Door de föhn vrij gemaakt.
„En gelooft gij nu nog, Heer, dat die oude slaapmuts van den Redingfelz
zulk een geducht krijgsman is?” vroeg Fabian des avonds.
„Meer nog dan van middag, Fabian!”
„Maar, Heer! hoe is het mogelijk? Waarom doen ze dan geen' aanval op
den burcht en laten ze ons met rust? Er is zelfs niets te hooren, en ik
zou wel lust hebben om eens te onderzoeken, of ze niet allen stilletjes
afgetrokken zijn, wel wetend, dat...”
„Gij een domoor zijt. Kom op den toren dan zult gij alles beter zien.
Heel kalm en bedaard gaat alles in zijn werk. Rudolf van Reding brengt
er orde en regel in. Hij deelt de benden in en zorgt dat allen niet
alleen welgewapend zijn, maar dat allen ook bij een' aanval of bij eene
bestorming volgens een geregeld en wel overlegd plan te werk gaan.
Zonder hem zou de bestorming in het wild geschied zijn, en met zeer
geringe moeite zouden wij de oproermakers niet alleen afgeslagen, maar
ook vernietigd hebben.”
„Dat zullen we nog, Heer! We zullen ons toch niet door een' troep
boeren laten slaan?”
„Je bent een Oostenrijker, Fabian, en je vergeet te veel, dat iedere
Zwitsersche boer, als het er op aankomt, een geboren krijgsman is. Ik
ben als knaap met deze boeren opgegroeid en ik ken ze. Beter dan eenig
ander heb ik ook dien Rudolf van Reding leeren kennen. Mijn Vader
heeft vaak mij zijne geschiedenis verteld. Hij was een eenig man met
het zwaard in de vuist op den muur, met de lans in de sterke hand op
het slagveld, met een hoofd vol wijze gedachten en plannen in den raad,
en toen de pest in het Kruisleger uitbrak, Koning Lodewijk er aan
bezweek en Koning Theobald van Navarre, Koning Karel van Sicilië en
Graaf Alphonsus van Poitiers, die ook in het leger waren, bij zooveel
tegenspoed het hoofd verloren en niet wisten wat te doen, bleef Rudolf
van Reding de man, die hij altijd geweest was, en hij was het, die niet
alleen verhoedde, dat het heele Kruisleger door den Sultan van Tunis
verslagen en vernietigd werd, maar die ook wist te bewerken, dat de
Sultan met de Franschen een' vrede sloot welke voor deze laatsten vrij
voordeelig mocht genoemd worden. Eenmaal opnieuw in Zwitserland terug,
trok hij weer het boeren-edelmanspak aan, deed het werk van een' boer
en scheen zich om niets te bekommeren. Hij bemoeide zich niet met onze
zaken en ook niet met die van de Zwitsers, ja, hij verscheen zelfs
nooit op eene vergadering op de Rütli. Hij had eene gelofte gedaan, zeî
men, om nimmer weer als krijgs- of als raadsman op te treden. En nu is
die man het Legerhoofd. Wij konden geen' gevaarlijker vijand tegenover
ons krijgen. Zijn de booten in orde?”
„Ja, Heer! Er zijn drie groote booten. Ze liggen bij de Waterpoort!”
„Laat Ulrich en Heinrich dan twee der booten nemen en ieder met twintig
welgewapende mannen het meer oversteken om zooveel vrouwen en kinderen
gevangen te nemen, als ze maar kunnen. Zijn er de noodige paarden op
den Bruneck?”
„Er zijn er twee, Heer!”
„Maar twee? Nu, goed! Het is genoeg! De grootste boot blijft hier, en
zoodra het donker is, moet Gottlieb met een twintig man en een paar
bloedhonden er plaats in nemen. Gij zorgt dat Tell, goed gekneveld, ook
in de boot komt. Ik volg dan en ga met de boot mede. Wij brengen Tell
op den Bruneck, en vrouwen en kinderen voor ons uitdrijvend, keeren we
morgen middag hier terug. In dien tijd belast ik u met het bevel over
den Zwing-Uri!”
„En als men in uwe afwezigheid den burcht bestormt?”
