wel iets van vermoed! En hoe dan? En waarom? En wanneer? Het was toch
immers maar louter toeval geweest, omdat ze samen naar hier gevlucht
waren, omdat ze genoodzaakt waren geweest hier hetzelfde huis,
dezelfde kamer, waarin slechts één bed stond, te betrekken.
Hij keek mij aan met zijn priemend-ondeugende oogen, hij wilde
blijkbaar weten wat ik er verder van dacht of vermoedde en, door wat
ik dacht of vermoedde, onderstellen, wat heel het dorp ervan wist of
zou vermoeden. Ik dacht aan al de ontelbare meiden, aan al die
blonde, die bruine en die zwarte, aan al die magere en al die dikke
maar steeds flinke en jonge, die in den loop der jaren bij hem in
dienst waren gekomen en telkens na een poos weer waren weggegaan, en
eensklaps voelde ik in hem den ouden scharrelaar, die hij in
't geniep zijn levenlang geweest was en wellicht nog zou gebleven
zijn, als niet het onvoorziene toeval van den oorlog en zijn
schrikvlucht hem voor een gedwongen keus en oplossing gesteld had.
Als een pacha had hij in zijn dorp geleefd en niemand had er ooit
iets van gemerkt, evenmin als er ooit iemand argwaan kreeg over zijn
kleine, sluwe handelsknoeierijtjes, en daar genoot hij nu nog van met
heimelijk-ondeugende napret; daar smulde hij van in zichzelf, nu voor
't laatst nog, ondanks al de narigheid van een toestand, die er
meteen een einde aan zou maken.
Maar de deur ging open en Fietriene kwam weer binnen. Terstond
veranderde meneer Cathoen van gesprek en oogenblikkelijk kreeg zijn
gezicht weer dat oude, dat ernstige, dat moedeloos-gedrukte,
weerschijn van de snel-afwisselende stemmingen waaraan hij, sinds
zijn ballingschap, zoo onderhevig was. Ik keek naar de klok. Langzaam
aan begon het mijn tijd te worden. Ik zei het aan meneer Cathoen, die
even een zucht loosde.
--Ach, als men maar altijd een landgenoot en vriend bij zich had!
klaagde hij.
--Tuttuttut, ge moet geduld en courage hebben, meende Fietriene.
Ik was opgestaan. Ik glimlachte bemoedigend en strekte de hand uit
tot afscheid.
--'k Ga met u mee tot aan de statie, besloot eensklaps meneer
Cathoen.
--Maar Papa, 't is veel te koud voor u! en ook veel te verre! maakte
Fietriene zich bezorgd.
Papa! Wat kittelde Fietriene toch telkens mijn lachlust als ze dat
zei.
--Niemendal, niemendal, stribbelde meneer Cathoen kribbig tegen; en
met zenuwachtige handen zette hij z'n dikke, bonte muts op.
Ik drukte de hand van Fietriene, wenschte haar tot wederzien, zoo
gauw mogelijk, in Vlaanderen, op haar huwelijksfeest.
Zij lachte schel en keek mij even aan, met vurige koonen en oogen die
eensklaps wild blonken. 't Was of ik iets verschrikkelijk-ondeugends
had gezegd.
--Mijn groeten aan de juffrouwen, zei ik nog. En buigend onder de
deurlijst stapte ik met meneer Cathoen naar buiten.
Hij zei geen woord meer; hij scheen eensklaps uitgepraat. Wij
vorderden langzaam door de stille, mistig-sombere straat, die zwak
verlicht was door enkele povere lantarens. Geen mensch op het pad,
geen het minste geluid van leven achter de gesloten deuren. Slechts
hier er daar nog een lichtje door de ramen, met een troebele vizie
van sombere, triestige dingen daarbinnen.
Wij kwamen aan het kleine station. Daar was 't iets minder doodsch.
Drie menschen zaten er op den trein te wachten, een paar soldaten
liepen er heen en weer, het telegraaftoestel tikte achter het loket
en in een hoek stond een man bij een nietig
kranten-en-boekenstalletje.
