Gelukkig begin van een gewaagd spel.
Zoolang Tell kon, sloeg hij de boot gade en na al wat gebeurd was, was
hij wreed genoeg om te hopen, dat Geszler met de zijnen den dood in de
golven zou vinden.
Spoedig echter nadat hij den koenen sprong gewaagd had en hij in
vrijheid was, was de föhn bedaard, en daar zijn weg om thuis te komen
dicht langs den Bruneck liep, zoo had hij tot zijn leedwezen gezien,
dat de föhn zijn' vijand gespaard had.
Van alles, wat er gebeurd was, was hij onwetend. Hij verkeerde dus in
het geloof, dat de Oostenrijkers nog overal meester waren en dat hij
dus heel voorzichtig moest zijn, wilde hij niet andermaal in hunne
handen vallen.
Hij sloeg nu een kronkelend bergpad in met het doel eene vluchtgrot
te bereiken. Zulke vluchtgrotten had men in de bergen veel. Zij
dienden om jagers en herders, die door boos weer overvallen werden,
eene schuilplaats te verschaffen. Altijd was er droog hout in en eene
tondeldoos met vuursteen en vuurslag om van dat hout een vuurtje te
maken. Verliet men het hol, dan was men verplicht den voorraad hout
aan te vullen, opdat een ander hiervan ook gebruik kon maken. Tell had
spoedig zulk eene vluchtgrot gevonden, en weldra staarde hij peinzend
in het vuur en overlegde wat nu te zullen doen.
„Eerst zal ik Vader Walter kennis van mijne vlucht geven,” zeide hij en
krabbelde op een reepje perkament met houtskool: „Ik ben vrij! Zeg het
Walter! Tell!”
Hij bekeek bij het licht van het vuur het strookje perkament en
mompelde: „„Zeg het Walter!” Het staat er! Maar heb ik, toen ik in
vliegenden ren heengevoerd werd naar den Zwing-Uri, goed gezien, dat
Vader met zijn volk op mijn kind toesnelde? En zoo ja, is het hem
dan gelukt mijn' jongen te redden? O, wist ik eens hoe die gluipende
Geszler zich van mijn kind meester gemaakt heeft! Wie weet of Hedwig en
Willem ook niet in zijne macht zijn! Ik verdraag het niet langer. Ik
wil het weten. Ik zal naar huis gaan al worden de toegangen tot mijne
woning door honderden Oostenrijkers voor mij afgesloten. Eén pad is er,
dat ik alleen weet en dat alleen ik waag te betreden. Dat zal ik nemen!”
Hij trok de kleederen, die hij bij het vuur gehangen had om te drogen,
aan, maakte een keepje in een' pijl, stak het opgevouwen perkamentje er
tusschen, trapte het vuur uit, en na bij het flauw schijnende maanlicht
wat droog hout gezocht en dat in de grot gebracht te hebben, begaf hij
zich op pad.
Op weg naar huis moest hij dicht voorbij de hoeve zijns schoonvaders,
doch eer hij zoo ver was, hoorde hij Oostenrijkers naderen. Het waren
de mannen, die door Walter Fürst terug geslagen waren, en die zich nu
haastten om den Bruneck te bereiken. Waar ergens zouden ze anders heen,
want ze hadden op hunne vlucht gezien dat de Zwing-Uri door de Zwitsers
belegerd werd.
Tell meende in de naderende Oostenrijkers mannen te zullen vinden, die
uitgezonden waren door Landenberg om de Zwitsers te benadeelen, en
hoewel hij nu niet bang was om een vijftal hunner te staan, als hij
zijne jachtbijl bij zich had, begreep hij, dat hij nu veel gevaar liep
om voor de overmacht te moeten onderdoen, en daarom verborg hij zich.
