Produced by Johan Boelaert
OORLOGSVISIOENEN
DOOR CYRIEL BUYSSE
1915
INHOUD
I. De heeren Bollekens in oorlogstijd
II. Het oorlogshuwelijk van meneer Cathoen
III. Rikiki
IV. De varkenskar
V. In de vuurlinie
VI. Burgerwacht-idylle
VII. De vrijwilliger
VIII. De vlucht
IX. De moeder
X. Singen... Singen!...
XI. De terugkeer
I.
DE HEEREN BOLLEKENS IN OORLOGSTIJD
Meneer Bollekens, senior, was een rijk, rijk man.
Ook meneer Bollekens, junior, was rijk, doch minder uit zichzelf, dan
wel omdat zijn vader zulk een rijk, rijk man was.
Meneer Bollekens, vader, was weduwnaar en meneer Bollekens, zoon, was
een gescheiden man.
De scheiding tusschen den zoon en zijn vrouw had plaats gehad
terwille van een jeugdige dienstmaagd. De jonge vrouw had dat meisje
kort na haar huwelijk in haar dienst genomen en zij was er zeer
tevreden over en alles scheen uiterst best te gaan, tot de jonge
mevrouw opeens beweerde, dat het niet meer ging en verklaarde dat het
meisje dadelijk weg moest. Waarom zij zoo plotseling weg moest
lichtte mevrouw Bollekens junior niet nader toe, maar des te
krachtiger drong zij aan op onmiddellijk vertrek.
Bollekens zoon kwam tegen dat onverwachte besluit radikaal op.
--Zij zal niet weggaan; er is geen enkele reden om haar te doen
weggaan, zei hij, vastberaden.
--Zij zal wèl weggaan; daarvoor is alle reden en dat weet gij beter
dan iemand! snauwde de jonge vrouw haar echtgenoot toe.
Bollekens junior, eenige, door zijn ouders zeer verwende zoon, was
koppig en tyranisch. Hij duldde absoluut geen tegenspraak.
--Zij zal _niet_ weggaan. Ik ben hier immers de baas! herhaalde hij nog
eens, met klemmenden nadruk.
--Dan zal _ik_ weggaan, zei de jonge vrouw, in snikken uitbarstend.
--Zooals ge verkiest, had hij ijskil gëantwoord.
En zoo was het gebeurd. Na een laatste, heftige scene, had mevrouw
Bollekens junior zich eensklaps opgepakt en was zij weggeloopen, naar
haar moeder toe. En kalm had Bollekens junior het boeltje bij zich
opgedoekt en was hij bij zijn vader komen inwonen, met de jonge meid.
* * * * *
Het was een flinke, knappe meid, met roze wangen, lichte oogen en
bizonder mooi, donker haar, dat rechtop kroesde en aan de uitdrukking
van haar gezicht en ook aan heel haar uiterlijk iets zeer pikant's
gaf.
't Was jammer, zei vader Bollekens, dat zijn schoondochter juist zulk
een meid had uitgekozen, maar verder bemoeide hij zich liever niet
met het geschil: hij was een man van de rust en erg bang voor
onaangenaamheden met zijn zoon. Hij deed zijn best om hen weer met
elkaar te verzoenen, doch toen hij merkte dat zijn tusschenkomst
niets hielp en dat de schoondochter al even stijfhoofdig op haar
standpunt bleef als de zoon op het zijne in die netelige
meidenkwestie, haalde hij maar machteloos zijn schouders op en lei
zich bij den toestand neer. Hij hield nu eenmaal meer van zijn zoon
dan van zijn schoondochter, zooals hij trouwens over 't algemeen ook
meer van mannen dan van vrouwen hield; hij vond de vrouwen lastig,
nesterig, vervelend, drukte-makerig om niets; hij vond ze alleen maar
goed in zooverre ze zich gedwee aan de eischen van de mannen
onderwierpen en dezen als meesters dienden; en, ofschoon hij de
scheiding van zijn zoon uit maatschappelijk standpunt afkeurde en
betreurde, toch was hij er niet zoo heel verre van af wel te
begrijpen, dat zijn zoon feitelijk meer had aan die knappe, flinke
meid dan aan zijn nesterige luxe-huisvrouw. Kortom, hij wenschte door
die zaak niet langer dan strikt noodig was in zijn gelukkige
rijkaards-rust gestoord te worden; en zoo kwam de zoon weer in zijn
huis binnen en schikte zich daar zooals 't hem behaagde; en zoo kwam
ook de flinke, knappe meid met den zoon mede en nam daar een
eenigszins vage positie onder de andere dienstboden aan: linnenmeid,
luxe-meid, praat-en-loop-meid; en in de eerste plaats de
afzonderlijke meid van den zoon, gelast met zijn bed op te maken en
zijn kamers in orde te houden en daarom ook niet naast de andere
boden op de bovenste verdieping, maar op een lagere verdieping,
in een aparte kamer, slapend.
* * * * *
Het huis dat meneer Bollekens in de stad bewoonde, was een groot en
prachtig huis. Hij had het zoo groot en zoo duur laten bouwen, niet
omdat hij bepaalde behoefte aan zooveel ruimte en luxe had, maar wel
omdat hij geld genoeg bezat om zulk een huis te laten bouwen. Dat was
immers bijna een plicht voor een man van zulk bijzonder groot
vermogen. Het huis van meneer Bollekens moest, uiterlijk en
innerlijk, voor de oogen van de menschen die hem kenden, en ook wel
voor de menschen die hem niet kenden, in verhouding staan tot het
fortuin, waarvan hij leefde.
En 't waren verdiepingen en nóg verdiepingen, en 't waren kamers en
nóg kamers, allen even ruim en duur gemeubileerd, en allen vrijwel
overbodig, want meneer Bollekens bewoonde of gebruikte ze om zoo te
zeggen niet. Meneer Bollekens, die zich moeilijk bewoog, had in zijn
reuzenhuis niets dan een slaap-en zitkamer, op de eerste verdieping,
dicht bij het trapportaal, met een uitzicht op de straat; en een
eetkamer in het souterrain, vlak naast de keuken, omdat dit
gemakkelijker was voor de bediening en ook omdat de spijzen dan wel
altijd warm op tafel kwamen.
Meneer Bollekens was een man van vijf en zestig jaren, groot, zwaar
en dik; met rood gezicht en grijze, borstelige haren. Hij had last
van allerlei kwaaltjes en kwalen en koesterde zoo goed als geen
vertrouwen in de bekwaamheid der doktoren, die hem toch nooit geheel
genezen hadden. Hij volgde soms wel voor een poosje hun raad en
bevond er zich dan ook wel eens goed mee, maar zoodra er een dag kwam
dat hij zich wat minder lekker voelde, gaf hij het dadelijk op en zei
dat de doktoren hem verkeerd behandelden.
De heele gezondheidskwestie bestond voor meneer Bollekens hierin, dat
hij gezond wilde zijn en blijven, zonder zich in iets te ontzien.