--Kranten, meneeren? vroeg hij met halfluide stem.
--'t Is te vroeg, die kunnen er nog niet zijn, meende meneer Cathoen.
--Pardon, meneer, pas aangekomen, verzekerde de man.
--Wat! riep meneer Cathoen, opgewonden tot het stalletje naderend.
Waarachtig, het waren de couranten, die anders slechts een uur later
bij hem werden bezorgd en waar hij dan verder gansch den avond in te
lezen zat, steeds hopend er 't bericht te vinden van de groote
overwinning, die den gehaten vijand uit 't geliefde land verjagen
zou.
--Hoe komen ze toch zoo vroeg vandaag? zei hij, gretig zijn voorraad
inslaande.
--Ze komen elken avond om dit uur, meneer, antwoordde de man.
--En ik ontvang ze pas een uur en soms wel anderhalf uur later! riep
meneer Cathoen verontwaardigd.
--Dat is de bestelling aan huis, meneer, zei droogweg de verkooper.
--Begrijpt ge zoo iets? keerde meneer Cathoen zich tot mij om. 't Is
iets van zeven of acht minuten loopen en daar hebben ze een uur of
anderhalf uur voor noodig!
Maar hij luisterde zelfs naar mijn antwoord niet; hij haalde gejaagd
zijn bril te voorschijn, ging midden in de wachtzaal onder de
hanglamp staan, ontvouwde daar, met zenuwachtig gefrommel, de
couranten.
--Alweer 't zelfde spel! Wat is dat nu weer! Ze hebben nog eens
Allebei gewonnen! pruttelde hij, als gesard zijn hoofdschuddend.
Doch hij zag niet goed onder die vieze, smeulende lamp, hij begreep
ook niet goed wat hij las, beweerde hij; hij plooide zijn couranten
dicht en flapte ze weer open; en eindelijk kwam hij naar mij toe en
zei:
--Weet ge wat: ik heb u nu tot hier gebracht en kan u toch niet
verder vergezellen. Fietriene zou ook bezorgd en ongerust over mij
worden. Ik ga u nu maar verlaten en hoop dat ge mij al gauw weer eens
komt opzoeken, of, liever nog, dat we mekaar binnen kort in ons
dierbaar land terug zullen zien.
Hij drukte en schudde mij de hand, mij herhaaldelijk "tot weerziens"
wenschend. Hij liep nog even haastig tot bij den man van het
stalletje om hem te zeggen dat hij er voortaan elken avond zelf zijn
dagbladen zou komen halen en met een laatste gewuif was hij weg,
zijn avondvoorraad van lectuur als een schat onder den arm knellend.
--Arme meneer Cathoen, die daarin zijn hoop en steun moet zoeken!
dacht ik bij mezelf. Gelukkig maar dat hij nog Fietriene heeft om
zich te troosten.
Ik stond daar even, doelloos, niet goed meer wetend wat te doen. Ik
haalde mijn horloge uit. Nog ruim tien minuten.
--Kranten, meneer? klonk weer halfluid de stem van den man.
Ach ja, waarom ook niet! Ik kocht mij voor een dubbeltje bedrukt
papier, en, op een harde bank gezeten in de kille wachtkamer, nam ik
op mijn beurt kennis van de laatste officieele leugentelegrammen over
de gebeurtenissen van den vreeselijken wereldoorlog.
[Voetnoot van de schrijver:
1) Victorine]
* * * * *
III.
RIKIKI.
Alweer begonnen de granaten over de stad neer te barsten...