„Dan sla je den storm af, maar hiervoor is in de eerste dagen geen
gevaar. Zorg echter vooral, dat de burcht van de meer-zijde steeds
toegankelijk voor ons blijft. Laat de zes booten, die er nog zijn,
geheel klaar maken om morgen middag ons met de gevangenen hier binnen
te brengen!”
„Het zal geschieden, Heer!”
„Ik reken er op! Maar zorg ook dat ze hier niet doen, wat ze op den
Sarnenstein doen, als Landenberg er niet is!”
„Wat is dat, Heer?”
„Zich dronken drinken, Fabian!”
„Och, Heer, dat doen ze ook als Heer Beringer er is. Deze drinkt zich
elken avond dronken.”
„Zwijg, kerel! Heer Beringer van Landenberg is een Ridder en een
Edelman! Het voegt een schobbenjak niet op zulk een' toon over hem te
spreken. Ik sprak over het volk, niet over hem. Oef, wat is het warm!
Ik ga wat rusten, want vannacht zal er van slapen niets komen. Zorg
voor alles!”
Geszler ging naar zijne vertrekken en Fabian bleef alleen achter.
„Alsof het hem niet goed deed, dat ik van dien laffen drinkebroer
Beringer vertelde,” mompelde Fabian. „En dat noemt mij toch
„schobbenjak”, alsof ik slechts een gemeene trosboef of lansknecht
ware. Hij mag oppassen, die Geszler met mij te beleedigen!”
Brommend ging Fabian de bevelen ten uitvoer brengen en weldra waren
Ulrich en Heinrich met een paar booten op het meer en buiten het
gezicht van den Zwing-Uri.
Geszler had wel gelijk gehad met Rudolf van Reding een gevaarlijk
vijand te noemen, want hij had dadelijk werk ervan gemaakt om ook van
de meerzijde den burcht in te sluiten. Friedel de veerman, Baumgarten
en de jonge Melchtal hadden last gekregen om zooveel booten bijeen te
brengen, als men maar krijgen kon. Hiermede moesten ze achter de rotsen
gaan liggen, doch buiten het gezicht van den burcht. Kwam er nu eene
boot van den Zwing-Uri, dan moest die onverhoeds overvallen worden.
Uitdrukkelijk echter luidde het bevel: „Eén uur na zonsondergang moeten
alle booten aan wal gehaald en in veiligheid gebracht worden!”
„En als de Oostenrijker dan, begunstigd door de duisternis van den
nacht, langs het meer den burcht verlaat, Heer?”
„Dan vindt hij zijn graf in de golven. Wij krijgen van nacht storm en
onweder. Ik voel de föhn nu reeds in mijne leden! De natuur zal heden
nacht onze bondgenoot zijn!”
„Nu, Heer Rudolf,” sprak Friedel de veerman, „ik geloof dat u gelijk
heeft. Het is te warm vandaag en de vogels zijn erg onrustig! Wij
zullen voor alles zorgen!”
„Dat behoeft Friedel de veerman mij niet te zeggen,” sprak Heer Rudolf.
„Hij is een Zwitser zoo goed als Baumgarten, Melchtal en al de anderen,
en een Zwitser doet steeds zijn' plicht. God hoede u!”
Heer Rudolf was vertrokken en kort daarop lagen er acht goed bemande
booten achter de rotsen. Ulrich en Heinrich zagen ze niet en ze dachten
ook aan geen vijanden. Zorgeloos roeiden ze voort tot opeens uit beide
booten gillen opstegen. Eene bui van pijlen daalde neer en trof maar al
te goed doel.
„Den dood aan den Oostenrijker!” schreeuwden de Zwitsers, en in een
oogenblik waren de twee Oostenrijksche booten door Friedel en de zijnen
ingesloten.
„Geeft u over!” riep Friedel. „Wij zijn in de overmacht, dat ziet ge!”
„Nooit! Nooit!” riepen Heinrich en Ulrich. „Den dood aan de
oproerlingen!”
„Je kunt het koken, zooals je het eten wilt,” deed Friedel spottend
hooren, maar het was zijn laatste woord. Een welgericht pijlschot benam
hem het leven.
