De generaal raadpleegde vlug, in 't Fransch, de dames. Terstond

gebruikte de kerel, zoo goed en zoo kwaad als het ging, dezelfde

taal:

--Très bon marché madame, très bon voiture et fort cheval. Plus

vite que les bombes des Boches! En hij lachte, griezelig.

Zij lieten zich overhalen, draaiden langzaam naar de twee rijtuigen

toe. Het waren twee oude, vuile, open victoria's met droevige

knollen bespannen.

--Ici, monsieur, ici, madame, wenkte de kerel, hen bij een der vieze

dingen brengend. Haastig nam hij de valiezen aan, schoof ze onder de

banken, verzocht hen in te stappen. Toen holde hij binnen in het

groezelig koffiehuis om den koetsier te waarschuwen.

--Cinq minutes patience, monsieur, madame; cocher tout de suite

fini manger, kwam hij even weer buiten geloopen.

De generaal, zijn wenkbrauwen fronsend, bromde toornig in zichzelf.

Het speet hem reeds dat zij 't aanbod hadden aangenomen. Wat

'n vieze boel zag het er uit! Zouden ze niet beter nog uitstappen en

toch maar te voet gaan?

--Zooals je wilt, antwoordden gedwee de dames.

Hadden ze tegengestribbeld, dan had de generaal wellicht op

uitstappen aangedrongen. Nu ze dat niet deden en bereid waren zijn

wensch te volgen, drong hij niet verder aan.

--Misschien toch maar beter die rammelkast te gebruiken, zei hij,

ongeduldig schokschouderend.

Ook dàt vonden de dames goed. 't Was haar alles eender, als zij uit

die hel maar wegkwamen.

Zij keken om zich heen, terwijl ze daar nog even moesten wachten.

De nacht scheen iets lichter te worden; duidelijker teekende de

omgeving zich af. En eensklaps rees een wazige maan boven de hooge

daken en haar triestig, weifelachtig schijnsel viel op de groote,

leege markt en op de huizen en gebouwen in het ronde. Nu zagen zij

eerst goed hoe hun oude, mooie stad onder het bombardement geleden

had. De statige kerktoren rees somber ten treurigen hemel, den eenen

kant gansch afgebrokkeld en als 't ware uitgevreten, alsof een

verwoede reus met grijnzende tanden aan 't verweerde steen geknaagd

had. De kerk, daaronder, had geen dak meer en de nacht gaapte,

akelig-tragisch, door de verbrijzelde ruiten der hooge, sierlijke

boogramen. Daarnaast was er een leege ruimte, met hier en daar nog

een stuk uitgekartelde trapgevel of een brok schoorsteen op een

muur, die door een mirakel van evenwicht was overeind gebleven. Een

van de nobelste antieke heerenhuizen was ook nog blijven staan, maar

juist boven het sierlijk balkon, dat als een wonder van steenen

kantwerk zijn ongerepte, grijze ellips naar voren welfde, was een

enorm, donker gat geslagen, als het wijd-open hol van een spelonk,

waaruit schrik-en-gruwelbeelden zouden gaan te voorschijn komen.

--Barbaren! Barbaren! bromde en foeterde de generaal met van

verontwaardiging trillende snor.

Maar hij werd ongeduldig en keek weer naar de groezelige herberg om.

--Koetsier! Koetsier! riep hij gebiedend.

Luide, kijverige bralstemmen klonken daarbinnen, alsof er een

gevecht ontstond. Enkele kerels met boeventronies kwamen eindelijk

buiten en onder hen was een man met zwarte snor en bonten muts, die

een langen mantel droeg en een zweep in zijn hand hield. Hij groette

kort, met rauwe drankstem en klom op den bok van het rijtuig. De

boef, die aan den generaal het rijtuig had verhuurd, wipte naast hem

en tegelijkertijd, terwijl het paard reeds wegdraafde, sprong een

derde kerel in het rijtuig en nam ongegeneerd naast den generaal, op

't ruggebankje plaats.

