Fietriene liep gejaagd door de vertrekken heen en weer, de

Armen volgeladen met allerlei heteroclitische voorwerpen, die zij, op

bevel van haar meester, alvast ergens in veiligheid ging brengen.

't Was een nog al knappe, blonde meid van een dertigtal jaren. Zij

had een frisch gelaat en wakkere oogen. De buste was goed gevuld en

op de heupen viel niets af te keuren. Dat alles teekende zich levend

af onder haar vlugge bewegingen en 't eenige wat iets minder mooi

scheen was de rug, die nog al onsierlijk welfde, alsof ze geen corset

droeg. Charlewie, de oude tuinman, hielp haar. Hij was taai en mager

en als 't ware uitgedroogd. Hij had zijn klompen uitgedaan en liep op

dikke grauwe sokken over de tapijten. Zijn zuur gezicht was als de

nurksche brommigheid verpersoonlijkt en hij grijnsde en mopperde

aanhoudend binnensmonds, terwijl hij af en toe zijn hoofd schudde en

zuchtte, als wilde hij beduiden dat de narigheid ten top gestegen was

en dat de wereld nu wel eindelijk zou vergaan.

* * * * *

Dagen en weken waren verloopen, dagen en weken vol droefheid en

angst. Het klein, heldhaftig leger was door den reus verslagen, het

land werd overweldigd en verwoest en duizenden en duizenden menschen

vluchtten naar alle oorden, een veilige schuilplaats zoekend tegen

brand en plundering en moord en vernieling.

Aan meneer Cathoen en zijn eigenaardig, raadselachtig leven dacht ik

niet meer; en ik zou hem wellicht gansch vergeten hebben, had ik

niet, op een ochtend, een briefkaart van hem ontvangen, waarin hij

mij meldde dat hij behouden over de grens was gekomen en mij vroeg of

ik hem daar niet eens kwam opzoeken.

Meneer Cathoen over de grens gevlucht! Meneer Cathoen, die nooit

reisde, in een vreemd land, dát alleen trok mij reeds machtig aan.

Ja, ik wou, ik móést hem zien! Ik wilde hem zien en hem hooren; ik

wilde weten hoe hij, de eigenaardige bij uitnemendheid, op de

schrikwekkende tijdsomstandigheden en gebeurtenissen reageerde.

Het was een eindeloos lange reis en 't oord waar hij zijn toevlucht

had genomen, was er een dat, om zoo te zeggen, buiten de bekende

wereld lag. Ik stapte aan een verlaten klein stationnetje af, volgde

een doodschen straatweg aangelegd over een dijk tusschen polderland

en moeras, ontwaarde weldra een kerkje en een dorpje. Dáár was het.

Het waren meestal nietige woninkjes met blauwe horretjes achter de

kleine ruiten en 't scheen er uitgestorven, want er liep geen mensch

over de straat. Hier en daar een gezicht achter die horretjes, als

't ware verwaasd onder het blauwachtig water van een bokaal, maar dat

toch scherp nieuwsgierig loerde, als verbaasd en ontdaan over de

ongehoorde verschijning van een vreemdeling in 't dorp. Ik telde de

kleine nummertjes aan de kleine huisjes, kwam op een pleintje,

waarachter een mooi, oud kerkje stond, zag daar een politie-diender

aan wien ik den weg vroeg.

--'t Is daar, meneer, u staat er vlak voor, antwoordde glimlachend de

man, naar een der huisjes wijzend.

Het was een dofgrijs, loodgrijs huisje, een deur en twee ramen

beneden, drie kleinere raampjes op de eenige verdieping. 't Had

blauwe horretjes als bijna al de andere huizen en achter een van die

horretjes zaten, vaag en verwaasd als onder het blauwachtig water van

een bokaal, twee oude en ouderwetsche vrouwegezichten, die mij strak,

met onbehouwen nieuwsgierigheid, aanloerden. Maar toen ze mij, dwars

over 't pleintje, op hun huisje zagen afkomen, schenen zij langzaam

in het vage weg te smelten, net als visschen, die zich stilletjes in

de diepte van een sloot laten zinken. Ik belde aan. Het belletje ging

zwakjes over, alsof het ergens heel, héél verre hing en toch voelde

men, dat het dichtbij de deur moest hangen. Het duurde lang, zéér

lang, vóór deze werd geopend. Ik strekte reeds de hand uit om een

tweede maal te bellen, toen de deur eindelijk heel langzaam en

omzichtig week en een gezicht aarzelend te voorschijn kwam.

