--Het schijnt toch wel, zei hij, dat ik het niet mocht hooren, want

hij ging dadelijk weg.

Zij zweeg.

--Ik wil het weten! riep hij, eensklaps jaloersch opvliegend, als

een verwend kind. Wat zei hij!

Zij aarzelde nog even en toen antwoordde zij:

--Hij gelooft het niet, dat we getrouwd zijn.

Bollekens junior sprong als onder een zweepslag op.

--Wat! kreet hij. Hebt gij hem dat gezegd?

--Ik heb het hem niet moeten zeggen, hij kent mij al van vroeger en

heeft door zijn vader over mij gehoord, bekende zij.

--O! die schurk! die spion! riep Bollekens zijn vuisten naar de

Rosbach ballend.

Opnieuw zat zij een poos stilzwijgend, als in geheime gepeinzen.

--Waarom doet ge 't ook niet? vroeg zij eindelijk.

--Wat meent ge? zei hij.

--Met me trouwen.

Hij schokte om, vloog, als in plotseling ontstoken woede, naar de

deur toe.

--Ik verbied u, hoort ge, ik verbied u nog ooit een woord met dien

kerel te spreken! gilde hij, den deurknop in zijn hand houdend.

De deur ging als vanzelf open en zijn vader kwam strompelend en

zuchtend binnen.

--Wilt ge nu eens wat weten, jammerde de oude man: ze moeten 't ander

paard nu ook hebben.

--Nom de nom de Dieu! brulde Bollekens junior.

De oude man was als geknakt. Hij strompelde naar zijn leunstoel en

liet er zich zwaar in neervallen.

--Ik kan dat leven niet langer uithouden, ik kàn niet meer, kreunde

hij. En groote, dikke tranen rolden over zijn ingevallen wangen.

* * * * *

Ondertusschen verliepen de dagen. Langzaam en droevig volgden zij

elkander op, zonder andere afwisseling dan de stil-smachtende hoop op

een verlossing, die steeds nabij scheen en telkens weer verijdeld

werd. Soms hoorden de menschen het doffe gebrom van verre kanonnen en

zij dachten: "daar naderen onze redders!" Maar na enkele uren zwegen

de kanonnen en de redders kwamen niet.

Men raakte er aan gewend. Het was zoo vast en zeker, dat steeds, na

elke korte opvlamming van hoop, de bittere teleurstelling zou volgen,

dat men maar niet meer hoopte en gelaten de schouders ophaalde

wanneer nog iemand een bemoedigende tijding aanbracht. Men leefde

machinaal, automatisch, en 't eenige gevoel dat men nog kende was dat

eener grenzenlooze, doodende verveling.

Vooral de oude heer was in dien korten tijd bedroevend achteruit

gegaan. Hij leek dezelfde mensch niet meer. Hij was opeens als

't ware ingestort, een wrak geworden. Hij had geen wil en geen

Verlangen meer, hij zat daar gansche dagen suffig door het raam te

staren en wanneer men hem iets vroeg keek hij verwilderd op, alsof er

alweer een nieuwe ramp zou gebeuren.

De knappe meid, die hem dikwijls gezelschap hield, poogde te vergeefs

hem op te fleuren. Hij werd chagrijnig onder haar voorkomendheid en

eens, toen zij hem nog eens van het lekker bier wilde doen proeven,

waarop hij vroeger zoo gesteld was, werd hij plotseling woedend en

schreeuwde dreigend dat ze daarover zwijgen moest, of dat hij haar op

straat zou gooien. En hij slingerde haar een beschuldiging naar het

hoofd die haar deed schrikken; hij verweet haar dat ze met den vijand

heulde, dat ze relaties had aangeknoopt met dien officier, den zoon

van den verrader uit de Rosbach en dat hij 't aan zijn zoon zou

zeggen.

En hij zei het werkelijk, op een avond, met eensklaps opvlammenden

haat, nadat de beide officieren zich voor de nachtelijke rust hadden

teruggetrokken.

