De heeren Bollekens vader en zoon volgden hartstochtelijk het nieuws

in de dagbladen en daarin lazen zij van al de groote zegepralen, die

de vaderlandsche troepen op de vijanden behaalden. Maar ondanks alle

tegenslagen kwam de gehate, overtalrijke vijand steeds nader en nader

en de verschrikte heeren Bollekens lazen weldra van afgrijselijke

moorden, brandstichtingen, plunderingen, verkrachtingen, welke de

woeste horden op hun vernielings-doortocht bedreven.

Overweldigend greep hen dat aan. De groote veldslagen, waar duizenden

en duizenden slachtoffers vielen, waren minder afschuwelijk dan die

afzonderlijke misdaden. Een leger was een anonieme macht, die

gemeenschappelijk vocht en overwon, of gemeenschappelijk overwonnen

werd en sneuvelde; maar elke leeggeplunderde en platgebrande

boerderij of woning was als een van hun eigen boerderijen of woningen

die uitgestolen werd en afbrandde! elke burger die gedood werd een

eigen vriend of een familielid die men vermoordde; elke vrouw die

werd mishandeld, een eigen welbekende of welbeminde vrouw, die men

mishandelde. Het vaderlands-begrip, dat in de eerste opwelling van

hartstocht zich wijd en breed over al de kinderen des lands vertakte,

kromp voor de heeren Bollekens meer en meer tot een steeds nauwer

sluitend kringetje ineen, naarmate het onmiddellijk gevaar voor hen

steeds nijpender en dreigend werd. Het Vaderland, dat was per slot

van rekening hun eigen huis, hun geld en goed, hun eten en hun

drinken, alles wat zij noodig hadden, alles waar zij recht op hadden

om gemakkelijk, genoegelijk en welgesteld te kunnen leven.

Alles wat zij niet onmiddellijk en voor dagelijksch gebruik noodig

hadden, alles wat kón verborgen worden, werd verborgen. In een

somberen hoek van den diepen kelder graaide de zoon eigenhandig een

diepen put en daarin verstopten zij heimelijk een massa goud en

zilver, vorken, lepels, schalen, allerlei kostbaarheden en juweelen.

Geen ander mensch wist daar iets van af; alleen de knappe meid was op

de hoogte, maar dat mocht ook wel, die was solidair met hen en

behoorde om zoo te zeggen tot de familie.

Een groote zorg en droefheid was voor meneer Bollekens vader zijn

rijk-voorziene wijnkelder. Als ze dáár ooit inbraken!... Maar hij

wist er geen raad mee, hij kon toch al die duizenden flesschen in den

grond niet stoppen en hij vertrouwde maar op goed geluk, evenals hij

hoopte dat zijn prachtig buiten niet geplunderd en zijn rijke

boerderijen niet uitgebrand of platgeschoten zouden worden.

Meneer Bollekens zoon, van zijn kant, had ook wel zijn afzonderlijke

zorgen. Hij dacht voornamelijk aan de knappe meid en hoe hij die met

volle rust en zekerheid tegen alle gevaar zou kunnen beschermen. Hij

had de zaak reeds grondig bestudeerd en vele plannen vastgesteld, die

hij om de beurt, als ongeschikt of ontoereikend, opgegeven had. Eerst

dacht hij haar buiten, bij een hunner meest vertrouwde boeren in

veiligheid te brengen, als het oogenblik daarvoor zou gekomen zijn.

Hij zag er van af. De vijand liep en speurde immers overal, tot in de

meest-afgelegen dorpen en gehuchten. En ook, zelfs zonder de vrees

voor den vijand, en zelfs bij de degelijkste en meest vertrouwde

hunner pachters, voelde hij de knappe meid toch nog niet heelemaal in

veiligheid. Toen dacht hij haar ergens in huis te verstoppen waar men

haar onmogelijk vinden zou. Ook alweer niet goed. Het huis, hoe groot

en ruim ook, had geen geheime plaatsen, waar iemand zoo maar dag aan

dag--en voor hoelang misschien,--kon opgeborgen blijven. Het was

wanhopend; meneer Bollekens junior scheen maar geen raad te kunnen

vinden, toen hij plotseling, als door openbaring, op een idee kwam,

die hem den vinger, in een gebaar van wijsheid, op 't voorhoofd deed

drukken. Hij had het gevonden!...