't Was een der beide die ik, van op het pleintje, achter het horretje

gezien had. Een oude-vrijsters-type, geel als perkament, met breede,

als 't ware verwoeste trekken en groote zwarte oogen en een grootera

tandeloozen mond, die toch wel vriendelijk, ofschoon ietwat

wantrouwig, glimlachte.

--Is het wel hier, juffrouw, dat meneer Cathoen inwoont? vroeg ik, na

gegroet te hebben.

--Jawel meneer, antwoordde zij, mij aandachtig monsterend.

--Is meneer thuis?

--Neen, meneer; meneer heeft vandaag heel vroeg koffie gedronken en is

daar pas een half uurtje geleden met mevrouw gaan wandelen.

Ik kreeg als een schok en bedwong met moeite een uitroep van

verbazing. Ik voelde mij een kleur krijgen.

--Is... is... begon ik hopeloos te stameren.

--Jawel, meneer, mevrouw is hier ook. Ze zijn samen over de grens

gekomen, tijdens de groote vlucht. Wist u 't soms niet, dat mevrouw

hier ook was? En achterdochtig-nieuwsgierig keek het mensch mij aan.

--Ik wist het met geen zekerheid, maar vermoedde 't toch wel,

haastte ik mij te zeggen. Heeft u ook een idee, juffrouw, wanneer ze

terug zouden komen?

--Vast en zeker vóór drie uur, bevestigde de juffrouw met klem. Nooit

blijven ze langer weg. Ze maken elken dag dezelfde wandeling, weet u

altijd langs den dijk tot in de buurt van de grens, op een hoogte van

waar ze in de verte iets van hun land kunnen zien. Ach, meneer, ze

zijn toch zoo verlangend om er weer terug te keeren.

Ik voelde, dat het mensch aan de praat wou en week langzaam

achteruit. Ik zei haar, dat ik vóór drie uur terug zou komen. Maar

zij kwam met mij mee, tot op het pleintje en wees mij daar de

richting langs waar meneer en mevrouw Cathoen elken dag gingen

wandelen, en verzekerde mij dat ik hen onvermijdelijk zou tegenkomen,

als ik zoowat over een uur dien weg opliep.

--Is hier ook ergens een hotelletje, of een herberg, waar ik iets

zou kunnen gebruiken, juffrouw? vroeg ik nog.

--Zeker, meneer, zeker, daar, op den hoek, in _Den Arend_, heel goed.

En zij wees het mij met de hand.

Ik keerde mij nog eens om, dankend en groetend, en meteen viel ook

mijn blik weer op de blauwe horretjes. Even zag ik er 't gezicht der

tweede juffrouw, blijkbaar de zuster, die mij scherp beloerde, maar

dadelijk in 't vage wegsmolt, als een visch die naar de diepte zinkt.

Met vlugge schreden liep ik naar _Den Arend_ toe.

* * * * *

_Mevrouw_ Cathoen, dacht ik, _mevrouw_ Cathoen! En als een sarrend

refreintje dreunde 't onophoudend in mijn ooren. Wie mocht dat

wel zijn? Wie mocht dat wel zijn? Was meneer Cathoen, de oude,

hardnekkige vrijgezel, die nooit zou trouwen, dan toch maar hals over

kop getrouwd, sinds ik hem de laatste maal zàg? Zoo maar in eens,

zonder er iets van te melden? Of had hij 't mij wel laten weten, en

was zijn brief, in de oorlogsverwarring, verloren geraakt? Zou

meneer Cathoen dan wellicht... doch neen, die onderstelling was te

gek, dan had hij 't al immers veel vroeger gedaan.

Stom van mij, dat ik aan die juffrouw althans niet gevraagd had hoe

mevrouw Cathoen er wel uitzag! Dan had ik misschien geweten.