De zoon, verwoed, liet dadelijk de knappe meid naar boven komen

en schreeuwde haar in tegenwoordigheid van zijn vader,

't beleedigend verwijt in het gezicht. Zij werd heel bleek en stug

sloot zij haar lippen op elkaar.

--Het is dus waar! bulderde hij. Gij bedriegt mij met dien schurk,

met dien vijand, dien verrader!

--Ik bedrieg u niet, beet ze kort van zich af, maar hij houdt van mij

en heeft mij ten huwelijk gevraagd.

--En... en... en ge zult dat doen! stotterde de zoon, dansend

van woede.

--Is trouwen dan een oneerlijke daad? antwoordde zij koel.

De oude man begon plotseling in zijn fauteuil hardop te snikken. Dat

klonk zoo akelig en zoo griezelig, dat ze beiden ontroerd naar hem

toesnelden.

--Waarom schreit ge, papa? vroeg de zoon.

Meneer Bollekens kon geen antwoord geven. Hij bewoog het hoofd alsof

hij iets zeggen wou, maar geen duidelijke klank kwam uit zijn droeven

mond. Er was tè veel waarover hij schreide, tè veel om het in woorden

uit te brengen.

* * * * *

En toch: had meneer Bollekens kunnen vermoeden wat er twee dagen

later te gebeuren stond, dan zou hij zeker niet gejammerd en

geschreid hebben.

Twee dagen later, omstreeks schemeruur, zat meneer Bollekens eenzaam

in zijn bovenkamer, neerslachtig starend door het raam naar de drukte

van soldaten om en bij de Rosbach, toen er bescheiden op de

binnendeur werd aangeklopt.

Meneer Bollekens antwoordde met het geijkt "entrez" en zijn twee

ingekwartierde officieren traden binnen.

Zij zagen er ernstig en zelfs eenigszins gedrukt uit. Zij klakten

minder stram als naar gewoonte hun hakken bij elkaar en de oudste van

de twee, de Rosbachkerel, zei:

--Herr Bollekens, wij komen afscheid van u nemen. Wij vertrekken

morgen ochtend naar het front. Wij zijn hier zeer tevreden geweest en

wenschen u, uw zoon en zijn vrouw zeer hartelijk voor de genoten

gastvrijheid te danken.

't Was meneer Bollekens te moede alsof hij eensklaps de stralende

ochtendzon over een grijs nevelveld zag oprijzen. Hij was op 't punt

het uit te gillen van blijdschap, maar wist zich toch nog goed te

houden en mompelde zelfs iets van "dat 't hem speet en dat hij

hoopte, dat ze behouden in hun land zouden terugkeeren."

Zij grijnsden even en bogen, maar 't was hen duidelijk genoeg aan te

zien, dat zij die plotselinge oproeping niet buitengewoon op prijs

stelden. De Rosbachkerel bekende 't zelf zonder omwegen:

--Eigenlijk waren we nog wel liever hier gebleven.

Ook dat begreep meneer Bollekens volkomen. Maar eensklaps

overweldigde hem een vreeselijke angst:

--Zullen we nu andere inkwartiering krijgen? vroeg hij.

--Neen, dat geloof ik niet, er zullen hier heel weinig troepen

achterblijven, antwoordde de Rosbach-man.

Hooger rees de stralende zon van hoop en verlossing in meneer

Bollekens' verlicht gemoed.

--Maar ge blijft hier vanavond toch nog eten en slapen, niet waar?

--Neen, ook dàt niet. Zij wilden graag dien laatsten avond in de

Rosbach, bij zijn ouders doorbrengen. Neen; 't was uit: zij kwamen

definitief afscheid nemen. En zij klakten slapjes de hielen bij

elkaar en reikten de hand.

Weer ging de deur open en de zoon met de knappe meid traden binnen.

Dadelijk deelde meneer Bollekens hun 't gewichtig nieuws mede.