Waar de kanonnen eigenlijk stonden kon slechts vagelijk worden
uitgemaakt. Men hoorde de zware, mathematisch gescandeerde slagen uit
de richting van het zuiden opkomen: dat was alles. Een doffe, verre
bons, die even den grond deed dreunen en de ruiten deed rinkelen en,
nog vóór het dreunen en het rinkelen had opgehouden, een gierend
geloei hoog in de lucht, een langgerekt loeien en gieren dat in
woeste vlucht met toenemende felheid en snelheid naderde, en plots
daarop een krakende knal van barstend metaal, gevolgd door een
gedonder van ineenstorting, alsof een gansch gebouw opeens ten gronde
werd vernield. Onmiddellijk daarop de stilte, de doodsche, griezelige
stilte: de wachtende, benauwende stilte na een knetterenden
donderslag. En dan opnieuw het dof gedreun ginds verre, het
gierend-suizen in de hooge lucht, het loeiend-neerslaan van
't onzichtbaar monster, en 't barsten en 't kraken en 't denderen en
't verpletteren, en dan plotseling weer de doodsche, griezelige,
akelige stilte. Die absolute stilte was het schrikkelijkste, omdat
het onnatuurlijk was. 't Was onnatuurlijk als een vlekkeloos-stille,
helderblauwe hemel, waarin een alles-overweldigend woest onweer zou
woeden.
De stad was bijna leeggevlucht. Op straat geen mensch meer. De
weinige bewoners die er nog gebleven waren, zaten in hun kelders
weggescholen. En die absolute stilte in de tusschenpoozen van
't bombardement, gepaard met die totale afwezigheid van menschen,
maakte den indruk alsof er ook geen apart menschelijk lijden noch
verdriet meer was onder den globalen omvang der afgrijselijke ramp.
De groote, anonieme krachten van vernieling voerden 't woord; de
zwakke klaagstemmen der lijdende menschen hadden klank noch
beteekenis meer.
* * * * *
De oude, gepensioneerde generaal, zijn vrouw en zijn schoonzuster,
waren nog niet gevlucht. Zij hadden maar niet kunnen scheiden van
hun mooi en gezellig huisje op de oude gracht. Te veel stil geluk en
levensvrede was daar met hun gansche wezen saamgegroeid. "Ik ga
niet, ik wijk niet, ik blijf op mijn post," had de oude generaal
herhaaldelijk en met nadruk gezegd, alsof nog steeds, gelijk
vroeger, een verantwoordelijke plicht op hem woog. Maar zijn broer,
die reeds met zijn gezin naar Engeland gevlucht was, hield niet op
hem aan te wakkeren om daar ook te komen, bewerend dat ze 't er zoo
goed hadden, dat zij er, dank zij de onuitputtelijke liefdadigheid
der Engelschen, als prinsen leefden op een prachtig buitengoed,
met bediening en automobiel, alles gratis tot hun vrije beschikking;
en de vrouw en de schoonzuster, die van lieverlede half waanzinnig
waren geworden van angst, schreiden gansche dagen en nachten en
baden en smeekten den generaal, dat hij toch eindelijk, vóór het te
laat was, ook met hàar vertrekken zou. Wat hadden zij eraan om hier
nog langer in die hel te blijven! Zij hadden gered was zij konden:
hun geld, hun waarden, hun juweelen; het overige konden zij niet
meenemen, het moest maar aan God's genade worden overgelaten. Alleen
hun leven had verder nog waarde: hun leven en het dierbaar leven van
Rikiki, die anders ook met hen, onder de puinen van het huis, zoude
begraven worden.
Rikiki was hun hondje: een van die kleine, bruine luxe-keffertjes
met verfrommeld haar, spits-geknipte oortjes en wakkere, blinkende
oogjes. De oude, barsche generaal kon wel eens echt
ongeduldig-militair optreden tegen zijn vrouw en zijn schoonzuster,
en de beide zusters konden met elkaar wel eens kibbelen, maar Rikiki
verzoende hen allen, voor Rikiki hadden zij niets dan liefde en
liefkoozingen over. Rikiki was hun kind, hun schat, hun leven, hun
alles. Rikiki was noch van den generaal, noch van zijn vrouw, noch
van haar zuster: Rikiki was van hen allen. Eerst was Rikiki, dan was
het dierbaar huis, dan was de generaal, dan was de vrouw en dan de
schoonzuster; en dat alles smolt samen tot één enkel, dierbaar
symbool van geluk, en dat dierbaar symbool was nog eens Rikiki.
Rikiki was de kracht en de zwakte, Rikiki was de ziekelijke weelde,
de luxe-tyran van het gansche oude huisgezin!