Hij had het gevonden, maar deelde 't aan niemand, zelfs en vooral

niet aan zijn vader mee. Het middel moest geheim blijven tot het

oogenblik daar was dat het gebruikt zou worden; en werd het niet

gebruikt zooveel te beter: dan had ook niemand er iets mee te maken.

De beide heeren voelden zich geruster, nadat zij eenmaal, in zooverre

mogelijk, al hun voorzorgen genomen hadden. Ten slotte was nog niet

zoo erg veel door den oorlog aan hun levenswijs veranderd; zij waren

er heel wat beter aan toe dan zooveel anderen, heel wat beter bij

voorbeeld dan de dikke notaris en de overige stamgenooten der

Rosbach, die nog maar steeds bleven treuren over de vernieling der

gemoedelijke herberg, zonder er iets voor in de plaats te vinden.

Want zij, de heeren Bollekens, hadden er wel degelijk iets op

gevonden. De lekkere tonnetjes waren heimelijk 's nachts uit de

Rosbach weggehaald en nu hadden de heeren Bollekens zich in hun eigen

huis en voor zichzelven een soort miniatuur-Rosbachje ingericht, waar

zij op hun gewone vaste uren de lekkere biertjes verorberden. Zij

zaten er aan een klein tafeltje, net als in de echte kneip, zij

hadden er de typische glazen en kruiken, de lange pijpen, tot zelfs

de vereischte worsten en de gezouten plakken ramenas; en de knappe

meid diende, met een schortje aan en met haar vriendelijksten

glimlach, als een ware kellnerin. 't Was in het souterrain, in een

verscholen kamertje, waar geen mensch hen kon storen, en zij smulden

er letterlijk van hun gezelligheid en hun geluk, zoo dat ze soms

heusch niet meer wisten of ze de Rosbach zelf nog wel betreurden en

er volstrekt niet zoo heelemaal zeker van waren dat zij, ook als het

mogelijk was, er nog heen zouden gaan. Vader Bollekens' gezondheid

was ook dadelijk weer uitstekend geworden, hij leed haast niet meer

van zijn knobbeljicht en de gezwellen aan zijn vingers waren zoo goed

als verdwenen (wat nog wel eens het duidelijkst bewijs was welke

ezels toch die dokters waren) en hun eenig bezwaar was eigenlijk dat

zij iets laakbaars deden, iets antipatriotisch, iets, dat men hen zou

kwalijk nemen als het moest bekend zijn. Soms voelden zij werkelijk

wroeging en het gebeurde, wanneer de couranten weer akelige dingen

over de wreedheid van den vijand mededeelden, dat zij van het

vijandelijk bier, hoe lekker ook, niet meer wilden proeven. Zij

schaamden zich, zij werden woedend, zij zwoeren er hun eed op dat zij

niet meer wilden. Maar de maag wilde nog, de maag leed, de maag

eischte, de maag grolde en roffelde van graagte naar het bier, en zij

bezweken...

* * * * *

En zoo kwamen van lieverlede de benauwde uren...

Al lang had het kanon gegromd in de verte, als een verwijderd onweer,

maar sinds de laatste dagen was het duidelijker hoorbaar, in bonzen

en slagen, die soms de ruiten deden daveren, terwijl gansche,

leeggeloopen gewesten in wanorde naar de stad kwamen gevlucht. Aldoor

maar naderde de afschuwelijke vijand die, naar het heette, steeds

werd overwonnen, en eindelijk, op een ochtend, nadat de laatste

vaderlandsche strijders met hun legertros in haast waren

teruggetrokken, was hij daar, zoo heel natuurlijk, alsof 't van zelf

sprak dat hij daar verwacht werd en zou komen: eerst slechts enkele

kerels te paard of per rijwiel, en dadelijk daarop drommen, en

drommen, en drommen: een dreunende invasie van grijs-gëuniformde,

grijs-gehelmde, griezelig-zingende horden, met paarden, wagens,

auto's en kanonnen, die zich als een vloed over de gansche stad

verspreidde.