Stram trok Bollekens junior zijn hielen bij elkaar, als in

defensiehouding en zijn strakke oogen peilden het gezicht der knappe

meid, dat trouwens geen de minste ontroering verried. Zij hadden

juist een geweldige scene gehad. De knappe meid had hem voor een

beslissende keuze gesteld: ofwel hij zou haar werkelijk tot wettige

vrouw nemen, of zij zou na den oorlog trouwen met den Rosbach-kerel,

die een flink en eerlijk man was en zielsveel van haar hield.

--Gij zijt een slet, een vod! had woedend de zoon haar verweten; maar

verder had hij toch niet neen gezegd en de knappe meid voelde wel,

dat zij hem in haar strikken hield.

Maar 't onverwacht vertrek der mannen gooide eensklaps alles om en

hij grijnsde van geheim triomfgenot, terwijl zij stug hare

teleurstelling verbeet.

In zijn heropgewekt gemoed wilde vader Bollekens niet, dat ze zoo met

leegte handen van elkander zouden scheiden. Hij verzocht zijn gasten

nog even te zitten en liet een van de laatste en lekkerste flesschen

champagne ophalen, die, na de herhaalde requisities, in zijn kelder

overgebleven waren. Er werd geprosit, gedronken en gehakklakt en na

herhaalde handdrukken en afscheidskussen op de hand der knappe meid,

waren zij eindelijk weg.

Zeven weken hadden zij daar doorgebracht

* * * * *

Den volgenden ochtend, in de vroegte, zagen de heeren Bollekens het

leger vertrekken.

Zij woonden 't schouwspel bij van op hun bovenkamer, en hadden van

daar uit een prachtig overzicht, terwijl de troepen het nabijgelegen

plein verlieten en in gesloten gelederen de hellende straat oprukten.

Eerst kwamen de wielrijders: honderden en honderden, in viervoudige

rijen, met de karabijn over den rug. Het had iets van een vroolijke

parade, als een feestelijk uitstapje van een reuzenfietsclub. Alleen de

geweren deden ietwat grimmig aan.

Toen kwamen de paarden. De straten kletterden en dreunden van het

hoevengetrappel. De groote, stoere kerels zaten er op, de lansen

gespitst, met wapperende wit-en zwarte-vlaggetjes, als duizenden en

duizenden gevangen, maar nog vleugel-klapperende zwaluwen. Zij maakten

grooten, barschen, wreeden indruk. Wreed vooral door hun shapska's,

waarop een doodskop met gekruiste botten stond geprent. De honderden

toeschouwers langs de straten beefden voor die macabere

doodsverschijningen. 't Was als een leger van lijken, wraakgierig uit

hun graftomben opgestaan. Doch de eerste indruk verzwakte, er waren

er tè veel en de overdaad verminderde de griezeligheid.

Toen kwam het voetvolk. Een hoofdman te paard voorop, met grijzen

punthelm en met langen, grijzen, over den rug van het paard slependen

mantel, en daar achter de mannen, in gesloten formatie, hun duizenden

stappen als één enkelen dreunstap tegen de huizen opgalmend, terwijl

de duizenden en duizenden punten der helmen door elkander wemelden en

wriemelden, als een krioeling van vluchtende ratten over een

bruisende en deinende zee. Bij tusschenpoozen roffelden de trommen en

piepten klagelijk de pijpers. En dan zongen zij, met zware, logge

stemmen, griezelig droef-klinkende liederen. Het kwam van verre

aangegolfd als een sombere klacht vol wraaklust en vernieling, het

overstemde alle andere geluiden, het bulderde even als een orkaan

tegen de hooge huizen op en nam dan langzaam in de verte af om op een

ander punt weer somber aan te zwellen, aldoor, aldoor, gelijk een

alles-overweldigende oerkracht, waartegen niets kon weerstand bieden.

Toen kwamen de kanonnen...