--Koetsier, wat beteekent dat? gilde de generaal verontwaardigd.

--Niets, meneer, ik heb mijn plaats betaald, zoowel als u, antwoordde

de man met een woedenden blik.

--Stop, koetsier, stop! krijschte de generaal overeind springend, en

vatte den leidsman bij den arm. Met een vloek hield deze zijn paard

in.

--Zij d'r uit of wij d'r uit! riep de generaal, vastberaden.

De vrouwen sidderden, klaar om het van angst uit te gillen, met

krampachtig in elkaar gewrongen handen. Maar het flink optreden van

den ouden militair had een bewonderenswaardige uitwerking. De

koetsier haalde zijn schouders op alsof het hem niet aanging en de

twee schoelies stapten langzaam uit het rijtuig. Zij deden eensklaps

heel gedwee en onderdanig en stonden daar even met uitgestrekte

bedelhanden te grienen, dat hun huis verwoest was en dat zij geen

stukje brood meer hadden voor hun ongelukkige vrouwen en kinderen.

De generaal was woedend en dreigde met politie en gendarmes, die er

trouwens reeds lang niet meer waren. Maar de schoelies grienden nog

luider en staken nog dringender hun bedel-grijpklauwen uit, zoodat

de dames weer doodsangstig werden en schreiend smeekten dat de

generaal hun toch iets geven zou. Hij deed het eindelijk, maar onder

heftig protest en met de herhaalde bedreiging, dat hij hun tronies

onthield en dat hij hen later onmeedoogend bij de overheid zou

aanklagen. De schoelies dankten en groetten en verdwenen in de

donkere gaping van een slop.

* * * * *

Zij hadden de sinistere stad verlaten en reden over een rechten

steenweg door het open veld. Langs beide kanten waren de boomen

afgezaagd en de gevelde stammen lagen schots en scheef over de

slooten en in het aangrenzend weiland. Het was alsof een aardbeving

de gansche streek had door elkaar geschud. Het nevelige manelicht

bescheen verdrietig die verwoesting en hier en daar, langsheen den

weg of in het veld stonden de huisjes en de boerderijen als dood in

hun sombere, eenzame verlatenheid.

Traag-sjokkend reed het rammelend rijtuig over de ongelijke keien.

De generaal en de twee dames spraken een heele poos geen woord. Zij

huiverden in de kille nachtlucht en trokken mantels dicht en kragen

op. De weg scheen eindeloos en onafzienbaar. Soms zagen zij in het

verschiet als een beweging van vage schimmen vóór zich uit. Het

waren enkele menschen die, evenals zij, op het laatste oogenblik de

stad ontvluchtten. Zij torsten met zwoegende inspanning wat zij nog

konden meesjouwen en wierpen begeerige en droevige blikken op het

voorbij-ratelende rijtuig. Eensklaps ontstelden de dames hevig van

schrik. Een breede lichtstraal zwaaide waaiervormig door den hoogen

hemel en doofde stil weer uit. Wat was dat? Een niet-ontplofte bom?

Zou het afgrijselijk bombardement nu weer beginnen, hen in hun

vlucht achterhalen? Opnieuw flitste 't achter hen, breed en

majestatisch, aan den verren, donkeren einder op en doorveegde, met

zijn lichten stralenbundel, waaiervormig gansch den hemel. De

generaal poogde haar gerust te stellen. 't Was niets, het waren de

zoeklichten der vijanden. Zij speurden vermoedelijk naar vliegers in

de lucht. En terwijl de vluchtelingen daar naar keken en toch niet

zonder angst er over spraken, ging ook vóór hen uit, in het

verschiet, een breede stralenbundel op, die dwars over den hemel

veegde. Dat was het zoeklicht van het vaderlandsche leger! Zij

hadden het licht van den vijand gezien en straalden tegen, als

antwoord. En zoo bleven beide zoeklichten een tijd door stralen en

flitsen, en hun schichten door elkander schieten als Titanen en

Goden, die hoog en ruim boven 't klein-menschelijk gedoe, elkander

in den hemel zochten en bevochten.