Zoodra ze ver genoeg van hem verwijderd waren, haastte hij zich om zoo
dicht bij zijn schoonvaders huis te komen, dat hij er een' pijl in het
vensterluik schieten kon. Hij deed dit, en hoewel het te duister was om
te kunnen zien of hij het luik wel getroffen had, wist hij dat de pijl
er in zat; daarvoor was hij Tell.
Langzaam begon de dageraad aan te breken, zoodat er geen tijd te
verliezen viel om op het geheime bergpad te komen. Het liep langs
kloven, ontzettend diep, en vaak was het pad niet veel meer dan eene
richel.
Toen hij eindelijk met veel moeite dat pad bereikt had, vond hij het
door de massa's sneeuw geheel afgesloten.
„Dom van me,” bromde hij. „Ik had kunnen begrijpen, dat de föhn dezen
nacht de sneeuw los sloeg. Terug dan en het gewone pad genomen.”
Dit was het smalle pad waarop hij Geszler eens ontmoet had, maar
zie, ook dit was door bergen van sneeuw geheel overdekt. Er was geen
doorkomen aan.
„Heeft de föhn mij dezen nacht bevrijd, nu speelt ze een wreed spel met
mij,” mokte hij. „Er valt niet te kiezen, ik moet het breede pad nemen.”
Het was al dag toen hij zijne woning zag. Het verlangen de zijnen weer
te zien gaf hem vleugelen, en deed hem alle voorzichtigheid vergeten.
Luid klonken de zolen zijner ruwe bergschoenen op het harde pad en deed
Eppo naar buiten snellen.
„Wat! Tell! Gij hier?” riep Eppo. „Wat komt ge doen? Zijt gij vrij?”
„Ja, vrij! Waar is Hedwig? Waar is Willem?”
„Naar Vader Walter, Tell!”
„Naar Vader Walter? Wanneer?”
„Gisteren tegen het vallen van den avond is ze met Willem er heen
gegaan.”
„Waarom? Waarom?” vroeg Tell gejaagd.
„O, Tell, ik durf het niet zeggen! Het is te vreeselijk!”
De groote man werd doodelijk bleek.
„Spreek, Eppo! Spreek! Zeg mij de heele waarheid!”
„Walter, uw lieveling is weg, Tell!”
Tot zijne groote verbazing zag hij dat Tell bij dat bericht blijken van
blijdschap gaf.
„Dat weet ik! Ik heb mijn Waltertje gezien, maar ik heb veel hoop, dat
hij nu bij zijn' Grootvader is.”
Eppo zette de oogen van verwondering zoo wijd open, dat Tell begreep
ophelderingen te moeten geven. Hij deed dit, en verhaalde nu zoo kort
mogelijk al, wat sedert den vorigen middag gebeurd was, en eindigde met
de vraag: „Maar waarom is Hedwig nu gevlucht?”
„Omdat ze vreesde, dat de kleine Willem ook zou geroofd worden, Tell!”
„Is Walter dan geroofd geworden?”
„Kuno en ik dachten, dat hij ergens in een' afgrond gestort was, maar
Hedwig hield vol, dat hij geroofd was. Wij zijn er met Bruno en Wolf
op uitgegaan, doch nauwelijks waren de honden op pad, of ze holden
ons hard vooruit. Wij hebben ze niet weer gezien. Alleen bij dien
eenzamen kastanje-boom zagen we aan het gras, dat er eene worsteling
had plaats gehad. We vonden er een van Walters pijltjes, en afdrukken
van paardenhoeven. Nu wisten wij, dat kleine Walter niet in een'
afgrond gestort, maar geroofd was. Had Willem niet met de koorts te bed
gelegen, dan zouden beide kinderen geroofd zijn. Na dit voorval durfde
Hedwig hier niet blijven, en gisteren, tegen het vallen van den avond
is ze met Willem, die weer beter was, naar haar' Vader gevlucht, en
Kuno is medegegaan om haar te beschermen en haar de veiligste paden te
wijzen.”