Roerloos voor hun venster naast elkaar gedrongen, zagen de heeren

Bollekens die kolossale macht voorbij trekken. Zij kregen het benauwd

van angst en begrepen niet hoe zulk een leger ooit moest overwonnen

worden. En toch, naarmate de vloed onder hun oogen verdween en als

't ware in 't onbekende wegsmolt, scheen het hen toe alsof dat ruw

geweld toch eigenlijk maar van vergankelijken aard was en ten slotte

niets vermocht tegen den vasten, trouwen, eeuwenouden gang van het

gewone, dagelijksch leven. Zij hadden zwaar onder de overrompeling

gezucht en geleden, zij hadden diep getreurd en lang gewanhoopt, maar

duidelijk voelden zij nu met het aftrekkend, vijandelijk leger de

hoop en het geloof in betere dagen als een lente in zich opbloeien,

en toen de laatste benden heen waren en in de wekenlang gestoorde

stad weer rust en stilte was gekomen, toen voelden ze zich ook weer

meester in hun eigen huis geworden.

't Was een herleving, een zalige herleving, wellicht onzeker nog,

maar toch zoo vol van heerlijke beloften. 't Was als een milde adem

van verzoening over alles heen en meneer Bollekens senior verklaarde

jubelend dat hij zich ineens genezen voelde en meneer Bollekens

junior stramde zijn ledematen en zei dat hij nu vol vertrouwen in de

toekomst had.

* * * * *

Dien avond, voor het eerst na zeven lange weken, zaten zij weer

vertrouwelijk samen bij hun groote glazen in het kelderkamertje, dat

zij zoo gezellig tot een bierkneip hadden ingericht. Het was

misschien niet onberispelijk vaderlandslievend, dat zij zoo gauw weer

den vijandelijken drank gebruikten, doch wat moesten ze doen, de

vijanden hadden wel hun wijnkelder geplunderd, en, wat er ook

gebeurde, in de Rosbach, in de spelonk van de spionnen en verraders,

zouden zij nooit een voet meer zetten, daar zwoeren zij hun

plechtigsten eed op.

En zij dronken gretig en zij rookten uit hun lange pijpen; en de

knappe meid, die op verzoek haar dameskleeren en haar trouwring had

afgelegd, bediende hen weer in een net schortje als een echte

kellnerin, eerst even nog met een gezicht vol nurkschen wrok, maar

ook van lieverlede meer meegaande en verzoenender gestemd, tot zij

weldra zoo goed als weer de oude was, in 't algemeen heropleven van

alles wat zoo vele jaren vast en trouw bestaan had.

Bescheiden werd er op de deur geklopt. De knappe meid ging open doen

en het verlept gezicht der oude keukenmeid verscheen in 't deurgat.

--Meneer, zei ze, op een toon die innerlijk jubelde, de vischman is

daar, die mij meedeelt dat de eerste bezendingen oesters daar juist

aangekomen zijn. Zouden we van avond niet...

De beide heeren Bollekens lieten haar niet uitspreken.

--Oesters! riepen zij. Dadelijk, Marie, dadelijk! Is de man daar

nog? Heeft hij ze bij zich?

De oude heer stond op, had geen rust, wilde de oesters zien. Hij

volgde Marie naar de deur.

--Papa is heelmaal opgemonterd, zei Bollekens junior tot de knappe

meid.

Zij gaf geen antwoord. Zij veegde met een doek het tafeltje schoon en

haar mooie wenkbrauwen stonden ietwat gefronst boven haar strak vóór

zich uit starende oogen. Hij begreep dat het onweer nog niet

heelemaal van de lucht was.

Hij drong niet aan; dat zou vanzelf wel weer in 't reine komen. Als

een pacha strekte hij zich in zijn leunstoel uit en haalde dikke,

witte kolken uit zijn lange pijp.

Boven in de gang, klonk de zware stem van meneer Bollekens, die

gewichtig met den vischman onderhandelde...

* * * * *

II.

HET OORLOGSHUWELIJK VAN MENEER CATHOEN.

Meneer Cathoen was een gelukkig mensch. Ik geloof niet dat iemand in

het dorp hem ooit anders beschouwd heeft, dan als een zeer, zéér

gelukkig mensch.