In zijn mandje, op den schoot der schoonzuster, begon Rikiki af en

toe zich te bewegen. Hij krabde met zijn pootjes tegen de wanden en

neuspiepte soms heel fijn, van klagend ongeduld. De schoonzuster

trok het dekseltje voorzichtig open.

Een aardig warrelkopje met stralende oogjes kwam te voorschijn, dat

hen allen diep verteederde. Zij streelden hem om de beurt en

glimlachten en spraken hem zoete woordjes toe. En zij bekenden

aan elkaar dat het hun grootste troost was in hun ongeluk dat

dierbaar wezen nog bij zich te hebben. Toen sloot de schoonzuster

opnieuw het mandje, heel zacht en voorzichtig-langzaam, 't aardig

kopje met het deksel neerduwend. Doch blijkbaar was dit een

teleurstelling voor Rikiki. Hij had nu eindelijk, voor 't eerst

sinds dagen, nog eens de vrije lucht gezien en wilde die ook blijven

zien; en al dadelijk begon hij weer te krabben en te neuspiepen en

te janken, eerst matig nog, met tusschenpoozen, doch van lieverlede

harder en aanhoudender, tot het weldra ontaardde in een snerpend

noodgejammer en geblaf, dat onuitstaanbaar werd.

--Het is onmogelijk, onmogelijk, met dat ellendig dier op reis te

gaan! riep de generaal, eensklaps weer verbolgen en wanhopig zijn

armen in de lucht slaande.

De vrouw en de schoonzuster smeekten, trachtten het hondje te

sussen, lichtten, heel eventjes, het dekseltje weer op. Rikiki

bedaarde.

--Stel je voor dat we met zulk een gejank in het hôtel, op de

boot, in Engeland aankomen; ze gooien ons eenvoudig buiten! bromde

nog de generaal.

--Ach kom, je houdt toch immers ook dol van hem; je zou hem,

evenmin als wij, willen of kunnen missen, zei de schoonzuster,

vergoelijkend.

--Jawel, gaf de generaal in ietwat mildere stemming toe; jawel, ik

hou van hem, maar hij moet zoet zijn.

--Hij is zoet, hij zal zoet zijn, niet waar, mijn schatje! fleemde de

schoonzuster, met streelende vingers onder 't dekseltje.

In de verte, om een bocht van den weg, blonken eensklaps enkele

lichtjes in de duisternis.

De voorposten van 't Belgische leger! waarschuwde de generaal. En hij

tastte in een van zijn binnenzakken, om alvast hun paspoorten uit te

halen.

Weldra schoof een donkere, stille schaduw dwars over den weg. Een

tweede volgde, die in 't midden van den weg bleef staan en een bevel

weerklonk, kort en hard:

--Halt!

De koetsier hield het rijtuigje stil. Een der gedaanten stapte met

een zaklantaarntje op hem af; de tweede deed het zelfde met de

inzittenden der victoria.

--Papiers! klonk het kortaf.

De generaal liet de paspoorten zien. De schildwacht, een

wachtmeester der grenadiers, bekeek ze aandachtig. Het was een jonge

man met knap gezicht en lange, donkere snor. Het zwart en rood van

zijn uniform schitterde vaag in de duisternis. Eensklaps richtte hij

zich op en stond in positie, militair-groetend, rechterhand aan de

politie-muts en hakken bij elkaar.

--Passez, mon général, zei hij eerbiedig en week drie passen

achteruit.

De generaal gaf hem zijn groet terug, de dames bogen, het rijtuig

ratelde langzaam voorwaarts.