Poeiers, drankjes, enz. wilde hij graag genoeg innemen, doch enkel op
voorwaarde dat hij dan ook oesters, wild, foie gras, en de daarbij
passende wijnen mocht blijven gebruiken. Aan elk diëet had hij den
gruwelijksten hekel en bovenal was hij gesteld op zijn dagelijksche,
vast-geregelde bezoeken aan zijn eenig geliefd koffiehuis:
de Rosbach!
De Rosbach, het welbekend Duitsch bierhuis, bevond zich in een drukke
straat, vlak tegenover deze waar meneer Bollekens woonde; en van uit
zijn ramen kon hij den witten gasbol zien boven den ingang der
vermaarde herberg en de grauw-bestoven sierplanten-in-kuipen, die op
het trottoir het terrasje afbakenden. Daar kwam hij driemaal daags
zijn biertjes gebruiken: 's ochtends om elf uur, 's namiddags
tusschen vijf en zeven en verder heel den avond, van negen tot laat
in den nacht.
Meneer Bollekens, en ook zijn zoon, hielden van alles wat fijn en
lekker was: van kreeften en primeurs, van fazanten en patrijzen, van
alle mogelijke wildpasteien en gerechten; zij waardeerden met bijna
vrome ontroering het bedwelmend bouquet der aloude Margaux', de als
't ware versche-levenskracht-ingietende rijkheid der bruinroode
Nuits' en Vougeot's en de vroolijk-oplachende, gouden tinteling en
Prikkeling der schuimende Pommery's en Cliquot's; maar na al die
weelde van 't fijne en van 't dure, verlangden zij, dorstten zij
telkens weer naar het meer alledaagsche en gewone, naar dat
heerlijk-koel, schuimend glas donkerbruin bier, zooals de Rosbach,
en alléén de Rosbach, het hun geven kon.
Het eerste ochtendglas, om elf ure, werd steeds met kalmen ernst
gebruikt. Het had iets rustig-bezadigds, als een ontbijt. Men was nog
in de stemming niet. Maar wat de dag ook verder aan genoegens of
teleurstellingen bracht, vijf uur, het heerlijk moment van vijf uur
helderde alles op en vader en zoon togen gezamenlijk naar de
verrukkelijke herberg. De zucht waarmee papa Bollekens zich op zijn
vastbewaarde plaats neerzette, terwijl hij uit de hand van den
voorkomenden baas zijn pijp ontving, klonk als een gekreun van geluk.
Hij kreeg zijn eerste glas en dronk een volle, lange teug, met de
tong het schuim van zijn snorren aflikkend; de vrienden en stamgasten
kwamen binnen en de gelukkige avond begon.
Wat daar al niet besproken en behandeld werd! Het stadsbeheer was er
aan scherpe kritiek onderworpen, het staatsbestuur niet minder;
autoriteiten werden afgesteld, benoemingen werden gedaan;
ministeries omgegooid, andere ministeries in 't leven geroepen. Die
heeren wisten alles, álles; niets ontsnapte aan hun scherp-kritisch
waarnemingsvermogen en naarmate zij meer dronken werden hun
organisatiekrachten helderder en sterker en moest het wel voor
luisterende buitenstaanders onverklaarbaar schijnen hoe het mogelijk
was, dat zij daar op de banale, harde banken van een herberg en niet
in de gemakkelijke kussens van ministerieele fauteuils neerzaten.
De kroegbaas, een Duitscher, met grijs-blond haar en slaperige oogen,
hield zich steeds in hun buurt en bediende hen zorgzaam, zonder zich
ooit in hun gesprek te mengen of er schijnbaar eenigszins notitie van
te nemen. Hij scheen de verpersoonlijkte-onbeduidendheid, onbeduidend
als een dagelijksche plicht, als een abstractie. Hij vulde zijn glazen
achter de schenktafel, streek er met een soort van liniaal het
overtollig schuim af, overhandigde ze zwijgend aan zijn kellner, die
ze aan de klanten om de tafeltjes ging brengen. Dat scheen zijn
eenige bezigheid en eenige reden van bestaan, een machinale taak, die
hij als een automaat verrichtte. Het wekte verwondering wanneer men
hem iets anders zag uitvoeren en het leek ook gansch ongewoon wanneer
hij zich voor iets anders dan zijn zaak interesseerde. Hij had een
vrouw, een dikke, ronde vrouw, die meestal in de onderdiepten der
Rosbach vertoefde, maar er toch af en toe eens uitkwam, om hem met
Gewichtig gezicht iets aan het oor te fluisteren. Dan fronsten even
Zijn wenkbrauwen en keken strak zijn oogen, alsof hem iets
Onaangenaams werd meegedeeld, en soms verdween hij met haar voor een
poosje in de heimelijke kelderdiepten. Maar zoo spoedig mogelijk stond
hij weer achter zijn buffet, en wel eens gebeurde het, dat er dan
een vreemd bezoeker binnen kwam, die een poosje vertrouwelijk met den
baas bleef praten. Het bleek een landgenoot te zijn, een vriend of
kennis van vroeger, die hem eens kwam opzoeken. Zij keuvelden
bescheiden met elkaar in 't Duitsch en het klonk altijd zoo vreemd,
den baas, die toch een Duitscher was, zijn eigen taal te hooren
spreken. Hij was daar al sinds zoovele jaren ingeleefd en ingeburgerd,
in de groote, Vlaamsche stad; hij sprak zoo vloeiend en natuurlijk de
taal van het volk en ook het Fransch, dat het nu ónnatuurlijk
scheen, wanneer hij 't Duitsch, zijn eigen taal, gebruikte. En het was
ook alsof hij die niet graag meer sprak en ook niet graag
zijn landgenooten meer ontmoette: er was iets koels en stijfs in
zijn gansche bejegening, zoolang hij zich met hen moest bezig houden,
en iets verlichts in hem zoodra zij weg waren, alsof hij dan pas
weer zichzelf werd, wanneer hij met zijn goede, trouwe, Vlaamsche
vrienden en klanten weer in gezellige intimiteit verkeerde.
Behalve zijn prachtig stadskuis bezat de rijke, rijke meneer
Bollekens ook nog een heerlijk buitenverblijf.
Het rees, anderhalf uur van de stad, lieflijk wit en roze, achter
schoone, stille vijvers en zacht-glooiende grasvelden, tegen een
majestueuzen achtergrond van hooge boomen op.