„Konden ze vóór het uitbreken van de föhn bij Vader zijn?”
„Neen, onmogelijk! Niet eens halverwegen!”
„O, God! Dan zijn ze wellicht omgekomen!” snikte Tell.
Eppo, die dit ook vreesde, liet het evenwel voorkomen, alsof hij er
anders over dacht, en zeide: „Als zij alleen met Willem gegaan was, zou
ik er ook voor vreezen, maar Kuno was er bij, en Kuno weet wat de föhn
is!”
„Weten, weten wat de föhn is, wat helpt dat?” riep Tell uit. „En dat
alles is jouw werk, Oostenrijksche wreedaard! Wraak! Wraak! Bloed om
bloed! Leven om leven! Ik heb je eens gezegd, dat een Zwitser nooit een
laaghartig moordenaar wordt. Ja, gezegd heb ik dat, maar ik wist niet
dat jij zoo laaghartig zijn zoudt om kinderen te rooven, na eerst mij
in de val gelokt te hebben. Nu trek ik mijn woord in, en waar ik je
vind, schiet ik je neer! Dat wil ik! Dat zal ik!”
Na dit gezegd te hebben ging hij zijne woning binnen, nam er zijn
nimmerfalenden boog met den koker vol pijlen, stak zijne groote
jachtbijl in den gordel, trad weer buiten en zeide tot Eppo: „Blijf
gij hier en zorg voor alles. Als gij mij weer ziet, leeft Geszler, de
Oostenrijksche beul, niet meer! Ik weet waar hij is. Zijn vonnis is
geveld!”
Eppo weerhield hem niet en toen hij hem zag verdwijnen, zeide hij: „Het
is zoo! Geszler's vonnis is geveld! Maar dan?”
Treurig ging Eppo zijn werk in de eenzaamheid verrichten, en met
kloppend hart en vonkenschietende oogen sloeg Tell den naasten weg naar
den Bruneck in.
En wat was daar gebeurd?
Toen Geszler zoo aan Gerold alles had medegedeeld, zwegen ze eene poos,
waarna Gerold, als tot zichzelven sprekend, vroeg: „Wat nu?”
„Laat Gottlieb hier komen?” sprak Geszler. „Drie weten meer dan twee en
Gottlieb is een slim man.”
Gerold, die juist om die slimheid niet veel met dien Gottlieb ophad,
en die maar al te goed wist, dat deze man en Friedel hem menigmaal
overgehaald hadden tot het plegen van lage handelingen, maakte eenige
tegenwerpingen, doch Geszler werd kwaad en zeide: „Doe, wat ik beveel!
Ik ben je leerling niet meer!”
„Dat ondervind ik dikwijls genoeg,” antwoordde Gerold.
„Brutale grijskop,” snauwde Geszler, doch Gerold hoorde het niet meer;
hij was al buiten het vertrek en kwam na een poosje met Gottlieb terug.
Toen ze nu alle drie gezeten waren, zeide Geszler: „Zeg mij, Gottlieb,
wat zoudt gij doen, als gij Rijksvoogd waart?”
„Ik, Heer? Bij het krieken van den dag ging ik met eenig volk naar het
huis van Tell om daar zijne vrouw en zijn' jongsten zoon gevangen te
nemen. Als Tell hoorde, dat vrouw en zoon dood gemarteld zouden worden,
als hij zich niet vrijwillig gevangen gaf, dan had ik den vogel den
eigen dag nog in de knip!”
„Dat is laag!” riep Gerold. „Dat is eene streek den Duivel waardig. Hoe
durft gij met zulk een voorstel voor den dag komen? Schaamt gij u niet?”
„Ik geloof dat je met mijne vijanden heult, Gerold,” sprak Geszler. „En
als ik dat wist, dan...”
„Dan zoudt gij vergeten, dat ik eens de man was tot wien ge als
jongeling zeidet: „Gerold, gij zult altijd mijn beste vriend blijven!”