Ik zat daarover te prakkezeeren, in de griezelig-sombere, ijskille

eetkamer van _Den Arend_, waar ik de eenige gast was. Ik zou haastig

iets gebruiken en dan maar dadelijk den dijk op, om meneer Cathoen en

vooral _mevrouw_ Cathoen te gemoet te loopen. Een somber-zwijgzame

vrouw bracht mij, na lang en ongeduldig wachten, iets dat zij

beafsteak met aardappelen noemde. Die beafsteak zag lei-blauw en de

aardappelen leken op steenkool-vetballen. Dat alles zwom in een

donker vocht, als een mengsel van inkt met aangebrande olie.

Toen ik enkele van de blauwe lappen had verorberd, lei ik er maar

vork en mes bij neer. Vruchteloos had ik geprobeerd ook een van de

zwarte vetballen te slikken. Na heel wat geklop en geroep en gefluit

en geschuifel kon ik eindelijk met de sombere juffrouw afrekenen,

--'t was niet goedkoop--en na haastig een sigaar te hebben

aangestoken, verliet ik met een snakzucht dien donkeren ijskelder van

ongezelligheid en holde den dijkweg op.

Het was een gure, grijze, ijzige Novemberdag. De wind blies hard en

nijdig over dien hoogen berm tusschen de nattige vlakten en woei mij

tranen in de oogen. Het land scheen van een doodsche

triestigheid. Hier en daar lag een sombere, groote hoeve, diep in den

polder, door boomen omringd. Het leken eilandjes van nood-toevlucht,

midden in een grenzenlooze zee van wanhopige verlatenheid. En verder

was er niets dan de eindeloos-lange, kronkelende dijkweg beplant met

knotwilgen, en hier en daar een moerassige waterplas met wuivend riet

en opgekuifde schuimkammetjes onder den ijzigen, snerpenden wind.

Af en toe een levend schepsel in die hopelooze eenzaamheid: een

Zeeuwsche boer, 't gezicht geschoren, de haren lang, geheel in 't

doffe zwart gekleed, alsof hij rouwde; of een boerin, enorme

rokballon op voeten, kort, spannend lijf en witgekapt hoofd met

gouden ornamenten, staag wiegelend op haar zware heupen, als een

schip voor anker. Zij groetten beleefd in 't voorbijgaan en 't somber

landschap, waaraan hun trage verschijning toch even iets van leven

gaf, scheen achter hen weer uit te sterven. Arme meneer Cathoen,

dacht ik, die hier als vluchteling, en voor hoelang misschien, is

gaan leven!

Toen zag ik hem komen, ginds verre, ginds heel, héél verre aan den

grijzen einder, in een kromming van den eindeloozen dijk. Ik kon hem

op dien afstand niet herkennen, maar ik voelde dat hij 't was, want

naast hem liep een vrouw met scheef-waaiende rokken en handen die

haar kapsel vasthielden, een vrouw die blijkbaar geen boerin was van

de streek, zijn vrouw voorzeker, de raadselachtige, de mij nog

onbekende, die hij hals over kop gehuwd moest hebben, God wist

waarom, nadat de oorlog uitgebroken was.

Toen ik slechts een paar honderd meters meer van hem verwijderd was

stak ik den arm in de hoogte, groetend-zwaaiend met mijn paraplu.

Hij scheen er eerst niets van te merken. Hij bleef gebogen vooruit

loopen, worstelend tegen den nijdigen wind. Maar ik zag dat de vrouw

hem een duw gaf en hij keek op en bleef staan. Weer zwaaide ik en

riep hem van verre goên dag. Nu had hij mij herkend. Hij wuifde

insgelijks met de hand en kwam naar mij toe. Een laatste bocht

scheidde ons en de stammen der knotwilgen onttrokken ons even aan

elkander's gezicht. Twee minuten later stond ik voor mijn ouden

vriend meneer Cathoen en... zijn dienstmeid Fietriene!

Er was een korte weifeling in meneer Cathoen's optreden en

bejegening. Er was ook een korte aarzeling en gêne in mijn

begroeting. Kwam het door den wind, of de kou, of wat was het? Meneer

Cathoen scheen mij een ander mensch geworden! Hij teekende opeens

zijn leeftijd: dien van een oud, versleten man. Hij stond gebogen

vóór mij, zonder glimlach, met een ernstig, vermagerd gezicht en

oogen zonder levenstinteling. Hij droeg een wollen bouffante om den

hals en had een groote bonte muts op, waarvan de oorkleppen waren

neergetrokken. Een verrekijker hing in een koker aan een lederen riem

over zijn schouder.