Rechts en links nu van den weg kwamen, in het vage schijnsel der

lantarens, eigenaardige verschijningen als het ware halvelings uit

den grond opgedoken. Donker-magere gezichten met oogen die strak

blonken; geweren en bajonetten die even dof flitsten, zwarte

gestalten, die zich eensklaps oprichtten, als uit hun graf

verrijzend. Dat waren de soldaten in de loopgraven. Er moesten er

velen zijn, in lange, diepe rijen tot ver en wijd in't veld, want

zonder ze te zien voelde men ze langs alle kanten en een breed en

dof gegons steeg op, dat alom de mysterieuze stilte van den nacht

vervulde. Al spoedig, trouwens, schoven weer stille schaduwen dwars

over den weg naar voren en werd er nog eens "halt" geroepen. En ook

weer sloeg de wacht, na onderzoek, eerbiedig militair aan en mocht

het rijtuig verder gaan. Zoo kwamen zij eindelijk langs drie

overbrugde grachten, tusschen donkere wallen aan de vestingpoort.

Daar werden hun papieren voor de laatste maal onderzocht en weldra

reden zij door lange straten, zwak verlicht en vol soldaten, die

vroolijk bij troepjes heen en weer kuierden of in en uit de

stampvolle herbergjes en kroegjes kwamen.

Naarmate zij verder doordrongen werd de stad steeds levendiger. Maar

't was een vreemd gezicht, die drukte in halve duisternis. 't Was of er

ergens een grootsche, plechtige begrafenis had plaats gehad, waar de

bevolking van terugkwam en waarover gansch de stad nog rouwde. En

toch; in dat rouwend halfduister klonk op vele plaatsen opgewekt

gepraat en gelach en zang en muziek en ook hier en daar, in de

herbergjes, werd er gedanst. Het waren soldaten, die dansten, met

roodwangige meiden in lichte blouses en vettig glimmende of krullende

haren. Zij schenen niets te voelen van al de droefheid en de rampen

van 't geteisterd vaderland. De soldaten dansten en lachten met

dezelfde luchtige opgewektheid, waarmede zij, in den afschuwelijken

strijd, den dood te gemoet gingen en de meiden amuseerden zich zooals

zij altijd deden, gelijk met wie haar beetpakte en trakteerde en

betaalde.

Het rijtuig kwam voor het hotel, waar de generaal en de twee dames

zouden overnachten. De hall was somber, maar de hel-verlichte

restauratiezaal zat vol met officieren, die al evenmin schenen te

treuren als de soldaten in de kroegen. De oude generaal fronste met

nurkschen blik de wenkbrauwen. "Hoe is het mogelijk!" bromde hij.

Zij vroegen om logies. Eerst zette de gérant een hoogst bedenkelijk

gezicht. Hij had zoo goed als niets meer over, beweerde hij. De

generaal gaf zijn kaartje af. Dat maakte de dingen wel beter. De man

boog eerbiedig en ging zien. Ja, er was nog middel: twee kamertjes;

een met twee bedden voor de dames, een kabinetje voor den generaal.

De generaal verklaarde zich daarmee tevreden en vroeg hoe laat den

volgenden ochtend de boot naar Engeland vertrok.

--Heeft u plaatsen besproken? vroeg de gérant. De generaal zei van

neen.

--O, meneer, dan is er geen kwestie van dat u mee kunt! verzekerde

de man.

De generaal slaakte bijna een vloek.

--Geen sprake van, herhaalde de man met nadruk; alles dagen van te

voren reeds gereserveerd. Ware ik in uw plaats, dan nam ik liever de

boot naar Vlissingen. Dáár zult u nog wèl gelegenheid vinden.

De generaal was erg uit zijn humeur. Doch hij begreep dat er niets

aan te doen was en liet alvast, voor den volgenden ochtend, plaatsen

naar Vlissingen bespreken.

--Of ze nog iets wenschten te gebruiken? vroeg de gérant.

De generaal raadpleegde met den blik zijn dames. Neen; geen van

beide had in iets zin. De gérant boog en ging hen voor naar de lift.