* * * * *
"Rikiki zal hier met ons onder de puinen van ons huis begraven
worden!"
Deze tragische voorspelling, door vrouw en schoonzuster met klem
herhaald, gaf tenslotte den doorslag. Onder het razend geloei en
gekraak van de barstende bommen, die met toenemend geweld op de
geteisterde stad neervielen, bekeek de oude generaal het aardig
snoetje van Rikiki, die met hen in den kelder zat verscholen en zijn
stugge hart vermurwde. Misschien hadden de bange vrouwen dan toch
wel gelijk. Hij keek door een reet van 't keldergat naar buiten in
de straat. Zijn wenkbrauwen stonden boos en chagrijnig gefronst,
zijn harde mond bromde verwenschingen onder de lange, witte, van
verontwaardiging trillende snor. Is dàt nu oorlog voeren, een open
stad bombardeeren! gromde hij. Hij vloekte en vervloekte zulk een
vijand. Doch wat hielp het? Sinds dagen liep hij zoo machteloos te
foeteren en te brommen; maar de kanonnen van den vijand overbromden
zijn gefoeter en dreven een snerpend-vernielenden spot met zijn
nijdige, razende klachten. Het woest
brutale recht, het recht van
den sterkste zegevierde en daar was niets tegen te doen.
De oude generaal slaakte een wanhoopszucht. Hij haalde zijn horloge
uit. Vijf uur. Wellicht zou het bombardement spoedig verzwakken en
evenals elken dag met het invallen van den nacht geheel ophouden.
Dan zouden zij kunnen gaan. Sinds dagen stond het weinige wat ze
konden meenemen in valiesjes klaar gepakt en zijn fortuintje droeg
hij in een portefeuille op zich, dag en nacht. Hij liep nog eens
naar boven, ondanks de smeekingen der vrouwen, die gruwden voor
't bombardement-gevaar en hij doorsnuffelde al de kamers van het zoo
dierbare huis. Ach! dat hij dit nu toch alles in den steek moest
laten! Tranen kwamen in zijn oude oogen en nu de vrouwen het niet
konden zien, schaamde hij zich voor zijn bittere droefheid niet. Hij
snikte. Zijn bevende handen bevoelden en omknelden de dierbare
meubels, de gordijnen, de kleeden, de kleinoodiën, alles wat in
zooveel lange jaren met zijn leven was vergroeid en dat hij daar nu
onbeheerd aan willekeur, aan roofzucht en vernieling prijs moest
geven. Hij hoorde de dreunende knallen der barstende bommen
niet meer,'t kon hem niet schelen; hij was geheel en al verslonden in
zijn eigen, onmiddellijk-gevoelde smart en droefheid.
Hij droogde zijn tranen af en sukkelde met bibberende lippen weer
beneden. De vroege avond zonk reeds triestig in den somberen kelder
en de beide vrouwen, angstig naast Rikiki op een der gëimproviseerde
ledikanten gezeten, slaakten een kreet van verlichting toen zij hem
ongedeerd weer zagen binnen komen.
--We zullen vannacht maar vertrekken, zei hij eensklaps, met sombere
stem.
Zij juichten op, als van verlossing.
--O, ja! O, ja! riepen zij smachtend.
In koortsachtige haast was de schoonzuster opgevlogen, alsof het nu
reeds dadelijk ging gebeuren. Dat maakte hem nijdig, kwaadaardig.
--Geen haast, geen haast, schimpte hij: het regent nog steeds
bommen daarbuiten.
--Ik wou alleen maar 't een en 't ander klaar maken voor ons
avondeten, antwoordde zij nederig, zich over haar gretige haast
excuseerend.
Hij bromde iets onverstaanbaars als antwoord en ging somberzwijgend
op een stoel in den droef-schemerigen kelder neerzitten.
* * * * *
Met stillere voortvarendheid nu maakte de schoonzuster de
toebereidselen voor het avondmaal klaar. Men voelde dat zij bang was, dat
het genomen besluit nog zou kunnen gewijzigd worden. Het was een
stevig-gezette vrouw, van middelmatige, ietwat gedrongen gestalte, met
spannende buste, korten hals, scherpe trekken en grijzende haren.