Dan zoudt gij ook vergeten, dat ik wel een vriend van den Keizer ben,
maar dat ik toch met hart en ziel Zwitser bleef en al wat laag is
verafschuw!”
„Best! Verafschuw mij dan ook! Ik neem je voorstel aan, Gottlieb! Ga en
zoek twintig gewapende mannen uit en zadel de beide paarden. Gij zult
mij vergezellen, dan gaan we samen op de vrouwen- en kinderjacht!”
„Is u dat ernst, Heer?” vroeg Gerold.
„Ernst, niets anders dan ernst!”
„Benoem dan een' anderen Slotvoogd! Ik dien geen' beul!” zeide Gerold,
en zijn zwaard voor de knie in tweeën brekend, wierp hij de stukken
voor de voeten zijns meesters.
„Ga, oude gek! Sterf van honger, of verraad mij en loop tot de
oproerlingen over!”
Gerold antwoordde niets, maar ging, na van het zijne een bundeltje
gemaakt te hebben, den Bruneck uit met de bedoeling zich tot Landenberg
te vervoegen, en dezen zijne diensten aan te bieden.
Een uur mocht hij zoo geloopen zijn toen hij het huilen van een kind
hoorde.
Zijn medelijdend hart dreef hem naar de plaats vanwaar het geluid kwam,
en hij ontdekte weldra in eene vluchtgrot eene jonge vrouw met een
knaapje.
De vrouw zag hem verschrikt aan, en herkende aan het wapen op zijn
kleed terstond in hem een' dienstman van Geszler van Bruneck.
Zij sprong op, plaatste zich met eene zware bijl in de hand voor het
weenende knaapje en riep: „Doe, wat gij durft, Oostenrijker! Tell's
vrouw vreest u niet!”
Verrast zag Gerold op. Hoe kwam Hedwig Fürst hier?
„Hebt gij uw' Vader wel eens Gerold van den Rigi hooren noemen,
Hedwig?” vroeg hij.
„Ja, zeer dikwijls. Hij was eens de vriend van Vader!”
„En noemde hij dien Gerold ooit een vrouwenmoordenaar of kinderroover?”
„Neen, nooit! Hij noemde hem een eerlijk en dapper man, die, jammer
genoeg, den Oostenrijker diende.”
„Ik ben die Gerold van den Rigi, Hedwig! Ik diende Geszler van Bruneck,
maar sedert een uur dien ik hem niet meer. Hij wilde u en uw kind
gevangen nemen en martelen om daardoor Tell weer in zijne macht te
krijgen.”
„Tell in zijne macht? Is Tell dan vrij?”
Vriendelijk zag Gerold de arme geplaagde en gejaagde vrouw aan.
„Ja, heden nacht,” zeide Gerold, „heeft hij zich bevrijd. Hoe? Dat zal
ik u later wel vertellen, als ge in veiligheid zijt. Hoe komt ge hier?”
„En mijn Walter?” vroeg Hedwig zonder op Gerolds vraag antwoord te
geven. „Hebben ze het kind gedood?”
„Hedwig, het is eene heele geschiedenis, en nu kan ik ze u niet
vertellen. Tell is vrij en Walter is bij uw' Vader. Laat dit genoeg
zijn. Hoe komt ge hier?”
Thans deelde Hedwig, na Gerolds handen vol blijdschap gekust te hebben,
hem mede hoe ze, uit vrees voor Geszler met Willem en den ouden Kuno
gevlucht was om te trachten over het gebergte bij Vader Walter te
komen. Ze waren door de föhn overvallen, en Kuno was door een vallend
rotsblok in den afgrond geworpen. Dat zij behouden in deze vluchtgrot
gekomen was, kon alleen geschied zijn, omdat God zijne Engelen
uitgezonden had om haar en haar kind te beschermen.