Zoolang zijn vrouw, die veel van buiten hield, leefde, had meneer
Bollekens er geregeld ieder jaar de zomermaanden doorgebracht. Doch
na haar overlijden werd het er hem te eenzaam en steeds kortte hij
zijn verblijf meer en meer in, tot hij er weldra niet meer verbleef,
doch er slechts heen en weer kwam, met zijn rijtuig, bij wijze van
uitstapje, elken avond, zelfs in 't heetste van den zomer, naar de
stad terugkeerend. De toenemende gehechtheid aan de Rosbach en de
vrienden die hij er ontmoette, was daar ook niet vreemd aan; en ten
slotte hadden de bezoeken zich bepaald tot drie in de week, na
't middagdutje, tusschen drie en zeven. Meneer Bollekens zoon, van
zijn kant, deelde, aangaande de bekoring van het buitenleven, geheel
en al de zienswijze zijns vaders; en zoo gingen zij meestal samen,
gemakkelijk uitgestrekt op de zachte kussens van den ietwat
ouderwetschen landauwer bespannen met twee paarden, wellustig sigaren
rookend en zonder inspanning genietend van het mooie weer en de
gezonde, frissche buitenlucht. Dan was de knappe meid meestal per
trein vooruitgezonden om alles wat op orde te schikken en 't een of
't ander voor hen klaar te maken; en in die enkele uren dat hij op
zijn buitengoed verbleef had meneer Bollekens dan ook wel tijd genoeg
om met zijn tuinbaas en zijn werklieden te praten en zijn boeren, die
bijna allen in den onmiddellijken omtrek woonden, desgewenscht op het
kasteel te ontvangen of hen persoonlijk een bezoek te brengen. Tegen
het uur van hun vertrek maakte de tuinman een paar mandjes met fijne
groenten en vruchten gereed en daarmee vertrok alweer per trein de
knappe meid, terwijl de beide heeren, die een hekel hadden aan bagage
in hun rijtuig, zich nog eens lui en heerlijk in de kussens
achteroverstrekten en onder het terugkeeren naar stad en Rosbach van
de zachte, gouden avondlucht genoten.
* * * * *
De Rosbach! Begin, middenpunt en einde van den dag; centrum, navel
van het leven! Rustoord van gezelligheid en welgedane vrede; maar
ook brouwketel van twistgesprek en stoornis, als daartoe aanleiding
bestond!
En er wàs aanleiding, die laatste dagen. In den stillen luister van
dien allerschoonsten zomer, terwijl alles alom geluk en vrede scheen
te ademen, woei er, van verre komend, een onbestemde angst
en onrust over land en stad, die zich daar, in de anders zoo
gezellige en zoo veilige Rosbach, bij de biertafeltjes omringd door
welgedane stamgasten, tot een soort voelbare kwelling scheen te
kristallizeeren.
Men sprak er van oorlog, van dreigenden, afgrijselijken, algemeenen
oorlog. O, dat lag nog verre, nog heel, héél verre, en het was vaag
en twijfelachtig en zou wellicht nooit komen; maar toch: het werkte en
knaagde heimelijk; het was aldoor aanwezig, ook als men er niet over
sprak; het hing, als een onzichtbare drukking over alles wat daar nu
gebeurde.
De een zei: het komt, 't is vast en zeker en het kan niet anders; de
ander zei: 't komt niet, het is onmogelijk, de menschen zijn niet
gek; maar hij die zei: "'t komt niet" vreesde dat het toch wel zou
komen; en hij die zei: 't komt wèl" hoopte toch maar, dat het nog
niet zou komen.
De baas, doorgaans zoo kalm en zoo bedaard, met zijn grijsblond haar
en zijn slaperige oogen, scheen opeens een ander mensch geworden.
Zijn oogen waren angstig en onrustig in zijn doodsch gezicht gaan
leven; hij stond niet meer als vroeger gansche dagen als gepoot
achter zijn schenktafel; zijn dikke, ronde vrouw, die men meestal
niet zag, stak nu elk oogenblik haar vettig angstgezicht van uit de
kelderdiepten op; en voortdurend kreeg de baas bezoeken van zijn
anders zoo ongewenschte landgenooten, waarmee hij stille, heimelijke,
blijkbaar zwaarwichtige gesprekken hield.
Eens, op een avond, toen zij aan hun stamtafeltje kwamen zitten,
werden meneer Bollekens en zijn zoon niet, als gewoonlijk, door den
kellner, maar door den baas zelf bediend.
--Hè, waar is Rudolf dan? vroeg meneer Bollekens verwonderd.
De baas troebleerde zich. Even kreeg hij een vage kleur onder zijn
doodsche wangen.
--Hij is weg, bekende hij eindelijk.
--Zoo! En waarom? vroeg meneer Bollekens.
--Hij is naar zijn land terug, antwoordde de baas, blijkbaar
gegeneerd.
--Naar zijn land! Is hij dan geen Belg?
--Wel is zijn moeder een Belgische, maar zijn vader is nog een
Duitscher, al woont hij bijna op de grens, voegde de baas er als ter
vergoelijking bij.
Meneer Bollekens en zijn zoon werden eensklaps ernstig en stil. Hun
oogen keken starend op hun bierglas en hun wenkbrauwen fronsten zich.
--Is hij als soldaat opgeroepen? Komt er oorlog? vroeg meneer
Bollekens haast fluisterend, met een angsthik in de stem.
--Ach! wel neen, wel neen, wel neen! riep de baas eensklaps
ongeduldig-zenuwachtig en bijna boos, alsof zoo iets toch àl te
ongerijmd en gek was.
De heeren Bollekens voelden zich eenigszins gerustgesteld en proefden
even van hun glas. Maar hun handen en hun lippen beefden en 't was of
't heerlijk bier niet meer zoo lekker smaakte.
--Er komt geen oorlog; 't is maar vage dreiging, verzekerde nog eens
de baas en ging achter zijn schenktafel staan.
* * * * *
Doch de onrust zat er nu eenmaal in, en met de onrust en onzekerheid
sloop in de eertijds zoo zalige Rosbach een eigenaardig,
onnaspeurbaar gevoel van vaag wantrouwen. Niemand begreep eigenlijk
waar het zich verschuilde, 't was nergens en het was overal; het hing
in de lucht, in de berookte gelagkamer, over 't veranderd gezicht van
den baas en zijn vrouw; het zat tot in het heerlijk bier dat zij
dronken, en dat wel niet minder smakelijk was, maar toch werkelijk
minder lekker smaakte. Eens, op een avond, kwam een der
allertrouwste stamgasten, een dikke notaris, binnen, die geheimzinnig
naast meneer Bollekens ging zitten en hem aan 't oor toefluisterde:
--Wist gij dat de baas drie zonen in Duitschland heeft?
--Drie zonen in Duitschland! herhaalde meneer Bollekens hevig
opschrikkend.
--St! zoo hard niet, hij staat te luisteren, vezelde de notaris.
--Drie zonen in Duitschland, die hier dikwijls geweest zijn, zonder
dat wij wisten wie ze waren, en die nu alle drie in 't Duitsche leger
opgeroepen zijn! St! niets zeggen... zwijgen... ik weet het van
héél goed part en zal er nog meer van vernemen.
Meneer Bollekens' dikke, knobbeljichtige vingers beefden zenuwachtig
om het oor van zijn glas.
