sigaar, Rikiki was, niet zonder eenig
piepprotest, voorloopig weer in zijn mandje geduwd en de generaal
had zijn schuld gevraagd en afgerekend. In het lawaai en de drukte
der tallooze reizigers, stonden zij van tafel op en verlieten de
woelige restauratiezaal.
De groote boot lag daar vlak bij, tegen de kade, zwart van romp en
wit van bovenbouw, met zijn elegant-hangende reddingsschuitjes en
zijn twee forsche, gele, zwartgerande, achteroverhellende
schoorsteenen, die reeds zwarten rook uitkolkten. Er was veel drukte
om en bij, gansche ladingen van allerlei werden onder stoomgesis en
kettinggeratel door geweldige kranen opgetild en in het wijd-gapend
ruim neergelaten, en veel passagiers waren reeds aan boord, in bonte
groepen over de verschansing geleund, lachend en pratend, groeten en
grappen wisselend met de aan wal staanden.
De generaal was zenuwachtig en de dames waren ontroerd. Hij telde
nog eens nauwkeurig de stukken bagage, die de dikkerd en zijn vrouw
hem bereidwillig hielpen dragen en voelde met bevende vingers in
zijn binnenzak naar de paspoorten.
--Alles is in orde, wij kunnen op de boot gaan, zei hij tot zijn
dames. Er. tot de beide dikkerds en het klein meisje:
--En gaat u maar zoolang mee; er is tijd genoeg en er wordt immers
driemaal gefloten, vóór de brug wordt neergehaald.
Nauwelijks had hij 't gezeid of daar brulde de stoomfluit voor de
eerste maal, lang, zwaar en plechtig, met een schor en rauw geloei
dat de lucht deed trillen en als 't ware door je gansche lichaam tot
in 't diepste van je ingewand doordreunde.
Langs de steile brug bestegen zij het stoombootdek. De dames
konden haar emotie niet bedwingen en schreiden. De generaal hield
zich goed, maar af en toe sidderde zijn lange, witte snor.
--Laten we hier maar blijven, we houden hier goed de brug in 't oog
en kunnen ook nog even zitten, zei hij, een bank aanwijzend.
Zij namen plaats. De dames droogden haar tranen af en voor het
allerlaatste afscheid werd nog eens het mandje van Rikiki geopend.
O! wat 'n emotie, wat 'n verteedering! 't Hielp niets dat de dames
pas haar tranen hadden afgedroogd, zij vouwden als 't ware smeekend
de handen in elkaar en opnieuw vloeiden de tranen overvloedig uit
haar diep-bedroefde oogen. Nu pas beseften zij eerst duidelijk wat
het beteekende Rikiki daar zoo alleen in den vreemde te moeten
achterlaten. Daar, op dat groote, bruisend schip, dat straks met hen
zou wegvaren, zagen zij hem nog, voelden zij hem nog, hadden zij hem
nog; maar over enkele oogenblikken was 't de scheiding, de scheuring
van elkaar. Rikiki bleef als een wees bij vreemden achter en tusschen
hen en hun geliefde, hun kind, hun leven, lag de eindelooze, woeste
deining van de overweldigende zee. Nooit meer zouden zij hun
lieveling terug zien, dat voelden zij nu plotseling op 't uur van
scheiden en 't was afschuwelijk, een niet te overkomen leed, erger,
duizendmaal erger dan alles wat ze reeds geleden hadden en wellicht
nog, als uit hun land verjaagden, zouden moeten lijden.
Voor de tweede maal brulde de stoomfluit, rauw en langgerekt, met
doffe dreuningen, die tot in 't diepste van hun lichaam doortrilden.
Zou het niet beter zijn dat ze niet langer wachtten, dat ze nu maar
dadelijk afscheid namen? Ach ja, 't was beter. Zij zeiden 't met
bewogen stemmen tot den dikkerd en zijn vrouw, die dadelijk
opstonden en ook meenden dat het beter was.
Zij schaarden zich om Rikiki en beurtelings tilden zij hem uit zijn
mandje op en zoenden hem. Rikiki scheen daar niets van te begrijpen.
Hij werd er zenuwachtig onder en toen de generaal hem op zijn beurt
optilde, piepte hij even.
--Ga nu maar, ga nu maar, zei de generaal op gejaagden toon tot de
twee dikkerds. Hij drukte hen de hand en zoo deden ook de dames en
hij zoende nog een laatste maal Elsatje, op beide wangen. Rikiki
werd in zijn mandje geduwd en 't deksel viel er op neer, als op een
doodkist.