--Wel, wel, wie we nu zien! riep hij toch eindelijk en stak mij een

hand toe die beefde. Weet ge nieuws? vroeg hij dadelijk daarop.

Nieuws! Ik begreep niet goed wat hij bedoelde. Ik draalde met mijn

antwoord, verwachtte eerder dat hij mij nieuws zou mededeelen.

--Niets van den oorlog? drong hij aan, vagelijk teleurgesteld.

Ik moest ontkennend antwoorden. Er was immers nooit eenig nieuws over

den oorlog, behalve de leugenberichten van alle couranten. Ik

vertelde hem in 't kort de laatste leugens die ik vluchtig had

gelezen.

Hij slaakte een moedeloozen zucht en liet zijn armen hangen.

--Nog geen hoop dus, dat we naar ons land terug mogen, weeklaagde

hij.

Ik kon niet anders dan toegeven, dat daar nog geen de minste hoop op

was.

--Wij zien Vlaanderen elken dag, zei hij; wij komen er juist weer

vandaan.

Ongeloovig keek ik op, doch herinnerde mij meteen wat de juffrouw uit

het grijze huisje mij had meegedeeld.

--Ja, dat heeft uw hospita mij verteld, zei ik. Hij schrikte op.

--O, zijt ge reeds aan huis geweest? vroeg hij.

Ik bekende, dat ik er geweest was en dat de juffrouw mij gezegd had

hoe ik hem met zekerheid ontmoeten kon.

--En... heeft ze u ook nog meer verteld? aarzelde hij.

Glimlachend keek ik even naar Fietriene, die dadelijk, met een blos

op de wangen, zedig haar oogen neersloeg.

Meneer Cathoen werd geagiteerd. Hij keerde even den rug naar een

snerpende windbui en wreef met een zakdoek de koude tranen uit zijn

oogen. Toen wendde hij zich weer tot mij en zei:

--We hebben ons daar als man en vrouw moeten aanmelden. Het kon niet

anders. Het dorp stroomde de eerste dagen propvol met vluchtelingen.

Toen wij daar aankwamen was er in de heele plaats slechts één huis

meer beschikbaar, en in dat huis slechts ééne kamer, met één bed.

Ik boog en glimlachte. Absoluut geen bezwaar van mijn kant. Ik vond

het best. Maar horizonnen over het verleden leven van meneer Cathoen

gingen eensklaps als ondeugende openbaringen voor mij open. Hij

scheen mij te raden en zijn op mij gepriemde oogen tintelden, heel

even. En plotseling kwam het er uit, ernstig, gewichtig:

--Wij gaan dan ook trouwen. Het is vast besloten, zoodra wij in

't land terug kunnen komen.

Ik nam mijn hoed af voor Fietriene en wenschte hen beiden geluk.

Fietriene bloosde heel sterk en sloeg opnieuw, met een vagen

glimlach, haar oogen neer. Maar meneer Cathoen werd

zenuwachtig-gejaagd.

--Het kon niet anders, herhaalde hij, als om zich te

verontschuldigen; het kon niet anders, want te veel menschen uit het

dorp, die gelijk met ons vluchtten, hadden ons hier samen gezien en

wisten dat wij dezelfde kamer bewoonden. Ik wil later toch weer als

een degelijk man voor mijn medeburgers verschijnen.

Nogmaals boog ik, een en al goedkeuring. Maar vele vragen kwamen op

mijn lippen die ik nu niet uiten mocht. Het speet mij dat ik niet

even met meneer Cathoen alleen was. Hij leek mij in een stemming om

iets als een volledige biecht te spreken en 'k voelde mij gekitteld

door ondeugende nieuwsgierigheid. Het ging echter nog niet. Meneer

Cathoen had blijkbaar naar zijn zin genoeg over het geval meegedeeld

en scheen door die bekentenis eenigszins opgemonterd. Hij vroeg mij

wanneer ik weer weg moest en toen ik hem het uur zei van mijn trein

had hij een uitroep van genoegen en jubelde omdat wij nog uren lang

bij elkander mochten blijven. Hij was zoo blij weer eens een bekende

te zien, zei hij, en eensklaps vroeg hij mij of ik geen zin had ook

nog eens ons dierbaar Vlaanderen te bekijken.