De heeren Bollekens vader en zoon, in hun huis verscholen, hoorden en

zagen dat van verre aanbruisen. Daar waren ze nu eindelijk, de alom

gevreesde overweldigers, de veroveraars, de wreedaards! Zij hielden

reeds de gansche stad onder hun hiel gedrukt en 't eertijds vrije

volk was in een slavenras veranderd.

De heeren Bollekens waren diep ontroerd. Zij vergaten voor een

oogenblik hun zelfzuchtigen angst en voelden diep mee het

onrechtvaardig lijden van hun gansche volk. Zij verwenschten en

vervloekten den gehaten vijand en sidderden van machtelooze woede.

Zij zagen van verre de verfoeide benden over een breed plein

openvloeien; zij hoorden het snerpend-schril gefluit en het gebrul

der commando's en plotseling barstte juichende muziek los en klonken

wilde hoezee-kreten, terwijl de horden uit elkaar stoven. En op

datzelfde oogenblik woonden de heeren Bollekens een schouwspel bij,

dat hen van ziedenden toorn de vuisten in elkaar deed krimpen: als

onder een rukwind stortte eensklaps het houten beschot vóór de

vernielde Rosbach ten gronde en de baas kwam jubelend, met zwaaiende

armen, midden op de straat staan, terwijl zijn dikke vrouw, met

rood-verhit gelaat, een van de bovenramen openrukte en er een

wapperende, vijandelijke vlag uithing!

--O, de schurken, de spionnen, de verraders! Dàt zal niet vergeten

worden! gromden de heeren Bollekens, bleek van woede, met gebalde

vuisten.

Meneer Bollekens vader was opgestaan en liep gejaagd heen en weer.

Hij deelde bevelen uit aan den koetsier en aan de keukenmeid, die met

tranen van schrik in de oogen kwamen vragen wat ze nu moesten doen.

Meneer Bollekens junior drukte zenuwachtig op het knopje der

electrische schel en liet de knappe meid naar boven komen.

Zij stond daar dadelijk, in donkere kleedij, met hooge kraag en

slechts enkele bescheiden versierselen, als iemand die een stillen

rouw draagt. Aan den middenvinger van haar rechterhand blonk een

effen ronde ring: een trouwring. Ietwat verwonderd keek meneer

Bollekens senior haar aan.

Ondanks al zijn brutaal aplomb van verwende eenige zoon, kostte

't Bollekens junior toch wat inspanning om aan zijn vader de list te

bekennen dien hij verzonnen had, om eventueel de eer en deugd der

knappe meid te redden. Er werd verwacht, zooals in andere plaatsen

was gebeurd, dat de gegoede burgers van de stad gedwongen

inkwartiering van den vijand zouden krijgen. Men wist wat dat

beteekende. Die kerels eischten van alles het beste en het duurste;

niets werd ontzien en wel het minst de eer der vrouwen. Zulk een

knappe meid, dat sprak vanzelf, was een aangewezen slachtoffer. Dat

zou de heer Bollekens junior in zijn vader's huis niet dulden. Hij had

er lang op gestudeerd hoe hij haar redden kon; hij had eraan gedacht

haar hier in huis of buiten bij de boeren te verbergen; doch dat

alles zou niets baten en eindelijk, als laatst en eenig

reddingsmiddel, had hij besloten haar aan die kerels, als zij kwamen,

voor te stellen als zijn wettige vrouw, om haar te doen eerbiedigen.

Meneer Bollekens vader schokte letterlijk van verontwaardigde

verbazing op.

--Ja maar, enfin, zijt ge zot geworden, jongen! gilde hij 't uit.

De knappe meid kreeg een vuurkleur en haar mooie oogen fonkelden even

toornig, terwijl zij, als in plotsen opstand, een beweging naar de

deur maakte.

--Blijf hier! gebood haar, kortaf, Bollekens junior. En, tot zijn

vader, met stugge vastberadenheid:

--Papa, 't een of 't ander, zei hij. Ofwel zooals ik zeg; ofwel ik

met haar weg!