Zij spoedden zich over de brug naar beneden...
* * * * *
De generaal en de twee dames hingen naast de andere passagiers over
de verschansing en staarden in de menigte op de kade. Daar zagen zij
de dikkerds staan naast Elsatje, die weer het mandje had geopend om
hun tot het laatste oogenblik nog Rikiki te laten zien. Zij zagen het
aardige diertje midden in die drukke foule, zij zagen niets dan hem
en riepen nog zijn naam en zonden hem kushandjes toe. Zij wenschten
dat de boot nu maar zoo spoedig mogelijk vertrekken zou om van die
laatste foltering verlost te zijn. Maar 't duurde en duurde, de
stoomfluit scheen maar niet voor 't laatst te willen brullen en maar
steeds kwamen passagiers haastig met pakken en valiezen, de brug op
geloopen, en nog aldoor werden door de sissende en ratelende
stoomkranen volle vrachten van allerlei ingeladen. 't Was of er nooit
een eind aan zou komen.
Toen hoorde de generaal eensklaps een stem achter zich, die hem
scheen aan te spreken. Hij keerde zich om en stond voor een vrij
jong, mager mannetje, met kaplaarzen aan en een geruite pet op, als
een piqueur of paardesportsman. Dat uiterlijk kwam hem niet vreemd
voor, maar de generaal herinnerde zich toch niet dadelijk waar hij
dat type wel gezien had.
--Pardon, meneer, wat zei u? vroeg hij aarzelend.
--Ik zei dat u hun het hondje dan toch maar gegeven hebt, antwoordde
de man met een eigenaardigen, raadselachtigen glimlach.
--Ja, er was al niet veel anders op te vinden, antwoordde de
generaal gedrukt; en meteen herkende hij het mannetje: dezelfde die
hem 's ochtends op de andere boot verzekerd had, dat geen honden
meer in Engeland werden toegelaten.
Het mannetje merkte dat de generaal hem eindelijk herkend had en
glimlachte opnieuw, nu gul en vriendelijk. De beide dames hadden
zich omgekeerd en herkenden hem ook. Hij boog en groette, even zijn
geruite pet afnemend.
--Kent u die lui? Weet u wat dat zijn? vroeg hij, thans weer met
zijn geheimzinnigen, raadselachtigen glimlach.
--Neen, hoegenaamd niet, maar 't lijken wel aardige menschen,
antwoordde de generaal vagelijk verontrust.
--U weet toch dat het Duitschers zijn?
--Wat! gilde de generaal, letterlijk opspringend, terwijl de dames,
een angstgil smorend, met uitgezette oogen de hand tegen haar mond
drukten.
--Heeft u dat niet gemerkt aan hun taal? zei 't mannetje spotachtig.
--'t Is toch waar ook! riep de generaal, de rechterhand tegen zijn
voorhoofd slaande, als in een plotse openbaring.
De beide dames waren zóó ontsteld, dat ze geen woord meer konden
uitbrengen.
--Ja, zeker, Duitschers, en, wat meer is, comme ça, zei
't mannetje lachend, terwijl hij zijn beide wijsvingers om beurten
in zijn eigen oogen en zijn ooren scheen te prikken.
--Hoe bedoelt u, meneer? vroeg de generaal heelemaal van streek en
niet begrijpend.
--Spionnen! fluisterde 't mannetje hem toe.
--O! schokte de generaal overeind, alsof hij een klap kreeg.
--Heusch, meneer, ik ken ze wel, ik ken ze maar te goed,
verzekerde 't mannetje.
--Duitschers! Spionnen! Maar ze zullen Rikiki uithongeren, folteren,
vermoorden! gilde hardop de schoonzuster, alsof ze plotseling
krankzinnig werd.
Er was een oogenblik absolute, doodsche roerloosheid en stilte. In
stomme verslagenheid keken zij alle drie naar 't sportmannetje, dat
steeds kalm en welbewust bleef glimlachen en dan, zich
zenuwachtig-gejaagd omkeerend, naar de twee dikkerds en het meisje
op de kade, die daar nog steeds met Rikiki in zijn mandje waren
blijven staan. Zij waren totaal radeloos en wanhopig, de beide
dames barstten in snikken uit, de generaal stond te trillen en te
beven en ook op de gezichten van het drietal aan wal kwam van
lieverlede een uitdrukking van grenzenlooze verbazing en bijna van
schrik.