„Hedwig, uw vermoeden was juist. Geszler en Gottlieb zijn met een
twintig man er op uit om u uit uwe woning te halen. Ik vond die daad
zóó laag, dat ik weigerde hem langer te dienen. Hier echter zal hij u
niet vinden, want hij en Gottlieb zijn te paard en deze steile, smalle
rotsweg is geen pad voor een' ruiter. Maar nu ik weet, dat hij naar uwe
woning is, weet ik ook, dat wij van hier veilig naar uw Vader kunnen
gaan. Kom, laten we dat doen! Ik zal uw zoontje dragen. Het kind kan
hier niet loopen.”
„Maar het is nu dag! Het volk van Geszler zal ons zien!”
„Neen, Hedwig! Het volk van Geszler is in den Zwing-Uri belegerd. Kom,
aarzel niet!”
Hedwig bleef staan en zag den ouden man aan.
„Nu, wat doet u aarzelen?” vroeg hij.
„Gerold,” sprak Hedwig, „in de laatste tijden hebben we ondervonden,
dat valschheid, huichelarij, wreedheid, list en leugen in dienst van
den Oostenrijker zijn!”
„Helaas, maar al te waar, Hedwig,” sprak Gerold, „maar bij de liefde
mijner Moeder zweer ik u, dat Gerold van den Rigi een Zwitser gebleven
is en geene weerlooze vrouwen en kinderen rooft. Kom, geloof me! Hoe
langer gij wacht, hoe meer gevaar gij loopt in handen te vallen van
Geszler en den laaghartigen vleier Gottlieb!”
„Gerold,” zeide Hedwig, „ik wil u vertrouwen. Maar als Tell nu vrij
is, zal hij immers thuis zijn? Laten we dan niet naar Vader, maar naar
mijne woning gaan!”
„Om de vrouwenroovers in de armen te loopen, Hedwig? Wie is ginds
thuis?”
„De oude Eppo alleen!”
„Welnu, als Tell thuis komt, zal Eppo hem zeggen, dat gij naar uw'
Vader zijt, en terstond zal hij ook daarheen gaan. Hem vindt ge daar
dus niet, maar ik verzeker u, als gij Geszler daar niet vindt, dan
vindt gij hem toch in de nabijheid. Zullen we nu naar uw' Vader gaan?”
„Ja! Naar Vader! Kom, Willem, wees niet bang! Die oude man zal u
dragen!”
„Ik kan loopen! Ik ben niet klein!” riep de knaap, die zijne tranen al
vergeten was en nu op zijne manier heel wat voor het zeggen had.
„Ja, kleine vent, dat weet ik wel, dat ge kunt loopen,” zeide Gerold.
„Maar wij moeten groote stappen maken, anders halen de dieven ons in,
die Walter gestolen hebben. Gij wilt toch niet gestolen worden, wel?”
„Goed, draag mij dan! Als gij niet meer loopen kunt, en ik ben groot en
sterk als Vader, dan zal ik u ook dragen,” liet de kleine hooren.
Gerold nam hem op den sterken arm en gezwind ging het nu voorwaarts
langs de afgelegenste paden, maar de hinderpalen, die Tell ontmoet had,
deden zich ook voor hen op. Het werd een dwalen links en rechts. De
föhn had letterlijk alle paden onbruikbaar gemaakt.
Ook voor dit drietal was het dus al lang en breed dag geworden, toen
ze eindelijk alweer bij dezelfde vluchtgrot terugkwamen, die ze vier
uren geleden verlaten hadden. Hedwig kon bijna niet meer voort. Hare
kleederen waren verscheurd, het leder der grove schoenen was tegen de
scherpe steenen stuk geschaafd. Men moest rusten en wat eten van den
medegenomen voorraad.
Het zal ongeveer negen uur in den morgen geweest zijn, toen de drie
opnieuw de grot verlieten om nu langs de gewone wegen den tocht naar
Walter's hoeve te ondernemen.