Toch was werkelijk de overmacht der Zwitsers te groot, en toen meer
dan dertig der Oostenrijkers gesneuveld of gewond waren, en Ulrich en
Heinrich ook tot de gevallenen behoorden, gaven de anderen zich over,
en werden in de hut van Friedel opgesloten.
Eén uur na zonsondergang werden alle booten aan den wal gehaald en in
veiligheid gebracht en begaven Baumgarten, Melchtal en de anderen zich
met hunne gevangenen naar het leger van Heer Rudolf om hem verslag van
het gebeurde te doen.
Of het de treurige tijding van het sneuvelen van Friedel den veerman
was, die hen zoo somber maakte? Misschien wel, maar misschien ook niet.
„Het is of de onnatuurlijke warmte mij bevangen heeft,” zeide
Baumgarten. „Mijne beenen wegen als lood.”
„De mijne ook,” sprak Melchtal. „Maar weet je, wat ik zou aanraden?”
„Wat te rusten,” zeide een visscher. „Wat hebben we ons te haasten?
Eene treurige tijding komt altijd vroeg genoeg.”
„En ik zou juist aanraden ons te reppen,” sprak Melchtal. „Weet je wel,
wat de oude Heer Rudolf gezegd heeft? We krijgen storm en onweder van
nacht. Hij voelde de föhn reeds in zijne leden.”
Nog meer dan een kwartier ver had men een pad te loopen, dat bij het
losbreken van de föhn zeer gevaarlijk was. Melchtals herinnering van
hetgeen Heer Rudolf voorspeld had, deed allen begrijpen, dat haast
maken aangeraden was, wilde men zijn leven niet in gevaar brengen.
Zij spoedden zich nu snel voort, en pas hadden ze het gevaarlijke pad
achter zich en waren ze op de heerbaan, of de föhn brak in vreeselijke
kracht uit.
Een half uur te voren had Geszler den Zwing-Uri verlaten met de
grootste boot met twintig koppen bemand.
Midden op het meer riep de stuurman opeens: „Heer, laten wij spoedig
naar den wal roeien. Zie eens omhoog! De föhn!”
„De föhn!” steunde Geszler, en riep: „Naar den wal! Naar den wal!”
Het was te laat!
De storm greep het meer aan en de volle boot werd als een bal over het
water gejaagd.
„Het zeil neer! Het zeil neer!” schreeuwde de stuurman.
De storm greep het aan en sloeg het in flarden.
„Stuur beter! Naar den wal!” riep Geszler.
„Heer, de boot luistert niet naar het roer,” antwoordde de stuurman.
Eene hooge golf sloeg over.
„Wij verdrinken! Wij verdrinken!” klonk het klagend geroep van Gottlieb.
„Naar den wal, ezel! Naar den wal!” bulderde Geszler.
„Onmogelijk, Heer! Bevelen wij God onze zielen! Den wal halen kunnen we
niet!” riep de stuurman zoo hard hij kon, om met zijne stem het geloei
van den storm, het gebruis der golven en het ratelen en klateren der
donderslagen te kunnen overtreffen.
Geszler verstond hem niet, maar begreep hem.
Daar vallen zijne oogen op Tell en terstond herinnert hij zich de vaart
over den Rijn.
„Als er één is, die ons aan den wal brengen kan, dan is hij het,”
mompelt hij.
Zal hij hem vragen het roer in handen te nemen?
Ja? En zal hij het dan doen?
Neen, hij zal weigeren, want hij kent dien trotskop. Vrijwillig doet
hij alles, gedwongen niets. Hijzelf heeft het gezegd daar in de bergen,
vlak naast den afgrond.
Hij fluistert Gottlieb wat in, en deze zich over Tell buigend, vraagt
hem: „Wat is dat voor een storm?”
„De föhn!” is het korte antwoord.
„Kunnen we den wal halen?”
„Ja, om tegen de rotsen verpletterd te worden!”
„Maar is er geen ander middel?”
„Jawel!”
„Nu, man, wees zoo kortaf niet! Welk is dat middel?”