Even krabbelde Rikiki in zijn mandje en neuspiepte fijn terwijl zij

binnenstapten. Ietwat verrast keek de gérant op, maar glimlachte en

maakte geen opmerking.

De lift zoog hen naar boven.

* * * * *

Op de boot was 't ellendig, griezelig vol. Wat al vluchtende menschen

voor het naderend, gruwelijk onheil! Wat al manden, pakken, korven,

zakken met van alles volgepropt! Er waren droeve, dróéve gezichten

van totale gelatenheid en wanhoop en er waren menschen die zielig

jammerden en schreiden: menschen die nog wilden lijden en strijden en

in 't verlies van alle hoop maar niet konden berusten. Er waren er

ook luchtige en vroolijke, menschen op wie het ongeluk geen vat kreeg

of die er zich boven wisten te stellen, en er waren er ten slotte

ernstige, diep-ernstige, met geconcentreerde gezichten van zware,

innerlijke zorg.

Zoo waren de oude generaal en de twee dames. Zij hadden een plekje

boven op het dek weten te veroveren: een oud stuk bank tegen de

schoorsteenpijp en van daar uit keken zij stil, met triestige oogen,

naar de oude, groote stad die zich, achter het omgewoelde,

viezig-schuim-opspattende rivierwater, langzaam van hen verwijderde.

Zou het voor eeuwig zijn? Zouden zij nog terugkomen? Wie kon het

zeggen? Alles was vaag en vol onzekerheid. De stad smolt weg, de

huizen werden kleiner, de blikkerende vensterraampjes schenen hen

weemoedig na te staren, als met verwijtende oogen die traanden. Was

het niet jammer dat zij vluchtten? Hadden zij niet liever moeten

blijven? De twinkelende, droeve huizeruitjes schenen hen terug te

roepen en de hooge, slanke kerktoren der kathedraal richtte zijn

spits ten hemel, als in een gebaar van berispende afkeuring. Dat

alles ontroerde de dames en haar oogen werden vochtig. De generaal

hield zich goed, maar zijn lippen stonden op elkaar geklemd en af en

toe sidderde zijn lange, barsche, witte snor. Het was te laat nu,

spijt of berouw kon niets meer baten. Maar zij wisten ook niet of het

hun speet, zij wisten niets meer, al hun tegenstrijdige gevoelens

waren door elkaar verward geraakt: het was opeens besloten geweest en

meteen ten uitvoer gebracht; waarom?... omdat de dames gruwelden van

angst onder 't bombardement, en omdat iedereen gevlucht was, en ook,

't is waar, omdat zij Rikiki, de dierbare Rikiki, de lieveling van

hen allen wilden redden.

Hoe eigenaardig: in hun droefheid en ontreddering hadden zij Rikiki

een oogenblik bijna geheel vergeten. Zij dachten er pas weer aan toen

zij hem in zijn mandje hoorden janken en de schoonzuster lichtte

verteederd het dekseltje op en zij waren allen dadelijk diep bewogen

omdat zij Rikiki eventjes vergeten hadden en hem Goddank toch nog

bezaten. Dat troostte hen, dat suste het gevoel van narigheid. Zij

streelden om beurten het aardige diertje en zonder het aan elkaar te

bekennen voelden zij allen dat Rikiki steeds weer hun troost zou zijn

in de vele uren van verdriet en neerslachtigheid, die hun wellicht

langdurige ballingschap zouden versomberen.

Naast hen, op de boot, zat een familie, die hun aardigheidjes met

Rikiki gadesloeg en er zich mee amuseerde. Het waren twee dikke,

goedig-uitziende menschen, een man en een vrouw, vergezeld van een

klein jong meisje met blauwe oogen en vlasblonde haren. Vooral het

meisje scheen te trillen van verlangen om ook eens 't aardig hondje

aan te mogen raken en de oude generaal, die dat merkte, lachte haar

vriendelijk toe en vroeg haar eindelijk of ze 't soms even op haar

schoot wilde hebben.