Hij leefde, ongehuwd, in een tamelijk groot, burgerlijk-mooi huis,

met een dienstknecht en een meid.

Vroeger had hij daar een vrij groote, drukke handelszaak. Hij kocht,

en verkocht, zoowat van alles. Hij kocht van de boeren hun graan, hun

lijnzaad en hun koolzaad en hij verkocht hen bouwmaterialen en

steenkolen, tarwemeel en lijnmeel, raapkoeken, guano, Chilisalpeter

en samengestelde chemische meststoffen. Hij had uitgestrekte

magazijnen achter zijn huis en een aantal werklieden waren daar

altijd bezig; maar langzamerhand, naarmate hij ouder werd, en

aangezien hij toch niet getrouwd was en ook niet trouwen zou; en

aangezien hij rijk genoeg geworden was om naar zijn zin te leven en

zich niets te moeten ontzeggen, ook zonder nog te werken, begon hij

van het sjouwen en aan zijn zaken gebonden zijn genoeg te krijgen, en

't een na het ander liet hij weldra de lastigste artikels varen, om

er ten slotte slechts een paar van over te houden, juist genoeg om

nog een aangename bezigheid te hebben, zonder door tobberijen of

gezeur geplaagd te worden.

Meneer Cathoen was een eigenaardig man. Zijn leven lang had hij de

boeren, die hem rijk hadden gemaakt, een beetje bedrogen en bestolen.

Niet te veel ineens, niet grof-brutaal, met groote slagen; maar

aldoor en in alles, bij kleine beetjes, bij kleine greepjes, die op

den duur van jaren een aanzienlijk totaal uitmaakten. Nooit had hij

een zak guano afgeleverd waar niet een snuifje molm of turf in

gemengd was; nooit een baaltje lijnmeel waar niet een paar schopjes

minderwaardige meelstof in verzeild waren. Zijn maten en gewichten

waren tweeërlei: een ietsje te groot en te zwaar voor wat hij

insloeg; een ietsje te klein en te licht voor wat hij uitleverde. In

zijn samentellingen slopen soms kleine vergissingen en 't was ook wel

een enkele maal gebeurd, dat wegens allerlei rompslomp en drukte een

betaalde rekening op de boeken vergeten werd uit te doen.

In al zulke kleine schelmachtige knoeierijtjes schiep meneer Cathoen

een buitengewoon groot plezier. Hij had het niet noodig te doen, maar

hij kon het niet laten.

Hij kon er in zichzelf om grinniken en lachen en hij had er des te

grooter pret in daar niemand er in de verste verte iets van vermoedde

en iedereen hem beschouwde als een toonbeeld van onbesproken

eerlijkheid en deugd. Alle menschen eerbiedigden, vereerden en

bewonderden hem om zijn vaardigheid, zijn slimheid en zijn fijnen

handelsgeest.

Dat fijne en slimme en sluwe stond op zijn gezicht te lezen. Zijn

oogen keken u tintelend aan en de glimlach, die altijd om zijn lippen

speelde, scheen van zooveel te getuigen dat hij wist, maar niet

uitsprak. Hij bleef voor iedereen een raadsel en zijn gezicht was een

masker waarachter hij zijn echte-wezen hield verborgen. In zijn jeugd

moest hij zeker een flinke, knappe kerel zijn geweest. Hij was sterk

en forsch gebouwd met breede schouders en er liepen wondere verhalen

over zijn vroegere lichamelijke kracht. Hij vertelde trouwens zelf

heel graag daarover en het lukte hem ook, door diverse hulpmiddelen,

op gevorderden leeftijd, een uiterlijken schijn van buitengewone

pootigheid te bewaren. Hij hield zijn hooge gestalte nog heel fiks en

recht; zijn wangen, te nauwernood gerimpeld, droegen steeds een

frisschen blos, en hij bleef vlug op zijn beenen, zonder een schijn

van stramheid. Hij verfde zijn snor en droeg een pruik en zijn

dubbele rij valsche tanden getuigden duidelijk genoeg, dat hij aan

den feestdisch des levens nog mede wenschte aan te zitten.