Wat was dat nu allemaal? Wat beteekende het? Wat moest hij daarvan
denken? Ging er nu ellendige, akelige stoornis komen in het zoo
gezellig en aantrekkelijk leventje der heerlijke Rosbach?
* * * * *
Als naar gewoonte, dien namiddag, waren de heeren Bollekens, vader en
zoon, per rijtuig, naar 't buiten gegaan. Ook de knappe meid was er
gekomen en liep reeds te voet het eindje terug, met de groenten en
vruchtenmandjes aan den arm, om bij het kleine station den trein te
halen.
Het was een prachtig-mooie dag geweest. In den vroegen namiddag
wellicht wel àl te brandend-heet, maar nu, tegen zonsondergang, was
het verrukkelijk; en vader en zoon, wellustig op de kussens
uitgestrekt, genoten innig. Meneer Bollekens vader keek naar het
schoone, rijpe koren, dat golvend over 't stille, weelderige land in
het avondrood lag te gloeien en opperde nog eens zijn meening,
waarover ze 't vroeger reeds gehad hadden: dat het nu toch werkelijk
wel tijd werd om de huur der boeren op te slaan. Meneer Bollekens
junior haalde diep aan zijn lekkere sigaar en was het daar volkomen
mee eens. Al had men het ook niet noodig om van te leven, toch was er
geen reden om zijn pachters te verwennen, meende hij, vooral niet
zoolang er geen oorlog kwam.
De oorlog! Daar had je 't alweer! Wat werd dat 'n angst en
'n obsessie! Je kon niet eens rustig meer ergens gaan wandelen; je
Kon niet kalmpjes je glas bier zitten te drinken, of dadelijk drong
dat gruwelbeeld, als 't ware van zelf in het gesprek. Vooral meneer
Bollekens senior werd er telkens hevig door ontsteld en gansch uit
zijn humeur geslagen.
--Zwijg daarover, er komt geen oorlog! beweerde hij nu ook weer, op
kwaadaardigen toon, terwijl zijn rood gezicht van ontstemming opzwol
en zijn dikke wenkbrauwen zich fronsten.
Zij waren dichtbij 't kleine station gekomen, waar de knappe meid
haar biljet moest nemen om naar de stad terug te keeren en de trein
naderde reeds in 't verschiet, zoodat de slagboomen der spoorbaan
werden neergelaten en het rijtuig eventjes moest wachten. Er is al
heel weinig bijzonders aan een locaaltreintje, dat een klein station
zal binnenrijden: men let er nauwelijks op. Dit was dan ook 't geval
met beide heeren Bollekens. Zij praatten onverschillig voort over het
onderwerp dat hen bezig hield en wellicht hadden zij de aankomst van
't konvooi niet eens met eenige aandacht opgemerkt, als daar niet
vóór 't stationsgebouw een dichte schaar van menschen had gestaan,
die met blijkbaar gespannen nieuwsgierigheid den trein zagen naderen.
Het trof meneer Bollekens vader en hij vroeg aan den wisselwachter,
die bij 't seinhuisje stond:
--Wat scheelt er dan? Wat gebeurt er?
--Soldaten, meneer; massa's soldaten, die binnen moeten. De oorlog is
verklaard!
Meneer Bollekens en zijn zoon schokten letterlijk van hun zitplaats
op. Wat! De oorlog verklaard! Zoo ineens!
--Jawel, meneer, 't bericht is van middag om twaalf uur afgekondigd,
Verzekerde de wisselwachter. Ziet ge daar al die jonge mannen bij de
statie? Die moeten allen mee.
Daverend kwam de trein het stationnetje binnengestoomd. Hij was lang,
lang, of er geen eind aan kwam; en uit alle wagens, uit alle
raampjes, uit alle portieren hingen risten jonge mannen naar buiten
geheld, die zongen en brulden, en armen zwaaiden en stampvoetten en
schreeuwden, alsof zij allen wild-krankzinnig waren. De koppen zagen
gloeiend-rood van benauwde hitte, opwinding en drank en honderden
handen zwaaiden hartstochtelijk met driekleurige vlaggetjes.
Bollekens junior was met één wip uit den open landauwer gesprongen.
Hij dacht aan de knappe meid, die met haar groentenmandjes midden in
't afgrijselijk gedrang zou zitten en wellicht geen plaats zou
vinden; of vond ze plaats, door al die opgewonden kerels ergerlijk
gemolesteerd kon worden.
--Ik ga ze daaruit trachten te halen! riep hij
zenuwachtig-opgewonden tot zijn vader.
--Dat gaat immers niet! antwoordde vader Bollekens gansch ontsteld
en geprikkeld.
Maar Bollekens junior was reeds aan 't rennen. Hij holde, ondanks het
formeel verbod van den verwonden wisselwachter, om den dreunenden
trein heen en vloog naar de wachtkamers toe. Te laat! Het
stationsgebouw was door gendarmen afgezet en onder donderend
joelgedruisch reed de trein weg. Bollekens junior keek peilend door
de vensterramen, maar zag de knappe meid niet meer.
--Nom de Dieu!... Nom de Dieu de nom de Dieu! raasde hij woedend in
't rijtuig terugstappend.
In gestrekten draf reden zij naar de stad terug. Meneer Bollekens
vader beefde akelig. Meneer Bollekens junior zat stom, met
verwrongen, bleek gezicht, op zijn sigaar te bijten.
--Maar dat is toch niet mogelijk! riep af en toe, als in een kreet
van opstand, vader Bollekens. En waar hij om zich heen keek, over die
schoone, rijke, kalme, gouden velden badend in avondglorie, waar nog
zoovele menschen, gansch onbekend met de angstwekkende gebeurtenis,
rustig aan den arbeid waren, scheen het schrikbeeld van den oorlog
inderdaad iets ondenkbaars, een onding, een onmogelijkheid. Doch
naarmate zij dichter bij de groote stad kwamen groeide een onrust,
een gejaagdheid, die zich alom scheen te verspreiden. 't Stond op de
ernstige gezichten der menschen te lezen, het concentreerde zich in
de kleine groepjes die gewichtig met elkaar aan 't praten waren, het
liep uiteen met al wat zich bewoog, naar rechts, naar links, langs
alle kanten. De heeren Bollekens kwamen twee auto's tegen, in razende
vaart, vol militairen, alsof zij reeds, stormenderwijze den vijand
te gemoet snelden. En zoodra zij in de voorstad kwamen waren zij
midden in een krioelende, geweldig-opgewonden menigte:
gesticuleerende mannen met bleeke gezichten en donkere oogen;
schreiende, kermende vrouwen met schreiende, kreunende kinders die
aan haar rokken hingen; en krantenjongens overal, luid-uitschreeuwend
het akelig nieuws, terwijl de losse blaadjes der extra edities door
de handen fladderden en de gretige hoofden dicht op elkaar drongen,
om allen tegelijk te lezen.