Zij was vlug en flink in al haar bewegingen. Zij had een
petroleum-vuurtje aangestoken en deed met snelle handigheid het werk dat
de meid, die reeds sinds dagen was gevlucht, anders verrichtte. Haar
zuster, moedeloos naast Rikiki op de harde bedsponde ineengezakt,
volgde zuchtend en met doffe blikken haar bewegingen. Uit haar was
alle kracht en fut verdwenen. Als een geknakt en willoos wezen zat
ze daar. Af en toe streelde zij machinaal het warrelkopje van
Rikiki, waarbij het belletje, dat de kleine hond aan een blauw
lintje om zijn hals droeg, even rinkelde. De hooge, magere gestalte
van den generaal, somber-roerloos op zijn stoel gezeten, verdween in
het halfduistere. Alleen zijn lange, witte snor trok nog als een
dwarse lichtstreep door zijn beenderig, getaand gezicht.
Daarbuiten, in den nu snel-vallenden nacht, had het bombardement van
lieverlede in heftigheid afgenomen. Slechts met grootere
tusschenpoozen hoorde men nog het langgerekte, loeiend gefluit in de
lucht, met het daaropvolgend cataclysmegedonder der
uit-elkaar-springende bommen. Dan was er telkens weer dat oogenblik
van akelig-doodsche stilte, alsof nu 't laatste leven in de vernielde
stad was weggezweept, maar weldra kwam er opnieuw een vage
stommeling en beweging; men hoorde vlugge voetstappen voorbijrennen,
men hoorde het geratel van een kruiwagen of kar en enkele
menschenstemmen, die elkaar iets toeriepen.
Dat waren zeker de laatste bewoners, die zich den ganschen dag in
hun kelders hadden schuilgehouden en nu, met den invallenden nacht
en de betrekkelijke veiligheid, op hun beurt in haast de geteisterde
stad verlieten. Even gierde ergens ver een schrille stoomfluit,
alsof er ook nog treinen reden en een auto snoof voorbij, met
donderend geraas. De generaal en de twee vrouwen schrikten er
verbaasd van op. Wat! Nu nog treinen en auto's in de verlaten stad!
Of zou het wellicht reeds de vijand zijn, die binnenstormde! De
beide vrouwen wrongen jammerend, met angstgezichten, haar handen in
elkaar, maar de generaal, onvervaard, stond op en ondanks de
smeekingen van vrouw en schoonzuster, ging hij buiten, op den
drempel, kijken.
't Was niets. Hij kwam terug en zei dat 't niets was. De gansche
stad lag reeds in duisternis gehuld en er was geen mensch meer te
bespeuren. En ook 't bombardement had opgehouden; men hoorde geen
geloei meer in de lucht en geen bommen barstten meer, in krakende
vernieling, tegen de huizen uit elkaar.
De schoonzuster had een klein petroleumlampje aangestoken. Het
zwakke schijnsel verlichtte vaag de triestige naaktheid van den
kelder met de barre, witgekalkte muren, die bij plaatsen glinsterden
en sijpelden van ziltig vocht. Om een klein, withouten tafeltje
zaten zij met hun drieën en aten lusteloos dunne plakjes ham op
brood. De generaal gebruikte daarbij een glas wijn. Op het
petroleumkomfoortje stond het waterketelje te zingen.
Het deed hen toch goed iets te gebruiken. Zij voelden zich weer
gewone, menschelijke wezens. Op aandringen van den generaal namen
ook de vrouwen een glaasje wijn en dat verwarmde en beurde op. Zij
praatten even en stoeiden zelfs verteederd met den dierbaren Rikiki,
die in 't gerinkel van zijn halsbelletje levendig van de een naar de
ander opwipte, om beetjes te krijgen. O, die lieve, aardige,
gezellige Rikiki, en o, die gelukkige Rikiki, die maar niets voelde
en niets vermoedde van al de ellende en verschrikkingen waaronder
zijn ongelukkige meesters ten gronde gingen! Zou men zelf niet
wenschen een onwetend dier te zijn, om al die narigheden niet te
kennen!