Meneer Bollekens vader slaakte een wanhoopskreet.

--Maar wat zullen de koetsier en de keukenmeid daarvan zeggen?

kreunde hij, reeds wankelend.

--Dat is al allemaal geärrangeerd; alles in orde, verzekerde de

zoon.

Machteloos-overwonnen zakte meneer Bollekens in een leunstoel neer.

Hard werd buiten aan de deur gebeld. De beide heeren schrikten hevig

op.

--Zouden ze daar al zijn? hijgde vader Bollekens.

De zoon vloog naar het raam en zei dat de straat vol soldaten stond.

In en om de Rosbach krioelde 't als in een mierennest.

--Ach God! Ach God! jammerde meneer Bollekens, een bevende hand op

zijn bonzend hart drukkend.

De salondeur werd geopend en doodsbleek, met groote, zwarte

schrikoogen verscheen de keukenmeid op den drempel.

--Meneer, er zijn er daar al twee en ze zeggen dat ze hier komen

inwonen! verklaarde de meid, amechtig-hikkend. Wat moet ik er mee

doen, meneer.

Vader Bollekens gaf niet dadelijk antwoord; hij kon niet. Hij zakte

in zijn leunstoel achterover, met half open mond en even dichte

oogen, alsof hij een beroerte nabij was.

--Wat zijn het? vroeg de zoon, die zich nog betrekkelijk goed hield.

--Wat belieft er u, meneer? vroeg de verwilderde meid, niet begrijpend

wat de zoon bedoelde.

--Wel, wat of 't zijn: officieren of simpelen? herhaalde hij ongeduldig.

--Officieren, meneer, officieren, ze hebben gezegd dat z' officieren

zijn, antwoordde de ontstelde meid deemoedig.

--Goed; laat ze boven komen, besloot meneer Bollekens junior op een

toon alsof hij een heldhaftig besluit nam. De meid verdween.

--Ga daar zitten, in dien fauteuil, recht voor Papa, zei de zoon tot

de knappe meid. En hij begeleidde haar tot de aangewezen plaats. Er

werd bescheiden op de deur geklopt.

--Entrez! riep de zoon met een plechtige stem. De deur ging open en

een grijze gedaante stond fiks, hakken bij elkaar, linkerhand langs

den broeknaad, rechterhand aan rechterslaap, groetend op den

drempel.

--Entrez, entrez, herhaalde Bollekens junior.

De man kwam binnen en een tweede volgde, met precies hetzelfde manuaal.

--Entrez, entrez, herhaalde nog eens Bollekens junior.

Ook de tweede man kwam binnen en deed de deur achter zich toe.

--Wij zijn hier op bevel van den Kommandant ingekwartierd, begon de

eerste, op zeer beleefden toon en in volkomen duidelijk Vlaamsch. Wij

hopen u niet te veel last te zullen geven: oorlog is oorlog... En

hij glimlachte vriendelijk, met witte tanden onder blonde snor.

--Gaat zitten, heeren, gaat zitten, zei meneer Bollekens vader, die

ietwat bijgekomen was en met bevende vingers stoelen aanwees.

De knappe meid, wellicht instinctief aan een dienstplichtige gewoonte

gehoorzamend, was reeds opgestaan om de stoelen bij te schuiven, maar

de beide officieren, overmatig beleefd, namen haar dadelijk 't werk

uit de handen, bogen voor haar, excuseerden zich.

Bollekens junior achtte 't oogenblik gekomen om de voorstellingen te

doen.

--Dat is mijn vader, zei hij.

De officieren, nauwelijks gezeten, stonden weer op, klakten de hielen

bij elkaar. De oude man, geintimideerd, stak hen bevend zijn

knobbeljichtige hand toe. Alles ging uitstekend, heel anders dan

iedereen verwacht had.

--En mijn vrouw, zei Bollekens junior, ook minder stijf en stug wordend

en zich tot de knappe meid omkeerend.

Weer klakten de hielen en nog dieper bogen de stramme ruggen.