Op dat oogenblik loeide voor de derde en laatste maal het
vreeselijk gebrul der stoomfluit. Het snerpte en huilde als een
nood-en-doodskreet; het schudde folterend de tot barstens toe
gespannen zenuwen en roffelde en dreunde als met een geweld van
aardbeving door 't gansche lichaam. En eensklaps sprong de generaal,
als een waanzinnige los, greep, op goed geluk af, een paar valiezen,
riep, achter zich om, tot de dames: kom mee... baande zich met geweld
een weg door de in elkaar geperste menigte der passagiers en holde de
brug af, waar reeds vier matrozen klaar stonden, om ze beneên te
halen.
--O, maar, meneer, meneer, meneer! gilden de dikkerd en zijn vrouw,
angstig in de foule achteruitwijkend.
In verwildering keek de generaal om, zag de ontstelde gezichten
zijner dames, die hem ijlings gevolgd waren.
--Moet ge nog mee, meneer? riepen de matrozen bij de brug, klaar om
neer te halen.
De generaal hoofdschudde hartstochtelijk van neen. Een schril gefluit
weerklonk en de brug gleed aan wal. De schroeven van de boot begonnen
't water op te malen.
--O man, man, wat heb je toch gedaan! schreide verwijtend de
generaalsvrouw. De schoonzuster schreide zonder nog iets te durven
zeggen.
Driftig haalde de generaal zijn schouders op, nam voorloopig
geen notitie meer van de twee huilende vrouwen.
Zenuwachtig-gesticuleerend stond hij vóór de twee dikkerds en vóór
Elsatje met Rikiki.
--Wij konden 't in ons hart niet gevonden krijgen om hem te verlaten,
zei hij, iets kalmer en reeds vagelijk zich schamend.
De dikkerd en zijn vrouw glimlachten zwakjes, en knikten zwijgend
goedkeurend, nog gansch verbouwereerd door de gebeurtenis; maar
Elsatje barstte plotseling in hevige tranen uit.
Dat vermurwde heelemaal het hart van den ouden militair.
--Schrei niet, suste hij, het blonde hoofdje streelend. Wij blijven
voorloopig hier en je kunt elken dag met Rikiki komen spelen.
Maar het kind bleef snikken en hikte stotterend
--Ik hield zooveel van hem; ik zou er zoo goed voor gezorgd hebben.
De generaal was radeloos. Hij keerde zich om tot zijn vrouw en zijn
schoonzuster en verweet haar vol toorn:
--Zie je nu wel! Heb ik je niet voorspeld dat we met dat ellendig dier
niet konden reizen!
Zij gaven geen antwoord. Zij bukten gedwee en ongelukkig 't schreiend
hoofd. Daar stonden zij nu, alleen als vluchtelingen in den vreemde,
met hun bagage en hun hond, terwijl het mooie, groote schip, dat hen
naar 't land van gastvrijheid en weelde zou brengen, zonder hen de
haven uitvoer. Gedrukt namen zij vluchtig afscheid van den dikkerd en
zijn vrouw en de schoonzuster ontving Rikiki in zijn mandje uit de
handen van het nog steeds ontroostbaar snikkend klein meisje.
--Kom, kom, laten we nu maar gauw weggaan, ik schaam me, ik schaam
me, bromde de generaal, alsof zijn vrouw en schoonzuster alleen de
schuld van alles waren. Zij wenkten een kruier en verdwenen in de
aftrekkende menigte.
--Naar 't hotel, beval de generaal.
--Welk hotel, meneer? vroeg de kruier.
--Kan me niet schelen; 't eerste 't beste.
Zij volgden den witkiel en spraken geen woord meer.
Eindelijk waagde zijn vrouw:
--Zouden we niet een telegram naar Engeland moeten zenden, dat we
voorloopig hier blijven? Ze zullen anders ongerust zijn als ze ons
niet van de boot zien komen.
Nurksch bromde hij iets onverstaanbaars als antwoord en daar ze
juist langs het telegraafkantoor kwamen, deed hij den kruier even
ophouden. Hij trok een formulier uit 't bakje en krabbelde met
gefronste wenkbrauwen het telegram aan zijn broer.
Blijven voorloopig hier. Brief volgt.
Generaal.
Hij schoof het door 't loket, betaalde, kwam weer bij den witkiel en
de dames.
--Vooruit! beval hij kortaf, alsof hij op manoeuvre was.
De kruier, bukkend onder zijn vracht, wees zwijgend den weg.
In het verschiet, zwart van romp en wit van bovenbouw, met zijn
elegant-hangende reddingsschuitjes en zijn rookpluimende gele
schoorsteenen, stoomde het groote schip, de masten vlaggend, als in
feestgetooi, naar de volle zee toe.