„Midden op het meer verdrinken! Wat anders?”
„En als gij het roer in handen hadt?”
„Weet ik het?”
„Wilt gij beproeven ons aan den wal te brengen?”
„Waarom vraagt gij dat? Kan Geszler het niet vragen? Of heeft hij de
koorts van angst? Hij klappertandt! Wat is hij bang voor den dood!”
„Spot niet, Tell! Beproef liever ons aan den wal te brengen. Heer
Geszler, zegt dat gij even goed sturen als schieten kunt!”
„Doet me genoegen! Maar meer genoegen doet het mij hem zoo te zien
klappertanden van vrees. Ja, Geszler van Bruneck is een held!”
Eene nieuwe golf slaat weer over en werpt de boot half vol water.
De storm neemt toe in kracht.
Het onweder is vreeselijk.
„Ik zal de banden, die u gekneveld houden, los maken. Wilt gij dan aan
het roer?”
Geen antwoord.
„Spreek op toch! Wilt gij dan verdrinken?”
„Ja! Liever verdrinken dan langzaam sterven in een onderaardsch
kerkerhol van den Bruneck!”
„Gij zult daar zoo vrij zijn als vroeger op den Zwing-Uri! De
Rijksvoogd houdt u slechts als gijzelaar!”
„Knevelt men in Oostenrijk de gijzelaars dan?”
Gottlieb heeft de banden al losgemaakt.
Tell ziet rond en bij het licht van den bliksem ontdekt hij de
Vischbrug. Het is eene groote verzameling van groote steenbrokken, die
eens van den berg neergeslagen zijn.
Nauwkeurig beschouwt hij die steenen.
Er schittert wat in zijn oog.
Hij springt op en roept tot den stuurman: „Mij het roer! Geef hier!”
De stuurman waagt het niet en kijkt Geszler aan.
Deze knikt toestemmend.
Frank en vrij, zonder banden zit Tell aan het roer.
In Geszlers oogen schemert wat. Het is de hoop! Ja, nu zullen ze het
dreigend gevaar ontkomen! Dikker en dikker wordt de duisternis. Het is
alsof de onweerswolken dalen!
Slechts dan, als een lichtstraal de donkere wolken doorklieft, ziet men
wat!
Maar dat licht is zoo verblindend en het duurt zoo kort!
Eén keer echter heeft Geszler gezien, dat men dichter bij den wal is
dan een oogenblik te voren, en... hij meende die plek te herkennen, die
plek vol ruwe rotsbrokken in het water! Die plek, waar hij als jongen
zoo vaak stond om met de hengelroede den blanken visch te verschalken.
Daar landen, dáár? Dat is de dood! Daar kan men niet landen! Daar slaan
de golven op de rotsen de boot te pletter! Dat wil hij misschien!
Liever dood dan gevangen zal Tell denken. Ja, zoo is hij. Als het weer
een oogenblik licht is, dan zal hij zien of hij gelijk heeft, en is het
zoo, dan zal hij hem het roer ontnemen laten.
De storm neemt toe!
Wat is dat? De storm? Onweder?
Neen! Het is het uit elkander slaan van de golven tegen de rotsen.
Een stoot!
Allen slaken een' angstkreet!
Geszler voelt iets! Men ontrukt hem wat!
Een felle bliksemstraal doorklieft de lucht!
Een man springt uit de boot op de rotsen en duwt met den krachtigen
linkervoet de boot het meer op! Die man is Tell! Hoog boven het hoofd
zwaait hij Geszlers boog en pijlkoker!
Ha! dat was het, wat hem bij dien stoot ontrukt werd!
Een nieuwe bliksemstraal zet alles in gloed!
Een ontzettende donderslag, duizenden malen terug gekaatst, ratelt en
klatert!
En te midden van dat alles...
„Halli! Halli! Hallo!”
Dat jodelen doet allen huiveren! Er ligt wat spookachtigs in!
Het is weer donker, aardedonker! Maar--de storm wordt minder!
Alweer een lichtstraal!
„Zie! Zie! Daar!” roept Gottlieb en wijst in de hoogte.