"Gnädige Frau,"... zei er een. De knappe meid kreeg een kleur en,

evenals meneer Bollekens, stak zij, ietwat aarzelend, haar hand uit.

't Was of ze die gingen opeten. Zij bukten er op neer en kusten die.

De knappe meid sidderde er even van en Bollekens junior schokte ervan

op doch hield zich goed.

Nu zaten zij even en keken elkander aan. De eerste officier had een

levendig gezicht, bruingebrand door zon en buitenlucht, met héél

lichte, stoutmoedig en geestdriftig schitterende oogen. Dat was er

wel een die desnoods durfde, een die niet gauw voor iets

terugdeinsde. De andere had een meer gëeffaceerd uiterlijk, een

beetje boersch en gegeneerd.

't Was vreemd, maar het gelaat van den eerste kwam den heeren

Bollekens niet onbekend voor. Die blonde snor, die geestdriftige

oogen, waar hadden zij die wel meer gezien? En 't eigenaardigste was,

dat de man van zijn kant oolijk glimlachte, als waren ook hèm die

heeren niet heelemaal vreemd. Meneer Bollekens vader kon zijn

onrustige nieuwsgierigheid niet langer bedwingen.

--Het is curieus, meneer, zei hij, maar uw gezicht is mij niets

vreemd.

De jonge officier moest even hartelijk lachen.

--Het uwe is mij dat ook niet, meneer Bollekens, antwoordde hij.

Strak en ernstig keek meneer Bollekens hem aan.

--Wat,... zijt gij misschien... begon hij, maar aarzelde.

--Jawel, jawel, lachte de officier gemoedelijk. Daar... en hij wees

door het raam.

--In de Rosbach? riep meneer Bollekens gansch ontsteld. Zijt gij...

--Jawel, jawel, lachte opnieuw de militair, ik ben de zoon van den

baas uit de Rosbach: wij hebben elkaar dikwijls genoeg gezien.

't Werd plotseling kil om meneer Bollekens' hart. Wat! De zoon van

den spion, van den verrader, waarschijnlijk zelf spion en verrader,

die had hij in zijn huis! Een heele poos bleef hij roerloos en

zwijgend, met op zijn knieën uitgestrekte, sidderende handen. Meneer

Bollekens junior stond even op en ging naar de bel, als 't ware om

zich een houding te geven, en de knappe meid volgde hem machinaal,

stil-vragend wat hij verlangde.

--Die heeren zullen wellicht hun kamers willen zien, zei hij, zich

tot de officieren omkeerend.

--Graag, antwoordden zij.

--Zal ik hier eerst een glas port laten brengen of wenschen de

heeren liefst later iets te gebruiken?

--We zouden ons liever eerst een beetje opfrisschen, zei de zoon uit

de Rosbach.

De knecht kwam binnen en de militairen stonden op. Strak-hakklakkend

bogen zij ceremonieus voor de knappe meid en voor de beide

gastheeren. Toen volgden zij, met stramme, afgemeten passen, den

huisknecht-koetsier naar hun respectieve kamers.

In doodsch stilzwijgen keken de heeren Bollekens en de knappe meid

elkander even aan. 't Was of er plotseling een groote ramp over het

huis was neergekomen...

* * * * *

Enkele dagen na de bezetting van de stad ontmoette meneer Bollekens

vader zijn vroegeren stamgast-vriend den dikken notaris.

--Weet ge dat de Rosbach weer open is? was 't eerste wat de dikkerd

zei.

Meneer Bollekens wist het, en nog wel eerder dan zijn biervriend.

Doch het scheen niet bij hem den hartstocht op te wekken, dien het

blijkbaar op het gemoed van den notaris uitoefende. Meneer Bollekens

haalde vrij mistroostig zijn schouders op en zei al niet veel.

--Ik ben d'r toch eens geweest; 'k wilde dat eens zien, vertelde de

notaris. Maar het is er niet meer als destijds, bekende hij. 't Zat

er nu vol lawaaiende soldaten en ook de baas is er in deemoedige

dienstwilligheid niet op vooruitgegaan. Ik heb met haast mijn glas

bier uitgedronken, dat toch wel heerlijk smaakte na al die lange

dagen van ontbering, en dan ben ik dadelijk weggegaan.