Gerold liep als spion vooruit, want hier kon men Geszler ieder
oogenblik ontmoeten.
Willem liep nu aan de hand zijner Moeder en vond het niet prettig, dat
hij niet babbelen mocht, want Gerold had het verboden.
„Eene kinderstem klinkt ver,” had hij gezegd, „dus, nu zwijgen. Als
we in veiligheid zijn, moogt ge uwe schade inhalen en naar hartelust,
misschien wel met Walter, praten.”
„Met Walter praten,” ja, dat leek hem, want zonder broer Walter
gevoelde hij zichzelven als niets, vooral als Moeder zoo treurig en
Vader weg was. Maar nu op dien akelig langen weg te moeten voortsluipen
zonder wat te mogen spreken, dat was te erg! Die oude man, die Gerold,
was een groote plaaggeest, en als hij nu weer vroeg: „Willem, zal ik
je dragen?” dan zou hij zeggen: „Neen, je mag mij niet dragen! Ik ben
boos op je! Als ik met Moeder praat, dan vergeet ze te schreien, en nu
ik het niet mag doen, loopen er telkens tranen langs hare wangen, en
kan ze zoo diep en zoo droevig zuchten, dat ik zelf wel hard zou kunnen
gaan huilen. Die arme Moe!”
Zoo liep kleine Willem te denken toen ze, gedurig stilstaande, den weg
vervolgden. Telkens als ze stil moesten blijven staan, keerde Gerold
zich om, legde een' vinger voor den mond en scheen dan scherp toe te
luisteren.
Eens dat hij dit weer deed, begon Willem te glimlachen en vergetend,
dat hij niet praten mocht, zeî hij: „Die oude man hoort niet, wat ik
hoor!”
„En wat hoor je dan?” vroeg Hedwig.
„Ik hoor paarden, Moe!”
Pas had Willem dat gezegd of Gerold kwam snel op hen toeloopen, en
zeide: „Geszler met zijn volk! Mee, terstond mee! Als hij ons ziet,
zijn we verloren!”
Ze wilden voortloopen, doch Willem bleef staan en zeî: „Ik hoor eene
vrouw gillen en kinderen huilen!”
„Ja, ja, ik ook!” sprak Gerold. „Geszler drijft vrouwen en kinderen
voor zich uit! De eerlooze roover! Gauw, mee!”
Hij trok Willem mede en spoedig waren ze nu op eenigen afstand van de
heerbaan achter rotsen en struiken verborgen.
Daar kwam de treurige stoet aan. Voorop eene vrouw met vier kindertjes,
voortgejaagd door Geszler en Gottlieb, die te paard aan het hoofd van
den troep reden.
Plotseling wierp de vrouw zich voor het paard van Gottlieb en den
arm naar Geszler opheffend, schreeuwde zij hem toe: „Dood ons, beul!
Dood ons, en hoor dan meteen den vloek van eene stervende Zwitsersche
Moeder!”
Opeens sloeg Gerold de eene hand voor Hedwigs en de andere voor Willems
mond.
[Illustratie: „Dat is Tell's schot,” kermde Geszler.]
Daar klonk de zware tred van een' man!
Eene schaduw gleed voorbij hunne schuilplaats.
Kleine Willem wilde zich losrukken, en achter Gerolds hand klonk het
heel dof: „Vader!” Achter de andere hoorde hij: „Tell! Willem!”
„Halli! Halli! Hallo!” klonk het forsch door de bergen.
Geszler verbleekte en keek omhoog.
„Vrouwenbeul! Kinderroover! Zoo wreekt een Zwitser zich!” riep Tell. In
een oogwenk was de boog aangelegd, de nimmer falende pijl snorde door
de lucht.
„Dat is Tell's schot,” kermde Geszler.
De pijl trof hem in het hart en dood sloeg hij achterover van het paard.