* * * * *

Meneer Cathoen was een raadsel... En, zooals hij dat was in zijn

uiterlijk voorkomen, met zijn tintelende oogen en zijn geheimzinnigen

glimlach, waarachter zich zooveel scheen te verbergen, zoo was hij

het ook in zijn intieme levenswijze, waarvan zoo goed als niemand

iets af wist. Er bestonden uitwendige verschijnselen, die zich

telkens herhaalden en die men dus min of meer kon nagaan en eruit

afleiden wat men wilde, maar daar bleef het ook bij. Het eigenlijk

intieme leven van meneer Cathoen was een gesloten boek, dat niemand

in het dorp doorbladerd had.

Vrienden had hij niet. Er kwamen er althans geene bij hem aan huis.

Familieleden had hij wel, doch het waren enkele verre neven en

nichtjes, die er slechts af en toe plichtmatig verschenen en er nooit

lang vertoefden, wellicht omdat zij daar niet zeer toe aangemoedigd

werden. Hij zelf ging weinig uit, meestal slechts eenmaal per week in

de stad naar de graanbeurs en verder moest hij wel zijn voornaamste

genoegens tehuis vinden, want hij bezocht heel weinig en haast nooit

voor zijn plezier de dorpsherbergen en van eens een reisje te maken

of eens naar de comedie te gaan of iets dergelijks was zelfs absoluut

geen sprake.

Wat hem echter in zijn eenzaam oude-jonkmanshuis zoozeer kon boeien,

was alweer een onoplosbaar raadsel.

Hij leefde er, zooals gezegd, met een knecht en een meid. De knecht

was meteen een beetje tuinman en de meid was tevens keukenmeid en

kamermeid. En nu was het in de huishouding van meneer Cathoen een

zeer eigenaardig verschijnsel, dat hij telkens van meiden veranderde,

terwijl de knecht er als 't ware vastgegroeid bleef. Een dienstmeid,

in het huis van meneer Cathoen, bleef er zelden langer dan een,

of hoogstens twee jaren. Dan vertrok ze, geen mensch wist waarom, en

er kwam een andere voor in de plaats. Altijd waren het meiden uit

verafgelegen, vreemde gemeenten. Nog nooit had hij er eene uit zijn

eigen dorp gehad. Nu eens was het een Vlaamsche, dan weer een Walin,

nu eens een blonde, dan weer een bruine of een zwarte; nu eens een

struische, dan weer een magere; en nu eens eene die men mooi vond en

dan weer eene die men leelijk vond; maar één eigenschap hadden zij

allen gemeen: dat ze vrij jong waren. Zij bleven een min of meer

langen tijd en vertrokken, en nooit hoorde iemand er nog iets van.

't Was net of ze uit den grond ontsproten en er weer in verdwenen. De

oude knecht en tuinman, die dat al jaren en jaren bijwoonde, was er

onverschillig onder geworden. Hij had een zuur gezicht en liep

meestal inwendig te brommen. Hij had een gezicht alsof hij allerlei

dingen wist, die hij ten zeerste afkeurde, maar waarover hij zweeg,

omdat hij toch niet bij machte was er iets aan te veranderen.

Somtijds echter, flikkerde nog even als een schim van hoop in hem op.

Wel eens, als een meid waarmee hij kon opschieten, daar wat langer

dan de vorige bleef en vasten wortel scheen te krijgen, was het of in

hem de dood-gewaande illuzie van een vasten toestand herleefde. Zijn

grijze tronie fleurde op, hij praatte en lachte zelfs, hij werd een

ander mensch... tot het weer eensklaps uit was en hij opnieuw

chagrijnig zijn hoofd liep te schudden en te mopperen over toestanden

die hij grijnzend afkeurde, zonder er iets aan te kunnen veranderen.