Het korte maal was afgeloopen en meteen kwam weer de somber-droevige
stemming. Nu zouden zij gaan, van al het dierbaar-welbekende,
misschien voor eeuwig, afscheid nemen. De generaal liep
zenuwachtig-gejaagd in den kelder heen en weer. Het had wel geen
reden, want het weinige, dat zij konden meenemen stond immers al
lang kant en klaar, maar 't was hem te machtig: hij kón van zijn
huisje niet scheiden.
Hij moest er zichzelf ten slotte als 't ware van wegrukken. Hij nam
ineens een barsche, militaire houding aan, alsof hij nog zijn
divisie aanvoerde en riep:
--Vooruit nu!
Doch eerst moest Rikiki gevangen worden. Rikiki moest in een mandje
dat de schoonzuster zou dragen en dat alvast opengeflapt op het
tafeltje stond.
--Kom, liefje! streelde aanmoedigend de schoonzuster.
Rikiki kwam. Hij kwam, oortjes gespitst en stompestaartje wringend
en keek de vrouw met strakke, glinsterende oogjes aan. Maar toen ze
zich bukte om hem op te nemen sprong hij vlug op zij en bleef weer
een eindje verder roerloos staan, even zijn stompestaartje wringend,
oortjes trillend gespitst, intelligente oogjes flikkerend.
Rikiki begreep. Rikiki voorgevoelde en begreep, dat men hem in
't mandje wilde stoppen en daar was hij niets mee ingenomen.
--We moeten hem toch hebben, zuchtte de schoonzuster bezorgd. En nog
eens wenkte zij hem streelend, met flikflooiende, zoete woordjes.
Rikiki sloeg haar aandachtig gade. Hij liet haar komen, maar men kon
zien dat zijn gespannen pootjes klaar stonden om weg te wippen; en
dat deed hij dan ook, zoodra de schoonzuster naar hem de hand
uitstrekte, en daarbij blafte hij even, heel schril en fel, om
duidelijk genoeg te zeggen, dat men niet pogen moest hem voor den
gek te houden.
De generaal, die ongeduldig-wachtend toezag en reeds zijn handvalies
had opgenomen, barstte eensklaps in woede uit.
--Rikiki! riep hij dreigend, alsof hij een weerspannigen soldaat zou
gaan tuchtigen. Maar Rikiki, allen eerbied vergetend, blafte ook
zijn heer en meester aan en liet zich evenmin door geweld als door
zachtheid vangen.
--C'est par trop fort! gilde de generaal, zijn valies neergooiend. En
een geregelde jacht op Rikiki begon. De generaal, zijn vrouw, zijn
schoonzuster, allen zaten het weerspannig diertje na. Zij wonden
elkander op, al hun ziekelijke liefde voor het beest scheen
plotseling in haat veranderd. De generaal hijgde, vloekte,
voorspelde de ellendigste rampen met dat dier op de vluchtreis. Men
moest hem hier maar aan zijn lot overlaten, of hem den nek
omdraaien, foeterde hij. En de beide vrouwen schreiden en snikten,
honderd maal ellendiger over de plotselinge ontrouw van Rikiki, dan
over al de andere beproevingen, die zij sinds dagen hadden
uitgestaan. Eindelijk sprong de schoonzuster, op een razend
dreigement van den generaal dat hij maar niet zou vluchten als het
zoo moest gaan, naar 't hondje toe en liet zich plat ten gronde op
hem neervallen. Rikiki piepte vervaarlijk maar zij had hem, zij
hield hem krachtig in haar beide handen vastgeklemd en stond er
hijgend en zuchtend mee op. De generaal en zijn vrouw sloegen hun
armen ten hemel.
--Heb je hem pijn gedaan? angstigden zij.