„Halli! Halli! Hallo!” jodelde Tell andermaal en met een tweede
pijlschot viel Gottlieb.
De vrouw, die voor Gottliebs paard geknield had gelegen, sprong op,
rukte Geszler de breede jachtbijl uit den gordel en gilde: „Wraak!
Wraak!”
Als eene furie viel zij de mannen van Geszler aan. Dezen drongen op
haar toe, maar, weer had Tell er één geveld, en in ongelooflijk korten
tijd, velde hij een' vierden. Nu wierp hij boog en pijl neer, en zijne
bijl nemende sprong hij te midden der Oostenrijkers.
„Houd moed, Kunigonde,” riep Tell de vrouw toe. „Ik kom je helpen!”
„En ik! En ik!” riep Gerold, die nu Hedwig en Willem losliet.
„Gerold! Gerold, de Grijze Simson!” riepen de Oostenrijkers en, hunne
wapenen neerwerpend, riepen ze: „Genade, Heer Slotvoogd! Genade!”
Tell keek vol verbazing op. Gerold, de Slotvoogd van den Bruneck, aan
zijne zijde! Hoe kon dat? Hoe was dat mogelijk?
„Ik ben weer Zwitser, Tell! Ik dien den Oostenrijker niet meer,” riep
hij. „Zie daar eens!”
Hij wees naar de schuilplaats, zoo even verlaten.
Tell keek in de aangewezen richting en: „Hedwig! Hedwig! Willem!
Willem!” jubelde hij en liep beiden tegemoet om hen aan het hart te
drukken.
„Gaat naar den Bruneck terug, mannen, en neemt de lijken mede. Vertel
daar, wat gij gezien en gehoord hebt, en doet, wat gij wilt! Gij zijt
vrij!”
„En wat gaat gij doen, Heer Slotvoogd?” vroeg een der mannen.
„Ik ga mijn Vaderland dienen, mannen! Het restje levenskracht, dat ik
nog heb, is mijn Vaderland gewijd. Wat de Oostenrijkers nu doen, is
geen krijgsmanswerk meer. Ik dien geen' beul, die vrouwen en kinderen
rooft. Gaat en doet, wat uw hart u ingeeft. Alleen dit raad ik u:
verraad uw Vaderland niet, want gij zijt geboren Oostenrijkers!”
„Die ook geene beulen meer willen dienen,” sprak de oudste der mannen.
„Wij zullen de gevallenen op den Bruneck brengen en, al noemt men ons
verraders van ons Vaderland, het deert ons niet! Wij strijden niet
langer tegen de Zwitsers. De wapenen zijn afgelegd! Wij keeren naar
Oostenrijk terug! Vaarwel, Heer Slotvoogd!”
De mannen verwijderden zich met de lijken, doch lieten de paarden
achter.
Hedwig en Kunigonde werden met de kinderen op de paarden gezet en
gerust toog men verder.
Nu haalde kleine Willem zijn hartje op. Vader liep naast het paard en
vertelde op zijne beurt alles, wat er met hem gebeurd was. Onverwachts
hield hij echter op, bleef staan en luisterde.
„Ik hoor hulpgeroep!” zeî hij.
„Ik hoor het duidelijk!” sprak Gerold.
„Hier waren wij toen de föhn op het hevigst was,” zeide Hedwig. „Daar
bij die rots werd Kuno in den afgrond geworpen!”
„Het is Kuno, die roept! Ik hoor het aan zijne stem,” deed kleine
Willem zich hooren.
Tell en Gerold liepen thans naar de aangewezen plek en vonden Kuno in
de diepte.
„Wat hebt gij gebroken, Kuno?” vroeg Gerold.
„Niets! Ik kan er alleen maar niet uit. De wand is te steil en te
glad,” antwoordde Kuno.
„Ja, touwen hebben we niet! Maar stil, met paardentuig kunnen we ook
wel wat. Ik zal het halen,” riep Gerold.