--O, graag, meneer, antwoordde het kind blozend, met een

eigenaardigen, vreemd-klinkenden tongval.

De generaal nam Rikiki uit zijn mandje en zette hem op de knieën van

't verrukte kind.

--Hoe heet het, meneer? vroeg zij dadelijk, het hondje aaiend.

--Rikiki, glimlachte de generaal.

--Rikiki! Rikiki! herhaalde zoetjes het verrukte kind, onophoudelijk

het warrelkopje streelend.

De dikke man en de vrouw zagen dat spelletje gemoedelijk-glimlachend

aan en als van zelf begonnen zij weldra een praatje over 't hondje

met den generaal en de twee dames.

--'n Mooi diertje, 'n duur hondje, zei de man, Rikiki monsterend

met kennersoogen.

De generaal en de twee dames knikten gewichtig, bekenden dat het

inderdaad een heel kostbaar hondje was.

--Neemt ge 't mee naar Holland? vroeg de man.

--Naar Engeland, verbeterde de generaal.

--O, maar, dat kan niet, er mogen geen vreemde honden binnenkomen in

Engeland, verzekerde de man met een heel ernstig gezicht.

De generaal en de twee dames schrikten letterlijk van hun zitplaats

op.

--Wat zegt ge daar! riep de oude militair, bijna dreigend.

--Dat mag niet, meneer; geen vreemde honden in Engeland, herhaalde

nog eens de dikkerd met ernstigen nadruk.

De generaal, zijn vrouw, zijn schoonzuster, alle drie omringden den

onbekende, met een uitdrukking van ontsteltenis en afschuw op

't gezicht. Wat! Zij vluchtten weg, met en om Rikiki, en Rikiki zou

in het toevluchtsland geweigerd worden! Hoe wist die man dat, en wie

was hij eigenlijk? Wantrouwig keken zij hem aan. Was hij een

landgenoot of wat was hij? Hij sprak niet de gewone taal der streek;

zijn uitspraak had een vreemden klank, evenals die van het kleine

meisje. Waren dat wellicht lui die Rikiki wilden stelen, omdat hij

zooveel geld waard was? De schoonzuster had een instinctief gebaar om

het dierbaar wezen uit de armen van het kind weer weg te nemen en de

generaal, na een oogenblik geconsterneerd stilzwijgen, stramde zich

in zijn nog flinke, militaire houding en antwoordde den man op

gezagvoerenden toon:

--Dat ze den hond van een Duitscher of een Oostenrijker zouden

weigeren, dat begrijp ik, maar van een Belg, een bondgenoot, een

strijdmakker, onmogelijk, ik geloof het niet!

De goedmoedige dikkerd kon te nauwernood een stillen spotlach

bedwingen.

--Die wet heeft niets te maken met den oorlogstoestand; zij bestaat al

sinds vele jaren, zei hij.

Nieuwsgierigen begonnen zich om hen heen te scharen en een donkere

man, die al van in 't begin 't gesprek had afgeluisterd, zei nu op

zijn beurt.

--Honden mogen wel in Engeland binnenkomen, maar zij worden er bij

aankomst zes weken in quarantaine gehouden.

De generaal, de vrouw, de schoonzuster keerden zich naar den donkeren

man om.

--Werkelijk? Werkelijk? vroeg de generaal.

--Werkelijk, verzekerde de donkere, zwaar-ernstige man.

Nog een derde man mengde zich nu in 't gesprek: een kleine, magere,

blonde, met een geruite sportpet op en rijlaarzen aan.

--Vroeger ja, nu sinds den oorlog niet meer, beweerde hij. Sinds

den oorlog worden alle honden zonder onderscheid in Engeland

geweigerd.

De generaal, de vrouw, de schoonzuster, steeds dieper ontsteld,

keerden zich nu tot den mageren man met de sportpet en de rijlaarzen

om.

--Is dat heusch zoo? vorschte de generaal.