Gelukkig niet erg! Zij omringden hem met hun drieën, waar hij reeds
op de tafel in zijn mandje zat en bevoelden met bevende zorg zijn
kopje, zijn lijfje, zijn pootjes. Goddank! Hij had niets! Hij rilde
maar wat van de uitgestane emotie en de schoonzuster liep hem nog
haastig een schaaltje met melk halen, dat hij dan ook dadelijk begon
op te lepperen. 't Was heerlijk hem dat te zien doen. 't Was als een
lafenis die henzelven doordrong. Zij zuchtten van verlichting.
Toen 't schaaltje leeg was streelden zij hem nog eens om beurten op
het aardig warrelkopje en spraken hem zoete liefkoozingswoordjes
toe. Dan werd het mandje, waarin een mollig dekentje lag, zacht
gesloten.
Nu konden zij gaan. Zij namen de valiezen en het mandje op en de
generaal wachtte tot de dames boven waren om het lichtje uit te
draaien. Dan kwam hij zelf, tastend en struikelend in de duisternis,
de steenen treden op.
Zij spraken geen woord meer. Hij opende de voordeur in de kille gang
en aarzelend kwamen de dames buiten. Hij volgde haar. Hij sloot de
deur en draaide tweemaal den sleutel in het nachtslot om. Op God's
genade nu!
* * * * *
De doodsch-verlaten stad lag donker in den vroegen najaarsavond,
maar toen zij een eindje door de welbekende straten waren gevorderd
scheen het hen toe, dat alles toch iets minder somber en verlaten
was dan zij wel eerst vermoed hadden. Zij zagen vagelijk de huizen,
de meesten met gesloten blinden, doch hier en daar ook een met open
deur en ramen, alsof de bewoners, alvorens heen te gaan, het eens
goed hadden willen luchten. Zoo leek het op 't eerste gezicht in de
duisternis, maar bij nadere beschouwing kon men merken dat de deur
aan splinters was geslagen, dat er groote gaten in den gevel gaapten
en dat geen enkele ruit geheel meer was. Zoo waren de huizen die
door de bommen getroffen werden uiterlijk in schijn nog betrekkelijk
gaaf, maar van binnen, als men even door de gaten en de
stukgeschoten ramen keek, één puinhoop van steen en kalk en
gruzelementen.
De generaal en de twee vrouwen keken die vernieling vluchtig in
't voorbijtrekken aan, met sombere oogen. Zij mochten van geluk nog
spreken dat hun huis zoolang gespaard gebleven was, maar, hoe zou
het er morgen, overmorgen, of de volgende dagen uitzien? En als
't eenmaal zooverre was, als het was stuk geschoten zoodat een ieder
er vrij in en uit kon loopen, zou het weinige dat er nog van waarde
overbleef, dan niet geplunderd worden door de roovers en bandieten,
die nog in de stad gebleven waren en die zij reeds hier en daar
zagen sluipen, als ratten in de donkerste hoeken, tusschen het puin?
Zij kwamen op het groote marktplein. Daar stond een groepje menschen
bij twee rijtuigen, vóór een huis waarin nog licht brandde. Zoodra
de generaal en de twee dames in 't bereik kwamen, schoot een man op
hen af.
--Rijdt ge mee, meneer, naar Antwerpen?
De generaal aarzelde, keek den kerel achterdochtig aan. Het voorstel
verraste hem. Hij vermoedde niet dat er nog eenig middel bestond om
per rijtuig naar de groote havenstad te komen. Hij dacht aan niets
anders dan den langen afstand te voet af te leggen en daar plaatsen
zien te krijgen op een schip, naar Holland of naar Engeland.
--Hoeveel, per persoon? vroeg hij den man.
--Tien frank, meneer.
De generaal haalde verwoed zijn schouders op en keerde zich om.
--Negen frank, meneer, liep de man hem na.
De generaal gaf geen antwoord.
--Acht frank, meneer, acht frank, mijn laatste woord.
De generaal bleef staan.
--Wanneer zoudt ge vertrekken? vroeg hij.
--Dadelijk, meneer, dadelijk, de koetsier is daarbinnen in dat café
bezig iets te gebruiken.