Daar had je alweer het oude spelletje aan den gang, en het werd op

den duur zóó opvallend, dat de menschen in het dorp er over praatten

en sommigen het zelfs wel eens waagden er bij meneer Cathoen over te

zinspelen.

Kostelijk was het dan om meneer Cathoen daarop te hooren antwoorden.

Zijn sluwe tintel-oogen glimlachten diep onder de dikke wenkbrauwen

en zijn geverfde snor grinnikte als 't ware van leedvermaak boven de

schitterende dubbel-rij der valsche tanden. Het leek of hij zich

voorbereidde om satirisch een diepzinnige, algemeene menschelijke

waarheid te verkondigen en eindelijk kwam het er uit:

--'t Groensel groeit in de natuur en 't is ieder jaar precies

hetzelfde. 't Zou ook altijd precies eender smaken, en dus vervelend

worden, als het niet op verschillende manieren geprepareerd werd.

Daarom hou ik altijd mijnen zelfden hovenier en verander ik nog al

eens van keukenmeid. Versta-je 't?

De ondervrager verstond het en glimlachte om 't leuke antwoord, maar

meneer Cathoen glimlachte nog oolijker, met iets van

innig-gekittelde, ondeugende pret en voegde er aan toe:

--En met de visch en met het vleesch is 't ook precies hetzelfde. 't Is

de afwisseling in de sausen die er den smaak moet aan geven,

versta-je 't?

De ondervrager wist niet altijd met volle zekerheid of hij 't

dan nog wel goed verstond. Wat hem wel eens deed twijfelen was de

guitig-uitbundige vroolijkheid waarmee meneer Cathoen er dan verder

kon over doorgaan. Meneer Cathoen kon daar soms in zijn eentje staan

te bulderen van de pret en dan had de vreemdeling wel eenigszins

't gevoel alsof hij voor den gek gehouden werd. En de slotsom was nog

eens dat meneer Cathoen en zijn levenswijs voor alleman een raadsel

bleven.

* * * * *

Zoo leefde dus meneer Cathoen op het oogenblik dat de oorlog uitbrak.

Ik herinner mij nog heel goed, dat ik hem, enkele dagen na de

oorlogsverklaring, een bezoek bracht en hem in een toestand aantrof

zooals ik hem nog nooit gezien had. Hij was zenuwachtig,

zenuwachtig!... zoo dat hij geen tien seconden rustig op zijn plaats

kon blijven. Hij leek ineens een heel ander mensch geworden. De

angst, de doodsangst zat hem op het lijf en zijn scherpe oogen

loerden en speurden langs alle kanten, alsof hij overal reeds

vijanden ontdekte.

--Zijn de menschen nu zot geworden! riep hij, van zoo verre hij mij

zag komen. Wat! Oorlog voeren! En waarom? Wat hebben wij, Belgen,

daarmee te maken! Wat kunnen ons de Duitschers, de Franschen en de

Engelschen schelen? Waarom laat men hun dat onder mekaar niet

uitvechten!

--De Duitschers hebben onze neutraliteit geschonden, meneer Cathoen,

wij moeten onze onafhankelijkheid verdedigen, trachtte ik in

't midden te brengen. Maar hij sneed mij heftig het woord af en

riep uit:

--Onze neutraliteit! Onze onafhankelijkheid! Tuttuttut... dat

zijn dingen die wij niet kennen, die wij niet hebben! Wat kunnen wij,

onnoozele dwergen, tegen die reuzen op! Als ik nu bijvoorbeeld tegen

Fietriene 1) (Fietriene was zijn nieuwe meid, sinds een paar maanden in

zijn dienst gekomen); als ik nu tegen Fietriene zei: "Fietriene, doe

die deur eens open," en Fietriene zou weigeren, gelooft gij dat ik,

die de sterkste ben, daarom zou laten die deur te openen?

Tuttutut... ze zijn allemaal zot geworden in België, dàt zeg ik u,

en ze zullen ons allemaal ruïneeren en doen vermoorden!

Oorlogsvisioenen · 第 3 / 11 段