--Heusch, meneer, verzekerde de magere man.

De donkere, ernstige man keek den blonde, magere aan en schudde

't hoofd. Hij geloofde niets van die verandering in de

wetsbepalingen.

--Probeert het dan maar eens als ge mij niet gelooft! riep de magere

op driftigen toon. De donkere man schudde nog eens zijn hoofd en ging weg.

Het werd, voor den generaal en de twee dames, hoe langer hoe

gecompliceerder en ellendiger. Wie moesten ze nu eigentlijk gelooven:

de dikkerd en de blonde magere, of de donkere, ernstige man? Klaar

hoe dan ook, ellendig was 't in elk geval, aangezien de arme Rikiki,

op zijn best genomen, althans gedurende zes weken zou in quarantaine

gehouden worden. Zes weken quarantaine! Dat kon de arme Rikiki immers

niet uithouden! Lang vóór dat termijn was afgeloopen zou hij dood

zijn! De beide dames konden haar emotie niet bedwingen en begonnen te

schreien. De generaal liep even, als een vertoornde dondergod heen en

weer over 't dek en bleef dan starend, met gespannen trekken, kijken

op het omgewoeld rivierwater, alsof hij zelfmoordplannen brouwde. De

goedmoedige familie had blijkbaar medelijden met de zwaarbeproefde

eigenaars van Rikiki, en 't aardig kleine meisje streelde en aaide

voortdurend het hondje op haar knieën, als om het zacht-moederlijk in

zijn vreeselijk lot te beschermen en te troosten.

--En moet je dáárvoor bondgenoot van Engeland zijn! barstte de

generaal plotseling uit, met sidderende snor en in verontwaardiging

gekruiste armen vóór zijn steeds rampzalig-schreiende dames staande.

De gruwelijke oorlog, de afgrijselijke verwoestingen, de ruïne van

het land, de vernieling van hun stad en van hun huis, al het lijden,

al het onrecht, al de wraakroepende wreedheden, alles wazigde weg en

verbleekte tegenover de geraffineerde marteling, die zij om Rikiki

doorstonden. O! hadden ze dát geweten, wat waren ze gaarne gebleven,

al moest het dierbaar huis ook op hen neerstorten! En de generaal

herhaalde nog eens vinnig zijn bitterste verwijten, dat de twee

vrouwen hem tot de vlucht gedwongen hadden, dat hij zonder haar

gezanik zou gebleven zijn, en dat zij laf waren en niet alleen

getracht hadden Rikiki, maar eerst en vooral zichzelven te redden.

De beide vrouwen schreiden, schreiden; hoe scherper de generaal

uitvaarde, hoe akeliger en wanhopiger zij schreiden, zóó dat de

andere vluchtelingen zich vol meewarigheid steeds talrijker om haar

heen troepten en niet twijfelden of die rampzalige familie had in den

wreeden oorlog alles verloren wat een mensch ook maar verliezen kon.

Het werd aanstekelijk; sommige menschen verwijderden zich, met hun

zakdoek aan hun oogen wrijvend en ook het kleine meisje, dat Rikiki

steeds op haar knieën hield, barstte plotseling in snikken uit, alsof

zij door een onbekende ramp werd overweldigd.

Toen stond de goedige dikkerd op en kwam naar zijn ellendige

reisgenooten toe.

--Ach, dames, en meneer, sprak hij troostend, dat is allemaal zoo

erg niet en wij kunnen u misschien wel helpen. Wij gaan niet verder

dan Holland, wij blijven daar bij familieleden het einde van den

oorlog afwachten. Laat het hondje bij ons, wij zullen er goed voor

zorgen. Gij ziet het; Elsatje is er dol op, het beestje zal niets

tekort hebben. Wij zullen u ons adres laten en als gij weer komt u

het hondje teruggeven. Zou dit geen geschikte oplossing zijn?

Oorlogsvisioenen · 第 6 / 11 段