--Ons dierbaar Vlaanderen bekijken! herhaalde ik verbaasd.

Kom mee, riep hij, zich omkeerend; kom mee, gij zult het zien!

Wij liepen terug over den dijk, den weg volgend waar zij vandaan

kwamen. De gure wind deed zijlings onze kleeren van ons afwaaien.

Fietriene hield worstelend haar hoed met beide handen vast en meneer

Cathoen's oogen schreiden van de kou. Maar 't leek of hij ineens weer

jeugdige levenskracht in zich gekregen had; hij liep gebogen doch met

forschen wil tegen de windbuien in. Wij kwamen aan een smal

bruggetje, dat wij overstaken, ons aan de railing vasthoudend. Daar

daalden wij den berm af en voelden minder wind. Wij hielden er even

stil om op adem te komen. Toen gingen wij dwars over een uitgestrekt

weiland en kwamen aan een soort van duin, begroeid met hakhout en met

jonge sparren.

Met vlugge, veerkrachtige schreden klom meneer Cathoen de helling op.

Fietriene en ik volgden. Hijgend bleef hij bij een zandkuil staan,

die tamelijk goed tegen den wind beschut was en zei:

--Laten we hier even gaan zitten.

Wij zaten: meneer Cathoen en Fietriene dicht bij elkaar in 't mulle

zand; ik een paar schreden verder, op een kronkeligen, half

ontblooten eikenwortel!

--Dáár ligt Vlaanderen, zei, met een trilling in zijn stem,

meneer Cathoen, terwijl hij een bevende hand naar het Zuiden uitstrekte.

In 't grijzig-dof verschiet, op enkele kilometers afstand, achter een

vlakte van vaalgroene weilanden, vertoonde zich een dichtbegroeide

en bebouwde streek. De kale boomen stonden er donker op elkaar

gedrongen en tusschen de stammen door zag men hier en daar lichte

huisjes, met roode daken en een enkel kerktorentje, dat er eenzaam en

leigrijs boven de naakte kruinen uitpuntte. Daar lag het ongelukkig

land, als verborgen achter een sluier van sombere triestigheid. Daar

voelde men als 't ware het lijdende leven der droevige menschen; en

de krassende kraaien, die in de grijze lucht rondzwermden, schenen

snerpende noodkreten van gefolterde wezens te slaken, en de wind die

klagelijk door de sparrekruinen van den duinheuvel suisde, weerklonk

als het gesmoord en aanhoudend gejammer van een gansch volk, dat zich

in wanhoop en ellende voelt vergaan.

Meneer Cathoen had met inspanning zijn verrekijker losgehaakt en

reikte hem mij over.

--Kijk, zei hij, gij zijt jonger dan ik en uw oogen zijn beter dan de

mijne. Ziet ge daar dat grijs, puntig kerktorentje, achter en boven

die verre boomen? Ja? Welnu, naast dat kerktorentje, rechts, maar nog

veel verder en dieper in, staat er een tweede torentje, een met een

ronden koepel. Ziet ge 't, ja? Bij helder weer zie ik het ook soms,

maar nu is het te grijs en mistig en mijn oogen zijn niet goed

genoeg: nu zou ik het niet kunnen zien. Ziet gij het? Vindt ge 't?

Eenklaps zag ik het: heel, héél verre en nauwelijks zichtbaar in de

grijze lucht, als een ietwat doffer-grijze schaduwstolp.

--Ja, meneer Cathoen, ik zie het? riep ik.

--Dat is óns dorp, zei hij, met schor-trillende stem. "Hoe zal het

daar nu zijn?" En een snik brak in zijn keel.

Ontroerd liet ik den verrekijker neer en keek hem aan. Groote tranen

blonken in zijn oogen en zijn lippen beefden. Hij slaakte een diepen

zucht en plotseling begon hij te schreien.