--Naar huis, naar huis, zoo gauw mogelijk naar huis! vermaande meneer
Bollekens zijn koetsier, alsof hij daardoor een ramp voorkomen kon.
En de paarden renden in gestrekten draf tusschen de steeds dichter op
elkaar gepakte, opgezweepte menigte, die als 't ware uit den grond
scheen te rijzen, die straten en pleinen vulde en in gonzende drommen
naar het centrum van de stad toestroomde.
Toen het rijtuig vlak bij huis kwam, in de straat waar zich de
Rosbach bevond, was er echter geen doorkomen meer aan. De heeren
Bollekens begrepen eerst niet wat er gebeurde; zij merkten slechts
een kolossaal gedrang en hoorden enkel 't oproerig gejouw en geloei
van de menigte; maar eensklaps zagen zij den witten gasbol boven den
ingang van de Rosbach aan stukken vliegen, en meteen stormde een
bende op de herberg af en brak er als een orkaan naar binnen.
Dadelijk stapten de heeren Bollekens haastig uit hun landauwer en
gaven den koetsier bevel langs een omweg naar huis te rijden. Het was
maar beter op zulke momenten niet in een rijtuig gezien te worden.
Angstig door 't gedrang langsheen de huizen schuivend, geraakten zij
eenige meters vooruit. Toen stonden ze weer, als vóór een levenden,
dreunenden, deinenden muur. 't Geschreeuw klonk overweldigend. 't Was
één aanhoudend gebrul en gejouw, terwijl steeds nieuwe benden
opdrongen en de spiegelramen aan stukken rinkelden. De politie kwam
aangerukt, doch machteloos flikkerden de gezwaaide sabels boven de
woelende schouders en koppen. De heeren Bollekens zagen vechtende
mannen neerstorten en weggesleept worden; en daarbinnen, in
de Rosbach, was het als een pandemonium: stoelen, tafels, spiegels,
glazen vlogen verbrijzeld in de menigte naar buiten; het bier en de
likeuren stroomden over de treden in de straat; en heel het
terrastuintje met bloemen, sierplanten en tafeltjes was omgekeerd en
als onder een storm weggezweept. De heeren Bollekens zagen van op de
straat ruwe kerels drank naar binnen hijschen, anderen vochten onder
elkaar om het bemachtigen van eetwaren; en plotseling werd een volle
ham naar buiten gegooid, waarop het gepeupel in wilde krioeling
neerplofte en voor welks bezit het griezelig worstelde, als een bende
wolven. Wat er van den baas geworden was, wist niemand. Alleen het
rond gezicht der dikke vrouw verscheen een oogenblik met van schrik
uitpuilende oogen aan een der bovenramen, maar zulk een woest gebrul
steeg op, dat zij onmiddellijk onder angstgegil weer verdween en het
raam dichtsloeg.
Toen kwam er eindelijk hulp opdagen: een escadron gendarmen te paard,
in vollen draf, met getrokken sabel, de groote berenmutsen, als van
woede overeind gerezen haren op hun dreigende koppen. In een oogwenk
was de gansche straat schoongeveegd. Een paar roovers, die den tijd
niet hadden weg te komen, werden nog gesnapt en dadelijk was de
verwoeste Rosbach door een sterke politiemacht afgezet. Meneer
Bollekens en zijn zoon, in het portaal van een winkeltje gedrongen,
waren slechts, op gevaar van hun leven af, aan het geweld van de charge
ontsnapt.
Meneer Bollekens begreep er niets van, van alles wat daar zoo
plotseling gebeurd was. Hij stond te sidderen en te trillen op zijn
beenen en hoorde, als in een nachtmerrie, de menschen uit het
winkeltje vertellen, dat die baas uit de Rosbach een Duitsche spion
was, dat men compromittante brieven in zijn huis gevonden had, dat
men in zijn kelder Duitsche wapens en uniformen had ontdekt, en dat
hij gëarresteerd was, en dat zijn vrouw ook gëarresteerd was, en dat
ze beiden, den volgenden ochtend, in het stadspark gefusilleerd
zouden worden.
Meneer Bollekens senior raasde en zuchtte. Wat leek de gansche wereld
plotseling omgekeerd, in een tijdverloop van slechts enkele uren!
Zijn vaderland in oorlog, die man uit de Rosbach, jarenlang een
trouwe vriend, nu eensklaps een spion en een verrader; en de Rosbach,
de dierbare Rosbach zelf, zijn toevluchtsoord, zijn levensvreugd,
zijn echte tehuis, in puin en gruis geslagen, vernield, vernietigd!
Was er nog wel iets in de wereld vast en veilig, en zou het
opgezweepte gepeupel straks ook niet zijn eigen schoone woning stuk
gaan slaan, alleen maar omdat hij een trouwe stamgast van de Rosbach
was, omdat hij jarenlang op vertrouwelijker en vriendschappelijker
voet met den baas uit de Rosbach had omgegaan?
Hij wilde naar huis, hij wilde dadelijk naar huis, en ook zijn zoon,
in zenuwachtige overspanning, wilde weg, vol angst en vrees hoe het
wel met de knappe meid in dien stampvollen trein met opgewonden
soldaten afgeloopen was. Zij staken eerst voorzichtig 't hoofd naar
buiten en schoven dan langs de muren weg en 't was hun een
verademing toen zij het mooie gebouw nog overeind zagen staan. Meneer
Bollekens zoon holde naar binnen, hoorde dat de knappe meid behouden
aangekomen was, rende de trappen op, had dadelijk met haar een
dringend, vorschend onderhoud. Alles was goed, Goddank; en na al die
schrikkelijke emoties ging het leven toch maar weer zijn gewonen
gang. De keukenmeid liet zeggen dat het souper al 'n heele
poos klaar was en of de heeren asjeblief aan tafel wilden gaan.
Zeker wilden zij! Zij hadden honger gekregen door al die schokkende
gebeurtenissen. Veilig geborgen in hun prachtig huis dat sterk was
als een forteres, rijk en gezellig neergezeten bij een weelderigen
disch welken de knappe meid zorgzaam en fijn bediende, voelden zij
reeds minder de knellende dreiging der toekomst. Maar de emotie
bleef, heel sterk en diep; en terwijl hij met bevende hand het eerste
hapje naar zijn mond bracht, werd meneer Bollekens er weer door
overweldigd en moest hij vork en mes neerleggen. Het ging niet, hij
kón niet eten ofschoon hij rammelde van den honger. En eensklaps werd
hij week-weemoedig en barstte in snikken uit, terwijl groote tranen
over zijn dikke, roode wangen rolden.
Het was een heele opschudding! De zoon dacht dat zijn vader een
beroerte kreeg en snelde hem ter hulp en de knappe meid stond even
als versteend van ontsteltenis, met vurige wangen en verschrikte
oogen tegen het buffet gedrongen. Meneer Bollekens bedaarde, doch
bleef zijn eten weigeren. Neen, het ging niet, hij kón niet. Zoo iets
was in geen jaren gebeurd. De zoon stond er radeloos van en de knappe
meid liep eensklaps, als onder den drang eener spontane ingeving, met
vlugge schreden naar de keuken toe.