--Ik ben d'r niet geweest en zàl d'r ook niet meer komen, antwoordde

meneer Bollekens, met een bij hem gansch ongewoon klinkende

vastberadenheid.

De dikkerd keek hem eenigszins verwonderd aan. Meneer Bollekens leek

hem een ander mensch geworden: vermagerd, vertriestigd, met een

strakke groef van zorg tusschen de gefronste wenkbrauwen.

--Zijt ge ziek? vroeg de dikkerd.

--Ik ben niet ziek, antwoordde meneer Bollekens, maar die oorlog...

o, die oorlog... hij demoralizeert,... hij demoralizeert...

* * * * *

Daags vóór de bezetting, toen de vijandelijke troepen elk oogenblik

verwacht werden, had iemand hem gezegd: "Ge zult zien, het valt

ontzettend mee. 't Zijn andere uniformen in de stad, en verder gaat

het leven zijn gewone gangetje." Maar een tweede kennis, die in een

der bezette steden had geleefd, waarschuwde meneer Bollekens: "Het is

afschuwelijk: men voelt zich als een gevangen vreemdeling in zijn

eigen land, in zijn eigen stad, in zijn eigen huis; het werkte zóó

demoralizeerend op mij, dat ik er voor gevlucht ben en ook nog verder

vluchten zal als ze naar hier komen."

En meneer Bollekens moest bekennen, dat de tweede zegsman, helaas!

wel gelijk had.

Persoonlijk had hij over zijn twee ingekwartierde officieren niet te

klagen. Zij bleven hoogst beleefd en vormelijk, maar zij waren daar

's morgens, zij waren daar 's middags, zij waren daar 's avonds, want

zij behoorden tot de blijvende bezetting en meneer Bollekens was

eensklaps uit al zijn oude, dierbare gewoonten gerukt en voelde zich

niet meer meester in zijn eigen huis. 't Was ongeloofelijk hoe sterk

dat op hem inwerkte. Hij kende absoluut geen rust meer, leefde

voortdurend op zijn hoede voor allerlei verwachte en gevreesde,

onaangename gebeurtenissen. Het was een drukking van elk oogenblik,

iets dat in de lucht hing, dat met die kerels in-en uit-ging, dat

met hen meezweefde, dat zich weerspiegelde tot in de meest gewone,

alledaagsche voorvallen van 't leven. Het was, zooals zijn vriend

gezegd had, een algemeen gevoel van demoralizeering, dat overal zijn

droevigen stempel drukte.

Het ergste deed zich dat voelen aan de maaltijden. Meneer Bollekens

had geen trek meer, omdat die twee daar mee aanzaten. Doch niet

alleen de vijand, ook de aanwezigheid der knappe meid was iets

waaraan hij, met den besten wil, niet wennen kon. En hij moest

zwijgen, en glimlachen, en beleefd zijn, en dat alles maar

aanvaarden, alsof het heel natuurlijk was. Soms had hij hardop van

ellende kunnen schreien.

Toen kwamen de vexaties: eerst de kleine, weldra de groote. Op een

ochtend kwamen zijn ingekwartierde gasten binnen, door twee anderen

vergezeld. Allen even vormelijk-beleefd, allen even stram-salueerend

en hakklakkend, maar met een opdracht, een bevel tot requisitie.

Meneer Bollekens had twee paarden en een daarvan werd opgeëischt.

Meneer Bollekens mocht kiezen 't welk van de twee hij wenschte te

houden en voor het andere kreeg hij een bon, betaalbaar na den

oorlog.

Nauwelijks was dat gebeurd, of twee andere kerels kwamen meneer

Bollekens verzoeken, of hij zeer nauwkeurig wilde opgeven hoeveel

flesschen wijn van diverse soorten hij in zijn kelder had.