Ontsteld en vol moederlijke zorg neeg Fietriene naar hem toe.

--Nee, Papatje, nee, Papatje, gij moogt u dat verdriet niet blijven

aandoen; kom, kom, we gaan weg, suste zij.

Papatje! Wat klonk dat gek en toch ontroerend! Ik had kunnen lachen

en toch was ik zelf diep bewogen. Ik wist haast niet hoe ik mij

houden moest.

Meneer Cathoen was opgestaan. Vol zorg en toewijding steunde

Fietriene hem onder den arm. Hij scheen zich even voor zijn emotie te

schamen en poogde te glimlachen.

--Ik hou van mijn land, zei hij eindelijk. Ik wist niet dat ik er

zooveel van hield. Ik zou liever dood zijn dan er niet terug te mogen

keeren. Ik ben er toch zoo gelukkig geweest!

--Maar gij moogt er terug keeren, meneer Cathoen, niemand zou u dat

beletten, poogde ik hem te troosten.

--Als vrij mensch, in een vrij land, zoo wil ik er terugkeeren en

anders nooit, nooit, nooit! riep hij, met eensklaps heftig

opvlammenden hartstocht. Ik wil geen vijand zien; ik wil van geen

vreemden dwingeland hooren dat ik dit mag doen en dát moet laten; ik

wil niet in mijn eigen land beleedigd en vernederd en mishandeld

worden, verdome! gilde hij plots met fonkelende oogen en ballende

vuisten.

Angstig trok Fietriene hem van den heuvel weg. "Nee, nee, Papatje,

nee, nee, Papatje, ge moogt u niet zoo opwinden," suste en smeekte

zij. "Kom, kom, we gaan terug naar huis, 't is hier niet goed voor u,

't wordt hier te koud."

Hij liet zich meetrekken. Zijn toorn viel ineens en hij zakte in

elkaar, als een oud, versleten man. Wij keerden 't droeve Vlaanderen

den rug toe en de snerpende, loeiende wind stuwde ons weer naar den

dijkweg.

* * * * *

Het schemerde reeds toen wij in het dorp terugkwamen. O, die stilte,

die benauwende eenzaamheid van het doodsche, als het ware

uitgestorven oord! Wij ontmoetten slechts enkele vage schimmen van

menschen, die met gesmoorde stem groetten en den politie-diender, die

nog steeds op 't pleintje stond en vriendelijk-beleefd meneer Cathoen

bij den naam noemde. Hier en daar, achter de nog niet dichtgeluikte

ramen, begon een zwak lichtje te pinken. In Den Arend, waar ik de

blauwe beafsteak en de donkere vetballen had gekregen, stond een lamp

achter 't buffet, in de sombere diepten der gelagkamer, als een

waskaars bij een lijkbaar.

--Ga binnen, zei mijnheer Cathoen, met een sleutel de deur van

't grijze huisje openend.

--Wijs mij de weg, antwoordde ik, hem en Fietriene voor latend.

Wij traden in het smalle, donker gangetje en meneer Cathoen klopte

rechts op een deur. Onmiddellijk werd die geopend en de oude

vrijster, die mij in den vroegen namiddag had ontvangen, trad te

voorschijn.

--Kom binnen, mevrouw en meneeren, kom binnen, noodde zij, nijgend

en groetend.

Wij volgden haar en kwamen in een kamertje, waar het bijna reeds

gansch donker was. Een zwak, grijsachtig licht schemerde nog van

buiten door de horretjes en bij een der ramen zat de zwarte gestalte

van een kleine vrouw, die dadelijk voor ons opstond.

--Mijn zuster, stelde de andere haar voor.

Ik kon te nauwernood iets van haar gelaatstrekken onderscheiden. Ik

merkte slechts dat zij kleiner en magerder was dan haar zuster. Zij

groette in stilte en schoof gebogen en bescheiden langs ons heen de

kamer uit.

--'k Zal dadelijk licht aansteken en u alleen laten, zei de

eerste, zich om de lamp beijverend.

--Geen haast, juffrouw, geen haast, antwoordden meneer Cathoen en

Fietriene eenstemmig.