De keukenmeid, amechtig hijgend, verscheen op den drempel der
eetkamer.
--Maar meneer toch! Maar meneer toch! riep zij, gansch ontdaan de
handen in elkaar slaande. En zij begon een heele reeks fijne
schoteltjes op te noemen, die meneer misschien wèl zoude lusten.
--Neen, Marie; neen, Marie; ik kàn niet, ik kàn niet, herhaalde meneer
Bollekens bevend en moedeloos.
De meid verdween, als door een onverdiende ramp getroffen, en meneer
Bollekens stond zwaar-zuchtend van tafel op.
--'K ga naar mijn bed, kreunde hij.
Een stilte van consternatie begeleidde zijn pijnlijken aftocht.
Meneer Bollekens zoon steunde zijn vader onder den arm en de knappe
meid volgde, schoorvoetend, even haltend op elke trede, als een
oplettende en zorgvolle verpleegster.
* * * * *
De dagen die volgden waren dagen van rustelooze agitatie. Al de
dienstplichtige mannen hadden hun oproepingsbevel ontvangen en van
den ochtend tot den avond en soms gansche nachten dreunde de groote
stad onder het onophoudend aankomen en doortrekken van infanteristen,
cavaleristen, artilleristen; van paarden, wagens en kanonnen, van
honderden en honderden automobielen, van alles wat de mobilisatie van
een gansche veld-en-vestings-leger noodig heeft of met zich mede
sleept.
Wat al onverwachte en aangrijpende tafereelen woonden de heeren
Bollekens nu voortdurend bij! In hun zelfzuchtig bestaan van rijke
renteniers was de wereld tot nog toe voor hen tot het beperkt en
bekrompen kringetje hunner vaste, steeds herhaalde genoegens en
gewoonten afgebakend geweest; en nu woei daar eensklaps als een
felle, forsche adem overheen, die aan alles een nieuwe beteekenis en
waarde gaf. Zij voelden dat hun rijke-menschen-leven niets meer was,
dat gansch andere, nieuwe krachten hun omgeving beheerden en
beheerschten. Zij werden voor het eerst gewaar wat de
vaderlandsliefde was, dat ongekend gevoel 't welk tot dus
verre voor hen slechts de beteekenis eener van buiten geleerde
schoolles had, en dat nu plotseling bestónd, hoog en groot, in
forsche schoonheid, diep-ontroerend en tastbaar alles-overweldigend,
sinds een gewetenlooze vijand met ruw geweld den dierbaren
geboortegrond had durven schenden. Meneer Bollekens en zijn zoon,
door nationale liefde bezield, stonden met duizenden anderen uren
lang op straat de vertrekkende soldaten toe te juichen, terwijl de
tranen in hun oogen kwamen en hun hart van krijgshaftigen trots en
glorie bonsde en gloeide.
Dat duurde zoo ettelijke dagen. Toen waren al de troepen weg en
't gewone leven kreeg opnieuw zijn vroegere beteekenis. Wel hielden
de oorlogsberichten der couranten er aanhoudende spanning in, doch dat
gebeurde nu op verren afstand en van den eigenlijken oorlog was, in
de stad die meneer Bollekens bewoonde, voorloopig niets meer te
bemerken.
* * * * *
Wat was er dan ook wel veranderd? Feitelijk niets. Meneer Bollekens
vader was van zijn eerste emotie heel en al bekomen; meneer Bollekens
zoon had zich kunnen overtuigen dat der knappe meid geen ongeval was
overkomen; de keukenmeid, een enkel oogenblik van streek toen haar
meester zijn avondmaal weigerde, was weer geheel de oude en kookte
lekkerder dan ooit te voren; alles, álles in hun leven was 't zelfde
gebleven en zij gingen zelfs weer geregeld met het rijtuig naar de
mooie buitenplaats; niets was veranderd behalve de Rosbach, de vroeger
zoo gezellige, nu kort en klein geslagen Rosbach, die met haar
dicht-gespijkerde deur en ramen een droevig toonbeeld van vernieling en
verlatenheid geworden was.
Bollekens vader en zoon, evenals de dikke notaris, evenals al de
andere trouwe stamgasten, waren nu verwoed op de Rosbach, hadden
geen woorden van verachting en van haat genoeg om er de Rosbach mee
te brandmerken. Die schandelijke spionnen, die gemeene bandieten, wat
hadden zij hun trouwe, vaste klanten, die jarenlang hun beste
vrienden waren, bedrogen en verraden! Allerlei tegenstrijdige
geruchten waren in omloop: de baas en zijn vrouw waren werkelijk
gëarresteerd en beiden op een vroegen ochtend in het park
gefusilleerd; de baas was gëarresteerd en gefusilleerd,
maar zijn vrouw was in vrijheid gelaten; de baas was gevlucht en zijn
vrouw was alleen in de kroeg overgebleven waar ze zich verscholen
hield. Dat alles werd verteld en niemand wist er 't ware van. De
gansche voorgevel van de Rosbach was met een planken beschot
afgeslagen en een politiediender hield er streng de wacht voor.
Meneer Bollekens vader had hem reeds een paar keer ondervraagd,
maar de stugge man liet absoluut niets los. Hij wist in 't geheel
niets mee te deelen; zijn opdracht was de Rosbach te bewaken; dat
deed hij en verder ging het hem niet aan en als die heeren er meer
van wenschten te vernemen, dan moesten ze zich maar tot de stedelijke
overheid wenden.
Tot de stedelijke overheid! De heeren Bollekens vader en zijn zoon,
en ook de dikke notaris en de verdere stamgasten hadden al heel
weinig relaties met de stedelijke overheid. De dikke notaris had eens
van verre gepoogd een der wethouders te polsen, maar was barsch en
leelijk afgescheept geworden. En toch: zij hadden 't zoo graag willen
weten, want er was iets, iets dat ze werkelijk met geen woorden
konden uitdrukken en dat hen toch zoo hevig en zoo kwellend plaagde.
Die heeren durfden het onderling aan elkaar niet en
aan zichzelven nauwelijks bekennen: zij misten de Rosbach. Zij hadden
behoefte aan de Rosbach; zij werden ziek en bedroefd omdat ze
't heerlijk bier van de Rosbach niet meer mochten drinken!
Het was geen kortswijl, geen eigenzinnige gril; maar werkelijk een
tyranisch-dwingende behoefte. In al die lange jaren van dagelijksch
trouw daar komen was het een manie geworden, iets dat zij hebben
móésten om voldaan te kunnen leven. Er waren andere koffiehuizen
genoeg in de stad en om beurten hadden zij er reeds velen
"geprobeerd" doch niets voldeed, overal grijnsde dadelijk de
Teleurstelling tegen. Er was maar één Rosbach, maar één enkel kroegje
waar ze 't dol gezellig hadden, maar één enkel soort bier waarnaar
zij verlangden en snakten en waar hun maag naar grolde van graagte:
het heerlijke bier van de Rosbach!