De schoonzuster deed haar uiterste best om Rikiki, die alweer in
zijn gesloten mandje neuspiepend begon te rommelen, met stille,
zoete woordjes te sussen.
--Die spionnen! bromde nog even binnensmonds de generaal, terwijl
zijn vuisten dreigend ineenkrompen, die vervloekte spionnen..
De dames zwegen en hielden haar adem op, als gestold van schrik voor
wat nog komen zou. Maar er kwam niets meer.
* * * * *
IV.
DE VARKENSKAR.
Duizenden en duizenden waren reeds door het stille dorp
voorbijgetrokken...
Met zwaar-dreunenden tred, log-gekadanseerd, echoënd tusschen de
gesloten huizen, van verre als een aanbruisende, grijze zeegolf...
Een logge, grijze zeegolf, waarover de punten der helmen als een
krioeling van vluchtende ratten heen en weer wriemelden...
Al de menschen uit het dorp waren gevlucht... Gevlucht, terwijl de
Belgen en de Engelschen nog even standhielden en de barstende
granaten in de straat begonnen neer te slaan.
Zij waren gevlucht in de bosschen, ginds verre. Van daaruit, veilig
verscholen, hadden zij 't loeiend aanrazen gehoord en van verre hun
dorp zien branden...
Nu was de storm voorbij en keerden zij terug.
't Viel mee. Zij hadden gedacht niets meer te vinden dan rookende
puinhoopen en daar zagen zij hun dorpje, met zijn huizen, althans
uiterlijk, haast ongedeerd. Een zwart-gapend gat hier en daar, veel
door elkaar geschudde pannen op de daken, gruis en glasscherven
overal, een half-gespleten deur, die uit haar hengsels hing, doch
nergens totale vernieling. Wel was de kanaalbrug opgeblazen en de
kerktoren half ingestort, maar dat ging de gemeente aan, dat voelden
zij niet rechtstreeks als een groot verlies.
Een innerlijke vreugd, een echte, bijna kinderlijke vreugd straalde
uit op de gezichten. Niemand, in zooverre men kon nagaan, was
gesneuveld, of zelfs maar gewond; niemand werd vermist en de vijand
was reeds ver weg: het leek wel of de gruwelijke oorlog, met al zijn
narigheden en ellende, voor de bewoners van het rustig dorpje niets
meer was dan een akelige herinnering, iets als de dreiging van een
overweldigend onweer, dat toch eigenlijk meer schrik, dan schade
heeft veroorzaakt. Zij hadden wel iets verloren, edoch, door wat ze
kwijt waren geraakt waardeerden zij eerst recht wat hun nog
overbleef; en dat vertelden zij elkander onder druk gebabbel en hier
en daar zelfs met vroolijke kwinkslagen, terwijl zij in de gouden
schemering langsheen de huizen liepen of in opgewonden groepjes vóór
de drempels stonden.
Toen kwam ginds verre, heel aan het uiteinde der straat, nog iets
eigenaardigs aan:
Een jongetje, dat met een vlaggetje zwaaide, en, achter het
jongetje, een hooge kar, getrokken door een paard, en waaruit wild
gezang scheen op te stijgen.
Terstond werden de menschen in het dorpje weer schuw en stil. Elkeen
haastte zich naar huis terug en bleef daar angstig-roerloos van op
zijn drempel kijken.
Ja, ja, dat waren er nog: een bende achterblijvers of vermoeiden, in
een vrachtkar op elkaar gedrongen. Men herkende reeds duidelijk de
grijze uniformen en de grijsomkapte punthelmen. Kwaadaardig schenen
zij echter niet, want hun gezang klonk vroolijk en met hun armen
zwaaiden zij geestdriftig heen en weer, zooals het knaapje,
dat voorafging, onophoudend zwaaide met zijn vlaggetje.
Maar dat knaapje... o, eensklaps herkenden ze 't!--'t Was Pierken,
het jongste zoontje van den varkensslager, ginds, een eind buiten
het dorp; en 't oud, gebogen ventje, dat naast het sukkelig
paardje liep, was Pierken's eigen vader; en 't klein, bruin hondje
met zijn krulstaartje, dat nu en dan eens tegen Pierken opsprong,
het was hun hondje; en de groote kar, waarin al die zingende kerels
waggelend overeind stonden, het was hun kar, waarmee zij driemaal in
de week de geslachte varkens naar de stad vervoerden...