Geszler staart omhoog en ziet Tell blootshoofds op de punt van eene
rots staan, als een reus, als een stormreus, die de woede der elementen
tart!
„Vrij!” klinkt het uit de hoogte en het wordt opnieuw gevolgd door dat
spookachtige: „Halli! Halli! Hallo!”
„De Booze!” mompelt Gottlieb en maakt het kruisteeken.
„Ja, de Booze, en geen mensch!” murmelen allen en volgen vol eerbied
Gottlieb na.
Met elke seconde vermindert de storm in kracht.
Nog eens een vreeselijk felle lichtstraal, en men ziet Tell van de eene
rotspunt op de andere springen met eene vastheid en zekerheid, alsof er
voor hem geen gevaar van uitglijden of misspringen bestond.
Daar stroomt de regen bij stralen neer. De zwarte wolken gelijken eene
zee, die ledig gegoten wordt.
Het is het einde van de föhn; het is het naspel van het uur der angsten.
„Halli! Halli! Hallo!” klinkt het flauw, maar duidelijk uit de verte,
en nu het grootste gevaar voorbij is en de stuurman het roer weer
meester is, keert Geszlers moed terug, en met den moed ook de zucht
naar wraak.
De regen plast en stroomt, maar de storm is over. Het meer wordt vlak
en effen. Nog één lichtstraal ontzettend fel en hel, alles verblindend!
Nog één slag, harder dan er een geweest is! De druk ervan doet de
bergen dreunen en stukken rots slaan naar beneden, alles verwoestend in
den val!
Het was het slot-akkoord van het lied des stormkonings!
De wolken scheuren en drijven af. De sterren komen te voorschijn. De
maansikkel werpt een mat licht over het meer en de bergen.
„Daar is de Bruneck!” zegt Geszler en wijst op een donker gevaarte, dat
zich op eene steile rots verheft. Maar hoe hij tuurt, hij ziet geen'
brandenden pekpot.
Vreemd! Hij had het Ulrich en Heinrich toch bevolen.
„Ziet gij een' pekpot branden, Gottlieb?” vraagt hij.
„Ik heb er ook al naar gekeken, Heer! Maar ik zag niets. Het is de
Bruneck toch wel?”
„Lomperd! Zal ik mijn' stamburcht niet meer kennen? Het is de Bruneck!
O, ik zal het volk leeren mijne bevelen niet op te volgen! De lafaards!
Zeker bang geweest voor de föhn!”
Gottlieb glimlacht en denkt aan Tell's woorden: „Hij klappertandt! Wat
is hij bang voor den dood!”
Hij past wel op het niet te zeggen en houdt zich, alsof hij niet weet,
dat diezelfde man een oogenblik geleden zelf een groote lafaard was, en
hij zegt: „De regenstroomen kunnen het vuur uitgedoofd hebben, Heer!”
„Verontschuldig de schelmen niet! Bevelen moeten opgevolgd worden, al
is er het leven mede gemoeid. Ik zal het hun afleeren!”
Men legt aan.
Geszler is de eerste uit de boot aan den wal en roept: „Boot
vastleggen! Volgt mij!”
Met woeste sprongen loopt Geszler den steilen burchtweg op. Eindelijk
is hij boven en beukt met zijne krijgsbijl op de poort, woedend
roepend: „Open! Doe open!”
„Wie is daar die geweldmaker buiten?” klinkt de stem van den
poortwachter daar binnen.
„Dat zal je spoedig genoeg ondervinden,” brult Geszler, wiens woede
door dat woord „geweldmaker” nog heviger opgewekt wordt en zijne stem
heesch maakt.
„De oude Bertram heeft te veel jaren dienst, man, om je enkel op je
brutaal geschreeuw en gedreig de poort te openen. Heer Geszler van
Bruneck heeft ons andere manieren geleerd! Ga vanwaar gij komt!”
„Zult gij nu open doen, oud nachtspook!” schreeuwt Geszler, doch hij
spant zich hierbij zoo in, dat zijne stem overslaat en in een piepend
geluid eindigt.
„De Bruneck blijft gesloten, man,” antwoordt Bertram kalm. „Gij zijt
zeker een afgedwaald schaap uit de dronken kudde van den Sarnenstein.