Vooral meneer Bollekens vader voelde zich weldra zeer ongelukkig en
ontredderd. Vele van die andere heeren hadden nog hun bezigheden waar
te nemen; maar hij had niets, wist in 't geheel niets aan te vangen
met de lange uren die hij anders aan het pleisteren in de Rosbach
besteedde. Het ging niet alleen op zijn moreel, maar ook op zijn
physiek gestel noodlottig inwerken; en nu kreeg hij eens aan eigen
proefneming de glasheldere ervaring welke ezels toch de doctoren
waren. Zij hadden hem zóó dikwijls verboden het bier van de Rosbach
te drinken omdat het fataal was voor zijn knobbeljicht; welnu: sinds
meer dan een week dat hij geen druppel meer geproefd had, leed hij
folterpijnen en stonden zijn vingers en zijn teenen kromgetrokken van
de kalkaanzetting. Was dit geen duidelijk bewijs, dat het bier van de
Rosbach hem niet alleen geen kwaad deed, maar dat hij het bepaald
noodig had voor zijn gezondheid?
Hij begon daarover zwaar te tobben. Was er nog maar een ander Duitsch
bierhuis geweest in de stad, waarvan de baas zich niet als spion en
landsverrader had gedragen! Maar overal was het 't zelfde geweest en
overal werd de boel ook stuk geslagen. Iedere kneip was als een
spionnen-nest vernietigd. Meneer Bollekens voelde zich het
slachtoffer van een toestand waarin hij niets geen persoonlijke
schuld had. Zijn gezondheid moest lijden, zijn leven moest wellicht
ten onder gaan door de misdaad welke anderen bedreven hadden!
Hàdden zij werkelijk die schandelijke daad bedreven? Somtijds, in
sombere wanhoopsuren, ging meneer Bollekens daar wel aan twijfelen.
Was het wel voldoende bewezen, bewèzen, dat de baas uit de Rosbach
verraad had gepleegd? Was men niet veel te gauw, met ruw geweld,
tegen hem te keer gegaan, alleen omdat hij Duitscher was? En wat was
er nu eindelijk van aan, van al die tegenstrijdige verhalen: dat hij
en zijn vrouw gefusilleerd waren; dat ze niet gefusilleerd maar wel
gevlucht waren; dat ze niet gevlucht, maar zich nog steeds, als
nagejaagde wilde beesten ergens in een hoek van de Rosbach verscholen
hielden?
Het onopgehelderd raadsel kwelde en pijnigde meneer Bollekens
aanhoudend; en dikwijls, in zijn droeve, doellooze uren, ging hij
voorbij de Rosbach slenteren en keek hij verlangend naar die doode,
strakke muren op, alsof ze voor hem het geheim zouden oplossen.
De waakzaamheid der politie was er na de eerste opgewonden dagen zeer
verslapt en al kuierde nog wel om en bij de planken-afsluiting een
min of meer wachthoudende politiediender, toch was er blijkbaar geen
zóó onverbiddelijk streng verbod meer, dat men niet een oog daarin
zou kunnen wagen. Meneer Bollekens had het dan ook reeds meer dan
eens gewaagd en een aangrijpend idee gekregen der desolatie van wat
eenmaal het toppunt der gezelligheid was. Was het niet
wanhoopschreiend al die stukgeslagen stoelen, tafels, spiegels en dat
alom gemorste, heerlijk bier, waarvan de halfgedroogde, vieze plassen
nog den vloer bezoedelden? Het stemde meneer Bolleken te droevig en
hij verwijderde zich spoedig uit dat oord van dood en ramp. Doch
eens, bij scheieravond, terwijl hij daar alweer in wanhoop stond te
kijken, schrikte hij geweldig. Hij meende, neen, hij was ervan
verzekerd, eensklaps in dat oord van vernieling en verlatenheid een
vage stommeling te hooren, boven de gehavende gelagkamer. Het
ontstelde hem zoo hevig, dat hij in allerhaast wegvluchtte en aan den
overkant der straat bevend tegen een huis ging staan. En wat zag hij
van daar uit, als in een droom, als in een nachtmerrie? Achter een
raam op de eerste verdieping der Rosbach, het angstgezicht van een
vrouw,--de dikke vrouw van den baas--die duidelijk naar hem keek en
naar hem wenkte, alsof zij hem wou binnenroepen!
Het scheelde weinig of meneer Bollekens slaakte hardop een kreet in de
straat. De verschijning was zóó onverwacht en zóó ontzettend, dat hij
haast zijn oogen niet gelooven kon. Hij meende een uit haar graf
verrezene te zien. Maar het gezicht stond daar in volle werkelijkheid
achter het raam, en nog eens wenkte het, heel duidelijk, meteen in
't sombere van het vertrek terugdringend, als om hem met zich mee te
trekken. En meneer Bollekens, als onder hypnotische macht,
gehoorzaamde machinaal, stak de straat, die op dat oogenblik verlaten
was, dwars over en kwam bij het planken beschot. Daar was een wrakkig
deurtje in de ruwhouten omheining, met een enkel duwtje week het en
meneer Bollekens, met inspanning over het puin heenschrijdend, stond
in de verwoeste gelagkamer der Rosbach. De trapdeur was in den
achtergrond open en te halver hoogte langs de treden hield zich de
dikke vrouw, op meneer Bollekens wachtend. Haar handen wrongen zich
in elkaar toen zij hem zag, haar mondhoeken trokken gepijnigd naar
omlaag en tranen sprongen uit haar oogen, terwijl zij zuchtend
snikte:
--Aber bitte, kommen Sie herauf, Herr Bollekens.
Meneer Bollekens voelde zich diep aangedaan. Het streed in hem,
geweldig, tusschen vaderlandschen haat en menschelijk medelijden. Hij
had terug willen gaan, hij voelde 't als zijn plicht terug te gaan,
en toch trok een onoverkomelijke macht hem mede, de trap op, achter
de dikke vrouw. Hijgend kwamen zij op een portaal, volgden een smalle,
sombere gang, hielden stil vóór een deur, die de vrouw open duwde.
Meneer Bollekens trad binnen. Was hij verbaasd en ontsteld geweest
door het verschijnen van de dikke vrouw achter het bovenraam, wat hij
nu zag joeg hem als een gruwelschrik om 't hart.