Het licht ging op; er kwam iets als leven in de doode omgeving. De

juffrouw spoedde zich naar de rolgordijnen en liet die neer. De gele

vlakken der gordijnen gaven iets van lichtere gezelligheid.

--'k Zal dadelijk voor de koffie en de krentenbroodjes zorgen, zei

ze, zich weghaastend.

Meneer Cathoen was aangedaan. "Zulke brave menschen, daar hebt ge

geen idee van," zei hij.

Wij hadden overjassen en mantel uitgetrokken en namen plaats om een

ronde tafel, die met een roodbruin kleed bedekt was. Ik keek eens

even rond. Een donker ramage-behang bekleedde de wanden, waaraan

chromo-litografiën hingen. Op den schoorsteenmantel stond een spiegel

en een penduletje, rechts en links van de ramen waren twee

gemakkelijke stoelen. Dat was alles. Ik keek opnieuw naar de gele

rolgordijnen: die gaven er werkelijk nog het meeste leven, de lichte

gezelligheid.

--Aardig vindt ge niet? glimlachte meneer Cathoen. Het is _hun_ kamer,

maar ze staan ze ons af, zoodra en zoolang als we thuis zijn. Ze doen

alles wat ze kunnen om ons hier thuis te doen voelen. En kijk eens

om, achter uw rug; dat hebben ze ons vandaag cadeau gedaan. Vindt ge

't niet een delicate attentie?

Ik keerde mij om en bemerkte een lijst onder glas aan den wand. Op

een donkeren fluweelgrond was er iets met gekleurd stroo gevlochten

en ik las:

_"Zooals het klokje thuis tikt, tikt het nergens."_

Verbluft keek ik meneer Cathoen aan. Sprak hij in ernst of probeerde

hij mij voor den gek te houden? Neen, hij meende 't ernstig; ik zag

dat hij ontroerd, verteederd was. Een vochtige glans blonk in zijn

oogen. En, daar juist de juffrouw met de koffie en de broodjes binnen

kwam, drukte hij haar nog eens zijn hartelijken dank voor het

geschenk uit en zei haar, dat ook ik het zoo bizonder aardig en

vriendelijk vond.

De juffer glunderde; haar groote, tandelooze mond glimlachte in haar

geel en zwart gezicht.

--Niet waar, meneer, ze moeten zich hier maar lekker thuis voelen en

niet te veel aan hun land denken; dat komt wel weer terecht! zei ze

aanmoedigend.

Na de blauwe beafsteak en de donkere vetballen in _Den Arend_, waren

de broodjes en de koffie mij niet onwelkom. Fietriene bediende ons

met voorkomende zorg en meneer Cathoen scheen heel wat opgefleurd.

Zoo ging het met hem, zei hij zelf: zonder overgang opgewekt of gedrukt,

van 't eene oogenblik tot 't andere. Kon hij dien schrikkelijken

oorlog maar voor goed uit zijn hoofd zetten; er was toch niets aan te

doen! Maar dat kon hij nu eenmaal niet en daaronder leed hij zoo,

onophoudend heen en weer geslingerd tusschen hoop en moedeloosheid.

O, den dag waarop hij weer naar zijn land terug zou mogen keeren, als

vrij man naar zijn vrije land, dan moest ik er ook bij zijn, dan

moest ik met hem meegaan, met hem en met Fietriene, en ik moest ook

aan hun bruiloft deelnemen, dat deed hij mij vast beloven, aan hun

bruiloft die zou plaats hebben zoo spoedig mogelijk na hun terugkomst

en waarbij het gansche dorp, door hem getrakteerd, dagen na elkaar in

uitgelaten feeststemming zou zijn.

Zijn oogen schitterden en lachten en hij leek mij eenklaps weer

geheel de oude, vol ondeugende, guitige schalkschheid. Fietriene was

opgestaan en had de kamer verlaten om het koffiegerei met de juffrouw

in de keuken te helpen omwasschen, en zoodra ze weg was schoof hij

naar mij toe, klopte vertrouwelijk op mijn knie en grinnikte:

--Nou, hoe vindt ge 'r? Dat hadt ge niet verwacht, hé?

--Misschien,... 'n beetje... glimlachte ik.

Oorlogsvisioenen · 第 4 / 11 段