„Ik heb touw bij me,” klonk het uit de diepte. „Ik rekende op de föhn
en nam het mee. Beproef het te vangen!”
Verscheidene malen werd het beproefd, maar het was te vergeefs.
Daar naderde Hedwig en zeide: „Hier, scheuren wij dezen halsdoek in
reepen. Wij zullen ze aan elkander knoopen en dan in den afgrond laten
zakken. Kuno kan het touw er dan aan vastmaken!”
„Ha! Ha!” riep Kuno. „Vrouwe Hedwig is behouden! Ik hoor hare stem! En
Willem?”
„Kleine Willem is gered en hier, en groote Willem is vrij en ook hier,
Kuno!” antwoordde Tell. „Hier, knoop uw touw aan deze reep!”
Het werd gedaan en thans had men in korten tijd het touw boven. Het
werd aan een' boomstam vastgemaakt en spoedig was Kuno ook gered.
„Vlug naar Vader,” riep Hedwig. „Zou Walter er zijn?”
„Ja, Walter is daar,” zeide Gerold. „Geszler zelf heeft het mij gezegd.”
Vroolijk ging het voorwaarts en tegen den avond kwam men op Vader
Walters hoeve aan.
Wat werd er gejuicht! Wat werd er genoten!
Welk een ongedachte voorspoed!
Geszler, dood! Landenberg gevangen! Ulrich, Heinrich en Gottlieb
ook dood! Gerold van den Rigi hun bondgenoot! Oostenrijkers, die de
wapenen niet meer willen voeren! Alleen Fabian met de zijnen binnen den
Zwing-Uri! Zoo mooi kan alles niet afloopen. En toch was dat wel het
geval.
Heer Beringer werd eerst naar den Bruneck gebracht om zich te
overtuigen dat Geszler dood was, en daarna bracht men hem tot onder de
muren van den Zwing-Uri om Fabian mede te deelen al wat er gebeurd was.
Aan een bedwingen van den opstand kon Fabian niet meer gelooven, en
daarom gaf hij den burcht over onder voorwaarde, dat de bezetting na
het neerleggen der wapenen ongehinderd zou mogen uittrekken, belovende
nimmermeer de wapenen tegen Zwitserland te zullen voeren.
In korten tijd was nu geen enkele Oostenrijker meer in Zwitserland te
vinden.
„Komaan, mannen,” sprak Heer Rudolf, „dat is eene uitkomst zóó schoon,
als geen onzer had kunnen droomen of voorspellen. Maar, we zijn er
nog niet. De Keizer-Hertog zal wraak nemen, en dan, ja, dan zal het
een andere strijd worden! Toch hebben we nu alles in ons voordeel om
ons voor den worstelstrijd, die ons wacht, voor te bereiden. In den
eersten tijd hebben we de handen volkomen vrij! Maken wij er gebruik
van, en... Zwitserland zal vrij zijn en vrij blijven! Keeren we allen
naar huis terug, en zorgen we overmorgen om op aloude wijze op de Rütli
bijeen te komen. Ik blijf met eenig volk op den Zwing-Uri. Stauffacher
en Attinghausen zullen de Landammans van Uri en Schweiz zijn, en ik
twijfel niet of vriend Walter zal de Landamman van Unterwalden willen
zijn!”
„Neen,” zeî Walter, „ik ben een te driftig man daarvoor. Ik ken geen'
beteren dan mijn' ouden vriend Gerold. Hij zal de Unterwalders leiden!”
Gerold weigerde, doch toen allen riepen: „Heil! Heil! Gerold van den
Rigi, onze Landamman! Hij leve!” nam hij de eervolle betrekking aan, en
jubelend keerden allen nu naar hunne haardsteden terug.
Ook Heer Rudolf was weldra op den Zwing-Uri en zich neerzettend,
mompelde hij: „Gelukkig begin van een gewaagd spel!”