Hij stond in een klein, armoedig kamertje, een soort van keukentje
met een kachel, een tafel en enkele stoelen, dat door één enkel raam
verlicht was en een vergezicht opende over een gedeelte van de stad
met schoorsteenen en daken en over eene wijde hemelsuitgestrektheid,
waarin de glanzend-roode zon door grijze wolkenforten naar het
prachtig Westen daalde. Het kontrast was aangrijpend tusschen de
rijke glorie daarbuiten en de schamele bekrompenheid daarbinnen; maar
het werd tragisch toen een man, dien meneer Bollekens in de
schemering niet gezien had, van naast het tafeltje opstond en zijn
donker silhouet tegen het nog helder raam afteekende. Meneer
Bollekens herkende hem niet dadelijk. Hij moest eerst den klank
zijner stem hooren, maar toen schrikte hij zóó geweldig, dat hij met
een doffen gil naar de deur terugdeinsde.
Het was de baas uit de Rosbach! Meneer Bollekens, die hem gevangen
genomen en gefusilleerd waande, slaakte een kreet:
--Waar komt ge vandaan! Ik dacht dat ge doodgeschoten waart!
--Ze hebben mij gevangen genomen en mij willen fusilleeren, maar toen
zij ondervonden dat ik onschuldig was, hebben ze mij weer losgelaten,
antwoordde de man met holle stem.
Meneer Bollekens sloeg van ontzetting de handen in elkaar en
verademde.
--Goddank! Goddank! Goddank! herhaalde hij voortdurend.
De dikke, steeds schreiende vrouw bood een stoel aan en meneer
Bollekens ging zitten. De baas uit de Rosbach nam plaats tegenover
hem en begon langzaam, met droeve stem, te vertellen.
Zij waren onschuldig, geheel en al onschuldig van de misdaad, die men
hun te laste legde; maar zij waren Duitschers, helaas! en daardoor
verdacht en slachtoffers geworden van de opgezweepte menigte. Toen
alles bij hen stukgeslagen was had men hen aangehouden en huiszoeking
gedaan en natuurlijk niets gevonden, want er was niets te vinden. Men
had hen weer in vrijheid gesteld, maar wat hadden zij aan die
vrijheid? Met het opgewonden volk viel niet te redeneeren: zij bleven
voor alleman de bedriegers en verraders en konden zich, op gevaar van
hun leven af, nergens meer vertoonen. Sinds tien dagen zaten zij hier
opgesloten, levend van wat zij nog in huis gevonden hadden en vooral
van 't bier dat gelukkig nog in den kelder was; maar sinds den
vorigen dag waren de levensmiddelen op en nu zouden zij van honger
zitten sterven, als niemand hulp kwam verleenen. Sinds dagen had de
vrouw meneer Bollekens om het huis heen zien draaien en getracht hem
teekens te doen, maar hij had er nooit iets van gemerkt, tot hij het
nu, gelukkig, toen de nood ten top gestegen was, eindelijk gezien
had. En nu smeekten zij, nu smeekten zij beiden meneer Bollekens op
hun knieën, dat hij hen toch zou willen helpen, hun eenige
levensmiddelen zou bezorgen, om hen van den hongerdood te redden.
Star en als versteend zat meneer Bollekens te luisteren. Het woelde
diep in hem van tegenstrijdige gevoelens, van schrik en medelijden,
van vaag wantrouwen ook nog, maar een heele poos zei hij geen enkel
woord. De baas zat weerom tragisch-roerloos nu, met zijn donker
gezicht tegen het heldere raam, en de vrouw, die even in de hoop op
redding tot bedaren was gekomen, begon opnieuw te zuchten en te
schreien, denkend dat meneer Bollekens' lang stilzwijgen een
afwijzend antwoord beteekende.
--Ach bitte, bitte nur, lieber Herr Bollekens, snikte zij met
wringende handen... Maar eensklaps maakte meneer Bollekens een breed
gebaar en, met een stem die trilde van vrees en verlangen:
--En... is ook al het bier nu op? vroeg hij.
De stille, droeve man scheen even op te leven.
--Bier hebben we nog genoeg, meneer, maar van bier alleen kan
'n mensch toch niet leven, antwoordde hij gedrukt.
Meneer Bollekens was opgestaan. Hij keek omzichtig rond zich heen,
als vreesde hij onbescheiden getuigen. Toen boog hij over 't tafeltje
en zei halfluid:
--Verkoop mij enkele vaatjes bier, ik zal er u eetwaren voor in de
plaats geven.
Zij sprongen bijna op van blijdschap.
--Ach lieber Herr, lieber Herr! weemoedigde de dikke vrouw. En zij
knelde meneer Bollekens' knobbeljichtige handen in de hare, als van
een redder.
--Maar zwijgen, hoor, zwijgen! deed hij hen plechtig beloven.
Zij knikten met het hoofd, keurden goed, beloofden alles wat hij maar
wilde.
In korte woorden werd besloten dat de kleine biertonnen 's avonds
laat, door meneer Bolleken's koetsier en een helper weggehaald zouden
worden; en op dezelfde wijze zouden ook de baas en zijn vrouw van
levensproviand worden voorzien.
Meneer Bollekens stond klaar om te vertrekken en toch ging hij nog
niet. Het was alsof hem nog iets ontbrak, dat hem moest aangeboden
worden. Doch zij dachten er blijkbaar niet aan en eindelijk vroeg hij
het zelf:
--Kunt ge mij nu maar niet dadelijk een glas geven? 'k Heb toch zoo'n
dorst!
Een soort van glimlach zweefde even op de lippen van den baas,
terwijl de vrouw zich, met excuses dat ze 't niet had aangeboden,
naar den kelder spoedde. Ja ja, dat lekker bier, eenmaal als men er
aan was gewend geraakt!...
Hijgend kwam de dikke vrouw terug, met een groote kruik en twee
glazen. Meneer Bollekens' oogen glommen waterig, alsof er tranen van
ontroering in beefden. Met trillende vingers nam hij 't volle glas,
wenkte even prosit naar den baas en dronk, met volle teugen, als een
verdorstigde. 't Was leeg ineens, hij zoog met opgekrulde tong het
bruinachtig schuim van zijn dikke snor, en liet zich nog eens
inschenken, en dronk ook weer tot den bodem, alsof hij niet te
verzadigen was.
Toen wou hij weg. De steeds diep-gealarmeerde vrouw poogde hem nog
even aan de praat te houden over dien ellendigen, ongelukkigen
oorlog, die hen allen zou ruïneeren; doch meneer Bollekens werd
gejaagd en zenuwachtig; hij was misschien wel zeer onvoorzichtig
geweest daar te komen; niemand mocht het weten, men zou het hem
geweldig kwalijk nemen, hij kon zelf als landsverrader aangehouden
worden, 't moest alles héél geheim gebeuren; en hij dwong de dikke
vrouw met hem mee beneden te komen en om den hoek van het houten
beschot te gaan loeren, of soms niet de politiediender of wie ook in
de straat te zien was.
Hij voelde zich eerst gerustgesteld toen hij weer veilig in zijn
prachtig huis zat.
* * * * *
Als die oorlog nu ook maar aan een einde kwam!...