Meneer Bollekens schrikte geweldig. Wat! Zijn wijnkelder, zijn

heiligdom, gingen ze ook daaraan tornen! En meteen dacht hij vol

angst aan al het zilver en de kostbaarheden, welke zijn zoon in dien

zelfden kelder onder den grond bedolven had. Even poogde hij tegen te

stribbelen, maar de ongewenschte bezoekers stramden zich en

hakklakten, verzekerend dat het hun heel erg speet, maar dat het een

algemeen bevel was, waaraan voldaan moest worden. Bevend en

knieknikkend daalde meneer Bollekens met hen in den kelder.

Zorgvuldig werden al de flesschen geteld en op een boekje

aangeteekend en vóór de dag ten einde was stond daar een militaire

wagen bij het huis en een zeer groot aantal flesschen werden

opgeladen, waarvoor meneer Bollekens, evenals voor het paard, nog

eens een bonnetje kreeg, betaalbaar na den oorlog.

Toen, op een ochtend, kwamen drie van zijn pachters en de tuinbaas

van zijn buiten hem bezoeken. De boeren hadden geconsterneerde

gezichten en de tuinman begon plotseling te snikken, toen hij meneer

Bollekens zag.

--Wat is er gebeurd! riep meneer Bollekens hevig geschrokken.

Zij vertelden het hem. Soldaten waren op de boerderijen aangekomen en

hadden daar, op gezagvoerenden toon, van alles opgeëischt: drie

runderen, tien varkens, ontelbare kippen en eieren en vele duizenden

kilos aardappelen, tarwe en haver. In betaling hadden zij bonnetjes

afgeleverd, welke de boeren, met bevende vingers, hun meester lieten

zien. Maar op het kasteel was het erger geweest: daar waren zij,

bewerend dat het buiten onbewoond was en dus aan niemand toebehoorde,

met geweld binnen gebroken, vertelde de schreiende tuinman, en hadden

er al den wijn en ook al de kleeren van meneer en van zijn zoon

gestolen. En toen de tuinman hen dat wou beletten, hadden zij

gedreigd hem neer te schieten.

Meneer Bollekens gilde 't van verontwaardiging uit! Wat! De schurken!

En, daar zijn twee ingekwartierden juist binnenkwamen, liet hij,

sidderend van woede, de scherpste verwijten hooren.

Die konden het niet helpen, zeiden zij. De zoon uit de Rosbach

beloofde echter er zijn kommandant over te spreken, maar... 't is

oorlog, voegde hij er glimlachend bij, als om er meneer Bollekens op

voor te bereiden, dat het wel niet veel baten zou.

* * * * *

In soortgelijke, en ook andere angsten, leefde Bollekens junior. Die

had, sinds de komst der officieren, iets strams gekregen in zijn

houding, alsof hij zelf een militair geworden was. Onbewust deed hij

hen na, richtte zich stijf op zoodra zij binnen kwamen, klakte zijn

hielen bij elkaar, als in een stug verdedigingsgebaar. Wat hij vooral

en in de eerste plaats had te verdedigen, dat was de eer en deugd der

knappe meid en deze zorg vulde zijn gansche dagen. Bij nachte was hij

daar niet bang voor, maar overdag genoot hij weinig rust en durfde

bijna niet meer uitgaan, vooral sinds hij eenmaal, thuiskomend, de

zoon uit de Rosbach boven, in 't salon, alleen in gesprek met haar

vond.

't Was tegen den avond en zij zaten rechts en links van een der

ramen, in halve schemering. Het sloeg hem in de beenen toen hij dat

zag en even kon hij geen woord uitbrengen. Doch de jonge

luitenant stond dadelijk heel correct op en groette en na enkele

banale woorden nam hij vormelijk afscheid en verliet de kamer.

--Zat hij daar al lang? vroeg Bollekens junior met streng gezicht,

zoodra de militair verdwenen was.

--Zoo, misschien een kwartiertje, antwoordde zij.

Haar wangen waren hooggekleurd en haar oogen tintelden levendig.

Bollekens junior vertrouwde 't heelemaal niet.

--Waarover spraakt ge? vorschte hij,

--O, over alles en over niets.

Hij werd nog meer wantrouwend.

Oorlogsvisioenen · 第 2 / 11 段