Weet dan wel, dat Heer Geszler van Bruneck met dat dronken gespuis
niets te maken wil hebben!”
Terwijl dit gesprek gehouden wordt, is Gottlieb ook genaderd en daar
Geszler van woede dreigt te stikken en zijne bijl zoo diep in de poort
slaat, dat hij ze er niet meer uithalen kan, zegt Gottlieb: „Maar,
Bertram, hoor je dan niet, dat Heer Geszler van Bruneck zelf voor
de poort van zijn' eigen burcht staat? Kom, doe snel open! We zijn
doorweekt van den regen en verlangen naar een goed vuur.”
Daar binnen is iemand bij Bertram gekomen; het is Gerold, de Slotvoogd,
die hier inplaats van Heer Geszler bevel voert, als deze afwezig is.
Gerold was eenmaal schildknaap bij Heer Geszlers Vader, en later
leerde hij diens zoon Geszler den geheelen wapenhandel en alles wat
een Edelknaap of Jonker van dien tijd moest leeren. Hij is al bijna
zeventig, doch zijne kaarsrechte reuzengestalte, zijne vlugheid en
verbazende lichaamskracht zouden hem voor ieder, die hem niet kende,
slechts een' ouderdom van nog geen vijftig jaar geven. Iedereen vreest
hem en hij vreest niemand, zelfs Geszler niet.
Hij heeft, ondanks het heesche geluid, Geszlers stem herkend en opent
de poort.
Als een dolle springt Geszler op hem toe, heft zijne bijl op, laat ze
neerdalen en...
„Is de Jonker dol of dronken?” bijt Gerold Geszler fluisterend in het
oor, doch houdt meteen den arm tegen eer de bijl doel getroffen heeft.
„Waarom brandt de pekpot niet, zooals Ulrich en Heinrich je bevolen
hebben?” zegt Heer Geszler, die tegenover Gerold nog altijd eenigszins
eerbiedig is.
„Ulrich en Heinrich, Heer?”
„Ja, Ulrich en Heinrich! Ze kwamen hier in den namiddag in booten aan.”
„Gij vergist u, Heer! Ulrich en Heinrich zijn hier niet geweest! Al
sedert meer dan eene week schijnt het heele meer verlaten te zijn, en
het is al meer dan veertien dagen geleden, dat hier iemand geweest is.
De laatste was Friedel, die hier voor u jagen kwam!”
„Doet de vrees u liegen, Gerold?” brengt Geszler er met moeite uit.
„Mag ik vragen of de teleurstelling Heer Geszler van Bruneck tot een'
suffer maakt, die niet meer weet, dat Gerold van den Rigi nog nooit
loog?” klinkt het kalm terug.
„Maar ze moeten hier geweest zijn! Ze zijn in twee booten over het meer
gekomen!”
„Dan heeft de föhn hun een graf bezorgd, Heer!”
„Ze waren lang voor dat de föhn losbarstte hier, of konden althans hier
zijn. Ik was in de föhn op het meer, en dat ik hier ben mag een wonder
heeten.”
„Een groot wonder ook, Heer! Maar zooals ik u zeî: Ulrich en Heinrich
zijn hier niet geweest.”
„Ga mee, Gerold!” zeide Geszler. „Wij moeten spreken, want er is iets
gebeurd. Of, mag mijn volk er soms niet in?”
De vraag werd met bijtenden spot gedaan, doch Gerold zag wel, dat
zijn Heer erg opgewonden was en deed maar, alsof hij niets hoorde,
en hij zeide: „Laat allen binnen, Bertram! Sluit dan de poort en leg
in de groote zaal een flink vuur aan. De keldermeester zal voor een'
verwarmenden dronk zorgen. Willen we nu gaan, Heer?”
Geszler en Gerold zaten weldra in de kleine Ridderzaal bij een knappend
vuur en een' beker warmen wijn, doch wat die twee elkander te vragen of
te vertellen hadden, zullen we maar niet mededeelen. Alles liep over
het gebeurde, en dat weten we al.
We gaan Willem Tell opzoeken.